Het manicheïsme, een verlossingsleer
In het vorig nummer van dit tijdschrift (Brug 25) verscheen een artikel over de ontwikkeling van het Ik en de Openbaring. Dit artikel eindigde met de bewering dat de manicheïsche geestesstroming reeds in het begin van onze jaartelling het fundament gelegd heeft voor haar toekomstige opdracht, nl. het kwade niet te veroordelen of te verdrijven maar om te vormen tot het goede.
Die bewering zullen wij nu toelichten.
1. Mani , de grondlegger van het manicheïsmeMani (of Manes) werd in 216 n.C. geboren in de buurt van Ktesiphon, in het toenmalige Mesopotamië (nu Irak). Op 24-jarige leeftijd ervoer Mani hoe zijn hoger Ik ontwaakte; dit hogere Ik was zelf verbonden met een hoog geestelijk wezen dat aan Mani een bepaalde macht verleende. Sedertdien beschouwde Mani zichzelf als de Parakleet, de Heilige Geest die troost brengt, en wiens komst door Christus voorspeld was:
"Nog veel heb ik u te zeggen, maar gij kunt het nog niet dragen. Doch wanneer Hij komt, de Geest der Waarheid, zal Hij u wijzen de weg tot de volle waarheid. Want Hij zal niet uit zichzelf spreken, maar wat Hij hoort zal Hij spreken en het komende zal Hij u verkondigen. Hij zal mij openbaren, want uit mijn wezen zal Hij nemen wat Hij u verkondigen zal. Alles wat e Vader in zich heeft, leeft in mij. Daarom heb ik u gezegd: uit mijn wezen neemt de Geest wat Hij u verkondigen zal." (Joh. 16:12-15)
Mani zag hoe het Christendom verstarde en in wetten en dogma's gegoten werd; hij voelde zich daarom geroepen om een eigen christengemeenschap op te richten, gebaseerd op zuiverheid, rechtvaardigheid, mildheid en goedheid. Aanvankelijk kende deze christengemeenschap een grote bloei, tot ver buiten de genzen van het Perzische rijk, mede door de toestemming van de toenmalige heerser Shapoer I. Na de dood van deze laatste voerde diens opvolger opnieuw de streng-orthodoxe kerkleer in, en Mani en zijn aanhangers werden vanaf dan vervolgd. Mani zelf stierf rond 276 de marteldood.
2. De verlossingsleer
Het grote kernpunt in de manicheïsche leer is de opvatting over goed en kwaad: het kwade is even eeuwig als het goede en kent begin noch einde aangezien het kwade oorspronkelijk een bestanddeel van het goede was. Dit van oorsprong goede bestanddeel is tot het kwade verworden omdat het achtergebleven is in de normale evolutie; het kwade is aldus het goede dat "uit de tijd geraakt is". Immers, op ieder ontwikkelingsniveau moet een element van het goede zich als het ware opofferen, afstand doen van zijn normale ontwikkelingsloop opdat er in de kosmos iets nieuws kan ontstaan; en omdat dit "zich opgeofferde goede" vervolgens zijn activiteiten moet ontplooien op een niveau waaraan zijn natuur niet is aangepast, begint het hinderend te werken in het wereldbestel. Daarom zijn de manicheërs van oordeel dat het kwade een noodzakelijke bestaansvoorwaarde is voor de kosmische evolutie; zij zeggen dat het kwade moet begrepen worden vanuit zijn gemetamorfoseerde aard en dat het moet verlost worden, zodat het opnieuw mee kan verder werken in de stroom van de wereldontwikkeling.
De kerkelijke leer daarentegen beschouwt het goede en het kwade als twee absolute tegenpolen die met elkaar onverenigbaar zijn. De Kerk ziet de oorsprong van het kwaad in de gevallen engel Lucifer die voor altijd verdoemd werd nadat hij tegen God in opstand was gekomen. Voor de Kerk heeft het kwade geen enkele reden tot bestaan en moet het bestreden, verdreven en veroordeeld worden. Het is derhalve niet verwonderlijk dat de Kerk de manicheïsche visie betreffende goed en kwaad absoluut onaanvaardbaar vindt en deze als ketters en totaal onchristelijk veroordeelt.
Is de manicheïsche verlossingsleer, die gebaseerd is op mildheid en barmhartigheid dan zo onchristelijk ? Eerder lijkt dit het geval te zijn voor de harde en meedogenloze verdoemenisleer van de Kerk. Trouwens, hoe benaderde Christus zelf het kwade ? Eén van Zijn talrijke uitspraken:
"Gij hebt het woord gehoord: gij zult uw naaste liefhebben en uw vijand haten. Ik echter zeg u: hebt uw vijanden lief en bidt voor uw vervolgers; zo wordt gij zonen van uw Vader in de hemelen. Want Hij laat Zijn zon opgaan over bozen en goeden en Hij laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen." (Mt. 5:43-45)
Achter het manicheïsche grondbeginsel over goed en kwaad ligt er een kosmische mythe. De mythe verhaalt hoe eens de geesten der duisternis het Lichtrijk wilden bestormen. En zij kwamen inderdaad tot aan de grens van het Lichtrijk, maar tegen het Lichtrijk zelf vermochten zij niets. Om die daad van agressie wilde het Lichtrijk nu de geesten der duisternis bestraffen, maar in het Lichtrijk was er niets kwaadaardigs, er was alleen maar goedheid. Daarom konden de geesten der duisternis slechts bestraft worden met iets goeds, en de geesten van het Lichtrijk namen een deel van hun eigen wezen en vermengden dit in het rijk der Duisternis ...
"De diepe zin die in deze legende ligt" zegt Rudolf Steiner (in GA 93), "is dat het Lichtrijk niet door straf maar door mildheid zal overwinnen; niet door het boze te weerstreven, maar door zich met het boze te vermengen, om dit laatste als zodanig te verlossen. Doordat een deel van het licht in het boze binnendringt, wordt het boze getransformeerd tot het goede."
3. Augustinus, de bestrijder van de manicheërs
De kerkvader Augustinus (354-430) die nu nog steeds één van de meest invloedrijke inspirators van de katholieke kerk is, was de grote bestrijder van de manicheërs. In scherpe polemieken (33 boeken) heeft hij de "ketterse" manicheïsche leer als het ware in de rond geboord. Nochtans was Augustinus als jonge man zelf aangesloten bij de orde van de manicheërs; hij hoopte er door hun mystieke inzichten de diepste geestelijke geheimen te doorgronden. Maar hij had niet de mystieke gave om te schouwen in de bovenzinnelijke werelden; met zijn rationele denkwijze kon hij geen vat krijgen op de inzichten van de manicheërs. Daarom was hij, gedreven als hij was om binnen te dringen in de regionen van het bovenzinnelijke, genoodzaakt zich af te keren van deze gemeenschap en zich te bekeren tot een meer exoterische strekking binnen het christendom: de katholieke kerk. En sedertdien heeft Augustinus zijn uiterste best gedaan om de "ketterse" stromingen -in de erste plaats het manicheïsme- binnen het christendom te bestrijden.
In zijn boek "Mani, der Gesandte des Lichts" geeft Eugen Roll de radicale ommezwaai van Augustinus treffend weer:
"Mani's Ik zweefde nog boven hem, zijn bewustzijn had de laatste graad van afsnoering [ van de geestelijke wereld ] nog niet bereikt; daarom schouwde hij moeiteloos in de bovenzinnelijke regionen, en zijn boven hem zwevende Ik was het bemiddelend orgaan [tussen hemel en aarde]. Daarentegen stond Augustinus vast op aarde, volledig geïncarneerd. Zijn Ik zeeft niet meer boven hem, maar komt uit zijn innerlijk tevoorschijn als een allesoverheersende genialiteit. Dat is de geestelijke situatie ! Dit nog-niet-zijn enerzijds, en dit niet-meer-zijn anderzijds zijn de sleutel tot het begrijpen van de vijandschap tussen de augustinische leer en het manicheïsme."
En over de diepere grond van Augustinus' meedogenloze strijd schrijft Eugen Roll:
"De innerlijke ommezwaai, de plotse vijandschap tegenover alle pogingen om het bovenzinnelijke rechtstreeks te beleven, laten een diepe persoonlijke ontgoocheling vermoeden. Men kan stellen: een verdrongen wrok knaagde als een etterende wonde aan zijn zelfgevoel en werd tot bron van oneindig ressentiment. Alleen zo kan men zijn polemische geschriften verstaan, op de eerse plaats de 33 boeken tegen de manicheërs."
Impliciet heeft Augustinus zelf toegegeven dat hij geen rechtstreekse toegang had tot de bronnen van het bovenzinnelijk weten. Hij was ervan overtuigd dat de mens met zijn denken ver kan doordringen in het begrijpen van de christelijke leer, maar dat dit denken begrensd is, en dat men vanaf die grens nog slechts kan geloven en vertrouwen stellen in de autoriteit van de Kerk. "Ik zou de leer van Christus niet kunnen aannemen indien zij niet gegrondvest was op de autoriteit van de Kerk", beweerde hij. Daartegenover menen de manicheërs dat een waar inzicht slechts in de eigen ziel kan gevonden worden, en zij verwerpen alle uiterlijke gezag dat bepaalt wat de mens als waarheid behoort aan te nemen. Zoals de tijdgenoot van Augustinus, bisschop Faustus, een manicheër stelde:
"Vanuit een autoriteit kan men geen leer aannemen, wij willen slechts een leer in vrijheid aannemen." En Mani zegde tot zijn aanhangers:
"Gij moet u afwenden van alle uiterlijke openbaring die u op zintuiglijke wegen houdt ! Afwenden moet gij u van alles wat uiterlijke autoriteit u overlevert, en dan zult gij rijp worden de eigen ziel te aanschouwen !"
De manicheërs zijn er dus van overtuigd dat een waarachtig inzicht enkel kan verworven worden vanuit een volkomen innerlijke vrijheid. Alleen door zulk een verworven vrijheid kan men de allesomvattende liefde opbrengen voor alle wezens en alle schepselen. En die allesomvattende liefde is de absolute grondvoorwaarde in de manicheïsche verlossingsleer.
In GA 104 spreekt ook Rudolf Steiner in dezelfde zin:
"Alleen wanneer ieder Ik zo vrij en zelfstandig is dat het ook niét kan liefhebben, is zijn liefde een volledig in vrijheid gegeven geschenk. Dat is om zo te zeggen het goddelijk wereldplan: dit Ik zo zelfstandig te maken dat het zelfs aan God uit vrijheid en als individueel wezen zijn liefde kan aanbieden. Als de mensen op enigerlei wijze, ook maar in de allergeringste mate, tot liefde zouden kunnen gedwongen worden, dan zou dat betekenen dat zij aan banden van afhankelijkheid worden geleid."
Dat de manicheïsche opvattingen ten slotte naar de achtergrond van het geestesleven moesten treden (verdwenen zijn zij niet), is eigenlijk evident gezien de opkomst en de bloei van de verstandscultuur in die tijd; Augustinus heeft in zoverre bijgedragen tot het terugdringen van het manicheïsme doordat hij een opmerkelijk representant van deze cultuur was. De huidige tijdgeest, waarin het rationele denken en het materialisme centraal staan, heeft geen boodschap aan de gnostische wijsheid van de manicheërs. Maar in de toekomst zal daarin verandering treden. Laat ons niet vergeten dat van ons cultuurtijdperk, waarin het menselijk zelfbewustzijn uit de diepten van de ziel naar buiten treedt, nog niet eens een derde deel verstreken is.
"Een nog belangrijker geestesstroming dan die van de rozenkruisers was het manicheïsme ..." (Rudolf Steiner in de voordracht van 11/11/1904)
Allicht kan de vraag opgeworpen worden waarom er in een antroposofisch tijdschrift een artikel verschijnt over manicheïsme. Het antwoord is eenvoudig: de antroposofie moet de overgang vormen voor het rozenkrui-serdom van de toekomst, en dit laatste zal dan in een nog verdere toekomst, overgaan in het manicheïsme. Er is namelijk een wezenlijk verband tussen deze drie stromingen: alle drie zijn zij in het leven geroepen om de ware christelijke broederliefde op aarde te grondvesten. Enkel de vorm is verschillend, omdat dit streefdoel over een grote tijdruimte loopt en de tijdgeest van de op elkaar volgende cultuurperiodes steeds een ander karakter vertoont. Om een uitzicht te krijgen in het vormverschil willen wij allereerst eens de historische ontwikkelingsgang van de drie stromingen benaderen.
1. Het manicheïsme
Dit werd zoals wij weten, in de derde eeuw n.C. gesticht door Mani, die een christengemeenschap wilde vestigen waarin het geestelijk leven van het individu niet door uiterlijk kerkelijk gezag aan banden werd gelegd, maar waarin het zich vrijelijk kon ontplooien vanuit de zuivere en reine impulsen van de eigen ziel, opdat er een gemeenschap kon ontstaan die gebaseerd was op vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid. In korte tijd breidde het manicheïsme zich uit over uitgestrekte gebieden, en bleef bloeien tot in de tiende eeuw, waarna het bijna even plotseling als het ontstaan was, uit de samenleving verdween. De reden hiervan was dat de mensheid in haar geheel nog niet rijp was voor zulk een vorm van samenleving: enerzijds werd het manicheïsme uitgeroeid door het Rooms kerkelijk gezag dat in de manichese stroming een bedreiging zag voor zijn structuren die gebaseerd waren (en nog zijn) op macht en religieuze onderwerping, en anderzijds stond de mensheid toen voor de deur van het tijdperk waarin het individu zijn eigen bewustzijn voelt geboren worden; maar allereerst in een primaire vorm: de mens beschouwt zichzelf als middelpunt waar-rond alles draait en is vooreerst nog niet in staat om in te zien dat ook zijn medemensen even waardig zijn als hijzelf. Het is een tijd van het beleven van een egocentrisch individualisme, iedereen op zichzelf en voor zich-zelf, de tegenpool van het beginsel van de broederlijkheid. Nu zijn er toch altijd mensen geweest, en tot op de dag van vandaag is dat zo, die individueel, misschien zon-der zich ervan bewust te zijn, de manichese idealen hebben toegepast, en zo blijkt het manicheïsme als een onderstroom in het maatschappelijk leven aanwezig. Het manicheïsme is waarachtig christelijk leven, maar het leven heeft een vorm nodig waarin het kan stromen en gedijen. aanvankelijk was de vorm de grote mensengroepen die gemeenschappelijk de manichese idealen beoefenden. De vorm werd echter teniet gedaan door het kerkelijk gezag en door het opkomend individualis-me.
Over 'leven' en 'vorm' zullen wij het verder nog hebben, en hoe belangrijk het samengaan van deze twee principes wel is, kunnen we illustreren met de woorden van Rudolf Steiner (uit GA 93):
'Wat nog moet geschapen worden, is een vorm voor het leven van het zesde wortelras (zie schema op blz. 25). Die moet vroeger geschapen worden opdat het christelijk leven daarin kan binnenstromen. Dit moet voorbe-reid worden door mensen die zo een organisatie, zo een vorm zullen scheppen dat het ware christelijke leven van het zesde wortelras daarin kan beleefd worden. En deze uiterlijke samenlevingsvorm moet ontspringen uit de Mani-intentie, uit het groepje mensen dat Mani voorbereidt. Dat moet de uiterlijke organisatievorm zijn, de gemeente waarin vooreerst de christelijke vonk echt zal kunnen ontbranden. Daaruit zult u kunnen opmaken dat het manicheïsme er in de eerste plaats naar streeft, vóór alles het uiterlijk leven rein te vormen; dan zal het mensen aanbrengen die geschikt zijn om de inhoud voor de toekomst op te nemen. Daarom wordt er zo'n groot belang gehecht aan een volstrekt nieuwe gezindheid. De Katharen bvb. vormden een sekte, die in de twaalfde eeuw als een meteoor insloeg. Zij noemden zich zo omdat 'katharsis' loutering betekent. Het waren mensen die in levenswijze en morele gezindheid rein wilden zijn. Zij zochten de kathar-sis innerlijk en uiterlijk om een reine gemeente, een reine leefgemeenschap te vormen. Dat is wat het mani-cheïsme nastreeft. Het gaat minder om de spirituele ontwikkeling van het innerlijk leven - het leven zal ook op een andere manier verder stromen -, maar meer om het verzorgen van de uiterlijke levensvorm." [ ... ]
2. De rozenkruisers
In het begin van de vijftiende eeuw breekt er een nieuwe cultuurperiode aan: die van de bewustzijnsziel. Het is een tijd waarin de mens de blik volledig naar de buitenwereld richt. Het geestelijk begripsvermogen van de mens is dan naar een laag niveau gezakt en als compensatie zoekt hij de uiterlijke natuur, die hij als een geestloos, zuiver materieel product beschouwt, door louter zintuiglijke waarneming te doorgronden en te be-heersen. Maar tegelijkertijd ontstaat als tegengewicht een kleine occulte groep, de Broederschap van de Orde van het Rozenkruis, waarvan Christian Rosencreutz de grote inspirator is. De rozenkruisers stelden zich als opgave om -tegen de toenmalige tijdgeest in- de geest als scheppende kracht achter de natuurfenomenen en in de mens te zoeken. Zo probeerden zij een harmonie tot stand te brengen tussen materie en geest. Te dien einde beoefenden zij een vorm van alchemie waardoor zij o.m. onedele metalen in goud konden veranderen. Het was hen echter niet om het goud te doen; voor hen was het omzetten in goud niets anders dan een symbool voor de loutering van de ziel, voor het omvormen van onedele ziele-impulsen in bijzondere deugden. Door middel van hun alchemie streefden zij ernaar de etherische substantie, de grondessentie die achter de materie ligt helderziend waar te nemen, en zo werden zij dan ook ingewijd in de wereldgeheimen. Omdat van die geheimen misbruik zou kunnen gemaakt worden mocht daarvan nooit iets openbaar gemaakt worden, en de rozenkruiser zelf mocht als zodanig nooit in de openbaarheid treden; de orde was een strict geheime genoot-schap
Er moest echter een vorm ontstaan waarin het leven van het ware christendom een vaste grond kon vinden, en daarom wilden de rozenkruisers iets van hun edele principes ingang doen vinden in de Europese cultuur o.m. door de publicatie van een aantal van hun geschriften.
Rudolf Steiner hierover in GA 99:
" In de achttiende eeuw had deze broederschap de opdracht om langs spirituele weg iets esoterisch te laten instromen in de cultuur van Midden-Europa; en daarom zien we hoe binnen een exoterische cultuur in menig opzicht iets begint op te lichten dat uiterlijk gezien weliswaar exoterisch is, maar dat eigenlijk niets anders is dan een uiterlijke verschijningsvorm van esoterische aard ... Maar toen deze rozenkruiserwijsheid destijds in de algemene cultuur moest doordringen, werd er een soort verraad gepleegd met deze wijsheid -ik hoef hier niet nader in te gaan op de toedracht hiervan- zodat bepaalde ideeën van de rozenkruiserwijsheid in exoteri-sche vorm in de openbaarheid werden gebracht. Dit verraad enerzijds en anderzijds de noodzaak dat de Wes-terse cultuur een tijdlang, gedurende de negentiende eeuw, niet beïnvloed mocht worden door de esoterie, leidde ertoe dat de bronnen van de rozenkruiserwijsheid en met name ook de grote initiator hiervan, die sedert het ontstaan van de orde steeds op aarde was geïncarneerd, schijnbaar op de achtergrond traden, zodat er in de negentiende eeuw weinig van deze wijsheid te bespeuren was. Pas in onze tijd is het weer mogelijk geworden de bronnen van deze wijsheid te ontsluiten en deze in de gehele Westerse cultuur te laten instromen. Wanneer wij deze cultuur nader beschouwen, zal ons ook de reden duidelijk worden waarom dit zo moest gebeuren."
Het etherlichaam van Christian Rosencreutz werd door diens intense verdieping in de ethersubstantie -de es-sentie die de materie vanuit haar geestelijke oervorm doet ontstaan- steeds machtiger en machtiger. In de veer-tiende eeuw had hij een ontmoeting met de Christus in de etherwereld, een belevenis zoals Paulus bij Damas-cus heeft gehad. Sindsdien is het etherlichaam van Christian Rosencreutz volledig intact gebleven, niets ervan gaat verloren in de algemene wereldether. Dit etherlichaam is zo machtig dat het ook zijn kracht kan uitstralen naar de antroposofie, zoals Rudolf Steiner beweert in GA 130: " Aan alles wat als antroposofie wordt verkondigd, wordt kracht verleend door het etherlichaam van Christian Rosencreutz en diegenen die antroposofie verkondigen laten zich overschaduwen door dit etherlichaam."
3. De antroposofie
De antroposofie is een variante van het rozenkruiserdom of, anders uitgedrukt, zij is een modern rozenkrui-serdom aangepast aan de geestelijke behoeften van onze tijd. Alleszins is de manier van inwijding nagenoeg dezelfde bij deze twee stromingen. Rudolf Steiner zegt (in GA 55) dat "de rozenkruisermethoden nog vele eeuwen lang de juiste methoden van inwijding in het geestelijk leven zullen zijn."
Hun geheimen en wijsheid putten zij beide uit de christelijke esoterie en hun werken in de wereld zijn gericht op hetzelfde streefdoel: een gemeenschap stichten waarin vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid heerst.
Het verschil situeert zich in de tijd: de rozenkruisers hebben steeds in het verborgene gewerkt omdat zij wisten dat de mensheid op geestelijk vlak nog niet rijp was om de esoterische wijsheden op een vruchtbare manier in het maatschappelijk leven in te voegen, want tot het jaar 1899 (het einde van het 'duistere tijdperk') bleef de geestelijke wereld, behalve voor ingewijden, ontoegankelijk voor de rest van de mensheid.
In 1899 breekt er een tijdperk aan waarin de mensen geleidelijk aan nieuwe zielekwaliteiten zullen ontwikke-len. Vanaf dan wordt de verbinding tussen het etherlichaam en het fysiek lichaam losser, waardoor de mens langzamerhand in de etherwereld zal kunnen schouwen. Dit is geen bovennatuurlijk fenomeen, het is een zui-ver natuurlij proces dat zich bij iedereen zal voordoen, maar uiteraard zal dit proces zeer langzaam verlopen; de helderziende eigenschappen die daaruit voortvloeien zullen echter vel vlugger en krachtiger tevoorschijn komen bij iemand die een esoterische scholing volgt. Bij een enkeling heeft deze helderziendheid zich al ont-wikkeld, maar voor de meesten zal het ten vroegste in een volgende incarnatie gebeuren. Wanneer die helder-ziendheid - die zich overigens bij volle bewustzijn zal voordoen- optreedt zal men geestelijke beelden zien waarvan men aanvankelijk de betekenis niet zal kunnen verklaren, men zal de toekomstige gevolgen waarne-men van zijn daden, en ten slotte zal men Christus in de etherische wereld kunnen aanschouwen.
Nu zou het echter zeer goed mogelijk zijn dat men zulke helderziende mensen als waanzinnig zal beschouwen en men deze in psychiatrische instellingen zal afzonderen. Erger nog, men zal heel zeker het gepaste vaccin vinden om die dwazen van hun 'waanideeën' te genezen, en men zal dit vaccin reeds preventief vanaf de ge-boorte toedienen. Dat voorspelde Rudolf Steiner al in 1917 !
Dat is wat ons te wachten staat als we niet gepast ingrijpen. Dat is ook de reden waarom Rudolf Steiner be-paalde wereldgeheimen in de openbaarheid gebracht heeft en waarom hij een methode heeft willen aanreiken om het niet zover te laten komen.
Antroposofische wijsheden en inzichten is leven, maar ook hier heeft het leven een vorm nodig tot heil van de verdere wereldevolutie. Die vorm moet ontstaan door het samenwerken van de antroposofen in de sociale driegeleding, de pedagogie, de bio-dynamische landbouw, de antroposofische geneeskunde enz. Antroposofen moeten hun krachten bundelen en een solide gemeenschap vormen om weerstand te kunnen bieden aan een geestloze, door Ahriman geïnspireerde wereld. Alleen dan kunnen de rozenkruisers van de toekomst het ideaal van de volgende cultuurperiode, die van de broederliefde zoals ze genoemd wordt in de Openbaring, waarma-ken.
De toekomst
Theoretisch duurt ieder na-Atlantisch cultuurtijdperk 2160 jaar. Op onze cultuurperiode, die begon in 1413 en afloopt in 3573, volgt de zesde cultuurperiode, die van de broederliefde. Tijdens deze periode zal het rozen-kruiserdom opnieuw als de leidende spirituele stroming in het wereldgebeuren optreden. De rozenkruisers zullen dan spiritueel op zo'n hoogte staan dat zij het als een noodzakelijke innerlijke drang zullen ervaren om op grote schaal de broederliefde te beoefenen. In de Openbaring volgens Johannes (3:7) worden zij gekarakteriseerd als diegenen die in het bezit zijn van de sleutel van David, "die opensluit en niemand zal toesluiten, en sluit en niemand zal opensluiten ... " Dat betekent dat geen vijandelijke macht zal kunnen verhinderen dat zij de opdracht van broederschap vol-brengen, en dat geen vijandelijke macht zal kunnen binnendringen wanneer zij zich daarvan afsluiten. In tegenstelling tot vroeger, toen de rozenkruisers in het verborgene moesten leven en in geen geval de we-reldgeheimen aan de mensheid mochten prijsgeven, zal het hun opdracht zijn om in de zesde cultuurperiode naar buiten te treden om de occulte waarheden over de ganse wereld te verbreiden en die in het dagelijks leven op de juiste wijze toepasbaar te maken. Want aangezien het grootste deel van de mensheid dan vanzelf de occulte waarheden in de etherwereld zal ontdekken, zou het geen zin meer hebben om die geheimen verborgen te houden. Daarom moeten de rozenkruisers in de openbaarheid treden en erop toezien dat die geheimen niet misbruikt worden, dat zij niet ten behoeve van egoïstische doeleinden gebruikt worden, maar dat zij aange-wend worden tot heil van de mensheids- en wereldontwikkeling.
Na de periode van de broederliefde volgt de zevende en laatste cultuurperiode van het na-Atlantische tijdvak. Deze periode zal volstrekt onvruchtbaar zijn, het zal "lauw zijn, noch koud, noch heet", het zal als een dorre uitwas het na-Atlantische tijdvak afsluiten en de grote oorlog van allen tegen allen inleiden. Zoals Lemurië is ten onder gegaan door de wildste hartstochten, en Atlantis door het misbruik van levenskrachten, zo zal ons tijdvak ten onder gaan aan het afschuwelijkste egoïsme, een egoïsme waarvan wij ons heden ten dage nauwe-lijks een voorstelling kunnen maken. Maar de mensen die in de zesde cultuurperiode de broederliefde beoefend hebben, zullen overleven in de ze-vende cultuurperiode en zullen zich ook kunnen handhaven in de grote oorlog van allen tegen allen. Zij zullen de aarde van de ondergang redden en het vruchtbare dat zij tot stand gebracht hebben, overdragen naar het zesde tijdvak (ook wortelras genoemd). In het zesde wortelras zal er sprake zijn van twee 'rassen': het goede ras en het slechte ras. En het zal de taak van de manicheeërs zijn om zoveel mogelijk mensen van het slechte ras in het goede te krijgen. Op welke manier dit zal gebeuren legt Rudolf Steiner aldus uit (in GA 93):
" Het zesde wortelras zal als opdracht hebben: het boze door mildheid zoveel mogelijk terug te brengen in de voortschrijdende stroom der ontwikkeling. Er zal dan namelijk een geestesstroming ontstaan zijn die het kwaad niet bestrijdt, hoewel dat met een demonisch geweld zal optreden in de wereld. Bij de opvolgers van de 'zonen van de weduwe' zal het bewustzijn sterk leven dat het kwade terug in de ontwikkeling moet geleid worden, maar dat het niet door strijd, maar door mildheid moet overwonnen worden. Dit krachtig voor te bereiden, dat is de opdracht van de manichese geestesstroming. Deze geestesstroming zal niet afsterven, ze zal in de meest verschillende gedaanten optreden. Ze treedt op in vormen die velen zich kunnen indenken, maar die op dit ogenblik nog niet moeten uitgesproken worden. Als zij zich alleen richtte op de innerlijke gezind-heid, dan zou deze stroming niet bereiken wat ze moet bereiken. Zij moet zich richten op het vormen van gemeenschappen die vinden dat het doorslaggevende vooral is: vrede, liefde, zonder geweld het kwaad con-fronteren. Deze principes willen ze verspreiden. Deze gemeenschappen moeten als het ware een kelk zijn, een vorm scheppen voor het leven, dat zich ook zonder hen voortplant."
Terug naar de inhoudstafel M - Q.