Een
vraaggesprek met André Claessens,
35 jaar priester/missionaris in 2012
>>
Word je zomaar Priester ?
Men zegt wel eens dat 'Priester worden' een roeping is, hé. Vroeger stelden de mensen zich dat voor als een rechtstreekse ingeving of een stem die je hoort. Ik denk dat het eerder een beeld is, een ervaring "dat iemand naar je kijkt". Voor mij is het de vervulling van mijn leven. Ik ervaar mijn priesterschap als een opdracht die ik elke dag krijg van God, en op die manier kijkt ook een gelovige mens naar zijn leven.
Dat verlangen om priester te worden, gaat al heel lang terug, tot in mijn kinderjaren, want zelfs in de lagere school was ik daar al mee bezig. Het verlangen was al van kindsbeen aanwezig, zonder dat ik daar een bepaald moment kan op plakken. Tijdens mijn tienertijd is het steeds op-en-af gegaan, maar het is toch altijd de ondertoon gebleven.
Het is wel een beetje strijd geweest want ook in de jaren 60, ik ben in 1969 naar het klooster gegaan, waren het toch wel vrij woelige jaren. Zo was er het uitwerken van het concilie, maar ook de bekende mei '68 trok voorbij, én voor mij was er het uitstippelen van de weg naar het kloosterleven en het missionarisleven. Het was niet zo vanzelfsprekend. Het was een tijd waar in de Kerk ook veel beweging was: vele nieuwe initiatieven ontstonden, maar ik heb ook heel wat priesters weten uittreden. Dat zijn toch wel dingen die in je leven ingrijpen, ze doen je nadenken van "Zet je die stap wel ?"
Dus in die zin: inderdaad, je wordt niet zomaar 'Priester'. Ik denk dat iedere roeping, voor een deel, moet bevochten worden. Er is altijd wat de Duitse pastor en theoloog uit de Nazitijd, Dietrich Bonhöffer, noemde "Wiederstand und Ergebung" - "Weerstand en overgave"
>> Was er een stimulans vanuit je familiekring ?
Ik weet niet van enige beïnvloeding door mijn broers of zussen want ik ben de oudste van het gezin. Maar mijn vader was wel een voorbeeld van sociaal en kerkelijk engagement. Hij was zeer actief in de sociale beweging, sinds we op Schoonbroek woonden, in 1962. Maar vooral vanaf 1966, wanneer Schoonbroek parochie werd, heeft hij heel actief aan het gemeenschapsleven deelgenomen. Daar waren wel eens woorden over in de huiskring.
Men heeft mij thuis vrij gelaten in mijn engagementen. Ook om naar het klooster te gaan hebben ze nooit enige voorkeur of afkeur laten blijken. Ik weet nog wel, toen ik vroeg om kloosterling te worden, was dat wel moeilijk voor ons moeder, … dat wel, … zij heeft mij zeker niet gestimuleerd. Maar ze hebben er ook nooit voor in hun handen geklapt, ze gaven mij de vrijheid om te doen wat ik wou doen.
>> Waarom keuze voor het kloosterleven ?
Mijn keuze hangt misschien wel samen met de crisis van de clerus in de jaren '60. Hier in Ekeren heb ik meerdere priesters weten uittreden. Vanaf 1963 was ik reeds bezig op vlak van de jongerenwerking, samen met E.H. Frans Sanders. Daar ondervond ik dat de diocesane clerus wel erg "eenzaam" kon zijn. Ik dacht dat het gemeenschapsleven, het kloosterleven misschien toch meer mogelijkheden gaf om je roeping te beleven. Ondertussen heb ik al wel ontdekt dat je ook eenzaam kan zijn wanneer je met velen onder hetzelfde dak leeft.
Bovendien was in die tijd toch het verlangen om missionaris te worden sterk verbonden met het kloosterleven. Ik kende geen diocesane priesters, die naar de "missie trokken", zoals men vroeger zei. Ik ben nogal vlug in contact gekomen met die missiecongregaties, zoals de Oblaten en nadien de Missionarissen van het Heilig Hart, maar ook de Scheutisten kende ik en bij de Broeders van de Christelijke Scholen was ik "kind aan huis".
Bovendien was er ook de eerste pastoor van Schoonbroek, Luc Van Cauter, een missionaris uit Kongo, een Norbertijn uit de abdij van Tongerlo. Dus ik kende er heel wat, en ja, voor mij is de keuze in zekere zin wel wat moeilijk geweest: welke kloosterfamilie gaan we nu kiezen?
>> Viel uw keuze snel op de Paters van het Heilig Hart ?
Wel, ik weet het niet, ik moet daar eerlijk in zijn, het was meer een "opportunistische" keuze, denk ik nu. In deze zin: degenen die ik het langst kende waren de Oblaten. Ik had ze bij een "kledingslag" van Oostpriesterhulp leren kennen in de zomer van 1963. En ik ben met de Oblaten in contact gebleven. Dat waren toen jonge kloosterlingen, mannen in opleiding in Gijzegem, toen ze kledingstukken kwamen ophalen met de kapelwagen. Maar wanneer ik dan moest beslissen op het einde van de humaniora, ben ik in het vormingshuis in Korbeek-Lo gaan kijken en ze waren toen zelf in een crisis verwikkeld, ik kreeg de indruk dat ze niet goed wisten wat aan te vangen met nieuwe kandidaten.
De Missionarissen van het Heilig Hart die ik ondertussen ook al kende, met wie ik deelnam als jeugdleider in een kamp in De-Haan-aan-Zee. Ze waren daar nog niet zo in een crisis, dat is daar wat later gekomen. Zij waren nog talrijk in de opleiding en er was een goede sfeer. Dat heeft uiteindelijk de doorslag gegeven en niet de spiritualiteit van die congregatie . Die heb ik pas later ontdekt.
>> Hoe bent u in Kongo verzeild geraakt?
Ik ben vertrokken in 1972 voor de eerste keer om mijn legerdienst te volbrengen. Maar het was aanvankelijk mijn bedoeling dat ik naar Brazilië zou vertrekken. Daarvoor had ik mij wat voorbereid en dat had ik ook gevraagd. Maar toen was er daar een militaire dictatuur en konden wij moeilijk aan een visum geraken. Ik had mijn uitstel van mijn legerdienst ingetrokken, dus moest ik wel vertrekken om in 1974 tijdig terug te zijn voor het academiejaar.
Op dat ogenblik vroeg de aartsbisschop van Mbandaka, Monseigneur Wynants, die een confrater van ons was, veel medewerkers voor het onderwijs. Zo ben ik dan met het statuut van vrijwilliger naar Kongo vertrokken en heb ik daar in een lagere normaalschool gewerkt als leraar . Als ik daar vertrok in 1974 was het nog steeds mijn vaste overtuiging om later als priester naar Brazilië te vertrekken. Ziet u, ik had die droom van Latijns-Amerika niet opgegeven.
Na mijn priesterwijding op 10 juli 1977 door Mgr. Paul Schruers ben ik dan nog twee jaar wereldgodsdiensten gaan studeren aan het Institut Catholique in Parijs. Ook dat was een boeiende tijd.
Maar de overste in Kongo zei bij mijn vertrek in 1974 : "gij kruipt nog op uw knieën terug naar hier". En dat is dan ook gebeurd. Uiteindelijk ben ik in 1979 definitief vertrokken naar Kongo, toen nog Zaïre genoemd. Daar ben ik gebleven tot januari 1984 en vervolgens naar Kameroen vertrokken tot juni 1992. Ik werkte daar mee aan de priesteropleiding in de Ecole Théologique St. Cyprien en het interdiocesaan Groot Seminarie van Nkol-Bisson terwijl ik vormingsverantwoordelijke was voor onze eigen confraters uit Frans sprekend Afrika. In 1992 was ik aan herbronning toe.
Ik had het geluk 9 maanden te kunnen verblijven in Cliftonville - GB aan het Institute St. Anselms. Nadien woonde ik een tijdje in een armere wijk in Brussel (Gorikssector) waar ik mij voorbereidde om te gaan werken met de straatkinderen in Kinshasa. Uiteindelijk ben ik door omstandigheden buiten mijn wil voor bijna twee jaar teruggekeerd naar Kameroen, tot februari 1996, om er opnieuw actief te zijn in de priestervorming.
>> Wat spreekt u zo aan in de missies ?
In Afrika heeft men nauw contact met de mensen en hun cultuur, vooral in Kongo waar ik de eerste jaren reispater was in de brousse. Ik ging daar van dorp naar dorp in een bepaald reisgebied, waarvoor ik verantwoordelijk was. Daar leef je natuurlijk meer met de mensen mee. In Kameroen leefde ik in de hoofdstad, het contact is er anders, ook omdat mijn verantwoordelijkheid meer academisch was.
>> Terug naar Vlaanderen
Tijdens mijn sabbattijd van 1992 tot 1994 was het mij opgevallen hoe moeilijk het was om terug wortel te schieten in Vlaanderen. Anderzijds hoorde ik nogal wat mensen klagen over hun pastoor, oud-missionaris, dat die toch maar moeizaam meekon...
Toen dacht ik bij mezelf: als je vroeger wil terug komen dan je pensioen, moet je niet te lang meer wachten. Want nu kan je nog iets nieuws beginnen , nu kan je nog een nieuw leven beginnen en als je nog enkele jaren wacht dan wordt dat ook alsmaar moeilijker voor jezelf en voor de anderen. Deze afweging heeft sterk meegespeeld.
Toen ik terugkeerde naar Kameroen in september 1994, merkte ik dat mijn aanwezigheid daar niet meer zo noodzakelijk was. Aan de theologische school, waar ik les gaf , kwamen er meer en meer Afrikanen de kaders invullen. Wij moesten ons daar werkelijk overbodig maken. Je kunt wel blijven meedraaien, maar tegelijkertijd had ik tijdens mijn sabbattijd gezien hoe sterk de zaken evolueerden in Vlaanderen en hoe groot het gebrek aan voorgangers wel was. Ik had al het beste deel van mijn leven aan Afrika gegeven en de tijd die mij nu nog rest kan ik misschien beter teruggeven aan de gemeenschap in Vlaanderen.
>> Hebben uw ervaringen uit Afrika invloed gehad op uw taak hier bij ons ?
De ervaringen, opgedaan in Afrika, vormen je als mens en maken je wijzer. Maar de pastorale ervaring ginder en hier ? De realiteit is toch anders. Bovendien heb ik het grootste deel van mijn leven in Afrika doorgebracht als leraar. Wat toch ook een heel speciale aanwezigheid is. Dat is niet het gewone veldwerk, dat is iedere dag daadwerkelijk voor de klas staan, voor meerdere generaties studenten. Maar het heeft mij misschien wel geholpen omdat je altijd geestelijk bezig geweest bent. Je hebt dus de kerkelijke evoluties wel gevolgd, minstens op theoretisch vlak en op afstand, zo kon ik de evoluties die hier plaats hadden beter situeren. Trouwens, vooraleer ik terug in België aan de slag ging ben ik nog een semester als vrije student naar de theologische faculteit van de KUL gegaan om wat bij te scholen. Nadien kwam ik in ons vormingshuis in Herent terecht terwijl ik dagelijks in Brussel ging werken als uitvoerend secretaris van AEFJN Africa - Europe Faith and Justice Network tot juni 1999.
>> Vreugde en pijn in het pastorale werk vandaag in de federatie Ekeren
'Vreugde' is de meest interessante. Wanneer ik hier in de parochies begon te werken was het een aangename vaststelling om te zien hoeveel mensen er toch bereid zijn mee verantwoordelijkheid te dragen, ook al merken we dat die groep voortdurend kleiner wordt omdat er geen vernieuwing komt. Dat is de vreugde met de pijn erbij, het is zo moeilijk mensen aan te trekken, vooral voor een langer engagement.
Het vijvertje waarin we vissen wordt steeds kleiner, terwijl de nood aan bereidwillige mensen even groot blijft, om de gemeenschap even dynamisch te houden. Je kunt natuurlijk alles beginnen afbouwen, maar voor mij is het een uitdaging naar morgen toe.
Bunt, Schoonbroek, Rozemaai dat zijn wijken die na de tweede-wereldoorlog, eind van de jaren 50 begin begin van de jaren 60, tot stand gekomen zijn. De bevolking bestond overwegend uit jonge gezinnen. Vele mensen van toen zijn nu pensioengerechtigd. Binnen afzienbare tijd zullen weer jonge gezinnen in al die huizen komen wonen. Dat is een proces dat volop bezig is en daarin vind ik de grote uitdaging om gemeenschappen te hebben, die jonge gezinnen iets te bieden hebben, waar die jonge mensen tenminste ruimte hebben om ook hun deel aan de gemeenschapsopbouw te geven, in de geest van het evangelie.
Daarom wilde ik hier pastoor worden. Ik had al dit vooruitzicht, trouwens ik kende de sociologische samenstelling van deze wijken. Ik dacht, kijk, wanneer de priesters, die er nu zijn, weggaan dan komt er misschien niemand meer in hun plaats. Zo ik heb mijn roeping in deze gemeenschappen ontdekt. Waarom zou ik niet proberen om nog iets aan die gemeenschappen terug te geven. Dat is voor mij dé uitdaging.
De pijn van het pastorale werk vandaag is hoofdzakelijk dat je geen jonge mensen vindt. Je krijgt gewoon geen kans meer, doordat ze niet meer naar de kerk komen. Het contact met de mensen is moeilijker geworden en je hebt ook zoveel werk dat je ze nog in bepaalde drankgelegenheden zou kunnen ontmoeten. Maar ja, dat is ook de aard van iemand, en ik heb de aard niet om daar onmiddellijk te gaan zoeken. Ik stel vast dat er voor heel wat mensen God in de mist zit, en dat Hij van het centrum van het leven naar de periferie verbannen is. Dat geeft wel een heel andere constellatie in de gemeenschap, mensen komen nog wel eens sporadisch een graantje meepikken maar je hebt niet meer het gevoel dat mensen nog wat verwachten. Men komt er occasioneel wat consumeren , maar ja ? Waar men met zijn spirituele noden naartoe gaat is niet meer duidelijk. Je merkt wel dat mensen met problemen worstelen, maar vroeger gingen ze daar gemakkelijker mee naar een priester.
>> Heb je nog ambities ?
Op pastoraal vlak hoop ik nog mee te maken dat de nieuwe krachten ook kunnen leven in onze gemeenschap. Ik denk dat wij nog door het dal moeten, waar wij nu inzitten. Maar ik hoop toch dat, zoals in sommige landen, er tekenen zijn dat er een vernieuwde interesse bij de jongeren voor spiritualiteit en voor gemeenschapsleven naar boven zal komen. Dat hoop ik zeker zelf nog mee te maken. Vitale kerkelijke gemeenschappen, dat is het objectief.
In mijn persoonlijk leven hoop ik op een goede leeftijd met pensioen te gaan en zo nog enkele reisjes te kunnen maken. Ik zou toch zo graag nog iets van die mooie wereld willen zien ook. Dat is nog één ambitie die ik heb. (interview door Chris De Henau)
Bovenstaand interview werd gepubliceerd op de toenmalige website http://www.ekerse-parochies.yucom.be/
Bij gelegenheid van het zilveren priesterjubileum verscheen een ander interview op de bladzijde van de Federatie Ekeren in het weekblad Kerk en Leven van 26 juni 2002 (p. 1-2). Het interview werd gemaakt door Rob Jans. Omdat het niet meer zo gemakkelijk te vinden is neem ik het hier graag op.
"Geloven is zoals een relatie, als je er niet in investeert, gaat die kapot"

(Priesterwijding op 10 juli 1977 door Mgr. Paul Schruers, toenmalig bisschop van Hasselt)
Na lange omzwervingen kwam Odysseus weer thuis... Daar dacht ik aan toen ik praatte met pastor André Claessens van de Bunt, Schoonbroek en Rozemaai, die zijn 25 jaar priesterschap 'thuis' kan vieren. Maar is hij aan het einde van zijn zwerftocht? "Als ik alleen moet blijven om het licht uit te doen, dan hoeft het voor mij niet", zegt hij resoluut.
Roeping?
Nee, niet in de zin dat ik op één bepaald moment de stem van God heb gehoord. Het heeft eigenlijk altijd in me gezeten. Reeds als kind werd ik geboeid door alles wat met religie had te maken".
Hij praat rustig, overtuigend en overtuigd. Niet dat er nooit twijfel is geweest, maar als je alles op een rij zet, dan kom je vanzelf weer bij de essentie: geloof.
André is afkomstig van Stabroek, maar verhuisde in 1962, net voor zijn humaniora in het St. - Lambertusinstituut, naar Schoonbroek. Hij engageerde zich onmiddellijk in alles wat 'inzet' vroeg. Zijn lijst van vrijwilligerswerk is indrukwekkend lang: misdienaar, het jeugdpresidium van het Marialegioen, hulpkoster, catechist.
Dat religieuze, kwam dat van huis uit? Vroeger stond het goed om 'een pater' in de familie te hebben.
André: "Vader was een geëngageerd parochiemens, moeder hield zich eerder op de vlakte. Maar geen van beiden hebben me aangemoedigd om priester te worden".
Wanneer wist je dat je priester wilde worden?
André: "Ik was bijna 18. Het was 1968 en het rommelde in de wereld en in de Kerk. Alles werd in vraag gesteld, ook priesters traden massaal uit. Het Tweede Vaticaans concilie heeft me tenslotte over de streep getrokken. Ik zag ineens een Kerk die de ramen opengooide, waar heel veel mogelijk werd. Ik durfde de uitdaging aan om het allemaal mee te veranderen. Maar makkelijk was die beslissing niet. Zeker niet omdat ik het eerst met mijn lief moest uitmaken..."
Vanwaar de keuze voor de Missionarissen van het H. Hart? Je had het dichter bij huis kunnen zoeken.
André: "In de zomer van 1963 kwam ik in contact met de Paters Oblaten tijdens een kledinginzameling in Ekeren en omstreken ten bate van Oostpriesterhulp. Later nam ik deel aan hun missiekampen in Gijzegem. In 1964 leerde ik de Paters van het Heilig Hart kennen (op een CM kamp in Melchtal) en door hen werd ik monitor in de vakantiekolonie Familia die zij in De Haan aan Zee organiseerden. En ik wilde naar Latijns-Amerika, dat sprak me het sterkst aan".
Waarom is het er nooit van gekomen?
André: "Wij hadden een grote gemeenschap in Brazilië en ik zou er ook naartoe zijn gegaan want aan het Latijns Amerikaans College in Leuven had ik reeds een jaar Braziliaans geleerd. Wegens de militaire dictatuur was het in 1972 erg moeilijk om een visum te krijgen, maar omdat ik het uitstel van mijn legerdienst reeds had ingetrokken kon ik niet blijven wachten en moest ik elders ontwikkelingswerk gaan doen. Weg Braziliaanse droom".
Gelukkig kwam er een Kongolese in de plaats.
André: "Net op dat moment vroeg de bisschop van Mbandaka in Zaïre leerkrachten voor het onderwijs. Ik kwam er terecht in de lagere normaalschool van Boënde. Het was hard werken met een volle lesrooster en zonder specifieke voorbereiding. Het was een enorme uitdaging, maar heel verrijkend. Ik bleef echter geloven dat ik ooit naar Zuid-Amerika zou trekken. Toen ik in '74 in Zaïre vertrok zei de overste tegen me: "jij gaat nog op uw knieën naar hier terugkruipen". En ja, hij heeft gelijk gekregen".
Hoe moeilijk was het om Ekeren, je familie en vrienden achter te laten?
André: "Niet moeilijk. Ik zat al drie jaar in het klooster waardoor de band met thuis toch al losser was geworden. Eigenlijk heb ik nooit moeite gehad met 'afscheid nemen'. Heimwee ken ik niet. Je gaat ergens naartoe en je begint te werken. Moeilijker is het niet voor mij geweest".
Hoe zag jij toen missionering. De tijd van nonkel pater met het zilverpapier was wellicht al even voorbij...
André: "Voor ons was missiewerk meewerken aan integrale ontwikkeling. Er was een jonge kerk in opmars en die verdiende onze steun".
Na je theologie begon je aan Afrika, hoofdstuk 2
André: "In 1979 ben ik terug naar Zaïre vertrokken. Op 14 km. van Mbandaka, in Iyonda was er een melaatsenkolonie, zoals men zegde. Ik werd er reispater. Mijn 24 dorpen strekten zich uit over zo'n 80 km. Eind september vertrokken en met Kerstmis stond ik voor het eerst aan het altaar ergens in de broesse (na drie maanden intensieve taalcursus Lingala in Kinshasa-Livulu). Onvergetelijk. Twee jaar heb ik dat volgehouden en toen kwam de vraag om les te geven aan het seminarie. Eerst als gastprof, later permanent. Intussen kregen we ook Afrikaanse kandidaten voor onze congregatie. In het begin moesten we die nog 'uitbesteden' (bij de Lazaristen), maar in 1983 hebben we hun opleiding zelf in handen genomen. Dat is dan Kameroen geworden, waar we samen met andere congregaties een nieuwe theologische school hebben gesticht. In het begin waren er veertig studenten, nu reeds meer dan 200".
In februari 1996 ben je definitief terug naar België gekomen. Wat miste je het meest van Afrika?
André: "Het klimaat. Ik hou van de zon, hier was het donker en nat, maar ik miste ook de kerk als dusdanig. De Afrikaanse kerk leeft vanuit jonge mensen en die zag ik hier niet meer. Niet in de straat, niet in de kerk. Dat was echt even wennen".
Doet het geen pijn dat je de kerken ziet leeglopen?
André: "Natuurlijk doet dat pijn. Aan de basis ligt een diepe geloofscrisis. Voor velen zit God in de mist. Waar hij vroeger in het centrum van het leven stond, is Hij nu naar de rand verdrongen. De mens staat centraal en niet meer God. Waarom zou je dan elke week een uurtje in een kerk gaan zitten, het brengt niets op ..."
Moet je naar de mis gaan om christen te zijn?
André: "Om in God te geloven niet, maar ik denk dat je een bepaalde behoefte/plicht hebt om tegenover de God in wie je gelooft, je erkentelijkheid uit te drukken. Als christen vieren we 21 eeuwen 's zondags de verrijzenis van Christus in de eucharistie. Wanneer je dàt mysterie niet meer met je geloofsgenoten wilt vieren, dan sterft het geloof ook af, vrees ik. Geloven is zoals een relatie, als je er niet in investeert gaat die kapot".
Misschien treft ook de Kerk schuld. Met standpunten over de vrouw in de kerk, seksualiteit, aids, enz. sluit ze niet echt aan bij wat er leeft in de maatschappij.
André: "De Kerk is voor mij een geloofsgemeenschap: Jan, Piet en Miet die samenkomen om iets te vieren, dàt is voor mij de Kerk. Het grootste probleem in de officiële (institutionele) kerk is inderdaad de uniformiteit. Men wil overal alles op dezelfde manier doen. En dat kan niet. Laat Afrikanen, Aziaten en Europeanen elk op hun eigen manier Kerk zijn. We hebben een universeel gezag, een universeel wetboek, enz. Dat staat haaks op het leven van vele volkeren'.
Zou de afschaffing van het celibaat iets oplossen?
André: "Voor mij is dat niet het probleem, maar misschien zouden zonder de celibaatsverplichting een aantal mensen over de streep worden getrokken die nu op een afstand blijven. Maar een oplossing zou het niet zijn. In Kerken waar men geen verplicht celibaat kent, zoals in de Oosterse Kerk of bij de Protestanten, worstelen ze met dezelfde ambtscrisis als wij".
Je bent nu drie jaar pastoor in Ekeren. Wat heeft je de grootste vreugde gebracht?
André: "Het contact met de mensen. Daarom ben ik teruggekeerd naar een parochie. Het politieke lobbywerk (voor het Netwerk Geloof en Gerechtigheid Afrika-Europa) dat ik daarvoor in mijn keldertje in Brussel deed, was ook boeiend, maar kon door leken worden gedaan. 'Als zoveel parochies geen priester hebben, wat zit ik dan hier te doen?', dacht ik. Precies om dienstbaar te zijn aan concrete mensen ben ik missionaris geworden".
En wat heeft je sterk ontgoocheld?
André: "Ik had iets op gang willen brengen voor jonge gezinnen. Zij moeten een aanbod krijgen dat hen aanspreekt. Dat ik na drie jaar nog geen opening zie, stemt me triest. Ik ben hier niet gekomen om het licht uit te doen. Dan hoeft het voor mij niet meer".
Blijft dat je grote uitdaging?
André: "De grote vraag is: waar liggen de prioriteiten, welke richting moeten we uitgaan? Daar is men het binnen de kerk ook nog niet over eens. Momenteel opteert men voor een tweesporenbeleid. Je mag de mensen die echt willen meegaan, die verdieping vragen, niet in de kou laten staan en tegelijkertijd moet je ook de mensen aan de rand van de kerk op hun ritme laten meedoen. Dat is niet eenvoudig."
Stel, binnen 50 jaar kom je terug in Ekeren, welke kerk tref je dan aan?
André: "Een heel andere kerk, maar er zal nog altijd een kerk zijn. In 2010 zal ik nog de enige niet gepensioneerde priester zijn in het decanaat Ekeren. Dat zegt genoeg. Ik heb in Afrika kleine christelijke gemeenschappen zien leven en ik geloof dat ook wij in die richting evolueren. Binnen 50 jaar zal er geen behoefte meer zijn aan de kerk-uit-de-goede-oude-tijd. Misschien komen gelovigen dan geregeld samen in een privé-woning en zijn ze bereid om een keer per maand voor een eucharistieviering kilometers ver te rijden, zoals nu al in Canada of in de Scandinavische landen gebeurt. Er zal een uitzuivering kommen - sorry voor het woord - waarna een kleinere kerk zal overblijven. Nu al zie je barsten in de machtsstructuren. Nog een paar tikjes en het hele gebouw stort als een kaartenhuisje in mekaar".
Een laatste, wat macabere vraag: hoe wil je na je dood herinnerd worden?
André (na lang nadenken): "Als iemand die graag liturgie vierde en geloofde in gerechtigheid en vrede en zich graag heeft ingezet voor de minsten onder ons". (RJ).
Paspoort:
Naam: André Claessens
Geboren: Stabroek, 1 juli 1950
Priester gewijd: 10 juli 1977
Functie: pastoor van Ekeren-Bunt; Antwerpen Schoonbroek/Rozemaai
Leest: buiten werken over kerk en religie graag een spannende roman
Kijkt op TV naar: nieuwsprogramma's, documentaires en soms ook Familie of Jambers
Eet graag: Mwambe (mengeling vlees, kip of vis met groenten en met geplette palmnoot)
Lust niet: mosselen en dergelijke schaaldieren
Levensmotto: "Iedere mens doet het op zijn manier" (Kongolees gezegde: moto na moto ndenge ya ye).