JAARTAL - NIEUW - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - Z allochtonen , armoede , bahá'í , bijbeluitleg , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts , fundamentalisme , globalisering en antiglobalisering , hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , islam , jodendom , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , migratie , racisme , samenleving , sikhisme , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen , |
| Algemene Raad | |
| Leuvenseplein 4 | 19 mei 1998 |
| 1000 Brussel | AR/PCA/ADV/007 |
In 1991 werkten 50 allochtonen
als interculturele medewerkers in kleuterscholen en 26 als interculturele
medewerkers in de PMS-centra. Zij werkten halftijds in een kleuterschool of
een PMS-centrum en volgden gelijktijdig een opleiding in het onderwijs voor
sociale promotie.
In september 1993 startten
drie hogescholen met een project alternerende opleiding voor kleuterleid(st)ers.
Doel van het project was om op korte termijn een aantal leerkrachten van allochtone
afkomst te vormen, de lerarenopleiding meer intercultureel te maken en te
zoeken naar mogelijkheden om binnen de structuren van het hoger onderwijs
de opleiding van allochtone jongeren tot leraar te optimaliseren. In het
kader van dit project begonnen in drie hogescholen 39 interculturele medewerksters
in kleuterscholen aan een traject van 5 jaar deeltijds werken en deeltijds
studeren. Alle betrokken studenten werkten in kleuterscholen van alle netten.
Als alles goed gaat, studeren er daarvan op het einde van dit academiejaar
24 af. Van meet af was het duidelijk dat dit project een eenmalig karakter
had. Het kan niet de bedoeling zijn dit project zonder meer te herhalen.
Wij willen nagaan hoe we dezelfde doelstellingen verder kunnen realiseren
binnen de contouren van het hogeschooldecreet.
Dit advies wil een antwoord
bieden op de vraag hoe we, mede op basis van de ervaringen die we opdeden
met dit project, de instroom van allochtone studenten in de departementen
lerarenopleiding van de hogescholen kunnen verbeteren en hen maximale kansen
kunnen geven om een diploma te halen.
In het verlengde van de
gemeenschappelijke verklaring inzake een non-discriminatiebeleid in het onderwijs
bevestigt de Vlor met dit advies dat zij de voorwaarden wil scheppen om de
realisatie van een multicultureel team mogelijk te maken. De opleiding van
allochtone jongeren tot leerkracht draagt in belangrijke mate bij tot een
positieve beeldvorming over migrantenjongeren en tot een reële emancipatie
van deze jongeren in de onderwijswereld.
Het moet duidelijk zijn
dat aan het einde van de opleiding leerkrachten van allochtone afkomst aan
dezelfde eisen moeten voldoen als andere leerkrachten.
2 Cijfers
2.1 Voor het project alternerende opleiding
Tabel 1: aantal deelnemers
aan het project alternerende opleiding voor kleuterleid(st)ers
| Begonnen |
Nog aanwezig |
Verschil |
|
| Antwerpen |
9 |
6 |
3 |
| Gent |
12 |
5 |
7 |
| Hasselt |
18 |
13 |
5 |
| Totaal |
39 |
24 |
15 |
Vier jaar geleden begonnen
39 interculturele medewerkers uit het kleuteronderwijs aan de alternerende
opleiding tot kleuterleid(st)er. Dit academiejaar zij er daarvan nog 24 over.
Zonder mislukkingen zullen deze studenten op het einde van het academiejaar
een diploma van kleuterleid(st)er behalen. Dit zou een slaagpercentage van
60 % betekenen. Over de relevantie van een dergelijk percentage bij zo’n
kleine aantallen kunnen we inderdaad vragen stellen, maar het geeft wel aan
dat deze studenten, mits een goede begeleiding, een goede kans maken om de
opleiding met succes af te ronden.
2.2 Over de aanwezigheid van vreemde studenten in de hogescholen
Tabel 2: academiejaar 1996-1997,
aantal studenten van vreemde nationaliteit per studiegebied
| Architectuur |
56 |
52 |
108 |
2,50% |
| Audiovisuele en beeldende kunst |
98 |
118 |
216 |
5,69% |
| Biotechniek |
4 |
3 |
7 |
0,70% |
| Gezondheidszorg |
52 |
194 |
246 |
2,13% |
| Handelswetenschappen en bedrijfskunde |
211 |
268 |
479 |
1,60% |
| Industriële wetenschappen en technologie |
166 |
32 |
198 |
1,15% |
| Muziek en dramatische kunst |
87 |
144 |
231 |
13,57% |
| Onderwijs |
16 |
64 |
80 |
0,59% |
| Produkt-ontwikkeling |
7 |
4 |
11 |
3,26% |
| Sociaal-agogisch werk |
10 |
46 |
56 |
0,79% |
| Toegepaste taalkunde |
44 |
214 |
258 |
7,17% |
| Totaal |
751 |
1.139 |
1.890 |
2% |
Uit de tabel blijkt dat
vooral in de departementen onderwijs van de hogescholen relatief weinig studenten
van vreemde nationaliteit studeren (1).
Van die 80 studenten van
vreemde nationaliteit hebben er 15 de Italiaanse nationaliteit, 11 de Turkse
en 10 de Marokkaanse. Indien we alleen de opleiding voor kleuteronderwijs
beschouwen, dan stellen we vast dat het aantal studenten van vreemde nationaliteit
stijgt tot en met het schooljaar 1995-1996 en nadien opnieuw lichtjes daalt.
Tabel 3: evolutie van het
aantal studenten van vreemde nationaliteit in de opleiding voor kleuteronderwijs
| Nationaliteit |
92-93 |
93-94 |
94-95 |
95-96 |
96-97 |
| Italië |
4 |
4 |
2 |
4 |
5 |
| Marokko |
4 |
3 |
2 |
3 |
3 |
| Spanje |
0 |
1 |
2 |
2 |
1 |
| Turkije |
2 |
4 |
4 |
7 |
4 |
| Andere |
0 |
1 |
5 |
11 |
7 |
| Totaal |
10 |
13 |
15 |
27 |
20 |
Uiteraard spreken deze cijfers
alleen over studenten van vreemde nationaliteit en valt deze definitie niet
samen met wat wij gewoonlijk veronderstaan onder het begrip doelgroepleerling
of leerling van allochtone origine.
3 Wat we leerden van het project alternerende opleiding voor kleuterleid(st)ers
3.1
De ervaring van deze studenten
in scholen met veel allochtone kinderen is van groot belang voor de groei
van hun motivatie. Begeleiding gericht op het analyseren van situaties die
zij meemaken is daarbij onontbeerlijk. Zo verwerven ze inzicht in de relevantie
van hun opleiding op verschillende niveau’s: voor de bevordering van de schoolloopbaan
van allochtone kleuters, voor de emancipatie in en van de eigen gemeenschap
en voor de groei van multiculturele teams in onze scholen. Zij ervaren dat
zij nodig zijn in die scholen en dat zij door hun inzet bijdragen tot de
emancipatie van hun gemeenschap. Dat inzicht motiveert hen.
3.2
In de alternerende opleiding
is in de loop van de jaren een persoonlijke band gegroeid tussen de studenten
en de meeste van de betrokken lectoren. Zo leidde de aanwezigheid van deze
studenten voor deze lectoren tot een bredere reflectie op hun parktijk en
tot het besef dat interculturaliteit van het onderwijs belangrijk is en dat
de kans op toeleiding naar en doorstroming van allochtone studenten in de
lerarenopleiding toeneemt, naarmate die opleiding zelf meer intercultureel
is. Ook voor de andere studenten leidde hun aanwezigheid tot een bredere reflectie
en het besef dat interculturaliteit van het onderwijs belangrijk is.
3.3 Zonder extra coaching haken deze studenten af. Zij hebben nood aan individuele coaching en coaching in groep.
Uit de ervaring met deze
coaching blijken
- het belang van de groepvorming
tussen de allochtone studenten. In het project zijn ze voor elkaar een echte
steun en stimulans om door te zetten. Een vereniging van allochtone studenten
zou eveneens die ondersteunende rol kunnen hebben.
- dat het voor allochtone
jongeren niet gemakkelijk is om een eigen realistisch en zinvol toekomstplan
te maken. Zij worden voortdurend geconfronteerd met discriminatie en met twee
culturen. Het is veel moeilijker om vanuit die twee culturen, met sterk uiteenlopende
boodschappen, een zinvol en realistisch toekomstperspectief op te bouwen.
Daarbij is deskundige begeleiding nodig. Aandacht voor de groei van het inzicht
in het belang van diploma’s is daarbij één van de noodzakelijke
punten.
- het belang van een goede
vertrouwensrelatie met de coach. Personaliseren van de begeleiding is essentieel.
Er moet een continu volgehouden contact zijn tussen de student als individu
en de coach. Zowel de praktijkervaringen als de opleiding in de hogeschool
worden daarbij besproken en gekaderd.
- het belang van time-management
om hun eigen tijd goed te leren indelen en beter te gebruiken.
Aanvankelijk werden deze
studenten meer gecoached dan nu. Hun zelfstandigheid en individualiteit groeide
geleidelijk. Zij hebben nu een veel positiever zelfbeeld dan bij het begin
van de opleiding en zij hebben gaandeweg ervaren dat zij dit niveau van onderwijs
aankunnen. Een coach kan hen daarbij alleen maar ondersteunen.
3.4
Deze studenten hebben nood
aan remediëring en studiebegeleiding tijdens de hele opleiding. Specifieke
tekorten zijn soms zeer individueel. Andere problemen zijn meer algemeen en
hebben herkenbare oorzaken:
- De mensen die nu aan het
project deelnemen komen uit vooropleidingen die niet voorbereiden op een
lerarenopleiding. Omdat nu zo weinig allochtone jongeren ASO volgen, zou
dit nog wel eens een tijd zo kunnen blijven. Daaruit volgen een aantal tekorten,
bijvoorbeeld op het vlak van studievaardigheden. Toch kan de beginsituatie
bij studenten die pas uit het secundair onderwijs komen anders zijn dan de
beginsituatie bij de groep volwassenen die nu in de alternerende opleiding
zit.
- De manier van doceren
in het hoger onderwijs bouwt een aantal drempels in.
- Er zijn ook tekorten die
een gevolg zijn van de manier waarop op het ogenblik het aanbod georganiseerd
wordt in de hogescholen.
Uit de ervaring met de studenten
uit de alternerende opleiding leerden we dat remediëring en studiebegeleiding
noodzakelijk zijn op volgende punten
- bijwerken van opvallende
taalvaardigheidstekorten: spelling, syntactische fouten, tekstbegrip;
- herhalen en inoefenen
van de leerstof: taalkundige items, theoretisch-didactische onderdelen, verifiëren
en zo nodig introduceren van belangrijke begrippen in verschillende vakken;
- verbale oefenmomenten,
waarbij didactisch inzicht met verwoording gecombineerd wordt;
- het is essentieel dat
er tijd overblijft voor taal op eigen niveau, bijvoorbeeld aan de hand van
wereldliteratuur voor volwassenen. Dat brengt een cultureel verruimingsproces
op gang bij de studenten, waarbij hun Nederlands taalgebruik rijker, gevarieerder
en beter wordt. Deze evolutie is merkbaar in hun voorbereidingen en anderen
schrijfproducten.
- muziek en zang;
- extra toetsing onder de
vorm van simulaties en voorbereiding op examensituaties;
- didactische verdiepingsactiviteiten: producten van de studenten zelf werden besproken, transfer van theorie naar toepassing in de praktijk;
3.5
De inrichtende machten van
het vrij katholiek onderwijs vragen speciale aandacht voor de organisatie
van het vak godsdienst. Zij vinden dat het vak godsdienst in de lerarenopleiding
van een confessionele hogeschool op het programma behoort te staan van elke
aangeboden opleiding. Dit geldt vooral voor de opleiding voor kleuteronderwijzer
en voor onderwijzer. Het vak godsdienst is er gericht op het geven van godsdienstonderricht
in het kleuteronderwijs en in het basisonderwijs. Daarom geven deze hogescholen
in deze opleidingen geen vrijstellingen voor het vak godsdienst; niet voor
het theoretisch gedeelte en niet voor de praktijkstages.
3.6 Over de slaagkansen
van studenten met een allochtone achtergrond in het eerste jaar van de lerarenopleiding
Weinig of geen allochtone
jongeren beginnen aan de lerarenopleiding. De autonome hogeschool Limburg
is op dat vlak een uitzondering. Daar zijn elk academiejaar ongeveer 10% van
de studenten in het eerste jaar van de lerarenopleiding van allochtone oorsprong.
In het tweede jaar blijven er daar evenwel nog zeer weinig van over.
Tot op heden registreren
de hogescholen dit soort gegevens niet systematisch. Een dergelijke registratie
is evenwel noodzakelijk om een echt beleid te kunnen voeren op dit vlak.
4 Advies
4.1 De doelgroep
Voor de omschrijving van
wat een allochtone student is, vallen we terug op één van de
indicatoren die we hanteren in het advies over de integratie tussen OVB en
ZVB. Een allochtone student is een student waarvan de grootmoeder langs moederszijde
niet de Belgische of Nederlandse nationaliteit heeft (2)
4.2 De toeleiding naar
de lerarenopleiding aan de hogescholen
Uit de cijfers blijkt duidelijk
dat er niet alleen een probleem is van slagen van allochtone studenten in
de lerarenopleiding, maar ook één van toeleiding naar het hoger
onderwijs in het algemeen en de lerarenopleiding in het bijzonder.
De Vlor merkt op dat er,
buiten onderzoek naar leerachterstand en laaggeschooldheid, tot op heden geen
wetenschappelijk onderzoek gebeurde naar de maatschappelijke achtergronden
van de studiekeuze bij allochtone jongeren.
Er zijn ook weinig voorbeelden
van allochtone leerkrachten. Vanuit deze bekommernis vraagt de Vlor aan de
hogescholen en aan de minister om de nodige ruchtbaarheid te geven aan de
diplomering van de kleuterleidsters van de alternerende opleiding. Zo krijgen
zij een voorbeeldfunctie.
Inspanningen op het vlak
van studiekeuzebegeleiding en informatie over realistische perspectieven op
de arbeidsmarkt in de derde graad van het secundair onderwijs kunnen bijdragen
tot een grotere instroom van allochtone studenten in de lerarenopleiding..
De Vlor verwijst in dit verband naar zijn raamadvies over de overgang van
het secundair naar het hoger onderwijs en vraagt bijzondere aandacht voor
bijkomende coaching voor allochtone jongeren in de derde graad van het secundair
onderwijs. Specifieke noden zoals differentiatie, studievaardigheden en taalvaardigheid
van allochtone jongeren moeten ook de nodige aandacht krijgen. Nu is coaching
enkel voorzien in de tweede graad van het secundair onderwijs. Het succes
van deze coaching bewijst het belang ervan voor deze groep.
Naast coaching stelt de
Vlor aan de hogescholen voor om voor de toeleiding van deze studenten voorbereidende
cursussen te organiseren. Tijdens deze cursussen zouden de kandidaten kunnen
werken aan tekorten in bepaalde vakken, taalvaardigheid en studievaardigheden.
Het grote verschil met de
alternerende opleiding is dat de band met tewerkstelling verloren gaat. Uit
de getuigenissen blijkt dat juist deze band heel motiverend werkte voor de
betrokken studenten.
2 Een meerderheid van tien
leden stemde voor deze indicator. Een minderheid van zes leden stemde voor
een alternatief dat sterk gelijkt op één van de indicatoren
die gebruikt worden in het decreet tot vaststelling van de regelen inzake
de werking en de verdeling van het Sociaal Impulsfonds: de grootmoeder langs
moederszijde heeft de nationaliteit van een land waarvan het bruto nationaal
produkt per capita minder bedraagt dan 150 000 frank per jaar. Drie leden
onthielden zich bij de stemming.
4.3 Toeleiding naar de
GPB-opleiding
Naast de toeleiding naar
de lerarenopleiding van de hogescholen denkt de Vlor dat het omwille van het
grote aantal allochtone leerlingen in het beroepsonderwijs ook interessant
is om bijzondere aandacht te besteden aan de toeleiding en doorstroming van
migranten die met succes een zevende jaar beroepsonderwijs volgden, naar
de GPB-opleiding. De GPB-opleiding biedt ook mogelijkheden tot alterneren
tussen werken en studeren. Omdat voor leerkrachten met een GPB-opleiding een
luik nuttige ervaring gekoppeld is aan het bekwaamheidsbewijs, zijn in de
feiten de mogelijkheden hier nu beperkt omwille van de situatie op de arbeidsmarkt.
4.4 Toekomstige mogelijkheden
in de lerarenopleiding
Op termijn moet het zeker
de bedoeling zijn dat allochtone studenten normaal, in verhouding tot hun
aanwezigheid in de totale bevolking, instromen in de gewone opleiding tot
leraar en er ook dezelfde slaagkansen hebben als autochtone studenten. De
volgorde waarin de verschillende alternatieven hier zijn opgenomen is dus
een gevolg van een expliciete prioritering van de Vlor. Al deze alternatieven
passen in het kader van het hogeschooldecreet. Deze mogelijkheden worden op
dit ogenblik onvoldoende of niet gebruikt.
4.4.1 In de voltijdse
opleiding
De fundamentele vraag blijft
hoe we wat we leerden in de alternerende opleidingen over de slaagkansen van
deze allochtone studenten kunnen transponeren naar de studenten van allochtone
afkomst in de gewone opleiding.
Op basis van deze ervaringen
denken we aan voorbereidende toeleidingscursussen, aan mentoren, aan remediëren
van tekorten op het vlak van taalvaardigheid, studieorganisatie en studievaardigheden
en aan een interculturalisering van de lerarenopleiding die onder meer kan
blijken uit een andere opeenvolging van de verschillende vakken en binnen
de verschillende vakken.
4.4.2 Een mengvorm van
voltijds en deeltijds studeren
Uit het project leerden
we ook dat de slaagkansen van migranten in de lerarenopleiding aanzienlijk
verhogen met een verlengde en begeleide leerroute. Daarbij denken we aan een
leerroute van vier jaar waarin het eerste jaar van de opleiding gespreid wordt
over twee academiejaren. De student krijgt zo de kans om zich gedurende een
langere periode in te werken en zich geleidelijker aan te passen aan de vereisten
van het hoger onderwijs. Tijdens de eerste twee academiejaren organiseert
de hogeschool remediëring en coaching naast de gewone lesuren. Het derde
en het vierde jaar volgen de studenten die kiezen voor een begeleide leerroute
gewoon het tweede en het derde jaar van de opleiding. De hogeschool organiseert
verder remediëring en coaching, doch deze remediëring en coaching
nemen aanzienlijk minder tijd in beslag.
De studenten die kiezen
voor een begeleide leerroute worden tijdens het eerste en het tweede academiejaar
ingeschreven als gewone deeltijdse studenten. Zij zijn dus slechts voor 50%
financierbaar. In het derde en vierde jaar van hun leerroute worden zij ingeschreven
als voltijdse studenten en zijn zij ook voor 100 % financierbaar.
Deeltijdse studenten krijgen
nu geen studietoelage. Deze regel is in strijd met het emancipatorisch proces
dat het decreet over de hogescholen wenst op gang te brengen. De regelgeving
over de studietoelagen zou hierop moeten aansluiten. Studenten hebben recht
op kinderbijslag als zij een minimumprogramma van 13 uur per week kunnen
voorleggen. Bij de organisatie van een verlengde leerroute houden de hogescholen
best rekening met dit gegeven.
Allochtone studenten moeten
uitdrukkelijk de kans krijgen om te starten in de gewone opleiding en ten
laatste onmiddellijk na de partiële examens eventueel in te stappen in
verlengde leerroute op basis van de eerste resultaten.
4.4.3 Als tweede kans (3)
Het hogeschooldecreet biedt
hogescholen de mogelijkheid om hun opleidingen deeltijds te organiseren. Deze
vorm biedt aan studenten de kans om halftijds te studeren, eventueel gecombineerd
met een deeltijdse job. Voor sommige allochtone studenten waarvoor voltijds
studeren om één of andere reden niet haalbaar is, kan dit de
enige mogelijkheid zijn om het diploma van leraar te behalen. De hogescholen
moeten hen daartoe de kans bieden en zouden deze studenten best op dezelfde
wijze ondersteunen als de allochtone studenten die kiezen voor een voltijdse
opleiding.(4)
4.5 De cruciale rol van
de coaching
Uit wat we leerden van het
project alternerende opleiding blijkt de cruciale rol van coaching bij de
begeleiding en ondersteuning van allochtone studenten in de lerarenopleiding
aan de hogescholen.
Het lijkt ons evenwel logisch
dat een hogeschool slechts middelen kan krijgen voor coaching van allochtone
studenten die op advies van het deliberatieteam zelf coaching vragen. En enkel
op voorwaarde dat die hogeschool zich van bij de start engageert om deze
studenten een aangepaste coaching te bieden. Dit engagement kan bijvoorbeeld
blijken uit de organisatie van een voorbereidende cursus zoals wij die hierboven
beschreven hebben.
De Vlor wijst in dit verband
op de bijkomende meerwaarde van coaching door een lid van de eigen gemeenschap.
Zij wil wel benadrukken dat, in de context van een hogeschool, zo’n coach
alleen goed kan functioneren als hij of zij zelf over een diploma beschikt
dat recht geeft op een gewone tewerkstelling in de hogeschool en liefst ook
effectief lesgeeft in de betrokken hogeschool.
De begeleiding door een
coach is niet alleen rechtstreeks gericht op de allochtone student, maar gebeurt
ook onrechtstreeks door middel van coaching van de andere opleiders bij hun
omgang met allochtone studenten.
Voor de organisatie, de
vorm en de inhoud van de coaching kunnen de hogescholen zich inspireren op
de modellen die ontwikkeld werden tijdens het project alternerend opleiding
en in het doorstromingsproject van de tweede graad. De concrete methodische
uitwerking van deze coaching is een opdracht voor de hogescholen zelf.
3 Het decreet van 13 juli
1994 biedt aan de hogescholen een decretale basis om hun opleidingen zowel
voltijds als deeltijds te organiseren. Een voltijds student schrijft zich
per academiejaar in voor alle onderwijs- en andere studieactiviteiten van
een volledige studiejaar, verminderd met de eventuele vrijstellingen. Een
deeltijds student schrijft zich per academiejaar in voor de helft van de onderwijs-
en andere studieactiviteiten van een volledig studiejaar. Deze formule biedt
bijkomende kansen aan allochtonen die een lerarendiploma willen behalen,
eventueel in combinatie met een deeltijdse tewerkstelling, op voorwaarde
dat ook hier mogelijkheden voorzien worden voor coaching.
5 Stemming
De algemene raad van de
Vlaamse Onderwijsraad keurde dit advies goed in aanwezigheid van 26 stemgerechtigde
leden. 19 leden stemden voor, 7 leden onthielden zich bij de stemming.
administrateur-generaal
: Jacques Perquy