Olympische Spelen - Antwerpen 1920      

Olympisch stadion

Kandidatuur
Het was zoals gezegd in de entourage van Beerschot A.C. dat de idee rijpte om de Olympische Spelen naar Antwerpen te halen. Op een zitting van het IOC te Bazel, begin 1912, werd de kandidatuur van België voor de Spelen van 1920 officieel voorgedragen.

Bij Charles Cnoops, voorzitter van de Cercle de l'Epée en ondervoorzitter van de Féderation Belge des Cercles de l'Escrime, rijpte tijdens de Spelen van 1912, deze idee verder. De kandidatuur van ons land werd, samen met deze van Amsterdam, tijdens de Spelen van Stockholm bevestigd. Oorspronkelijk werd aan Brussel gedacht, maar uiteindelijk werd voor Antwerpen gekozen.

Op initiatief van Charles Cnoops werd op 9 augustus 1913 een Comité Provisoire opgericht bestaande uit vier voorzitters, Baron Edouard de Laveleye, voorzitter van het BOC en lid van het IOC, Graaf Henry de Baillet-Latour, lid van het BOC en het IOC, Robert Osterrieth, president van de Royal Yacht Club de Belgique en Charles Cnoops. Daarnaast waren er 21 ondervoorzitters met vooral verantwoordelijken uit de sport-, de militaire en de industriële wereld.

Om de kandidatuur de nodige kracht bij te zetten werd in 1914 een 106 bladzijden tellende propagandabrochure opgesteld met als titel 'Aurons-nous la VIIe Olympiade à Anvers en 1920?'

Om een goede indruk na te laten bij baron de Coubertin werd hierin veel aandacht besteed aan het cultureel patrimonium van de stad Antwerpen en werd een apart stuk gewijd aan de olympische kunstwedstrijden, een geesteskind van de IOC-voorzitter. De brochure kwam ook van pas om de kandidatuur van Antwerpen tegen de andere kandidaten (Amsterdam, Boedapest en Rome) te verdedigen tijdens het olympisch congres van Parijs van 13 tot 23 juni 1914. Op zaterdag 13 juni werd het Antwerpse project voorgesteld en het was afwachten of het de bovenhand zou krijgen ten opzichte van Amsterdam en Boedapest. Groot was dan ook de ontgoocheling toen in de krant van 22 juni melding werd gemaakt dat noch Antwerpen, noch Amsterdam maar Boedapest de Spelen van 1920 zou mogen organiseren.
Het uitbreken van WO I belette de commissie haar werk echter definitief af te ronden.

In 1915 stelde ook de stad Lyon haar kandidatuur voor de Spelen van 1920 of 1924.
Graaf Edouard d'Assche, Belgisch delegatiehoofd tijdens de olympisch congres van Parijs wist een akkoord te sluiten met de burgemeester van Lyon, dat zijn kandidatuur voor 1920 handhaafde '... mais en déclarant se désister d'avance si Anvers libérée maintenait la sienne en reporter en ce cas sa demande aus 'Jeux de la VIIIième Olympiade 1924'.

Door dit akkoord werden de kandidaturen van het 'neutrale' Nederland en het 'vijandelijke' Boedapest in de kiem gesmoord, terwijl over de kandidatuur van Rome zelfs niet meer werd gesproken. Er doken echter nieuwe kapers op de kust op. De Amerikaanse steden Atlanta, Cleveland en Philadelphia stelden zich kandidaat om de Spelen van 1920 te organiseren en zelfs het Cubaanse Havana richtte een comité met dezelfde doelstelling op.

De perikelen rond WO I deed alles echter naar het achterplan verdwijnen en het was pas in 1919 dat de draad uiteindelijk terug werd opgenomen.

Van het optimisme van voor WO I bleef echter niet veel meer over. De tussenkomst van eerste minister Léon Delacroix, gouverneur Gaston van de Werve en de Antwerpse burgemeester Jan De Vos was nodig om de verantwoordelijken te overtuigen. Op 29 maart 1919, vooral dank zij een waarborg van een bedrag van 1 miljoen frank, bijeengebracht door Antwerpse handelaars en diamantairs, bevestigde het Belgisch Olympisch Comité de Antwerpse kandidatuur.

Uiteindelijk werden op 5 april 1919, tijdens een vergadering van het IOC te Lausanne, de Olympische Spelen unaniem aan Antwerpen toegewezen, dit ongeveer 16 maanden voor de officiële opening. De optie om de Spelen uit te stellen tot 1921 werd daarbij niet weerhouden. Reeds op 17 april werd het organisatiecomité opgericht met aan het hoofd graaf Henri de Baillet-Latour.


Uitbreidingswerken
Belangrijke infrastructuurwerken bleken noodzakelijk. Het stadion werd onder de leiding van de architecten Fernand de Montigny, lid van de Cercle d'Epée en in 1904 reeds hockeyspeler en -trainer van Beerschot A.C., en Louis Somers omgebouwd tot een olympisch stadion met een oppervlakte van 5 ha. De Londense aannemer Humphreys & Co, wereldbekend voor de aanleg van sportterreinen, voerde de werken uit. Op 4 juli 1919 werd de eerste steen gelegd voor de verbouwing van het Beerschotstadion voor de Olympische Spelen.

In Sport Revue, een Brussels tijdschrift luidde het aldus: '4 juli 1919, een vrijdagnamiddag. Het weer is slecht. Op het Beerschotterrein te Antwerpen plaatste burgemeester De Vos den eersten steen van het stadion dat aldaar zal oprijzen. Eene indrukwekkende plechtigheid bijgewoond door de Heeren Graaf Baillet-Latour die ene redevoering hield, schepen Steger, schepen Strauss, gouverneur van de Werve, verder de heeren Seeldraeyers, Havenith en vele personaliteiten. Grootsch is reeds den aanblik van het in opbouw zijnde stadion. De tribunen en de volksplaatsen zijn zo goed als afgemaakt. Ook de looppiste is reeds aangelegd en statig verheft zich de triomfboog aan den ingang'.


De grote tribune werd uitgebreid over de volle lengte van het terrein en een kleinere werd aan de overzijde gebouwd.
De volksstaanplaatsen werden in trapvorm verhoogd en rond het voetbalveld werd een atletiekpiste aangelegd.
Bij de ingang van het stadion werd het paviljoen voor de atleten ingeplant. Aan de hoofdingang werd een monumentale triomfboog gebouwd, alsook een speciaal torenpaviljoen voor de olympische vlag.

Ook voor de tennissport werd een centrale baan aangelegd, omringd door zitplaatsen en een houten tribune. Aldus waren er in totaal 12 tennisbanen beschikbaar voor de Spelen.




Terug even naar de verslaggever van Sport Revue: 'Het terrein van het stadion is 136 meter lang en 92 meter breed. In het midden bevindt zich 106 op 70, het voetbalveld, uiterst geschikt voor nog andere sporten. De looppiste die 9 meter breed is en 400 m lang zal zich rond het voetbalplein bevinden. Twee overdekte tribunen zijn opgericht, eene van 150 meter lengte en eene aan de overzijde van 70 meter lengte. Rond de 10 000 man zal daar plaats vinden. Onder de groote tribuun werden kleedkamers, lavabos, stortbaden en voetbaden aangebracht, met daarnevens vijf ruime lokalen voor de post, telegraaf, pers en beheersdienst van het stadion. Gelijkvloers komt een vergaderzaal terwijl op de eerste verdiep eene even groote plaats beschikbaar zal zijn voor de muzikanten, waarschijnlijk honderd in getal. Naast de kleine tribuun is de groote triomfboog reeds opgericht waarlangs de atleten zullen binnentreden.
Ruim 20 000 toeschouwers zullen tot de staanplaatsen toegang hebben. De 'Courts' voor tennis en terreinen voor hockey zijn achter de groote tribuun gelegen. Op een heuvel bevindt zich een prachtig aangelegd paviljoen, waarrond een wandelterras zal lopen en van waar men een heerlijke kijk zal hebben op de tennisspelen. Bij al deze weze nog vermeld de monumentale ingang van ca. 40 meter breedte. Op 8 mei 1920 wordt het stadion officieel ingehuldigd'.


Medio maart 1920 bracht koning Albert I 'incognito' een bezoek aan het in opbouw zijnde olympisch stadion.
Op 30 mei 1920 waren de werken klaar, wat Pierre de Coubertin woorden van lof 'voor zoveel plantrekkerij' ontlokte.
Journalist Paul Lamberts Herrelbinck noteerde in Sport-Revue: 'Het mirakel is geschied. Het Antwerpsche stadion is op tijd klaar gekomen...'.
De Londense aannemer getuigde naar het schijnt dat '... met geen ander dan Belgische arbeiders, zou ik werk van zulk een omvang in zoo korten tijde klaar gekregen hebben'.

De verbouwingskosten, volledig op kosten van het Comité Exécutif van de VIIde Olympiade, werden oorspronkelijk geraamd op 1 miljoen frank (prijzen van 1920), maar liepen, mede door de hollende naoorlogse inflatie, uiteindelijk op tot 2 280 479 frank, ongeveer de helft van de totale uitgaven van de Spelen.

Later zou blijken dat het ganse olympische project een financieel debacle was geworden.
Op 23 mei 1920 werd het olympisch stadion officieel ingewijd. In een volgeladen stadion en bij 'uitgelezen weder' werden turndemonstraties afgewisseld met muzikale intermezzi, o.a. de cantate 'De Genius des Vaderlands' van Peter Benoit, uitgevoerd in een bezetting met ca. 1200 zangers en muzikanten. De gezwollen verzen van de hand van Julius De Geyter werden in het programmaboekje, ten gerieven van de dure loges, in het Frans vertaald: 'Mijne dochteren, mijn Zoons, in wat jubelende scharen komt gij allen tot mij, tot uw vader gevaren? - Mes filles, mes fils, comme vous accourez vers moi en groupes joyeux'. De muzikale leiding was in handen van Flor Alpaerts.
Het tweede gedeelte van het programma was een turnfeest waaraan vrijwel alle turnverenigingen van de stad deelnamen, o.a. de turnkring 'Onze Meisjes', bekend van internationale tornooien in Monaco en Nice.
Een maand later, op 27 juni 1920, werden als een soort algemene repetitie, de selectieproeven voor de Belgische atletiekploeg in het stadion gehouden.

Het organisatiecomité was klaar, de stad Antwerpen was klaar, de Olympische Spelen van Antwerpen konden beginnen!