Euritmie en ... magiedoor François De Wit
" Nu zou ik graag willen dat een rij euritmisten zich opstelt en verschillende gebaren maakt, en wel zo: de eerste zet de voeten samen en strekt de armen zijwaarts uit zo dat ze een horizontale lijn vormen.
De tweede zet de voeten wat uiteen en houdt de armen iets hoger, tot de hoogte van het strottenhoofd.
Nu een derde: spreid de benen iets naar buiten, laat de armen zakken zodat de lijn die beide handen verbindt onder het hart passeert. Nu onthoudt u bij deze gebaren het volgende:
Ich denke die Rede Zo ongeveer."
Dan liet Rudolf Steiner een andere euritmist deze gebaren van I tot VI na elkaar uitvoeren.
Hij gaat verder: "Wanneer men euritmie leert aan volwassenen en men begint met hen deze oefening te laten uitvoeren, dan gaan ze zich daardoor zeer goed in het euritmische kunnen inleven. Daarenboven behoort deze oefening tot de heileuritmische gebaren, die de ziel harmoniseren. Wanneer mensen innerlijk zo in de knoop liggen in hun ziel dat zich dat ook lichamelijk manifesteert in allerlei stofwisselingziekten, dan is in ieder geval deze oefening als heileuritmische oefening zeer geschikt."
Iedere lezer die ooit al eens een euritmiecursus gevolgd heeft zal zeker deze oefening kennen. Het is een echte klassieker.
![]()
In stand 1 tot 3 is er sprake van een relatie van het Ik met het spreken, in stand 4 tot 6 gaat het over het Ik in relatie tot de geest. Rudolf Steiner heeft de oorspronkelijke volgorde gewijzigd, de eerste en tweede positie werden verwisseld. Dat geeft de oefening zijn eigentijds karakter. Want nu begint de oefening in een kruishouding vanaf de aarde en verheft zich door de eigen activiteit van de leerling. Bij Agrippa glijdt de beweging van boven als vanzelf naar beneden. Bij Agrippa zijn de posities afwisselend door een cirkel en een vierkant omschreven. Door de omkering wordt die volgorde wel verstoord maar de samenhang blijft bestaan: de cirkel legt een verband met de gestalte, het vierkant met de ruimte errond. De eerste moeten van binnenuit beleefd worden, de tweede van buitenaf.
Hoe meer men zich verdiept in deze zes gebaren, hoe meer geheimen men erin ontdekt. "De mens, als het schoonste en meest volmaakte werk van God, als Zijn evenbeeld en als een wereld in het klein, heeft een lichaamsbouw die veel volmaakter en harmonischer is dan wat dan ook van de schepping, en hij bevat alle getallen, maten, gewichten, bewegingen, elementen, kortom alles wat tot de perfectie behoort, in zich en dat alles geraakt bij hem, als het meest verheven meesterwerk, tot een volkomenheid die overige samengestelde lichamen niet bezitten." Dan gaat hij over tot de opsomming van alle verhoudingen tussen de verschillende lichaamsdelen, zoals men die van de afbeeldingen kan aflezen. Hij besluit zijn uiteenzetting met de woorden:
"Dit nu zijn de verschillende maten van de ledematen van het menselijk lichaam, volgens lengte, breedte, hoogte en omvang, waardoor ze zowel ten opzichte van elkaar als ten opzichte van de hemel overeenstemmen. [ ...]
Dit laatste, eeuwenoude inzicht leeft ook vandaag nog, zowel bij antroposofen ( bewust) als bij materialisten (onbewust), met dien verstande dat antroposofen het huidig lichamelijk gebrek zullen toeschrijven aan een zielsgebrek in een vorig leven. Zij zullen zich dus ook inspannen om hun zedelijk peil alsmaar te verbeteren.
Bronnen:
|