RICHTLIJNEN VAN DE HOOFDEN VAN DE KATHOLIEKE EREDIENST OVER DE ORGANISATlE VAN HET GODSDIENSTONDERRICHT IN SCHOLEN MET MOSLIMLEERLINGEN (1986)


WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA)  - STARTPAGINA - AGENDA  - OVERZICHT - NIEUW -

jaartal - nieuw - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - Z
allochtonen, armoede, bijbeluitleg, bijbel en koran, boeddhisme, christendom, extreemrechts, fundamentalisme, globalisering en anti-globalisering, interlevensbeschouwelijke dialoog, islam, levensbeschouwing, levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs migratie, racisme, samenleving, sikhisme, tewerkstelling van allochtone leerkrachten, vluchtelingen en asielzoekers,  witte scholen, multiculturele scholen en concentratiescholen
,

levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs

Islamonderricht op katholieke scholen, dossier islamonderricht en moslims in het katholiek onderwijs:  http://www.flwi.rug.ac.be/cie/dossierkatholiek.htm . kerkelijke regelgeving, http://www.flwi.rug.ac.be/cie/katholiek3.htm  staatkundige regelgeving, http://www.flwi.rug.ac.be/cie/katholiek1.htm . toestemming om islamonderricht op katholieke scholen te geven (1978),
concrete richtijnen (1986), visietekst (1996): 
http://www.flwi.rug.ac.be/cie/katholiek10.htm . Werknota (1998) : http://www.flwi.rug.ac.be/cie/katholiek11.htm . uitvoeringsnota 6 (2000): http://www.flwi.rug.ac.be/cie/katholiek12.htm .
wet van 17 juni 1997 (personeelsformatie, voorstellen van prof. Verstegen om het conflict in Heusden-Zolder ten gevolge van het uitdoofbeleid op te lossen (2000)


I. Inleiding

In steeds meer katholieke scholen voor basis- en secundair onderwijs worden Moslimkinderen ingeschreven. Het feit dat de opvoeding er vanuit een Godsgeloof gebeurt, zal daar wel niet vreemd aan zijn. Ook de beroepsernst van de leerkrachten en de kwaliteit van het onthaal doen de Moslims voor een katholieke school kiezen.

Het onthaal van Moslimleerlingen geeft uitdrukking aan de zorg die het katholiek onderwijs ten aanzien van immigrantenleerlingen wil opnemen. De katholieke school wil immers ruimte scheppen voor een gelovige opvoeding en terzelfdertijd ook dienst zijn aan de gemeenschap. Onderwijs en opvoeding verstrekken aan vreemdelingen, vooral wanneer die op cultureel en economisch gebied tot de kansarmen behoren, is een specifieke opdracht van de katholieke school.

De aanwezigheid van Moslimleerlingen stelt de katholieke school echter voor problemen. Zij wil kinderen uit een vreemde cultuur,met een andere taal en met een niet-christelijk geloof in haar opvoedingswerk integreren met behoud van haar christelijke identiteit en met respect voor het anders-zijn van deze leerlingen. Een katholieke school met Moslimleerlingen zal zich steeds in dat spanningsveld bevinden omdat zij terzelfdertijd én haar eigen identiteit moet waar maken én haar openheid voor de andersgelovige leerlingen tot uitdrukking moet brengen.

Vooral met betrekking tot het godsdienstonderricht wordt het integratieprobleem heel duidelijk gesteld. Men kan zich zelfs afvragen of de integratie op het niveau van de godsdienstleer wel mogelijk en wenselijk is. Liggen het christendom en de Islam niet te ver uit elkaar om naar integratie te willen streven? Tussen beide geloofsvormen zijn er zeker gemeenschappelijke punten en ook in de beleving zijn er waarden die in de twee godsdiensten hoog gehouden worden. Maar kan men de eigenheid van de katholieke godsdienst nog voldoende affirmeren wanneer men ook het geloof van de Moslimleerlingen ten volle moet respecteren?

Van de Hoofden van de katholieke eredienst worden richtlijnen gevraagd m.b.t. de organisatie van het godsdienstonderricht. In 1978 hebben de vicarissen voor het onderwijs hun standpunt in deze kwestie aan de scholen meegedeeld en in 1981 hebben zij de nota van de Interdiocesane Commissie voor de betrekkingen met de Islam 'Moslimkinderen in de vrije scholen’ goedgekeurd. In afwachting dat de Algemene Raad van het Katholiek Onderwijs een meer uitgebreide beleidsvisie ontwikkelt, worden hier met het oog op het aanstaande schooljaar een paar voorlopige richtlijnen geformuleerd.

II. Algemene richtlijnen

1.Her onthaal van Moslimleerlingen op de katholieke school kan geenszins de bedoeling hebben hen tot het katholiek geloot te willen bekeren.

2.Moslimleerlingen kunnen nooit verplicht worden deel te nemen aan liturgische oefeningen van het katholiek geloof. Dat belet niet dat er gemeenschappelijke gebedsmomenten kunnen zijn.

3. De. aanwezigheid van Moslimleerlingen mag geen reden zijn om het katholiek karakter van de school te verdoezelen. De uitdrukking van de eigenheid moet behouden blijven, ook in uiterlijke tekens en vooral in het voorleven van de leerkrachten.

4. Bij de inschrijving van Moslimleerlingen is het aangewezen de ouders, best via een kleine folder en zo mogelijk in hun taal, te informeren over het christelijk opvoedingsproject van de school en over hetgeen zij als onthaal van deze katholieke school mogen verwachten. Omdat elke school in een specifieke omgeving functioneert en haar leerlingen eigen cultuurachtergronden hebben, kan de lokale school best zelf een dergelijke folder opstellen.

III. Richtlijnen in verband met het godsdienstonderricht

1. Scholen met slechts enkele Moslimleerlingen

a.Vooral in het secundair ondérwijs zijn er nogal wat klassen waar slechts één of twee Moslimjongeren aanwezig zijn, Een bijzondere regeling voor de organisatie van het godsdienstonderricht is in dit geval niet nodig.

b.Deze enkele leerlingen volgen normaal de godsdienstles en bestuderen de katholieke godsdienst zoals de andere leerlingen. De godsdienstleraar zal er evenwel voor zorgen dat deze Moslimleerlingen ten volle gerespecteerd worden en dat zij geregeld de kans krijgen om over de inhoud van hun eigen geloof te spreken.

2. Scholen met een beperkt percentage Moslimleerlingen

a.Over het algemeen willen wij stellen dat het Koranonderricht zoveel mogelijk buiten het lesrooster wordt gehouden. Wanneer er uitdrukkelijk vraag naar is, kan de school haar lokalen buiten de lesuren ter beschikking stellen voor het Koranonderricht. 

b.Een gemeenschappelijk programma catechese voor de autochtoneen de Moslimleerlingen samen lijkt niet aangewezen. Voor de leerlingen die normaal de katholieke godsdienst en de daarop steunende moraal volgen, zou dit een te grote verarming betekenen. 

c.In die zin doet men er goed aan de lessen godsdienst in de verschillende klassen op hetzelfde moment te organiserenom zodoende met gesplitste groepen te kunnen werkenen de Moslimleerlingen van hetzelfde jaar te kunnen samenzetten.

d.De vraag die zich dan stelt is, wat men aan de Moslimleerlingen kan en mag geven. Volgens de wettelijke bepalingen moeten deze lessen duidelijk de naam dragen ‘godsdienst en de daarop steunende moraal’, zoniet worden deze leerlingen niet als regelmatige leerlingen beschouwd en loopt de school het gevaar de subsidieste verliezen en voor het secundair onderwijs ook geen gehomologeerde getuigschriften te kunnen uitreiken. De scholen moeten er dus uiterst nauwlettend over waken dat enkel de officiële benaming op de administratieve documenten vermeld wordt.

e.Wat de inhoud van deze lessen aan Moslimleerlingen betreft, is het duidelijk dat christelijke leerkrachten geen Koranonderricht mogen geven. In de moslimgemeenschap is het de vader die thuis de godsdienst moet onderwijzenen de Imam of Hodja in de moskee. Op school kan men voor de Moslimleerlingen een programma uitwerken waarin, louter op het niveau van informatie en kennisoverdracht, eigen catechetische accenten worden gelegd en waarin o.a. ook enige vergelijking tussen de christelijke en de Islamgodsdienst, gegeven wordt, evenals een verklaring van christelijke gebruiken in de westerse cultuur, religieuze en cultuurgeschiedenis van de Islam, e.d.m.

3. Scholen met een groot percentage Moslimleerlingen

a.Met ‘groot percentage’ wordt hier bedoeld: scholen, afdelingen of klassen met 80 à 100 % Moslimleerlingen. Meestal bevinden deze scholen zich in een omgeving met een hoge concentratie Moslims.

b.Voor het ogenblik hebben meerdere basisscholen met hoge concentratie Moslimleerlingen een beroep gedaan op een Islamleerkracht die binnen het lesrooster Koranonderricht komt geven. Deze oplossing maakt de organisatie van het godsdienstonderricht eenvoudig. Daar de ouders van Moslimleerlingen soms druk uitoefenen om een Islamleerkracht op school te hebben, weze hier nog even herinnerd aan de richtlijn dat de school vooraf van de vicaris voor onderwijs van het betrokken bisdom de toelating moet krijgen om een Imam of Hodjatoe te laten. 

c.Waar geen Islamleerkracht aanwezig is: zie 2 d. en e. 

d.In het secundair onderwijs zijn er nog niet veel scholen met een hoge concentratie Moslimleerlingen, maar het probleem van de organisatie van het godsdienstonderricht begint zich reeds te stellen en zal in de onmiddellijke toekomst scherper worden. Daarom raden wij aan dat godsdienstleerkrachten uit scholen met hoge concentratie Moslimleerlingen samenkomenmet de inspectie om naar een goede oplossing te zoeken, geval per geval.’

Met deze voorlopige richtlijnen worden vanzelfsprekend niet alle problemen opgelost. Zij willen een zekere oriëntatie geven om het godsdienstonderricht in scholen met Moslimleerlingen zowel op het administratieve als op het praktische vlak zo goed mogelijk te organiseren. Wij hopen dat de schooldirecties en de inspecties catechese zullen willen meezoeken om voor de toekomst wellicht nog betere formules te vinden

In opdracht van de Hoofden van de katholieke eredienst,

De vicarissen voor het Onderwijs



Religie.opzijnbest.nl - De beste links over religie voor u verzameld.