"Een nog belangrijker geestesstroming dan die van de rozenkruisers was het manicheïsme ..."(Rudolf Steiner in de voordracht van 11/11/1904)
Het eerste deel van dit artikel verscheen in De Brug 26, het tweede deel in Brug 28.
In het eerste deel over dit onderwerp werd uiteengezet dat de Manicheeërs van oordeel zijn dat het kwade even eeuwig is als het goede, en dat het een noodzakelijke factor vormt voor de ontwikkeling van de wereld. Zij beschouwen het kwade als een product van oorspronkelijk goede geestelijke wezens die, als een soort offer, van hun normale evolutie moesten afwijken opdat in de kosmos een nieuw element zou kunnen ontstaan. Doordat die geestelijke wezens zich moesten afscheiden van hun goddelijke oorsprong verkregen zij een zekere autonomie in hun eigen nieuw, weliswaar begrensd levensgebied. Op dit voor hen vreemde werkterrein konden zij echter niet normaal functioneren zodat zij een storende tendens teweegbrachten in de evolutie.Maar juist door die verkregen zelfstandigheid hebben zij een nieuw element in de wereld gebracht: de autonomie, en die hebben zij -samen met de daarbijhorende storende elementen- in het menselijk astraal lichaam, etherlichaam en fysieke lichaam gevoegd. Zo kreeg de mens zijn vrijheid, en derhalve ook de keuze tussen kwaad en goed, tussen haat en liefde.
Volgens de Manicheeërs stamt het kwade dus af van het goede, maar aangezien dit oorspronkelijke goede zich moest opofferen is het uit de tijd, uit de evolutie geraakt. Daarom willen zij het kwade opnieuw transformeren tot het goede, zij willen het verlossen. Dat is de taak die de Manicheeërs zich gesteld hebben. De vervulling van die taak kan enkel verwezenlijkt worden wanneer men de eigen aard van het kwade begrijpt. Begrip roept mildheid op. Mildheid is voor de Manicheeërs een sleutelwoord.Talloze keren heeft Christus in manichese zin gesproken, zoals in de parabel over het verloren schaap:
"Als een mens in het bezit van honderd schapen is gekomen en één daarvan verdwaalt, zal hij dan niet de negenennegentig op de bergen achterlaten en heengaan om het dwalende schaap te zoeken ? En gebeurt het dat hij het vindt, voorwaar ik zeg u: hij verblijdt zich over dit ene schaap meer dan over de negenennegentig die niet verdwaald waren. Zo is het niet de wil van Uw Vader die in de hemelen is, dat één van deze kleinen verloren gaat."In het tweede deel (Brug 28) werd een chronologisch overzicht gegeven van het ontstaan en de taak van de drie esoterische geestesstromingen.
1. De Antroposofie die door middel van zuiver inzicht, de geestelijke wereld wil toegankelijk maken voor het menselijk bewustzijn;
2. Het Rozenkruiserdom dat in de zesde cultuurperiode, de periode waarin de occulte waarheden voor iedereen zullen (of kunnen) toegankelijk zijn, een gemeenschap van ware broederliefde zal tot stand brengen;
3. Het Manicheïsme: na de grote oorlog van allen tegen allen (na 8000) zal nog lang niet iedereen het Christusprincipe, het principe van de ware broederliefde in zich dragen. Zij die dit beginsel in zich opgenomen hebben, zullen behoren tot het zgn. goede ras. Wie niet zover gekomen is zal deel uitmaken van het "kwade ras".
Het is dan aan de Manicheeërs om zoveel mogelijk zielen van deze laatste groep alsnog tot het goede te brengen. Met dit doel voor ogen streven de Manicheeërs een specifieke inwijdingsweg na, want naast de christelijke Rozenkruiserinwijding bestaat er ook een manichese inwijdingsweg.
De Russische antroposoof Sergej Prokofjef heeft in zijn boek "De spirituele betekenis van vergeving' deze laatste weg beschreven. De beide inwijdingswegen zijn nauw aan elkaar verwant maar zij onderscheiden zich van elkaar door hun verschillend uitgangspunt. Prokofjef drukt het als volgt uit:
" De christelijke Rozenkruiserweg streeft ernaar om de wil in het gebied van het denken te brengen. De manichese weg daarentegen streeft ernaar om het denken (begrijpen) in het gebied van de wil te brengen. Dit gebied is voor het normale bewustzijn aanvankelijk duister. Door de bewustwording van de wilsimpulsen ontstaat de mogelijkheid direct met het scheppen van een concrete samenlevingsvorm, een concrete sociale structuur te beginnen, waarin de hogere openbaringen van Christus kunnen worden opgenomen."Wij zullen nu trachten de vier eerste trappen van de zevenvoudige manichese inwijdingsweg te beschrijven. Wij baseren ons hiervoor op het bovenvermeld boek van Prokofjef.
De eerste vier stadia van deze weg zijn:
1. waarachtige tolerantie,
2. het vermogen om vergiffenis te schenken,
3. het bewust op zich nemen van het karma van een ander mens of zelfs van een groep van mensen,
4. het bewust op zich nemen van het karma van de ganse mensheid.
De trappen vijf, zes en zeven hebben betrekking op de verlossing van de tegenmachten Lucifer, Ahriman en Asoera's. Deze zullen behandeld worden in en volgende uitgave van De Brug.
1. Waarachtige tolerantie
Dat wij een Ik, een zelfbewustzijn hebben, ervaren wij in eerste instantie door het contact met de buitenwereld, met alles wat niet tot ons eigen wezen behoort. En de buitenwereld worden wij vooral via de zintuigen gewaar, het zien, het gehoor, de tastzin enz.
Nu gebruikt het Ik in grote mate de zintuigen om zijn gevoel tegenover de medemens te bepalen. Hoe dikwijls hoort men niet: "Ik kan die man niet rieken ..."
Indien men de a-tolerantie, die optreedt wanneer men de anderen gewoon niet opmerkt, buiten beschouwing laat, dan kan men drie soorten tolerantie of verdraagzaamheid onderscheiden:
- intolerantie,
- de gewone of neutrale verdraagzaamheid waarbij men de ander zonder meer naast zich duldt,
- de waarachtige tolerantie wanneer er sprake is van een echte positieve interesse voor de medemens.
Waarachtige tolerantie kan men tot ontwikkeling brengen wanneer men vooral de gedachten- of voorstellingszin (één van de twaalf zintuigen) activeert. Prokofjef drukt dit als volgt uit: Wanneer iemand ons onrecht heeft aangedaan en wij dit willen vergeven, zijn wij geneigd te zeggen: "vergeven en vergeten", en toch blijven wij dikwijls, soms voor de rest van ons leven, een heimelijke wrok in onze ziel koesteren om het ons aangedane onrecht. Dit is natuurlijk niet echt vergiffenis schenken.Toch schuilt er in het gezegde "vergeven en vergeten" een grote waarheid, omdat vergeven onlosmakelijk verbonden is met het vergeten van het geleden onrecht. Prokofjef verklaart waarom: Tot slot besluit Prokofjef dat men middels een gezuiverd etherlichaam de etherische Christus op twee manieren kan ontmoeten: ofwel door een rechtstreeks aanschouwen in de etherwereld, ofwel wanneer in iemands etherlichaam de Christuskracht zo uitgesproken aanwezig is dat anderen in die persoon de tegenwoordigheid van Christus kunnen ervaren.
"Het waarnemen van de positieve aspecten in elk wezen en in elke gebeurtenis in de wereld is alleen mogelijk indien een intensief moreel gedachtenleven wordt ontwikkeld, want dat alleen is het instrument waarmee het Ik geleidelijk onze zintuigen kan omvormen."
En Rudolf Steiner zegt dat Christus rechtstreeks tot ons spreekt wanneer wij in die zin onze houding tegenover onze evennaaste bepalen. Uit GA 193:
"Ik ben als een mens met vooroordelen geboren en het onbevooroordeeld voorstellingsvermogen moet ik mij in het leven eerst verwerven, En hoe kan ik dat hier verwerven ? Niet enkel doordat ik slechts interesse opbreng voor wat ik zelf denk, voor wat ik zelf voor waar aanneem, maar doordat ik ook onbaatzuchtige interesse aankweek voor wat de anderen denken en voor wat mij tegemoet treedt, ook wanneer ik het nog zozeer als onzin beschouw. Hoe meer de mens zich beroemt op zijn eigen eigenzinnige meningen en zich alleen daarvoor interesseert, des te meer verwijdert hij zich op dit moment van de wereldontwikkeling van de Christus. Hoe meer de mens sociale interesse betoont voor de meningen van anderen, ook wanneer hij die als onzinnig beschouwt ... en er zich zelfs dan nog voor interesseert, des te meer voelt hij in het binnenste van zijn ziel een Christus-woord, dat tegenwoordig in de zin van de nieuwe Christus-openbaring moet verklaard worden. De Christus heeft gezegd: "Wat gij voor de minste mijner broeders doet, hebt gij voor mij gedaan."
De Christus houdt niet op zich steeds opnieuw aan de mensheid te openbaren, tot aan het einde der tijden. En zo spreekt hij tegenwoordig tot degenen die hem horen willen:
"Wat de geringste van uw broeders denkt, dat moet gij zo beschouwen dat Ik in hem denk, en dat Ik met u meevoel wanneer gij de gedachten van de ander naast die van uzelf stelt, en wanneer gij sociale interesse hebt voor wat zich in de ziel van de ander afspeelt. Wat gij als mening, als levensbeschouwing vindt in de geringste uwer broeders, zoek daarin Mijzelf ..."
De Christus vinden wij niet wanneer wij egoïstisch met onze gedachten naast die van de anderen blijven, maar wij vinden Hem wanneer wij onze gedachten naast die van de anderen stellen, wanneer wij onze interesse verruimen tot een innerlijke tolerantie voor alles wat menselijk is."2. De vergeving
"Door de inspanning van de morele wil van het individuele Ik om tot vergeving te komen -dat wil zeggen tot bewust vergeten van het leed of onrecht dat ons is aangedaan- vormen zich in de herinneringsstroom die ons Ik doordringt en ons Ik-bewustzijn draagt, als het ware 'herinneringsvrije' uitsparingen. In deze uitsparingen kan de substantie van het hogere Ik of het geestelijk Zelf als de kracht die alle kwaad transformeert, uitstromen. Deze substantie van het geestelijk zelf dringt het menselijk Ik binnen en vergeestelijkt dit steeds meer. Zo ontstaat geen vernauwing, maar een steeds verdere verruiming van het Ik-bewustzijn, omdat dit wordt doordrongen met hogere morele vermogens ...
In dit stadium kan het geestelijk zelf het Ik zodanig versterken en vergeestelijken dat het Ik het vermogen krijgt de wereld niet alleen via de lichamelijke zintuigen waar te nemen, maar ook via de hogere zintuigen van het etherlichaam. Met andere woorden, zoals het aardse Ik de zintuigen van het fysieke lichaam nodig heeft om bewustzijn te ontwikkelen, zo heeft het geestelijk zelf om bewust in de mens te leven de waarnemingsorganen van het etherlichaam nodig. Het geestelijk zelf begint deze laatste onmiddellijk om te vormen zodra het in het aardse Ik begint door te dringen. Zo wordt het geestelijk zelf, wanneer het in de vergevingsdaad het aardse Ik doortrekt, tegelijkertijd de leermeester van het etherlichaam en is het in staat alle verduisteringen en verhardingen op te lossen die steeds in het etherlichaam worden gevormd door onze aardse fouten, onze morele en karaktergebreken, ons zelfbedrog en in het bijzonder onze nijd en wraakzucht ... Het etherlichaam speelt een cruciale rol in de processen van herinneren en vergeten. Op het moment dat wij vergeven, dus onder invloed van ons geestelijk zelf het onrecht dat ons werd aangedaan bewust uit ons geheugen wissen, bevrijden wij ons etherlichaam van alle schadelijke en verduisterende elementen. Naarmate wij deze elementen door de macht van het geestelijk zelf in de vergeving oplossen, maken wij ons etherlichaam lichtend en doorzichtig en, bij een vergevorderde reiniging, uiteindelijk zelfs schouwend in de etherwereld die ons etherlichaam omgeeft. Want door de inwerking van het geestelijk zelf is het Ik op den duur in staat niet alleen met het fysieke, maar ook met het ether- of levenslichaam de indrukken van de omgeving waar te nemen. En door de nieuw ontsloten waarnemingen van het etherlichaam wordt het mogelijk de Christus in de etherwereld waar te nemen."
In zijn boek "Terugkeer uit de dood" doet George Ritchie het relaas van zijn ontmoeting met een mens die de Christuskracht uitstraalde. Ritchie vertelt dat hij zelf eens, toen hij zeer zwaar ziek was, een ontmoeting gehad heeft met Christus in de etherische wereld. Sedertdien verlangde hij vurig om opnieuw zo'n belevenis te mogen ervaren; koortsachtig was hij op zoek naar Christus, tevergeefs echter. Op het einde van de tweede wereldoorlog werd hij als medicus naar een Duits concentratiekamp gestuurd om daar geneeskundige hulp te verlenen. De grootste ellende en verschrikking zag hij daar. Hij getuigt:
" Als al die verschrikkingen mij de baas dreigden te worden, wandelde ik van het ene naar het andere einde van het kamp en keek ik wie ik ontmoette in het gezicht, totdat ik wist dat ik Christus in het gelaat blikte. Op die manier leerde ik Bill Cody kennen."
Bill Cody, zo werd hij tenminste toch genoemd, was een imposante figuur, zijn ogen stonden helder, hij liep kaarsrecht, en hoewel hij zestien uur per dag in de weer was bleek zijn energie onuitputtelijk te zijn. Zijn gezicht straalde van mededogen voor zijn medegevangenen, hij was de vriend van iedereen, en wanneer er ergens ruzie uitbrak drong hij erop aan om elkaar vergiffenis te schenken. Ritchie dacht dat deze man nog niet zo lang in het kamp vertoefde gezien de uitermate gezonde indruk die hij vertoonde, totdat hij op een dag tot zijn stomme verbazing ontdekte dat die man al zes jaar lang, sedert het uitbreken van de oorlog in dat kamp verbleef, en in al die tijd had hij dezelfde ontberingen als alle anderen moeten ondergaan. "Toen Bill Cody en ik eens samen waren", vertelt Ritchie," merkte ik eens op dat het voor sommigen niet eenvoudig moest zijn om vergiffenis te schenken aan de mensen door wiens toedoen ze één of meerdere familieleden hadden verloren". En Bill Cody begon te praten, de eerste woorden die hij over zichzelf zei:
" Wij woonden in het Warschause ghetto, mijn vrouw en ik, onze beide dochters en onze drie kleine zoons. Toen de Duitsers onze straat bereikten, zetten ze iedereen tegen de muur en openden het vuur met hun machinegeweren. Ik smeekte hen samen met mijn gezin te mogen sterven, maar omdat ik Duits sprak deelden zij mij in bij een ploeg dwangarbeiders. Op dat moment moest ik voor mijzelf beslissen of ik de soldaten die hiervoor verantwoordelijk waren moest haten of niet. In feite was het geen moeilijke beslissing ...
Haat had zojuist de zes mensen die voor mij belangrijker waren dan wat dan ook ter wereld het leven gekost. Daarom besloot ik op dat moment dat ik de rest van mijn leven, -onverschillig of dat enkele dagen of vele jaren zou duren- iedereen zou liefhebben met wie ik ooit in aanraking zou komen."
3. Het bewust op zich nemen van het karma van een ander mens of zelfs van een groep mensen.
In de loop van ons cultuurtijdperk dat zich situeert van ongeveer 1500 tot 3500 zal het menselijk Ik steeds meer en meer vergeestelijkt worden doordat het hogerstaande geestelijk Zelf geleidelijk aan in het Ik dringt. Daarom wordt ons tijdperk dat van het geestelijk Zelf genoemd. In principe ligt het in ieders bereik om zijn Ik tot een bepaald geestelijk niveau te verheffen; dit niveau reikt tot geestelijke kwaliteiten zoals het vermogen om vergiffenis te schenken. Wil men nog een stadium verder gaan in het veredelen van het Ik, dan moet men zich geestesvermogens eigen maken die pas in het volgend cultuurtijdperk kunnen ontwikkeld worden, in het tijdperk van de levensgeest of van de ware broederliefde. Geesteswetenschappelijk beschouwd betekent dit dat de verdere ontwikkeling van het Ik tot stand komt doordat dit nu niet alleen doordrongen wordt met het geestelijk Zelf, maar ook met de levensgeest, het wezensdeel dat op een nog hoger niveau staat.
Rudolf Steiner heeft ooit gezegd dat dan iemand nooit gelukkig zal kunnen zijn zolang hij ziet dat er nog wezens zijn die lijden. Die uitspraak leidt tot de conclusie dat men andermans lijden zal willen helpen dragen, dat men dit lijden desnoods op zich zal nemen, of met andere woorden: het karma van de andere op zich nemen. Behalve voor iemand die zich een hogere graad van inwijding verworven heeft, is dit niveau van geestelijke ontwikkeling in deze tijd niet haalbaar. Nochtans kan men reeds, zonder een specifieke geestesscholing te volgen, de eerste stappen hiertoe zetten. Het volgende voorbeeld kan dit verduidelijken: toen ik in de lagere school zat, las de onderwijzer van tijd tot tijd verhaaltjes voor uit stichtende boekjes. Eén ervan is mij altijd bijgebleven: eens was de meester in de schoolklas bezig, met zijn rug naar de kinderen gekeerd, een les op het bord aan het schrijven. De moeder van één van de jongens uit de klas was kreupel, en nu de meester het toch niet zag, maakte een kwajongen daarvan gebruik om de moeder van de eerste te beschimpen en spottend haar gebrek na te doen. Op een gegeven moment kon de eerste jongen die gemeenheid niet meer verdragen, hij verloor zijn zelfbeheersing, pakte zijn inktpot en keilde die naar de snoodaard. Maar deze bukte zich en het toeval wou dat precies op dat moment de meester zich omdraaide en de blauwe inkt over zijn witte hemd kreeg. Op strenge toon vroeg de meester wie de dader was.
Geen reactie ...
De meester wist heel goed wie de dader was en een zware straf dreigde; hij stelde de vraag opnieuw, wachtte even ... en plots sprong een jongen recht, die niets met het gebeurde te maken had, maar door medelijden bewogen werd om de straf op zich te nemen. Hij riep uit: "Ik was het meester, ik heb het gedaan!"Achteraf kwam natuurlijk de ware toedracht aan het licht.We keren terug naar Prokofjef:
" Het opnemen van de levensgeestsubstantie in de mens heeft nog een ander belangrijk gevolg. Het door de levensgeest versterkte individuele Ik kan nu niet alleen de waarnemingsorganen in het etherlichaam gaan omvormen, maar ook in het veel hoger staande (wat de graad van bewustzijn betreft) astrale lichaam. Hierdoor kan de mens mettertijd deelgenoot worden van een nieuwe en nog verder gaande openbaring van Christus, die door Rudolf Steiner is gekenschetst als de verschijning van Christus in de astrale wereld (anders dan zijn voorafgaande openbaring in de etherwereld).Alleen deze hogere ervaring van Christus kan een mens de kracht geven het karma van een ander niet slechts op zich te nemen, maar ook verder te dragen. Zoals de etherische Christus werkt in elke daad van vergeving, zo werkt de astrale Christus in elk bewust of onbewust overnemen van het karma van een ander mens. We kunnen ook zeggen dat het overnemen en dragen van andermans karma voor een mens eenvoudigweg onmogelijk is zonder een, al is het maar aanvankelijk contact met deze hoge sfeer van Christus-openbaring."
Zoals Christus in het etherlichaam van Bill Cody werkte, zo werkte Hij ongetwijfeld in het astraal lichaam van pater Damiaan Devenster (1840-1889). Zestien jaar lang heeft Damiaan uit volledig vrije wil het lot meegedragen van die uit de maatschappij gestoten mensengroep, de melaatsen op het eiland Molokaï, totdat ook hij het lot van deze mensen onderging en stierf aan die vreselijke, besmettelijke ziekte.
4. Het bewust op zich nemen van het karma van de ganse mensheid
In principe is dit stadium slechts bereikbaar in de zevende en laatste cultuur van ons na-Atlantisch tijdvak. Dit tijdvak begint tegen het einde van het zesde millennium en zal ongeveer 2000 jaar duren. Het wordt het tijdperk van de geestesmens genoemd, hetgeen betekent dat de mens dan de mogelijkheid zal hebben om niet alleen zijn astraal- en etherlichaam, maar ook zijn fysieke lichaam spiritueel te veredelen. Wij laten terug Prokofjef aan het woord:
" In dit stadium kan het Ik de organen voor het hoger bovenzinnelijk waarnemen direct vormen uit de eigen substantie. Dat is voor het Ik alleen mogelijk als het zich, in ieder geval tot op zekere hoogte, niet alleen met de substantie van het geestelijk zelf en de levensgeest, maar ook met die van de geestesmens kan doordringen. Op dit niveau van innerlijke ontwikkeling krijgt de ingewijde toegang tot de derde, voor het huidige ontwikkelingsstadium hoogste Christus openbaring, Zijn openbaring in de geestelijke wereld als het alomvattende Ik van onze kosmos. Pas hier verschijnt Christus de mens in Zijn ware wezen, zonder de omhullingen waarin hij zich -als het ware om het nog onvolmaakte geestelijke waarnemingsvermogen van de mens te ontzien- op de lagere bestaansniveau's moest openbaren. Immers in de etherwereld verscheen Hij in etherische omhulling en in de astrale wereld in astrale omhulling. Wanneer nu deze sluiers wegvallen kan de ingewijde, door zijn helderziend geworden Ik, Christus aanschouwen als zijn eigen kosmische oerbeeld, als het kosmische Al-Ik ...Enkelen bevinden zich nu al op het niveau van innerlijke ontwikkeling waarop zij het karma mee kunnen dragen dat ontstaat door de Ik-ontwikkeling van de mensheid. Als gevolg van de innerlijke passiviteit en het veelvuldig misbruik van de verworven vrijheid door de mens, is met dat karma onvermijdelijk een zwaar lijden verbonden, dat echter vrijwillig wordt gedragen. Om dit lijden te verdragen moet de ingewijde buitengewoon sterk zijn. Het is nu duidelijk waaraan hij die innerlijke kracht ontleent. Hij put die uit een voortdurend aanschouwen van de derde bovenzinnelijke openbaring van Christus. Deze verschijnt daar voor de ingewijde als de nieuwe geestelijke leider of het Ik van de Aarde, dat het karma van de hele mensheid draagt."
Wanneer wij dit vierde manichese inwijdingsstadium vergelijken met de vierde trap van de christelijke Rozenkruiserinwijding, dan komt men tot de vaststelling dat in beide gevallen dezelfde spirituele hoogte bereikt wordt en dezelfde doeleinden worden nagestreefd. Op deze vierde trap verwerft men het intuïtief bewustzijn, d.w.z. dat het Ik één is geworden met het innerlijk wezen van alle dingen.Is de leerling der inwijding nu zover gekomen dat hij deze vierde trap op de Rozenkruiserweg bereikt heeft, dan verschijnt hem de zgn. Grote Wachter op de Drempel (een gelijkaardige verschijning doet zich ongetwijfeld ook voor bij de manichese inwijdingsweg).
In GA 93 verklaart Rudolf Steiner wie deze Wachter is:
" De Grote Wachter op de Drempel wordt nu tot het voorbeeld dat de geestesleerling wil navolgen. Het is hem nu mogelijk geworden in te zien wie daar eigenlijk als Grote Wachter op de Drempel voor hem staat. Thans namelijk verandert voor de waarneming van de leerling deze Wachter zich in de Christus-gestalte. De leerling wordt hierdoor ingewijd in het verheven geheim zelf dat met de Christusnaam verbonden is. De Christus vertoont zich aan hem als het 'Grote menselijke Aardevoorbeeld'."
En in GA 10 beschrijft Rudolf Steiner in verhalende vorm hoe de Grote Wachter aan de leerling verschijnt en wat hij verder van deze laatste verwacht:
" Ge hebt u losgemaakt uit de zintuiglijke wereld. Ge hebt het recht verworven de bovenzinnelijke wereld uw thuis te noemen. Van hieruit kunt ge nu werkzaam zijn. Voor uzelf hebt ge uw fysieke natuur in zijn huidige vorm niet meer nodig. Als ge u alleen het vermogen wilde verwerven om in deze bovenzinnelijke wereld te wonen, hoefdt ge niet meer terug te keren naar de zintuiglijke wereld. Maar zie naar mij. Zie, hoe onmetelijk verheven ik ben boven alles wat ge nu al van uzelf hebt gemaakt. Ge zijt tot uw huidige niveau van volmaaktheid gekomen door de vermogens die ge in de zintuiglijke wereld kondt ontwikkelen zolang ge nog op die wereld waart aangewezen.. Maar nu moet voor u een tijd beginnen waarin uw bevrijde krachten op hun beurt aan deze zintuiglijke wereld werken. Tot dusver hebt ge alleen uzelf verlost, nu kunt ge, zelf bevrijd, al uw lotgenoten in de zintuiglijke wereld mede bevrijden. Tot nu toe was uw streven gericht op u alleen; voeg u nu in het geheel, opdat ge niet alleen uzelf meeneemt naar de bovenzinnelijke wereld, maar ook al het andere dat in de zintuiglijke wereld bestaat. Eens zult ge u kunnen verenigen met mijn gestalte; maar ik kan niet zalig zijn zolang er nog onzaligen zijn ! Niettemin zoudt ge, als bevrijde eenling, nu al het rijk van het bovenzinnelijke mogen betreden. Maar dan zoudt ge moeten neerzien naar de nog niet verloste wezens van de zintuiglijke wereld. En dan zoudt ge uw lot hebben losgemaakt van het hunne. Maar jullie zijn allen met elkaar verbonden. Jullie allen moesten afdalen naar de zintuiglijke wereld om daaruit de krachten te putten voor een hogere wereld. Zoudt gij u van hen afscheiden, dan zoudt ge de krachten misbruiken die gij toch alleen in gemeenschap met hen hebt kunnen ontwikkelen. Zouden zij niet zijn afgedaald, dan hadt gij het ook niet gekund; zonder hen zouden u de krachten ontbreken voor uw bovenzinnelijk bestaan. Gij moet deze krachten die ge u met hen hebt verworven, ook met hen delen. Daarom ontzeg ik u de toegang tot de hoogste gebieden van de bovenzinnelijke wereld zolang gij niet al uw verworven krachten hebt gebruikt om de wereld waartoe gij behoort te verlossen. Met wat ge al bereikt hebt kunt ge vertoeven in de lagere gebieden van de bovenzinnelijke wereld, maar voor de poort naar de hogere gebieden sta ik 'als engel met het vlammende zwaard voor het paradijs', en ik ontzeg u de toegang zolang gij nog krachten hebt die ongebruikt zijn gebleven in de zintuiglijke wereld. En wilt gij de uwe niet gebruiken, dan zullen er andere komen die hun krachten gebruiken; dan zal een hoge bovenzinnelijke wereld alle vruchten van de zintuiglijke in zich opnemen; maar u zal de bodem ontnomen zijn waarmee ge waart vergroeid. De gelouterde wereld zal zich boven u uit ontwikkelen. Gij zult ervan uitgesloten zijn. Zo is uw pad het zwarte, degenen echter van wie gij u hebt afgescheiden gaan het witte pad."
Of het merendeel der zielen die tijdens de zevende cultuurperiode op aarde geïncarneerd zijn, zich spiritueel nog verder zullen ontwikkelen, is nog maar de vraag. In de Apokalyps karakteriseert de Amen (dit is de geestesmens) de mensheid van die periode als 'lauw, noch warm, noch heet" (Op. 3:16) en in GA 104a zegt Rudolf Steiner dat deze zevende periode "mensen zal voortbrengen die noch voor het geestelijke, noch voor het zintuiglijke bestaan enige begeestering zullen kunnen opbrengen, zelfs daarvoor zullen zij te geblaseerd zijn ..."
en verder:
" In deze zevende periode zullen de mensen die volledig in de materie zullen verstrikt zijn, niet veel meer te vrezen hebben van de geesteswetenschap want op aarde zullen er dan nog weinig spirituele mensen te vinden zijn die nu de geesteswetenschap in zich opgenomen hebben."
Op de zevende cultuurperiode volgt de oorlog van allen tegen allen, een wereldcatastrofe die zal veroorzaakt worden door een extreem egoïsme en die vergelijkbaar is met de ondergang van de cultuur van Atlantis.Na deze oorlog begint het zesde tijdvak, en vanaf dan zullen de Manicheeërs opnieuw in het wereldgebeuren ingrijpen om hun uiteindelijke opdracht te vervullen. Rudolf Steiner hierover in GA 104:
" Beoordeelt u dit nu niet als hardvochtig, als iets waardoor men over het plan van de schepping de staf zou kunnen breken, dat de mensheid dus wordt gesplitst in mensen die aan de rechterkant en mensen die aan de linkerkant zullen staan; beoordeelt u het veeleer als iets dat in het plan van de schepping van een zeer grote wijsheid getuigt. Want u moet bedenken dat juist doordat het boze zo van het goede wordt gescheiden, het goede zijn voornaamste kracht in het goede zal vinden, want het goede zal zich na de grote oorlog van allen tegen allen op alle denkbare manieren moeten inspannen om de boze in de nog beschikbare tijd weer naar de andere kant te halen. Dat zal geen kwestie zijn van opvoeden zoals wij dat tegenwoordig kennen. Daarbij zullen occulte krachten meewerken, want de mensen zullen in het volgende tijdvak weten hoe zij occulte krachten kunnen inzetten.
De goeden zullen tot taak hebben hun medebroeders van de boze stroming te beïnvloeden. En binnen de occulte stromingen van de wereld wordt dit alles voorbereid. Alleen heeft men voor de diepzinnigste van alle occulte wereldstromingen nauwelijks begrip. De wereldstroming die dat voorbereidt spreekt als volgt tot haar leerlingen: de mensen redeneren over goed en kwaad, en zij weten niet dat in het wereldplan noodzakelijk is dat ook het boze zijn hoogtepunt bereikt, opdat degenen die dit moeten overwinnen, juist bij het overwinnen van het boze hun kracht zo gebruiken dat het goede er des te sterker uit te voorschijn komt. Maar de meest uitgelezen mensen moeten erop worden voorbereid dat zij de tijd van de grote oorlog van allen tegen allen zullen overleven en dat zij dan mensen tegenover zich zullen vinden die op hun gezicht de tekenen van het boze zullen dragen; zij moeten erop worden voorbereid dat zoveel goede kracht als maar mogelijk is in de mensheid moet binnenstromen. aangezien de lichamen nog tot op zekere hoogte week zijn na de grote oorlog van allen tegen allen, zullen deze [lichamen] kunnen worden gemetamorfoseerd door de zielen der bekeerden, door de zielen die nog in deze laatste periode tot het goede worden bekeerd. Daardoor zal veel tot stand worden gebracht. Het goede zou niet zo'n groot goed zijn als het niet door de overwinning van het boze zou groeien. De liefde zou niet zo intens zijn, als zij niet sterk genoeg zou moeten worden om zelfs het afstotelijke op het gezicht van de boze mensen te overwinnen. Dat wordt al lang voorbereid en tot de leerlingen wordt gezegd: jullie mogen dus niet geloven dat het boze geen plaats heeft in het plan van de Schepper; het is erin opgenomen opdat door zijn bijdrage eenmaal het grote goede er zal zijn.
Degenen die in hun ziel worden voorbereid door zulke leerstellingen, opdat zij eens deze grote pedagogische opdracht zullen kunnen vervullen, dat zijn de leerlingen van die geestelijke richting die men het manicheïsme noemt."
(Wordt vervolgd)
Jan Vermeir
Bronnen:
Prokofjef, S., "De spirituele betekenis van vergeving"
Steiner, R., GA 10, "Hoe verkrijgt men bewustzijn op hogere gebieden"
Steiner, R., GA 104, " De Apokalyps van Johannes"
Steiner, R., GA 104a, "Aus der Bilderschrift der Apokalyps des Johannes"
Terug naar de inhoudstafel M - Q