JAARTAL - NIEUW - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - Z allochtonen , armoede , bahá'í , bijbeluitleg , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts , fundamentalisme , globalisering en antiglobalisering , hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , islam , jodendom , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , migratie , racisme , samenleving , sikhisme , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen , |
| levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs |
| Andersgelovigen
en katholiek onderwijs , Stichting Echelon en levensbeschouwelijke
communicatie , interculturele en interreligieuze
communicatie op de basisscholen in Rotterdam , - interreligieus leren
(van het net geplukt) , interreligieus leren in opvoeding en onderwijs
(Bert Roebben) , interreligieus leren op de Brede School (Rotterdam) ,
interreligieuze school Ede, islamitisch
godsdienstonderricht (Aanzetten tot een leerplan
Islamitisch Godsdienstonderwijs in de basisschool) , islamitische scholen
in Nederland, katholiek godsdienstonderricht , katholiek onderwijs
, Wat ons
bindt (Frank Siddiqui) Islamonderricht op katholieke scholen, dossier islamonderricht en moslims in het katholiek onderwijs, http://www.flwi.rug.ac.be/cie/dossierkatholiek.htm . kerkelijke regelgeving, http://www.flwi.rug.ac.be/cie/katholiek3.htm staatkundige regelgeving, http://www.flwi.rug.ac.be/cie/katholiek1.htm . toestemming om islamonderricht op katholieke scholen te geven (1978), concrete richtijnen (1986), visietekst (1996): http://www.flwi.rug.ac.be/cie/katholiek10.htm . werknota (1998): http://www.flwi.rug.ac.be/cie/katholiek11.htm . uitvoeringsnota 6 (2000): http://www.flwi.rug.ac.be/cie/katholiek12.htm . wet van 17 juni 1997 (personeelsformatie, voorstellen van prof. Verstegen om het conflict in Heusden-Zolder ten gevolge van het uitdoofbeleid op te lossen (2000) |
in de oorlog in voormalig Joegoslavië (Jan ter
Laak) 21
Vrede en Boeddhisme (Ria Kloppenborg) . . .77
Geweld en (de opvoeding tot) vrede vanuit
[1]Overal
waar in deze bundel ‘hij’, ‘hem’ of ‘zijn’ vermeld staat kan ook ‘zij’ of haar
gelezen worden.
DEEL A: Algemeen gedeelte
Hoofdstuk 1: Inleiding op het thema: Interreligieus Leren
Er
is in Nederland in levensbeschouwelijk opzicht heel wat veranderd in de
tweede helft van de twintigste eeuw. Van de overwegend christelijke samenleving
van net na de Tweede Wereldoorlog, lijkt soms niet zo heel veel over. Dat geldt
in het bijzonder wanneer men op de kerkelijke statistieken afgaat. Minder
dan de helft van de bevolking rekent zich nog als behorend tot een kerkgenootschap.
En onder hen zijn er velen die lang niet alle leerstelligheden van hun eigen
geloofsgemeensehap onderschrijven, laat staan dat men het wat betreft de overige
geloofsopvattingen in alle opzichten met elkaar eens is. Individualisme
viert ook onder christenen hoogtij. Partiële identificatie en secularisatie
maken dat men liever van een ‘post-christelijke’ cultuur spreekt, dan van een
‘van oorsprong christelijke’ samenleving. Waarden en normen zijn niet meer
vanzelfsprekend christelijk geïnspireerd. Het godsbeeld varieert,
ook onder trouwe kerkleden, tussen Iets en Iemand. En buiten de kerk, in
het leven van alledag, regeren heel andere goden: de
economie, de technologie, de wetenschap. Behalve
de veranderingen in het van oorsprong christelijke deel van onze samenleving,
heeft ook de immigratie van mensen uit andere culturen het aanzien van onze
maatschappij veranderd. Daardoor is onze geseculariseerde westerse samenleving
niet alleen multicultureel maar ook multireligieus geworden. Juist deze multireligiositeit
kan onze post-christelijke en post-moderne samenleving een nieuw perspectief
bieden. Ze sluit aan bij een eveneens aanwezige en groeiende behoefte van westerse,
‘van-huis-uit christelijke’ mensen aan herbronning en aan spiritualiteit. Veel
mensen in onze eind-twintigste eeuwse samenleving beginnen de kaalheid van het
platte, materialistische bestaan beu te worden. Niet dat zij niet meer hechten
aan materiële welstand, maar tegelijkertijd breekt er iets van een
besef door dat er een ander verlangen in hen is, dat dieper gaat. Een verlangen
dat hen zowel op zoek doet gaan naar een bron waaraan zij hun waarden kunnen
ontlenen, als naar een gemeenschap die de individualisering doorbreekt. Een
verlangen dat in essentie te duiden is als een spiritueel verlangen.
Nu zijn, in het algemeen gesprokcn, westerlingen en christenen nogal vaak
geneigd de eigen opvattingen, ook in gelovig opzicht, hoven die van anderen
te stellen (bijvoorbeeld boven die van nieuwkomers in de samenleving). Naarmate
ze zich meer bedreigd voelen, bijvoorbeeld door de toenemende aanwezigheid van
andersgelovigen, en zich als kerkelijke groepering meer isoleren, is de
kans dat die visie onbekritiseerd gehandhaafd blijft groter. Eén van
de grote pluspunten in de post-moderne, pluriforme en geseculariseerde
samenleving is dat men in die superioriteitsopvatting gecorrigeerd wordt. Dat
gebeurt door de ontmoeting met levende mensen die niet alleen in andere geloofstradities
staan, maar daar ook anders in staan. Multiculturaliteit, gekoppeld aan multireligiositeit, is onzes inziens niet
zozeer een probleem, maar een kans voor onze geseculariseerde samenleving
om een nieuw levensbeschouwelijk elan te ontwikkelen, op grond van gezamenlijk
hervonden oude en ook nieuw ontdekte waarden. Een kans - ook voor wie staan in de christelijke traditie - om in de ontmoeting met andere religieus geïnspireerde mensen zichzelf
en de eigen bron beter te leren kennen en verstaan. Juist door na te denken
over ‘het onbekende’. ‘het vreemde’, de betekenis daarvan en het in relatie
staan tot ‘de ander’, kom je zelf (ook) tot ontwikkeling: je ontwikkelt je aan
elkaar. Het wegvallen van het monopolie van de eigen grote verhalen kan ertoe bijdragen
oog en oor te krijgen voor de relativiteit van onze visie op wat tot voor kort
beschouwd werd als ‘objectiviteit’, ‘feitelijkheid’ en ‘enige, eeuwige
waarheid’. Daardoor kunnen we ontdekken dat onze waarnemingen en daaraan gekoppelde
opvattingen over de werkelijkheid nooit de enige en volle waarheid kunnen
zijn, omdat ze gekleurd zijn door onze persoonlijke en boven-persoonlijke, biografische
en culturele eigenheid. Dat geldt voor onszelf, hoe wij in onze eigen traditie
staan, maar even goed voor de ander die we ontmoeten en hoe deze persoon in
zijn traditie staat. En er is in zekere zin altijd iets van interpretatiekunde nodig, om hetgeen
de ander, ‘de zender’ - in communieatietermenzegt, binnen zijn leef- en belevingswereld te verstaan en te vertalen naar
‘de ontvanger', die een heel ander cultureel, religieus, en zeker persoonlijk
referentiekader kan hebben. Tegelijkertijd mag duidelijk zijn dat het juist
het verschil in visies op de werkelijkheid is, dat onsin dialoog met elkaar - een wijder perspectief,
een vollere werkelijkheid, meer waarheid kan verschaffen. Die mogelijkheden biedt de multiculturele en multireligieuze samenleving,
althans aan wie daar voor open wil staan. En de ervaring van het anders in de
wereld staan van de andersgelovige, kan ertoe bijdragen dat er in de westerse
samenleving weer meer gevoel komt voor het gewicht van de levensbesehouweljke
dimensie van het bestaan, en voor de zinservaring in het dagelijks leven.
Dat zal er mede toe kunnen leiden dat de religieuze onverschilligheid die
onze westerse samenleving - en in het bijzonder het
leven van de aankomende generaties - bedreigt,
plaats maakt voor belangstelling voor de religieuze en spirituele dimensie,
en de daarmee gegeven zinvolheid van het bestaan. Ter illustratie bij deze woorden en als verdere inleiding op dit thema een
kort verhaal. Het beeld dat daarin vervat ligt, zal wellicht op een andere wijze
aanspreken dan een theoretisch betoog. Daardoor kan het misschien ook meer gevoelig
maken voor hetgeen daarna aan de orde wordt gesteld. “Een
meester ging eens met zeven leerlingen een ochtendwandeling maken, terwijl
de dauw nog over het land lag. Na enige tijd brak de zon door. De dauwdruppels
schitterden dat het een lieve lust was. Bij
een grote dauwdruppel liet de meester halt houden. Hij schaarde de leerlingen
zo rondom de druppel dat de zon erop bleef schijnen, en vroeg hun toen welke
kleur de druppel had. ‘Rood’, zei de eerste, ‘oranje’ de tweede, ‘geel’ de derde, ‘groen’ de vierde,
‘blauw’ de vijfde, ‘paars’ de zesde. En de zevende zei: 'violet’. Ze stonden verbaasd over deze verschillen, en aangezien ze er allen zeker
van waren dat ze het goed zagen, kregen ze bijna ruzie. Toen liet de meester hen enige keren van plaats wisselen. En heel langzaam
drong het tot hen door dat zij - ondanks
de verschillen van hun waarnemingen - toch
allen de waarheid hadden gesproken. En de meester sprak: ‘Hoe u de waarheid ziet, hangt af van de plaats
die u in het leven inneemt - zoals u zo-even een deel van het licht hebt gevonden, en dat voor de volle
waarheid aanzag. Laat uw mede-pelgrims in volle vrijheid hun eigen weg bewandelen,
hun eigen plaats innemen, en hun eigen deel van het licht waarnemen. U heeft
alle waarheden nodig, want alle tezamen vormen zij het werkelijke licht, de
volle waarheid. Tot gijzelf één van de groten bent geworden, en de zeven kleuren
in één kunt waarnemen, zult gij bij iedere wedergeboorte een ander
standpunt innemen, en de waarheid op een andere manier zien. Weest daarom niet alleen tolerant - want
dat is slechts het dulden van een andermans mening -, maar weest zelfs blij dat er andere meningen zijn. Zolang gijzelf nog niet het volle licht kunt zien, hebt gij uw mede-leerlingen
nodig om de volle waarheid te leren kennen. (herkomst onbekend) Wat kun je van dit verhaal leren?
Het maakt hewust van en open voor de eigen waarde van de eigen religieuze levensvisie,
en voor de authenticiteit en eigen waarde van de religieuze gezichtspunten
van mensen, die vanuit andere culturen en daarmee gegeven posities en tradities,
het Geheim van ons bestaan benaderen. Het leert tegelijkertijd iets over de
betrekkelijkheid van zowel de eigen als andermans visies en het belang van de
onderlinge communicatie en uitwisseling, als het erom gaat beter zicht
te krijgen op dat Geheim. Over de bewustwording van dat Geheim, en de tradities van mensen die omgaan
met dat Geheim, gaat het in het interreligieuze leren. Interreligieus leren - als een vorm van leren
met en van elkaar -vindt
zijn vertrekpunt uitdrukkelijk in de eigen traditie. Het beoogt in mensen de
religieuze dimensie aan te spreken en vorm te geven. Het vindt zijn uitgangspunt
niet in relativisme, waarin het eigenlijk niet uitmaakt wat je gelooft of in
welke traditie je je beweegt, omdat het toch allemaal op hetzelfde neerkomt;
noch wil het uitlopen op één of andere vorm van syncretisme,
waarin een versmelting van godsdienstige tradities plaatsvindt. Interreligieus leren is een proces dat zich voltrekt in de context van een
ontmoeting die gekenmerkt wordt door een klimaat van wederzijds vertrouwen en
respect. Daarin neemt de interreligieuze dialoog een centrale plaats in, als
leefstijl van mensen, in allerlei variaties en op het (leer- e.q. ontwikkelings-)niveau
waarop de ‘lerenden’ zich bevinden. De interreligieuze dialoog vormt het hart van die interreligieuze ontmoeting
en het daarmee gegeven interreligieuze leerproces. In deze dialoog is sprake
van tweevoudige ineulturatie. Ik leef mij in in de religieuze cultuur van de
ander en omgekeerd. Daarbij kan wat ik aantref mij zozeer boeien dat ik op zoek
ga in mijn eigen traditie naar soortgelijke aspecten, of dat ik het andere een
plaats probeer te geven in mijn eigen leven. Zo kan mijn eigen geloof bevrucht
en verrijkt worden door wat ik bij anderen aantref. Daarnaast neemt in de interreligieuze
dialoog, die ingebed is in de interreligieuze ontmoeting, de ervaring van de
gemeenschap met anderen een belangrijke plaats in. Mensen die in hun bestaan
op zoek zijn naar waarheid en zin weten zich dan in een klimaat van wederzijds
vertrouwen en respect, in toenemende mate betrokken op het wel en wee van elkaar.
Dat leidt tot uitwisseling waarin zowel plaats is voor bevestiging als correctie,
en tot de ervaring van een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor wat in het
mens-zijn en aan mensen gegeven is. Kort samenvattend: Interreligieus Ieren is een relationeel proces, dat een
brugfunctie kan vervullen tussen mensen uit verschillende religieuze tradities
die in elkaars nabijheid leven, Om aan dat proces volwaardig vorm te geven moet
aan drie voorwaarden zijn voldaan. Er dient sprake te zijn van: -vorming in
eigenheid; -openheid naar
anderen; -bereidheid
om met en van elkaar te leren. Daarbij gaat het uiteindelijk om de exploratie van het besef van de religieuze
dimensie van het bestaan, zoals dat door de eeuwen heen, in verschillende culturen,
in mensen en hun religieuze instituties vorm heeft gekregen, en de betekenis
daarvan voor onze tijd. In dit zoeken naar zin ligt de principiële basis
op grond waarvan er sprake kan zijn van een gezamenlijke zoektocht. Interreligieus leren, als levensbesehouwelijk opvoedings- en vormingsproces,
kan er in belangrijke mate toe bijdragen dat een generatie die opgroeit in een
multireligieuze samenleving als de onze, anders-zijn niet ervaart als een bedreiging
van de eigen waarde, maar als een verrijking en een uitnodiging om van elkaar
te leren en zo samen beter in staat te zijn tot werkelijk menswaardig samen-leven
in vrede. Daartoe immers zouden we kinderen moeten opvoeden, daartoe ook zouden
religies moeten inspireren. Daartegenover staat dat er ook inspirerende voorbeelden van religieuze mensen
die niet alleen geweldloosheid preken, maar deze levenshouding consequent in
praktijk brengen, zelfs wanneer dat henzelf uiteindelijk de kop kost. In deze bundel doen we verslag van wat we tegenkwamen op onze zoektocht
naar wat er in de overlevering - zowel de mondelinge als
de schriftelijke - van
de vijf grote wereldreligies: hindoeïsme, jodendom, boeddhisme, christendom
en islam, te vinden is over leven in en opvoeding tot vrede, en de daarmee samenhangende
houding tegenover (het gebruik van) geweld en oorlog. Welke (identificatie)figuren
staan in de verschillende tradities centraal? Welke inspiratie is er van hen
uitgegaan en gaat ook nu nog van hen uit? En tot wat voor initiatieven, in het
bijzonder voor de opvoedingspraktijk, leidt dat hedentendage? In de hoofdstukken IV t/m VIII worden ‘vertegenwoordigers’ van de verschillende
godsdiensten daarover aan het woord gelaten. In de meeste gevallen zijn er twee
auteurs ‘per godsdienstige traditie’, waarbij we opmerken dat de eerste in dat
geval een meer theoretische inleiding biedt op de visie(s) binnen de eigen
traditie op vrede en geweld. Veelal betekent dat dat de Schriften uit de betreffende
traditie aan het woord komen. In de tweede bijdrage wordt steeds gekozen voor
de meer praktische invalshoek. Deze tweede auteur belicht vanuit een concrete
educatieve setting de activiteiten die worden ontplooid met het doel bij te
dragen aan de ‘opvoeding tot vrede’. Voorafgaand aan dit centrale gedeelte van deze bundel wordt in de hoofdstukken
II en III een algemene inleiding op het thema geboden. In hoofdstuk II
gaat Jan ter Laak in op de rol die religie kan hebben in situaties van geweld,
maar ook hoe ze kan inspireren tot vredesinitiatieven. “Is religie olie op het
vuur, of olie op de golven?”, zo vraagt hij zich al. Hij stelt die vraag
zowel in de historische context van de ontwikkeling van de christelijke
traditie, alsook in de actuele situatie van de oorlog en voortsudderende conflicten
in voormalig Joegoslavië, waarmee we allen op de één of andere
wijze in aanraking zijn gekomen[2]
In hoofdstuk III behandelt Lennart Vriens de thematiek van de vredesopvoeding.
Hij doet dit vanuit een optimistische, pedagogische levensvisie, zonder de ogen
te sluiten voor de - vaak
negatieve - dagelijkse realiteit waarin kinderen en hun opvoeders leven. Daartussen
een evenwicht zoeken is zijns inziens belangrijk om vredesopvoeding in praktijk
te kunnen brengen. In hoofdstuk
IX wordt tenslotte een terugblik gegeven op wat in de vorige hoofdstukken de
revue gepasseerd is. Er worden vraagtekens en uitroeptekens hij geplaatst.
En er wordt voorzichtig een balans opgemaakt. “Aan religies en kerken is niets menselijks vreemd.’ “Religies zijn op hun
slechtst in oorlogstijd.” Deze twee constateringen komen vermoedelijk hard aan
hij mensen voor wie religie veel betekent. Zij betogen meestal, aan de hand
van teksten uit de heilige boeken en/of van levensverhalen van de grondleggers
van religies, dat in ieder geval de grote godsdiensten een geweldloze kern hebben.
Eerlijken onder hen zullen toegeven dat deze geweldloze kern aan menselijke
interpretaties en veranderingen onderhevig is en dat altijd grote inzet nodig
is om deze te behouden of terug te winnen. Een befaamd boek uit de christelijk-pacifistische traditie draagt de titel
De zondeval van het christendom. Vanaf het moment dat de christelijke godsdienst
een staatsbelang werd in het Romeinse Rijk, ging het mis. Daarvoor was het een
christenplicht af te zien van deelname aan geweld; daarna verwachtte men van
christenen de verdediging van rijk en de kerk daarbinnen, zonodig met wapengeweld.
Om toch het ideaal van geweldloosheid en een komend vredesrijk overeind te houden,
werd gepoogd om van de wereldlijke machthebbers ontheffing te krijgen van de
militaire dienstplicht voor de geestelijken. Zij symboliseren immers hier op
aarde reeds het uiteindelijke ideaal. Deze ‘twee rijken-leer’ duikt in vele
variaties steeds weer op. En niet alleen in de geschiedenis van de christelijke
kerken. In de vele oorlogen die onze tijd kenmerken, speelt godsdienst vroeg of
laat een belangrijke rol. Hoe functioneert religie? Als olie op het water, dus
matigend? Of juist als olie op het vuur’? Mijn ervaring is dat binnen een geloofsgemeenschap,
betrokken bij een conflict, er bijna altijd een fanatieke en een gematigde c.q.
dissidente vleugel is aan te treffen. Daar tussenin bevindt zich een grote
groep die pas weer de grote betekenis van de gematigden ontdekt wanneer de zware
gevolgen van oorlogsgeweld hen zelf treft.
Dan winnen de dissidenten van gisteren aan invloed en worden zij geëerd
om de heldhaftige en opofferende stellingnames en daden van voordien. Zij worden
dan de ‘heiligen’ die moeten aantonen dat de godsdienst en de kerk in kritieke
tijden niet hebben gefaald. Zie hoe de ‘Bekennende Kirche’ en een figuur als
Bonhoeffer na de oorlog heilig werden verklaard. Tijdens het conflict staan
gematigden vaak alleen. Ze kunnen zich soms, zoals bisschop Tutu en Beyers Naudé
in Zuid-Afrika gedurende de apartheid, staande houden met steun van hun geloofsgenoten
uit het buitenland. Velen uit de tussengroep beweren naderhand dat zij in hun
hart altijd tot de gematigde stroming hebben behoord. Maar ze hebben wel in
kritieke tijden gezwegen en de fanatieke groep daarmee veel macht gegeven. Op deze niet zo heldhaftige rol van religie is vaak een stereotiepe reactie
waarneembaar bij niet (meer) religieuze of niet (meer) kerkelijke mensen. Hij
of zij rechtvaardigt zijn niet (meer) betrokkenheid hij religie en kerk
daarmee. Zou de meer heldhaftige houding, die sommigen op basis van godsdienst
innemen, de niet (meer) religieuze mensen kunnen aansporen te onderzoeken hoe
het komt dat in een religieuze gemeenschap zulke uiteenlopende stellingnames
aangetroffen kunnen worden? Zou dat niet leiden tot de ontdekking dat ook niet-religieuze
mensen tot dezelfde uiteenlopende ste]lingnames in oorlogssituaties komen?
Waarom reageert de ene mens zo anders in een kritieke situatie dan de andere?
Zelfs broers kunnen zeer verschillend reageren, zoals de bijbel ons overigens
in de diverse verhalen over ‘twee broers’ al leerde. Uiteindelijk mag de vaak voorkomende en stereotiepe reactie van de buitenstaander
voor de gelovige geen reden zijn zijn kritische vragen over zijn godsdienst
te verdringen. Van godsdienstige mensen, zeker wanneer zij ook intellectueel
wensen te zijn, mag je verwachten dat religieuze beleving altijd gepaard gaat
met een godsdienstkritiek. Slechts zo ben je in staat tot dialoog met andersdenkenden
en voorkom je ‘sektarisch’ gedrag. De oorlog in voormalig Joegoslavië, vooral in Bosnië, heeft het
vraagstuk religie en geweld opnieuw scherpte gegeven. Gemakkelijke antwoorden
en beoordelingen, die buiten het gebied vaak worden gegeven, verleer je wanneer
je je intensief in de geschiedenis en het verloop van het conflict verdiept.
Dat geldt des te meer wanneer je mensen leert kennen die in de gecompliceerde
situatie van deze oorlog, die toch in hoge mate als burgeroorlog (dus als broederstrijd)
is te omschrijven, hun keuzes moeten maken. Is deze oorlog (misschien moet je spreken van een reeks van oorlogjes) een
godsdienstoorlog? En wanneer kun je spreken van een godsdienstoorlog? De geschiedenis
kent veel gewapende conflicten die zo genoemd worden. Met name de kruistochten
vormen daarvan een triest voorbeeld. Maar zelfs in dat geval moet je je de vraag
stellen of politieke en economische belangen niet meer beslissend waren dan
religieuze. Het valt echter niet te ontkennen dat, toen religieuze leiders hun gelovigen
hebben opgeroepen om - geïnspireerd door
hun geloofsovertuiging - aan de strijd deel te
nemen, velen aan die oproep gehoor hebben gegeven in het vertrouwen een God-welgezinde
daad te verrichten. Het martelaarschap was een wenkend perspectief. De
belangrijkste en meest huiveringwekkende bijdrage die godsdienst biedt is dat
zij aan hun aanhangers een rechtvaardiging geeft om het taboe op het doden van
de medemens te doorbreken. Tegelijk laat de geschiedenis van godsdiensten zien
dat naast een geweld-aandrijvende kracht van godsdienst er ook een remmende
kracht van uit kan gaan. In de christelijke traditie is de gemeenschap
van de Quakers daarvan een uitstekend voorbeeld. In bijna alle godsdiensten
vind je pogingen te omschrijven wanneer het wel en wanneer het niet geoorloofd
is geweld te gebruiken. Maar ook deze verdienstelijke poging is te misbruiken.
De ‘leer van de rechtvaardige oorlog’, zoals deze in de christelijk traditie
is ontwikkeld, heeft wellicht vaker oorlogsgeweld gerechtvaardigd dan afgeremd.
De Latijnse spreuk “Corruptio optimi pessima” geldt hier in hoge mate. Toch
zou je kunnen constateren dat het strikt toepassen van de criteria[3]van
de rechtvaardige oorlog bijna altijd zou moeten leiden tot het afkeuren van
gewapend (militair) geweld. Opvallend was dat in de discussie over wel of niet interventie in Bosnië,
het juist de militairen waren die terughoudend reageerden. Zelfs uit de hoek
van de vredesbeweging klonken sterke geluiden om gewapend in te grijpen. De
schokkende TV-beelden deden de traditionele weerstand, om met gewapend ingrijpen
aan deze gruwelijkheden een einde te maken, verdampen. Militairen wezen erop
dat ingrijpen wellicht gerechtvaardigd was, maar gezien de situatie ter plaatse
niet te realiseren zonder griezelig veel risico’s te nemen. Daar kwam bij dat
er geen sprake was van een eensgezinde internationale gemeenschap en dat
een duidelijk doel, waarnaar gestreefd moest worden, ontbrak. Roepen om militair
ingrijpen (volgens NCRV-peilingen was op een zeker moment 92% van de Nederlandse
bevolking daarvan voorstander) heeft de Nederlandse politiek zozeer beïnvloed
dat onverantwoorde risico’s met uitzending van te zwak bewapende blauwhelmen
werden genomen, hetgeen tot het drama Srebrenica heeft geleid. Conclusie moet zijn dat het nemen van beslissingen over militair ingrijpen
niet alleen gebaseerd kan zijn op het antwoord op de vraag naar de geoorloofdheid,
maar ook op de vraag of het gestelde doel in praktijk haalbaar is met militaire
middelen. Zou het te ver voeren te stellen dat religieus gemotiveerde mensen
zich te sterk concentreren op de vraag van morele geoorloofdheid en de realiseerbaarheid
op de tweede plaats stellen? Aan de Servisch-orthodoxe zijde is deze bijziendheid soms nog schrijnender.
Nog maanden na de gruwelijke inname van Srebrenica en de moord op duizenden
mannelijke (gevangengenomen) moslims, stelde een orthodoxe monnik dat “zijn
Servische broeders zulke dingen nooit zouden doen.” “Moslims doen zulke dingen
en de Kroaten hebben dergelijke gruweldaden in honderdvoud uitgevoerd tijdens
de Tweede Wereldoorlog.” “Maar”, zo drong ik aan, “stel je nu eens voor dat
het toch gebeurd is?” Even zag ik de wanhoop in zijn ogen verschijnen. Het is
voor hem een verbijsterende gedachte. Want even tevoren had hij mij nog
gezegd hoezeer generaal Mladic en president Karadzic oprechte orthodoxe gelovigen
zijn. Dit sterke accent op geoorloofdheid van de gewapende strijd ten behoud van
je natie, eist alle geestelijk energie op. Kritiek van buiten, ook al wordt
deze op de meest irenische wijze naar voren gebracht door mede-christenen, leidt
niet tot nuancering. Eerder worden de rijen gesloten. De oppositie tegen de
oorlog of tegen bepaalde gevolgen ervan, tref je niet of weinig aan in kerkelijke
kringen. Mensenrechtengroepen, Helsinki Comités e.d. hebben een seculiere,
soms anarchistische achtergrond. Kerkelijke sympathisanten met de vredesbeweging
heb ik in Servië helemaal niet gevonden. In Kroatië zijn het eenzame
uitzonderingen. Hoewel ik dit niet op feitelijk onderzoek kan baseren, heb ik de indruk
gekregen dat er een groot verschil bestaat in Bosnië tussen de minder opgeleide
plattelandsbewoners en meer ontwikkelde stedelingen. Mensen met meer internationale
contacten zijn langer geneigd niet te bezwijken voor nationalisme. En tegelijkertijd
aarzel ik ook weer over deze constatering, want zijn juist ook niet vele intellectuelen
en literatoren zwaar verantwoordelijk voor het ontstaan van nationalisme? Hebben
zij niet de groot-Servische gedachte gevoed en laten sommige leiders zich niet
bijzonder voorstaan op hun doctorstitel, hun boeken en hun gedichten? Ideologische
vooringenomenheid vind je in alle maatschappelijke geledingen. Toch blijft staan
dat nationalistische leiders als Milosevic en Tudjman betrekkelijk weinig aanhang
hebben in de internationaal georiënteerde steden Belgrado en Zagreb. Dat de oorlog in voormalig Joegoslavië steeds met godsdienst in verband
wordt gebracht, hangt samen met het feit dat het kenmerkende verschil,
waarmee de drie groeperingen zich van elkaar (menen te moeten) onderscheiden,
de godsdienst is. Kroaten identificeren zich met het katholicisme en Serviërs
met de orthodoxie. Het was bijna onvermijdelijk dat die Bosniërs die moslims
werden genoemd, zich gingen identificeren met de islam, terwijl ze voor de oorlog
in meerderheid sterk geseculariseerd waren. In de Servisch-orthodoxe Kerk, in
de Katholieke Kerk en geleidelijk aan ook in de islamitische gemeenschap in
Bosnië, raken de universele elementen van de godsdienst op de achtergrond
en winnen de particuliere. Niet datgene wat je met de ander verbindt wordt benadrukt,
maar juist datgene wat je van de ander onderscheidt. Minderwaardigheidsgevoelens
worden, met behulp van verwrongen geschiedenisbeelden en mythen, in superioriteitsgevoelens
omgezet. Katholiek Kroatië beschouwt zich als de verdediger van de
westerse wereld tegen islamitisch en orthodox fundamentalisme. De Serviërs
zien zichzelf als het gemartelde volk dat, door vrijwillig het lijden te aanvaarden,
Europa redt van de islam (zonder dat die Europeanen dat willen beseffen). De
moslims, die zich lang hebben beroepen op een tolerante cultuur in de Bosnische
steden, zien in hun geledingen de roep om identificatie met de islam sterker
worden. Izetbegovic (en zijn partij) zal zijn positie kunnen behouden als hij
aan deze roep toegeeft. Zijn tegenstanders zeggen dat hiermee zijn ware aard
pas duidelijk wordt. Een klcmmende vraag is: wat kan de buitenwereld doen om deze fixatie op
het eigen gelijk, gevoed door godsdienstige overtuiging, te doorbreken? Mijn
trieste ervaring na vijf jaar oorlog is dat alle partijen slechts één
ding van de buitenstaander verwachten: steun voor het eigen gelijk. Wanneer
je deze niet direct wilt geven, mag je al blij zijn niet direct ingedeeld te
worden in het vijandelijke kamp. “Je bent niet goed geïnformeerd”, of “van
nature optimistisch en naïef’, zijn dan nog de meest gunstige betitelingen
die je ten deel kunnen vallen. Het kost dan moeite weerstand te bieden aan de
neiging om de strijdende partijen aan hun lot over te laten. Maar door hen in
het isolement te drijven, verstcrk je de machtspositie van de fanatici.
Je moet blijven hopen op de komst van het moment dat het fanatisme zijn grenzen
bereikt. Bij mijn recente bezoek aan Vukovar (1996), de eerste stad in voormalig
Joegoslavië, die - erger
nog dan Mostar en Sarajevo -verwoest is en onder Kroatiseh gezag zal vallen, constateerde ik dat diegenen
die bereid zijn tot dialoog met dc toekomstige machthebbers, nu
aan invloed winnen. Deze ‘bekering’ komt bij velen ongetwijfeld niet voort uit
idealisme, maar uit de hoop dat een gematigde opstelling hen de steun van de
internationale gemeenschap zal opleveren bij hun onderhandelingen over hun positie
in de toekomst. De enkelingen die idealistisch waren, krijgen nu steun van middengroepen,
die beseffen dat zij bij de fanatici niets meer te halen hebben.
Ikzelf
heb bewondering voor degenen die steeds gematigd zijn geweest, al of niet godsdienstig
geïnspireerd. En ik hoop dat wanneer ik zelf in zulk een verseheurende
situatie zou moeten leven, ik de moed zou hebben dezelfde karaktervastheid te
tonen. Ik ben daar lang niet zeker van. Dissidentengedrag in oorlogssituaties
is riskant. Pas wanneer het niet meer riskant is, krijg je gelijk. Ik heb geen
aanwijzing dat in de oorlog in Bosnië het dissidentengedrag meer voorkwam
bij godsdienstigen dan bij niet-godsdienstigen. Eerder het tegendeel. En
dat blijft mij als christen voor moeilijke vragen plaatsen. Vredesopvoeding
moet! Het is in onze tijd van het grootste belang om opvoeding en onderwijs
op de toekomst van onze kinderen te oriënteren. Velen die zich op dc hoogte
stellen van de problemen waar onze wereld nu al mee kampt zullen dit beamen.
In het midden van de jaren negentig zijn we alweer lang de euforie van na de
val van de Berlijnse Muur voorbij. Maar met deze constatering beginnen
de vragen pas. Ik zal in deze bijdrage vredes-opvoeding behandelen door twee
thematieken met elkaar te confronteren. De eerste is het optimisme, dat
een dragende kracht is achter de idee van het opvoeden van kinderen. De tweede
is het dilemma van opvoeders in de praktijk om enerzijds kinderen vertrouwd
te maken met wat er in de wereld zo allemaal gebeurt, maar ze anderzijds de
lol in het leven niet te laten verliezen. Ik zal beide thematieken met een voorbeeld
introduceren. Het
eerste voorbeeld komt uit de preambule van het oprichtingsdocument van
UNESCO, waarin de volgende vaak geciteerde passage voorkomt: “Aangezien oorlogen beginnen in de geesten
van mensen zullen in de geesten van mensen de verdedigingswerken van de vrede
moeten worden opgebouwd.” UNESCO
is een organisatie die op mondiaal niveau goed onderwijs en een moderne
opvoeding voor allen probeert te bevorderen. Daarachter zit de gedachte dat
mensen door opvoeding en onderwijs hun levensomstandigheden kunnen verbeteren,
een beter beeld kunnen krijgen van de wereld als gemeenschap en dat via goede
informatie vooroordelen tussen volkeren kunnen worden bestreden. Mct andere
woorden, de grondgedachte achter UNESCO is optimistisch: opvoeding en onderwijs
kunnen bijdragen aan een proces van opbouw van vrede. Het
tweede voorbeeld ontleen ik aan een verslag over het jubilerend jeugdjournaal
(1996). Ter gelegenheid van het vijftienjarig jubileum is onderzoek gedaan naar
de mening van kinderen over dit voor hen bedoelde programma. Uit dit onderzoek
kwam naar voren, dat kinderen enerzijds graag naar het jeugdjournaal kijken
om te weten te komen wat er allemaal in de wereld gebeurt, maar dat ze anderzijds
toch wel zitten met het feit dat er elke dag weer zoveel ellende en onoplosbare
probleem naar voren komen. Dit
tweede voorbeeld schetst haarscherp het dilemma waar vredes-opvoeding voortdurend
op stuit. De motivatie om ermee te beginnen is zowel positief als negatief.
Positief is het optimisme over de menselijke mogelijkheden om het beter tc doen,
de negatieve motivatie berust op de bezorgdheid om de realiteit van regelmatig
falen. Als tussen deze twee motivaties geen evenwicht gevonden kan worden ontstaan
er problemen. Als
het goed is gaat dat ongeveer op de volgende wijze: -Je
zet samen een kind op de wereld. -Je
leeft samen met zo'n kind; er ontstaat een relatie. -Je
wijst het kind de weg in het leven, of soms niet, bijvoorbeeld als je het
beter acht dat het kind het zelf uitzoekt. Je beantwoordt vragen,
als het goed is op het niveau waarop het zich op dat moment bevindt. Je vertelt zo’n beetje
hoe de wereld in elkaar zit en leidt ze in in de betekenissen die in onze cultuur
belangrijk zijn, door van alles uit te leggen. Deze betekenissen bestaan uit
waarden en normen, kennis en vaardigheden. Waarden en normen vertellen hoe het
hoort in de wereld, kennis vertelt hoe de wereld is en vaardigheden geven aan
hoe je handelen kunt. -Je
laat delen van je verantwoordelijkheid geleidelijk over aan de opgroeiende zelf,die
zo leert steeds zelfstandiger te worden. Dit
alles vindt plaats in de hoop dat ze zo later hun eigen zelfstandige plekje
in de wereld wel zullen vinden. Bij
deze beschrijving wil ik twee kanttekeningen maken. De eerste is, dat ik uiteraard
niet wil zeggen, dat ouders helemaal autonoom hun kind in een gewenste richting
beïnvloeden. Kinderen staan in onze samenleving aan allerlei invloeden
bloot die voor hun vorming van belang zijn. Bovendien krijgen ouders al
in een vroeg stadium hulp. Het bekendste voorbeeld is wel de school, een speciaal
instituut dat een aantal opvoedingstaken vervult die ouders zelf beter niet
kunnen of willen vervullen. De
tweede kanttekening betreft de suggestie van opvoeding als een bewust gepland
proces. Over het algemeen is het opvoedingsgebeuren niet zo bewust. Het
overgrote deel van de opvoeding gebeurt in de vanzelfsprekendheden van
het leven en heeft daarmee een spontaan karakter. Als opvoeden te bewust gebeurt
loopt het vaak mis omdat de spontaniteit uit de relatie tussen kind en opvoeder
verdwijnt. Nadenken komt vaak pas achteraf als het mis gaat of als correctie
nodig is. Dat nadenken kan dan de opvoeder wel inzicht geven in de opvoedingssituatie
en zo zijn handelen en gedrag bijsturen. De
grondtoon van waaruit de ‘echte’ opvoeder werkt is er één van
vertrouwen: in het kind, in zichzelf, in het leven en in de tockomst.
Dat vertrouwen moet overigens wederzijds zijn; ook het kind moet dit vertrouwen
hebben en dat is temeer noodzakelijk omdat het in het hele opvoedingsgebeuren
de meest afhankelijke partij is. Zonder vertrouwen is opvoeden onmogelijk, tenminste
als we de kern van de opvoeding allereerst opvatten als kennis nemen van ‘hogere’
waarden en je eigen leven daarop leren richten, in plaats van op puur overleven
door een oriëntatie op eigenbelang onder het motto ‘ieder voor zich’ of
‘homo homini lupus’. De basis voor dit wederzijdse vertrouwen ligt bij de opvoeders,
die de bestaanszekerheid voor de jonge mens vormen en hem de belangrijke
waarden voorleven. Meestal zijn dit de ouders omdat zij de eersten zijn die
het kind ontmoeten, maar als de ouders om welke reden dan ook ‘niet thuis’ geven
kunnen andere opvoeders deze verantwoordelijkheden overnemen. Deze
ideeën van optimisme en verbetering uit de Verlichting werden gedragen
door een perspectief van vrede. De wereld die de verlichtingsfilosofen voor
ogen stond was er een waarin de nsheid uiteindelijk in vrede zou leven. In 1799
formuleerde Kant dit perspectief van ‘eeuwige vrede’ en we zien dit uiteindelijk terug
in de pedagogische missie van de UNESCO-preambule. Het optimisme waardoor de
ideeën van vredesopvoeding gedragen worden vindt dus zijn moderne legitimering
in de Verlichting. In de negentiende eeuw zien we dan ook de eerste initiatieven
tot een bewuste ‘opvoeding tot vrede’ verschijnen. Er
valt op dit soort berichten veel af te dingen en dan vooral op het negatieve
beeld dat geschetst wordt van de hedendaagse jeugd. Klagen over de jeugd is
van alle tijden en uit hedendaags onderzoek blijkt juist dat het met de
jeugd in het algemeen helemaal niet zo slecht gesteld is. De overgrote meerderheid
groeit op in betrekkelijk goede harmonie met de opvoeders en veroorzaakt nauwelijks
maatschappelijke problemen. Toch
zijn er wel degelijk problemen als het gaat om de opvoeding van dc jongere generatie
in onze cultuur. Deze liggen echter niet in eerste instantie bij de jeugd, maar
in een tendens dat ouders en andere primaire opvoeders in toenemende mate uit
de opvoeding van de opgroeiende jeugd verdwijnen en dat hun rol als introducent
van essentiële waarden en normen wordt overgenomen door andere instanties.
Ik werk dit punt later in deze bijdrage nader uit, waar ik zal ingaan op de
grote rol van de moderne media in dit verschijnsel, met name de rol van televisie
en computer. In het kader van vredesopvoeding is het belangrijk dat ook het vertrouwen
in de wereld en de toekomst van die wereld een problematische zaak is geworden.
Dit is een betrekkelijk nieuw fenomeen, dat de kern van onze cultuur en daarmee
de opvoeding raakt. Grofweg kunnen we stellen dat tot en met de negentiende
eeuw kinderen werden opgevoed met de idee van een onzeker bestaan in een zekere
wereld. In de twintigste eeuw veranderde dat onder invloed van wetenschappelijke
vooruitgang in de noties van een redelijk zeker leven in een redelijk zekere
wereld. Maar na de Tweede Wereldoorlog is die zekere wereld verdwenen, zodat
nu wordt opgevoed met de verwachting van een redelijk zeker leven, althans in
onze westerse samenlevingen, in een onzekere en bij tijd en wijle bedreigde
wereld. In plaats van geloof in vooruitgang en een betere wereld is er in onze
jaren veeleer sprake van een overlevingsvraag van onze cultuur. Als we het hebben over vredesopvoeding dan zullen we deze overlevingsvraag
in onze doelstellingen moeten meenemen. Vredesopvoeding richt zich namelijk
in eerste instantie op het
vertrouwen dat mensen kunnen opbouwen in de wereld en de toekomst van die wereld.
Concreet geformuleerd komt dat neer op het stellen van de volgende centrale
vraag: Hoe richten we onze wereldsamenleving zo in, dat kinderen kunnen opgroeien
in een humane wereld? Onder een humane wereld verstaan we dan een wereld waarin
alle mensen kunnen leven, zonder voortdurend direct of indirect door hun medemensen
te worden bedreigd in hun bestaanszekerheid en waarin een redelijke kwaliteit
van het leven wordt gewaarborgd. Uiteraard is zo'n omschrijving niet volledig sluitend in de zin van voor
eens en voor altijd vastgelegd. Humane wereld, bedreigd worden, bestaanszekerheid
en kwaliteit van het leven zijn net als bijvoorbeeld een begrip als gezondheid,
geleefde begrippen die historisch, cultureel en situationeel ingevuld moeten
worden. Maar ze duiden wel een wenselijke richting aan en bieden daarmee een
kader om wat we in onze cultuur aantreffen ter discussie te stellen, vooral
als we zo’n verdere invulling niet uit de weg gaan. Een korte aanduiding van
zo’n verdere invulling wil ik hierbij geven in de vorm van een aantal kernvoorwaarden.
Een humane wereld wordt gekenmerkt door: -vrede; -een
politiek zonder geweld; -eerbiediging
van de rechten van de mens; -sociale
rechtvaardigheid en solidariteit; -ecologisch
verantwoorde omgang met de wereld; -respect
voor andere culturen, wat zich uit in tolerantie voor het andere, maar ook het
aanspreken op het ‘gewcld’ dat met een beroep op het andere gelegitimeerd wordt; -ruimte
voor menselijke creativiteit en uitdaging van de mogelijkheden die de mens
heeft om zijn wereld op betere wijze vorm te geven. Dat dit een idealistische beschrijving is wordt onmiddellijk duidelijk
als we er een aantal realiteiten van ons huidige wereldbeeld tegenover zetten,
zoals: -oorlogen
(b.v. Tsjetsjenië, de Balkan, Liberia, het Midden-Oosten); -geweld; -honger; -racisme,
vreemdelingenhaat, neo-fascisme en antisemitisme, gepaard gaand met een (soms
uit angst) daarop aansluitende traditie van het zoeken naar zondebokken en een
hang naar irrationele politiek; -ecologische
verwoesting van onze planeet met het hele spel van het afwentelen van de schuld-
en verantwoordelijkheidsvraag; -een
politiek beleid gebaseerd op angst voor het vreemde, zoals soms duidelijk wordt
uit schrijnende voorbeelden bij ‘niet bedreigde’ en ‘niet politieke’ vluchtelingen,
en uit de geleidelijke opbouw van de Vesting Europa. Als we deze politieke ‘realiteiten’ bezien, dan zal duidelijk zijn dat we
met vredesopvoeding voor een zeer zware taak staan in een wereld waarin voor
optimisme nauwelijks plaats meer lijkt. Immers, de reële wereld maakt
het moeilijk op een positieve wijze naar de toekomst te kijken en je invloed
als opvoeder staat ook nog onder druk. Dat roept de vraag op of het dan wel
reëel is om te pleiten voor vredesopvoeding. Of, anders geformuleerd, is
het wel reëel om onze jeugd enerzijds duidelijk te maken hoe onze wereld
in elkaar zit, inclusief de gigantische problemen waar de mensheid mee worstelt
en ze toch hoop te geven, hoop op een toekomst die beter is dan de huidige situatie? Op deze vraag past naar mijn mening eigenlijk maar één antwoord:
Er is geen alternatief tenminste als we willen blijven opvoeden en niet vervallen
in louter grootbrengen. Want het gaat er uiteindelijk om kinderen en jeugdigen
te confronteren met de zin van het bestaan, en dat komt onherroepelijk neer
op het leren onderkennen en accepteren van verantwoordelijkheid, waar deze aan
de orde is. Als we de voorwaarden voor een humane samenleving nader beschouwen,
dan zien we ook dat het niet gaat om goddelijk ingrijpen of om een natuurtoestand,
maar om zaken waar de mens zelf verantwoordelijk voor is. Deze
verantwoordelijkheid hoort bij de kern van het mens-zijn en moet daarom ook
centraal staan in de opvoeding. Opgevoed worden is leren dat je verantwoordelijk
bent: ten opzichte van jezelf, je medemens, de wereld en naar de overtuiging
van velen ten opzichte van God. De notie van verantwoordelijkheid voor de wereld
is in dit rijtje betrekkelijk nieuw, ze wordt pas gevoeld sinds de mens met
de uitvinding van de nucleaire wapens het voortbestaan van de wereld en het
leven zelf in handen heeft genomen. De eerste overweging betreft de echtheid van de opvoeder als persoon. Omdat
de opvoeder de voornaamste bestaansgarant is van het kinderleven heeft hij de
plicht om zelf voor kinderen hoop te scheppen met betrekking tot de toekomst. Dat kan hij allereerst doen door voor te leven dat een humane toekomst wel
degelijk mogelijk is en dat het met de wereld anders kan dan in de praktijk
veelal gebeurt. In het eigen alledaagse leven kan dat door bewust te leven volgens
je eigen waarden en normen, door niet alleen goed te
zijn in eigen kring, maar duidelijk te maken dat je op je eigen niveau ook verantwoordelijkheid
voor de wereld accepteert. Dat laatste kan bijvoorbeeld door mogelijkheden tot
concrete solidariteit te benutten, al is daarbij wel eens een probleem dat het
leed in overvloed een beroep op de concrete persoon doet. Op het eigen niveau
kan men als opvoeder ook mogelijkheden zoeken tot contacten met mensen uit andere
cultu~en en in elk geval je eigen waarden en normen uitspreken als dat
gewenst is, bijvoorbeeld als men geconfronteerd wordt met discriminatie. In het bredere perspectief van de oriëntatie op de grote wereld kan
de opvoeder politieke verantwoordelijkheid tonen waar dat nodig is. minimaal
door bewust te stemmen als er verkiezingen zijn maar ook door actiever deel
te nemen aan meningsvorming over vredesproblemen via vredesorganisaties,
Amnesty International, Greenpeace of andere politiek-maatschappelijke groeperingen.
Daarnaast kan men als opvoeder ook bewust aandacht schenken aan de positieve
ontwikkelingen in het wereldgebeuren, zoals de aandacht voor het feit dat we
ruim vijftig jaar geleden bevrijd zijn en nog steeds in een rechtsstaat leven,
voor het werk van de Verenigde Naties dat ondanks de vele problemen toch nog
altijd de belofte van vrede met zich draagt, voor de ontwikkeling van de Rechten
van de mens, de Rechten van het kind, voor actiegroepen alsGreenpeace,
Amnesty International, etc.. Bij deze oriëntatie op de positieve mogelijkheden is het uiteraard
wel van belang dat de opvoeder kinderen geen knollen voor citroenen verkoopt.
Negatieve ontwikkelingen moeten niet als overwegend beeld aan kinderen worden
opgedrongen, maar hoeven ook kinderen niet onthouden te worden. Als er weinig
positiefs te melden valt is het beter dat de opvoeder zijn onzekerheden deelt
en aangeeft hoe je elkaar zou kunnen steunen, dan verkeerde informatie te geven
of feiten te verdraaien. Een hoopvol perspectief kan alleen ontstaan waar
plaats is voor liefde en geloof: in jezelf, in je medemensen en in de wereld. Tegenover de nadruk die hier gelegd wordt op de opvoeder als persoon zou
men kunnen inbrengen dat de opvoeder in het leven van een kind slechts een kleine
beïnvloeder is geworden bij het opbouwen van een wereldbeeld. School, vriendjes,
jeugdcultuur en televisie krijgen al snel meer tijd dan de directe opvoeders
in de beïnvloeding van een kind. Als het echter gaat om de opbouw van fundamentele
waarden voor het leven is het echter een oppervlakkige benadering om louter
op de tijd van de invloed te letten, met uitzondering van de televisie, waarop
ik nog terugkom. Als het gaat om basiswaarden in het leven - en hoop is zo’n basiswaarde -dan doen kinderen
deze vooral op van mensen in wie zij vertrouwen hebben en met wie zij zich
identificeren, en dat zijn in eerste instantie de primaire opvoeders. Hetzelfde
kan gezegd worden over de meeste andere basiswaarden voor een humaan leven,
zoals vertrouwen, respect voor de ander, verantwoordelijkheid voor de ander,
openheid naar de toekomst, geweldloosheid en een kritische houding ten opzichte
van je eigen vanzelfsprekendheden. Deze komen tot stand via identificatie met
een opvoeder die zich als ‘echt’ persoon beschikbaar stelt. Een tweede overweging geldt de mogelijkheden die de opvoeder heeft om een
begeleidende interrnediair te zijn tussen het kind en de wereld. In dc vaak
problematische kennismaking van een kind met de grote wereld kan de opvoeder
een buffer zijn om vertrouwen te scheppen en om zich op te stellen als
een interpreterende instantie voor wat er allemaal op de jonge mens afkomt.
Dat betekent concreet dat de opvoeder uitleg geeft en het begrijpen in goede
banen leidt. Zo’n begeleidende rol is vooral van belang waar het gaat om een
verstandig omgaan met de media: televisie. computerspelletjes, boeken, strips
en dergelijke. Dat vereist belangstelling voor waar een kind naar kijkt
of wat het leest, maar tegelijk waakzaamheid (lat deze belangstelling niet
te opdringerig wordt. In dit geheel moet de opvoeder ook rekening houden met de leeftijd. Het
is belangrijk jongere kinderen niet teveel en te directe informatie te geven,
vooral niet als deze bedreigend is. Waar kinderen toch tegen de problematische
‘volwassen wereld’ aanlopen dient zoveel mogelijk te worden uitgelegd op het
niveau waarop het kind het kan begrijpen. Vanaf ongeveer tien- ~i elfjarige
leeftijd raken kinderen zeer geïnteresseerd in wat er allemaal in de wereld
gebeurt. Het is de leeftijd waarop het jeugdjournaal een grote rol speelt. Opvoeders
kunnen bij deze belangstelling aansluiten en in de gaten houden dat de informatie
niet te eenzijdig wordt. Tussen de twaalf en vijftien jaar neemt de belangstelling
voor de wereld weer af’. De kinderen komen in de puberteit. Ze richten zich
vooral op de ontwikkeling van de eigen identiteit en dat geeft vaak al problemen
genoeg. In dit stadium kan de opvoeder beter wat meer op de achtergrond blijven
en de grote wereld vooral niet teveel aan hen opdringen. De derde overweging betreft de verantwoordelijkheid van de opvoeder om kaders
te stellen en duidelijk te maken. Dit is van groot belang om een positie te
vinden ten opzichte van de vele ongewenste invloeden die vanuit de wereld tot
de jeugdige generatie komen. Want de grote wereld houdt geen halt voor
de deur van de ‘onbezorgde jeugd’, die ouders hun kinderen zo graag gunnen.
Vooral de televisie is wat dat betreft een indringende invloed, die door de
huidige media-explosie tot een nauwelijks te controleren instantie is geworden.
In onze cultuur is de televisie overal aanwezig, in veel huizen als een
soort permanent brandende schemerlamp, in vele kinderkamers, en in toenemende
mate ook als surrogaat-opvoeder in plaats van ljfëljk of psychologisch
afwezige ouders. Dat creëert echter wel pedagogische problemen. In een
commentaar van een Amsterdamse onderwijzer op het vele geweld onder de Amsterdamse
schooljeugd werd dit treffend verwoord: “Kinderen
worden tegenwoordig nog nauwelijks door hun ouders opgevoed. Ze hebben allemaal
hun eigen toestel op de kamer en hun ouders weten niet waarnaar ze allemaal
kijken. De computer fungeert daarbij als isoleercel en de opvoeding laten we
over aan RTL4.” Aan de televisie als ‘opvoeder’
kleven echter bezwaren, waarvan ik er kort enkele zal aanduiden. Ten eerste
is de televisie een zeer suggestief medium, dat snel tot het idee kan leiden
dat men precies met eigen ogen ziet wat er gebeurt. Dit, terwijl het altijd
gaat om een door het oog van de camera gemanipuleerde realiteit. Deze eigen
realiteit kan desgewenst uitvergroten wat zeer klein is en verkleinen wat groot
is. Maar al te vaak wordt wat belangrijk is meer uitgemaakt door de wetten van
het medium dan door meer geëigende criteria. Een tweede eigenschap van televisie is, dat de communicatie steeds meer
gericht wordt in beeldtaal. Volgens de Amerikaanse onderzoeker Neil Postman
nodigt beeldtaal veel minder dan geschreven en gesproken taal uit tot reflectie.
De dominantie van beeldcommunicatie heeft volgens hem een infantiliserend effect,
omdat het medium zich aan de grootste groep kijkers aanpast. Als men af en toe
de reclames op de televisie ziet kan men zich bij dit laatste wat voorstellen.
Misschien is de televisie ook wel één van de belangrijkste factoren
geweest in de ontwikkeling dat in onze cultuur het jeugdige tot algemene norm
is geworden. Of, zoals Lea Dasberg eens opmerkte, eeuwenlang hebben kinderen
willen lijken op hun ouders, tegenwoordig willen moeders zo slank zijn als hun
dochter. En tenslotte, last but not least, de televisie speelt in onze cultuur de
belangrijkste rol in de introductie van een wereldbeeld waarin geweld, macht
en egoïsme de meest vanzelfsprekende waarden zijn geworden waar het in
de wereld om gaat. Onderzoekers, die gezocht hebben naar verbanden tussen geweld
op de televisie en toename van geweld onder de jeugd, zijn er inmiddels van
overtuigd dat de televisie een belangrijke rol speelt in de toename van
de acceptatie van geweld door jongeren en dat de televisie ze ook aan ideeën
helpt om zelf geweld toe te passen. Alle nadelen van de televisie ten spijt, het is onmogelijk om het medium
uit de wereld van onze kinderen weg te houden. Als dat trouwens al zou lukken
dan zouden we ook een aantal positieve mogelijkheden, die het medium beslist
ook heeft, moeten missen. Wel kan de opvoeder proberen om het televisiekijken
in een goede richting te beïnvloeden. Dat kan bijvoorbeeld door regels
te stellen aan het kijken, door het instellen van een 'televisiedieet’ waarin
uit het programma gekozen moet worden. Er bestaat ook de mogelijkheid om
kinderen te leren om op een kritische manier televisie te kijken; daarvoor is
aan de Rijks Universiteit Leiden speciaal voor scholen een programma ontwikkeld.
En indien nodig moet men als opvoeder ook de moed hebben om nee te zeggen tegen
de wensen van de jeugdige om bepaalde programma’s te zien, desnoods met het
argument dat dit in jouw huis niet getolereerd wordt. Dat zal wel conflicten
geven, maar veel opvoeding lijkt in onze tijd eerder te lijden onder een gebrek
aan moed om het conflict aan te gaan, wat vaak neerkomt op onverschilligheid,
dan onder autoritaire verhoudingen die de jeugd te weinig ruimte laten. Conflicten
aangaan betekent dat men als opvoeder de jongere serieus neemt; het sluit het
zoeken naar compromissen zeker niet uit. De vierde overweging tenslotte betreft het feit dat in het kader van vredesopvoeding
kinderen zo nodig ook systematisch geconfronteerd moeten worden met 'vredesprob1emen’
om ze zo te helpen met het opbouwen van de vaardigheid tot oordelen. In de praktijk
zal hier vooral een taak liggen voor het onderwijs. Daarbij gaat het niet alleen
om het reageren op wat er uit de wereld op kinderen en jeugdigen afkomt, maar
vooral ook om achtergrondkennis en verdieping van informatie, inclusief het
leren hoe men met informatie om moet gaan. Ook dit is weer een verre van
eenvoudige taak; het gaat uiteindelijk om het verwerven van eigen inzicht door
confrontatie met waarden. Door de nadruk te leggen op inzicht probeer ik aan
te duiden dat het niet gaat om volledige kennis van feiten voor men mee mag
praten. Het gaat om plaatsing van feitenkennis in een relevante context. Men
hoeft bijvoorbeeld geen afgestudeerd natuurkundige te zijn om tot een oordeel
te komen over de
gevaren van kernafval en de politieke noodzaak er wat aan te doen. Anderzijds
vraagt inzicht wel dat men als opvoeder niet louter op de emoties werkt, bijvoorbeeld
door het oproepen van shockerende beelden. En verder moet er een zekere evenwichtigheid
zijn tussen de zorg die men wil overdragen en de positieve informatie die mensen
kan stimuleren tot een actieve betrokkenheid. Hetallerbelangrijkste
bij het opbouwen van oordeelvaardigheid is echter dat er pas echt sprake is
van inzicht als informatie mede wordt beoordeeld door een confrontatie met de
waarden die erachter zitten. Informatie is namelijk nooit neutraal, maar
altijd gekleurd door een aantal vaak onuitgesproken waarden. Als men daar
geen oog voor heeft vervalt men gemakkelijk in ideologie en vooroordelen. Om
van dat laatste een voorbeeld te geven, de huidige maatschappelijke en politieke
omhelzing van de vrije markt als de beste en ook ethisch te prefereren oplossing
voor een veelheid aan maatschappelijke problemen heeft veel weg van een ideologie.
Dat valt echter alleen maar duidelijk te maken als men oog heeft voor een aantal
dragende waarden van haar wetenschappelijke legitimatie: de economische
wetenschap van een geglobaliseerd, kapitalistisch systeem. Naar mijn mening
wordt deze dominante economie, waarin (mega-)winsten maken het enige doel
lijkt, gedragen door een niet bediscussieerde opvatting van de samenleving
als een permanente oorlog van allen tegen allen, waarin een ver doorgevoerd
egoïsme het beste wapen is om in deze strijd te overleven. Ik werk dat
hier niet verder uit, maar wil slechts wijzen op de vele oorlogsmetaforen die
gebruikt worden om de noodzaak van overleven in dit systeem te verduidelijken.
Veel van deze metaforen worden ook gebruikt om het onderwijs ‘maatschappeljker’
te maken. Aan
het begin van deze bijdrage is het wellicht goed te vennelden vanuit welke
situatie Mostafa el Filali en ik onze visie en ervaringen weergeven rond het
thema van deze bundel. Ikzelf (H.B.) ben verbonden als directeur aan de Lukasschool
en Maliebaanschool voor protestants-christelijk basisonderwijs in de gemeente
Utrecht. Zoals zoveel scholen is ook onze school in een voortgaand fusieproces
betrokken, waardoor als gevolg van deze schaalvergroting bijna 700 leerlingen
onze scholen bezoeken. De ‘deel-school’ de Lukasschool telt om en nabij 80%
Turkse en Marokkaanse leerlingen. De beide andere deel-scholen kennen een lager
percentage allochtone leerlingen. Mostafa
el Filali is ooit als leerkracht eigen taal begonnen: in 1980 kwam hij op onze
school, en hij is al snel aangesteld bij de Gemeente Utrecht, Dienst Onderwijs,
als coördinator van de OET-leerkrachten[4].
Hij is dus op dit moment geen leerkracht eigen taal meer. Toch zijn onze contacten
heel veelvuldig en juist ook in verband met het thema dat hier aan de orde is
bijzonder goed en belangrijk te noemen. Sinds
de komst van allochtone kinderen, veelal met een islamitische achtergrond,
hebben wij op onze christelijke school gezocht naar mogelijkheden om ieder individu
in zijn/haar waarde te laten. Het gaat erom om ieders gevoel van eigenwaarde
- ook godsdienstig gezien - te verstevigen. Velen achtten dit een bijkans
onmogelijke taak. Hoe kun je als christelijke school nu (godsdienst-)les geven
aan zoveel andersdenkenden? Deze en dergelijke opmerkingen zijn mijns inziens
ingegeven vanuit een verkeerd perspectief: het gaat niet aan om mensen tot de
enig ware godsdienst te bekeren. Ik vraag mij trouwens af: wat is die enig ware
godsdienst dan? Regelmatig
heb ik mijn bestuur op de hoogte gebracht van onze -mag ik het zo zeggen? -
‘worsteling’. Het bestuur moet de identiteit van haar christelijke scholen in
de stad Utrecht een zorg zijn. Dat was dan ook de reden dat er een commissie
identiteit in het leven geroepen werd, waarin ik mocht participeren. Sommigen
herinneren zich misschien nog wel de misleidende koppen in de krant: “De
PCOU[5]wil
niet meer dan 30% allochtonen op haar scholen hebben”; een uit zijn verband
gerukte tekst. Telkenmale heb ik in deze commissie gezegd, en dat uit de grond
van mijn hart: “Ook al zit er één kind van andere komaf, dan moet
je je afvragen of je het godsdienstonderwijs kunt blijven geven, zoals wij dat
vroeger voor ogen hadden staan.” Ik zeg volmondig: “nee”. En waarom? Omdat ik
ieders geloofsachtergrond wil respecteren, zoals ik dat ook van die ander verwacht.
Het mag nooit zo zijn dat je jouw denkbeelden als enige waarheid opdringt aan
de ander. Pas als je de ander in zijn waarde laat, pas als je laat merken dat
hij trots mag zijn op zijn achtergrond, pas dan kun je spreken van opvoeding
tot vrede in een multiculturele samenleving. Dat
een dergelijk vernieuwingsproces moeizaam kan verlopen mag duidelijk zijn. Op
advies van ons bestuur hebben wij met behulp van het Christelijk Pedagogisch
Studiecentrum (CPS) getracht te komen tot een interreligieuze godsdienstmethode,
waarin aan de ‘verschillende religieuze achtergronden van de leerlingen recht
gedaan zou worden. We hebben ons - en dat geldt ook voor het CPS - daar wat
aan vertild. Het gaat niet zo gemakkelijk als wij dachten. Er is een begin gemaakt,
er zijn enige thema’s ontwikkeld, die zich lenen voor een interreligieuze
benadering. Maar daar is het tot nu toe bij gebleven. Komend jaar hopen wij
die draad weer op te pakken. Natuurlijk zit de verandering
‘m niet alleen in de (godsdienst-)les. Ook voor de leerkrachten persoonlijk
verandert er wel wat wanneer zij moslimleerlingen in hun klas krijgen. Een - al wat oudere - leerkracht
bij mij op school zei mij eens dat zij. als gevolg van de ontwikkelingen op
school, in een ware identiteitscrisis terecht was gekomen. Maar ook vond ze
dat ze daar gelukkig uiteindelijk veel beter dan voorheen was uitgekomen!
Het is nogal wat, wanneer je vanuit je vertrouwde geloofshuisje moet stappen
om die ander toe te laten! En er zijn nog heel wat
vooroordelen te overwinnen. Toch zijn wij daar op onze school best sterk in:
ieder wil zich ten volle inzetten om alle kinderen een veilige plek te geven.
Daar hebben we de hele schoolgemeensehap voor nodig: kinderen, ouders, leerkrachten
en de coördinator van de OET-leerkrachten. Op onze school werken drie Marokkaanse
en één Turkse leerkracht. Het schoolteam heeft reeds
een heel proces doorgemaakt: we moesten leren omgaan met verschillen en ons
verdiepen in die andere godsdienst. Dat was dan ook de reden dat er voor gekozen
is om ons enigszins bij te scholen. Hierop kom ik later nog terug. Daarnaast
zijn er enkele factoren die het proces naar een vreedzamer samen-leven
binnen de school bemoeilijken: je moet niet alleen de kinderen, maar ook (en
vooral) de ouders duidelijk maken hoe het zit met wederzijds respect en acceptatie.
Dat is een kunst op zich. Maar doe je dat niet dan ben je mijns inziens slecht
bezig. Het gaat tenslotte om de vorming naar de toekomst toe in deze maatschappij. Daarnaast is de hele discussie
rond Onderwijs in Allochtone Levende Talen[6]binnen
of buiten schooltijd mij een gruwel. Ik heb de fractiespecialisten van het CDA
in de Tweede Kamer ook proberen duidelijk te maken dat deze weg in feite een
slechte is en dat er sprake is van minachting van het vakgebied waar wij het
over hebben. Gelukkig kunnen we nog een woordje meespreken in de stedelijke
ontwikkeling. Mostafa heeft daar een belangrijke functie in. Aan
het begin van de jaren tachtig spitste de discussie rond dit vak zich toe op
de vraag of het accent van dit onderwijs op de eigen taal of op de eigen cultuur
moest liggen. Een
ander discussiepunt betrof de doelstelling van het vak. Is OET bedoeld voor
de remigratie, de integratie, het verminderen van de kloof tussen de ouders
en hun kinderen/scholen, of voor het leveren van een bijdrage ter bestrijding
van onderwijsaehterstand van allochtone leerlingen? In 1985 is voor OET een
wettelijke basis ontstaan. Deze lijn is in 1987 voor zowel het speciaal als
het voortgezet onderwijs doorgetrokken. In
de nota OET van staatssecretaris Wallage uit 1991 wordt duidelijk aangegeven
dat aan de eigen taal een belangrijke functie wordt toegekend voor ondersteuning
van Nederlands als Tweede Taal[7]. In
de nota Ceders in de Tuin (1992) en de reactie daarop van de staatssecretaris
wordt OET onder cultuurbeleid opgepakt. In
de uitwerkingsnotitie Onderwijs in Allochtone Levende Talen van staatssecretaris
Netelenbos is onder andere een onderscheid gemaakt tussen het ondersteunen van
NT2 in de onderbouw binnen de reguliere schooltijd en het aanbieden van OET
in de bovenbouw van de basisschool buiten de reguliere schooltijd, maar
wel in het schoolgebouw en onder de verantwoordelijkheid van de schooldirectie. De
bijdrage van de OET-leerkrachten bestaat uit de volgende activiteiten[8]: -Les geven in eigen taal en cultuur,
waarbij omgang met verschillen en begrip voor elkaar een belangrijke rol spelen;
- Bijdrage leveveren aan
ondersteuning Nederlands; -Uitvoeren van ouderparticipatiecursussen; -Uitvoeren van BOVO-informatie-avonden[9]. Steeds meer scholen houden niet meer vast
aan bepaalde streefpercentages met betrekking tot het aantal allochtone
leerlingen. Men erkent de realiteit van de aanwezigheid van allochtone leerlingen
op grond vande samenstelling van de wijkbevolking. Bij alle leerkrachten in
de school dient bereidheid aanwezig te zijn om tot een goede integratie te komen.
Samenwerking tussen Nederlandse en OET-leerkrachten is in dit verband onmisbaar. Als voorbeeld daarvan kan de Lukasschool
dienen. Het team van de school heeft prioriteit gegeven aan het onderwijs in
de Marokkaanse taal en cultuur. Leerkrachten hebben een cursus gevolgd
en er is een studiereis georganiseerd met het doel om meer van de achtergrond
en het onderwijs in het land van herkomst te leren kennen. Voor
wat betreft de voorlichting aan leerlingen en hun ouders: het schoolbeleid moet
duidelijk zijn: respect en begrip voor elkaar is voorwaarde voor het goed functioneren
van de school. Een factor, die het respect- en begripvol samen-leven in de school
kan bemoeilijken, is wanneer allochtone en autochtone ouders door onwetendheid
en onzekerheid (en daardoor onbegrip) hun kinderen in dit opzicht negatief beïnvloeden. Concreet
gebeurt dat vooral in onze godsdienstlessen. Wij gaan dan als volgt te werk.
Eerst onderzoeken wij welke overeenkomsten er zijn tussen met name het
christelijke en islamitische geloof. De verschillen komen vervolgens ook aan
bod. Ook het vak ‘Geestelijke Stromingen’ biedt ons enig houvast. Het voordeel
van onze school is dat er door de samenstelling van de leerlingenpopulatie al
verschillende geestelijke stromingen aanwezig zijn. Misschien is tegelijkertijd
daardoor de noodzaak om te komen tot een interreligieuze godsdienstmethode
dringender dan elders: de multiculturele en multireligieuze samenleving is bij
ons al een feit. Binnen
het vakgebied Geestelijke Stromingen is het van belang aandacht aan de ander
te schenken. Als je samen met leerlingen meer over etnische en culturele groepen
te weten wilt komen, zul je - hoe dan ook - aandacht moeten besteden aan hun
levensbeschouwingen. Het vergaren van juiste kennis is dan ook strikte
voorwaarde om het vak Geestelijke Stromingen te kunnen geven. Dit vakgebied
staat overigens - voor wat betreft de basisschool -nog maar aan het begin van
een noodzakelijk verdergaande ontwikkeling. De ‘ontmoeting’ krijgt hier
meer inhoud door het met elkaar verkennen van wat mensen belangrijk en waardevol
vinden in hun leven. Ook stilstaan bij de emoties die dit met zich meebrengt,
de verwondering over wat wij meemaken en het besef van rcligieuzc gevoelens,
vinden hier hun plaats. Symbolen spelen daarbij een rol. Door aandacht te besteden
aan de verschillende symbolen is het mogelijk dieper in te gaan op emoties en
belevingen van leerlingen en van jezelf.
Heel belangrijk is het om respect voor elkaars geloven aan te leren. De
met het CPS ontwikkelde thema’s bieden hiertoe de nodige aanknopingspunten.
Daarnaast werken wij aan projecten als: “Ik ben anders heel gewoon” en “Stop
de pestkop”. We moeten blijven proberen in vrede naast elkaar te leven. Ruimte voor discriminatie
mag er derhalve niet zijn. Natuurlijk komt dat wel eens voor. Onze kracht moet
dan zijn om het ‘probleem’ bespreekbaar te maken en te houden. Het met elkaar in gesprek blijven - hiermee
bedoel ik niet alleen het gesprek tussen kind en leerkracht, maar ook tussen
de leerkrachten onderling en tussen de leerkrachten en ouders - is van groot belang. Het is goed dat ieder zijn eigen geloof trouw blijft.
Zo blijf je namelijk altijd in gesprek en is niets op dit gebied vanzelfsprekend. Vredesopvoeding heeft met dit alles te maken. Je moet veranderingsbereid
zijn, nieuwe wegen willen zoeken. Veranderingsbereidheid komt niet vanzelf.
De school kan hierin een belangrijke en opbouwende rol spelen, door de religieuze
achtergronden van alle kinderen serieus te nemen en daarnaar te handelen[10].
[1]Frits
de Lange, Wordt de wereld vreedzamer? In: Trouw, d.d. 30 december 1995.
[2]Dat
in dit ‘algemene’ inleidende hoofdstuk, in het bijzonder in hoofdstuk II, het
vertrekpunt wordt gekozen in de christelijke traditie is. gezien de auteur,
vanzelfsprekend. Het is onzes inziens legitiem ook een religieus betrokken auteur
bij deze algemeen inleidende vraagstelling te betrekken. En dan kan het niet
anders of er is sprake van religieuze eigenheid. Vertroebelt dat de blik?
De lezer mag zich daarover - na lezing van het betreffende hoofdstuk - zelf
een oordeel aanmeten. In het laatste hoofdstuk komen we op deze vraag naar neutraliteit
terug.
[3]Enkele van die criteria voor een ‘rechtvaardige oorlog' zijn: 1) de
oorlog moet gevoerd worden door een rechtmatige regering; 2) elk geweldloos
alternatief voor geweld moet zijn uitgeput: 3) het gebruikte geweld moet proportinneel
zijn t.o.v. het te bereiken doel; 4) burgers moeten worden ontzien.
[4]
OET = Onderwijs in Eigen Taal. N.B.: Voorheen is ook wel sprake geweest van
OETC, hetgeen betekent: Onderwijs in Eigen Taal en Cultuur.
[5]
Stichting Protestants-Christelijk Onderwijs te Utrecht
[6]OALT
= Onderwijs in Allochtone Levende Talen, voorheen ook wel OET(C) genoemd: Onderwijs
in Eigen Taal (en Cultuur). [7]NT2
= Nederlands als Tweede Taal. Dit vak is speciaal bedoeld voor allochtone kinderen,
die Nederlands als tweede taal, naast hun moedertaal, krijgen aangeleerd.
[8]Over
godsdienstonderwijs wordt . nauwelijks - gesproken, misschien omdat er steeds
minder Nederlandse ouders bewust kiezen voor bijzondere scholen, vanwege de
godsdienstige richting.
[9]
BOVO = aansluiting Basis Onderwijs - Voortgezet Onderwijs. Bedoeld worden informatie-avonden
voor leerlingen in de hoogste klassen van de basisschool en hun ouders, om zich
te kunnen oriënteren op het aanbod van het voortgezet onderwijs.
[10]Om
de lezer een goed beeld te geven van de situatie waarin leerlingen en leerkrachten
zich bevinden, volgen hieronder nog enkele gegevens met betrekking tot
dc school. Er wordt in het zogenaamdc OVB (onderwijsvoorrangsbeleid) gewerkt
aan:
>meertalige klassen (groepen 1 tlm 5); -verlengde schooldag (groepen 5 en 6); -voorschoolse periode (0- tot 4-jarigen); -integratie NT1- en NT2-methode. Omdat er vele nationaliteiten zijn (door onder meer een asielzoekerscentrum
in de buurt) is er sprake van zeer specifiek onderwijs. Aan de school zijn dan
ook zogenaamde ‘opvangklassen neveninstromers’ verbonden. Ook is er een negende
leerjaar: de ‘Kopklas’, bedoeld voor kansrijke alloehtone kinderen. Met de OET-leerkraehten is er regelmatig overleg omtrent
identiteitszaken. Daarnaast wordt volop deelgenomen aan het ‘TOP-project’ (Taal
Ondersteuners). Dat vinden wij voor onze school van belang, om het gevoel van
eigenwaarde van zoveel verschillend-talige leerlingen te verstevigen.
Interreligieus leren
En de werkelijkheid?
Kerkelijke bijziendheid
Pastoraat en profetie
Opvoeding als optimistische zaak
Optimisme in breder perspectief
Scheuren in het optimisme
Vredesopvoeding in de praktijk
Conclusie
Landelijke ontwikkelingen
De Utrechtse situatie
Godsdienst, school en opvoeding tot vrede
Religie.opzijnbest.nl
- De beste links over religie voor u verzameld.