Schijnzelfstandigheid

 

 

In de algemene ziekenhuizen worden in snel tempo op allerlei plaatsen in de patiëntenzorg psy­chologen ingezet. Meestal gebeurt dat door aanwervingen in een werknemersstatuut. De laatste tijd worden ook psychologen 'aangeworven' in een zelfstandigenstatuut. De vraag kan gesteld worden of het gaat om zelfstandigen of schijnzelfstandigen. Een proble­matiek die zich niet alleen in de gezondheidszorg stelt.

 

Maatschappelijk gezien is er een naar elkaar toe groeien van het statuut van werknemer en zelfstandige; de zelfstandige boet wat in aan autonomie en de werknemer wordt steeds geëmancipeerder en autonomer.

Er zijn evenwel grote gevolgen verbonden aan het statuut. Voor de opdrachtgever zijn 'zelf­standigen' goedkoper dan werknemers omdat hij voor hen geen patronale bijdragen en sociale lasten moet betalen. Voor de zelfstandige lijken de verdiensten soms hoger, wat evenwel heel wat minder wordt na aftrek van de zelf aangegane verzekeringen om uitein­delijk dezelfde sociale zekerheid te bekomen als bij het werknemersstatuut.

Wanneer er na geschil een herkwalificatie komt van de arbeidsrelatie kan dit ernstige financiële gevolgen hebben.

 

De laatste jaren is er veel te doen geweest rond die problematiek. De rechtbanken gebruikten gedurende verschillende jaren de UNIZO-formule. Het Rekenhof heeft in mei 2004 een uitgebreid rapport opgesteld. Daarna heeft minister Laruelle werk gemaakt van wetgeving terzake.

 

In de programmawet van 27.12.2006 (BS 28.12.2006) is er een nieuwe regeling verschenen die zijn volle uitwerking heeft vanaf 1.1.2008. Het is wel nog wachten op enkele uitvoeringsbesluiten. Een korte samenvatting kunt u hier lezen.

 

De wettekst volgt hieronder:

 

 

TITEL XIII. - Aard van de arbeidsrelaties.

HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.

Art. 328.
Voor de toepassing van deze titel dient te worden verstaan onder :
  1° " wet van 27 juni 1969 " : wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
  2° " koninklijk besluit nr. 38 " : koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen;
  3° " wet van 29 juni 1981 " : wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers;
  4° " instellingen van sociale zekerheid " : instellingen die belast zijn met de toepassing van de wetgevingen inzake sociale zekerheid evenals alle diensten die belast zijn met de controle op deze toepassing;
  5° " arbeidsrelatie " : professionele samenwerking betreffende het presteren van arbeid door een partij in de hoedanigheid van hetzij werknemer hetzij zelfstandige, waarbij moet worden verstaan :
  a) onder " werknemer " : de persoon die er zich in een arbeidsovereenkomst toe verbindt, tegen betaling van een loon, onder het gezag van de andere partij, de werkgever, arbeid te verrichten;
  b) onder " zelfstandige " : de natuurlijke persoon die, een beroepsactiviteit uitoefent buiten de onder a) bedoelde gezagsband en die niet verbonden is door een statuut.



HOOFDSTUK II. - Commissie ter regeling van de arbeidsrelatie.

  Art. 329.
§ 1. Er wordt een " Commissie ter regeling van de arbeidsrelatie " ingesteld, samengesteld uit twee afdelingen :
  - een normatieve afdeling, met één kamer;
  - een administratieve afdeling, met meerdere kamers.
  § 2. De kamer van de normatieve afdeling is samengesteld uit :
  - 1 voorzitter, beroepsmagistraat;
  - 6 leden afkomstig uit de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid, Directie-generaal Zelfstandigen of uit het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen;
  - 6 leden afkomstig uit de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg of uit de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid, Directie-generaal Sociaal Beleid of uit de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid;
  - 4 deskundigen met een voor de functie nuttige beroepservaring en die geen personeelsleden zijn van de Federale Overheidsdiensten onder toezicht van de ministers die Sociale Zaken, Werk en Middenstand in hun bevoegdheden hebben of personeelsleden van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid of van het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen.
  Behalve de voorzitter, worden de leden door de Koning benoemd bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad op voorstel van de ministers die Sociale Zaken, Werk en Middenstand in hun bevoegdheden hebben.
  De kamer van de normatieve afdeling kan beslissen deskundigen van de betrokken sector of sectoren of van het betrokken beroep of beroepen te horen.
  § 3. De Kamers van de administratieve afdeling zijn elk samengesteld uit een gelijk aantal leden aangewezen op voorstel van de minister die de Middenstand onder zijn/haar bevoegdheid heeft onder de personeelsleden van zijn/haar administratie of van het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen enerzijds, en van leden aangewezen op voorstel van de ministers die Sociale zaken en Werkgelegenheid onder hun bevoegdheid hebben onder de personeelsleden van hun administraties of van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid anderzijds.
  Elke kamer van de administratieve afdeling wordt voorgezeten door een beroepsmagistraat.
  § 4. Geen enkel lid van de Kamers van de administratieve afdeling mag de functie van ambtenaar uitoefenen die onder het gezag valt van de ministers die Sociale Zaken, Middenstand en Werk in hun bevoegdheden hebben, en die ermee wordt belast de naleving van de toepassing van de wetgevingen inzake sociale zekerheid en arbeidsrecht te bewaken.
  § 5. De leden van de kamers van de administratieve afdeling worden door de Koning benoemd.
  § 6. De Koning bepaalt de werking van de normatieve en administratieve kamers van de Commissie.

  Art. 330.
De kamer van de normatieve afdeling van de in artikel 329 bedoelde Commissie heeft volgende taken :
  1° inwinnen van elk pertinent advies dat het mogelijk maakt de realiteit van een onzekerheid betreffende de aard van de arbeidsrelaties in een sector of voor één of meerdere beroepen te objectiveren;
  2° op verzoek van de bevoegde ministers of op eigen initiatief verslag uitbrengen ter vaststelling van het al dan niet bestaan van een onzekerheid of problematiek betreffende de aard van de arbeidsrelaties in een sector of in een of meerdere beroepen;
  3° op hun verzoek raad geven aan de overeenkomstig artikel 336, § 1, geraadpleegde organen;
  4° overeenkomstig artikel 336, een voorstel uitwerken van lijst met specifieke criteria die aan de ministers die respectievelijk Sociale zaken, Middenstand en Werk in hun bevoegdheden hebben voorgelegd dienen te worden.



HOOFDSTUK III. - Principes.

  Art. 331.
Zonder de openbare orde, de goede zeden en de dwingende wetten te kunnen overtreden, kiezen de partijen vrij de aard van hun arbeidsrelatie waarbij de effectieve uitvoering van de overeenkomst moet overeenkomen met de aard van de arbeidsrelatie. Er moet voorrang worden gegeven aan de kwalificatie die uit de feitelijke uitoefening blijkt indien deze de door de partijen gekozen juridische kwalificatie uitsluit.

  Art. 332.
Indien de uitoefening van de arbeidsrelatie voldoende elementen naar voor brengt die, beoordeeld overeenkomstig de bepalingen van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, onverenigbaar zijn met de kwalificatie die door de partijen aan de arbeidsrelatie wordt gegeven, zal er een herkwalificatie van de arbeidsrelatie gebeuren en wordt er een overeenstemmend stelsel van sociale zekerheid toegepast, zonder evenwel afbreuk te doen aan de volgende bepalingen :
  - artikel 2, § 1, 1° en 3°, van de wet van 27 juni 1969, artikel 2, § 1, 1° en 3°, van de wet van 29 juni 1981, en artikel 3, § 2, van het koninklijk besluit nr. 38, alsook iedere bepaling die op basis van deze bepalingen genomen werd;
  - in algemene zin, elke wettelijke of reglementaire bepaling die de uitoefening van een beroep of een bepaalde activiteit in de hoedanigheid van zelfstandige of werknemer in de zin van deze wet oplegt of onweerlegbaar vermoedt.
  De elementen die in het eerste lid worden bedoeld, worden beoordeeld op basis van de algemene criteria zoals gedefinieerd in artikel 333 en, desgevallend, van de specifieke criteria van juridische of socio-economische aard die overeenkomstig de adviesprocedure van hoofdstuk V worden vastgesteld.



HOOFDSTUK IV. - De algemene criteria.

  Art. 333.
§ 1. De algemene criteria waarvan sprake in vorig artikel en die het mogelijk maken het bestaan of de afwezigheid van een gezagsband te beoordelen zijn :
  - de wil der partijen zoals die in hun overeenkomst werd uitgedrukt, voor zover deze laatste overeenkomstig de bepalingen van artikel 331 wordt uitgevoerd;
  - de vrijheid van organisatie van de werktijd;
  - de vrijheid van organisatie van het werk;
  - de mogelijkheid een hiërarchische controle uit te oefenen.
  § 2. Onverminderd de in artikel 332 beoogde bepalingen, kunnen de verplichtingen die inherent zijn aan de uitoefening van een beroep en die door of krachtens een wet zijn opgelegd niet in overweging genomen worden om de aard van een arbeidsrelatie te beoordelen.
  § 3. De volgende elementen zijn, op zichzelf genomen, niet bij machte om de arbeidsrelatie adequaat te kwalificeren :
  - de titel van de overeenkomst;
  - de inschrijving bij een instelling van sociale zekerheid;
  - de inschrijving bij de Kruispuntbank voor Ondernemingen;
  - de inschrijving bij de administratie van de BTW;- de wijze waarop de inkomsten bij de fiscale administratie worden aangegeven.



HOOFDSTUK V. - De specifieke criteria.

Afdeling 1. - Criteria.

  Art. 334.
§ 1. De Koning kan een lijst opstellen met specifieke criteria die eigen zijn aan een sector, een of meerdere beroepen of een of meerdere categorieën van beroepen die Hij bepaalt. Deze lijst vult de criteria aan die in artikel 333 worden beoogd zoals voorzien door de in dit hoofdstuk omschreven procedure.
  § 2. Deze specifieke criteria kunnen enkel bestaan uit elementen die al dan niet op het bestaan van een gezag wijzen. Zij kunnen niet afwijken van de criteria bepaald in artikel 333 en moeten niet noodzakelijk bestaan uit een van de elementen van § 3.
  § 3. Deze lijst met specifieke criteria kan onder meer volgende elementen van socio-economische en juridische aard bevatten :
  - verantwoordelijkheid en beslissingsmacht over de financiële middelen om de onderneming rendabel te houden;
  - de vaste en/of gewaarborgde bezoldiging;
  - persoonlijke en substantiële investering in de onderneming met eigen middelen en persoonlijke en substantiële deelname in de winsten en verliezen van de onderneming;
  - de mogelijkheid personeel in dienst te nemen of zich te laten vervangen;
  - zich manifesteren als onderneming ten overstaan van de medecontractant of van derden;
  - in ruimtes en/of met materiaal werken die in eigen bezit zijn.
  § 4. Ingeval van samenloop tussen criteria per sector, criteria per beroep, en/of criteria per beroepscategorie hebben de laatstgenoemde voorrang op de vorige.

Afdeling 2. - Aanhangigmaking bij de normatieve kamer van de Commissie ter regeling van de arbeidsrelatie.

  Art. 335.
Onverminderd de bepalingen bedoeld in artikel 332, tweede lid, kunnen de ministers die Sociale Zaken, Werk of Middenstand in hun bevoegdheden hebben het initiatief nemen een einde te maken aan elke onzekerheid of problematiek betreffende de aard van de arbeidsrelatie die ze in een sector of in een of meerdere beroepen zouden vaststellen op basis van een verslag, door een van hen gevraagd of op initiatief van de kamer van de normatieve afdeling bedoeld in artikel 329.
  Hiertoe kan elk van hen een zaak aanhangig maken bij de kamer van de normatieve afdeling van de Commissie ter regeling van de arbeidsrelatie bedoeld in artikel 329 zodat deze een verslag uitbrengt over het al dan niet bestaan van een dergelijke onzekerheid of problematiek binnen een termijn van twee maanden die met vier maanden kan worden verlengd op schriftelijk verzoek van de kamer.

Afdeling 3. - Adviesprocedure.

  Art. 336.
§ 1. Op basis van het verslag bedoeld in artikel 335 ter vaststelling van het bestaan van een onzekerheid of specifieke problematiek in een sector of beroep maken de ministers die respectievelijk Sociale zaken, Middenstand en Werk in hun bevoegdheden hebben dit verslag, samen, binnen de twee maanden over aan enerzijds de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen en anderzijds de Nationale Arbeidsraad opdat deze een advies uitbrengen betreffende de specifieke criteria opgesteld overeenkomstig artikel 334. Dit advies dient uitgebracht binnen een termijn van 4 maanden vanaf de aanhangigmaking. Deze termijn kan op hun verzoek met twee maanden verlengd worden.
  De Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen brengt zijn advies slechts uit na het raadplegen van de betrokken sectoren en beroepen en, als er een bestaat, de beroepsorde die of het beroepsinstituut dat voor het betrokken beroep door de wet is aangesteld, volgens de modaliteiten die door de Koning worden bepaald.
  De Nationale Arbeidsraad brengt zijn advies slechts uit na het raadplegen van de bevoegde paritaire Comités volgens de modaliteiten die door de Koning worden bepaald.
  § 2. In de veronderstelling dat de adviezen die in § 1 zijn bedoeld niet binnen de vereiste termijn worden uitgebracht, wordt er een herinnering gericht aan de Hoge Raad der Zelfstandigen en Kleine en Middelgrote Ondernemingen en aan de Nationale Arbeidsraad door de ministers die respectievelijk Sociale Zaken, Middenstand en Werk in hun bevoegdheden hebben.
  Indien deze adviezen niet ten laatste bij het verstrijken van een termijn van 4 maanden te tellen vanaf voormelde herinnering worden uitgebracht, stelt de kamer van de normatieve afdeling van de Commissie bedoeld in artikel 329 van ambtswege en onverwijld een lijst met specifieke criteria voor die zij overmaakt aan de ministers die respectievelijk Sociale Zaken, Middenstand en Werk in hun bevoegdheden hebben.
  § 3. De adviezen die in § 1 zijn bedoeld, worden ingewonnen door de kamer van de normatieve afdeling van de Commissie bedoeld in artikel 329.
  Indien deze adviezen eenparig zijn, maakt de Kamer het voorstel van lijst met specifieke criteria, ongewijzigd, binnen de maand over aan de ministers die respectievelijk Sociale Zaken, Middenstand en Werk in hun bevoegdheden hebben.
  Indien deze adviezen uiteenlopend zijn, maakt de Kamer er de synthese van en werkt, dientengevolge binnen de 4 maanden, een voorstel van lijst met specifieke criteria uit. Zij maakt deze over aan de ministers die respectievelijk Sociale zaken, Middenstand en Werk in hun bevoegdheden hebben. Dit voorstel vermeldt bij welke meerderheid het werd uitgewerkt.
  § 4. In de veronderstelling dat de lijst met specifieke criteria door de kamer van de normatieve afdeling bij een meerderheid die kleiner is dan 60 % werd uitgewerkt, zijn de 4 deskundigen, zoals bedoeld in artikel 329, § 2, ertoe gehouden binnen 2 maanden een nieuwe lijst met specifieke criteria aan de Kamer van de normatieve afdeling van de Commissie voor te stellen die hierover uitspraak over doet en zijn advies overmaakt aan de bevoegde ministers.

Afdeling 4. - De lijst met specifieke criteria.

  Art. 337.
De Koning maakt de lijst met specifieke criteria die overeenkomstig artikel 336, § 3, tweede lid, wordt overgemaakt, verplichtend.
  In de veronderstelling van een lijst met specifieke criteria die door de normatieve afdeling van de Commissie uitgewerkt wordt bij een meerderheid die gelijk is aan of groter is dan 60 %, stelt de Koning, op voorstel van de ministers die respectievelijk Sociale Zaken, Middenstand en Werk tot hun bevoegdheden hebben, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, een lijst met specifieke criteria op, binnen een termijn van 4 maanden is voorgesteld.
  In de veronderstelling van een lijst die door de kamer van de normatieve afdeling van de Commissie uitgewerkt wordt bij een meerderheid die kleiner is dan 60 %, kan de Koning, op voorstel van de ministers die respectievelijk Sociale Zaken, Middenstand en Werk tot hun bevoegdheden hebben, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad een lijst met specifieke criteria opstellen.



HOOFDSTUK VI. - De beslissingen betreffende de kwalificatie van een arbeidsrelatie door de administratieve Kamers van de Commissie.

  Art. 338.
§ 1. De kamers van de administratieve afdeling van de in artikel 329 bedoelde Commissie hebben tot taak beslissingen te nemen betreffende de kwalificatie van een bepaalde arbeidsrelatie. Deze beslissingen worden van kracht voor een periode van drie jaar in de in § 2, tweede en derde lid, bedoelde gevallen.
  § 2. Deze beslissingen worden genomen op gezamenlijk initiatief van het geheel van de partijen van de arbeidsrelatie, wanneer de partijen de bevoegde kamer van de administratieve afdeling binnen een termijn van één jaar aanzoeken vanaf de inwerkingtreding van deze wet of van het koninklijk besluit dat de lijst met specifieke criteria in de betrokken sector, beroep of beroepscategorie opstelt.
  Deze beslissingen kunnen eveneens worden genomen op initiatief van een enkele partij van de arbeidsrelatie, ingeval deze een beroepsactiviteit van zelfstandige start en een aanvraag ervoor doet bij haar aansluiting bij een sociaal verzekeringsfonds bedoeld bij artikel 20 van het koninklijk besluit nr. 38.
  Deze beslissingen kunnen ten slotte worden genomen op initiatief van elke partij die beoogt een arbeidsrelatie te hebben met een andere partij, waarvan het statuut van werknemer of zelfstandige onzeker is, en hierom voorafgaand en rechtstreeks de bevoegde kamer van de administratieve afdeling verzoekt.
  In dit kader zullen de regels en modaliteiten van de opdracht van de bij artikel 20 van het koninklijk besluit nr. 38 bedoelde sociale verzekeringsfondsen door de Koning worden vastgesteld.
  § 3. Geen enkele beslissing kan worden gegeven :
  1° wanneer op het ogenblik van de indiening van het verzoek de bevoegde diensten van de instellingen van sociale zekerheid een onderzoek hebben geopend of een strafrechterlijk onderzoek betreffende de aard van de arbeidsrelatie werd geopend;
  2° wanneer de aard van de betrokken arbeidsrelatie bij een arbeidsrechtbank aanhangig werd gemaakt of deze zich er reeds over uitgesproken heeft.
  § 4. Deze beslissingen zijn bindend voor de instellingen die in de administratieve kamer vertegenwoordigd zijn evenals voor de sociaalverzekeringsfondsen bedoeld in artikel 20 van het koninklijk besluit nr. 38, behalve :
  1° wanneer de voorwaarden betreffende de uitvoering van de arbeidsrelatie en waarop de beslissing werd gegrond, gewijzigd worden. In dit geval heeft de intrekking van de beslissing uitwerking vanaf de dag van de wijziging van deze voorwaarden;
  2° wanneer blijkt dat de elementen betreffende de kwalificatie van de arbeidsrelatie die door de partijen werden verschaft op een onvolledige of onjuiste wijze werden verschaft. In dat geval wordt de beslissing geacht nooit te hebben bestaan.
  De instellingen van sociale zekerheid blijven er dus toe gemachtigd over te gaan tot een controle van het behoud van de elementen die de beslissing van de administratieve kamer hebben gegrond.
  § 5. Er kan door de partijen binnen de maand die volgt op de kennisgeving van de beslissingen via aangetekend schrijven tegen deze beslissingen voor de arbeidsrechtbanken een beroep worden aangetekend.
  De beslissing wordt definitief indien geen enkel beroep wordt aangetekend.
  Deze rechtsvordering wordt begrepen in eerste aanleg, in beroep en in cassatie.
  § 6. De partij die een beslissing van de bevoegde kamer van de administratieve afdeling onder de door dit artikel voorziene voorwaarden heeft gekregen, kan een nieuwe beslissing van deze kamer bekomen.
  § 7. Ieder jaar stelt de administratieve afdeling een verslag met daarin haar rechtspraak op.



HOOFDSTUK VII. - Slotbepalingen.

  Art. 339.
Deze titel is van toepassing zonder dat hierbij afbreuk wordt gedaan aan de soevereine macht van hoven en rechtbanken om de aard van een welbepaalde arbeidsrelatie te beoordelen, rekening houdende met algemene criteria en, desgevallend, specifieke criteria die van toepassing zijn op deze laatste.
  Wanneer een instelling van sociale zekerheid de aard van een arbeidsrelatie betwist, is zij ertoe gehouden voorafgaand de rechtspraak van de kamer van de administratieve afdeling van de Commissie bedoeld in artikel 329 te raadplegen.

  Art. 340.
§ 1. In de hypotheses van herkwalificatie van de arbeidsrelatie, bedoeld bij § 6, zal de rechtzetting van de verschuldigde sociale zekerheidsbijdragen worden toegepast voor de periode die de herkwalificatie voorafgaat sedert de inwerkingtreding, desgevallend, van het koninklijk besluit dat de lijst met de specifiek criteria die in de betrokken sector, beroep of categorie van beroepen van toepassing zijn vastlegt, rekening houdende met de verjaringstermijn bepaald bij artikel 42 van de wet van 27 juni 1969 en bij artikel 16 van koninklijk besluit nr. 38.
  § 2. In geval van herkwalificatie tot verloonde arbeidsrelatie, in afwijking van de bepalingen van hoofdstuk IV van de wet van 27 juni 1969, en onverminderd de toepassing van het stelsel van sociale zekerheid der loontrekkenden, zal de rechtzetting enkel de bijdragen als dusdanig betreffen, met uitzondering van de verhogingen, intresten en andere kosten of sancties voorzien bij hoofdstuk IV van voornoemde wet, en mits afhouding van de tijdens die periode aan de inninginstelling van de sociale zekerheidsbijdragen der zelfstandigen verschuldigde bijdragen.
  Zo ook blijven in deze hypotheses de gedurende de periode die de herkwalificatie voorafgaat aan de inninginstelling van de sociale zekerheidsbijdragen der zelfstandigen verschuldigde bijdragen verworven en zullen die door de werker niet teruggevorderd kunnen worden wiens statuut hergekwalificeerd is.
  Onverminderd de loonbarema's zal de maandelijkse bezoldiging van de werknemer, zonder werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid en vóór aftrek van de bedrijfsvoorheffing geacht worden gelijk te zijn aan het maandelijks gemiddelde van de inkomsten toegekend als zelfstandige en verminderd met het maandelijks gemiddelde van de sociale zekerheidsbijdragen verschuldigd aan de inninginstelling van de sociale zekerheidsbijdragen der zelfstandigen.
  § 3. In geval van herkwalificatie tot zelfstandige arbeidsrelatie, in afwijking van de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 38 en onverminderd de toepassing van het stelsel van sociale zekerheid der zelfstandigen, zal de rechtzetting enkel de bijdragen als dusdanig betreffen, met uitzondering van de verhogingen en intresten en mits afhouding van de tijdens deze periode aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid der werknemers verschuldigde persoonlijke bijdragen.
  Zo ook blijven in deze hypotheses de gedurende de periode die de herkwalificatie voorafgaat aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid der werknemers verschuldigde persoonlijke bijdragen verworven en kunnen deze niet door de werker wiens arbeidsrelatie hergekwalificeerd werd noch door zijn vroegere werkgever teruggevorderd worden.
  § 4. Jaarlijks en voor de eerste keer tijdens het jaar volgend op het jaar van inwerkingtreding van dit artikel, stellen de RSZ-globaal beheer en het globaal financieel beheer van het sociaal statuut der zelfstandigen gezamenlijk een globale afrekening op. Het bedrag van deze afrekening wordt van het ene globaal beheer naar het andere overgedragen vóór het einde van het jaar waarvan de afrekening wordt opgemaakt.
  De in vorig lid bedoelde afrekening berust op volgende principes : de door de werker verschuldigde bijdragen voor de periode die voorafgaat aan de herkwalificatie van zijn arbeidsrelatie moeten aan het andere globaal beheer overgemaakt worden, verminderd met het bedrag van de effectief aan de werker toegekende sociale prestaties voor dezelfde periode.
  De Koning bepaalt de berekeningswijze en de nadere regels voor de vaststelling van deze globale afrekening.
  § 5. In de hypotheses van herkwalificatie van de arbeidsrelatie bedoeld in § 6 is geen enkele strafsanctie van toepassing.
  § 6. De bij dit artikel bedoelde hypotheses zijn de volgende :
  - vrijwillige aansluiting van de werkgever bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid wanneer deze aansluiting plaatsgrijpt ten laatste bij het verstrijken van de termijn van zes maanden vanaf de inwerkingtreding van deze wet of van het koninklijk besluit dat de lijst opstelt met de specifieke criteria die van toepassing zijn in de betrokken sector, het betrokken beroep of de betrokken categorie van beroep;
  - aanzoek van de bevoegde kamer van de administratieve afdeling door alle partijen van de arbeidsrelatie onder de voorwaarden bepaald bij artikel 338, § 2, eerste lid, wanneer de partijen zich binnen een termijn van 6 maanden naar de uitgebrachte beslissing schikken.

  Art. 341.
Wanneer de Commissie, in het bij artikel 338, § 2, tweede lid, bedoelde geval, vaststelt dat er geen overeenstemming is tussen een arbeidsrelatie en de kwalificatie die door de partijen aan de arbeidsrelatie wordt gegeven, geldt de herkwalificatie slechts voor de toekomst.

  Art. 342.
Deze titel zal twee jaar na haar inwerkingtreding het voorwerp uitmaken van een evaluatie door de Nationale Arbeidsraad en de Hoge Raad voor Zelfstandigen en Kleine en Middelgrote Ondernemingen.

 



HOOFDSTUK VIII. - Inwerkingtreding.

  Art. 343.
Deze titel treedt in werking op de eerste dag van de maand na de maand waarin zij in het Belgisch Staatsblad is verschenen, met uitzondering van de artikelen 329 en 330, alsook de artikelen 334 tot 339 en 341 die in werking treden op een door de Koning te bepalen datum en uiterlijk op 1 januari 2008.

 

 

 

 

 

 

 

 

Terug naar de Leden-pagina