JAARTAL - NIEUW - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - Z allochtonen , armoede , bahá'í , bijbeluitleg , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts , fundamentalisme , globalisering en antiglobalisering , hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , islam , jodendom , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , migratie , racisme , samenleving , sikhisme , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen , |
| levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs |
| Andersgelovigen
en katholiek onderwijs , Stichting Echelon en levensbeschouwelijke
communicatie , interculturele en interreligieuze
communicatie op de basisscholen in Rotterdam , - interreligieus leren
(van het net geplukt) , interreligieus leren in opvoeding en onderwijs
(Bert Roebben) , interreligieus leren op de Brede School (Rotterdam) ,
interreligieuze school Ede, islamitisch
godsdienstonderricht (Aanzetten tot een leerplan
Islamitisch Godsdienstonderwijs in de basisschool) , islamitische scholen
in Nederland, katholiek godsdienstonderricht , katholiek onderwijs
, Wat
ons bindt (Frank Siddiqui) Islamonderricht op katholieke scholen, dossier islamonderricht en moslims in het katholiek onderwijs, http://www.flwi.rug.ac.be/cie/dossierkatholiek.htm . kerkelijke regelgeving, http://www.flwi.rug.ac.be/cie/katholiek3.htm staatkundige regelgeving, http://www.flwi.rug.ac.be/cie/katholiek1.htm . toestemming om islamonderricht op katholieke scholen te geven (1978), concrete richtijnen (1986), visietekst (1996): http://www.flwi.rug.ac.be/cie/katholiek10.htm . werknota (1998): http://www.flwi.rug.ac.be/cie/katholiek11.htm . uitvoeringsnota 6 (2000): http://www.flwi.rug.ac.be/cie/katholiek12.htm . wet van 17 juni 1997 (personeelsformatie, voorstellen van prof. Verstegen om het conflict in Heusden-Zolder ten gevolge van het uitdoofbeleid op te lossen (2000) |
1.2 Vraagstelling 8
1.3Kaderstelling8
1.4Doelstelling
van het project9
2Begripsverheldering11
2.1Interreligieus
leren11
2.2Brede
School11
3Het
project15
3.1
Consultatie van de Werkgroep Interreligieus Leren15
3.2
Onderzoek op ‘voorloper’-scholen15
4De
‘voorloper’-scholen17
4.1Het
plan van aanpak op de beide ‘voorloper’-scholen17
4.2Verslag
van het onderzoek op de Da Costa school19
4.2.1
De Da Costa school19
4.2.2
De Da Costa-school als ‘voorloper’-school20
4.2.3
De Da Costa-school als Brede School21
4.2.4
De Da Costa-school en interreligieus leren22
4.2.5
Da Costa-school: Brede School en interreligieus Ieren26
4.2.6
Samenvattend27
4.2.7
Knelpunten en succesfactoren27
4.3Verslag
van het onderzoek op de KBS Valentijn29
4.3.1
De Valentijn-school29
4.3.2
De Valentijnschool als ‘voorloper’-school31
4.3.3
De Valentijnschool als Brede School32
4.3.4
De Vale2tijnschool en interreligieus leren34
4.3.5
De Valentijnschool: Brede School en interreligieus leren35
4.3.6
Samenvattend35
4.3.7
Knelpunten en succesfactoren35
5Conclusies
en aanbevelingen37
5.1Conclusies37
5.2Aanbevelingen39
Bijlagen43
1Lijst
met ideeën over ‘Interreligieus Leren in de Brede School’45
2Interview
met de directeur van de Da Costa-school51
3De
themamappen van de Da Costa-school55
3.1
Beschrijving van de themamappen55
3.2
Voorbeelden van thema’s uit de themamappen57
3.3
Voorbeeld van een lesopzet voor één week ‘Kring, godsdienstonderwijs
en
Sociaal-emotionele
ontwikkeling’58
4Gesprek
met een leerkracht over het gebruik van de themamappen in groep 3/459
5Het
gebruik van de themamappen in de groep 6/7/861
5.
1 Verslag van een thematische (kring-)les van een leerkracht van groep
6/7/861
5.
Gesprek met twee leerlingen over de ‘kring’62
5.3
Gesprek met een leerkracht over het gebruik van de themamappen in
groep
6/7/863
6.Een
moeder over het thematische godsdienstonderwijs op de Da Costa school67
7.Een
leerkracht over zijn functie als interne Brede School-coördinator69
8.De
externe Brede School-coördinator71
9Gesprek
met een directeur en een leerkracht (tevens BS-coördinator) over
de
ideeënlijst73
10.De
districtscatecheet77
Personalia
auteurs81
Adressen81
De
droom
‘Wat
heel leuk zou zijn? Als we weer die ouderwetse, gezellige volksbuurt zouden
krijgen. En als je ziet op het openingsfeestje van het schoolpleintje,
hoe alles dan wel met elkaar
kan praten, van Poolse vrouw tot Kaap Verdiaans, Surinaams, Marokkaan,
Turk, als je dan ziet hoe dat met elkaar omgaat en als je ziet dan hoe
de kinderen met elkaar spelen...’
‘Ja’,
werpt iemand tegen, ‘maar dat is nooit geen probleem geweest, kinderen...’.
Het
gesprek gaat verder: ‘Waarom zouden wij daar dan wel een probleem van maken?’ [1]
De
populatie in oude stadswijken zoals de Afrikanerwijk in Rotterdam is de
laatste decennia veranderd van een monoculturele overwegend blanke arbeidersbevolking,
naar een multiculturele en veelkleurige bevolking met een hoog werkeloosheidspercentage.
De cultuur in de wijk veranderde van een ‘arbeiderscultuur’, naar een ‘werkeloosheidscultuur’.
De trek van maatschappelijk succesvollere bewoners naar de ruimer opgezette
nieuwbouwwijken, en de komst van ‘gastarbeiders’ deden de buurt geen goed[2].
Initiatieven als het ‘Opzoomeren'[3],
gericht op het schoner en veiliger maken van de buurt, hebben er toe bijgedragen
dat aan de verloedering van de wijk een halt werd toegeroepen.
De
school heeft in die gebeurtenissen in de buurt een geheel eigen plaats.
De school kan in een dergelijk proces de rol vervullen van ‘mediator of
change’, bemiddelaar in verandering. In Doing the Ethnography of Schooling
beschrijft Alan Peshkin hoe de scholen als ‘comfortable places both
for children and for their parents’ de juiste instantie zijn om veranderingen
te initiëren en te begeleiden.
De
scholen vinden hun aanknopingspunten bij de kinderen - ‘dat
is nooit geen probleem geweest, kinderen… - en
schakelen daarbij de betrokken volwassenen in. Zo ontstaat een samenwerking
van ‘bondgenoten’, waarbij de gerichtheid op gemeenschappelijke belangen
bestaande tegenstellingen probeert de overbruggen: de toekomst van de kinderen
brengt buurbewoners samen van verschillende etnische en culturele achtergronden.
Zij geven een nieuwe invulling aan de solidariteit in ‘de ouderwetse, gezellige
volksbuurt’. Daarmee concretiseren scholen één van de aanbevelingen
zoals De Jong & Verkuyten die formuleren: ‘Vandaar dat het noodzakelijk
is dat concrete initiatieven ontwikkeld worden rond specifieke problemen- zoals
vervuiling, vandalisme en criminaliteit - waarbij de bewoners als buren
of als mensen die in dezelfde straat wonen, nieuw praktijken trachten te
ontwikkelen'[4].
In dit geval bestaat het specifieke probleem uit de na-schoolse tijdsbesteding
van de kinderen, en zijn de leerkrachten, buurthuiswerkers en ouders als
betrokkenen bij dat probleem elkaars bondgenoten.
Bij
de initiatieven van de scholen is de onderwijsachterstandbestrijding de
richtlijn[5].
De act4iteiten die in het kader van de ‘Brede School’ ontwikkeld worden
staan ten dienste van het onderwijs; de na-schoolse act4iteiten zijn onderwijsondersteunend.
De
act4iteiten betreffende het schoolgebonden en na-schoolse leren van kinderen,
verenigen zich in het begrip de ‘Brede School’. Een ‘Brede School’ is een
school die een externe oriëntatie kent; bereid is, en creatief zoekt
naar mogelijkheden, om deze netwerken bij het vormgeven van het eigen onderwijs
(juist ook op het micro-n4eau in het onderwijsleerproces) te betrekken.
Het ideaal is een vervlochtenheid van het schoolse leven in de wijk, waardoor
het als ‘normaal’ wordt ervaren dat bijvoorbeeld ouders, of dat wat zich
afspeelt in-de-vrije-tijd of in de omgeving-van-de-school betrokken is
op het schoolse leven (en andersom).
De
school neemt daarin het initiatief en zoekt passende bondgenoten. De Operatie
Speel Goed project, inclusief de daaraan participerende medewerkers, kunnen
tot bondgenoot worden, maken ook het schoolmaatschappelijk werk, evenals
de districtscatecheet. De term ‘breed’ doelt op ‘de brede aandacht van
het schoolteam voor andere leefgebieden van de leerlingen en op de daaruit
voortvloeiende samenwerking met instanties buiten de school'[6].
Een belangrijk uitgangspunt bij de ‘Brede School’-gedachte is de eigen
sterke kanten van de betrokkenen: leerlingen, leerkrachten, ouders en andere
bondgenoten optimaal te benutten. Dit centraal stellen van de eigen sterke
kanten brengt met zich mee dat de ene ‘Brede School’ de andere niet is.
‘Niemand kan alle thema’s tegelijk aanpakken, er zijn keuzes nodig en argumenten
voor die keuzes’, aldus Kriens in een interview[7].
Eén
van die keuzen is de keuze voor het interreligieuze leerproces als één
van de processen die mogelijkerwijze bijdragen aan de realisering van doelstellingen
van de ‘Brede School’. Daarover gaat dit verkennende project.
De
vraagstelling die als uitgangspunt voor het onderhavige onderzoeksproject
geldt, luidt als volgt. Hoe kunnen op Rotterdamse scholen interreligieuze
leerprocessen vorm krijgen, op zodanige wijze dat daarin doelstellingen
van het Rotterdamse beleidsconcept ‘De Brede School’ worden gerealiseerd?
Voor
een toelichting op de doelstellingen van De Brede School wordt verwezen
naar de beknopte beschrijving onder hoofdstuk 2 en de in een ander verband
in opdracht van DSO ontwikkelde rapporten.[8]
Het
exploratieve onderzoeksproject Interreligieus Leren in de Brede School
is uitgevoerd door Centrum voor Interreligieus Leren (CIL) van de Vakgroep
Sociaal-Wetenschappelijke Vakken van de Theologische Faculteit van de Un4ersiteit
Utrecht in opdracht van de Dienst Stedelijk
Onderwijs
(DSO) van de Gemeente Rotterdam. DSO en CIL ‘kennen’ elkaar van werkzaamheden
rond de Rotterdamse Werkgroep Interreligieus Leren. Een opdracht aan het
CIL tot het doen van een exploratief onderzoek naar processen van interreligieus
leren op Rotterdamse scholen (in het kader van het beleidsconcept De Brede
School) lag en ligt in het verlengde van deze samenwerking.[9]
Het
Rotterdamse beleidsconcept ‘De Brede School’ is het formele kader van het
onderzoeksproject. Binnen dit kader is besloten om het thema interreligieus
leren verder uit te werken als een nadere, meer concrete verkenning en
invulling van het beleidsconcept ‘De Brede School’. De achterliggende gedachte
is de uitwerking van een concreet thema ter hand te nemen volgens strategieën
van De Brede School en dit onderzoeksmatig te volgen. Aldus wordt niet
onderzoek verricht over
een concept van onderwijs, maar onderwijs
ontwikkeld vanuit
een concept.
De
act4iteiten die in het kader van het project ontplooid worden beogen het
volgende:
-Het
samenbrengen van ideeën die bij verschillende personen en instanties
leven ten aanzien van interreligieus leren op de basisschool in het kader
van de Brede School. De samen te stellen ‘Lijst met ideeën’
kan van dienst zijn voor scholen die zich oriënteren op interreligieus
leren en De Brede School en wordt in het vervolg op het project naar scholen
toe gecommuniceerd;
-Inzicht
te krijgen in het proces rond de waardering en uitvoering van ideeën
in de specifieke context van de betreffende onderzoeksscholen. De gekozen
onderzoeksopzet maakt het mogelijk knelpunten en succesfactoren
op te sporen, die in de loop van de tijd in de uitvoering van de ideeën
op de onderzoeksscholen een rol spelen;
-Een
voorbeeld te stellen aan scholen die vergelijkbare onderwijsvernieuwingsprocessen
in gang willen zetten. De presentatie van het organisatorisch en onderwijskundig
handelen van een tweetal ‘voorloper’-scholen ten aanzien van de realisering
van interreligieuze leerprocessen, waarin de gedachte van De Brede School
tot uiting komt, kan andere scholen stimuleren tot keuzen, waarbij
zij kunnen leren van de faciliterende dan wel belemmerende factoren die
op beide scholen een rol hebben gespeeld;
-Aanbevelingen te
doen ten aanzien van de nadere professionalisering van ind4iduele
leerkrachten en teams wat betreft het interreligieus leren in de (brede)
basisschool.
Alvorens
in te gaan op de uitvoering van het onderzoek en de resultaten daarvan,
willen we de centrale begrippen binnen het project, te weten ‘Interreligieus
leren’ en ‘De Brede School’, als volgt nader verduidelijken.
Tijdens
de gesprekken met de Werkgroep Interreligieus Leren bleek de term ‘interreligieus
leren’ tot misverstanden te leiden. De term lijkt te suggereren dat alleen
religieuze levensbeschouwingen een plaats krijgen in de beoogde
leerprocessen — waarmee
niet-religieuze
levensovertuigingen buiten beschouwing zouden blijven.
Onder
interreligieus leren verstaan wij, in navolging van Andree:
Opvoeding
en vorming van kinderen en jonge mensen in een multiculturele en multireligieuze
samenleving, op een zodanige wijze dat er ruimte is voor de vorming in
eigenheid, openheid naar de ander, en de bereidheid om te leren van en
met elkaar.’[10]
Uit
deze omschrijving blijkt dat we kiezen voor de invulling van interreligieus
leren als ‘een principe, een intentie,
die door concrete
onderwijsmodellen en -methoden heen speelt.[11]
Interreligieus Leren is derhalve niet een aanduiding voor een expliciet(e)
en eenduidig(e) onderwijsmodel of onderwijsmethode.
Interreligieus
leren vindt naar onze mening plaats daar waar grenzen tussen (al dan niet
godsdienstige) levensbeschouwingen worden overschreden. Het didactisch
handelen van de docent in kwestie is erop gericht dat er dialoogsituaties
in het onderwijs ontstaan, waarin kenmerken van interreligieus leren -als
omschreven- terug te vinden zijn.
Vanzelfsprekend
ligt in het verlengde van de - bijvoorbeeld
binnen een school gehuldigde intentie tot interreligieus leren de kwestie
in welke mate vervolgens deze grenzen overschreden kunnen en behoren
te worden.
De
vragen die hierbij opkomt luiden: op welke wijze geeft de leerkracht vorm
aan dit interreligieuze verkeer over-en-weer? Hoeveel en op welke wijze
kan en mag er expliciet aandacht zijn voor standpunten van anders-gelovigen?
Deze discussie is binnen een brede opvatting van interreligieus leren bepaald
nog niet beslecht en dient onvermijdelijk binnen de school ook te worden
gevoerd.
In
het kader van een sterk naar confessie-verzuild onderwijsbestel, zoals
we dat in Nederland kennen, doemt dan de vraag op naar de plaats van de
‘eigen levensbeschouwelijke overtuiging’: Is één (godsdienstige)
levensbeschouwing uitgangspunt en richtsnoer voor het levensbeschouwelijk
onderwijs - en
de daarmee samenhangende beleidsvorming -, en
wat is in dat geval de positie van de andere (godsdienstige) levensbeschouwing(en)?
Of is het uitgangspunt de gelijkwaardigheid van levensbeschouwingen, de
(eenheid in) verscheidenheid? Kan het zo zijn in de praktijk dat de school
in dezen géén keuze maakt?
De
hoofddoelstelling van het Rotterdamse Brede School programma is het bevorderen
van maatschappelijke zelfstandigheid van kinderen en jongeren in achterstandssituaties.
Bij deverwerving
van deze maatschappelijke zelfstandigheid staan kwaliteiten zoals zelfvertrouwen,
zelfsturend en zelflerend vermogen en samenwerken centraal (Kriens, 1995).
De belangrijkste uitgangspunten van de Brede School zijn: de eigen
kracht van leerlingen, schoolteams, ouders en bondgenoten aanboren en versterken,
Ieren door participeren, en het benutten van verschillen. (...) In
deze visie op de Brede School kunnen de volgende vijf aandachtsgebieden
worden onderscheiden voor het basisonderwijs (Van Eerde en Wouters, 1997,
3-4):
1.Affectief
en effectief schooiklimaat
2.Zorgverbreding
3.Ouders
4.Naschoolse
vrije tijdsbesteding
5.Schoolomgeving
Bondgenoten
in dit verband zijn mensen en instellingen die de school bij haar taken
kunnen ondersteunen, zoals instellingen voor onderwijsvoorrangsbeleid,
kunstzinnige vorming, de bibliotheek, sportverenigingen, instellingen voor
maatschappelijk werk, enzovoorts. ‘Door het bouwen van bruggen tussen school,
thuis en vrije tijd verbreden scholen hun actieradius om bij te dragen
aan de preventie van ontwikkelingsproblemen van kinderen.’ (Van Eerde en
Wouters, 1997)
We
gaan hier kort in op de vijf genoemde aandachtsgebieden.
1.
De Brede School onderscheidt zich door de aandacht voor (eventuele) affectieve
achterstanden, waarmee men doelt op achterstanden in de sociaal-emotionele
ontwikkeling. ‘Binnen de Brede School beschouwt men affectieve en effectieve
schoolaspecten onlosmakelijk met elkaar verbonden. Een affectief schoolklimaat
wordt opgevat als belangrijke voorwaarde voor effectief onderwijs (...).‘ (Van
Eerde en Wouters, 1997; 37).
2.
Leerkrachten dienen te beschikken over goede pedagogisch-didactische vaardigheden
en bereid te zijn deze zo nodig verder te ontwikkelen. Kinderen met leer-
en gedragsproblemen hebben in de dagelijkse onderwijscontext behoefte
aan op dit gebied goed geschoolde opvoeders. ‘Zorgverbreding moet erop
gericht zijn leerlingen met leer- en/of gedragsproblemen in het reguliere
onderwijs op te vangen. (...) Aanvankelijk
werd binnen zorgverbreding veel nadruk gelegd op het verhelpen van leer-
en gedragsproblemen van ind4iduele leerlingen door remedial teachers die
hulpverlening buiten de klas (curs4ering ita) geven. Gaandeweg komt
men tot het inzicht dat deze aanpak alleen niet voldoende is en dat ook
het pedagogisch-didactische handelen van leerkrachten in de klas hierbij
betrokken moet worden.’ (Van Eerde en Wouters, 1997; 51).
3.
Van Eerde en Wouters constateren: ‘Gebleken is dat de onderwijskansen van
kinderen verbeteren wanneer ouders actief betrokken zijn bij de school
en hun kinderen thuis ondersteunen bij het leren’ (Van Eerde en Wouters,
1997; 59). Ouders krijgen daarom op de Brede School een hoofdrol.
Men wil hen enerzijds over het onderwijs informeren en hen actief bij de
school betrekken, alsook hen waar mogelijk in de opvoeding ondersteunen.
Op deze wijze hoopt men een stimulerende omgeving te creëren waarin
de kinderen zich optimaal kunnen ontplooien.
4.
In het kader van de Brede School organiseert men na schooltijd (de ‘verlengde
schooldag’) act4iteiten ‘waar kinderen van laag opgeleide en/of allochtone
ouders over het algemeen van huis uit weinig mee in aanraking komen’. Men
gaat er van uit dat deze act4iteiten een ‘bijdrage kunnen leveren aan schoolsucces. (...) Deze
act4iteiten worden doorgaans opgezet in samenwerking tussen scholen en
instellingen voor sociaal-cultureel werk, opbouwwerk, sportverenigingen,
centra voor kunstzinnige vorming, bibliotheken en centra voor natuur- en
milieueducatie’ (Van Eerde en Wouters, 1997, 71).
5.
De Brede School is bijzonder betrokken bij de buurt waarin ze staat. Omdat
ze veelal gezag heeft en vertrouwen geniet, kan de school de cohesie tussen
d4erse maatschappelijke elementen in de schoolomgeving vergroten. De Brede
School neemt daarom bewust een centrale positie in de wijk in. Voorbeelden
van deze betrokkenheid zijn het bevorderen van veiligheid op school en
in de wijk, en het creëren van ontmoetingsplaatsen voor ouders (Van
Eede en Wouters, 1997; 79, 80).
Bovenstaande
omschrijving suggereert dat het Brede School-concept in het primair onderwijs
uniform gestalte krijgt. In de praktijk blijkt echter, dat het concept
uiteenlopend omschreven éningevuld
wordt. Het begrip roept bij d4erse mensen verschillende associaties op.
In de Volkskrant van 27 juli 1998 bijvoorbeeld hanteert een journalist
een uitermate ‘smalle’ definitie van de Brede School: hij noemt een school
‘breed’, omdat de school tot negen uur ‘s avonds open blijft als sociaal-cultureel
centrum voor kinderen en volwassenen. Het moge duidelijk zijn dat andere
interpretaties denkbaar zijn .
De
geïnterviewden van de ‘voorloper’-scholen geven een beschrijving van
hun school als ‘Brede School', waarin verschillende van de hierboven genoemde
elementen een plaats krijgen, maar waarin ook geheel nieuwe aspecten zijn
opgenomen. Wij komen daar bij de beschrijving van de beide onderzoeksscholen
op terug.
Het
onderzoeksproject valt in grote lijnen uiteen in een tweetal activiteiten,
te weten:
-Een
gerichte consultatie van de Rotterdamse Werkgroep Interreligieus Leren
middels een brainstormsessie en discussie; en
-Een
verkennend onderzoek naar de implementatie van een aantal ideeën op
een tweetal zogenaamde ‘voorloper’-scholen.
Het
onderhavige onderzoeksproject nam een aanvang met een gerichte consultatie
van de Werkgroep Interreligieus Leren. De werkgroep, die vergadert onder
leiding van de projectleider Onderwijs/Integraal Jeugdbeleid van de Dienst
Stedelijk Onderwijs (DSO), heeft tijdens de bijeenkomsten op 29 oktober
1997 en op 28 november 1997 met de aanwezige leden gewerkt aan de vraagstelling,
zoals die onder 1.2 is genoemd. Het belangrijkste agendapunt betrof de
zogenaamde ‘geleide brainstorm’ met de aanwezige leden over de manier waarop
idealiter interreligieus leren in het kader van de Brede School op Rotterdamse
basisscholen zijn beslag zou kunnen krijgen. Een belangrijk criterium waaraan
de ideeën moesten voldoen was dat elke suggestie concreet en uitvoerbaar
moest zijn. De bijeenkomst leverde een uitgebreide ‘lijst met ideeën’
op om te komen tot vormgeving van Interreligieus Leren in de Brede School.
De
lijst, die is bijgevoegd als Bijlage 1, is een belangrijke verworvenheid
van het uitgevoerde project, in de eerste plaats als opbrengst van het
project (de lijst met ideeën is het zonder meer waard om bekend gemaakt
te worden in de Rotterdamse scholen als vrijblijvende suggestie); in de
tweede plaats ook omdat de lijst met ideeën het uitgangspunt vormt
voor het verdere verloop van het project, in casu het verkennende onderzoek
op de ‘voorloper’-scholen.
Na
het overleg en de brainstorm in de werkgroep, is contact gelegd met een
aantal Rotterdamse scholen, waarvan bij DSO de indruk bestaat dat zij vergevorderd
zijn in de realisering van het Brede School concept (‘voorloper’-scholen).
In het overleg tussen de scholen en het onderzoeksteam is nagegaan
of de betreffende scholen geïnteresseerd waren in het organiseren
en uitvoeren van enkele van de ideeën zoals die zijn gegenereerd door
de Werkgroep Interreligieus Leren.
Na
een aanvankelijke verkenning werden de protestants-christelijke Da Costa
school en de rooms-katholieke Valentijnschool geselecteerd. Beide
scholen toonden zich vervolgens bereid aan het onderzoek mee te werken.
In
een later stadium werd duidelijk dat de participatie van ook een openbare
basisschool
de resultaten van het onderzoek een meer evenwichtige basis zou kunnen
geven (‘van elke grote zuil één school’). Hoewel de middelen
hiervoor konden worden gereserveerd, kon op de relatief korte termijn geen
openbare school worden gevonden die zich bereid verklaarde aan het onderzoek
mee te werken. Nadat diverse negatieve reacties in dat verband waren ontvangen
(reden: hoge werkdruk), is ervoor gekozen uitsluitend met de beide reeds
geselecteerde scholen het traject voort te zetten.
In
de startgesprekken op de beide scholen bleek dat een aantal van de geformuleerde
ideeën reeds in praktijk gebracht werd. Besloten werd — na
beraad in het onderzoeksteam en in overleg met de betreffende scholen en
de opdrachtgever - om
niet een nieuwe implementatie van ideeën na te streven en te bestuderen,
maar om gericht te bestuderen op welke wijze door de werkgroep gegenereerde
ideeën in de alledaagse onderwijspraktijk werden en worden uitgevoerd,
gerelateerd aan de specifieke omstandigheden waarin de betreffende school
verkeert. De context van de school immers bepaalt de unieke wijze waarop
een idee praktisch gestalte krijgt. Daarnaast is aandacht besteed aan het
proces rond het uitvoeren van die ideeën — de
faciliterende dan wel belemmeren~ factoren.
Over
het onderzoek op de beide ‘voorloper’-scholen wordt gerapporteerd in hoofdstuk
4.
In
de vorige paragraaf is een globale beschrijving gegeven van de act4iteiten
die in het kader van dit project zijn ondernomen. In dit hoofdstuk beschrijven
we het verloop van het onderzoek op de beide ‘voorloper’-scholen.
Zoals
gesteld zijn voorafgaand aan interviews met -onder anderen- directeuren
en leerkrachten van twee (Brede) scholen voor primair onderwijs in Rotterdam,
de leden van de Rotterdamse Werkgroep Interreligieus Leren geconsulteerd.
De met die werkgroep opgestelde ‘lijst met ideeën’ (zie Bijlage 1)
vormt het uitgangspunt van het verdere onderzoek. Daarmee wordt de onderzoeksvraag
(zie paragraaf 1.2) nader geconcretiseerd:
Op
welke manier, en onder welke voorwaarden, hebben ideeën van de ‘Lijst
met ideeën’ (aangaande interreligieus leren in het kader van ‘De Brede
School’) reeds vorm gekregen op Rotterdamse scholen voor primair onderwijs;
en welke ideeën van die lijst acht men onder bepaalde voorwaarden
realiseerbaar?
De
werkgroep en in een later stadium DSO noemden een aantal scholen die men
als ‘voorloper’-school zou kunnen beschouwen. Uiteindelijk worden twee
scholen geselecteerd en bereid gevonden aan het onderzoek deel te nemen:
de Protestants-Christelijke Da Costa School en de Rooms-Katholieke Valentijn
school.
In
een eerste gesprek op deze beide ‘voorloper’-scholen bleek dat een aantal
ideeën uit de lijst reeds hun weg naar de praktijk gevonden hadden.
Het thematisch onderwijs (idee nr. 5) bijvoorbeeld neemt
op beide scholen een belangrijke plaats in: op de Da Costa school vormen
thema’s de rode draad door het godsdienstonderwijs; op de Valentijnschool
is het taalonderwijs rond thema’s opgebouwd.
In
de gesprekken op de beide ‘voorloper’-scholen zijn de volgende punten terugkerend
onderwerp van gesprek:
-de
manier waarop ideeën uit ‘de lijst met ideeën’ uitgevoerd worden
in de context van die specifieke school;
-de
haalbaarheid/realiseerbaarheid van (nog) niet gerealiseerde ideeën
uit ‘de lijst met ideeën’
Op
de Da Costa school vinden de volgende onderzoeksact4iteiten plaats met
het oog op de beantwoording van de nader gespecificeerde onderzoeksvraag
(zie boven):
1.De
bestudering van de themamappen voor het godsdienstonderwijs (van groep
3/4 en van groep 6/7/8); titel: ‘Kring, Godsdienstonderwijs en Sociaal-Emotionele
Ontwikkeling’;
2.Afzonderlijke
interviews met de directeur en twee leerkrachten;
3.De
observatie van een tweetal godsdienstlessen;
4.Afzonderlijke
interviews met twee kinderen en een ouder.
Op
de Valentijnschool vinden de volgende onderzoeksact4iteiten plaats:
1.Afzonderlijke
interviews met de interne en de externe ‘Brede School-coördinator’;
2.De
bestudering van het document ‘de wijk levensbeschouwelijk in kaart gebracht’;
3.Reflectie
op de ‘lijst met ideeën’ met de interne ‘Brede School-coördinator’
en de directeur gezamenlijk;
4.Interview
met de bij de school betrokken districtscatecheet.
De
bijlagen 2 t/m VI hebben zijn gebaseerd op de activiteiten op de Da Costa
school. De bijlagen V2 t/m X corresponderen met de Valentijnschool. In
de nu volgende presentatie van de
bevindingen
wordt regelmatig naar de betreffende bijlagen verwezen. De hoofdtekst is
voor het overgrote deel gebaseerd op de meer gedetailleerde beschrijvingen
in de bijlagen.
DeDa Costa-school
is gehuisvest in een gerenoveerd gebouw van drie verdiepingen aan de Johannes
Brandstraat in de Afrikanerwijk. De school heeft een kleine ommuurde speelplaats.
Naast de school is een grotere open speelplaats.
De
Da Costa-school is één van de scholen vallend onder de Stichting
voor Protestants Christelijk Basisonderwijs (PCBO) te Rotterdam Zuid. In
de schoolkrant wordt de identiteit van de school als volgt geformuleerd: ‘... Elk
kind trachten we datgene, waarop het recht heeft, te geven, om een volwaardig
lid van onze samenleving te kunnen worden. Dit alles in het besef, dat
we Gods hulp daarbij hard nodig hebben. We weten dat er ook ouders zijn
die hun kind aan onze zorg hebben toevertrouwd zonder dat ze zelf christelijk
zijn. Deze ouders, en ook hun kinderen, zijn op onze school van harte welkom’.[12]
In de school is de aanwezigheid van kinderen van verschillende culturen
onder meer herkenbaar in de wandversieringen. Het team is multicultureel
van samenstelling.
De
school telt 40 leerkrachten en 308 leerlingen. De school kent een buurtmoeder,
een betaalde kracht die als aanspreekpunt fungeert voor de moeders. Zij
vangt signalen op en thematiseert die zonodig op ouderochtenden. Twee parttime
maatschappelijk werksters zijn wekelijks op school aanwezig.
De
school straalt een ongeorganiseerde vriendelijkheid uit. De sfeer is tastbaar
en zichtbaar in de collegiale omgang van de leerkrachten onder elkaar,
en de vriendschappelijke wijze van benaderen van stoeiende leerlingen en
kinderen die in een hevige woordenwisseling verwikkeld zijn. De Da Costa-school
is een Jenaplanschool, hetgeen betekent dat kinderen bij elkaar zitten
in stamgroepen samengesteld uit kinderen van verschillende jaargroepen.
Deze op onderwijskundig concept gestoelde Organisatie brengt met zich mee
dat leerkrachten op differentiatie naar leerling-n4eau ingesteld zijn.
De
directeur geeft op een informele manier leiding aan het team, en getuigt
van een grote betrokkenheid op zijn leerkrachten en leerlingen. Door zijn
manier van leiding geven legt hij grote vrijheid en verantwoordelijkheid
bij de leerkracht. Hij coacht zijn team tussen neus en lippen door, en
wie behoefte heeft aan intensievere begeleiding kan bij hem terecht. Hij
richt zijn aandacht en zijn blik op wat er kan, wat leerkrachten aankunnen,
wat ontwikkelingsmogelijkheden van leerlingen zijn, hoe ouders kunnen participeren.
Van verschillen tussen kinderen, ouders of leerkrachten onderling maakt
hij geen probleem. Hij waardeert ze daarentegen positief. De directeur
is de samensteller van de thema-mappen, waarover hij met de klankbordgroep
contact heeft, en die door de oudercommissie geëvalueerd worden.
De
gesprekken met collega’s over de aanpak van de thema’s uit de themamappen
zijn meestal informeel van aard: in de gang na de lessen of op het schoolplein.
Men ervaart een grote betrokkenheid van alle collega’s op elkaars functioneren.
De directeur wordt beschouwd als degene die de sfeer van verbondenheid
op school stimuleert en draagt. Er is slechts een geringe afstand tot de
directeur, en het team ervaart dat als prettig. Als een leerkracht bijvoorbeeld
iets in de thema-lessen wil veranderen kan hij of zij dat aan de klankbordgroep
doorgeven, maar ook rechtstreeks ‘in de wandelgangen’ even bespreken met
de directeur. De houding van de directeur, en (dus) ook de houding van
de teamleden, wordt gekenmerkt door een positieve instelling: naar de goede
kanten van iemand willen kijken, en je waardering daarvoor uitspreken,
op zoek gaan naar de mogelijkheden in plaats van naar de barrières,
zorg hebben voor elkaar.
De
leerlingen zitten in zogenoemde stamgroepen, groepen waarin kinderen van
drie verschillende jaargroepen zijn opgenomen.
De
leerlingenpopulatie bestaat uit kinderen van zo’n 20 nationaliteiten.'[13]
Niet alleen wat de leerlingen op school presteren, maar ook wat zij beleven
en ervaren - zowel
in de school als daar buiten - heeft
de belangstelling van de leerkrachten.
Het
team van leerkrachten bestaat uit mensen van 6 nationaliteiten'[14],
9 mannen en 31 vrouwen. Er werken 20 leerkrachten fulltime, en 20 parttime.
De
leerkrachten besteden veel aandacht aan de sociaal-emotionele ontwikkeling
van kinderen. In (vaak informele) gesprekken van de directeur met afzonderlijke
leerkrachten kunnen de leerkrachten hun verhaal over ervaringen met de
kinderen in de klas kwijt. De directeur coacht en geeft adviezen. Op eigen
initiatief hebben een aantal leerkrachten cursussen gevolgd om verschillen
tussen kinderen te leren zien, om die verschillen te erkennen en er op
een goede, vruchtbare manier mee om te kunnen gaan.
Tijdens
twee studiedagen in het schooljaar 1996/1997 is het kringgesprek (waarin
levensbeschouwelijke thema’s aan de orde kunnen komen) in het team bestudeerd,
en is men op zoek gegaan naar een nieuwe aanpak daarin, nieuwe werkvormen
om het gesprek tussen kinderen onderling, en tussen kinderen en leerkracht,
meer gestructureerd te laten plaats vinden. Uit het team is een ‘klankbordgroep’
samengesteld, een groepje leerkrachten waarmee de directeur jaarlijks de
nieuw ontwikkelde versie van de themamappen voor het thematisch godsdienstonderwijs
bespreekt. In het schooljaar 1997/1998 is het thematisch godsdienstonderwijs
in een voltallige teamvergadering uitvoerig geëvalueerd. In die vergadering
is door de leerkrachten voorgesteld om in de nieuwe themamappen minder
aandacht te besteden aan de verhalen uit de Bijbel (en dan vooral het Oude
Testament), omdat kinderen daar nauwelijks mee in aanraking komen, en het
dientengevolge vrijwel in het geheel niet aansluit bij de belevingswereld
van de leerlingen. Men pleitte voorr opname van het Chinese Nieuwjaar in
de themamappen, evenals het onderwerp ‘bidden’, en een aantal lessen over
‘waarden en normen’.
De
school wordt beschouwd als een ‘voorloper’-school omdat zij reeds een groot
aantal ideeën van de ideeënlijst realiseert in haar vormgeving
aan de Brede School en Interreligieus Leren:
Idee
nr. 5, betreffende
thematisch onderwijs, neemt een prominente plaats in in deze school. In
de thema’s worden leefwereldaspecten en godsdienstige elementen op elkaar
betrokken. Waar in de ideeënlijst gesproken wordt van ‘expliciete
reflectie van de ind4iduele docent op de eigen levensbeschouwelijke achtergrond’,
zijn deze themamappen juist ontstaan vanuit het gevoel dat die expliciete
reflectie dreigde te polariseren. De themamappen zoals die zijn ontstaan
in de loop van de jaren, zorgen voor de rode draad door de lessen en vormen
een verbindingslijn tussen de leerkrachten; de globale uitwerking ervan
geeft elke ind4iduele leerkracht de ruimte om een eigen accent te leggen
in de kring. Wanneer een feest een thema vormt, worden ouders ingeschakeld
bij de viering van het feest. Feesten staan ook op de agenda van de medezeggenschapsraad
(MR). Bij het ontwikkelen van de themamappen maakt men gebruik van de (religieuze
vier-)kalender van het Katholiek Pedagogisch Centrum (KPC-groep).
Idee
nr.6 - de
wijk levensbeschouwelijk in kaart brengen - vindt zijn een stukje concretisering
in de nauwe relatie tot de buurtwinkel, die in september 1998 in een nieuw
pand dichtbij de school geopend wordt. In deze buurtwinkel krijgt ook de
schoolmaatschappelijk werkster een plaats, en daarmee wordt eveneens vormgegeven
aan idee nr. 7, contact leggen met relevante instellingen en organisaties.
Idee
nr. 15—
rondom het aan leerlingen bijbrengen van sociale vaardigheden - is
vervlochten in de kring: sociale vaardigheden, het leren om gaan met verschillen,
het expliciteren van verschillende normen en waarden, dit alles komt allemaal
impliciet aan de orde in de kring. De leerkrachten hebben een studiemiddag
over het kringgesprek gevolgd en een cursus met de titel ‘Kijken naar kinderen’,
waardoor ‘de kring’ als instrument bewust binnen de school wordt gehanteerd.
Een impliciete realisering van idee nr. 17: het creëren van
ruimte voor het eigen verhaal van het kind, vindt op dezelfde wijze in
de kring plaats.
De
school informeert de ouders regelmatig en op verschillende wijzen over
de act4iteiten op school. De actieve betrokkenheid van ouders (idee
nr. 19- betrek
ouders bij het gesprek over regels op school, normen) krijgt vorm middels
participatie van ouders in ouderraad en MR, en de aanstelling van de buurtmoeder
als contactpersoon tussen ouders en school. De buurtmoeder zorgt er voor
dat zonodig onderwerpen die moeders bij haar ter sprake brengen gethematiseerd
worden (idee nr. 22). Deze buurtmoeder beschikt over een ouderlokaal
(idee nr. 24). Huisbezoeken verstevigen ook de band van de school
met de ouders. De (godsdienstige) feesten viert de school samen met de
ouders (idee nr. 26).
De
geïnterviewden van de Da Costa-school geven de volgende omschrijvingen
van ‘hun’ Brede
School:
Een
Brede School is volgens de directeur van de Da Costa-school een school
die kinderen informeert over elkaars verschillende achtergronden, én
die kinderen leert om daarmee om te gaan. Uit het interview met de moeder
van de Da Costa-school begrijpen we dat voor haar een Brede School een
school is die ook na de officiële lestijd de kinderen een kader aanbiedt
om bezig te zijn. De ‘Brede School’-gedachte, zegt een leerkracht, vind
ik terug in de thema-mappen door de brede aandacht voor de verschillende
levensbeschouwingen en de aandacht voor de sociaal-emotionele ontwikkeling.
Wanneer tijdens een thema-les (bijvoorbeeld over ruzie tussen ouders) blijkt
dat een leerling thuis ernstige problemen heeft, dan benadert deze leerkracht
de ouders. Hij bespreekt het dan met hen tijdens een 10-minuten-gesprek,
of gaat bij de ouders op huisbezoek. De betrokkenheid van de buurt bij
het thematisch godsdienstonderwijs blijkt uit uitnodigingen die de school
ontvangt voor feesten. De berichten over feesten worden aan de kinderen
meegegeven naar school. Daarnaast vertellen kinderen zelf ook regelmatig
over act4iteiten en gebeurtenissen in de buurt. In de pauze gaat deze leerkracht
nog wel eens met zijn kinderen naar een grote speeltuin in de buurt, die
beheerd wordt door wijkbewoners.
Meestal
gebeurt dit als de eigen speelplaats van de school te vol wordt, waardoor
de jongere kinderen in de verdrukking dreigen te raken. De beheerders van
de speeltuin houden de leerkracht ook op de hoogte van wijk-evenementen.
Tussen
de na-schoolse act4iteiten en het thematisch godsdienstonderwijs ziet deze
leerkracht geen uitgesproken relatie.
Een
andere leerkracht zegt: ‘Het ‘Brede School’-karakter van het lesmateriaal
zit in de brede aanpak, die niet alleen op het godsdienstige gericht is,
maar ook op waarden en normen’.
In
de hierboven gegeven omschrijvingen van de Brede School vinden we -met
accentverschillen op concreet n4eau de abstract geformuleerde elementen
uit de Brede School-definitie van het onderzoeksvoorstel terug.
Ouderbetrokkenheid
is in de definitie van de Brede School opgenomen, en wordt ook genoemd
in de ideeënlijst. De Da Costa-school concretiseert dat aspect van
de Brede School door ouders over de act4iteiten van de school te informeren.
Dat gebeurt door middel van de schoolgids, een informatiebulletin en ouderavonden.
De leerkrachten leggen huisbezoeken af, en zonodig wordt er een gesprek
gearrangeerd tussen ouders en school met een van de maatschappelijk werksters.
De oudercommissie evalueert de vieringen van de feesten. Overige act4iteiten
die voor en met ouders georganiseerd worden vallen onder de noemer van
opvoedingsondersteuning. Ouderparticipatie vindt daarnaast plaats middels
deelname aan de schoolcommissie / medezeggenschapsraad. Onder schooltijd
worden ‘leesmoeders’ ingeschakeld.
Van
de ouders noemt zich 48% moslim, 23% geeft aan, geen geloof of levensbeschouwing
te hebben, 17% is hindoe, 11% noemt zich christelijk, waarvan 9% katholiek,
en 1% van de ouders is boeddhist.
De
geïnterviewde moeder heeft zelf op de Da Costa-school gezeten, haar
dochter zit momenteel op deze school. Ze is voorleesmoeder en lid van de
medezeggenschapsraad. In de medezeggenschapsraad komen de volgende onderwerpen
ter sprake: de feesten (de financiële aspecten en de organisatie ervan),
de rapportbesprekingen, uitstapjes en acties die voor en door de ouders
ondernomen worden zoals de actie van Jantje Beton en het uitstapje van
de ouders, en de buurtwinkel - waaronder
het optreden van de buurtmoeder ressorteert, het maatschappelijk werk en
de logopedie. De buurtwinkel wordt in september geopend, en wordt dan ook
een soort ontmoetingsplek voor de ouders.
Haar
dochter vindt de kring in het algemeen ‘heel leuk’. Ze vertelt thuis wat
er in de kring besproken is. Ze praten daar samen over door, en de moeder
zegt ‘ik leer weer van haar’. Eigenlijk vindt ze alle thema’s wel leuk
om met haar dochter over te praten: ruzie, pesten, over het algemeen wat
kinderen meemaken, hoe ze met elkaar om moeten gaan. De moeder is redelijk
op de hoogte van de thema’s van de kring, omdat ze door het maandbulletin
van de school daarover wordt geïnformeerd. Per maand vindt er een
thema-afsluiting plaats, en daarvoor worden de ouders uitgenodigd.
De
dochter neemt deel aan de na-schoolse act4iteiten drama en muziek. Nu ‘doet’
haar dochter de schooltuin. Ze gaat ook naar de speeltuin. Daar brengen
de ouders hun kinderen vaak naar toe, en blijven dan met elkaar praten
terwijl de kinderen spelen. Op die manier hebben de ouders ook contact
met elkaar, en bundelen zij soms hun krachten om invloed op de gang van
zaken uit te oefenen. Zo hebben zij ooit gezamenlijk actie ondernomen tegen
de verkeersonveiligheid in de buurt. Op vrijdagavond gaat ze naar een club,
en dan zitten de ouders ook bij elkaar. Ze gaat ook nog naar andere clubs,
zoals de bijbelclub in de eerste week van de zomervakantie. Dit jaar is
er sprake van een zomerschool, als die er komt zal haar dochter er wel
naar toe gaan.
Over
de veelkleurige leerlingenpopulatie zegt de moeder: ‘Mijn dochter heeft
het niet over ‘buitenlanders’, dat doen wij! Voor de kinderen is dit heel
gewoon’. Ze kent aardig wat Turkse woorden ‘dat is heel goed, dan snapt
ze tenminste waar ze het over hebben’.
De directeur is de architect van het thematisch godsdienstonderwijs. Hij heeft de themamappen ontwikkeld. De themamappen zijn ontstaan uit onvrede met de situatie waarin elke leerkracht op zijn of haar eigen wijze de godsdienstlessen invulde. In een poging lijn aan te brengen in het proces van de religieuze ontwikkeling van de kinderen vanaf groep 1 tot en met groep 8 werden jaarlijks studiedagen georganiseerd over (de eigen) levensbeschouwelijke identiteit. Die dagen leidden niet tot consensus, wel tot de vaststelling dat ieder zijn of haar eigen verhaal heeft wat betreft godsdienst. Wat geïnterpreteerd zou kunnen worden als een gebrek aan eenheid, is opgevat
als
een kracht aan eigen initiatief en mot4atie. De directeur ziet de verschillende
werkwijzen van de diverse leerkrachten als complementair aan elkaar: ‘elke
leerkracht heeft z’n eigen manier van doen, dat moet vooral zo blijven!’.
Om
de eigen verhalen niet naast elkaar te laten bestaan, maar met elkaar in
gesprek te brengen is er een werkgroep ‘Vieringen’ gestart, die zich buigt
over de vormgeving van feesten met een levensbeschouwelijke achtergrond.
De volgende zes feesten werden uitgekozen om in dit kader nader uit te
werken: Kerst, Pasen, Suikerfeest, Offerfeest, Divali en Hou. Met deze
keuze hoopte men recht te doen aan de levensbeschouwelijke achtergrond
van de schoolpopulatie.
Elk
van de feesten kreeg een thema mee. Met dat thema probeerde men de kern
van het betreffende feest te omschrijven. Het thema ‘Geen plaats om je
hoofd neer te leggen’ werd bijvoorbeeld het thema van Kerst. ‘Geen plaats’
betreft dan in de visie van de Da Costa echter niet alleen het kind Jezus
conform het kerstverhaal. Naast het kerstverhaal worden soortgelijke verhalen
uit andere godsdienstige tradities verteld. Op dezelfde manier werd een
christelijk verhaal gezocht bij een islamitisch of hindoeïstisch feest.
‘Geen plaats’ geldt ook voor mensen die zich niet veilig voelen, zoals
zwervers en vluchtelingen. Het thema wordt dus niet alleen in een godsdienstig
kader behandeld, maar vindt ook zijn vertaling in de concrete maatschappelijke
situatie, waardoor de behandeling van het thema een bijdrage levert aan
de sociaal-emotionele ontwikkeling van het kind.
Voor
de bepaling van thema’s ging men onder andere te rade bij de werkgroep
Katechese van het Bisdom Rotterdam. Bij die thema’s zocht men vervolgens
verhalen uit de verschillende levensbeschouwelijke tradities. Allerlei
materiaal werd opgevraagd en daaruit selecteerde men vervolgens onderdelen - verhalen,
gedichten, liedjes, werkvormen - die
gebruikt konden worden. Bij het bepalen van de thema’s was ook een selectiecriterium
dat het thema moest aansluiten bij de belevingswereld van de kinderen.
Na
verloop van tijd bleek déze vorm van thematisch godsdienstonderwijs
niet zo’n succes te zijn. Leerkrachten en ouders herkenden hun eigen feest
er niet meer in, en vonden dat toch wel belangrijk. Ook vond men dat de
christelijke identiteit van de school dreigde te vervagen. Na overleg met
de schoolcommissie is besloten enerzijds in de klas tijdens de godsdienstles
/ kringgesprek op thematische wijze aandacht te besteden aan de grote feesten
van de verschillende godsdienstige tradities, en anderzijds de school-viering
van de betreffende feesten traditioneler (dat is: herkenbaarder) vorm te
geven. Belangrijk vindt men dat de kinderen het verhaal kennen dat bij
het feest hoort, dat ze weten waarom ze vrij zijn. Zo zijn de themamappen
voor de huidige lessen van het godsdienstonderwijs ontstaan: ‘Kring, Godsdienstonderwijs
en Sociaal-emotionele ontwikkeling’.
Er
verschijnen jaarlijks nieuwe themamappen. ‘Het materiaal is nooit af’,
zegt de directeur, ‘mede omdat de kalenders van sommige levensbeschouwingen
een verschu4ing vertonen ten opzichte van de schooljaarkalender’. De sociaal-emotionele
ontwikkeling van de leerling is bij het ontwikkelen van de themamappen
een belangrijk aandachtspunt. De meest gesuggereerde werkvorm het kringgesprek.
Als doel van deze kringgesprekken ziet de directeur: ‘dat de kinderen kennis
nemen van elkaars achtergrond’. De directeur is erg blij dat er nu materiaal
ligt waarmee elke leerkracht de godsdienstles in kan vullen (zie bij lagen
2 en 2I voor een beschrijving van de themamappen).
Op
26 juni1998 vindt observatie plaats van de godsdienstles met als thema
‘leefregels’ (bijlage V). De kinderen komen pratend en stoeiend binnen.
Voetballen is het hoofdonderwerp van gesprek. Eén leerling kruipt
over de tafel om zijn plekje in de kring te kunnen bereiken. De kinderen
vormen een kring om één van de tafelgroepen heen. De ruimte
voor de kring is krap. Wat geroep, ‘schuif eens op’; er wordt een stoel
vrijgelaten voor de juf. Zij staat in de deuropening, en komt als de kring
gevormd is glimlachend binnen. Eén kind wordt nog gemist, ‘die is
te laat, dat weet je toch’. De leerkracht vraagt vervolgens wie er wat
heeft om te bidden. Rusland wordt genoemd, Soedan - de
honger; India en Pakistan in verband met de kernproeven; besmet varkensvlees;
voetbalfans die opgepakt zijn in Frankrijk. De leerkracht gaat steeds even
in op het onderwerp dat door de kinderen wordt aangedragen, licht toe en
haalt het naar de leefwereld van de kinderen wanneer dat mogelijk is, zoals
bijvoorbeeld in het geval van het besmette vlees: daar heeft een meester
vorig jaar last van gehad. Tussendoor komt nog een kind binnen, waarvan
ze weet dat zij nu niet in deze les moet zijn, maar naar de Turkse les
moet gaan. Na deze kleine onderbreking komt de leerkracht terug op het
bidden: wie gaat waarvoor bidden? De beurten worden verdeeld. Zijzelf begint
het bidden, en de kinderen nemen om de beurt het gebed over. Na het gebed
begint de thema-les. Het blijkt dat de kinderen een deel van het verhaal
al eerder gehoord hebben. De leerkracht besluit toch het hele verhaal nu
te vertellen. Dat doet ze gedeeltelijk uit het hoofd, waardoor ze contact
met de groep houdt, en op het moment dat ze merkt dat een woord of zin
niet begrepen wordt, dat kan verhelderen. Tijdens het gesprekje dat naar
aanleiding van het verhaal gevoerd wordt, komen kinderen zelf tot een eigentijdse
vertaling van het verhaal: als je voor een spoedgeval naar het ziekenhuis
moet, rij je toch ook door rood licht!’. Een ander kind zegt: ‘als ze zelf
de pijn van die zieke arm zouden voelen, zouden ze ook wel genezen willen
worden’. Kinderen horen van elkaar dat regels belangrijk zijn, maar dat
soms een andere regel de geformuleerde regel tenietdoet. De regel: zorg
goed voor een zieke, is belangrijker dan de regel van het rode stoplicht.
En: als je je zelf verplaatst in de positie van de ander, dan wordt vanzelf
duidelijk welke regel in die bepaalde situatie het belangrijkst is. Eigentijdse
exegese en sociaal-emotionele ontwikkeling gaan tijdens dit gesprek hand
in hand. Na het gesprek deelt de leerkracht het werkblad dat bij deze thema-les
hoort, uit. Ze vraagt aan de kinderen te kijken naar de regels en te zeggen
welke regel goed bij het vertelde verhaal past. De kinderen ontdekken al
pratend en luisterend naar elkaar, dat de regels zowel uit de koran als
uit de bijbel komen ‘ze zijn hetzelfde, alleen een ander woordgebruik’.
Misverstanden over en weer over bijvoorbeeld het geven van geld, dan wel
een schaap, tijdens de Ramadan, komen al pratend aan bod. De kinderen ontdekken
dat de intentie in beide gevallen hetzelfde is. Na dit gesprekje vertelt
de leerkracht het tweede deel van het verhaal van deze les. Ze let er steeds
op zinsneden die voor de kinderen te moeilijk zijn tevertellen
in hun eigen woorden. Een kind begint het wat te lang te duren, hij frommelt
met zijn werkblad, waarop ze tussendoor even reageert: ‘kun je dat even
laten liggen?’. Na dit deel van het verhaal vraagt ze de kinderen opnieuw
naar de regels op het werkblad te kijken: welke regel hoort er nou bij
‘God lieflhebben’, en welke regel hoort er bij ‘de mensen liefhebben’?
Moeilijke woorden als laster en huichelarij legt ze uit, en als een kind
het niet heeft begrepen, laat ze het door een ander kind in de kring uitleggen.
Dan is het tijd, dus het einde van de les.
‘Elke
ochtend begint met de kring’, vertellen de kinderen, ‘maar niet elke ochtend
wordt er een verhaal verteld’. Deze keer wel, en de kinderen kunnen het
verhaal min of meer volledig navertellen. Het thema van deze les was ‘leefregels’,
en dat vonden ze leuk. Ze hadden er wel bij willen zijn, bij de gebeurtenis
uit het verhaal. Het ene kind zegt dat wel leuk gevonden te hebben en dat
hij ook wel gelooft dat dat kan dat iemand met een zieke arm net als in
dit verhaal beter gemaakt wordt. Het andere kind zegt zeer verontwaardigd
te zijn ‘op de sabbat mag je toch mensen helpen?! Dan mag je toch zelf
weten wat je wilt doen? Als er bijvoorbeeld iemand op de grond ligt te
bloeden, dan mag je hem toch wel helpen, naar het ziekenhuis brengen?’
De
leerlingen vertellen dat de kinderen zelf in de kring geen verhaal uit
de bijbel, de koran of een ander boek vertellen, alleen de juffrouw. De
kinderen vertellen wel andere verhalen, zoals over wat ze in hun vrije
tijd gedaan hebben, wat ze beleefd hebben.
Na
schooltijd gaan deze leerlingen computeren of doen mee aan de voetbaltrainingen.
Ook doen ze mee aan ‘de verlengde schooldag’, waar ze techniek-lessen volgden,
leerden koken, verven en kleren maken. De kinderen zeggen dat de thema-lessen
en de ‘verlengde schooldag’-lessen ‘niks met elkaar te maken hebben’.
Twee
leerkrachten over de themamappen: de leerkracht van groep 3/4 en de leerkracht
van groep 6/7/8
De
themamappen vormen voor deze leerkracht een soort leidraad. Hij leest de
informatie die in de themamap bij een serie lessen (meestal 3 à
4 lessen) wordt gegeven van tevoren door. Vervolgens polst hij aan het
begin van de eerste les de leerlingen over het onderwerp: wat weten ze
ervan? Zo ontstaat een gesprek tussen de leerkracht en de leerlingen, maar
ook tussen de leerlingen onderling. Daarop volgt meestal een verhaal, passend
bij het thema van de serie lessen. Tijdens dat verhaal last deze leerkracht
momenten in waarop de leerlingen kunnen reageren. Dat zijn voor hem zelf
ook momenten waarop hij kan peilen in hoeverre de vertelling bij de leerlingen
overkomt. Na het verhaal volgt een gesprek, waarin de leerlingen mogen
aangeven wat ze herkenden in het verhaal, wat ze (belangrijk) vonden van
het verhaal en waarom.
Omdat
de mappen hoofdzakelijk de grote lijnen aangeven bij een thema, blijft
er veel ruimte voor een eigen kleuring en invulling van de lessen, hetgeen
hij positief waardeert. De thema’s zijn voor veel (verschillende) kinderen
toegankelijk, misschien juist wel vanwege die brede opzet, aldus de leerkracht.
Alle lessen rond een bepaald thema zijn ‘verbaal’ opgezet, het zijn ‘praat-lessen’,
in de letterlijke zin kringgesprekken.
Als je naar aanleiding van
een thema-les een andere werkvorm wilt toepassen, dan moet je die (meestal)
zelf bedenken.
De
sociaal-emotionele ontwikkeling, waarvoor bij elke les een aandachtspunt
geformuleerd wordt, stimuleert deze leerkracht door kinderen in het kringgesprek
op elkaar te laten reageren. Kinderen merken daardoor dat een ander kind
herkent wat hem of haar bezig houdt, dat hij of zij niet de enige is die
worstelt met dat probleem. Kinderen kunnen elkaar helpen door te vertellen
hoe zij dat probleem ‘oplossen’. Tijdens het kringgesprek worden verschillende
‘oplossingen’ aangedragen. De leerkracht stimuleert het ontstaan van het
inzicht dat alle mensen verschillend zijn, en dat er dus verschillende
oplossingsmogelijkheden zijn die op een gelijkwaardige wijze naast elkaar
kunnen bestaan. Als voorbeeld noemt hij een kringgesprek waarin kinderen
met elkaar in gesprek waren over ruzie van hun ouders en hoe je daar als
kind mee om kunt gaan: het ene kind verstopt zich of loopt weg, het andere
kind probeert één van beide ouders tot rede te brengen, enzovoorts.
Zelfs betrekkelijk jonge kinderen, zoals de kinderen in zijn groep, kunnen
over dit soort onderwerpen reflecterend, op een beschouwende wijze met
elkaar praten.
De
verbinding tussen de aspecten van de sociaal-emotionele ontwikkeling en
de levensbeschouwelijke ontwikkeling legt de leerkracht uit met behulp
van een verhaal uit een van de godsdienstige tradities. De verhalen vertelt
hij opdat de kinderen leren dat er over belangrijke onderwerpen in de verschillende
godsdiensten verhalen verteld worden: verhalen om van te leren hoe mensen
op zulke belangrijke zaken (kunnen) reageren. Door bijbelverhalen te koppelen
aan een thema komt volgens hem de essentie van het verhaal beter over.
Aan de andere kant is er van een chronologische lijn geen sprake meer,
omdat de bijbelverhalen door elkaar ‘gehusseld’ worden in aansluiting op
de thema’s. Daardoor wordt het verband voor de kinderen wel eens verwarrend.
Van sommige verhalen vindt de leerkracht dat ze te vaak terugkomen bij
wisselende thema’s. Hij zou ook wel meer verhalen over Jezus willen vertellen,
die vindt hij te weinig terug in de themamappen. Godsdienstige verhalen
die aansluiten bij de thema’s kan de leerkracht uit de bijbel wel zelf
zoeken. Voor verhalen uit de islam en het hindoeïsme is hij aangewezen
op wat in de themamappen wordt aangereikt. Het leuke vindt hij dat kinderen
zelf die voor hem nog niet vertrouwde verhalen aanvullen, of naar aanleiding
daarvan iets over de traditie van thuis gaan vertellen. Dat versterkt hun
gevoel van eigenwaarde, hun identiteit. De leerkracht legt grote nadruk
op de betrokkenheid en de actieve inbreng van zijn leerlingen. Hij moedigt
ze aan te reageren op een verhaal, zelf te formuleren wat ze belangrijk
vinden. Een noodzakelijke voorwaarde voor die actieve participatie van
de leerlingen is de aansluiting van het thema en het verhaal bij de leef-
en denkwereld van de kinderen, en bij hun ontwikkelingsniveau.
De
leerkracht vindt zijn inspiratie voor zijn houding naar zijn collega’s
en de kinderen in zijn groep in het christelijk geloof.
Deze
leerkracht vindt het belangrijk om aandacht te schenken aan wat de overeenkomsten
zijn tussen de kinderen, ongeacht de verschillen tussen de kinderen, hun
thuissituatie en hun godsdienst.
De
thema’s van de themamappen zijn terug te vinden in de verschillende godsdiensten
en levensbeschouwingen, en zijn daarom voor de kinderen herkenbaar en vergelijkbaar.
De leerkracht wil de kinderen kennis bijbrengen over de feesten in de verschillende
godsdiensten. Dan weten ze in ieder geval waarom ze vrij zijn die dagen,
welk verhaal er bij hoort. Daarnaast wil ze de kinderen ook waarden en
normen leren; waarden en normen die zij zelf belangrijk vindt, maar die
ook terugkomen in de verschillende culturen. Er zijn daarin veel overeenkomsten.
Ze vindt de lessen uit de themamappen kort en duidelijk: alles wat ze nodig
heeft staat er in. Door de beknoptheid kun je er alle kanten mee op. Voor
haar gevoel kan elk team-lid goed met het materiaal van de thema-mappen
uit de voeten. Het laat voldoende ruimte voor de eigen inbreng van de leerkracht.
De leerkracht vindt wel dat ze met die ruimte nu beter overweg kan dan
bijvoorbeeld tijdens haar stageperiode op deze school.
Een
leerkracht kan zijn eigen invulling aan de kring geven, maar ook de leerlingen
sturen soms een bepaalde kant op. Dat laat deze leerkracht dan gebeuren.
Ook al bereikt ze niet altijd wat er op papier staat, ze is wel vaak tevreden
over waarover is nagedacht met de kinderen, of met wat er gezegd is. De
opzet van de themalessen geeft wel een kader aan, een richting, een beeld
van hoe het zou kunnen gaan.
Ze
begint de kring altijd met gebed. Bidden vindt in haar groep op een heel
natuurlijke wijze plaats. Ze vertelt dat het voor elke nieuwe groep wel
weer even wennen is. Voordat ze daadwerkelijk gaat bidden met een groep
kinderen, bespreekt ze eerst een aantal aspecten van het bidden, bijvoorbeeld
hoe je kunt bidden en waarom. Daarbij komen ook de verschillen ter sprake,
zodat leerlingen zien dat er, misschien ook in de klas, verschillende manieren
zijn waarop je kunt bidden. Ze legt aan haar leerlingen uit dat er gezamenlijk
bij bepaalde onderwerpen stil gestaan kan worden, maar dat ieder persoonlijk
tot zijn of haar eigen God kan en mag bidden. Islamitische leerlingen zijn
minder vertrouwd met het open gebed, maar hebben er uiteindelijk meestal
geen problemen mee. De leerkracht vertelt er vooraf grondig over te hebben
nagedacht.
De
verhalen over Jezus leveren op déze school, met déze leerlingen
geen problemen op voor de moslimleerlingen. De kinderen zijn op deze school
opgegroeid, een school met levensbeschouwelijk onderwijs dat probeert lijnen
te trekken tussen de verschillende godsdiensten. Jezus komt ook in de koran
voor. Ze vermoedt dat leerlingen daarin wat gemakkelijker zijn dan hun
ouders.
Het
‘Brede School’-karakter van het lesmateriaal ziet ze in de brede aanpak,
die niet alleen op het godsdienstige gericht is, maat ook op waarden en
normen. Naar haar mening is er geen relatie tussen het thema van de godsdienstlessen
en de na-schoolse act4iteiten.
De
leerkracht zelf is gereformeerd opgevoed. In het contact met andere godsdiensten
kijkt ze liever naar de punten waarop deze levensbeschouwingen of godsdiensten
met haar eigen geloof overeenkomen, dan naar de verschillen. Je kunt bijvoorbeeld,
zegt zij, zowel in de koran als in de bijbel een leidraad voor het leven
zien. Deze instelling wil ze ook graag aan haar leerlingen meegeven.
Zoals
we hiervoor reeds beschreven, zien de geïnterviewden van deze school
het ‘brede’ van de school in de ‘brede aandacht voor de verschillende levensbeschouwingen’,
de aandacht voor ‘waarden en normen’, en het informeren van elkaar over
de ‘verschillende (godsdienstige) achtergronden’. In de definitie van de
Brede School wordt gesproken van de vanzelfsprekende betrokkenheid van
de school op ouders en ‘dat wat zich afspeelt in-de-vrije-tijd’.
De
themamappen besteden aandacht aan de verschillende feesten, zoals die ook
in de buurt gevierd worden. De themamappen worden kritisch gevolgd door
een klankbordgroep waarin ook ouders zitting hebben. Tijdens het kringgesprek
waarin het thema aan de orde gesteld wordt leren kinderen en houden kinderen
zich aan belangrijke waarden: respect voor elkaar en luisteren naar eIkaar.
Wanneer de bespreking van een thema in de klas daartoe aanleiding geeft
wordt contact gezocht met thuis.
Na-schoolse
act4iteiten, zoals die door de moeder van de Da Costa-school genoemd worden
als kenmerk van de Brede School, staan (nog) niet in relatie tot de thema’s
van de themamappen.
De
Da Costa-school voert veel ideeën van de ideeënlijst uit: het
thematische onderwijs krijgt vorm in kringlessen van het godsdienstonderwijs;
de school onderhoudt contacten met relevante
instellingen
in de buurt; in de kringgesprekken krijgen de sociale vaardigheden van
de leerlingen alle aandacht; in het kringgesprek is er alle ruimte voor
het eigen verhaal van het kind; in de MR en de ouderraad worden ouders
betrokken bij het gesprek over normen en waarden, en de regels op school;
de buurtmoeder voert met ouders opvoedingsondersteunende gesprekken en
zij beschikt over een eigen ‘ouderlokaal’.
De
informele manier van leiding geven van de directeur wordt door leerkrachten
als ruimtescheppend ervaren; het vergroot hun eigen betrokkenheid,
verantwoordelijkheid en inzet. De houding van de geïnterviewde leerkrachten
wordt gekenmerkt door een gerichtheid op wat er mogelijk is, met dit team,
met déze leerlingen, met déze ouders.
De
christelijke identiteit vormt voor de geïnterviewde leerkrachten ind4idueel
een inspiratiebron om aan de Brede School vorm te geven, als een school
die ‘elk kind geeft waarop het recht heeft omeen
volwaardig lid van onze samenleving te kunnen worden’. De directeur ziet
in de openheid en gastvrijheid die de school kenmerken de concretisering
van ‘naastenliefde, de christelijke opdracht er te zijn voor de naaste,
dat is: degene die jou nodig heeft’.
De
feesten uit de verschillende godsdienstige tradities zijn het uitgangspunt
voor het thematische godsdienstonderwijs. Sociaal-emotionele ontwikkeling
is het leergebied waarmee het thematische godsdienstonderwijs verbonden
wordt.
Het
‘informeren over elkaars verschillende achtergronden, én de kinderen
daarmee om te Ieren gaan’, is, zoals de directeur zelf aangeeft, kenmerkend
voor zijn school als Brede School.
Zoals
uit de gesprekken met de verschillende betrokkenen bij de school blijkt,
zijn er binnen de school situaties aan te wijzen die het interreligieuze
leren in de Brede School stimuleren en bevorderen: de succesfactoren. Daarnaast
signaleren wij ook elementen in de onderwijspraktijk die het interreligieuze
leren in de Brede School bemoeilijken: de knelpunten.
Op
de volgende knelpunten willen wij de aandacht vestigen:
1.De
‘identiteit van de school’ betekent niet voor alle betrokkenen hetzelfde:
bestuur en team — en
binnen het team elke afzonderlijke leerkracht — geven
aan ‘identiteit’ een eigen invulling. Het gesprek daarover vindt niet (meer)
of slechts heel beperkt nog plaats.
2.Reflectie
op de eigen levensbeschouwelijke achtergrond vindt niet op teamn4eau plaats;
3.De
mate waarin leerkrachten overweg kunnen met de ruimte die de thematische
godsdienstlessen bieden voor de eigen invulling, kan
problematisch
zijn; feitelijk op de Da Costa-school bleek daaromtrent alleen dat het
werken met de themamappen enige gewenning en enig experimenteren vraagt;
4.De
geïnterviewde leerkrachten stellen vast dat zij over onvoldoende kennis
beschikken met betrekking tot de verschillende godsdienstige tradities.
5Er
lijkt geen structurele samenhang te zijn tussen het thematische godsdienstonderwijs
(of enig ander vak) en de na-schoolse activiteiten;
6In
het netwerk van bondgenoten ontbreken geloofsgemeenschappen.
We
achten de volgende succesfactoren van belang en vermeldenswaard:
1De
Da Costa-school staat - als
Jenaplanschool — in
een traditie die is gewend aan het omgaan met verschillen (in n4eau); dat
zou een faciliterende factor kunnen zijn in het omgaan met verschillen
in culturen en levensbeschouwelijke achtergronden;
2De
stijl van Ieidinggeven van de directeur en de door hem ontwikkelde opzet
voor het thematisch godsdienstonderwijs geeft leerkrachten veel ruimte
om de godsdienstlessen zó in te vullen, dat zij er zelf achter kunnen
staan. Ze kunnen in die lessen in hun groep een eigen gezicht laten zien;
3De
leerkrachten zijn geschoold in het voeren van ‘kringgesprek’ en het ‘kijken
naar kinderen’. Daarmee beschikken zij over vaardigheden om tijdens het
kringgesprek van het thematisch godsdienstonderwijs kinderen en hun levensbeschouwing
tot hun recht te laten komen;
4 De
school kenmerkt zich als ‘een leefgemeenschap’, waar een open sfeer heerst
ten aanzien van wat van ‘buiten’ naar ‘binnen’ komt. Of het nu gaat om
de act4iteiten met betrekking tot de nieuwe buurtwinkel, of een kind dat
onderweg in elkaar geslagen dreigt te worden - de
eerste reactie is: wij zijn hier als leefgemeenschap bij betrokken, dat
komt nu op onze weg, wat kunnen wij daarin nu betekenen?
5De
ouders zijn op een zodanige wijze bij de school betrokken dat zij zich
vrij voelen om ontwikkelingen in de school te becommentariëren; de
school neemt de opmerkingen van de ouders serieus, zoals die bijvoorbeeld
klonken over het niet meer herkenbaar zijn van de godsdienstige feesten.
Dat versterkt de verankering van deze vorm van interreligieus onderwijs
in de schoolgemeenschap.
De
Valentijnschool staat aan de Gijsingstraat, in de wijk Delfshaven. Het
gebouw wordt gedeeld met een school voor speciaal onderwijs, de Lucasschool.
Je kunt vanuit de ene school rechtstreeks de andere
inlopen. Voor het schoolgebouw ligt een groot rechthoekig plein, omgeven
door een laag hek. Het gebouw is relatief nieuw, twee verdiepingen hoog,
en opgetrokken rond een kleine speelplaats. De Valentijnschool wil er wegens
ruimtegebrek graag nog een derde verdieping bovenop bouwen.
De
Valentijnschool maakt deel uit van de Rotterdamse Vereniging voor Katholiek
Onderwijs. Ze hanteert een open aannamebeleid. Leerlingen hebben verschillende
levensbeschouwelijke achtergronden; 45 % is moslim, 40% is katholiek,
5% is hindoestaan, en van de overige 10% geeft5
% expliciet aan, geen geloof of levensbeschouwing te hebben.
Er
werken 41 leerkrachten. Zij geven samen les aan 390 leerlingen. Er is een
districtscatecheet betrokken bij het godsdienstonderwijs. Buurtmoeders
informeren de school over ontwikkelingen in de wijk.[15]
Eén leerkracht is tevens interne Brede School-coördinator.
Deze leerkracht geeft samen met de externe Brede School-coördinator
vorm aan het Brede School-concept, onder andere door het organiseren van
na-schoolse act4iteiten.
De
sfeer in de school kenmerkt zich door een georganiseerde openheid. De taak
van de directeur is duidelijk afgebakend; degenen die belast zijn met de
dagelijkse leiding en de coördinatoren betrekken leerkrachten, leerlingen,
ouders en bondgenoten zoveel mogelijk bij de gang van zaken op school.
Op die manier wordt het beleid en de concrete uitvoering ervan breed gedragen.
De
directeur geeft leiding aan twee scholen voor primair onderwijs: de Valentijn-
en de Mariaschool. Hij ziet zichzelf als manager-op-afstand, in het bijzonder
belast met de externe contacten. Het ‘dagelijks bestuur’ van beide scholen
is gedelegeerd aan de adjunct-directeur. Voor de Valentijnschool heeft
de directeur onder andere contact met een Stuurgroep binnen de wijk (waarin
onder meer de bewonersorganisatie en het buurtwerk vertegenwoordigd zijn),
en met directeuren van een scholenconvenant, dat de financiën heeft
samengevoegd. Omdat hij ‘zijn’ scholen relatief niet zo vaak bezoekt noemt
hij zichzelf ook wel ‘de man die op zondag het vlees komt snijden’.
De
adjunct-directeur van de Valentijnsehool regelt het ‘dagelijks bestuur’
van deze school. De leidinggevende structuur ziet er als volgt uit: initiatieven
met betrekking tot het onderwijs of het beleid komen allereerst in de bouwvergaderingen
ter sprake, vervolgens via het ‘bouwcoördinatoren-overleg’ bij
de adjunct-directeur. De directie volgt deze initiatieven, mits ze financieel
en anderszins haalbaar zijn. Deze opbouw ‘van onderaf’ versterkt de ind4iduele
betrokkenheid van elke leerkracht bij het reilen en zeilen van de school.
De directeur benadrukt dat verschillende initiatieven en projecten in het
onderwijs niet naast elkaar,
maar met elkaar in dezelfde richting moeten werken. ‘Ideaal zou zijn’,
zo stelt hij, ‘als het thema ‘winkel’ van de taalmethode in bijvoorbeeld
een drama-werkvorm terug zou komen in de na-schoolse act4iteiten’.
De
leerlingen vertegenwoordigen zo’n 20 verschillende nationaliteiten'[16].
Veel kinderen in de buurt vertoonden aanvankelijk erg agressief gedrag.
Op school probeert men hen een prettige, veilige situatie bieden, om tekortkomingen
en hiaten in de gezinssituatie (bijvoorbeeld scheiding of drugsgebruik
door de ouders) zoveel mogelijk op te vangen. Daarnaast hebben veel leerlingen
moeite met het leren en beheersen van taal.
Het
team van leerkrachten bestaat uit mensen van verschillende nationaliteiten[17];
14 mannen en 27 vrouwen. Van hen werken 30 fulltime, en 11 parttime. Het
team is verdeeld over drie afdelingen; onder-, midden- en bovenbouw. Elke
afdeling heeft een coördinator. Deze coördinatoren vervullen
een brugfunctie tussen de staf en de leerkrachten van een bepaalde bouw.
Men probeert niet te snel te vernieuwen en te veranderen, zodat alle collega’s
de kans te krijgen om mee te komen. Op die manier wordt getracht voortdurend
een zo groot mogelijk draagvlak te handhaven.
Op
de Valentijnschool streven de leerkrachten op dit moment nadrukkelijk naar
(inhoudelijke) samenhang tussen de verschillende lessen en act4iteiten.
Doel hiervan is de bestrijding van (taal)achterstand van leerlingen. Wanneer
leerlingen het geleerde in verschillende lessen herkennen en herhalen,
beklijft de kennis beter.
Bovendien
wordt op school momenteel veel aandacht besteed aan (het bevorderen van)
de sociaal-emotionele ontwikkeling van leerlingen. Leerkrachten proberen
leerlingen een gevoel van eigenwaarde mee te geven, hen minder agressieve
omgangsvormen te leren, en de veiligheid op school te vergroten.
Deze
leerkracht werkt al ruim 8 jaar op de Valentijnschool. Hij geeft les aan
leerlingen van groep 5,en
is coördinator van de middenbouw. Sinds kort werkt hij in de klas
met een nieuwe, geïntegreerde taalmethode (Taalleesland). Deze methode
probeert door een thematische opzet zoveel mogelijk aan te sluiten bij
de beleving van de kinderen. Taal kan in deze methode onder andere geleerd
en geoefend worden door herkenbare situaties in de klas op te roepen waarin
taal een rol speelt.
De
taalmethode reikt mogelijkheden aan om samenhang te creëren in het
onderwijs. Daarbij laat de leerkracht zich leiden door associaties van
leerlingen. Zij brengen soms spontaan bepaalde onderwerpen of thema’s met
elkaar in verband. En als kinderen vanuit zichzelf dezelfde kennis of vaardigheid
op verschillende momenten (bijvoorbeeld tijdens en na school) oefenen en
herkennen, blijft het volgens deze leerkracht veel beter hangen. Men denkt
er daarom over om datgene wat in de les gebeurt, terug te laten komen in
na-schoolse act4iteiten.
Naast
leerkracht en middenbouw-coördinator is deze leerkracht ook interne
Brede-School-coördinator.
Als
interne Brede School-coördinator vormt hij de schakel tussen het schoolteam
en de opbouwwerkers in de wijk, die bepaalde projecten voor buurtkinderen
onder hun hoede hebben. Eerst peilt hij binnen de school welke act4iteiten
leerkrachten de leerlingen willen aanbieden en waarom. Deze wensen en ideeën
neemt hij mee naar de stafvergadering. In de staf wordt besproken of de
wensen en ideeën financieel haalbaar zijn, en of ze uitvoerbaar zijn.
Vervolgens worden deze opmerkingen teruggespeeld naar het team. Daarna
neemt hij contact op met de externe Brede School-coördinator. Met
hem bespreekt hij de uitvoering van de wensen en ideeën. Meestal krijgt
dit de vorm van projecten of lessen. Sport is op deze manier geworden tot
een doorlopende act4iteit in het kader van de Brede School. Vanwege de
duidelijkheid en de herkenbaarheid plant men de verschillende act4iteiten
steeds op vaste dagen: zo is de dinsdag de ‘spelletjes-middag’.
De
directeur probeert via verschillende instellingen geld voor deze projecten
vrij te maken. Dat gaat niet altijd even gemakkelijk. Continuïteit
is daardoor dikwijls niet gewaarborgd. De financiën vormen een voortdurend
punt van zorg.
Binnen
de school geeft de coördinator de Brede School-gedachte onder meer
vorm door implementatie van de nieuwe, geïntegreerde taalmethode (Taalleesland).
Op de Valentijnschool wordt er momenteel een begin gemaakt met het structureren
van het onderwijs aan de hand van deze methode. Taal is voor veel kinderen
op de Valentijnschool namelijk het zwakke punt. De interne Brede School-coördinator
vindt structurering van het onderwijsaanbod met het oog op achterstandsbestrijding
een typisch kenmerk van de Brede School. Hij overlegt momenteel met de
externe Brede School-coördinator of er aan de thema’s van deze taalmethode
(na-schoolse) act4iteiten gekoppeld kunnen worden.
Daarnaast
onderhoudt hij contacten met de politie, Pier 80, de schoolarts, de sporthal,
de logopedist, (de commissie van het) Opzoomeren, de gezondheidswinkel
en de taaldrukwerkplaats.
Valentijnschool
past reeds een aantal ideeën toe van de ‘lijst met ideeën’, waarmee
zij aan het interreligieus leren’ in ‘De Brede School’ vorm geeft.
Idee
nr. 5
betreffende het thematisch onderwijs is geconcretiseerd in de nieuwe taalmethode,
die thematisch van opzet is (Taalleesland). Het thematisch taalonderwijs
krijgt veel aandacht op deze school, omdat de ontwikkeling van de Nederlandse
taal bij veel kinderen zwak is. Herkenbare leefthema’s vormen de rode
draad in de taallessen (zie bijlage V2 t/m X), die vaak vorm krijgen in
klassengesprek of een rollenspel (idee nr. 17). De geïnterviewde
leerkracht noemt de integratie van leefwereld en leerwereld een typisch
kenmerk van een Brede School. Volgens hem komt het het leerproces ten goede
wanneer kinderen de gelegenheid krijgen dezelfde kennis of vaardigheid
verschillende momenten (bijvoorbeeld in verschillende lessen, of: tijdens
en na school) te oefenen en herkennen. Met thematisch onderwijs voorkom
je volgens hem bovendien dat de verschillen tussen leerlingen, met name
wat taalbeheersing betreft, groter worden.
In
de catecheselessen wil men enerzijds kennis over levensbeschouwingen vergroten,
anderzijds hoopt men ook in die lessen de taalvaardigheid van leerlingen
te verbeteren door aansluiting te zoeken bij de thema’s van de taalmethode.
Met de schoolcatecheet heeft hierover een eerste oriënterend contact
plaats gevonden.
De
sociaal-emotionele ontwikkeling en het pedagogisch klimaat krijgen op dit
moment expliciet aandacht in groep 4. In deze groep gebruikt men - als
experiment voor een jaar - de
methode Taakspel, waarmee leerkrachten ‘gezond gedrag’ bij leerlingen kunnen
bevorderen (idee nr. 15). Aan de ouders is hierover informatie verstrekt
(idee nr. 19).
Ouders
worden door de Valentijnschool op verschillende manieren bij het onderwijs
betrokken. Aanvankelijk klopten ouders bij de leerkrachten aan voor hulp
bij de meest uiteenlopende problemen —zowel
leer- en opvoedingsproblemen, als problemen bij het invullen van een belastingformulier.
Het onderwijs dreigde door de grote aandacht voor deze dagelijkse problemen
in het gedrang te komen. Daarom heeft de school in samenspraak met de wijk
een lijst gemaakt van instellingen waar ouders met specifieke vragen en
problemen terecht kunnen (idee nr. 6 en 16) Deze lijst hebben alle
leerkrachten gekregen, zodat zij de ouders indien nodig gericht kunnen
doorverwijzen.
Leerkrachten
gaan bij de ouders op huisbezoek (idee nr. 8). Er worden jaarlijks
twee ouderavonden georganiseerd: één kennismakingsavond en
een thema-avond, bijvoorbeeld over de nieuwe taalmethode die gebruikt gaat
worden, nieuwe onderwijswetten, huiswerk, of sociaal drag (idee nr.
19 en 22). Als het nodig is helpt de OALT-leerkracht met vertalen (idee
nr. 21). Er wordt hen ook de mogelijkheid geboden om op school een
cursus Nederlands te volgen, getiteld 'Praathulp’. Ouders helpen bij het
stencilen van lesmateriaal, en raken op die manier geïnteresseerd
in wat hun kinderen op school leren. De school stimuleert deze belangstelling.
Ouders die hun kinderen op komen halen krijgen koffie aangeboden (idee
nr. 24). Rapporten komen drie keer per jaar uit, en de ouders worden op
school uitgenodigd het rapport te komen ophalen. Leerkrachten voeren dan
minimaal een kwartier een gesprek met de ouders. Zonodig wordt een vervolgafspraak
gemaakt. De school kent twee buurtmoeders (een Turkse en een Nederlandse),
waar ouders terecht kunnen met vragen of problemen (idee nr. 22 en 24).
Soms spelen deze buurtmoeders vragen door naar de school of naar een hulpverlenende
instantie.
De
functie van externe Brede School coördinator is ongeveer 8 jaar geleden
ontstaan vanuit het contact dat de school zocht met het sociaal-cultureel
werk in de buurt. De Valentijnschool was in die tijd gevestigd op een andere
locatie, waar weinig speelgelegenheid voor de kinderen was. Het ontbrak
de kinderen aan uitdagende vrije-tijd-act4iteiten; ze verveelden zich enorm.
Men vermoedde dat hun leerresultaten mede daardoor achteruit gingen, en
daarom besloot men samenwerking te zoeken met het sociaal-cultureel werk.
Zo is deze coördinator, van oorsprong sociaal-cultureel werker, bij
de school betrokken geraakt.
De
Valentijnschool is als Brede School opgenomen in een samenwerkingsverband
met drie andere scholen. Naar aanleiding van overleg tussen deze vier scholen
ontwikkelt de externe Brede School-coördinator buitenschoolse act4iteiten,
waaraan leerlingen van de scholen uit dit samenwerkingsverband deel kunnen
nemen. Hij zoekt professionele begeleiders voor de act4iteiten[18]
via verschillende centra, bijvoorbeeld via de Stichting voor Kunstzinnige
Vorming Rotterdam (SKVR), het Milieu Educatief Centrum, De Meeuw en de
taaldrukwerkplaats in de wijk. Op deze wijze wordt vormgegeven aan idee
nr. 7.
De
externe Brede School coördinator legt het begrip ‘Brede School’ als
volgt uit: op een Brede School zitten kinderen die in een achterstandsituatie
verkeren (bijvoorbeeld omdat zij noch hun ouders de Nederlandse taal goed
beheersen), en daarom extra hulp nodig hebben. Interreligieus leren krijgt
in de act4iteiten die hij in de buiten-schoolse act4iteiten voor de kinderen
organiseert op een informele manier vorm: ouders helpen mee met een knutselmiddag
rondom een bepaald feest, en vertellen dan terloops wel eens iets over
hun godsdienstige achtergrond (idee nr. 23) en de gebruiken die
bij dat feest horen. Hierover heeft hij geen contact met de kerk of de
moskee: hij weet er zelf wel genoeg van af om deze act4iteiten te organiseren.
De
geïnterviewden (de directeur, de interne en de externe Brede School
coördinator) schetsen het volgende beeld van wat in hun ogen onder
‘hun’ Brede School verstaan wordt.
De
directeur vertelt, dat op de Valentijnschool als Brede School achterstandsbestrijding
vooropstaat. Om die reden schenkt men een hoge prioriteit aan het realiseren
van de Brede School gedachte. Achterstandsbestrijding vat men binnen de
Valentijnsehool ‘breed’ op. De school besteedt veel aandacht aan de bestrijding
van de achterstand in de thuissituatie. Men is zich zeer bewust van het
gegeven dat een problematische thuissituatie een belemmerende factor vormt
voor het kind om op school te kunnen leren. De directeur is van mening
dat praktische problemen thuis opgelost moeten zijn, voordat opvoedingsproblemen
en leerachterstanden aangepakt kunnen worden. De school propageert bij
de ouders, aldus de directeur: ‘niet bij de pakken neerzitten, er zijn
mensen die je willen helpen’. Voor het oplossen van de praktische problemen
van ouders maakt de school gebruik van haar netwerk van bondgenoten in
de wijk. De school bouwt op deze manier een intensief contact op met de
ouders. De hulp die de ouders ervaren van de leerkrachten, schenkt hen
vertrouwen in de school[19].
De ouders maken reclame voor de school: ‘de school die met je meedenkt!’
Dat heeft een positieve invloed op het leer- en leefklimaat, zowel binnen
als buiten de school. Impliciet vindt op die manier interreligieus onderwijs
plaats, aldus deze directeur. Expliciet aandacht voor de levensbeschouwelijke
vorming van leerlingen is volgens hem een
secundair aspect van ‘De Brede School’, een luxe, en ondergeschikt aan
de bestrijding van achterstanden bij leerlingen: zowel taalachterstand,
als achterstand in sociaal-emotionele ontwikkeling. Het belang van een
bezoek aan het Interfaith Centre te Bradford (UK), dat elders in de stad
nogal lijkt te worden gewaardeerd, wordt derhalve op de Valentijn sterk
gerelat4eerd. Goed management beschouwt de directeur als een noodzakelijke
voorwaarde om ook de secundaire aspecten van ‘De Brede School’ te kunnen
verwezenlijken.
De
interne Brede School-coördinator noemt een gestructureerd onderwijsaanbod
hét kenmerk van een Brede School. Daarmee bedoelt hij: onderwijs
waarin zoveel mogelijk lessen en onderwerpen met elkaar in verband worden
gebracht, om de kinderen structuur te bieden. De Valentijnschool maakt
hiermee een begin. Het zwakke punt van de (meeste) leerlingen (op deze
school is dat taal) is dan richtlijn in die structurering. Drijfveer achter
dit beleid is het willen bestrijden van achterstanden bij leerlingen.
Hij
wijst er op dat leerlingen zelf spontaan bepaalde onderwerpen of thema’s
met elkaar in verband kunnen brengen. Hij grijpt deze suggesties aan, want,
zo zegt hij: wanneer kinderen van uit zichzelf dezelfde kennis of vaardigheid
op verschillende momenten (bijvoorbeeld tijdens en na school) oefenen en
herkennen, blijft het veel beter hangen. In de toekomst wil men daarom
ook zoveel mogelijk van wat er op school gebeurt relateren aan na-schoolse
act4iteiten.
De
externe Brede School-coördinator neemt in zijn beschrijving van de
(Valentijnschool als) Brede School eveneens achterstandsbestrijding als
uitgangspunt. Hij zegt dat ‘zijn’ school als zodanig die hulp niet anders
aanbiedt dan ‘gewone’ scholen, maar wel meer aandacht besteedt aan het
feit dat er hulp geboden moet worden. Omdat daar binnen school niet voldoende
mogelijkheden voor zijn, moeten de act4iteiten die buiten school(tijd)
plaatsvinden hierop aansluiten. Het doel van de na-schoolse act4iteiten
omschrijft hij als volgt: ‘Het moeten leuke act4iteiten zijn voor de kinderen,
waar ze ook nog wat van leren. De kinderen moeten leren met elkaar om te
gaan’. Zijns inziens krijgen de kinderen op dat gebied van huis uit weinig
ondersteuning. De ouders tonen zich niet altijd even betrokken bij wat
de school de kinderen leert. Het is voor veel ouders niet vanzelfsprekend
om naar school te komen. De externe Brede School coördinator vindt
een goed contact met de ouders van de leerlingen belangrijk, en hij besteedt
daar ook aandacht aan.
Brede
Scholen stellen zich volgens hem ten doel, kinderen niet alleen cognitieve
kennis bij te brengen, maar ook sociale vaardigheden te leren. Kinderen
op deze scholen zijn meestal drukker dan gebruikelijk. Hun spanningsboog
is kleiner. Ze moeten ook meer dan gewoon gemot4eerd worden.
Daarnaast
bepaalt de omgeving van de scholen in Rotterdam in sterke mate de mogelijkheden
tot ontwikkeling: er zijn bijvoorbeeld geen bossen en heuvels, kinderen
komen naar verhouding sneller in aanraking met drugs. Daar moeten (Brede)
scholen op inspelen. Zij doen dat onder andere door zoveel mogelijk samen
te werken met de zogenaamde ‘bondgenoten’; personen of instellingen in
de wijk die de ontwikkeling van kinderen positief (kunnen) beïnvloeden.[20]Het
idee van de Brede School moet gerealiseerd worden door de school tot het
centrum van dit bondgenootschap te maken[21].
Uiteindelijk moet de school het centrum van de wijk worden, waardoor mensen
uit de buurt zich meer bij elkaars doen en laten betrokken voelen. Openstelling
van het schoolgebouw voor buurt-act4iteiten, ook in de avonduren, bevordert
de sociale cohesie in de wijk.
Zowel
de interne als de externe Brede School coördinator zeggen blij te
zijn met de goede samenwerking tussen hen beiden. Zowel organisatorisch
als inhoudelijk ervaren zij dat zij op één lijn zitten. Dat
komt volgens hen de concretisering van het ‘Brede School’-concept ten goede.
De
directeur definieert interreligieus leren breed. Levensbeschouwelijke vorming
vindt volgens hem op de Valentijnschool op een impliciete en een expliciete
manier plaats.
Expliciet
vindt deze vorming plaats in de thematische catecheselessen. Deze lessen
worden in samenwerking met de districtscatecheet opgezet. Veel thema’s
zijn echter inmiddels verouderd, en staan ver af van de huidige leef- en
belevingswereld van de kinderen. Een begin is gemaakt met een selectie
uit de oude thema’s te maken, en de lessen te herzien.
Impliciet
vindt levensbeschouwelijke vorming op verschillende manieren plaats. In
de klassen met leerlingen van verschillende religieuze en levensbeschouwelijke
achtergronden worden zowel de leerlingen als de leerkracht voortdurend
met verschillende levensbeschouwingen geconfronteerd. Deze impliciete vorm
van levensbeschouwelijke vorming noemt de directeur ook interreligieus
Ieren, waarmee hij nauw aansluit bij de omschrijving van interreligieus
leren zoals we die hierboven citeerden. Ook in situaties waarin de sociaal-emotionele
ontwikkeling centraal staat, en de ontwikkeling van sociale vaardigheden,
vindt zijns inziens interreligieus leren plaats.
Dezelfde
leerkracht, die overigens tevens interne Brede School-coördinator
is, vertelt, dat er aandacht wordt besteed aan feesten van verschillende
godsdiensten. Hij toont in zijn lessen de overeenkomsten tussen de verschillende
feesten, zoals bijvoorbeeld het carnavalsfeest, de Ramadan en het Suikerfeest.
Hij laat de kinderen met verschillende religieuze / levensbeschouwelijke
achtergronden vertellen wat er tijdens zo’n feest gebeurt, en vult zonodig
aan. Daarbij beoogt hij de kinderen te laten inzien dat mensen tijdens
bijvoorbeeld carnaval, Ramadan en het Suikerfeest hetzelfde doen, alleen
op een andere manier, en op een ander moment. Voor de act4iteiten na schooltijd
in het kader van het project ‘Feesten’ heeft de interne Brede School coördinator
contact gezocht met de districtscatecheet. Hij vraagt daar naar suggesties
voor werkvormen, en voert die vervolgens zelf uit. Een dergelijke koppeling
tussen binnen-schoolse en buiten-schoolse act4iteiten in het kader van
een bepaald onderwijsproject vindt nog niet structureel plaats.
De
districtscatecheet werkt 11 jaar als schoolcatecheet bij een onafhankelijke
stichting die begeleiding biedt onder andere op het gebied van het godsdienstonderwijs,
aan zestig scholen waaronder de Valentijnschool.[22]
De districtscatecheet stelt dat er in de groep eerst een veilige sfeer
moet heersen, dat een goed pedagogisch klimaat een noodzakelijke voorwaarde
is om catechese te kunnen geven. Eerst moet er een veilige groep zijn en
een goede sfeer, pas daarna kun je je richten op levensbeschouwing, is
zijn mening.
Hij
maakt een onderscheid tussen de ‘smalle’ en de ‘brede’ identiteit van de
school. Met smalle identiteit bedoelt hij: de levensbeschouwelijke achtergrond
van de school, in dit geval de katholieke identiteit van de school. De
brede identiteit heeft zijns inziens betrekking op alle pedagogische en
maatschappelijke dimensies van de school.
De
Valentijnschool heeft er voor gekozen de invulling van een groot deel van
de katholieke identiteit van de school en de bredere levensbeschouwelijke
vorming van de leerling te koppelen aan algemene thema’s, die bijvoorbeeld
ook aan bod komen in de recent ingevoerde taalmethode. Er kleeft volgens
de districtscatecheet een bezwaar aan een dergelijke keuze. De kennis over
de godsdiensten wordt op deze manier gefragmentariseerd aangeboden. De
eenheid binnen een godsdienstige stroming ontgaat de kinderen op die manier,
vermoedt hij. Over het laten aansluiten van de thema’s van de taalmethode
op de thema’s van de catechese-lessen, vindt overleg plaats met de districtscatecheet.
Een nijpend probleem, stelt de districtscatecheet, is de tijd: het ontbreekt
hem
aan voldoende tijd om nieuw materiaal te ontwikkelen.
Voor
de act4iteiten na schooltijd in het kader van het project ‘Feesten’ neemt
de interne Brede School coördinator contact op met de districtscatecheet.
De districtscatecheet geeft dan een aantal ideeën voor werkvormen,
die vervolgens door de interne Brede School coördinator zelf worden
uitgevoerd.
Op
de Valentijnschool wordt interreligieus leren ruim opgevat. Interreligieus
leren beschouwt men als inherent aan het ‘Brede School’ zijn. De ideeën
van de ‘lijst met ideeën’ ziet hij dan ook minder als suggesties voor
‘interreligieus leren’ op ‘De Brede School’, maar meer als mogelijke manieren
waarop je aan het ‘Brede School’-concept volledig recht kunt doen. De directeur
onderscheidt een expliciete en een impliciete vorm van interreligieus leren.
Hij ziet niet alleen de thematische catecheselessen, maar ook de pluriforme
klassensamenstelling, het bevorderen van de sociaal-emotionele ontwikkeling
en het verbeteren van het sociale gedrag van de leerlingen als aspecten
van interreligieus leren.
De
leerkracht/interne Brede School coördinator deelt deze opvatting.
Volgens hem krijgt het ‘Brede School’-concept misschien nog wel het meest
duidelijk vorm in de manier waarop hij als docent met leerlingen in de
les omgaat. Hij let op hun omgangsvormen, hij maakt hen bewust van wat
zij ‘normaal’ gedrag vinden, en stimuleert in de klas het onderlinge gesprek
daarover.
De
Valentijnschool voert veel ideeën van de ideeënlijst uit: men
besteedt uitgebreid aandacht aan het thematisch taal-onderwijs, waarbij
in de toekomst de thema’s van de taalmethode in de catecheselessen terug
gaan komen; de school functioneert in een netwerk van bondgenoten, en mede
daardoor is er een nauw contact met de ouders — zowel
waar het de problematische thuissituatie betreft als wanneer het gaat om
het onderwijs en de voortgang van het kind. De school kent een platte Organisatie,
hetgeen de betrokkenheid van elke leerkracht verhoogt. Een aantal teamleden
vervullen verschillende functies tegelijk, waardoor communicatie en overleg
soepeler kunnen verlopen.[23]
De
Valentijnschool toont in haar onderwijsaanbod naar de leerlingen, en in
het scholingsaanbod naar de ouders, dat zij van een ‘probleem’ een ‘uitdaging’
heeft gemaakt. Men zorgt er voor dat nieuwe onderwijskundige ideeën
bij het bestaande aanbod aansluiten, zodat er niet ‘naast elkaar’, maar
‘met elkaar’ in het verlengde van elkaar gewerkt wordt.
Na-schoolse
act4iteiten hebben (nog) geen structurele relatie met onderwijs- of lesinhouden
Binnen
de Valentijn zijn voorwaarden aanwezig die het interreligieus leren in
het kader van De Brede School bevorderen: de succesfactoren. Daarnaast
signaleren wij ook factoren die hiervoor een belemmering vormen: de knelpunten.
Als
knelpunten noemen we:
1Veel
Marokkaanse ouders van de Valentijnsehool spreken één van
de tien Berberdialecten. De OALT-leerkracht op school spreekt er,
naast Arabisch, slechts twee van. Dit bemoeilijkt de communicatie met de
ouders over veel zaken, waaronder ook het aspect hoe in
termen van interreligieus leren - omgegaan
wordt met verschillende levensbeschouwingen;
2In
het netwerk van bondgenoten rond de Valentijnschool ontbreken geloofsgemeenschappen;
3Er
is geen structurele relatie tussen de act4iteiten die binnen de school
in het kader van interreligieus leren ontplooid worden, en de act4iteiten
die na schooltijd plaats vinden.
Wij
zien de volgende succesfactoren:
1De
school heeft het vertrouwen van de ouders. Zij zijn sterk betrokken bij
de school; het is ‘hun’ school waar zij trots op zijn;
2De
‘platte’ organisatie kent korte overleglijnen. Dat vergemakkelijkt de invoering
van onderwijsvernieuwingen, zoals de taalmethode en de koppeling daarvan
aan de catecheselessen;
3Door
structurering van het onderwijsaanbod rondom thema’s, ontstaat ‘herkenning’
bij leerlingen, leerkrachten en ouders. Er is houvast;
4Men
zorgt er voor dat nieuwe ideeën zoveel mogelijk in het verlengde liggen
van de bestaande onderwijspraktijk;
5De
vereniging van verschillende functies in één persoon beschouwt
men als een vereenvoudiging van de communicatie.
Het
project Interreligieus Leren in de Brede School is uitgevoerd met
de bedoeling een antwoord te vinden op de volgende vraag:
Hoe
kunnen op Rotterdamse scholen interreligieuze leerprocessen vorm krijgen,
op zodanige wijze dat daarin doelstellingen van ‘De Brede School’ worden
gerealiseerd?
Beantwoording
heeft plaatsgevonden op tweeërlei wijze.
In
de eerste plaats is een zogenaamde ‘Lijst met ideeën’ gegenereerd
in een brainstorm-sessie met de Rotterdamse Werkgroep Interreligieus Leren.
De lijst, die is bijgevoegd als bijlage 1 van dit rapport, biedt zicht
op een breed scala aan mogelijk te organiseren act4iteiten in dit verband,
zowel op het micro-n4eau van het onderwijsleerproces als op het meso/macro-n4eau
van onderwijsbeleid en de Organisatie van onderwijs.
In
de tweede plaats zijn verkenningen uitgevoerd in de alledaagse praktijk
van het Rotterdamse onderwijs in de vorm van observaties en gesprekken
met directeuren, coördinatoren, leerkrachten, een districtscatecheet
en een moeder van leerlingen en een tweetal kinderen. De verkenningen hebben
inzicht verschaft in de manier waarop de eerder ontwikkelde ideeën
daadwerkelijk in het onderwijs hun beslag kunnen krijgen. Daarbij hebben
we tevens oog gehad voor de proceskant van het ontwikkelde onderwijs, i.c.
de weg die ideeën binnen de school gaan, hoe ideeën worden aangepast
aan en ingepast in de unieke context van de school en tenslotte ook - hypothetisch — hoe
men met ideeën eventueel in de toekomst denkt te kunnen omgaan.
Ter
zake zijn knelpunten en succesfactoren vastgesteld.
De
empirische verkenningen hebben plaatsgevonden op de protestants-christelijke
Da Costa school en de rooms-katholieke Valentijnschool. Beide scholen zijn
scholen voor primair onderwijs te Rotterdam.
Uit
de gesprekken met de geïnterviewden is eenvoudig te concluderen dat
het begrip de ‘Brede School’ een paraplu-begrip is. Zeer veel kan er onder
worden verstaan. Het is tevens een onderwijskundig concept in wording.
Met deze conclusie bevestigt dit onderzoek stellingen van andere — ook
in dit verslag gememoreerde — publicaties
in onderwijstijdschriften en de dagbladen. In de ambitie een ‘Brede School’
te willen zijn of worden, maken leidinggevenden d4erse, zeer uiteenlopende
keuzen. En, desgevraagd, noemen leerkrachten en directeuren als doelstelling
van de ‘Brede School’ nogal uiteenlopende zaken: betrokkenheid van de ouders
is een kenmerk van de Brede School, maar extra aandacht voor het taalonderwijs
en stimulering van de sociaal-emotionele ontwikkeling kunnen eveneens behoren
tot de opdracht van de ‘Brede School’.
Mutatis
mutandis geldt eenzelfde conclusie met betrekking tot de concrete realisering
van interreligieuze leerprocessen. Ook ‘interreligieus leren’ is een begrip
dat op d4erse manieren ingevuld wordt: zowel cognitieve doelen (het leren
kennen van elkaars traditie) als affectieve doelen (respect en waardering
voor elkaar hebben) worden genoemd, waarbij wisselende accenten worden
gelegd.
Gedeeltelijk
is hierbij sprake van een cirkelredenering aangezien we zelf ‘interreligieus
leren’ hebben gedefinieerd als een intentie die dwars door concrete
onderwijsmethoden en strategieën vast te stellen zou moeten zijn.
Voor dat deel geldt dat de conclusie weinig steekhoudend is. Anderzijds
stellen we vast dat deze wijze van conceptualiseren nauwelijks tot niet
expliciet ter sprake is geweest in de uitgevoerde interviews. In deze conclusie
klinken derhalve zeker ook de spontane en intuïtieve opvattingen van
de informanten door: de term interreligieus leren (zonder meer!) roept
direct reacties op en appelleert direct aan ‘dingen die men op de eigen
school praktiseert’.
Uit
de gesprekken en observaties op de beide onderzoeksscholen blijkt dat een
groot aantal ideeën uit de ‘Lijst met ideeën’— aanvankelijk
door de Werkgroep bedoeld als suggesties voor hoe interreligieus leren
vorm zou kunnen krijgen - al
op de scholen in praktijk wordt gebracht. Met name de aandacht voor thematisch
onderwijs en de sociaal-emotionele ontwikkeling van de leerling (beide
als realisaties van een geïntegreerde vorm van onderwijs) kennen reeds
een jarenlange geschiedenis in de onderwijspraktijk van beide scholen.
Bij deze twee ideeën blijkt ook het belang van de specifieke schoolcontext
voor de uitvoering van een idee: thematisch onderwijs is op de Da Costa
school in praktijk gebracht in het godsdienstonderwijs; op de Valentijnschool
is de nieuwe taalmethode rond thema’s gestructureerd. De taalmethode van
de Valentijnschool brengt door middel van haar thema’s een rode draad aan
door verschillende aspecten van het onderwijs: het taalonderwijs, het levensbeschouwelijk
onderwijs, en de sociaal-emotionele ontwikkeling. De sociaal-emotionele
ontwikkeling daarentegen op de Da Costa school is geïntegreerd in
‘de kring’ van het godsdienstonderwijs; op de Valentijnschool wordt de
sociaal-emotionele ontwikkeling van de leerlingen gestimuleerd middels
een aparte methode. Uitvoering van ideeën is — zo
blijkt uit de genoemde voorbeelden — sterk
contextueel bepaald.
In
ieder geval wordt duidelijk dat het thematisch onderwijs het helemaal gemaakt
lijkt te hebben. Een belangrijk knelpunt daarbij is dat leerkrachten de
ervaring hebben dat in het aldus georganiseerde godsdienstonderwijs (gerealiseerd
in de vorm van themamappen voor gebruik in de kring dan wel in hoge mate
geïntegreerd in de taalmethode) de godsdienstige tradities te gefragmentariseerd,
teveel in brokstukken worden aangeboden.
Het
gebruik van de open, grotendeels niet vooraf inhoudelijk ingevulde themamappen
op de Da Costa school heeft tot gevolg dat de concrete invulling van de
les een zware wissel trekt op de keuzen van de leerkracht in kwestie. Hetgeen
door de één positief, door de ander negatief wordt ervaren.
A l’improviste moet als het ware een proces van interreligieus leren ontstaan.
Hoewel dit een standaardprobleem is bij allerhande vormen van onderzoek
naar curriculumeffecten (“je moet altijd maar weer afwachten wat de docent
die met het lesontwerp werkt er in de in de praktijk van maakt”) geldt
dit in versterkte mate voor de themamappen van de da Costa school. Wanneer
we vaststellen dat dit exploratieve onderzoek zich afspeelt rond twee paraplu-
(kader-) begrippen, kunnen we in het verlengde hiervan — extrapolerend - concluderen
dat de ind4iduele waardenoriëntatie van de leerkracht sterk meeklinkt
in het werken binnen de kaders ‘Brede School’ en ‘Interreligieus Leren’.
Sterker nog: de Brede School en Interreligieus Leren — zowel
beide afzonderlijk alsook in combinatie — krijgen
pas invulling door de inbreng van de ind4iduele leerkracht. Opvattingen
en waardenoriëntaties van dezelfde ind4iduele leerkracht zijn derhalve
van groot belang.
Voor
beide onderzoeksscholen geldt dat ze in de selectiefase door een aantal
ter zake kundigen konden worden getypeerd als zogenaamde ‘voorloperscholen’
ten aanzien van de realisering van het concept ‘Brede School’. Een opvallende
overeenkomst tussen beide scholen, waarvan we vermoeden dat dat hiermee
samenhangt, is een relatief sterk onderwijskundig leiderschap binnen de
beide scholen. Tevens is daarbij opvallend hoe leiderschapsstijlen sterk
onderling kunnen verschillen, maar beide toch krachtig van invloed zijn
op het vormgeven van ideeën en het creëren van een overeenkomstige
beeldvorming naar buiten. Zowel door een zakelijke organisatie en een strakke
delegering van taken (Valentijn) alsook door een inhoudelijk bevlogen,
zelf materiaal ontwikkelende directeur (Da Costa) blijkt een school zich
in de schijnwerpers te kunnen spelen als het gaat om de wijze waarop men
succesvol is in het realiseren van het Brede School concept.
Ook
in het zoeken naar de wijze van Brede School-zijn in relatie tot godsdienst
en levensbeschouwing blijkt de taal een belangrijk knelpunt te zijn in
contacten met de ouders van de leerlingen. Het contact met ouders wordt
van wezenlijk belang geacht voor de Brede School. Hoezeer leerkrachten
hun best doen ‘bij de ouders in de buurt’ te komen, middels huisbezoek
en het maken van een praatje op het bankje voor de school, het kan een
probleem blijven dat de gesproken taal niet verstaan wordt. Desondanks
wordt er veel energie in gestoken, waarbij de leidende gedachte is dat
als het eenmaal is gelukt goede contacten met ouders tot stand te brengen, dit
zichzelf ruimschoots terugbetaalt in de vorm van een grotere betrokkenheid
van ouders bij de school.
Opvallend
weinig traditioneel-geinstitutionaliseerde geloofsgemeenschappen als kerken,
moskeeën, etc. worden door de school expliciet als bondgenoot gezien
en benut. Gezien het thema van deze studie, op een concreet n4eau één
van de meest in het oog lopende conclusies.
Leerkrachten
ervaren een gebrek aan kennis van de godsdienst van de andersgelovige leerlingen.
Men heeft behoefte aan goed bruikbaar lesmateriaal (dat is er te weinig).
Voorts valt op dat leerkrachten aangeven met name veel bij te leren of
denken bij te leren, niet uit de boeken, maar door daadwerkelijke confrontaties
met andere levensbeschouwelijke tradities in de vorm van een bezoek aan
het Interfaith Center te Bradford (UK), bezoeken bij ouders van leerlingen
thuis of een studiereis naar Turkije, Marokko en dergelijke.
‘Interreligieus
leren in de Brede School’ blijkt een nastrevenswaardige combinatie van
intenties. Beide intenties blijken echter in hoge mate nog ‘in wording’.
Voor scholen die al doende de ‘interreligieus georiënteerde Brede
School’ willen realiseren en voor het daartoe ontwikkelde en te ontwikkelen
flankerende beleid, formuleren we een aantal aanbevelingen:
1.Aangezien
zowel het begrip de ‘Brede School’ als ‘Interreligieus Leren’ paraplu-begrippen
zijn, kan een veelheid aan mogelijke invullingen worden bedacht. Hoe creatiever
de leerkracht binnen deze kaders aan het denken en ontwikkelen kan worden
gebracht des te rijker het concept. De leerkracht dient bevestigd, dan
wel nader geschoold te worden in het professionele handelen met betrekking
tot ‘interreligieus leren in de Brede School’. Aandacht in dit verband
voor de eigen positie van de leerkracht en zijn/haar waardering ten aanzien
van het interreligieus leren is van wezenlijk belang.
2.Handreikingen
aan de leerkracht over wat zoal onder ‘Interreligieus Ieren in de Brede
School’ kan worden verstaan, kan met het oog op de creatieve reflectie
van de schoolleider en leerkracht een belangrijke stimulans betekenen.
In dit verband verdient het aanbeveling als resultaat van het onderhavige
project op z’n minst de ontwikkelde ‘Lijst met ideeën’ (bijlage 1)
aan alle scholen beschikbaar te stellen. Het tonen van het scala aan mogelijkheden
communiceert de gewenste richting en biedt de mogelijkheid aan de school
(schoolleider of leerkracht) één of enkele passende ideeën
te selecteren en daarmee vervolgens te experimenteren.
3.Een
omgekeerde beweging kan eveneens z’n nut hebben: het maken van een inventarisatie
van act4iteiten die op Rotterdamse scholen reeds plaats vinden, en die
gezien kunnen worden onder de veelkleurige paraplu van ‘Interreligieus
leren in de Brede School’. De inventarisatie kan scholen over-en-weer stimuleren
tot experimenten.
Een
dergelijke inventarisatie is zelfs dringend gewenst als gevolg wordt gegeven
aan de wens, zoals die op d4erse plaatsen in de rapportage naar voren komt,
op centraal n4eau in Rotterdam een expertisecentrum in te richten. Daarvoor
behoeft het wiel niet opnieuw uitgevonden te worden, maar kan een goede
start worden gemaakt meer scholen dan uitsluitend de Da Costa en Valentijn
school - wat
betreft Interreligieus Leren en de Brede School - in
beeld te brengen. Wat doet men zoal op Rotterdamse scholen dat tevens interessant
is op centraal n4eau in het Rotterdamse onder de aandacht te brengen vanuit
een centraal expertisecentrum? De ene school kan z’n winst doen met ‘vondsten’
van een andere school.
Als voorbeeld kan dienen wat middels de onderhavige rapportage met betrekking tot de twee scholen boven water is gekomen.
4.Duidelijk
moet worden wie verantwoordelijkheid neemt voor het op waarde schatten
van en het desgewenst organiseren van de ontwikkelde ideeën voor zover
deze het meso- en macron4eau betreffen. Enkele ideeën en wensen overstijgen
het n4eau van de schoolorganisatie en vragen de inzet van een collectief.
5.Nieuwe
ideeën dienen nauw aan te sluiten bij c.q. geworteld te zijn in de
vigerende onderwijspraktijk. Dat versterkt de continuïteit van het
onderwijsleerproces, en bevordert de acceptatie van de als nieuw ervaren
werkwijze. De flexibele opvatting van de begrippen ‘Interreligieus leren’
en de ‘Brede School’ bieden hiervoor uitstekende mogelijkheden. De beide
onderzoeksscholen laten zien dat de (waarschijnlijk al van te voren gekozen)
oplossingsrichtingen voor problemen een betekenisvol kader krijgen en gestimuleerd
worden door de genoemde (beleids-)kaders. In de benadering en begeleiding
van scholen dient de school geholpen en geattendeerd te worden vooral het
eigene te zoeken, te behouden en verder uit te bouwen.
6.Wat
de levensbeschouwelijke dimensie van het schoolse bestaan betreft ligt
hier tevens een belangrijk probleem: in hoeverre wordt de spanningsvolle
relatie tussen de religieus-pluriforme leerlingpopulaties en de formele
(veelal christelijke) identiteit van de school bewust benoemd, bereflecteerd
en in het team tot discussiethema verheven?
De
directe aanleiding om binnen vrijwel elke Rotterdamse school processen
van interreligieus (interlevensbeschouwelijk) leren te willen realiseren
is evident: de leerkracht worstelt met de vraag op welke wijze recht kan
worden gedaan aan de grote verscheidenheid aan levensbeschouwelijke achtergronden.
De daarmee samenhangende pedagogische en theologische problemen, zowel
op organisatorisch/bestuurlijk n4eau alsook op het n4eau van het ind4idu
(de leerkracht) dienen expliciet te worden onderkend en in de school verder
tot gespreksthema te worden gemaakt. De school als geheel, als een gemeenschap
verplicht zich daarbij tot een ‘identiteitsberaad’. Deze noodzaak wordt
nog eens onderstreept door het gegeven dat een constructieve inzet en inbreng
van de leerkracht juist ook dringend was gewenst om ‘interreligieus Ieren
in de Brede school’ tot ontwikkeling te brengen (zie aanbeveling 1): als
de opvattingen van de leerkracht zo belangrijk zijn voor de concrete invulling
van de ‘Brede School’ en ‘Interreligieus leren’ dan is wel noodzakelijk
dat de leerkracht bewust en verantwoord — op
ind4idueel n4eau en op teamn4eau — tot
keuzen komt.
7.Werk maken van ouderbetrokkenheid en ouderparticipatie is een eerste vereiste. Met name wat betreft de opvoeding in waarden en normen, die door de betrokkenen wordt genoemd in het kader van interreligieus leren in de Brede School, is het van belang de ouders als ‘ervaringsdeskundigen’ bij het onderwijs aan hun kinderen te betrekken en hen actief te betrekken bij de vormgeving daarvan.
8.Ook
de Rotterdamse geloofsgemeenschappen (kerken, moskeeën, etc.) zouden
tot bondgenoten van de school moeten worden gemaakt. Zoals gezegd, is dat
opvallend weinig het geval. Scholen zouden hiertoe initiatieven kunnen
nemen. Ons lijkt tevens een goede mogelijkheid de geloofsgemeenschappen
zelf er op te wijzen welke ontwikkelingen er gaande zijn in de Rotterdamse
scholen en welke mogelijkheden voor contact hier liggen voor de betreffende
geloofsgemeenschap.
Naast
deze aanbevelingen formuleren we tenslotte nog een drietal aandachtspunten.
Ten eerste noemen we de zekere vaagheid van doelstelling: wat wordt eigenlijk
beoogd met interreligieus leren in de Brede School? Zoals uit het geheel
van de rapportage moge blijken formuleert men in een meerderheid van de
gevallen doelstellingen die verwijzen naar ‘een
eindstation, op z’n minst ver weg in de tijd en vaak utopisch, waarbij
idealisme op realisme de overhand neemt’ (vergelijk Fase en Van den Berg,
1985, 63).
Ten
tweede noemen we de als knelpunt ervaren fragmentarisering van de godsdienstige
tradities in het thematisch geordende levensbeschouwelijke onderwijs. Dit
aspect van het interreligieus leren verdient theoretische doordenking,
waarbij zowel aandacht besteed wordt aan de ontwikkelingspsychologische,
de pedagogische, de didactische als de godsdienstwetenschappelijke aspecten.
En,
last but not least noemen wij als aandachtpunt het aanboren van fondsen
c.q. het reserveren van middelen om deze wijze van onderwijs zowel theoretisch
te doordenken, als praktisch vorm te kunnen geven. Kwaliteitsonderwijs — en
zo willen wij het interreligieus leren in de Brede School betitelen — behoort
tot één van de protectieve factoren in de opvoeding van kinderen
in achterstandssituaties. Dat wil zeggen dat het interreligieus leren in
de Brede School een bijdrage kan leveren aan de inperking van de risico’s
die gelden ten aanzien van de doelgroep. De middelen die in deze fase van
de opvoeding aan kwaliteitsonderwijs besteed wordt, worden later terugverdiend
doordat daarmee voorkomen kan worden dat kinderen dan in probleemsituaties
terecht komen (waarbij we overigens overtuigd zijn van het feit dat geldt:
‘school cannot compensate for society’).
De
Rotterdamse Werkgroep Interreligieus Leren heeft zich in een brainstorm-sessie
tijdens een bijeenkomst op 28 november 1997 gebogen over de onderzoeksvraag
van het onderhavige project. Dezelfde vraagstelling in het kader van het
project als geheel was ook uitgangspunt van de brainstorm:
‘Hoe
kunnen op Rotterdamse scholen interreligieuze leerprocessen worden gerealiseerd,
op zodanige wijze dat daarin doelstellingen van ‘de Brede School’ worden
gerealiseerd?’.
Met
het oog op de verslaglegging is de separate brainstorm in het tweetal sub-groepen
schriftelijk genotuleerd; de direct daarop volgende plenaire uitwisseling
van ideeën is op tape opgenomen. De verwerking van alle informatie
achteraf resulteerde in een lange lijst met de meest uiteenlopende ideeën.
De weergave van de ideeën in de hierna volgende lijst is niet een
letterlijke.
De
aanvankelijke opsomming van de gegenereerde ideeën (tijdens de bijeenkomst)
is naderhand kritisch doorgenomen en/of aangevuld door een aantal betrokkenen
bij de werkgroep, die ofwel op het moment van vergaderen niet aanwezig
konden zijn dan wel vanwege hun specifieke expertise in tweede instantie
nogmaals geraadpleegd konden worden.[24]
Na
verwerking van het commentaar kon de hierna volgende definitieve lijst
met ideeën worden opgesteld.
Bij
het tot stand brengen van een koppeling tussen het concept De Brede School
en beoogde processen van Interreligieus Leren zou aan de volgende punten
gedacht kunnen worden.
1.Leerkrachten
binnen één en dezelfde school zouden onderling meer moeten
doen aan
ideeënuitwisseling.
Te
weinig is men van elkaars afwegingen en lespraktijken op de hoogte.
-Probeer
als leerkrachten binnen één school expliciet te verwoorden
welk standpunt wordt ingenomen/ingenomen dient te worden ten aanzien van
leerlingen met andere levensbeschouwelijke achtergronden; en/of
-Probeer
vervolgens daarbij ook aan elkaar uit te leggen welke consequenties één
en
ander heeft voor de wijze waarop men in de school omgaat met deze anders-
en/of
niet-’gelovige’ leerlingen;
-Wissel
uit welke ervaringen collega’s ondertussen zoal hebben opgedaan met
betrekking
tot de specifieke didactische aanpak van een levensbeschouwelijk
heterogene
klas;
-Je
zou (dat is eigenlijk bij de voorgaande punten verondersteld) als ind4iduele
docent
ook meer expliciet op je eigen levensbeschouwelijke achtergrond moeten reflecteren:
waar sta ik eigenlijk zelf?
Vaak
blijven deze inzichten namelijk te vaag. En vervolgens zouden deze
ideeën in het
team
kunnen worden uitgewisseld;
2.Voor
allerhande processen die in het verband van interreligieus leren binnen
een concrete schoolorganisatie aan de hand zijn kunnen allerhande reeds
bestaande instrumenten en proces-/team-begeleiders van buiten de school
een belangrijke bijdrage leveren;
Belangrijke
factoren voor succes in dit soort trajecten zijn ondermeer:
-de
houding en visie van de directeur/adjunct-directeur;
-het
onderling vertrouwen om iets of meer over je eigen visie op godsdienst
en
geloof te durven zeggen;
de
keuze van werkvormen
3.Bouw gericht een documentatiecentrum op binnen de school, zodat d4erse typen achtergrondinformatie en materiaal beschikbaar zijn voor de leerkrachten, gemakkelijk toegankelijk, toegesneden op de eigen situatie. Het documentatiecentrum kan bestaan uit c.q. betrekking hebben op:
- algemene
informatie over de onderscheiden levensbeschouwingen die ‘onze’ leerlingen
als achtergrond hebben; in de vorm van materiaal, dat toegesneden is op
het directe gebruik in de les of in de voorbereiding van een les door de
leerkracht:
-leerlingen/les-materiaal
-leraren-materiaal/handleidingen
-informatie
die bestaat uit concrete beschrijvingen hoe levensbeschouwingen zich in
de eigen wijk manifesteren;
-een
uitputtende lijst met overeenkomsten en verschillen tussen de verschillende
levensbeschouwelijke tradities, die als het ware zo in de les met leerlingen
kan, worden gebruikt of met welke basisinformatie je met de leerlingen
aan een inventarisatie kunt werken;
Het
geheel is overzichtelijk op te slaan in een centraal documentatiecentrum
in de school;
4.Dezelfde gedachte als het voorgaande idee, maar dan centraal geregeld in Rotterdam: kan er niet centraal geïnventariseerd worden welke ideeën en materialen er reeds in Rotterdam voorhanden zijn? Daarbij kan worden gedacht aan wat er aanwezig is bij de afzonderlijke scholen in Rotterdam, maar ook bij de d4erse centra en instituten, die Rotterdam rijk is, zoals de d4erse moskeeën, bibliotheken, kerken (denk bijvoorbeeld aan De Heuvel, vlak bij de Laurenskerk), de PABO’s en het CED.
Naast
deze centrale inventarisatie, kan ook informatie centraal worden opgeslagen
en/of informatie beschikbaar worden gesteld vanuit een centraal documentatiecentrum.
-Bij
de beschrijvingen van concreet onderwijsmateriaal zouden dan ook evaluaties
moeten worden opgenomen: niet alleen wat het is, maar ook de ervaringen
van de docenten die reeds met het materiaal hebben gewerkt;
-Zou
zo’n centrum ook niet kunnen uitgroeien tot een plek waar docenten relevante
dingen kunnen lenen, bijvoorbeeld in de vorm van leskisten?;
(Te
vergelijken met het Interfaith Center te Bradford)
-Op
dergelijke wijze zou het onderwijs al baat kunnen hebben bij de Rotterdamse
jeugdmonitor: dat moet toch prachtig materiaal op kunnen leveren voor het
onderwijs?;
- Idem,
met betrekking tot de databank ‘Samen wonen, samen leven’;
-De
distributie van informatie kan tevens vorm krijgen door het gebruik van
Internet en CD-ROM;
-Voor
het betrekken van informatie ten behoeve van het onderwijs op de eigen
school dan wel voor het aanleveren van informatie aan een centraal Rotterdams
punt zouden één of twee personen binnen de schoolorganisatie
verantwoordelijk moeten zijn. Die zijn verantwoordelijk voor het nemen
van de noodzakelijke initiatieven en het in gang houden van het proces:
een soort ‘interreligieus leren coördinator’;
5.Er
zou intensiever gebruik kunnen worden gemaakt van een thematische aanpak
van het onderwijs, waardoor meerdere levensbeschouwingen in het onderwijsleerproces
tegelijkertijd aan bod kunnen komen.
Voorbeelden
daarvan zijn:
-het
act4eren van ervaringen van alle leerlingen (onafhankelijk van hun levensbeschouwelijke
achtergrond) aan de hand van thema’s, zoals bijvoorbeeld een thema ‘rouwen’;
of
-het
behandelen van (bekende) historische gebeurtenissen (zoals bijvoorbeeld
de kruistochten) en zo’n fenomeen belichten vanuit verschillende
religieuze/levensbeschouwelijke en culturele visies; of
het
samen met de klas lezen van bepaalde proza of poëzie, waarbij de verschillende
levensbeschouwelijke achtergronden van de schrijvers aan het licht komen;
-zo
zou je ook een thema kunnen kiezen dat je met behulp van de bekende bronnen
van verschillende levensbeschouwingen verder uitwerkt (de Veda's, de koran,
bijbel, De kleine prins, etc.);
-laat
leerlingen vooral zelf zo’n (levensbeschouwelijk) thema kiezen en bouw
daar dan vervolgens een les omheen;
-als
voorbeeld van deze aanpak kan de methode Trefwoord dienen.
6.De
school zou de eigen wijk eigenlijk ‘levensbeschouwelijk in kaart’ gebracht
moeten hebben.
Te
denken valt aan: crematoria, musea, de Turkse moskee, de Marokkaanse moskee,
d4erse afzonderlijke kerken, het Hindoestaanse centrum, de Hindoestaanse
tempel, Surinaamse parochies, de Kaapverdiaanse Parochie en het Saï
Baba tempeltje, enzovoort, enzovoort (let er dan wel op dat dit zo breed-levensbeschouwelijk
mogelijk gebeurt: dus ook het bejaardencentrum voor Katholieken, de wijkwinkel
en het buurthuis);
7.De
school legt contacten met relevante instellingen en organisaties: het NPB,
IKOS en
SPIOR;
-gevaar
bij 6 en 7: contactmoeheid bij instanties; dit gevaar kan vermeden worden
door op wijkn4eau of vanuit het centrale (nog op te richten) centrum zaken
te regelen;
8.De
school dient te investeren in huisbezoeken aan allochtone ouders;
9.Maak
als leerkracht (of met het hele team) een reis naar bijvoorbeeld Marokko.
Dat blijkt van groot belang te kunnen zijn voor je eigen beeldvorming en
informatie over de leefwereld en achtergrond van allochtone leerlingen
in de klas.
Het
feit dat je een reis hebt gemaakt naar Marokko (vakantie of studiereis)
maakt dat je in je contact met allochtone ouders duidelijk een drempel
verlaagt;
10.Stuur
je leerlingen of studenten met gerichte opdrachten de wijk in. Laat ze
‘onderzoek doen’ naar de manier van leven van verschillende ‘groepen’ in
de wijk:
-hoe
gaan deze mensen met elkaar om (hoe verlopen de contacten binnen deze groepen
en tussen deze groepen?,
-hoe
vaak bezoeken ze Turkije of Marokko?,
-waar
leven ze van?, is dat moeilijk?;
11.Een
dergelijk onderzoek -als in het voorgaande punt- uitvoeren, niet alleen
met leerlingen, maar ook onderling met de eigen collega’s;
12.Bezoek
markante instellingen in de wijk samen met de leerlingen; wellicht ook
kunnen medewerkers bij de instelling worden bewogen -zeker
als er een groter aantal scholen in de wijk aanwezig is waar een dergelijk
idee leeft - om
educatief, oriënterend materiaal te ontwikkelen dat een rol kan spelen
bij het bezoek van de leerlingen;
13.De
toeristische attractie (van het VVV) met de naam City Safari(Kop
van Zuid) biedt een uitstekende
mogelijkheid te oriënteren op multicultureel Rotterdam. Zo’n tocht
is instructief zowel voor leerlingen als voor de leerkracht;
14.Het
‘Turkse jongetje’ (of een Marokkaanse, of een Nederlandse leerling) in
de klas kan uitstekend een presentatie verzorgen of een rondleiding geven
aan klasgenoten in zijn eigen leefwereld, eventueel zelfs met betrekking
tot zijn eigen thuissituatie;
15.Introduceer
een vak of een les ‘life-style’/’levensstijl’: waarin sociale vaardigheden,
levensvaardigheden, de explicitering van waarden en normen oriëntaties,
levensbeschouwelijke reflecties en omgangsvormen een plek hebben. Dichtbij
het alledaagse leven van de leerling.
-Een
variant daarop kan zijn dat een dergelijke thematiek als vanzelfsprekend
aan de orde komt doordat andere thema’s daar aanleiding toe geven. Voorbeeld:
trainingen
en lessen over ‘Conflictbemiddeling’ of over ‘Pesten op school’;
16.Voor
alle interculturele projecten en materialen voor gebruik op school zou
moeten gelden dat die idealiter niet geformuleerd zijn in abstracte termen,
zoals bijvoorbeeld ‘de moskee’, ‘de kerk’, ‘een tempel’. Wees steeds in
de eigen context concreet en benoem -in dit geval-
gebouwen
met naam-en-toenaam, zoals ze worden genoemd in de wijk: ‘de moskee Al
Aksa
in de Doelenstraat nummer 5, hier net om de hoek
17.Maak
stelselmatig ruimte in de klassengesprekken voor de verhalen van kinderen
over
thuis
gevierde feesten en rituelen;
18.Organiseer
een fototentoonstelling op school over het leven van en de gebruiken bij
leerlingen
thuis; misschien is dit zelfs te koppelen aan een concrete familie of een
aantal
concrete
families (het huis en de inrichting van de familie die-en-die);
19.Beleg
een ouderavond over de regels (de normen) op school, waarbij de ouders
betrokken worden in de beraadslagingen en besluitvorming. Soms kan het
ook nodig zijn de schoolregels, zoals die al sinds jaar-en-dag gelden op
school, samen met de ouders te thematiseren of door-te-exerceren: ‘wat
mag wel en wat mag niet op school’.
Daarbij
kun je een meervoudig effect verwachten: je kan streven naar een verfijning
van
de
regels, vervolgens ook verschaf je informatie naar de ouders toe, en ontstaat
ook vaak een beter begrip bij de team-leden.
Voorbeeld:
een project met leerlingen en ouders met het thema Mijn en dijn (hier
op
school, hou je je handen thuis; hier, steel je niet; hier, willen we niet
afzakken
naar
wat er in de wijk gebeurt;
Het
bleek op school zo te zijn dat leerlingen het doodnormaal vonden dat ze
een
pen
die ergens onbeheerd lag, zomaar meenamen. Niet, omdat ze gewoon waren
te
stelen,
maar omdat de regel niet gekend werd dat je dat normaliter niet doet.
Kortom:
als die regel niet wordt gekend, dan kun je ook niet zeggen dat de leerling
die
regel overtreedt. De kwestie was aanleiding het project Mijn en dijn
(over
regels
en regeltjes) te organiseren;
20.Maak
in samenwerking met ouders en/of leerlingen een video over het alledaagse
leven op school (doel: d4ers);
21.Inzakehet
taalprobleem in de omgang met de ouders, kun je veel doen om het probleem
te relat4eren:
-‘met
handen en voeten kom je al een heel eind’, je moet dat alleen wel zo willen
en
durven doen;
de
OALT-leerkracht kan uitstekende diensten bewijzen in de communicatie tussen
school
en achterban;
video-opnamen
van de school kunnen een prima medium zijn anderstalige ouders
te
informeren en concreet te confronteren met de schoolse situatie;
-als
ouders in de school worden ontvangen kun je vooraf ‘taalcategorieën’
maken
door
bijvoorbeeld kleurtjes uit te reiken. Werkt goedop
het inschrijformulier kun je ouders al in laten vullen in welke taal ze
correspondentie wensen te ontvangen;
-streef
er zoveel mogelijk naar correspondentie en gesprekken met de ouders te
voeren
in de taal die zij -als de geadresseerden- kunnen lezen en verstaan: de
SBWR
(?) kan daarbij helpen.
22.Organiseer
gesprekken met ouders over relevante thema’s, bijvoorbeeld over de opvoeding
van de kinderen, over wat ouders belangrijkvinden
voor hun kinderen (thuis, maar ook op school).
Je
kunt dat meer en minder interactief doen: je kunt ze alleen hun verhalen
laten vertellen, maar je kunt ook daarover intensief met de ouders in gesprek
gaan, eventueel zelfs in discussie
gaan.
-Het
is daarbij belangrijk vooral laagdrempelig te beginnen, bijvoorbeeld in
de
vorm
van koffie-ochtenden. Dat kun je dan langzamerhand steeds meer structureren;
-Organiseer
als school, als schoolteam een project of een langerlopend traject met
een
titel waarin de open houding van het team te willen leren van de allochtone
ouders
duidelijk wordt, bijvoorbeeld: het project ‘Ouders informeren leerkrachten’;
23.Laat
vertegenwoordigers van godsdiensten, levensbeschouwingen en idealen hun
verhaal doen in de les. Misschien kunnen ze hun verhaal ook nader visualiseren
door allerhande
materiaal mee te nemen en te demonstreren (vergelijk Soetendorp, De
Rabbijn in de klas; vergelijk ook de aanpak van Schrijvers op school,
dat minstens als organisatiemodel zou kunnen dienen);
24.Je
kunt een ‘ouderlokaal’ inrichten met steeds wisselende, voor ouders relevante
en interessante informatie;
25.Op
school (bijvoorbeeld tijdens ouderavonden) kun je werk van leerlingen tentoonstellen.
Zet er dan vooral bij waarom de betreffende lesgevende die bepaalde opdracht
gegeven heeft en hoe er precies aan gewerkt is;
26.Organiseer
themafeesten, waar alle (!) ouders bij worden uitgenodigd en waar een aantal
ouders ook bij de voorbereiding een rol spelen:
bijvoorbeeld
een blauw feest of een Wit feest,
waarop alles en iedereen in die kleur is, zelfs het eten; of
bijvoorbeeld een bepaald volksfeest, zoals een Dag van de Arbeid, volgens de Nederlanders, of de Oktoberrevolutie, of de Dag van de Arbeid zoals die in Turkije wordt gevierd, en dergelijke;
27.27.Organiseer Het Opzoomerfeest rond de school;
28.Vraag
aan verschillende leerlingen om dag- of weekopeningen te verzorgen, hetzij
alleen, hetzij in koppels, waarbij het de kinderen vrij staat om thuis
te vragen of hun ouders hen daarbij willen helpen. Aldus worden de ouders
op een geheel andere wijze bij de school betrokken;
29.Laat leerlingen gedichten schrijven over zichzelf of over dingen die hen bezighouden; vergelijk het project Creat4e Writing: werkvormen en aanpak kunnen een hulpmiddel zijn voor het verwoorden van gevoelens en ervaringen;
30.Ga
met de leerlingen op zoek, of laat de leerlingen zelfstandig op zoek gaan
naar ‘het gedicht in de stad’ of ‘het verhaal in de stad’: in Rotterdam
kom je gedichten tegen op metro’s, vuilniswagens, enz. Dat vertelt iets
over ‘de stad’..!;
31.Maak in de school consequent gebruik van een Interreligieuze kalender, waarop de feesten zijn vermeld van d4erse godsdiensten (voorbeeld van zo’n uitgave: Ned. Centrum Buitenlanders);
32.Breng een werkbezoek aan het Interfaith Centre te Bradford. Het centrum biedt (1) informatie over godsdiensten op zich, (2) over de ontmoeting tussen religies en culturen en (3) over wat de gevolgen van één en ander zijn voor het onderwijs.
De
directeur van de Da Costa-school ontwikkelt de themamappen, die gebruikt
worden voor het godsdienstonderwijs op deze school. Voor een impressie
van de themamappen, en een lesopzet rondom het thema ‘Winnen of verliezen’
verwijzen we naar bijlage 2I.
De
directeur vertelt dat aanvankelijk iedere docent de godsdienstles naar
eigen goeddunken invulde. Tijdens een tweetal studiedagen over de identiteit
van de school stelde men vast dat er daarbij sprake was van grote verschillen.
In
1994 startte de directeur een proces om de leerkrachten wat het godsdienstonderwijs
betreft meer op één lijn te krijgen. Een thematische aanpak
van het godsdienstonderwijs bleek een manier om tot een meer eenduidige
invulling van het vak te komen. Daarnaast, zo constateert de directeur,
dacht men dat de thematische aanpak de leerlingen, gezien hun heterogene
levensbeschouwelijke achtergrond, ook meer zou aanspreken. Ter begeleiding
van het ontwikkelen van thematisch lesmateriaal werd de werkgroep ‘Vieringen’
in het leven geroepen. Deze werkgroep boog zich in het betreffende schooljaar
over de vormgeving van in eerste instantie een zestal feesten uit de verschillende
levensbeschouwelijke tradities: het kerstfeest, pasen, het suikerfeest,
het offerfeest, het d4ali-feest en het holi-feest. Op deze manier, zo stelt
de directeur, werd recht gedaan aan de uiteenlopende achtergronden van
de leerlingen, wat betreft de godsdienstige tradities waarin zij opgroeien[25].
Een
belangrijke vraag aan het begin van het thematisch godsdienstonderwijs
luidde: op welke manier geven wij vorm aan de verschillende feesten? Men
besloot bij elk feest een thema te zoeken, dat de kern van het betreffende
feest zou weergeven. Zo kreeg bijvoorbeeld het kerstfeest het thema: ‘Geen
plek om je hoofd neer te leggen’. Zowel voor het zoeken naar passende thema’s
als voor het vinden van geschikte werkvormen raadpleegde men de Werkgroep
Katechese van het bisdom Rotterdam. Het thema diende ook als aanknopingspunt
voor verhalen uit de andere tradities, die eveneens een plaats kregen op
het (in dit geval christelijke kerstfeest. Het thema werd eveneens vertaald
naar een concrete voor kinderen herkenbare maatschappelijke situatie. Er
is in dat verband gedacht om ds. Visser van de Pauluskerk te benaderen
om mee te werken aan het feest.
Zo
kreeg het thematisch godsdienstonderwijs in die begin-periode vorm. Deze
aanpak van de feesten gaf echter verwarring, zowel bij leerkrachten als
bij ouders. Niemand herkende nog het eigen feest in de vieringen. Het herkennen
van het eigene vond men zeer belangrijk. In overleg met de schoolcommissie
werd de opzet van het thematisch godsdienstonderwijs veranderd. Zowel christelijke
als niet-christelijke feesten krijgen een thema mee, waarbij sterk gelet
wordt op het eigen karakter van het betreffende feest. Bij een christelijk
feest klinkt het bijbehorende christelijke verhaal, en bij een islamitisch
of hindoe-feest klinkt het verhaal uit die traditie. Zo neemt men kennis
van de traditie van de ander, en komt men samen in de viering van het feest
waarbij het thema ouders, kinderen en leerkrachten uit de verschillende
tradities verbindt. De ‘Schoolcommissie’, waarin ook ouders zitting hebben,
evalueert alle vieringen. Op deze manier krijgt interreligieus leren op
de Da Costa-school een voor alle betrokkenen herkenbaar en eigen gezicht.
De
planning van de themamappen beslaat een schooljaar. Aan het begin van het
schooljaar staan
de
thema’s vast. De helft van de thema’s in de themamappen is gerelateerd
aan godsdienstige
feesten
die de school in dat jaar gezamenlijk viert. De andere helft van de thema’s
volgt de actualiteit, zoals bijvoorbeeld de Kinderboekenweek en de wijk-verkiezingen
zoals in het project van de KinderAdviesRaad (KAR), getiteld ‘Wie is er
de baas?’. Er worden verhalen bij de thema’s gezocht, vaak uit de bijbel,
soms ook uit andere (godsdienstige en kinderboeken. Soms zijn werkbladen
toegevoegd, die ten behoeve van de leerlingen gekopieerd kunnen worden.
De thema’s worden met name in het kringgesprek besproken en verder uitgewerkt
Een
thema uit de themamap van het lopende jaar wordt door de directeur nader
op globale wijze ingevuld (‘op zondagavond, voordat de nieuwe week weer
begint’). Door slechts de grote lijn door een thema aan te geven, schenkt
hij zijn leerkrachten vrijheid om er hun eigen manier kleur aan te geven.
Ze zijn bijvoorbeeld vrij om een keuze te maken uit de aangeboden verhalen.
De verschillen tussen de leerkrachten bij hun uitwerking van de thema’s
ziet de directeur als een verrijking. De d4erse werkwijzen van leerkrachten
beschouwt hij als complementair aan elkaar. Het kringgesprek is de belangrijkste
werkvorm van het godsdienstonderwijs[26].
Elk thema beslaat drie ‘kringen’. Er wordt wel verwacht dat alle thema’s
in hun groep ter sprake komen, en dat ze zich aan de tijdsplanning houden.
Op deze manier hoopt de directeur dat kinderen gaan inzien dat mensen dezelfde
zaken op verschillende manieren vormgeven en beleven.
Elk
jaar verschijnen er nieuwe themamappen, mede omdat de kalender van sommige
tradities verschu4ingen in de feesten geeft. Zo vindt bijvoorbeeld het
paasfeest niet elk jaar in precies dezelfde week plaats; ook de ramadan
verschuift, evenals het holi-feest. De directeur bespreekt de nieuwe mappen
steeds met een ‘Klankbordgroep’, bestaande uit leerkrachten van de school.
Behalve
aan de feesten en actuele onderwerpen, besteedt de directeur in de themamappen
nadrukkelijk aandacht aan de sociaal-emotionele ontwikkeling van de leerlingen.
Hij tracht een doorgaande ontwikkelingslijn aan te brengen in het lesmateriaal.
De
directeur heeft een informele leiderschapsstijl. Over bijvoorbeeld de themamappen
(hoe het gaat, hoe de leerlingen reageren) spreekt hij mensen ‘even’ aan
op de gang, in de koffiepauze; op gelijksoortige wijze verhoudt hij zich
tot de leerlingen. Onderling vindt het gesprek over de themamappen ook
op informele wijze plaats. Op een teamvergadering komt het godsdienstonderwijs
slechts ter sprake als er een belangrijke wijziging moet worden aangebracht.
Onlangs werd bijvoorbeeld besproken of er niet minder aandacht aan het
jodendom en meer aandacht aan het Chinees nieuwjaar besteed moest worden,
vanwege de geringe herkenbaarheid voor de kinderen van het jodendom.
De
directeur spreekt de wens uit dat leerkrachten en leerlingen zich open
opstellen in de interreligieuze dialoog, maar hij forceert deze houding
niet. Hij typeert zelf zijn houding met de uitspraak: ‘een ketting is zo
sterk als de zwakste schakel’.
Bij
de uitwerking van een aantal thema’s (zoals het thema van het project ‘Wie
is de baas?) legt men een relatie met de ‘bondgenoten’ van de school. In
dit geval waren dat de KAR en de wijkgemeente. Ook blijkt het Brede School-karakter
van de themamappen volgens de directeur uit de doelstellingen van de themamappen,
namelijk dat leerlingen kennis nemen van elkaars achtergronden, en dat
ze leren om cognitief en affectief met deze verschillen om te gaan. Hij
hoopt dat leerlingen leren om verschillen te benutten en om verschillen
als een uitdaging te zien in plaats van als een bedreiging. Dat laatste
beschouwt hij als een doel voor de Brede School in het algemeen, dus niet
alleen voor het thematisch godsdienstonderwijs.
De
directeur spreekt zijn voldoening uit over het feit dat er nu structureel
aandacht is op zijn school voor het godsdienstonderwijs, waarbij recht
wordt gedaan aan ouders, kinderen, en
leerkrachten
uit de verschillende godsdienstige tradities. Vergeleken met een paar jaar
geleden acht hij dat een geweldige vooruitgang: ‘er was helemaal niks,
nu is er tenminste iets!’.
Het
vak ‘Levensbeschouwing’ heet op de Da Costa school ‘Kring, Godsdienstonderwijs
en Sociaal Emotionele Ontwikkeling’. Voor dat vak worden de themamappen
samengesteld door de directeur van de school, de heer Bert van der Burgt,
in samenspraak met een klankbordgroep. Elk jaar verschijnen er nieuwe themamappen,
mede omdat de feesten in de verschillende godsdienstige tradities niet
elk jaar op dezelfde datum plaats vinden.
Het
kringgesprek is de belangrijkste vorm waarin het levensbeschouwelijk onderwijs
expliciet vorm krijgt.
De
sociaal-emotionele ontwikkeling van de kinderen is een belangrijk aandachtspunt
in het
levensbeschouwelijk
onderwijs, zoals ook blijkt uit de naamgeving van het vak. Elk thema schenkt
aandacht zowel aan het godsdienstige aspect van dat thema, als aan het
sociaal-emotionele aspect. In dat laatste aspect met name is de Brede School-gedachte
terug te vinden. Een belangrijke doelstelling van de themamappen is namelijk
de kinderen informeren over elkaars achtergronden en hen leren met de verschillen
in achtergronden om te gaan.
Elk
thema wordt verspreid over drie lessen in één week. Soms
is een thema langer dan één week aan de orde. Voor het thema
‘Het lijkt wel dood’ was voor drie weken lesmateriaal aangereikt; het thema
‘Wie is de baas’ is gespreid over vier weken. Soms bepaalt een leerkracht
zelf om meer dan één week aan het thema te besteden, ook
al wordt voor dat thema slechts voor één week lesmateriaal
aangereikt. Dat gebeurt bijvoorbeeld als een thema te veel bij de kinderen
oproept om in één week te behandelen. Bij het thema ‘Ruzie’
was dat in één groep het geval. De themamappen vormen geen
strakke ‘dienstregeling’, ze worden door de leerkracht als leidraad gebruikt.
In he vervolg van deze bijlage is een lijst met thema’s opgenomen.
Verhalen
die in de lesopzet worden aangeraden om voor te lezen of te vertellen aan
de kinderen zijn in elke ‘week-themamap’ opgenomen.
De
thema’s zijn verschillend voor de onder-, boven- en middenbouw. De thema’s
van de
verschillende
bouwen zijn niet altijd hetzelfde. Als er een belangrijk (godsdienstige)
feest gevierd wordt, zijn de thema’s van het levensbeschouwelijk onderwijs
op elkaar afgestemd. De thema’s alsook welke feesten in alle bouwen van
de school aandacht krijgen, worden aan het begin van het schooljaar voor
dat jaar vastgesteld.
Uit
de themamappen blijkt dat de thema’s voor een belangrijk deel worden bepaald
door de grote feesten van de verschillende godsdienstige tradities. In
de themamappen worden de feesten met elkaar in verband gebracht, soms met
elkaar vergeleken. Een deel van de thema’s wordt ingegeven door de actualiteit
van bijvoorbeeld de kinderboekenweek, de verkiezingen of een project van
KinderAdviesRaad (KAR). Eén van de KAR-projecten die in de themamappen
waren opgenomen had als titel ‘Wie is de baas?’. ‘Wie is de baas’ wordt
in de themamappen geïnterpreteerd als de vraag: wie is de baas over
jouw tijdsbesteding - neem
je zelf wel eens de tijd om te bidden? En: wie bepaalt dat jij moet vasten?
Wie bepaalt met wie jij later gaat trouwen? Dit thema leende zich goed
voor een uitwerking zoals dat past binnen de ‘brede school’-gedachte: bondgenoten
uit de buurt werden ingeschakeld rond de vraag: ‘Wie is de baas in de buurt?’.
De
thema’s worden over het algemeen slechts globaal aangegeven. De kracht
van de leerkrachten, namelijk dat zij hun eigen verhaal in hun eigen godsdienstige
traditie hebben, krijgt zo alle ruimte. De leerkrachten kunnen hun eigen
initiatief ontplooien, en zich laten sturen door hun eigen mot4atie. Zij
krijgen alle ruimte om de lessen hun eigen kleur te geven. Leerkrachten
kunnen binnen het globale kader hun betrokkenheid bij het (godsdienstige)
thema middels hun zelfgekozen
werkwijze vorm geven. Verschillen tussen de leerkrachten in de concrete
vormgeving van de godsdienstlessen ziet de directeur als complementair
en verrijkend. Kinderen leren op deze manier dat mensen op verschillende
wijze met (godsdienstige) feesten en verhalen omgaan.
De
leefwereld van het kind is het uitgangspunt. De themamappen worden apart
voor de onder-, de midden- en de bovenbouw ontwikkeld. Op die manier vindt
afstemming van het lesmateriaal plaats op het ontwikkelingsn4eau van het
kind.
De
themamap geeft steeds een suggestie voor de aansluiting met de leef- en
belevingswereld van het kind. Het thema ‘Vreemd’ bijvoorbeeld wordt gepresenteerd
met een gesprek over namen: de betekenis van een naam komt ter sprake,
de betekenis van de eigen naam van het kind, en het geven van bijnamen.
Aansluiting
met de godsdienstige traditie wordt in dit geval gevonden in het verhaal
van de vreemde mens (de genezing van een bezeten jongen, Mattheus 17: 14
-21), die bij zijn naam genoemd wordt door Jezus.
Het
thema dromen wordt geopend met de vraag aan de kinderen ‘wat droom jij?’. Een
(deel van een) verhaal van Paul Biegel prikkelt de kinderen tot het vertellen
van hun eigen gekke, vrolijke, angstige dromen te vertellen tijdens het
kringgesprek.
Aansluiting
met de godsdienstige traditie wordt gezocht in ‘de droom van de bruid’
uit het Hooglied (Hooglied 5: 2 - 7),
en in de derde les komt ter sprake het boodschap-karakter van dromen (de
dromen van Jozef; volgens Genesis 40 e.v.).
De
sociaal-emotionele ontwikkeling komt impliciet aan de orde in het kringgesprek.
Het lesmateriaal geeft suggesties om er aandacht aan te besteden tijdens
het kringgesprek dat in het kader van het week-thema plaats vindt. Bij
het bovengenoemde thema ‘Vreemd’, als er over namen gesproken wordt, luidt
het aandachtspunt voor de sociaal-emotionele ontwikkeling: Luisteren naar
elkaar. Ieder bij zijn/haar naam noemen: juist uitspreken en geen gebruik
van scheldnamen etc. Weten van elkaar wat je als mens bent.
In
de themamappen komen verhalen voor uit de verschillende godsdienstige tradities
waarmee het kind thuis en in de buurt in aanraking komt. Vanuit het thema
(dat geworteld is in de leefwereld van het kind) wordt gezocht naar een
passend verhaal uit de godsdienstige traditie. Verhalen uit de christelijke
traditie
komen veelvuldig voor in het lesmateriaal. De verhalen uit de hindoe-traditie
en uit de islam komen voornamelijk aan bod als een feest uit de betreffende
traditie het thema van de themamap vormt
De
opbouw van de lessen wordt vooraf op een A4-tje gegeven. Het thema, de
verspreiding van het thema over drie lessen, en aandachtspunten voor de
sociaal-emotionele ontwikkeling vormen het vaste stramien van dat A4-tje
(zie het vervolg van de bijlage voor een voorbeeld-A4-tje). Het
kringgesprek is de belangrijkste werkvorm van het thematisch levensbeschouwelijk
onderwijs.
Van
de drie lessen die samen een thema vormen staat meestal de eerste les in
het teken van het zoeken naar het thema, of en hoe het voorkomt in de leef-
en belevingswereld van het kind. De tweede (of derde) les legt een verbinding
met de godsdienstige traditie en in de derde (of tweede) les is het thema
terug te vinden in een verhaal uit de (kinder)literatuur. Materiaal, zoals
(een gedeelte van) een verhaal en een enkele maal een werkblad, zijn steeds
bijgevoegd.
Tijdens
het kringgesprek vindt allereerst een aftasting plaats van wat kinderen
zelf al weten over het thema en in welke vorm het thema voorkomt in hun
leefwereld; vervolgens leest/vertelt de leerkracht het in de themamap aangereikte
verhaal, en daarna volgt er een gesprek tussen de leerkracht en de leerlingen,
en tussen de leerlingen onderling over wat het meeste aansprak uit het
verhaal. De leerkracht stimuleert en begeleidt met name dat laatste aspect:
het onderlinge gesprek.
De
volgende thema’s zijn in de themamappen te vinden:
BovenbouwOnderbouw
Wie
ben ik?Water
DromenVreemd
Blij
zijnJe hebt elkaar nodig
Tijdmachine- kinderboekenweekBlij
en gelukkig zijn
Feest
vierenMéér dan blij
zijn
Winnen
of verliezenWie achter is moet voorgaan
Weer
mens wordenTussen elkaar muren bouwen
Rechten
van het kindEen muurtje afbreken
Advent
en KerstRecht en onrecht
VastenOp
zoek naar licht
RamadanSinterklaas
en Chanoeka
Wie
is hier de baas?In de winter
Het
goede overwintOp zoek naar licht
HolifeestKerst
Thuis
opgroeienRamadan
Nieuwe
kansen - opnieuw
beginnenDoor waarschuwen een vriend
zijn
OfferfeestVreemd,
en toch...
Lijden
en Opstanding‘Vreemde’ mensen
Vrij
zijnVasten
en feesten
OnvrijheidSuikerfeest
Van
gevangen vrij wordenCarnaval
Verraad
en daarna...Chinees
nieuwjaar
Feesten
Verhalen
van Jezus
‘Kijk
een kind, een vrouw, een man’
Het
lijkt wel dood
Holifeest + Phagwa
Pasen
Geroepen om vrij te zijn
Vrij
zijn is de bedoeling
Vrijheid
in gebondenheid
Bevrijding
Koning-zijn
Een
les-opzet voor een week ‘Kring, Godsdienstonderwijs en Sociaal-Emotionele
Ontwikkeling’, met het thema ‘Winnen of verliezen’, ziet er als volgt uit:
LESINHOUD:
Thema: ‘winnen of verliezen’ korte omschrijving van de weekopzet
le
les: Hoe voel je je bij winnen? En hoe bij verliezen?
Tegen
je verlies kunnen! Als team winnen in de sport, als groep in de
klas
etc.
Leren
winnen of verliezen? Hoe loopt het af?
(bijl.)
2e
les: Alles willen winnen. Vertellen ‘Een jongeman, die alles wou winnen’.
Petrus
vraagt: Hebben wij niet de eerste prijs verdiend? Wat wil je
winnen
en wat niet verliezen? (bijl.)
3e
les: Twee winnaars? Hagar en Sara: Gen 16 en Gen. 21
N.B.
Moslims geloven dat de lijn van Gods belofte loopt via lsmaïl. (bijl.)
SOCIAAL- EMOTIONELE
ONTWiKKELING:
Korte
omschrijving van de aandachtspunten:
Prestatiedrang
en prestige gaan ten koste van anderen in de sport, in de klas, in godsdiensten.
Hulpaan zwakkeren
is niet-verliezen, ruimte geven aan elkaar is winnen.
De
geïnterviewde leerkracht is al ruim 24 jaar als leerkracht werkzaam
op de Da Costa-school. Hij geeft les aan een gecombineerde (stam)groep
3, 4. In het gesprek staat de vraag centraal op welke wijze hij omgaat
met de ontwikkelde themamappen.
Om
te beginnen leest deze leerkracht de informatie in de themamap, behorend
bij een bepaalde serie lessen, helemaal door. Hij vertelt dat hij op die
manier geïnformeerd wordt over de kern van een onderwerp, het thema.
De suggesties leest hij vervolgens door en hij kiest er uit waar hij het
beste mee denkt te kunnen werken met zijn leerlingen. Soms zoekt hij zelf
ander materiaal omdat zijns inziens de aangereikte suggesties geen herkenning
geven bij de leerlingen. En als er geen herkenning is, geeft het alleen
maar verwarring, is zijn mening.
In
de kring polst hij eerst de leerlingen over hun voorkennis met betrekking
tot het onderwerp: wat weten ze er eigenlijk van? Zo ontstaat een gesprek
tussen de leerkracht en de leerlingen, maar ook tussen de leerlingen onderling.
Daarna volgt er meestal een verhaal over het thema. Tijdens het voorlezen
van het verhaal stopt hij af en toe even, soms om leerlingen te laten reageren,
soms ook voor hemzelf om te peilen in hoeverre datgene wat hij vertelt
bij de leerlingen overkomt. Na het verhaal volgt een gesprek waarin de
leerlingen mogen aangeven wat ze (belangrijk) vonden van het verhaal, wat
ze herkenden, en waarom. Daarmee eindigt de eerste van een serie van drie
lessen.
De
leerkracht benadrukt dat de sfeer in de groep veilig moet zijn, voordat
kinderen vrijuit reageren op een verhaal. Hij stimuleert de kinderen om
te vertellen naar aanleiding van het verhaal. Hij komt op die manier te
weten wat de kinderen bezig houdt, waar ze mee worstelen en wat er bij
hen thuis leeft. Op die manier kan hij de lessen zo goed mogelijk laten
aansluiten bij hun eigen leefwereld en denkn4eau. Van daaruit stimuleert
hij hen nieuwe aspecten te betrekken in hun denken.
Niet
alleen wat de kinderen aandragen bepaalt het gesprek in de kring. Wanneer
hij zelf vindt dat een bepaald aspect van het thema besproken dient te
worden, omdat het de kinderen kan stimuleren tot verder nadenken, dan brengt
hij dat zelf in in de kring.
Hij
vindt het belangrijk om kinderen op elkaar te laten reageren, zodat ze
merken dat ze niet de enige zijn die ergens mee zit, maar dat hun probleem
herkend kan worden door anderen. Kinderen kunnen elkaar helpen met dat
probleem, bijvoorbeeld door oplossingen aan te dragen. In zo’n gesprek
worden natuurlijk verschillende oplossingen genoemd. De leerkracht probeert
duidelijk te maken dat mensen niet allemaal hetzelfde zijn. Dat er daarom
ook verschillende oplossingen (mogelijk) zijn, en dat die er allemaal mogen
zijn. Zelfs betrekkelijk jonge kinderen, zoals die uit zijn gecombineerde
groep 3, 4 kunnen naar zijn zeggen al goed met elkaar reflecteren op een
bepaalde gebeurtenis, of een bepaald thema.
Wanneer
een bepaalde levensbeschouwing of religieuze traditie niet leeft bij de
kinderen, omdat bijvoorbeeld geen enkel kind in de groep met die traditie
in aanraking komt, dan zal deze leerkracht daar niet of nauwelijks over
vertellen. Deze keuze heeft, naar eigen zeggen, ook te maken met de leeftijd
van de kinderen in zijn groep. Voor hem is het namelijk belangrijk dat
kinderen zich betrokken kunnen voelen bij wat hij vertelt, dat ze actief
luisteren en participeren in het kringgesprek. Een ‘ver-van-mijn-bed’ verhaal
verhindert de actieve participatie van de kinderen.
De
themamappen worden door deze leerkracht consequent gebruikt, zij het kritisch.
Ze vormen voor hem een algemene leidraad; hij volgt de suggesties niet
op de voet Als een bepaald thema
aanslaat,
dan neemt hij de voorgeschreven drie ‘kringen’ om met het thema bezig te
zijn, zo niet, dan slaat hij ook wel eens een enkele ‘kring’ van dat thema
een keer over. Omgekeerd breidt hij het aantal lessen over een bepaald
thema ook wel eens uit, bijvoorbeeld wanneer de kinderen zelf een uitbreiding
van het thema aangeven.
Hij
vindt het prettig dat de mappen zo open van opzet zijn. Omdat de mappen
hoofdzakelijk de grote lijnen aangeven bij een thema, blijft er veel ruimte
voor eigen inkleuring en invulling van de lessen. Dat geeft hem de mogelijkheid
er uit te halen wat hij belangrijk vindt voor zijn eigen groep. De thema’s
bieden verschillende kinderen herkenning, misschien juist wel vanwege die
brede opzet.
De
meeste lessen zijn ‘praat-lessen’. Deze leerkracht gaat een enkele keer
op zoek naar een andere werkvorm voor de verwerking van het thema.
In
de bouwvergaderingen komen een enkele keer de thema’s van de themamappen
ter sprake. Dergelijke gesprekken zijn meestal niet apart geagendeerd.
Hij spreekt mede-docenten eerder ‘informeel’ over dit onderwerp: in de
gang na de lessen en soms tussendoor op het schoolplein in de pauzes.
De
geïnterviewde leerkracht waardeert de mappen positief. Het spreekt
hem aan dat de thema’s zo goed bij de belevingswereld van de kinderen aansluiten,
of er zo goed aan aangepast kunnen worden. Door bijbelverhalen te koppelen
aan een thema, komt volgens hem de essentie van de verhalen veel beter
over.
Hij
signaleert dat er in het thematisch godsdienstonderwijs zoals dat nu vorm
krijgt, geen sprake is van het aanbieden van de (bijbel) verhalen in een
chronologische volgorde. De bijbelverhalen worden door elkaar ‘gehusseld’
al naar gelang de thema’s. Daardoor vindt hij dat het verband ontbreekt
tussen de verschillende verhalen. Dat zou verwarring kunnen geven bij kinderen.
Sommige verhalen, stelt deze leerkracht, komen te vaak weer terug, omdat
ze passen bij uiteenlopende thema’s.
Hij
zou zelf wel graag de kinderen meer verhalen willen vertellen over Jezus
en zijn werk, zodat de persoon van Jezus voor kinderen meer gestalte krijgt.
Hij zou ook blij zijn met liedsuggesties in de themamappen.
De
leerkracht treedt ons zelfverzekerd en vriendelijk tegemoet. We ontmoeten
haar als de klas nog leeg is. De klas ziet er opgeruimd uit. Posters aan
de wand, de tafels gegroepeerd in vier groepen. Twee stoelen staan voor
ons gereed, op een plek waar de kring omheen gevormd kan worden. De kinderen
worden door een andere leerkracht van beneden opgehaald.
De
kinderen komen pratend en stoeiend binnen. Voetballen is het hoofdonderwerp
van gesprek. Eén kruipt over de tafel om zijn plekje in de kring
te kunnen bereiken. De kinderen vormen een kring om één van
de tafelgroepen heen. De ruimte voor de kring is krap, zeker nu wij tweeën
er bij zijn. Wat geroep, ‘schuif eens op’; er wordt een stoel vrijgelaten
voor de juf. De leerkracht staat in de deuropening, en komt als de kring
gevormd is glimlachend binnen. Een kind wordt nog gemist, ‘die is te laat,
dat weet je toch’.
De
leerkracht introduceert ons, en vraagt vervolgens wie er wat heeft om te
bidden. Rusland wordt genoemd, Soedan - de
honger; India en Pakistan in verband met de kernproeven; besmet varkensvlees;
voetbalfans die opgepakt zijn in Frankrijk. De leerkracht gaat steeds even
in op het onderwerp dat door de kinderen wordt aangedragen, licht toe en
haalt het naar de leefwereld van de kinderen wanneer dat mogelijk is, zoals
bijvoorbeeld in het geval van het besmette vlees: daar heeft een meester
vorig jaar last van gehad. Tussendoor komt nog een kind binnen, waarvan
ze weet dat zij nu niet in deze les moet zijn, maar naar de Turkse les
moet gaan. Na deze kleine onderbreking komt de leerkracht terug op het
bidden: wie gaat waarvoor bidden. De beurten worden verdeeld. Zijzelf begint
het bidden, en de kinderen nemen om de beurt het gebed over. Na het gebed
begint de thema-les. Het blijkt dat de kinderen gisteren al een deel van
het verhaal (naar Mattheüs 12: 9-14 over ‘de genezing op de sabbath)
gehoord hebben. Desondanks besluit de leerkracht toch het hele verhaal
nu te vertellen. Dat doet ze gedeeltelijk uit het hoofd, waardoor ze contact
met de groep houdt, en op het moment dat ze merkt dat een woord of zin
niet begrepen wordt, dat kan verhelderen. Tijdens het gesprekje dat naar
aanleiding van het verhaal gevoerd wordt, komen kinderen zelf tot een eigentijdse
vertaling van het verhaal: ‘als je voor een spoedgeval naar het ziekenhuis
moet, rij je toch ook door rood licht!’. Een ander kind zegt: ‘als ze zelfde
pijn van die zieke arm zouden voelen, zouden ze ook wel genezen willen
worden’. Kinderen horen van elkaar dat regels belangrijk zijn, maar dat
soms een andere regel de geformuleerde regel tenietdoet. De regel: zorg
goed voor een zieke, is belangrijker dan de regel van het rode stoplicht.
En: als je jezelf verplaatst in de positie van de ander, dan wordt vanzelf
duidelijk welke regel in die bepaalde situatie het belangrijkst is. Eigentijdse
exegese en sociaal-emotionele ontwikkeling gaan tijdens dit gesprek hand
in hand.
Na
het gesprek deelt de leerkracht het werkblad dat bij deze thema-les hoort,
uit. Ze vraagt aan de kinderen te kijken naar de regels, en te zeggen welke
regel goed bij het vertelde verhaal past. De kinderen ontdekken al pratend
en luisterend naar elkaar, dat de regels zowel uit de koran als uit de
bijbel komen. ‘Ze zijn hetzelfde, alleen een ander woordgebruik’. Misverstanden
over-en-weer over bijvoorbeeld het geven van geld, dan wel een schaap tijdens
de Ramadan, komen al pratend aan bod. De kinderen ontdekken dat de intentie
in beide gevallen hetzelfde is.
Na
dit gesprekje vertelt ze het tweede deel van het verhaal van deze les.
Ze let er steeds op zinsneden die voor de kinderen moeilijk zijn te vertellen
in hun eigen woorden. Een kind begint het wat te lang te duren, hij frommelt
met zijn werkblad, waarop ze tussendoor even reageert: ‘kun je dat even
laten liggen?’. Het zijn wel vaak dezelfde kinderen die aan het woord zijn
in het kringgesprek.
Na
dit deel van het verhaal vraagt ze de kinderen opnieuw naar de regels op
het werkblad te kijken: welke regel hoort er nou bij God liefhebben, en
welke regel hoort er bij de mensen liefhebben? Moeilijke woorden zoals
bijvoorbeeld ‘laster’ en ‘huichelarij’ legt ze uit, en als een kind het
niet heeft begrepen, laat ze het door een ander kind in de kring uitleggen.
Dan
is het tijd, en dus de les ten einde.
De
leerling vertelt het verhaal van de kring als volgt na
‘Jezus ging naar de synagoge. Die ging gewoon eh... het was sabbat. Toen was er een man en die had een stijve hand. Die wou genezen [worden]. Toen waren er Farizeeërs en die zeiden: 'Je mag niet werken op zaterda… eh sabbat.' Toen zei die (Jezus) tegen die man: 'Steek je hand uit.' Die stak zo zijn hand uit, toen was 'ie genezen. Toen was die hand net zo gezond als die andere. Toen zeiden de Farizeeërs: 'Ja, je mag niet werken.' Toen zei die (Jezus): 'Ja, als je nou een schaap op (in) een kuil laat vallen, en als je nou je werk niet mag doen op sabbat, en als je 'm nou eh… laat vallen, zou je 'm dan helpen of laten staan (liggen?' Toen waren de Farizeeërs weggegaan uit de synagoge. Hebben ze een plan gemaakt om Jezus uit de weg te ruimen. Toen zei Jezus verder: 'Ja, ik ben hier (niet) voor Mozes om de tien geboden af te schaffen, maar om te laten zien dat ik… ja…' Toen zei die (Jezus); één: dat je niet mag stelen… (zacht) Weet niet meer, weet niet meer.'
Hij vond het wel een mooi verhaal. De vraag of hij daar bij had willen zijn, , om te kijken wat er gebeurt, beantwoordt hij bevestigend. En hij gelooft wel dat iemand met een zieke arm net als in dit verhaal beter gemaakt kan worden.
Hij
vertelt dat de leerlingen zelf geen verhalen vertellen uit de bijbel, de
koran en het hindoeïsme in de kring, alleen de juffrouw. Wel andere
verhalen, bijvoorbeeld over wat ze in hun vrije tijdgedaan
hebben.
De
leerling vertelt dat elke ochtend begint in de kring. Soms vertelt de juf
een verhaal, soms vertellen de kinderen wat ze zelf beleefd hebben.
Hij
noemt het thema van deze les ‘leefregels’. Het samen praten over de regels
vindt hij het leukste deel van deze kring.
Na
schooltijd gaat hij soms computeren. Hij noemt geen andere activiteit die
door school georganiseerd wordt. Wat hij na schooltijd doet heeft in ieder
geval niets met de kringlessen te maken.
Deze
leerlinge vertelt dat elke ochtend in de kring begonnen wordt. Maar de
juffrouw vertelt dan niet altijd een verhaal, niet altijd is het een echte
‘kring’-les. Twee keer per week vraagt ze of de kinderen willen vertellen
wat ze de vorige dag of in het weekend gedaan hebben. De juffrouw vraagt
hun ook wel eens of ze zelf een verhaal uit de bijbel, koran of het hindoeïsme
willen vertellen, maar dat willen de leerlingen niet. Alleen als het bijvoorbeeld
Ramadan geweest is, dan vertellen de leerlingen ‘hele grote verhalen’.
Deze
leerlinge zegt dat ze het bijbelverhaal van die ochtend niet na kan vertellen.
Ze vertelt wel waar het verhaal over ging: ‘Ja,beetje.
Ze (het) ging over sabbat. Dat betekent bij hun dan zaterdag, en dan op
de zaterdag mogen ze niks doen en zo. En dan mogen ze niemand helpen en
zo. (zacht:) En even.., dat weet ik niet meer.’
Ze vond het wel een leuk verhaal. Als ze er bij was geweest zou ze verontwaardigd zijn geweest. Of, zoals ze het zelf zegt: ze zou zoiets gehad hebben van: op de sabbat mag je toch mensen helpen? Dan mag je toch zelf weten wat je wilt doen? Als er bijvoorbeeld iemand op de grond ligt te bloeden, dan mag je hem toch wel helpen, naar het ziekenhuis brengen? Ze vindt dat je soms de ene regel mag overtreden, bijvoorbeeld door het rode licht rijden, om een andere na te kunnen volgen, bijvoorbeeld om iemand snel in het ziekenhuis te krijgen.
Ze
denkt dat Jezus vroeger echt mensen kon genezen zoals in het verhaal verteld
wordt, want Jezus was echt heilig. Nu kan dat niet meer, denkt ze, omdat
er nu helemaal geen verhalen meer over Jezus zijn zoals vroeger.
Als
thema van deze ochtend noemt ze ‘de sabbat’. Ze vindt de verhalen die de
juffrouw vertelt het leukste van de kringlessen. Die verhalen komen niet
alleen uit de bijbel, maar ook uit de koran en het hindoeïsme. Dat
vindt ze leuk, ‘want zo kom je ook te weten hoe andere mensen leven in
hun culturen. Hindoes bijvoorbeeld, en Turkse en Marokkaanse mensen’.
De
leerlinge deed samen met andere kinderen na schooltijd mee aan voetbaltrainingen[27].
En op donderdag was er altijd verlengde schooldag. Maar dat is afgelopen.
Je kon dan leren koken, verven, techniek leren, en kleren maken. Er werd
geen verband gelegd met de thematische kringlessen. Het was gewoon voor
je vrije tijd.
De
leerkracht is tevreden met de themamappen. Ze gebruikt ze inmiddels vier
jaar. In het begin vonden alle leerkrachten, ook zijzelf, het moeilijk
om een manier te vinden waarop ze zowel recht konden doen aan de verschillende
overtuigingen van de leerlingen, als aan hun eigen overtuiging. Bovendien
wisten ze gewoon te weinig van andere godsdiensten en levensbeschouwingen
af. In de loop van de tijd echter is ze vertrouwd geraakt met de lesopzet
van de directeur, en de manier waarop hij denkt. Ze kan zich daar wel in
vinden. Alle overtuigingen komen tot hun recht. Er wordt namelijk niet
alleen aandacht besteed aan christelijke gewoonten en christelijke feesten,
maar bijvoorbeeld ook aan de Ramadan, het suikerfeest, het holifeest en
het divalifeest. De nadruk ligt niet zozeer op de geloofsinhoud, als wel
op de intentie van het feest. Dit krijgt vorm door een thema te koppelen
aan het feest. De thema’s zijn ook voor de anders-gelovigen herkenbaar
en vergelijkbaar.
De
leerkracht beoogt de kinderen kennis bij te brengen van verschillende godsdiensten,
ook van de christelijke godsdienst. Dan weten de kinderen in elk geval
waarom ze vrij zijn rond de christelijke feestdagen, en wat die feesten
betekenen.
Daarnaast
wil ze de kinderen waarden en normen leren. Ze kiest dan in eerste instantie
waarden en normen die zij zelf belangrijk vindt. Maar diezelfde waarden
en normen vindt ze ook terug in andere culturen en andere overtuigingen.
Ze constateert dat er veel overeenkomsten zijn in de verschillende godsdiensten.
Ze
vindt de lessen van de directeur kort en duidelijk: alles wat ze nodig
heeft staat er in. ‘Door de beknoptheid’, zegt ze zelf, ‘kan ik er alle
kanten mee op’. De opzet van de directeur helpt haar om een beeld te krijgen
van wat ze wil proberen te bereiken met de lessen..
Ze
kan zich wel voorstellen dat anderen er, juist vanwege die beknoptheid,
misschien minder goed mee kunnen werken omdat ze niet weten hoe die ruimte
in te vullen. In dat geval, vertelt deze leerkracht, vindt er individueel
overleg met de directeur plaats. Maar dat komt weinig voor.
Soms
geven de kinderen zelf richting aan het gesprek in ‘de kring’. Ze laat
dat dan gebeuren. Een enkele keer bereikt ze helemaal niet wat er op papier
staat, maar dan is ze vaak wel tevreden met datgene waarover is nagedacht,
of met wat er gezegd is. Ze informeert wel eens bij collega’s naar wat
er tijdens een themales bij hun groep gebeurde. Kinderen kunnen met bepaalde
onderwerpen enorm aan de haal gaan. En dan is het de vraag hoe ver je daarin
meegaat. Ze praat maar weinig met collega’s over wat een thema hen als
docent zelf doet. Dat komt waarschijnlijk omdat de meeste leerkrachten
met de themamappen uiteindelijk goed uit de voeten kunnen. En ook omdat
de directeur hen de ruimte geeft om, als dat nodig is, met een thema een
eigen weg te gaan.
De
leerkracht is gereformeerd opgevoed. Ze gaat niet vaak meer naar de kerk,
maar ze beschouwt zichzelf wel als gelovig. Ze is erg met haar persoonlijk
geloof bezig. Temeer daar ze op een protestants-christelijke school werkt,
en ze de kinderen toch bepaalde waarden en normen wil meegeven die uit
haar traditie voortkomen
Wanneer
ze in contact komt met (gelovigen van) andere godsdiensten, kijkt ze liever
naar de punten waarop deze met haar eigen geloof overeenkomen, dan naar
de verschillen. ‘Verschillen zijn er al in overvloed, ik zoek liever de
overeenkomsten. Je kunt bijvoorbeeld zowel de koran als de bijbel zien
als een soort leidraad voor het leven’, zegt ze. Deze instelling wil ze
ook aan haar leerlingen meegeven.
In
de door haar gegeven ‘kring’-les heeft ze een verhaal over Jezus verteld.
De moslim leerlingen hebben er volgens haar geen moeite mee om naar deze
verhalen te luisteren. Ze zijn op deze school opgegroeid met godsdienstonderwijs
dat probeert verbindingen te leggen tussen de verschillende godsdiensten.
Jezus komt ook in de koran voor. Leerlingen zijn daarin waarschijnlijk
wel flexibeler dan hun ouders, denkt zij.
De
leerkracht vertelt ook verhalen uit de islam, bijvoorbeeld over Mohammed,
of uit het hindoeïsme. Ze vindt zelf dat ze aardig op de hoogte is
van de islam, maar minder van het hindoeïsme. De directeur geeft af
en toe (achtergrond-)informatie over deze religies in de themamappen. Soms
vraagt ze het aan de kinderen zelf, en laat ze zich door hen informeren.
Zo leert zij van de kinderen, net zoals de kinderen van haar leren, en
van elkaar.
Het
bidden met de hele groep vindt bij haar op een heel ‘natuurlijke’ manier
plaats, zegt ze. De leerkracht vertelt dat elke nieuwe groep echter eerst
een drempel over moet. Voordat ze daadwerkelijk met een groep leerlingen
gaat bidden bespreekt ze daarom eerst een aantal aspecten ervan, bijvoorbeeld
hoe je kunt bidden, en waarom. Ze legt dan aan de leerlingen uit dat er
gezamenlijk bij bepaalde onderwerpen stilgestaan wordt, maar dat ieder
persoonlijk tot zijn of haar eigen God kan en mag bidden. Islamitische
leerlingen kennen het open (‘vrije’) gebed vaak niet, maar hebben er uiteindelijk
meestal geen problemen mee. Ook de diversiteit met betrekking tot liet
gebed bespreekt ze, zodat leerlingen ervaren dat er, wellicht ook in de
klas, verschillende manieren zijn waarop mensen bidden. Kinderen laten
in de klas aan elkaar zien hoe ze gewend zijn te bidden.
De
leerkracht heeft er vooraf grondig over nagedacht, of ze op deze manier
met haar leerlingen vorm zou kunnen geven aan het gebed. Er zitten namelijk
kinderen met heel verschillende godsdienstige achtergronden in de klas.
Ze wilde, mede vanuit haar eigen overtuiging, een vorm vinden waarin ze
‘haar ei kwijt kon’. Maar ook de kinderen moesten zich er prettig bij voelen.
Ze betrekt de leerlingen bij het gebed door hen zelf onderwerpen te laten
aandragen waar ze als groep stil voor willen zijn. Ook noemt ze in het
gebed gebeurtenissen die zich afspelen in landen waar familie woont van
de kinderen. Ze hoopt op die manier te bevorderen dat de kinderen zich
met elkaar verbonden weten.
Volgens
deze leerkracht houdt ‘Brede School zijn’ in, dat je leerlingen niet alleen
de gebruikelijke kennis en vaardigheden bijbrengt, maar dat je hen ook
waarden en normen leert. De kinderen hebben vaak een vrij agressieve manier
van met elkaar omgaan. De leerkracht wil hen de mogelijkheid bieden om
zich op sociaal-emotioneel gebied verder te ontwikkelen. Ze gaat daarbij
uit van haar eigen visie op hoe je op een goede manier met elkaar om kunt
gaan.
Voor
de kinderen in deze wijk is opvoeding op school heel belangrijk, omdat
de ouders van veel kinderen zich wat de opvoeding betreft machteloos voelen.
De themalessen vormen een onderdeel van de opvoeding op school; ze stimuleren
de leerlingen om over waarden en normen na te denken. Soms geeft het thema
van ‘de kring’ te denken over waarden en normen. Een andere keer neemt
het kringgesprek een wending in de richting van een waarden en normen gesprek,
aan de hand van concrete voorvallen op straat, op school of thuis.
Ze
vindt dat het kringgesprek, de werkvorm die in principe bij alle themalessen
gebruikt wordt, hiervoor het meest geschikt is. De kringvorm verplicht
de kinderen om naar elkaar te luisteren. Iedereen ziet elkaar goed. Wat
in de kring gezegd wordt moet serieus genomen worden. De kinderen associëren
deze werkvorm ook met openheid. Ze weten dat ze in de kring kunnen zeggen
wat ze kwijt willen. Ook ruzies kunnen in de kring worden besproken en
eventueel worden opgelost[28].
De
meeste leerlingen gaan naar activiteiten in het kader van de ‘verlengde
schooldag’. Leerlingen kunnen in dat verband musiceren, Ieren koken, dansen,
aan handvaardigheid doen of techniek leren. Ze vertellen daar altijd erg
enthousiast over. Een aantal mensen van buiten zorgt voor de begeleiding.
Regelmatig wisselen de leerlingen van activiteiten.
De
dochter van de geïnterviewde moeder zit in groep 7
van de Da Costa-school. De moeder is leesmoeder bij de kinderen van groep 3/4,twee
keer in de week. Daarnaast is ze lid van de medezeggenschapsraad (MR).
De
moeder herinnert zich de thema’s ‘pesten’, ‘(de verschillen tussen) arm
en rijk’, en ‘water’ en 'lucht'. Ze
vindt eigenlijk alle thema’s die besproken worden wel goed. ‘Ze sluiten
aan bij wat de kinderen meemaken, en’ zegt ze ‘er wordt hen geleerd hoe
ze met elkaar om moeten gaan, ook buiten school’.
Ze
vertelt dat de ouders elke maand het ‘Maandbulletin’ ontvangen, waarin
verteld wordt wat er die maand op school aan activiteiten plaats vindt.
Daarin staan ook
de thema’s die besproken worden. Als afsluiting van een thema richten de
leerlingen soms een tentoonstelling in over het behandelde thema. De kinderen
nemen ook wel eens werkstukken mee naar huis die gemaakt zijn naar aanleiding
van een thema.
De
moeder vraagt haar dochter vaak waar ‘de kring’ over ging. Haar dochter
vindt ‘de kring’ erg prettig, omdat de kinderen daar met elkaar bespreken
wat iedereen heeft meegemaakt. Het thema 'pesten’ sprak haar erg aan. Juist
omdat dat dichtbij komt. Volgens de moeder is ‘de kring’ een goede werkvorm.
‘Als de kinderen maar, ieder op zijn of haar beurt, aan het woord kunnen
komen, ook met problemen, en geprobeerd wordt om daar oplossingen voor
te vinden’. Volgens deze moeder leren de kinderen elkaar zo kennen en kunnen
ze van elkaar leren, bijvoorbeeld door oplossingen te bedenken voor elkaars
problemen. Dat vindt deze moeder belangrijk.
Volgens
de moeder kenmerkt een Brede School zich door een verlenging van de schooldag.
Zij vindtde
extra activiteiten typerend voor een Brede School. Kinderen kunnen na schooltijd
aan vershillende activiteiten deelnemen: computerles, techniek, koken,
handvaardigheid, toneel, en werken in de schooltuin. Haar dochter werkte
in de schooltuin. Als een serie ‘lessen’ beëindigd is, wordt die vaak
afgesloten met een voorstelling in ‘Het Klooster’. Dat is een centrum in
de buurt, die ook door de Da Costa-school gebruikt wordt.
De
activiteiten van de verlengde schooldag staan volgens deze moeder niet
in relatie met de ‘thema’s die op school behandeld worden.
Op
de Da Costa-school zitten veel allochtone leerlingen, vertelt ze. Deze
moeder heeft daar geen enkele moeite mee, net zo min als haar dochter.
De moeder probeert juist de voordelen hiervan te benadrukken. Haar dochter
speelt ook buiten schooltijd met ‘buitenlandse’ kinderen, maar voor haar
zijn het vriendinnetjes of vriendjes, gewoon met een naam, niet met een
andere nationaliteit dan de Nederlandse. ‘Ze probeert ook hun taal te spreken,
dat is handig, want dan hoef je, als een groepje kinderen in hun eigen taal staat
te praten, niet te vragen: ‘Zeg, spreek eens Nederlands!’. Het neemt achterdocht
weg, volgens haar. Haar dochter is er mee opgegroeid. ‘Voor ons was het
nog bijzonder, een buitenlands kind in de klas, maar voor haar is het heel
gewoon’.
De
geïnterviewde leerkracht is sinds dit schooljaar interne Brede School-coördinator
van de Valentijnschool. Hij werkt al langer op die school (minstens 8 jaar),
en heeft dus ook al langere tijd ervaring met het ‘Brede School’-concept.
Naast een omschrijving van zijn functie besteden we in dit interview ook
aandacht aan de manier waarop er op deze school vormgegeven wordt aan interlevensbeschouwelijk
onderwijs.
De
interne Brede School-coördinator vormt de schakel tussen het schoolteam
en de opbouwwerkers in de wijk, die de verantwoordelijkheid dragen voor
een aantal projecten voor buurtkinderen. De wijze van werken is globaal
als volgt te typeren: de coördinator zorgt allereerst dat hij -binnen
de school- op de hoogte is van de wensen en standpunten met betrekking
tot het ‘Brede School’-.beleid. Deze wensen en ideeën neemt hij mee
naar de stafvergaderingen, waar onder meer de bouw-coördinatoren en
de directie aan deelnemen (de coördinator is overigens zelf middenbouw-coördinator).
In deze vergaderingen wordt besproken of de wensen en ideeën financieel
haalbaar en praktisch uitvoerbaar zijn. Vervolgens worden de opmerkingen
van de staf door de verschillende bouw-coördinatoren weer teruggespeeld
naar het team.
Vervolgens
neemt de interne coördinator contact op met de externe Brede School-coördinator.
Met hem bespreekt hij de uitvoering van de wensen en ideeën. Meestal
krijgt dit de vorm van projecten of lessen. De externe coördinator
neemt dan opbouwwerkers ‘in dienst’, die de projecten gaan leiden. Omgekeerd
draagt de externe coördinator ook ideeën aan die, naar zijn eigen
inschatting, binnen de school een plaats zouden kunnen krijgen. Een gunstige
ontwikkeling is dat de laatste tijd de lijntjes steeds korter lijken te
worden[29],
waardoor wensen en ideeën steeds sneller uitgevoerd kunnen worden.
De
directeur van de school probeert via verschillende instellingen aan geld
te komen voor dergelijke projecten. Dat gaat in het algemeen nogal moeizaam.
De continuering van de projecten is vaak niet gewaarborgd. De financiering
blijft daarom een punt van zorg.
Daarnaast
geeft de interne coördinator binnen de school de Brede School-gedachte
zelf ook mede vorm, onder meer door de introductie en implementatie van
een nieuwe, geïntegreerde taalmethode (Taalleesland). Deze
methode probeert door een thematische opzet zoveel mogelijk aan te sluiten
bij de beleving van de kinderen. Taal kan in deze methode onder andere
geleerd en geoefend worden door herkenbare situaties in de klas op te roepen
waarin taal een rol speelt. Hij overlegt met de externe coördinator
of er aan de thema’s van deze taalmethode (na-schoolse) act4iteiten gekoppeld
kunnen worden.
De
interne coördinator probeert niet te snel te vernieuwen en te veranderen,
zodat alle collega’s de kans te krijgen om mee te komen, en een zo groot
mogelijk draagvlak gecreëerd wordt.
Het wordt zeer vanzelfsprekend gevonden dat er vanuit de school contact is met de wijk en met ouders. Vanzelfsprekend in ieder geval op een ‘praktisch niveau’: bijvoorbeeld omdat ouders hun handtekening moeten zetten onder briefjes waarmee kinderen zich aanmelden voor bepaalde activiteiten of contacten via de twee buurtmoeders (één is Turkse en één is Nederlandse). Maar de interne coördinator vindt een les of activiteit op de Valentijnschool met name echt ‘Brede School’,wanneer deze in verband wordt gebracht met de nieuwe, geïntegreerde taalmethode. Taal is namelijk voor veel leerlingen van de Valentijnschool het zwakke punt, en een groot deel van de ouders kan hun kinderen op het gebied van taal niet of nauwelijks steunen. Daarnaast ziet hij graag dat een les of een activiteit structureel (regelmatig en over een langere periode) wordt aangeboden in samenwerking met een externe organisatie. Tot slot vindt hij het belangrijk dat thema’s (niet alleen levensbeschouwelijke thema’s, maar ook meer algemene thema’s, zoals de Kinderboekenweek) in goede samenwerking met de betreffende leerkrachten worden opgezet. Op dit moment wordt er op de Valentijnschool nadrukkelijk gestreefd naar (inhoudelijke) samenhang tussen de verschillende lessen en activiteiten. Volgens de interne coördinator kun je je in het creëren van die samenhang uitstekend laten leiden door associaties van leerlingen. Zij brengen soms spontaan bepaalde onderwerpen of thema’s met elkaar in verband. En als kinderen vanuit zichzelf dezelfde kennis of vaardigheid op verschillende momenten (tijdens en na school) oefenen en herkennen, blijft het volgens deze coördinator veel beter hangen. In de toekomst wil men daarom ook zoveel mogelijk van wat er op school gebeurt relateren aan na-schoolse activiteiten.
Daarnaast
wil men nog beter in kaart brengen welke voorzieningen er voor de kinderen/de
school zijn, en hoe men daarvan op een optimale manier gebruik kan maken.
De
interne coördinator ziet de Brede School dus met name als een plaats
waar (onderwijs)achterstanden bestreden worden. Enerzijds door binnen de
school het onderwijs steeds beter te structureren, anderzijds door na-schoolse
act4iteiten (die worden ondersteund door een netwerk van personen en instanties)
op het onderwijs te laten aansluiten.
In
de geïntegreerde taalmethode komen onderwerpen aan bod die eenvoudigweg
gekoppeld kunnen worden aan de door de school beoogde levensbeschouweljke
vorming van de leerling. Dit verband wordt nog niet expliciet gelegd, er
wordt echter wel aan gewerkt.
Er
is een (school)catecheet werkzaam op de Valentijnschool, in dienst van
de werkgroep schoolcatecheten van de Rotterdamse Katholieke Vereniging
voor Onderwijs. Deze catecheet is momenteel druk doende nieuwe godsdienstlessen
te ontwerpen, die gerelateerd zijn aan de door de taalmethode aangesneden
thema’s (zie bijlage X voor een verslag van het interview met deze school-
c.q. districtscatecheet).
Er
wordt op de Valentijnschool aandacht besteed aan feesten van uiteenlopende
(derhalve meer dan de christelijke) religies. De coördinator probeert
in zijn lessen de overeenkomsten te laten zien tussen feesten, bijvoorbeeld
tussen carnaval, Ramadan en Suikerfeest. Hij laat de kinderen met verschillende
religieuze/levensbeschouweljke achtergronden eerst zelf vertellen wat er
tijdens zo’n feest gebeurt, en zonodig vult hij aan. Daarbij wil hij de
kinderen duidelijk maken dat ze, als je bijvoorbeeld carnaval, Ramadan
en het Suikerfeest met elkaar vergelijkt, in zijn ogen eigenlijk hetzelfde
doen, alleen op een ander moment.
Het
thematische levensbeschouwelijke onderwijs wordt nog niet gekoppeld aan
na-schoolse activiteiten.
De
interne coördinator denkt dat je het ‘Brede School’-concept misschien
nog wel het meeste terugvindt in de manier waarop hij als docent met leerlingen
in de les omgaat. Hij let goed op hun omgangsvormen, en probeert hen bewust
te maken van bepaald gedrag.
Omdat
de school onderwijsachterstanden weg heeft moeten werken is er pas de laatste
tijd specifiek aandacht voor bijvoorbeeld het pedagogisch klimaat. Het
team volgt hierover een cursus. Daarmee zijn ook nieuwe aandachtsgebieden
in het vizier gekomen, zoals omgangsvormen en sociaal-emotionele ontwikkeling.
De
functie van externe Brede School-coördinator is ongeveer 8 jaar geleden
ontstaan, toen de Valentijnschool nog op een andere locatie was gehuisvest.
De schoolkinderen konden destijds —op die andere locatie- nergens spelen
en verveelden zich enorm. Men vermoedde dat hun leerresultaten mede daardoor
achteruit gingen, en daarom besloot men om het sociaal-cultureel werk de
school binnen te halen. Zo is de externe coördinator, die van oorsprong
sociaal-cultureel werker is, bij de school betrokken geraakt. Hij gaf destijds
invulling aan zijn taak door ‘gewoon’ op een aantal middagen activiteiten
te organiseren om de kinderen ‘van de straat’ te houden.De
Valentijnschool was in bepaalde opzichten dus al ‘Brede School’ voordat
dit begrip (en het idee van de ‘verlengde schooldag’) in gebruik raakte.
Tegenwoordig is de Valentijnschool betrokken bij een samenwerkingsverband
van in totaal vier Rotterdamse ‘Brede Scholen’, te weten de Lucasschool,
de Korf, de Driehoek en de Valentijnschool. Hoewel formeel gezien alleen
de Valentijnschool Brede School is, werkt deze coördinator voor alle
vier de scholen als externe Brede School-coördinator. Hij is de enige
sociaal-cultureel werker die voor (deze) scholen werkt. Andere sociaal-culturele
werkers hebben meestal meer diversiteit in hun taken.
De
vier scholen staan in dezelfde wijk en zijn alle vier bijzonder gespitst
op het bestrijden van achterstanden in de wijk; een essentieel element
in het Brede School-denken. Eens in de 4 à 5weken
is er onderling overleg tussen de directies van de vier scholen en de interne
Brede School-coördinatoren van de afzonderlijke scholen (‘de projectgroep’).[30]
Ook iemand van het OVB (OnderwijsVoorrangsBeleid) is aanwezig. Daarnaast
wordt er informatie gegeven door de bewonerscommissie over ontwikkelingen
in de wijk (bijvoorbeeld met betrekking tot de uitvoering van renovaties
of de planning van speelmogelijkheden). ‘De school wordt duidelijk gezien
als onderdeel van de wijk’. In dit overleg is tevens ruimte voor wat scholen
voor de kinderen belangrijk achten (komend jaar is dat onder andere ‘Dans’
en ‘Sport en Spel’ om hun motorische ontwikkeling te bevorderen).
Naar
aanleiding van de uitkomsten van dergelijk overleg bedenkt de externe coördinator
nieuwe activiteiten, waaraan de leerlingen van de vier scholen (of een
paar scholen daarvan) door middel van opgave deel kunnen nemen. Op de scholen
wordt gekeken welke leerlingen baat zouden kunnen hebben bij een bepaalde
activiteit, maar kinderen kunnen zich ook vrijwillig opgeven. De externe
coördinator zoekt professionele begeleiders[31]
voor de activiteiten via centra voor kunstzinnige vorming, stichtingen
die milieu-educatie verzorgen, en dergelijke[32].
Met
de interne coördinator bespreekt de externe coördinator de activiteiten
waaraan leerlingen van de Valentijnschool deelnemen. Met hem spreekt hij
soms ook af welke voorstellen ze gaan doen op een eerstvolgende vergadering
van de projectgroep. Het succes van activiteiten neemt namelijk toe naarmate
de betrokkenen meer op één lijn zitten. Deze lijn is gericht
op het organiseren van leuke, leerzame en ontspannende activiteiten voor
de schoolkinderen, omdat ouders hen die niet (kunnen) bieden, en omdat
er in de buurt zo weinig te beleven is.
Aanwezigheid
en gedrag tijdens na-schoolse activiteiten worden streng gecontroleerd.
De externe coördinator heeft contact met leraren van leerlingen die
tijdens activiteiten grote problemen veroorzaken, of een aantal keren niet
op zijn komen dagen. Hij heeft ook contact met de allochtone leerkrachten,
en maakt gebruik van hun netwerk.
De
coördinator legt de begrippen als volgt uit: op een Brede School zitten
kinderen die in een
achterstandsituatie
verkeren (bijvoorbeeld omdat zij noch hun ouders de Nederlandse taal goed beheersen),
en daarom extra hulp nodig hebben. Een Brede School biedt die hulp niet
anders aan dan ‘gewone’ scholen, maar er is meer aandacht voor het feit
dat er hulp geboden moet worden. Omdat daar binnen school niet voldoende
mogelijkheden voor zijn, moeten de activiteiten die buiten school(tijd)
plaatsvinden hierop aansluiten. Brede Scholen stellen zich bovendien ten
doel kinderen niet alleen cognitieve kennis bij te brengen, maar ook sociale
vaardigheden te leren. Kinderen op deze scholen zijn meestal drukker dan
gebruikelijk. Hun spanningsboog is kleiner. Ze moeten ook meer dan gewoon
gemotiveerd worden.
Daarnaast
bepaalt de omgeving van de scholen in Rotterdam in sterke mate de mogelijkheden
tot ontwikkeling: er zijn bijvoorbeeld geen bossen en heuvels, kinderen
komen naar verhouding sneller in aanraking met drugs. Daar moeten (Brede)
scholen op inspelen. Zij doen dat onder andere door zoveel mogelijk samen
te werken met de zogenaamde ‘bondgenoten’; personen of instellingen in
de wijk die de ontwikkeling van kinderen positief (kunnen) beïnvloeden[33].
Volgens het idee van de Brede School moet de school het centrum van dit
bondgenootschap worden[34].
Uiteindelijk moet de school het centrum van de wijk worden, waardoor mensen
uit de buurt me op elkaar betrokken worden. Dat wordt gestimuleerd wanneer
het gebouw ook na vieren open is, en zangverenigingen er bijvoorbeeld kunnen
oefenen.
Interreligieus
leren is volgens hem: kinderen op een leuke manier met andere godsdiensten
laten kennismaken. Die kennismaking verloopt op een informele manier: ouders
helpen mee met een knutselmiddag rondom een bepaald feest, en vertellen
dan terloops wel eens iets over hun godsdienstige achtergrond en de gebruiken
die bij dat feest horen.
Een
Brede School vindt het belangrijk dat datgene wat na of buiten schooltijd
gebeurt op de les aansluit. Daarom probeert men goed contact te hebben
met de ouders van leerlingen. Ouders voelen zich niet altijd even verantwoordelijk
voor wat er op school gebeurt[35].
Het is voor hen daarom vaak niet zo vanzelfsprekend om naar school te komen.
Allochtone ouders zijn daarbij vaak niet gewend om na schooltijd aandacht
te schenken aan wat een kind op school gedaan heeft. Op de Valentijnsehool
wordt op twee manieren geprobeerd om ouders meer bij de school te betrekken.
Enerzijds is een project gestart rond ouderparticipatie, waarbij men ouders
meer wil betrekken bij wat er binnen de school gebeurt. Anderzijds worden
ouders er op ouderavonden op gewezen hoe belangrijk het is dat zij hun
kinderen thuis stimuleren en steunen in hun ontwikke (en dus niet alleen
in wat zij op school leren). Het belang van het kind staat in beide aspecten
centraal.
Ouders
worden in dit geval dus via hun kinderen ‘gemobiliseerd’ om zich voor de
wijk in te zetten. Zijzelf worden door de school niet direct benaderd.
De bewonersorganisatie neemt deze taak grotendeels op zich. Met allochtone
ouders hebben veel instanties (ook de bewonerscommissie) minder contact
dan met Nederlandse ouders. Zij zijn ook minder sterk vertegenwoordigd
in de instanties zelf. Bij de bewonersorganisatie zijn wel allochtone welzijnswerkers
in dienst. Daarnaast zijn er allochtone buurtmoeders[36]
in de wijk waar de Valentijnschool staat. Zij proberen (allochtone)
ouders eveneens meer te betrekken bij het leerproces van hun kinderen.
De Valentijnschool heeft op dit moment veel contact met de buurtmoeders.
Bij
de opening van het gesprek merken de beide gesprekspartners op dat alle
ideeën wel geschikt én het waard zijn om uitgevoerd te worden.
Een school kan echter niet alle ideeën tegelijk als onderwijsvemieuwing
doorvoeren. Er dienen keuzes gemaakt te worden, prioriteiten gesteld, waarbij
de directeur benadrukt dat de samenhang in het onderwijs gewaarborgd moet
blijven. Veel ideeën worden op de Valentijnschool al op één
of andere manier uitgevoerd. Niet ‘interreligieus leren’ is de vlag die
de lading dekt, maar de ‘Brede School’ is de noemer waaronder deze activiteiten
samenkomen. Volgens de directeur staat interreligieus leren eigenlijk gelijk
aan Brede School.
De
verschillende ideeën van de ‘lijst met ideeën’ plaatsen de beide
gesprekspartners in de
volgende
drie categorieën:
1.Ideeën
die op de Valentijn school goed werken
2.Ideeën
die op de Valentijn school niet goed werken
3.Ideeën
die op de Valentijn nog niet in praktijk gebracht zijn, maar die de directeur
en de leerkracht wel kans van slagen geven.
Als
eerste noemen de directeur en de leerkracht de contacten met de ouders.
Naar hun mening zijn goede contacten met de ouders voorwaarde voor een
goed leerproces van de kinderen.
De
Valentijnschool stelt zich tot doel het gevoel van eigenwaarde bij zowel
ouders als leerlingen te versterken. De school zet zich in om ouders en
leerlingen zich bewust te laten worden van hun eigen kunnen. De school
helpt hen te vertrouwen op hun eigen vaardigheden en die in te zetten voor
de verbetering van de eigen positie in de (school- en buurt-)samenleving.
De ouders voelen zich daardoor sterk betrokken bij de school, ze zijn trots
op hun school.
Het
belang van een goed contact met de ouders heeft de Valentijnschool geïnspireerd
om de ouders een cursus Nederlands aan te bieden: ‘Praathulp’. Het is soms
moeilijk, zo niet problematisch om je met de Marokkaanse ouders goed te
verstaan, omdat velen van hen in de wijk rond de Valentijnschool één
van de tien Berber-talen spreken. De OALT-leerkracht spreekt, naast Arabisch,
twee van de Berber-talen.
Voor
de Valentijnschool zijn twee buurtmoeders werkzaam, één Turkse
en één Nederlandse. Het komend schooljaar wordt een derde
buurtmoeder aangesteld. Daarmee is idee nr. 24 op schoolspecifieke wijze
gerealiseerd: er is een contactpunt waar ouders met hun vragen en opmerkingen
terecht kunnen. Een complicatie daarbij is evenwel dat deze ouders niet
in een eigen lokaal bij dit ‘contactpunt’ terecht kunnen, wegens ruimtegebrek
in de school.
De
ouders komen de rapporten van hun kinderen zelf op school ophalen. Deze
rapporten bespreekt de betreffende leerkracht dan met hen. De leerkracht
neemt voor elke rapportbespreking met een ouderpaar 15 minuten de tijd.
Zonodig wordt een vervolgafspraak gemaakt. Drie maal per jaar krijgen de
kinderen een rapport, en is er dus contact met de ouders aangaande de cognitieve
en sociaal-emotionele ontwikkeling van de kinderen.
Ouders
die hun kinderen’s ochtends komen brengen, en na schooltijd komen ophalen
krijgen koffie of thee aangeboden. Zij kunnen dan eventueel een gesprekje
met de leerkracht voeren, zonodig in het bijzijn van de OALT-leerkracht.
De leerkracht loopt zelf ook naar buiten naar de wachtende ouders die hun
kind(eren) op komen halen, en die buiten op het plein op de bankjes allerlei
schoolse en niet-schoolse zaken zitten te bespreken. De directeur waardeert
deze
ontmoetingsplekken
voor ouders positief, en de leerkrachten maken daar vaak ook even een praatje
met de ouders.
De
Valentijnschool kent twee ouderavonden per jaar. De eerste ouderavond vindt
steeds plaats aan het begin van het schooljaar, en staat in het teken van
kennismaking. De tweede avond staat steeds in het teken van een onderwijsinhoudelijk
thema. Zo is het afgelopen jaar aandacht besteed aan de nieuwe taalmethode,
maar ook het geven van huiswerk of het gedrag van de kinderen is onderwerp
geweest van een ouderavond
De
leerkrachten leggen huisbezoeken af bij elke leerling. Tijdens dat gesprek
vragen zij de ouders naar hun verwachtingen ten aanzien van de school.
Uit de huisbezoeken bleek dat ouders zelf met veel problemen te kampen
hebben, en graag geholpen wilden worden met het vinden van oplossingen.
De school heeft een ‘sociale kaart’ gemaakt, met daarop instanties waar
mensen met hun problemen voor hulp terechtkunnen. Ouders kloppen vaak in
eerste instantie bij de leerkracht, bij de school aan. De sociale kaart
fungeert voor de leerkrachten als verwijsinstrument. De sociale kaart helpt
voorkomen dat leerkrachten zelf de hulpverlening ter hand nemen, en bewerkstelligt
dat leerkrachten toe komen aan de taak waarvoor zij staan: het geven van
kwaliteitsonderwijs aan de leerlingen.
Voor
de school is de sociale kaart een ‘bondgenoten’-kaart: een lijst met personen
en instanties die samen met de school zich inzetten voor het welzijn van
ouders en kinderen van de Valentijnschool.
Op
de Valentijnschool wordt momenteel veel aandacht besteed aan de invoering
van thematisch taalonderwijs. Taal is, volgens de gesprekspartners van
de Valentijnschool, een zwakke schakel in de ontwikkeling van de leerlingen.
De nieuwe geïntegreerde taalmethode met een thematische opzet (‘Taalleesland’)
wordt door hen gezien als de rode draad in de lessen, de rode draad door
het hele onderwijsaanbod. De directeur legt grote nadruk op de samenhang
tussen de verschillende onderwijsactiviteiten. Hij ziet als ideaal dat
ook de buitenschoolse activiteiten door diezelfde rode draad verbonden
worden.
De
leerkracht noemt de geïntegreerde aanpak van de taalmethode een typisch
kenmerk van de Brede School. Als kinderen dezelfde kennis of vaardigheid
op verschillende momenten (‘binnenschools’ en ‘buitenschools’) oefenen
en herkennen, blijft het volgens hem veel beter hangen. Hij verwacht dat
thematisch onderwijs zal bijdragen aan het verkleinen van de verschillen
tussen leerlingen wat taalbeheersing betreft.
Thema’s
zijn in staat verbindingen tot stand te brengen tussen verschillende aspecten
van het onderwijs. De leerkracht noemt dat het taalonderwijs gekoppeld
wordt aan het levensbeschouwelijk onderwijs(bijvoorbeeld
door leerlingen een presentatie te laten verzorgen over hun eigen levensbeschouwelijke
achtergrond — idee
nr. 14; door leerlingen in het kringgesprek te laten vertellen over hun
eigen thuissituatie — idee
nr. 17; door leerlingen foto’s met bijschriften bijeen te laten brengen
in een tentoonstelling over gebruiken in de thuis-cultuur — idee
nr. 18, en door vertegenwoordigers van diverse godsdiensten, levensbeschouwingen
en idealen hun verhaal te laten doen in de ‘binnenschoolse’ of ‘buitenschoolse
les’ —idee
nr. 23 en idee nr. 28). Het taalonderwijs krijgt zo het karakter van ‘life-style’-onderwijs
(idee nr. 15). Ook valt onder het thematisch onderwijs op de Valentijnschool,
voegt de directeur daaraan toe, het brengen van een bezoek aan markante
instellingen in de wijk — idee
nr. 12 -, een
ouderavond over de regels op school: de waarden en normen — idee
nr. 19 -, het
maken van een video over het dagelijks leven in de wijk — idee
nr. 20 -, of
over het werk van de leerlingen — idee
nr. 25.
Het thematisch onderwijs kan
zijns inziens ook gerelateerd worden aan het verzorgen door leerlingen
van de dag- en/of weekopeningen.
In
al de verschillende werkvormen is er ook aandacht voor de sociaal-emotionele
ontwikkeling van de leerlingen. De sociaal-emotionele ontwikkeling zal
het komende jaar in groep 4 extra aandacht krijgen in een eigen methode
voor dat leergebied: Taakspel.
Het
godsdienstonderwijs sluit, zo vertelt de leerkracht, zo veel mogelijk aan
bij de thema’s van de taalmethode. In de catecheselessen beoogt men enerzijds
de kennis over godsdiensten en levensbeschouwingen te vergroten, anderzijds
hoopt men - door aan te sluiten bij de taalmethode - ook de taalvaardigheid
van leerlingen te verbeteren. De districtscatecheet is benaderd voor de
uitwerking van de taalthema’s in de godsdienstlessen.
De
leerlingen zelfstandig de wijk (idee nr. 10) of de stad (idee nr. 30) in
sturen lijkt de directeur en deze leerkracht geen goed idee. Het idee is
mogelijk wel uitvoerbaar onder begeleiding van ouders of stageaires.
Het
inrichten van een eigen ouderlokaal (idee nr. 24) is tot nu toe niet mogelijk
geweest wegens ruimtegebrek in de school.
Een
bezoek aan het Interfaith Centre te Bradford heeft op de Valentijn geen
enkele prioriteit. Een dergelijk voorstel zou alleen maar weerstand oproepen,
omdat het te veel organisatorische prolemen met zich meebrengt (vervanging
van leerkrachten), dan wel een te grote claim legt op de vrije tijd van
leerkrachten (wanneer een dergelijk bezoek in een vakantie gepland zou
worden). Het team van de Valentijnschool geeft op dit moment de prioriteit
aan het uitbouwen van de Brede-School-gedachte in Rotterdam. In een eerder
stadium — een
aantal jaren geleden — hebben
directies van scholen een orientatiebezoek gebracht aan Turkije.
Wellicht,
oppert de directeur, is een dergelijk bezoek zinvol als start van een onderwijsvernieuwingsproces
in de richting van intercultureel/interreligieus leren in de Brede School.
Een
centraal documentatiecentrum in Rotterdam met zowel achtergrondinformatie
voor de leerkracht, als werkvormen voor de leerlingen, lijkt de directeur
en de leerkracht een goed idee. Bij de werkvormen zou dan ook de evaluatie
beschikbaar moeten zijn van de leerkrachten die er reeds mee gewerkt hebben.
Zij signaleren een groeiende behoefte aan een inventarisatie en bundeling
van het her en der aanwezige materiaal/leskisten.
Een
dergelijk documentatiecentrum zou dan, volgens hen, kunnen uitgroeien tot
een ‘Bradford in Rotterdam’.
De
districtskatecheet werkt 11 jaar bij een onafhankelijke stichting, die
zestig scholen ondersteunt bij catechese (godsdienstlessen).[37]
De
districtskatecheet heeft de ervaring dat de vraag naar de identiteit op
de katholieke basisscholen die hij begeleidt, de laatste jaren een grotere
rol is gaan spelen. Scholen zijn met ingang van dit schooljaar verplicht
om een schoolplan en een schoolgids te schrijven, hetgeen directies en
teams in de gelegenheid stelt een nadere omschrijving van de identiteit
van de school de geven. Daarnaast zijn katholieke scholen betrokken bij
het project ‘Katholiek 2000’, waarin de toekomst van de katholieke identiteit
onderwerp van gesprek is. Veel katholieke scholen kennen een groot aantal
allochtone leerlingen, waardoor voor teams en directies de vraag naar de
identiteit nog dwingender wordt.
De
meeste katholieke scholen, zo is de ervaring van de districtskatecheet,
vinden het belangrijk dat er op hun school een goede sfeer heerst, die
het leren bevordert. Dat betekent onder andere dat er veel aandacht is
voor de ervaringen van de leerlingen. Ze willen dat de leerlingen echt
een groep vormen. Mede daarom hechten de scholen veel waarde aan het samen
vieren van (godsdienstige) feesten, en het ondernemen van activiteiten.
Men
probeert de andere godsdiensten met een zekere openheid te benaderen, en
hen te respecteren. Dit houdt bijvoorbeeld in dat men een open aannamebeleid
hanteert. De scholen zijn daartoe niet genoodzaakt vanwege een dreigend
leerlingentekort, want de scholen zitten overvol. De gemengd samengestelde
leerlingen- én leerkrachten populatie doet de vraag klinken of,
en op welke manier, er aandacht besteed kan (en moet) worden aan catechese
of levensbeschouwelijke vorming. De identiteitskwestie houdt ook het bestuur
van de Stichting Schoolkatechese bezig.
Catechese
is in de praktijk vaak de sluitpost in het denken over het schoolbeleid,
zegt de districtskatecheet. ‘Eerst komt het pedagogisch klimaat’ zegt hij,
‘men probeert een groep te vormen, een goede sfeer te creëren, en
daarna kan de aandacht expliciet gaan naar levensbeschouwing’. De katholieke
identiteit kenmerkt zich volgens de districtscatecheet door ‘onuitgesproken
vanzelfsprekendheden’[38].
Hij
noemt dat de brede identiteit van de school, die betrekking heeft op alle
pedagogische en maatschappelijke dimensies van de school. De invulling
van ‘catechese’ of ‘levensbeschouwelijke vorming’ duidt hij aan met de
term ‘smalle identiteit’.
Voor
de districtscatecheet valt het begrip ‘Brede School’ samen met de brede
identiteit van de school. De Brede School is dan ‘de school in al haar
pedagogische en maatschappelijke dimensies’. Ook levensbeschouwing dient
daarbij volgens hem ingekaderd te zijn in het schoolklimaat.
Volgens
de districtskatecheet maakt catechese deel uit van de brede identiteit.
Zij geeft daar concreet vorm aan door in te spelen op maatschappelijke
en pedagogische vraagstukken die behoren tot de brede identiteit. Een voorbeeld
van een dergelijke invulling is het project ‘Arm en rijk’, waarbij werd
samengewerkt met de directeur van het Katholiek Sociaal Werk — een
bondgenoot.
Met dat project geeft men concreet vorm aan de betrokkenheid op maatschappelijke
vraagstukken, door leerlingen bewust maken van wat armoede of rijkdom (voor
hen) betekent[39].
Volgens de catecheet zit het catechetisch aspect van deze aanpak in de
bewustwording van maatschappelijke vraagstukken, vanuit het perspectief
van de katholieke traditie. Kinderen worden zich bewust van die ervaringen,
bijvoorbeeld dat rijkdom (schatten in de wereld, eigen schatten), belangrijk
zijn. Kinderen worden zich bewust van hun lichaam, van hun gevoelens, van
wat zich afspeelt in hun groep, op school. In de rooms-katholieke traditie
wordt veel belang gehecht aan de ervaring — soms
in tegenstelling tot het protestantisme, waarbinnen men volgens de districtskatecheet
vooral het kennis-aspect benadrukt.
In
verband met catechese ontmoet de catecheet ouders van leerlingen soms bij
(de voorbereiding van) feesten op school. Meestal echter ontmoet hij hen
op verzoek van ouderraden tijdens vergaderingen, of op ouderavonden die
iets met catechese te maken kunnen hebben, die bijvoorbeeld gaan over kindermishandeling,
pesten, of over de (smalle of brede) identiteit van de school.
Het
is moeilijk om als schoolcatecheet structureel met ouders contact te hebben.
Het meeste contact met ouders verloopt via de school. Er worden door de
Werkgroep Katechese wel ‘Ouderbrieven’ uitgegeven, waardoor ouders op de
hoogte worden gehouden van de catechese op de scholen.
Mede
door de komst van niet-christelijke en andersgelovige leerlingen op katholieke
scholen zijn leerkrachten voor de vraag komen te staan, hoe ze zowel de
eigen traditie, als andere godsdiensten en levensbeschouwingen ter sprake
kunnen brengen. Elke school zoekt een eigen antwoord op de nieuw ontstane
situatie. Een team zoekt naar vormen van gebed waaraan alle leerlingen
mee kunnen en mogen doen, zoals het open gebed, of een gesprek waarin kinderen
hun zorgen vertellen zonder ze aan God op te dragen. Een ander team geeft
bijvoorbeeld islamitische kinderen de mogelijkheid om een eigen gebed uit
te spreken, als uiting van respect voor leden van andere godsdienst.
Leerkrachten
hebben, zijns inziens, vooral behoefte aan hele praktische informatie over
andere godsdiensten. Ze willen antwoord op de vraag waarom islamitische
leerlingen van hun ouders soms niet aan zwemles mee mogen doen, zodat ze
daar in de klas beter mee om kunnen gaan. Wanneer leerkrachten bij de voorbereiding
van een les teveel ‘theologie’ moeten verwerken haken ze af[40].
De informatie voor de leerkracht moet vertaalbaar zijn naar het niveau
van de leerlingen. Het moet eigenlijk klaar zijn voor gebruik in de klas,
bijvoorbeeld in de vorm van lesbrieven voor het team. Daarnaast willen
leerkrachten niet te lang met één thema bezig zijn.
Naast
praktische informatie over andere levensbeschouwingen en godsdiensten is
er bij de teams ook behoefte aan informatie over de ‘eigen’ christelijke
godsdienst. Leerkrachten willen zijns inziens wel de bijbel ter sprake
brengen, maar weten vaak niet hoe om te gaan met de verschillende verhalen
uit de bijbel. Tevens ervaren leerkrachten een gebrek aan kennis over de
achtergronden van de christelijke feesten en gebruiken, zoals bijvoorbeeld
het carnaval. Men is op zoek naar een uitleg die aansluit bij het leven
van nu, de interculturele en interreligieuze (school)samenleving.
Volgens
de districtscatecheet is er een geleidelijke verandering te constateren
in de manier waarop katholieke scholen met allochtone leerlingen omgaan.
Aanvankelijk werd er over andere
godsdiensten
gesproken, en dan meestal slechts in de bovenbouw. Leerlingen maakten bijvoorbeeld
een werkstukje over een godsdienst. Later ging men ook samen met andersgelovigen
de feesten vieren van de andere godsdienst vieren. Ouders werden bij de
voorbereidingen van die feesten betrokken. Tegenwoordig, signaleert de
distrietskateeheet, werken steeds meer scholen met thema’s. De thema’s
zelf zijn vaak algemeen (‘wonen’, ‘voeding’), maar voor de levensbeschouweljke
vorming worden vervolgens aanknopingspunten gezocht bij verschillende levensbeschouwingen.
De thema’s vormen in dat geval de rode draad door het onderwijs[41].
De districtskatecheet merkt op dat bij het thematisch onderwijs het gevaar
bestaat dat de catechese gefragmentariseerd wordt. Het verband tussen de
verschillende catecheselessen kan verloren gaan. Hij vreest dat het in
de thematische cateeheselessen moeilijker zal worden om dieper in te gaan
op de inhoud van een godsdienstige traditie, omdat dat niet meer bij het
thema past. De districtscatecheet ervaart dit in toenemende mate als een
probleem bij het ontwikkelen van catechetisch lesmateriaal.
godsdienstpedagogiek-didactiek
verbonden aan de Faculteit der Godgeleerdheid van de
Universiteit
Utrecht en als schoolbegeleider bij de Stichting Onderwijs en Levensbeschouwing
te Gemert.
Dr.
C. (Cok) Bakker is theoloog en onderwijskundige en als universitair docent
godsdienstpedagogiek/-didactiek verbonden aan de Faculteit der Godgeleerdheid
en het Instituut voor Lerarenopleiding, Onderwijsontwikkeling en Studievaardigheden
(IVLOS) van de Universiteit Utrecht.
Mw.
1. (Ingrid) van Bekkum is student theologie (specialisatie godsdienstpedagogiek/didactiek)
en als student-assistent betrokken geweest bij de uitvoering van het project
Interreligieus Leren in de Brede
School.
Centrum
voor Identiteit & Organisatie (C1&O),
sectie
Onderwijs & Levensbeschouwing
Theologische
Faculteit, Universiteit Utrecht
Heidelberglaan
2
3584CS
Utrecht
Postbus
80105
3508TC
Utrecht
Tel.:
030-2531841/2531853
Fax:
030-2533241
Email:
CBakker@theo.uu.nl
/ IterAvest@theo.uu.nl
[1]Huls, Erica, en Aafke Komter, Oude stadswijken: een inleiding, in: Psychologie en Maatschappij, ,jg 18, nr. 4, 1994.
[2]Zie ook: Wijkanalyse Bospolder-Tussendijken, d.d. 16-4-1998
[3]Een project voor een schoner en veiliger buurt in de loop van de jaren ‘90
[4]Jong, Wieke de, en Maykel Verkuyten, Racisme van ‘de geijkte Spangenaar’, in: Psychologie en Maatschappij, jg 18, nr.4, 1994
[5]In: Het Rotterdams Onderwijs Magazine, jg. 20/5, 1998
[6]Renssen, Anton van, Groninger Vensterschool versus Rotterdamse Brede School, in: De wereld van het jonge kind, jg. 25, nr. 10, 1998.
[7]Zie: Het Rotterdams Onderwijs Magazine, jg. 20, nr. 5, 1998.
[8]Bij de voorbereiding van dit project hebben met name de onderzoeksrapporten van het Rotterdams Instituut voor Sociaal-Wetenschappelijk Beleidsonderzoek (RISBO-EUR) en het SCO-Kohnstamm Instituut (UvA) i.s.m. DSO-Rotterdam als oriëntatie gediend.
[9]De act4iteiten van het Centrum voor Interreligieus Leren (CIL) op het gebied van onderzoek zijn per 1 september 1998 ondergebracht bij het Centrum voor identiteit & Organisatie (CI&O), sectie Onderwijs en Levensbeschouwing. Het CI&O is — evenals het CIL destijds - gehuisvest bij de disciplinegroep Sociaal-Wetenschappelijke Vakken van de Theologische Faculteit van de Un4ersiteit Utrecht.
[10]In: Andree, T.G.I.M. en C. Bakker, Leren met en van elkaar; Op zoek naar mogelijkheden voor interreligieus leren in opvoeding en onderwijs, Zoetermeer 1996.
[11]Zie Bakker, C., Interreligieus Leren: een kritische beschouwing, in: Voorwerk; Tijdschrift voor godsdienstige vorming in kerk en school, Amersfoort 1996, 12/4.
[12]Da Costa School informatiekalender, Schoolkrant 1996/1997, na het Voorwoord onder het kopje ‘Onze School’.
[13] In alfabelische volgorde: van Algerije, de Antillen, Argentinië, China. Columbia,, de Dominicaanse Republiek, India, Kaapverdië, Kameroen, Marokko, Nederland, Pakistan, Portugal, Somalië, Spanje. Sri Lanka, Suriname, Turkije en (voormalig) Joegoslavië.
[14]Van de Antillen, België, Marokko, Nederland, Portugal en Turkije.
[15] De aanduiding ‘buurtmoeders’ is op het moment van schrijven veranderd in ‘schoolassistenten ouderbetrokkenheid’.
[16]
In alfabetische volgorde: Australië, China, Guinee-Bissau, Ierland,
India, Indonesië, Italië, Kaapverdië, KongoBrazzavi1le,
Maleisië, Marokko, Nederland, Nederlandse Antillen, Nigeria, Pakistan,
Polen, Portugal, Spanje, Suriname, Turkije, en (voormalig) Joegoslavië.
[17] Nederlands, Portugees, Turks, Marokkaans en Surinaams
[18]De
externe coördinator begeleidt zelf ook een aantal van de genoemde
act4iteiten. Die hebben -meestal in tegenstelling tot buurthuisact4iteiten-
niet enkel ontspanning op het oog. maar zijn gekoppeld aan het
onderwijsleerproces, dus aan wat er in de les gebeurt.
[19]De Valentijnschool heeft een goede zorgstructuur. Men ziet dat bevestigd doordat kinderen van buiten de wijk en van het kinderziekenhuis om deze reden naar de Valentijnschool komen.
[20]De
externe coördinator noemt als voorbeelden van bondgenoten het buurthuis,
de politie en de bewonersorganisatie.
[21]A1s kinderen uit deze wijk naar het buurthuis willen gaan, dan moeten ze een drukke weg oversteken. Alleen al daarom is het beter dat de school het centrum van de wijk wordt.
[22]Het betreft de Stichting Katholieke Scholen Rotterdam en omstreken (SKSR). Bij deze stichting zijn verschillende schoolbesturen aangesloten, onder andere de Rotterdamse Vereniging voor Katholiek Onderwijs (RVKO). die zo’n vijftig scholen onder haar beheer heeft. Dit bestuur stelt catechese op haar scholen verplicht. Een bestuur voor speciaal onderwijs daarentegen laat haar scholen zelf kiezen.
[23]We kunnen ons echter ook voorstellen dat een dergelijke bundeling van functies tot verwarring en belangenverstrengeling leidt, en daardoor aanleiding kan geven tot conflicten.
[24]De heren Bies, Van de Burgt en Van der Have hebben de lijst kritisch doorgenomen en kanttekeningen en aanvullingen gemaakt. In bovenstaande lijst zijn deze verwerkt.
[25]Van de ouders geeft 11% aan ‘christelijk’ te zijn, waaronder ook 17 Chinese kinderen, die zich als lid van de Chinese kerk rekenen tot de protestantse kerk; 48% is moslim, 17% is hindoe, en de overige ouders zeggen geen (specifieke) levensbeschouwelijke achtergrond te hebben.
[26]Een studiedag over ‘de kring’ heeft de professionaliteit van de leerkrachten op dit gebied vergroot, evenals een studiedag ‘kijken naar kinderen’
[27]Dit is in een ander gebouw. De kinderen moeten dan met de tram of de metro. Ze krijgen dan (onder andere?) training (‘trainles’).
[28] Er is op de Da Costa-school een strudiedag geweest over 'de kring'.
[29]Als een belangrijke reden daarvoor wordt gezien dat zowel de interne coördinator als de externe coördinator lid zijn van de Stuurgroep Verlengde Schooldag. Op een eenvoudige (en natuurlijke) wijze houdt men elkaar aldus op de hoogte van ontwikkelingen in de wijk en in de school.
[30] Overigens hebben slechts twee van de vier de scholen, waaronder de Valentijnschool, een interne Brede School-coördinator.
[31]Zelf begeleidt hij ook diverse activiteiten. Die hebben -meestal in tegenstelling tot buurthuisactiviteiten- niet enkel ontspanning op het oog, maar zijn gekoppeld aan het onderwijsleerproces, dus aan wat er in de les gebeurt. Ze hebben een leerdoel.
[32]De volgende instanties maken deel uit van zijn netwerk: de Stichting voor Kunstzinnige Vorming Rotterdam (SKVR), het Milieu Educatief Centrum, De Meeuw, een taaldrukplaats in de wijk en de bewonersorganisatie.
[33]De
coördinator noemt als voorbeelden van bondgenoten het buurthuis, de
politic en de bewonersorganisatie.
[34]
Als kinderen uit deze wijk naar het buurthuis willen gaan, dan moeten ze
een drukke weg oversteken. Alleen al
daarom is het beter dat de school het centrum van de wijk wordt.
[35]Hij
zegt, dat in sommige culturen het ouderlijk gezag alleen binnenshuis uitgeoefend
wordt. In deze culturen is op
straat
de politieagent de baas, en op school de leraar.
[36]
Een buurtmoeder is aanspreekpunt voor andere moeders (en voor vaders).
Ze signaleert problemen.
[37]Het
betreft de Stichting Katholieke Scholen Rotterdam en omstreken (SKSR).
Bij deze stichting zijn verschillende
schoolbesturen
aangesloten, onder andere de Rotterdamse Vereniging voor Katholiek Onderwijs
(RVKO), die zo’n
vijftig scholen onder haar beheer heeft. Dit bestuur stelt catechese op haar scholen verplicht. Een bestuur voor speciaal onderwijs daarentegen laat haar scholen zelf kiezen.
[38]Een
uitdrukking van Trees van Montfoort in haar boek Een ijsje op zondag.
[39]Hiervoor
is eerst onderzoek gedaan naar dc vcrhoudingen tussen arm en rijk op een
aantat scholen, en naar dc wijze waarop scholen met problemen daaromtrent
geconfronteerd werden. Vervolgens is ccn lessenpakket samengesteld (getiteld
‘Schatrijk’) waarmee deze problematiek op school bespreekbaar gemaakt kon
worden.
[40]Scholen organiseren wel steeds vaker themavergadcringen waarin achtergrondinformatie gegeven wordt bij verschillende godsdicnstcn. Maar ook hier wil men vooral weten hoe een godsdienst of levensbeschouwing in praktijk wordt gebracht. Men heeft minder behoefte aan theologische analyses.
[41]De Valentijnsehool rekent de catecheet tot deze derde categorie. Op
deze school worden de eatecheselessen van groep 3 tot en met 8 gekoppeld aan
thema’s uit een taalmethode (de methode ‘Alleenstaand’).