- STARTPAGINA - AGENDA - BIJ DE HAND - NIEUW - OVERZICHT - TIJDSCHRIFTEN - ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES : JAARTAL - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z HOOFDTHEMA'S : allochtonen , armoede , bahá'í , bijbel , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts ( Vlaams Blok ) , fundamentalisme , globalisering en antiglobalisering , hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , islam , jodendom , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , migratie , mystiek , racisme , samenleving , sikhisme , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen , - Eigen-zinnige beschouwingen - Het kleine of grote ongenoegen - |
islam ; Aanzetten tot een leerplan "Islamitisch Godsdienstonderwijs in de basisschool"; de islam is modern ; Marhaban. Verhalen uit de wereld van de islam (OFFRINGA) , moskeeën ( M ) ,
Met tekeningen van Rik Meinema, Met medewerking van Yne H. Stiel-Koch, Wim
Westerman, Hamzah Zaid en Jaap Kraan (eindredacteur), Meinema, 's-Gravenhage,
CIP-gegevens Koninklijke Bibliotheek, Den Haag, Marhaban Marhaban: verhalen
uit de wereld van de islam / samengest. door Baukje Offringa; eindred.: J.D.
Kraan, met tek. van Rik Meinema — 's-Gravenhage: Meinema. — Tek. Met lit. opg.,
ISBN 90-211-3533-7, SISO 219 UDC 297+82-93 Trefw.: Islam / jeugdboeken; verhalen.
C Uitgeverij Meinema, 's-Cravenhage, 1989, Onder auspiciën van de Mondiale
Werkplaats te Zeist, Tekening omslag: Rik Meinema, Delft, Ontwerp omslag: Frans
Rodermans, Groningen. Vormgeving en druk: Meinema, Delft.
Inhoud Woord vooraf 7 Marhaban 9 Het paradijs en de witte steen 17
Noeh en het grote schip18 Ibrahiem en de afgodsbeelden 20 Hagar en Ismaïel
23 De bouw van de Kaäba 25 Mohammed de Profeet 27 Bilal, de eerste moeazzin
34 Omar 39 Ali 43 De vlucht van Mohammed naar Medina 47 Mohammed en de kinderen
51 De gast van de slaaf 53 Het klaverblad van vier 55 Het koperen blaadje 55
Het zilveren blaadje 60 Het gouden blaadje 65 Het diamanten blaadje 69 Het geheim
in de kist 74 De kameeldrijver 78 De bedevaart van de schoenlapper 81 De
erfenis van de Arabier 83 De wijze rechter 84 De bontjas 86 Sadiks bedevaart
87 Toclichting bij de verhalen 97 Bronvermelding en literaruuropgave 105 Verklarende
woordenlijst 107 Kaarten van de islamitische wereld 109 Personalia111
Toelichting bij de verhalen
De Koran is voor moslims de openbaring van God. Naast de koran is de traditie, hadieth genoemd, een tweede bron geworden om het leven van moslims te reguleren. Hierin zijn overleveringen en verhalen opgenomen. De Koran zegt: ‘Er was toch voor u in de Boodschapper van Allah een schoon voorbeeld’ (s. 33:21). In de Koran komen niet zoveel verhalende teksten voor. Daarom werden de in de Koran verspreid voorkomende teksten over figuren als Noeh (Noach) en Ibrahiem (Abraham) bij elkaar gezocht, vrij naverteld en aangevuld met gegevens uit de hadieth. In de toelichting worden niet alle soera’s vermeld, die in een verhaal werden verwerkt. Wie over bepaalde figuren of onderwerpen de Koran wil raadplegen kan goed terecht in het register van de vertaling van de Koran door J.H. Kramers, Amsterdam, 1988 (13). Uit die vertaling zijn ook de citaten in deze toelichting genomen.
Voor verhalen over Mohammed en de kaliefen zijn we aangewezen op de hadieth. Omdat hierin verschillende tradities voorkomen, moest daaruit voor de verhalen een keuze worden gemaakt. Hiermee raken we aan een belangrijk punt: de verhalen in deze bundel bedoelen niet een historisch-wetenschappelijk betrouwbaar beeld van de Profeet of de eerste kaliefen te schetsen. Evenmin betekent de keuze voor een bepaalde traditie dat daarmee andere tradities afgewezen worden. Er is getracht uit de veelheid van gegevens een verantwoorde keuze te doen. Na deze algemene inleiding volgen nu enkele opmerkingen bij de afzonderlijke verhalen.
Marhaban
Het Arabische woord ‘marhaban’ betekent ‘welkom’. Het wordt in Turkije en andere Arabische landen rondom de Middellandse Zee uitgesproken als ‘Merhaba’. ‘Als er mensen voor je deur staan, sluit hem dan niet voor ze!’ zo luidt een Arabisch spreekwoord. Deze grote gastvrijheid komt voort uit de cultuur van de Bedoeïenen. Het was voor hen niet alleen een religieus voorschrift, maar ook een pure noodzaak om te overleven in bepaalde gebieden. Nog steeds ondervinden vreemdelingen in landen als Turkije en Marokko hoe gastvrij de bevolking is.
Het paradijs en de witte steen Soera 7: 9 luidt: ‘0 Adam, bewoon gij en uw echtgenoot de Gaarde; eet gij dan van waar gij wilt, maar nadert niet deze boom, want dan zult gij behoren tot de onrechtdoenden.’ De naam Eva komt in de Koran nier voor. Over de gaarde wordt in de Koran gesproken in de zin van het paradijs dat aan Adam en zijn vrouw als woonplaats werd gegeven. Ook wordt het paradijs gezien als toekomstig verblijf van de gelovigen. Soera 18:107 en 108 luidt: ‘Zij, die geloven en heilzame werken verrichten, voor hen zijn de Gaarden van het paradijs tot gastonthaal. Eeuwig-levend daarin, zonder dat zij ooit verandering daarvan wensen.’ Zie ook s. 32:19 en 23: 1—11.
Noeh en het grote schip
Mohammed wordt in de Koran 'het zegel der profeten' genoemd (s.33:40). Hij is voor moslims de laatste en uiteindelijke Profeet. In de Koran worden naast enkele Arabische profeten ook veel bijbelse figuren als profeet beschouwd, zoals Adam, Henoch, Noach (Noeh), Abraham (Ibrahiem), Lot, Jacob, Mozes (Moesa) David (Da'oed), Jona en Jezus (Isa). Het verhaal over Noeh in deze bundel werd samengesteld uit teksten van de Koran. Eén soera is naar Noeh genoemd (s.71). Het verhaalelement van het varen over de verzonken Kaäba is overgenomen uit de hadieth.
lbrahiem en de afgodsbeelden
Alle profeten die er geweest zijn (en de traditie noemt een aantal van 124.000) hebben, aldus de Koran, dezelfdc boodschap voor hun volk ontvangen: God is één en enig. Hij alleen moet gediend en aanbeden worden. In de Koran neemt Ibrahiem een heel belangrijke plaats in. Soera 14 is naar hem genoemd. In verscheidene teksten wordt verteld hoe hij probeert zijn vader van de afgodendienst af te brengen en dat hij de godenbeelden stuk slaat. Het gesprek tussen Ibrahiern en Namroed vinden we in s. 2:258, al wordt Namroeds naam daar niet vermeld. In s.4:125 vinden we de bijzondere uitdrukking dat God zich Ibrahiem tot vriend nam. In s.6:75-79 wordt verteld dat Ibrahiem de zon en de maan als goden afwijst, Dat zijn vader hem wilde laten stenigen lezen we in s.19:41—48. Het verhaal dat Ibrahiem de goden stuk slaat, behalve één en dat men hem wilde verbranden, is te vinden in s. 21 :52—69. Ibrahiem wordt door joden, christenen en moslims beschouwd als voorbeeld en vader van de gelovigen.
Hagar en Ismaïel
Ismaïel behoort ook tot de profeten (s.4:163), al staat hij in de Koran in de schaduw van Ibrahiem. In de islamitische traditie speelt hij een grote rol als stamvader van de Koeraisj in Mekka, waaruit Mohammed voortkwam. Hagar wordt in de Koran niet bij name genoemd. Over Hagar en lsmaïel in de vallei van de Hidzjaaz, het zoeken naar water door Hagar en het ontstaan van de bron Zamzam bestaan verschillende overleveringen. Hieruit werd een keuze gemaakt voor het verhaal in deze bundel. Nog steeds denken de pelgrims aan Hagar als zij zevenmaal tussen Safa en Marwa heen en weer lopen gedurende de bedevaart (zie ook het laatste verhaal in de bundel).
De bouw van de Kaäba
Dat Ibrahiem en Ismaïel de Kaäba moesten bouwen staat in s.2:125. ‘En Wij gaven als verbondsplicht aan Ibrahiem en Ismaïel: Reinigt Mijn Huis voor hen, die ommegang verrichten en er in tot aanbidding vertoeven en die buigen en zich nederwerpen.’ In s.22:26,27 en 29 wordt dat ook gezegd en daar wordt duidelijk dat Ibrahiem al de opdracht had de bedevaart af te kondigen: ‘En kondig onder de mensen de Bedevaart af, dat zij tot u komen te voet en op elk afgemagerd dier, aankomende langs elke diepe bergpas... Laten zij daarna zich van hun onreinheid ontdoen en laten zij hun gelofte vervullen en laten zij rondgang doen om het eerwaardige Huis.’ Ishaak wordt, als zoon van Ibrahiem, meermalen in de Koran genoemd. Ook wordt hij als profeet vermeld (s. 4:163). Over de aankondiging van zijn geboorte en het lachen van Sara wordt verteld in s.11:69—73.
Mohammed de profeet
Na de dood van Mohammed in 632 werden veel verhalen over zijn leven verteld. Rond het jaar 760 heeft Ibn Ishaak, die in Bagdad woonde, deze verhalen zoveel mogelijk verzameld en een biografie van de Profeet geschreven. We moeten er echter rekening mee houden dat de verhalen met een bepaalde bedoeling werden verteld. Moslims werden daardoor gestimuleerd om het voorbeeld van de Profeet na te volgen. De verhalen mogen dan ook niet gelezen worden als wetenschappelijk verantwoorde geschiedschrijving. Voor het verhaal in deze bundel werd een keuze gemaakt uit verschillende overleveringen over het leven, de woorden en ‘de daden van Mohammed. De meeste moslims nemen aan dat de vele overleveringen in grote lijnen aangeven wat er in het leven van Mohammed gebeurd is. Algemeen wordt s.96 als de eerste openbaring beschouwd. Dat God Zich door de engel Gabriël aan de Profeet openbaarde blijkt bijvoorbeeld uit s.2 :97.
Bilal, de eerste moeazzin
Bilal was de zoon van een slaaf uit Ethiopië. Uit de verhalen over deze en andere slaven, die moslim werden, blijkt dat de islam een grote aantrekkingskracht had voor de armen en onderdrukten. In de Koran wordt herhaaldelijk opgeroepen tot de vrijlating van slaven, zie bijv. s.24:33 en 90:13. Voor veel moslims is Bilal een voorbeeldfiguur geworden. Mohammed noemde hem ‘een man van het paradijs.’ Sommige moslims in Amerika hebben zich naar hem ‘de Bilali’ genoemd.
Omar
Omar leefde van 580—644 en volgde in 634 de eerste kalief Aboe Bakr op. Er wordt gezegd dat Omar zich bekeerde toen hij soera 20:14 of 16 las (voor de inhoud zie het verhaal). Onder zijn regering werd de islam verspreid in Arabië, Egypte, West-Iran, Irak en Syrië. Kalief betekent plaatsvervanger, en zo: opvolger van de Profeet. Die had benadrukt dat zorg dragen voor het volk even belangrijk was als het nakomen van de religieuze plichten. De kaliefen hadden naast de regering ook de opdracht de mensen te leiden op de weg van God naar het voorbeeld dat de Profeet had gegeven. Latere kaliefen slaagden daar niet altijd in. De eerste vier kaliefen worden daarom de ‘rechtgeleide kaliefen’ genoemd.
Ali
All werd na Aboe Bakr, Omar en Oethmaan de vierde kalief. Nadat hij in 661 vermoord was, ontstonden er onder de moslims verschillende groepen zoals Soennieten en Sji’ieten. Sji’ieten beschouwen Ali als de eerste echte opvolger van de.Profeet. Zij noemen Ali geen kalief, maar imam en zien de kleinzoons van Mohammed, Ali’s zonen Hasan en Hoesayn, als de tweede en de derde imam.
De vlucht van Mohammed naar Medina
De stam van de Koeraisj bestond uit verschillende families. Mohammed behoorde tot een arme tak die, vergeleken bij de andere families, weinig macht had. In 618 stierf eerst Chadiedzja en kort daarna Aboe Talib, die de leider was van de familie waartoe de Profeet behoorde. Het leiderschap ging over op zijn oom Aboe Lahab, die Mohammed altijd had tegengewerkt en hem niet wilde beschermen. Het vertrek van Mohammed uit Mekka wordt hidzjra genoemd. De islamitische jaartelling begint met deze hidzjra van de Profeet in het jaar 622 van de christelijke jaartelling. Tien jaar later stierf Mohammed op 63-jarige leeftijd. Alles wat hij deed bij zijn afscheidsbedevaart wordt nu nog gedaan door miljoenen moslims als zij de bedevaart naar Mekka volbrengen.
Mohammed en de kinderen
Er zijn overleveringen waarin wordt verteld hoe Mohammed liet blijken dat dochters niet achtergesteld mochten worden bij zonen.
De gast van dc slaaf
Volgens het gewoonterecht van de Bedoeïenen kan iemand die als gast het zout van de gastvrijheid heeft genoten voor drie en een derde dag rekenen op de bescherming van de gastheer of gastvrouw. In het verhaal weegt de plicht tot gastvrijheid sterker dan de plicht een opstandeling aan te geven.
Het klaverblad van vier
Dit verhaal bevat verschillende thema’s, zoals vriendschap, dapperheid, doorzettingsvermogen en gastvrijheid, naast rijkdom, gierigheid en onbetrouwbaarheid. Centraal in het verhaal staat het zoeken naar het ware levensgeluk, dat niet gevonden kan worden door het najagen van rijkdom, maar door het zich inzetten voor de medemens. In veel sprookjes en mythen wordt verteld over de levensreis van een held, die op zoek is naar een verloren schat: de gouden vogel, de kostbare parel, het levenswater, de verloren prinses of zoals in dit islamitische sprookje het verloren klaverblad van vier. De held van het sprookje moet onderweg echter veel beproevingen doorstaan. Abdallah (de naam betekent ‘knecht, dienaar van Allah') blijft ondanks teleurstelling en bespotting doorgraven totdat hij het water heeft gevonden dat leven betekent voor mens en dier. Zo vindt hij het koperen blaadje. Hij zet zijn leven op het spel om een zwarte slavin uit rovershanden te bevrijden en ontvangt het zilveren blaadje. Hij houdt zich aan de voorschriften van de gastvrijheid, ook wanneer de gast zijn vijand blijkt te zijn. Nadat hij zijn leven heeft gewaagd om hem de weg te wijzen, ontvangt hij het gouden blaadje. Na een laatste beproeving, wetende dat God alleen rechter kan zijn over leven en dood, vindt Abdallah de kracht niet aan zijn wraakgevoelens toe te geven. Daardoor vindt hij tenslotte het diamanten blaadje en zo het ware levensgeluk. Eén van de islamitische geloofsartikelen is het geloof in de dag van het oordeel. Als de doden herrijzen worden de daden van de mens gewogen. De gelovigen ontvangen hun levensboek in de rechterhand, de ongelovigen in de linker. Daarna moeten alle mensen een nauwe brug oversteken en gedurende deze handeling wordt het vonnis voltrokken. De rechtvaardigen zullen,mede dank zij de voorspraak van de Profeet Mohammed, in een oogwenk de brug oversteken en het paradijs binnengaan. De zondaars zullen van de brug afvallen. Hieraan doet het slot van het verhaal denken.
Het geheim in de kist
De zoektocht is een oud beeld voor de ervaringen, die de ziel opdoet op weg naar zichzelf. De held in dit sprookje verzamelt niet alleen wetenschappelijke kennis. Hij is op zoek naar wijsheid. In die zin moet waarschijnlijk de uitspraak worden verstaan, die aan Mohammed wordt toegeschreven: 'Zoek wijsheid, al moet je er voor naar China!’ Natuurstudie is in de islam één der wegen om tot een beter begrip te komen van de schepping, waarin God zich openbaart. De held van dit verhaal blijkt tenslotte op zoek naar zichzelf te zijn. De Chinese prinses is het symbool van de eigen ziel. Deze gedachte vinden we ook in chassidische sprookjes, zie bijv. H. Schwartz, Joodse sprookjes uit de verstrooiing, ‘s-Gravenhage, 1986, p. 19. ‘Het geheim in de kist’ is een bewerking van een sprookje dat geschreven werd door Fariduddin Attar omstreeks het jaar 1200. Hij studeerde medicijnen en chemie en had een goed lopende apotheek, totdat hij op een dag bezoek kreeg van een derwisj (zie hieronder). Onder invloed van deze derwisj gaf Attar zijn praktijk op, deelde zijn bezit uit aan de armen en ging op zoek naar godskennis. Daartoe maakte hij studie van de Soefi-filosofie. Attar schreef veel boeken over mystiek. ‘De vogelsamenkomst’ is één van zijn beroemde werken. Hierin beschrijft hij de reis van de ziel, die door zeven valleien gaat: de vallei van het Zoeken, van de Liefde, van Kennis, van Onafhankelijkheid en Losmaking, van God zien, van Vervoering en Verbazing, van Versterving en Eenwording. Zie bijv. het themanummer Soefisme van het kwartaalblad Qiblah, Den Haag, zomer 1987, p.39 en J. Sulzberger, Zoeken een reis naar binnen,. Amsterdam, 1980.
De kameeldrijver
In dit verhaal gaat het om rechtvaardigheid, betrouwbaarheid, edelmoedigheid en vergeving.
De bedevaart van de schoenlapper
Belangrijker dan het volbrengen van de bedevaart is de zorg voor de medemens. Zo kan men de hoofdgedachte van dit verhaal kort samenvatten.
De erfenis van de Arabier
Het voorbeeld van de Profeet inspireerde velen binnen de islam tot een leven van vroomheid en heiligheid. Bekend waren en zijn de soefi’s. Het soefisme binnen de islam is vooral ontstaan door devote studie van de Koran. Sinds Ghazali (gestorven 1111) werd een verbinding gelegd tussen wetsgetrouwheid en verinnerlijking van de islam. De soefi’s kregen een roep van heiligheid en werden ‘vrienden van God’ genoemd. Zij beoefenen ascese en mystiek en velen werden en worden door omgang met hen gezegend. Voor de verspreiding van de islam was het soefisme een belangrijke factor. Vanaf de twaalfde eeuw ontstonden organisaties die vergelijkbaar zijn met monnikenorden (zonder celibaat). Muziek en dans stonden soms in dienst van de mystieke vervoering. Zo werden de ‘dansende derwisjen’ van de Turkse mevlevi-orde bekend. Derwisjen spelen in islamitische verhalen vaak een belangrijke rol.
De wijze rechter
Djeha is een slimme figuur die in talloze verhalen voorkomt. De verhalen zijn verspreid in islamitische landen in één of andere vorm. Djeha drijft de spot met de rijken en in al zijn avonturen redt hij zich uit moeilijke situaties door zijn slimheid. Zijn karakter is overal gelijk, maar zijn naam verschilt van land tot land. In Marokko en Algerije noemt men hem Djeha, in Tunesië Jeha, in Egypte Goha, in Iran Notza en in Turkije Nasreddin Hodja.
De bontjas
Een hodja is een Turkse naam voor imam (hier verstaan als een islamitische geestelijk leider). Nasreddin Hodja leefde in de 13e eeuw in Anatolië dat in Centraal Turkije ligt. Rondom zijn persoon ontstonden allerlei grappen en verhalen. Niet zelden wist hij hooggeplaatsten door middel van een grap op hun nummer te zetten.
Sadiks bedevaart
Het Arabische woord haddzj betekent ‘bedevaart’. Een haddzji is een moslim
of moslima, die de bedevaart naar Mekka heeft volbracht. Als iemand het zelf
niet kan doen door ouderdom, invaliditeit of een ernstige ziekte, is het mogelijk
een plaatsvervanger te sturen. Doordat het islamitische maanjaar 354 dagen
telt, vallen de feesten ten opzichte van de christelijke tijdrekening elk jaar
ongeveer elf dagen vroeger. In 1988 viel de haddzj rond 13 juli, in 1989 zal
de haddzj dus rond 2 juli vallen. De haddzj vindt plaats in de laatste
maand van het maanjaar, van de achtste tot en met de twaalfde dag en begint
op de achtste dag met de oemra om de Kaäba. Op de negende dag vindt het
‘staan voor God’ plaats in de vlakte van Arafat, een hoogtepunt van de bedevaart.
Hier staan mensen, aan elkaal gelijk, als op de dag van het oordeel. Op de tiende
dag gooit men te Mina steentjes tegen drie zuilen, het zogenaamde stenigen van
satan. Daarna worden dieren geofferd en wordt het offerfeest gevierd. In
s.37:102 wordt vermeld dat Ibrahiem droomde dat hij zijn zoon moest offeren.
De naam van de zoon wordt niet genoemd, maar moslims nemen aan dat Ismaïel
bedoeld is. In plaats van Ismaïel mocht Ibrahiem een dier offeren. Het
offerfeest wordt wereldwijd op deze dag gevierd.
Op
de elfde of twaalfde dag wordt de afsluitings- en de afscheidsrondgang om de
Kaaba gemaakt.
Terug naar het begin van de pagina