TEGEN ZIJN WIL


Het probleem van de onvrijwillige opname


Nog steeds is het mogelijk dat mensen omwille van hun zogenaamde abnormaliteit onvrijwillig worden opgenomen in de psychiatrie.

De redenen die men geeft om collocatie of onvrijwillige opname te rechtvaardigen zijn divers. De kritieken op deze redenen zijn nog diverser.
Het psychiatrisch establishment meent dat onvrijwillige opname in het belang is van de opgenomene: hij is niet meer verantwoordelijk omdat hij de werkelijkheid niet waarneemt zoals men meent dat deze is, of hij kan deze werkelijkheid niet meer juist beoordelen. Filosofen zijn het grondig oneens over wat de werkelijkheid is, maar niet de psychiatrie, die ermee een enge, filosofisch gekleurde, visie op de werkelijkheid aan ons opdringt.
Paradoxaal aan de onvrijwillige opname is dat men iemands vrijheid ontneemt door hem onvrijwillig op te nemen omdat hij die vrijheid al verloren had volgens degene die colloceert.
En alsof dit nog niet absurd is, gaat men ervan uit dat een onvrijwillig ondergane, dus onvrije, behandeling er toe leidt dat de gecolloceerde zijn vrijheid weer terugkrijgt.
Paradoxen en absurditeiten stapelen zich hier op. Een ervaring van R.D. Laing verduidelijkt dit: Soms smeken de patiënten ons hun gedachten weg te nemen. We doen dat als we kunnen. Soms smeken ze ons echter ook dat we hun gedachten laten behouden, en toch nemen we dan hun gedachten weg en, als we dat kunnen, zelfs de gedachte dat ze hun gedachten willen behouden. Een patiënt wordt dus wel of niet toegestaan zelfs te denken. Een psychiatrische instelling is dus wel de laatste plek waar men vrijheid van gedachte en meningsuiting zal vinden.
Trouwens is de onvrijwillige opname werkelijk in het belang van de opgenomene? De psychosociale gevolgen van deze drastische ingreep op het leven van de gecolloceerde zijn vaak faliekant, dat beseft iedereen die een greintje empathie heeft.
De psychiatrie zou op deze kritieken repliceren dat haar bedoelingen en motieven humaan en nobel zijn. Met de onvrijwillige opname poogt men de ellende die het gevolg is van waanzin te voorkomen. Deze ellende wordt niet enkel opgevat als het leed waar bepaalde mensen van willen verlost worden maar ook, en hier zitten de voetangels en wolfijzers, als de mogelijke schade die door hem wordt toegebracht aan zichzelf of zijn huidige en toekomstige relaties met anderen en de maatschappij. Dit verbindt de psychiatrische visie met de juridisch-maatschappelijke.
Vanuit juridisch-maatschappelijk oogpunt meent men dat men iemand onvrijwillig moet opnemen als hij een gevaar vormt voor zichzelf of voor anderen.
Dit criterium, gevaar vormen voor zichzelf of voor anderen, kan misbruikt worden om iemands vrijheid te beknotten.
Hoe voorspel je bijvoorbeeld het toekomstig gevaar dat iemand betekent voor anderen? Het gevaar dat iemand voor anderen vormt kan met een grotere mate van waarschijnlijkheid voorspelt worden bij iemand die zich in het verleden reeds een aantal malen op een dergelijke manier gedragen heeft. Nochtans is deze waarschijnlijkheid relatief: in feite kunnen noch gespecialiseerde deskundigen zoals criminologen op een correcte wijze gevaar voorspellen zonder hierbij een groot aantal niet-correcte voorspellingen te maken. Zelfs bij strafrechtelijk veroordeelden die reeds recidiveerden, blijkt zo'n voorspelling al vrij onnauwkeurig te zijn. Waaruit we, samen met Jan Pols concluderen dat bij psychiatrische patiënten, die de wet nimmer hebben overtreden, als het gevaar nog niet daadwerkelijk gebleken is, een ook maar enigszins correcte voorspelling van gevaar onmogelijk is
En wat is eigenlijk gevaar? Is een ruzie, het uiten van dreigementen, een pak slaag voldoende? Of moet er sprake zijn van handgemeen, een uit de hand gelopen burenruzie?
En hoe moet worden uitgemaakt of het de stoornis van de geestesvermogens is die het gevaar 'doet veroorzaken'?
Heeft de classificatie van de diverse vormen van waanzin aan de hand van de Diagnostic and Statistic Manual of Mental Disorders (de bijbel van de psychiatrie; verder afgekort als DSM) wel enige waarde met betrekking tot het voorspellen van gevaar?
De DSM is ontstaan binnen de muren van de psychiatrische inrichting, via de structuren van observatie en het asymmetrische gesprek zonder antwoord, waardoor een duidelijk onderscheid op punt kon worden gesteld tussen de diverse vormen van waanzin met het oog op een gedifferentieerde behandeling. Kortom, de DSM is ontwikkeld met het oog op therapeutische in plaats van juridische doeleinden.
Bovendien zijn de criteria die men hanteert om de diverse vormen van waanzin te beschrijven vrij vaag: lijsten van een maximum aantal kenmerken waarvan men er aan een minimum aantal moet voldoen om waanzinnig te zijn. Deze Kenmerken zijn afhankelijk van interpretatie. Met andere woorden een sofistische observator die goed weg kan met interpretatie kan aan om het even welke persoon een bepaalde vorm van waanzin toeschrijven!
De classificatie van diverse vormen van waanzin aan de hand van de DSM is dus totaal ongeschikt om eventueel gevaar te voorspellen.

Er bestaan ook andere factoren die de onvrijwillige opname in de hand werken.
Op maatschappelijk vlak wordt de angst voor gevaar sterk bevorderd door de beeldvorming met betrekking tot de waanzin in de populaire media. Deze focussen enkel op de waanzinnige als deze een gewetenloze en gewelddadige bruut is, een psychopaat. Deze voorstellingen geven een vertekenend beeld: degenen die zware strafdelicten begaan én tegelijkertijd via de DSM als waanzinnig kunnen worden omschreven, vormen een uiterst geringe fractie van het totaal aantal waanzinnigen in instellingen.
Andere factoren die er toe leiden dat een onvrijwillige opname bij een vermoeden van gevaar eerder regel dan uitzondering is, hebben te maken met het feit dat het niet opnemen van iemand die naderhand toch gevaarlijk blijkt, wordt beschouwd als een faling.
En omgekeerd, het wel opnemen van iemand die zich achteraf in de totaal andere context van het psychiatrisch centrum wel gevaarlijk gedraagt, geldt als een rechtvaardiging van de onvrijwillige opname. Waarbij men blijkbaar niet beseft dat dit gevaarlijk gedrag best een reactie kan zijn tegen de onvrijwillige opname zelf. Hoe zou je zelf reageren als plots al je vrijheid afgenomen wordt? Is revolte dan niet de enig mogelijke menselijke reactie?

De psychiatrie staat voor een onoplosbaar dilemma. Als men werkelijk beoogt de waanzinnige te behandelen, behoort men aan de zijde van de cliënt te staan en onder andere een consent met betrekking tot de behandeling na te streven. Als men daarentegen de waanzinnige beoordeelt op het mogelijke toekomstig gevaar dat er van hem uitgaat wordt men zijn tegenstander wat een behandeling aanzienlijk bemoeilijkt.

Men kan zich terecht afvragen of de onvrijwillige opname niet volledig zou moeten worden gerechtvaardigd aan de hand van de criteria die gelden in de gangbare strafrechtspraak.
Het onderscheid betreffende de eisen die men stelt aan bewijsvoering en zorgvuldigheid tussen de gangbare strafrechtspraak en de onvrijwillige opname is immens. Het onderscheid is zo verbijsterend dat Jan Pols terecht opmerkt dat het ten enenmale ondenkbaar zou zijn dat mensen in de strafrechtspraak zouden worden veroordeeld tot vrijheidsstraffen op grond van 'bewijsmateriaal' dat in overtuigingskracht gelijk staat aan de argumenten die bij de onvrijwillige opname meestal worden aangedragen. Als dit zou gebeuren, zou dit vrijwel het einde van de rechtstaat betekenen

M.b.t. het voorspellen van gevaar voor zichzelf kan in grote lijnen hetzelfde worden gezegd als wat hiervoor te lezen was over het gevaar voor anderen.
Nochtans kunnen er enkele bijkomende kanttekeningen worden gemaakt over zelfdoding.
Het valt op dat veel mensen die een poging tot zelfdoding ondernamen niet via de DSM classificeerbaar zijn als waanzinnig. Nochtans worden ze meestal opgenomen 'ter observatie' in de psychiatrie.
Het is bekend dat heel wat pogingen tot zelfdoding een signaalfunctie hebben. De betrokkene geeft te kennen dat hij aandacht of steun van anderen nodig heeft om opnieuw het heft in eigen handen te nemen. Paradoxaal genoeg versterkt de onvrijwillige opname de afhankelijkheidsrelatie, en het gevoel van machteloosheid over het eigen leven, waardoor het suïcidale gedrag kan versterkt worden. De onvrijwillige opname is enkel symptoombestrijding maar pakt au fond niet het werkelijke probleem aan.
Voor de mensen die geïnformeerd en weloverwogen een eind aan hun leven wensen te maken brengt de onvrijwillige opname evenmin soelaas. De psychiatrie stelt zich uitdrukkelijk antisuïcidaal op. Een wederkerige dialoog, die nieuwe informatie kan aanbrengen en hierdoor kan leiden tot een herziening van het suïcidaal gedrag bij de suïcidant, is erdoor uitgesloten.
Wat bovendien opvalt is dat het aantal zelfdodingen in psychiatrische centra vrij groot is, in het bijzonder bij diegenen die onvrijwillig werden opgenomen. Men kan niet uitsluiten dat het hoog aantal zelfdodingen een gevolg is van de collocatie zelf. Een aantal personen hadden zichzelf allicht niet gedood indien men ze niet onvrijwillig had opgenomen. Jan Pols merkt terecht op dat dit toch wel een alarmerende mogelijkheid is als men zich realiseert dat de onvrijwillige opneming uitsluitend gerechtvaardigd is als een dergelijk gevaar daardoor wordt bezworen.



Kritiek op de Belgische Wet

In de Wet betreffende de Bescherming van de Geesteszieke lezen we in Artikel 2 dat de beschermingsmaatregelen, bij gebreke van enige andere geschikte behandeling, alleen getroffen worden ten aanzien van een geesteszieke indien zijn toestand zulks vereist, hetzij omdat hij zijn gezondheid en zijn veiligheid ernstig in gevaar brengt, hetzij omdat hij een ernstige bedreiging vormt voor andermans leven of integriteit. De onaangepastheid aan de zedelijke, maatschappelijke, religieuze, politieke of andere waarden mag op zichzelf niet als een geestesziekte worden beschouwd.
In dit artikel vallen onmiddellijk een aantal elementen op. Er wordt bijvoorbeeld verwezen naar enige andere geschikte behandeling. Men kan zich terecht de vraag stellen of enerzijds de overheid de behandelingsalternatieven wel voldoende ondersteunt. En of de persoon die men wenst op te nemen wel voldoende geïnformeerd wordt met betrekking tot de reeds bestaande behandelingsalternatieven.
Tevens valt op dat zowel het gevaar voor zichzelf (het in gevaar brengen van de eigen gezondheid of veiligheid) als het gevaar voor de anderen (het vormen van een ernstige bedreiging voor andermans leven of integriteit) voorkomen als rechtvaardigingsgrond voor onvrijwillige opname. Merkwaardige criteria, zoals we hiervoor al aantoonden. En dat onaangepastheid niet geldt als reden voor collocatie mag dan wel leuk in de wet staan, maar hoe zit dat in de praktijk? Zeker met een instituut wiens geschiedenis onlosmakelijk verbonden is met stigmatisatie en uitstoting van al wat onaangepast is.

Belangrijker nog is de procedure die wordt gevolgd bij de onvrijwillige opname, in het bijzonder de mate waarin strafrechtelijke respectievelijk psychiatrische factoren hierbij een rol spelen.
Hierover lezen we in Artikel 5 dat met het oog op een opneming ter observatie iedere belanghebbende een verzoekschrift kan indienen bij de vrederechter, waarbij op straffe van niet-ontvankelijkheid van de vordering een omstandig geneeskundig verslag moet worden toegevoegd dat, op basis van een onderzoek dat ten hoogste vijftien dagen oud is, de gezondheidstoestand van de persoon wiens opneming ter observatie wordt gevraagd evenals de symptomen van de ziekte beschrijft en vaststelt dat is voldaan aan de voorwaarden bepaald door artikel 2.
In spoedeisende gevallen daarentegen, wordt in Artikel 9 vermeld, volstaat het dat de procureur des konings beslist hetzij ambtshalve na het schriftelijk advies van een door hem aangewezen geneesheer, hetzij op schriftelijk verzoek van een belanghebbende, welk verzoek vergezeld moet gaan van het in artikel 5 bedoelde verslag.
Uit deze stipulaties blijkt dat er nog steeds via psychiatrische criteria moet worden beslist over de ontvankelijkheid van het vermoeden van gevaar dat iemands gedrag voor zichzelf of anderen vormt. Een beslissing die steunt op los drijfzand dus.
Het enige verweer van degene die men wenst te colloceren tegen dit alles, bestaat erin dat hij, zoals in Artikel 7 wordt vermeld, recht heeft op een advocaat die hem wordt toegewezen of recht heeft op een andere advocaat, een geneesheer-psychiater en een vertrouwenspersoon te kiezen. Partijen die allen, dixit Artikel 8, op de zitting in de hoorkamer voor de vrederechter worden gehoord, alvorens deze via een omstandig gemotiveerd vonnis beslist over een eventuele onvrijwillige opname.
De overige artikelen in de wet vermelden dat de duur van de opname maximum veertig dagen bedraagt en slechts kan worden stopgezet door een beslissing van de vrederechter, de procureur des konings of het gemotiveerd verslag van het geneesheer-diensthoofd. Na deze termijn wordt er opnieuw beslist via dezelfde procedure, maar ditmaal komt het omstandig geneeskundig verslag van het geneesheer-diensthoofd dat de noodzaak van verder verblijf bevestigt. Indien het adviserend verslag verschilt van dat van een geneesheer naar keuze hoort de rechter, in tegenwoordigheid van de advocaat van de zieke, de geneesheren op tegenspraak. De duur van het verder verblijf waarover wordt beslist, bedraagt ditmaal maximum twee jaar.
Verder is belangrijk dat binnen een termijn van vijftien dagen na het vonnis van de vrederechter de zieke, zelfs al is deze minderjarig, zijn wettelijke vertegenwoordiger of zijn advocaat, evenals alle partijen in het geding hoger beroep [kunnen] instellen tegen de vonnissen die door de vrederechter geveld werden.

De procedure die werd beschreven houdt een aanzienlijke verbetering in van de rechtspositie van degene die men wil colloceren. Toch kleven er aan de verbeterde procedure vele nadelen.
Men kan zich terecht de vraag stellen in welke mate het informatierecht van degene die men wenst te colloceren wordt gerespecteerd. Met andere woorden: in welke mate kan hij een staalkaart raadplegen die de diverse psychiaters-geneesheren en gespecialiseerde advocaten uitvoerig duidt. De houdingen van zowel psychiaters als advocaten tegenover de strafrechtelijke respectievelijk psychiatrische benaderingswijze van het probleem van de onvrijwillige opname zijn uiteenlopend. Waar de ene advocaat kiest voor een strafrechtelijke benadering van het probleem, zal een andere dat niet doen en slaafs de opinie van de psychiater-geneesheer volgen. En waar de ene psychiater-geneesheer sceptisch staat tegenover de onvrijwillige opname en zal trachten alternatieven te zoeken (bv. ambulante zorg, desnoods vrijwillige opname) zal de andere uit macht der gewoonte vlug overgaan tot onvrijwillige opname.

Het valt op dat het geneeskundig verslag van een geneesheer-psychiater of -diensthoofd een aanzienlijk gewicht in de schaal werpt.
Het is net dit geneeskundig verslag dat het verzoek tot collocatie ontvankelijk maakt, alsook volledige of gedeeltelijke ontheffing van collocatie mogelijk maakt.
De macht van de psychiater blijft onevenredig groot.

Bij de motivatie die de opname tot collocatie vergezeld hebben meestal burgerlijk-psychiatrische maatstaven de overhand op strafrechtelijke. Het vermeende gevaar dat iemand voor zichzelf of voor anderen vormt, is zo'n ruim, rekbaar en onnauwkeurig begrip dat alleen strafrechtelijke maatstaven aanvaardbaar zijn. Dit betekent dat het concept gevaar steeds gespecificeerd zou moeten worden aan de hand van aanwijsbare strafrechtelijke delicten. Blijkt dit laatste onmogelijk, dan is er geen enkele reden om iemand onvrijwillig op te nemen.





De auteur, Martin Hendrickx, studeerde moraalwetenschappen en organiseerde in het verleden 'is niet anders soms niet gewoon?', een project over mensenrechten in de psychiatrie, zelfbeschikking, kunst en waanzin. Op zijn teksten zijn geen auteursrechten van toepassing. U wordt uitgenodigd deze te verspreiden bij diegenen waarvan u denkt dat ze er baat bij zullen hebben.




BIBLIO