Woningen

De woningen van de indianen.

 


ĎTipií betekent in de taal van Sioux- indianen: ĎWoning. Tipiís zijn is een kegelvormige tent bestaand uit een geraamte van palen. met een tentziel van dierenhuid. Ze werden gebruikt door de Prairi indianen
Tipiís waren tenten die snel afgebroken en opgezet konden worden. Het waren perfecte woningen voor de nomadische jagers van de vlakten.
De tipi was niet helemaal rond, maar eivormig. De achterzijde was hoog en steil. Deze achterzijde stond vaak aan de westkant en beschermde de bewoners tegen de wind. De opening zat meestal aan de oostzijde, de kant waar de zon opkwam.
Voor een tipi werden drie of vier basispalen gebruikt. Daaromheen werden tien tot vijfentwintig steunpalen gezet. Hieromheen gingen bizonhuiden. waarvan men er per tipi ongeveer 12 bizonhuiden werden voor verwerkt De huiden werden aan elkaar gemaakt. Als het binnen te warm werd werden de zijkanten van het zeil opgerold . In de winter werd er in het midden een vuur aangelegd De tipiís met drie basispalen hadden een doorsnee van vijf meter en waren vier en een halve meter hoog. Deze tipiís werden meestal in de zuidelijke streken gebruikt door de Blackfeet- indianen, in het noordwesten van de Verenigde Staten. Deze tenten waren soms zo groot dat ze in delen vervoerd moesten worden.

De oostelijke Algonkins bewoonden wigwams van vier tot vijf meter in doorsnee, dit waren eenvoudige kegelvormige tenten van berkenbast. Ze sloegen hun kamp altijd bij voorkeur in de buurt van water op. De meer westelijke Algonkins, de Irokezen uit de bosgebieden, bouwden langwerpige houten huizen: longhouses. Dat waren langwerpige bouwwerken.
De longhouses waren groot. Exemplaren van meer dan honderd meter lang en zeven meter breed waren geen uitzondering.
Het geraamte van een longhouse bestond uit een groot aantal lange palen, die in de grond werden gestoken. Deze palen werden verbonden met horizontale palen. Bovenop maakten de Irokezen een halfrond dakgeraamte, door dunne stammen over de breedte van het huis te buigen. In elk longhouse woonden wel tien Ďgezinnení, allemaal rond hun eigen haardvuur. De slaapplaatsen waren op een verhoging gemaakt. Daaronder werden allerlei spullen bewaard: wapens, tabak, kruiden, matten en manden. Gedroogde vis en gedroogde maÔs hingen in strengen aan het dak.

Andere woningen waren gebonden aan een bepaalde omgeving. Ze kwamen daarom niet zo veel voor als de tipi en de wigwam.
De Seminoles en Miccosukees, indianen uit Florida, hadden woningen die erg geschikt waren voor het subtropisch klimaat en de moerassige omgeving waarin ze woonden: chickees. Chickees waren hutten op een verhoging. Voor het geraamte gebruikten de indianen stammetjes van cipressen. Het dak bedekten ze met bladeren van de dwergpalm, die in die streek veel voorkomt. De vloer, die gemaakt werd van houten palen, werd op een meter hoogte gemaakt. Daardoor hadden de bewoners geen last van het water dat vaak onder de woningen stond. Bovendien bleven daardoor de insecten buiten de deur, net als de slangen en de alligators.
Aarden hutten: Mandan-indianen hadden hutten met een koepelvormig geraamte van boomstammen dat werd overdekt met stevig aangestamte aarde.

tipi1

[Welkom] [Home] [Gemeenschap] [Moedige mensen] [Overlevingskunst] [Tijdstabel] [Stamoudsten] [Stammen] [Wapens] [Woningen] [Stamhoofden] [Links]

© 2006 Apacheke's Design