Wat ons bindt... Over samenwerking tussen religies en levensbeschouwingen in Nederland - Frank Siddiqui (1960, free-lance journalist). Met bijdragen van: Ido Abram, Paulien Boogaard en Rick de Jongh, Haci Karacaer, Hari Rambaran, Gé Speelman. Forum, Utrecht, 2000

Interlevensbeschouwelijke dialoog,  Abrahamhuis, interreligieus leren (van het net geplukt),   interculturele en interreligieuze kalender,  Interreligieus leren in opvoeding en onderwijs (Bert Roebben), Interreligieus leren op de Brede School (Rotterdam), Interreligieuze levensdialoog, Interreligieuze school Ede, Islamitisch Dialoog-en Informatiecentrum, Kerkwerk Multicultureel Samenleven (KMS), Mehmet Aydin: biografie - conferentie in het Engels en in Nederlandse vertaling - verslag, Stichting Echelon en          levensbeschouwelijke communicatie, Trees ANDREE en Cok BAKKER: Religie, geweld en opvoeding tot vrede, Wat ons bindt (Frank Siddiqui)
FORUM, Instituut voor Muiticulturele Ontwikkeling
Postbus 201
3500 AE Utrecht
telefoon (030) 29743 21
fax (030) 296 0050
Website:    www.forum.nl
ISBN: 90-57T4-083-7 Bestelnummer 006.3810

© 2000, FORUM, instituut voor Multiculturele Ontwikkeling, Utrecht

Inhoud

Woord vooraf

Inleiding, blz.9-14

In de inleiding geeft SIDDIQUI de hoofdlijnen uit het interreligieuze en interethische debat weer. Hij concludeert dat er aan goede intenties geen gebrek is, maar dat de praktijk weerbarstig blijkt. Grote verschillen in sociale en institutionele ontwikkeling vormen nog een obstakel voor gelijkwaardige samenwerking. Onuitgesproken belangentegenstellingen tussen de christelijk-humanistische meerderheid en de andersgelovige minderheden spelen eveneens een hardnekkige rol. Wil de interreligieuze dialoog slagen, dan zal er binnen de verschillende stromingen gewerkt moeten worden aan meer kennis over en begrip voor 'de anderen'. De oude godsdiensten zullen bovendien bereid moeten zijn in te schikken om ruimte te maken voor de nieuwe.

Deel 1, blz. 20-48

Het eerste deel bestaat uit een zestal reportages over religieuze ontmoetingen en confrontaties in de dagelijkse praktijk. 'Dialoog' vindt immers niet alleen plaats binnen speciaal daarvoor geschapen omstandigheden maar ook en vooral daar waar de belangen van verschillende denominaties elkaar gewild of ongewild tegenkomen. Het zijn praktijkverhalen uit Utrecht en Den Haag.

1.1. De Haagse Raad voor Levensbeschouwingen en Religies (HRLR), blz.20-23

De raad bestaat uit veertien kerkgenootschappen, dertien moskeeën, twee hindoe-organisaties, de liberale joodse gemeente en de Haagse
humanisten. Hij is enig in Nederland. Sommigen putten hieruit zelfs de hoop dat naar dit voorbeeld op den duur een nationale religieuze en
levensbeschouwelijke raad kan worden gevormd.

Frans Wüst, priester op leeftijd en voorzitter van HRLR, woonde en werkte 25 jaar in het Laakkwartier in Den Haag.

Ayyub Mohamedajoeb was tot voor kort voorzitter van de Stichting Haags Islamitisch Platform (SHIP).

Predikant Jan Buikema is één van de oprichters.

1.2. Een christelijk monopolie doorbroken, blz.24-27

Op prinsjesdag 2000 staan op het podium in de Grote Kerk van Den Haag niet alleen een dominee en een priester klaar om het parlementaire jaar in te wijden, maar ook een hindoeïstische pandit, een imam, twee rabbijnen en een humaniste. Voor het eerst zijn ze erin geslaagd de verschillen te overbruggen die gezamenlijke vieringen in de weg staan.

1.3. Gelijke rechten, maar niet te veel natuurlijk, blz.28-34

In de zomer van 1998 kwam de autochtone burgerij van de Haagse wijk Transvaal in opstand, toen de monumentale Julianakerk dreigde te worden verkocht aan een Turkse moskee-organisatie.

1.4. De dialoog in Utrechtse wijken, blz.35-36

De stad Utrecht is het landelijk hoofdkwartier van zowel de Rooms-Katholieke kerk als de Samen Op Weg-kerken (SOW). De stad telt minstens vijftien moskeeën. De humanisten hebben er hun Universiteit voor Humanistiek, hindoes en joden vormen een zeer kleine, nauwelijks zichtbare minderheid. Christenen en moslims zijn verreweg de belangrijkste groepen. De stad telt tussen 20.000 en 30.000 moslims van voornamelijk Marokkaanse en Turkse afkomst maar structurele contacten tussen islamitische en christelijke organisaties zijn er nauwelijks. Wie op zoek gaat naar bruggenbouwers tussen de religies, komt steevast uit bij een handjevol personen. Pauline Rozema is de motor achter het Vrouwen Ontmoetingsproject (VOP), dat vooral in Kanaleneiland veel deelneemsters telt. Haar wederhelft Wieger Rozema ondersteunde in Kanaleneiland jarenlang een Marokkaanse groep.

1.5. De Werkgroep Samen Leven, blz.37-40

De Utrechtse wijk Kanaleneiland kent twee soorten woningen. Langgerekte blokkendozen met goedkope huurwoningen waar vooral
Marokkaanse en Turkse gezinnen wonen. Daartussenin staat de laagbouw, veelal koopwoningen waar de autochtone Nederlanders nog in de meerderheid zijn. Alle problemen van de naoorlogse wijken zijn hier prominent aanwezig. Autochtonen die het zich kunnen veroorloven, trekken weg. De achterblijvers behoren tot een groep die snel vergrijst en mopperen luid dat hun wijk de oude niet meer is.

1.6. Het Vrouwen Ontmoetings Project, blz.41-43, zie 1.4.

1.7. Gesprek tussen twee gelovige moeders, blz.44-48

Deel 2: Twee debatten in de Rode Hoed, blz.49-51; 52-56; 57-63

Naast de islamexpositie Aardse schoonheid, hemelse kunst van De Nieuwe Kerk organiseerde De Rode Hoed, centrum voor cultuur, religie en politiek in Amsterdam, in samenwerking met FORUM voorjaar 2000 twee debatten over ‘Wat ons bindt; godsdienstige en ethische scheidslijnen voorbij’.

Het eerste debat op 27 maart 2000 had als onderwerp Religie, ethiek en sociale cohesie. Het uitgangspunt werd als volgt geformuleerd: Nederland is een multireligieuze en multi-ethische samenleving. Wat zijn vanuit de vijf stromingen centrale concepten die een bijdrage leveren aan maatschappelijke samenhang? Onder welke condities leveren ze in gezamenlijkheid een bijdrage aan bijvoorbeeld de bestrijding van armoede, racisme, hulp bij rampen? Zijn er inmiddels positieve ervaringen opgedaan? Zijn er permanente vormen van overleg, contact en samenwerking in het leven geroepen? Vinden de nieuwe godsdien­sten dat zij voldoende ruimte voor ingroei en samenwerking krijgen? Eén van de kritiekpunten in Geloven in de Bijlmer over de rol van religieuze Groeperingen van M. Oomen en J. Palm (1994) is dat de daar opgekomen nieuwe godsdiensten enerzijds zelf nogal naar binnen gekeerd zijn en zich weinig gelegen laten liggen aan de bevordering van de maatschappelijke participatie van hun leden. Anderzijds te weinig ondersteuning vanuit overheid en andere kerken krijgen bij het verwerven van een eigen ruimte voor godsdienst-oefeningen. Ligt dat in andere steden ook zo, is dat een gegeven van nationaal niveau? Is het de taak van de ethische en religieuze bewegingen om daaraan samen wat te doen?

Het tweede debat, op 6 april 2000 had als onderwerp Religie. ethiek en onderwijs. Dit waren de gestelde vragen: in Nederland ontstaan steeds meer aparte moslim-scholen, zoals je vroeger vele aparte christelijke scholen had. Er zijn ook aparte joodse en hindoeïstische scholen. De humanistische stroming heeft de mogelijkheid om op bijzondere en openbare scholen apart onderwijs aan te bieden over humanistische waarden en normen. Deze verzuiling is een zeer Nederlands fenomeen. Schoolstrijd en gelijkstelling van confessioneel en openbaar onderwijs
lijken tot het basisinformatiepakket te behoren van de gemiddelde in Nederland geboren burger. Verzuild onderwijs kan een bijdrage leveren
aan emancipatie, identiteitsvorming, sociale cohesie, redelijke en bezielde burgers, intergenerationele overdracht van sociale en religieuze normen en waarden.

De nieuwe verzuiling heeft wellicht ook negatieve kanten: moslims en hindoes zetten zich af, willen niet samenwerken met andere godsdiensten en stromingen. Nu het gaat om relatief nieuwe godsdiensten, die tot bloei gekomen zijn in een andere ideologische en culturele context, lijken die negatieve kanten sterker benadrukt te worden. Hoe gaan de religies en het humanisme binnen het onderwijs om met botsende waarden en normen? Is het preken van passieve tolerantie een oplossing? Is het ter discussie stellen van in Nederland misplaatste opvattingen over het verdedigen van de familie-eer, de strenge seksuele moraal et cetera een beter alternatief? Kunnen de vijf stromingen in onderlinge samenwerking betere strategieën ontwikkelen voor het ontwikkelen van gedeelde waarden in onderwijs en opvoeding?

Twee debatten

2.0. Inleiding, blz.50-51

2.1. Religie, ethiek en sociale cohesie, blz.52-56

2.2. Religie, ethiek en onderwijs, blz.57-63

Deel 3.  Persoonlijke reflecties, blz.65-

In de volgende bijdragen geven vertegenwoordigers van het humanisme, de islam, het hindoeïsme, het christendom en het jodendom hun visie op de verhoudingen tussen godsdiensten en levensbeschouwingen in Nederland. Paulien Boogaard en Rick de Jongh van het Humanistisch Verbond leggen uit dat het open gesprek tussen mensen van alle levensovertuigingen en religies behoort tot de kenmerken van het humanisme.
In de afgelopen eeuw zijn de verhoudingen tussen christenen en humanisten in Nederland sterk vertroebeld door wederzijdse veroordeling.
Humanisten zouden een soort ‘nihilisme’ aanhangen en christenen zouden zich afsluiten voor elk gesprek door strak vast te houden aan hun eigen dogma’s. Gelukkig is de wederzijdse erkenning de afgelopen decennia sterk gegroeid. Boogaard en De Jongh leggen uit welke bijdrage het humanistische gedachtegoed kan leveren aan betere verhoudingen tussen de diverse religies en gezindten in Nederland.

Haci Karacaer is directeur van Milli Görüs Noord-Holland. In twee bijdragen maakt hij duidelijk dat Milli Görüs met beide benen in de moderne Nederlandse samenleving staat en haar pastorale en maatschappelijke taken serieus neemt. Om deze islamitische stroming in Nederland te kunnen plaatsen, heeft hij apart op een rijtje gezet waar Milli Görüs in Nederland voor staat. Vervolgens gaat Karacaer in zijn persoonlijke bijdrage aan deze bundel in op de beeldvorming over moslims en de islam in Nederland. Hij plaatst deze beeldvorming in historisch perspectief.
Daarna beschrijft hij hoe binnen Milli Görüs wordt aangekeken tegen — en gewerkt aan — de positie van vrouwen in de islam en de verhouding van de gemeenschap met de omringende samenle­ving.

Hari Rambaran zette zich op persoonlijke titel jarenlang in om begrip te kweken tussen vooral christenen en hindoes. Zonder een blad voor de mond te nemen, geeft hij uiting aan zijn teleurstelling over de resultaten. Hindoes krijgen een veeg uit de pan omdat er in Nederland maar een handjevol is te vinden dat moeite doet om met andersgelovigen in gesprek te komen. Maar hij is ook verbolgen over de geringe mate waarin christenen naar zijn idee openstaan voor een werkelijk gelijkwaardige ontmoeting. Waarom begint het gesprek altijd met de vraag hoe het zit met het polytheïsme in het hindoeïsme? En waarom gaat de dialoog niet verder als hij heeft uitgelegd dat die vraag berust op een westerse misvatting? Hoe het wel zit, legt hij met overtuigingskracht uit. Om vervolgens aan te geven welke houding naar zijn idee noodzakelijk is, willen gelovigen met elkaar in gesprek komen.

Gé Speelman, hervormd predikante en onderzoekster van de interreligieuze dialoog, gaat op basis van haar eigen ervaringen in op de kansen en de valkuilen bij de ontmoeting tussen andersgelovigen. Als christelijk theologe ondernam zij een speurtocht naar het wezen van verscheidene religies, die haar ook buiten Europa voerde. Zij doet onderzoek naar succes- en faalfactoren van interreligieuze huwelijken en verwierf diepgaande kennis van de voorwaarden om samenleven vanuit verschillende geloofsovertuigingen in de alledaagse praktijk te
verwezenlijken. Respect en de bereidheid tot diepgaand zelfonderzoek zijn voor haar sleutelbegrippen, die ook van toepassing zijn op het
samenleven van verschillende religieuze gemeenschappen.

Prof. Ido Abram is in Utrecht werkzaam op de terreinen intercultureel leren, jeugdvoorlichting over de Tweede Wereldoorlog en de joodse identiteit in Nederland. Hij besluit deze bundel met een boeiende analyse van het begrip ‘identiteit’. Aan de hand van voorbeelden laat hij zien hoe complex de joodse identiteit in elkaar zit en dat mag gelezen worden als een visie op de complexiteit van (groeps-)identiteit in het algemeen. Aan de hand hiervan onderschrijft hij de conclusie van de twee voorgaande debatten, namelijk dat er een voortdurende spanning bestaat tussen de behoeften van ‘de meerderheid’ en die van minderheden. Hij besluit zijn verhaal met het onderstrepen van de noodzaak om deze tegengestelde strevingen te erkennen en de ruimte te geven, wil de samenwerking tussen meerderheids- en minderheidsgroepen tot positieve resultaten kunnen leiden.

Inleiding, blz.66-67

3.1. Toenadering, samenwerking en dialoog, blz.68-74 Paulien Boogaard en Rick de Jongh, Humanistisch Verbond

3.2. Wij en anderen, blz.75-80, Haci Karacaer, Milli Görüs, Nederland

3.3. De achtergrond van Milli Görüs Nederland, blz.81-83 Haci Karacaer, Milli Görüs Nederland

3.4. Dialoog als onderzoek en veranderingsproces, blz.84-88 Hari Rambaran, landelijke werkgroep hindoeïsme

3.5. Kansen en bedreigingen in de interreligieuze dialoog, blz.89-96 Gé Speelman, hervormd predikante en onderzoekster

3.6. Minderheden en hun identiteit, blz.97-102, Prof dr. IdoAbram, joods onderzoeker bij het Algemeen Pedagogisch Studiecentrum

Kansen en bedreigingen in de interreligieuze dialoog (blz.89-96)
Door Gé Speelman

Ik ben opgegroeid in het Friese Drachten in een vanzelfsprekend gereformeerd milieu. Naar de kerk ging ik elke zondag. ‘Vond je het niet saai in de kerk?’, wordt me wel eens gevraagd. Achteraf moet ik als kind daar toch veel nutteloze uren hebben doorgebracht met het luisteren naar ellenlange preken die ik niet begreep. Maar in die tijd kwam het niet bij mij en mijn vriendjes op dat een kerkdienst iets was waarover men een oordeel (bijvoorbeeld een kwaliteitsoordeel over de amusementswaarde ervan) had kunnen geven. Het was er gewoon en je deed mee.

In mijn jeugd was iedereen in mijn directe omgeving christelijk. Ik wist wel dat sommige mensen die ik kende hervormd waren en mij werd verteld dat dat net zo goed christenen waren. Anderen, wat verder aan de rand van mijn waarneming, waren katholiek. Dat klonk alweer een hoop exotischer. Er waren ook nog ‘openbaren’. Die geloofden ‘nergens in’.

De studie in Amsterdam gaf een ander beeld van de wereld te zien. Bij de kerkdiensten die ik bezocht aan de Keizersgracht en de Amstelkerk bleek opeens dat het ook leuk kon zijn in de kerk! Leuk maar niet meer vanzelfsprekend. In het Amsterdam van de jaren ‘70 waren mijn geloofsgenoten en ik mensen die afweken van de norm. Misschien waren er toen op papier iets meer ‘christenen’ dan ‘heidenen’ in Nederland maar het voelde niet zo.

Dat leidde bij mijzelf tot twee soorten reactie. Enerzijds ging ik nadenken over dat waarover ik voorheen niet na hoefde te denken. Alleen de dingen waarvan ik op grond van goede argumenten, niet alleen rationele argumenten, kon volhouden dat ze zinvol waren, bleven overeind. Andere elementen van het geloof van mijn jeugd verdwenen geruisloos. Dat was winst. Ik kon mezelf een kritisch oordeel aanmeten over vanzelfsprekend overgeleverde waarden en zelfs besluiten bepaalde kerkdiensten niet meer te bezoeken omdat ze me niet aanspraken.

Anderzijds kon ik me soms ook opwinden over de tamelijk hersenloze manier waarop sommige van mijn niet-gelovige kennissen over mijn
geloof spraken. Dat je geen zin hebt om je in de religieuze achtergronden van jan en alleman te verdiepen kan ik begrijpen maar onthoud je dan ook van commentaar! ‘Christendom’ heeft voor veel niet-christenen blijkbaar vooral met ‘Staphorst’ en ‘Rome’ te maken. Wat zich in deze twee plaatsen precies afspeelt, is hen overigens niet bekend. De meeste mensen hebben geen idee hoe de Staphorster dan wel de Vaticaanse samenleving werkelijk in elkaar steekt (ik zelf ook niet), maar duidelijk is dat het bar en boos moet zijn.

Kortom: waar wij christenen in de huidige Nederlandse situatie nogal last van hebben is de snelle overgang van een bestaan als
meerderheidsgroep naar een bestaan als minderheidsgroep in de samenleving. Het christelijk geloof, dat niet langer vanzelf spreekt, moet naar binnen en naar buiten toe worden verdedigd. Christenen moeten bij anderen en zichzelf voortdurend rekenschap afleggen van hun geloof waarom doen we dit of dat, wat vinden we zelf van de christelijke traditie? En uitleggen dat wat ze doen en geloven nog niet zo gek is. Nogmaals, in zekere zin is het winst tot een minderheid te behoren. Ik heb tenminste geleerd zelf over de dingen na te denken. Vermoeiend is het ook wel eens. Gelukkig ben ik tegelijk ook deel van een meerderheid. Zo deel ik een hoop vanzelfsprekendheden met andere Nederlanders, bijvoorbeeld over het belang van vrouwenemancipatie, het Sinterklaasfeest en het poldermodel. Dat noemen we ‘Nederlandse cultuur’ en daarover hoef ik dus niet zo hard na te denken.

Sociale opdracht en de omgang van christenen onderling

‘Liefhebben’ en ‘dienen’ zijn kernwoorden in het ideaalbeeld dat christenen hebben van hun onderlinge relaties. Natuurlijk brengen christenen dit ideaal slechts zelden in praktijk. Deze kernwoorden kunnen dan weer op verschillende manieren worden verbeeld. Kortweg zie ik drie beelden in de bijbel van de christelijke gemeenschap. Beelden die alledrie een grote rol hebben gespeeld in de latere kerk(en).
Christenen dienen elkaar te zien als de leden van één lichaam, die elkaar dienen. Onderlinge solidariteit dus, maar verschillende functies en posities. Christenen zijn samen de kinderen van één vader, de hemelse Vader, en moeten dus als broers en zusters met elkaar omgaan. De liefde van God tot de mensen moet een leidraad zijn voor de belangeloze liefde van christenen voor elkaar. Beide beelden: één lichaam, één familie, zijn aan de bijbel ontleend. Met beiden heb ik als feministische theologe nogal wat moeite. Het corporatistische beeld roept meteen de vraag naar de hiërarchie op. Als sommige mensen in de christelijke gemeenschap de rol van handen hebben en anderen de rol van hoofd, betekent dat niet dat ‘alle christenen gelijk zijn maar sommigen een beetje meer dan anderen?’ En als God zo consequent als vader wordt voorgesteld, brengt dat dan niet met zich mee dat ‘broeders’ een beetje meer zijn dan ‘zusters’ louter omdat ze de sekse van God schijnen te hebben. Een derde beeld uit de bijbel over de onderlinge verhouding van christenen spreekt me meer aan. ‘Want jullie allen die in Christus gedoopt zijn, hebben jullie met Christus bekleed. Hierbij is geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk en vrouwelijk: jullie zijn allen immers één in Christus.’ Hier wordt de christelijke gemeenschap getekend als één waarbij de maatschappelijke verschillen tussen christenen onderling onbelangrijk worden in het licht van de nieuwe gemeenschap die ze hebben gevormd. Dergelijke teksten zijn in het verleden vaak gebruikt door christenen die radicale maatschappijhervormingen voorstonden waarin maatschappelijke ongelijkheid zou worden opgeheven. De christelijke gemeenschap kan je zien als een soort maatschappelijke voorhoede waar dergelijke ideeën van gelijkheid al worden uitgeprobeerd.

Waarmee je blijft zitten bij al deze drie beelden, is hoe christenen moeten omgaan met anderen die niet of nauwelijks of een klein beetje in de christelijke boodschap geloven. Het is allemaal goed en wel dat je met liefde en respect met je medechristenen moet omgaan, maar hoe doe je dat met anderen?

Sociale opdracht tegenover niet-christenen en ‘de hele wereld’.

Kort en goed: met anderen moet je omgaan zoals jij zou willen dat zij met jou zouden omgaan. Of zoals Jezus (hierbij de Hebreeuwse bijbel
citerend) zijn volgelingen voorhield: ‘Je zult liefhebben Heer jullie God met heel jullie hart en ziel en verstand. Dat is het eerste en grote gebod. En het tweede, daaraan gelijk is: je zult je naaste liefhebben als jezelf.’ Daaraan valt weinig toe te voegen, behalve dat ook in dit opzicht christenen zich in de alledaagse werkelijkheid weinig aantrokken van de prediking van Jezus.

Mooie principes, maar hoe kan een christen ze in praktijk brengen? Wat doe je bijvoorbeeld met de gouden regel als de naaste op zijn beurt geen wederkerig gedrag vertoont maar consequent goed met kwaad vergeldt? Als de naaste die je moet liefhebben bijvoorbeeld Hitler is? Met deze lastige kwesties hebben christenen altijd geworsteld. Kennelijk moeten de uitgangspunten van Jezus nader worden ingevuld om ze te kunnen toepassen in de alledaagse werkelijk­heid.

Laat ik bijvoorbeeld eens kijken hoe de omgang met de buitenwereld in mijn eigen kerk meestal werd besproken. Tijdens de verzuiling werd ons gereformeerden vaak voorgehouden dat wij, in de woorden van Paulus, ‘wel in de wereld, maar niet van de wereld’ waren. Deze uitdrukking geeft in elk geval perfect de positie van christenen toen aan: volop maatschappelijk en politiek actief en toch afzijdig van alles wat als bedreigend voor de eigen identiteit werd gezien. Deze wat isolationistische houding werd telkens weer ter discussie gesteld door leden van de groep die naar buiten wilden, bijvoorbeeld de zendingsmensen. Die vonden dat wij, christenen de opdracht hadden het Evangelie uit te dragen naar anderen die het niet kenden. Uiteraard omdat wij ze moesten liefhebben en ze dus datgene bij moesten brengen wat ons christenen het meest troostte en met hoop vervulde: het geloof in Jezus Christus. De ander, die geen christen was, moest dus met liefde tegemoetgetreden worden en tegelijk overtuigd worden van het verkeerde van zijn of haar geloof. Andersgelovigen liefhebben en respecteren en tegelijk dat wat hun dierbaar is — hun geloof— verketteren, daar zit iets tegenstrijdigs in. Overigens is die tegenspraak heel goed te vergelijken met de tegenstrijdigheid die vaak optreedt in debatten tussen Nederlandse intellectuelen over culturele minderheden: omdat wij (Nederlanders) geloven dat alle mensen gelijkwaardig zijn dienen we respect te hebben voor individuele mensen uit andere culturen. Maar kunnen we ook respect opbrengen voor hun culturen als zodanig? Alleen voor zover ze ruimte laten voor dezelfde waarden die wij hoogachten, zoals respect voor individuele mensen. En dan zijn we weer terug bij af. In de debatten tussen christenen onderling heeft deze tegenstrijdigheid sinds de jaren ‘30 een grote rol gespeeld. Het debat werd gestart door christenen uit de Derde Wereld die in het Westerse zendingsstreven een minachting voor hun culturen en religies bespeurde. Voor christenen uit de Derde Wereld was de gelijkstelling van christelijke waarden met Westerse waarden niet vanzelfsprekend.

Ik zei hierboven dat ik weliswaar als christen deel was van een minderheid maar als Nederlander deel van een meerderheid in de samenleving. Daardoor staan allerlei waarden en opvattingen voor mij zonder discussie vast. Door contacten met christenen uit de Derde Wereld zijn voor mij persoonlijk ook allerlei Nederlandse waarden niet meer zo vanzelfsprekend. Ik vind de meeste nog steeds waar maar niet meer zonder discussie of argumenten. In de wereldkerk zijn Nederlandse culturele waarden en normen niet zonder meer die van de meerderheid.

Interactie tussen christenen en andersgelovigen

In de christelijke theologie onderscheiden we drie verschillende stromingen als het gaat om de vraag hoe christenen andersgelovigen
benaderen.

1. De exclusivistische benadering. Daarin gaat men ervan uit dat slechts één waarheid mogelijk is, de christelijke waarheid. Aanhangers van andere godsdiensten en levensovertuigingen hebben het bij het verkeerde eind. De christelijke identiteit is de enige manier waarop iemand werkelijk ten diepste mens kan zijn zoals God het heeft bedoeld. Christenen die dit uitgangspunt kiezen zullen zeggen dat dit hen niet verhindert liefde en respect te voelen voor mensen van andere godsdiensten of niet-gelovige mensen. Voor hun levensovertuiging echter kan een exclusivistische christen principieel niet hetzelfde respect opbrengen als voor zijn of haar eigen christelijke overtuiging. In het debat over de waardering voor de cultuur van minderheden heeft volgens mij Frits Bolkestein een standpunt dat — mutatis mutandis — het meest overeenkomt met dat van de exclusivisten.

2. De inclusivistische benadering. Deze gaat ervan uit dat niet-christenen ook waardevolle inzichten kunnen hebben over God en het leven. Die inzichten worden echter altijd afgemeten aan christelijke normen. Anderen kennen de waarheid voor zover ze inzichten of praktijken hebben die met die van het christendom overeenkomen. Zo kan een atheïstische hulpverlener bijvoorbeeld het voorschrift van Jezus ‘de naaste lief te hebben als zichzelf’ voorbeeldig in praktijk brengen waar de meeste christenen falen. Volgens deze benadering kunnen christenen in de ontmoeting met niet-christenen waardevolle dingen van hun gesprekspartners leren. Ze kunnen zelfs nieuwe, andere dingen leren die ze nog niet wisten en zo hun eigen geloof aanvullen. Maar de kern van dat geloof— bijvoorbeeld: dat God zich eens voorgoed in de mens Jezus geopenbaard heeft — blijft onverminderd normgevend. In het debat over de multiculturele samenleving is dit te vergelijken met mensen die bepleiten dat Nederlanders leren van mensen van andere culturen, zonder dat dat betekent dat ze de grondwaarden van de Nederlandse cultuur
(bijvoorbeeld: ‘vrijheid, gelijkheid en broederschap’) ter discussie willen stellen.

3. De pluralistische benadering. Volgens deze stroming kunnen ook mensen die er een heel andere religieuze identiteit en praktijken op na
houden dan christenen, God en de wereld werkelijk goed kennen. Dat komt omdat ook de kennis van christenen slechts partieel is. Een boeddhist kan bijvoorbeeld de kennis van een christen over het menselijk lijden aanvullen en zo meer inzicht geven in waar het in het leven op aan komt.
Hoewel mensen qua religie sterk van elkaar verschillen, streven ze uiteindelijk allemaal in de kern hetzelfde na: een menswaardig bestaan.
Daarom moeten ze leren elkaars verschillen te respecteren. Identiteiten zijn voortdurend in verandering, mensen nemen gebruiken en verhalen van elkaar over. Dat neemt niet weg dat we als mensen op een diep niveau in wezen hetzelfde zoeken. Bij het Nederlandse debat over de multiculturele samenleving zijn weinig echte pluralisten, mensen die uitgaan van de principiële gelijkwaardigheid van alle culturen, betrokken.

Struikelblokken voor dialoog

Jaren geleden was ik aanwezig bij een gesprek tussen een groepje mensen van de Raad van Kerken in de Indische Buurt in Amsterdam en het bestuur van een Turkse moskee. De kerkmensen probeerden allerlei initiatieven te ontplooien voor mensen zonder werk in de buurt en ze wilden graag het moskeebestuur hierbij betrekken. Het gesprek verliep ongeveer als volgt. Een christen: ‘Hoe gaan jullie in de moskee om met mensen die allerlei maatschappelijke problemen hebben?’

Een moskeebestuurder: ‘Hoezo problemen? Moslims hebben geen problemen!’

Een andere christen: ‘Ja, maar we hebben gehoord, dat nogal veel Turken hier in de buurt werkeloos zijn. Komen die dan niet in de moskee?’

De imam (nadat de voorafgaande conversatie voor hem vertaald was): ‘Als je een ware moslim bent, zal God je altijd steunen. Dan zal je nooit
lang werkeloos zijn. De Turken die werkeloos zijn, zijn dus geen goede moslims. Daarom hebben wij geen problemen met werkeloosheid.’

Dit gesprek liet volgens mij een aantal struikelblokken voor de dialoog zien. Omdat ik de meeste ervaring heb met dialoog tussen moslims en
christenen beperk ik me bij het bespreken van de struikelblokken tot deze twee groepen. De meeste moslims in Nederland zijn recente
arbeidsmigranten. De eerste generatie moslimmigranten is voor het merendeel slechtgeschoold, doet meestal ongeschoold werk of is
werkeloos en hun kinderen vinden geen aansluiting bij het Nederlandse onderwijs. Moskeebezoekers zijn meest mannelijke migranten uit deze eerste generatie. De islam die ze aanhangen is niet zozeer fundamentalistisch als wel traditioneel. Het kost hen moeite onder woorden te brengen wat ‘islam’ precies inhoudt. Ze hechten er echter enorm veel waarde aan dat de islam in Nederland wordt doorgegeven aan hun kinderen. Daarom zijn moslims vaak op zoek naar moskeeruimte en naar geschoolde imams die les kunnen geven in de islam. Uiteraard kost het de moslimgemeenschap veel moeite daarvoor de financiële middelen te vinden. Daarbij worden moslims niet geholpen door het feit dat de moslimgemeenschap sterk is verdeeld en verbrokkeld. Die verdeeldheid heeft niet alleen te maken met verschil in nationaliteiten. Er is ook onderscheid tussen moslims uit verschillende landstreken, moslims van het platteland of de stad en tussen verschillende opvattingen en stromingen binnen de islam: soenniet of aleviet, voor of tegen de regering in het land van herkomst, liberaler of orthodoxer. Een werkelijk charismatisch leiderschap zou deze verschillen deels kunnen overbruggen maar het ontbreekt moslims juist grotendeels aan goede, door iedereen vertrouwde leiders. Het onderlinge wantrouwen en de rivaliteit is dan ook groot.

Als moslims uit deze groep een ontmoeting met christenen niet uit de weg gaan, is het vaak omdat men hoopt op hulp bij het bereiken van doelen die voor hen van levensbelang zijn zoals bijvoorbeeld het opzetten en sterk maken van een moskee. Men hoopt dat christenen tenminste enig begrip zullen hebben voor de religieuze behoeften van moslims. Overigens zien veel moskeebezoekers weinig in interreligieuze dialoog. Er heerst vaak een zeker wantrouwen over de doelen van de christelijke gesprekspartners.

Een heel ander sociologisch beeld geeft de groep christenen die erg geïnteresseerd is in interreligieuze dialoog. Het gaat hier meestal om hooggeschoolde, maatschappelijk succesvolle mensen die een redelijke tot grote theologische kennis hebben. Eén van hun motieven om dialoog aan te gaan, is de impuls anderen die minder bedeeld zijn, te helpen. In die zin zien ze zichzelf als ‘Nederlanders’ die behoren bij de meerderheid. Een ander motief is interesse in het geloof van moslims. Dit motief is meer verbonden met het minderheid-zijn dat ze ook als christenen ervaren. Juist omdat de christelijke waarden niet meer vanzelfsprekend zijn, wil men horen hoe anderen over het leven denken. Zo kan de eigen geloofskennis worden verrijkt. Christenen in Nederland willen vanuit hun inclusivistische of pluralistische opvatting in dialoog gaan met moslims. Onder ‘dialoog’ versta ik hierbij een gesprek tussen gelijkwaardige gesprekspartners die zoveel mogelijk aan elkaar recht proberen te doen. Hoe gaat nu in de praktijk een poging tot dialoog tussen deze ongelijke groepen mensen in zijn werk? Meestal nemen de christenen het initiatief. Ze stappen naar een moskee in hun buurt en vragen of ze een avond op bezoek kunnen komen. In het gesprek vertegenwoordigen de christenen in de ogen van de moslims ‘de Nederlandse samenleving’. Ze behoren bij de meerderheid. In hun eigen ogen zijn christenen dat niet zo sterk. Immers, zij zijn ook een minderheid binnen de Nederlandse samenleving.

Het feit dat moslims zich er sterk van bewustzijn dat ze een minderheidsgroep zijn, die hier in gesprek is met de meerderheid, kleurt de manier waarop ze het gesprek voeren. Waar de christelijke gesprekspartners vaak niemand anders vertegenwoordigen dan zichzelf, hebben de bezoekers van de moskee vaak het gevoel, dat ze het gesprek met ‘de kerk’ het beste kunnen laten voeren door hun officiële vertegenwoordigers: de imam en het moskeebestuur. Geen wonder: de imam is de godsdienstexpert; de andere gelovigen weten heel weinig van de officiële islam af en zijn bang voor blunders. De eer van de moskee en de hele islam moet in het gesprek overeind worden gehouden. De imam heeft in zijn theologische opleiding vooral geleerd, hoe men een apologetisch godsdienstgesprek met christenen moet houden.

Het moskeebestuur van zijn kant is verantwoordelijk voor de praktische gang van zaken in de moskee. Hun grote preoccupatie is, hoe ze de
exploitatie van het gebouw rond kunnen krijgen. In de ogen van moskeebestuurders zijn christenen precies de groep Nederlanders, die hen bij hun ruimteproblemen kunnen helpen. Ook christenen hebben gebouwen, ze weten dus hoe je daar aan moet komen. Christenen zouden moslims kunnen helpen bij onderhandelingen met de overheid, het vinden van ruimte en het ondersteunen van moslims tegenover de buurt.

Het is duidelijk dat moslims en christenen vaak met verschillende verwachtingen over hun ontmoeting om een tafel zitten. Christenen willen praten over de geloofsbeleving, de wederzijdse vooroordelen en de samenleving in het algemeen. Moslims willen praten over een aantal van hun specifieke problemen in die samenleving.

Een collega kenschetste een dergelijk gesprek als een onderhandelingsgesprek. Van de moslims uit bekeken moeten ze met de christenen in Nederland onderhandelen. Christenen kunnen dingen gedaan krijgen in de samenleving, die zij niet kunnen. Een onderhandelingsgesprek is in wezen iets anders dan een dialooggesprek. Bij het eerste is immers niet sprake van gelijkwaardigheid van de gespreksparlners. Het is
misschien jammer voor de dialoog dat de maatschappelijke ongelijkheid tussen moslims en christenen in Nederland zo groot is. Het is realistisch om dit onder ogen te zien. Door het te verdoezelen, creëert men een mislukt contact. Christenen vinden dat de moslims hen gebruiken terwijl moslims teleurgesteld zijn dat de christenen niet echt voor hen op willen komen.

Bescheiden verwachtingen

Geslaagde contacten tussen moslims en christenen zijn vooral een kwestie van lange adem en bescheiden wederzijdse verwachtingen. Het kost tijd elkaar te leren kennen en vertrouwen. Als een vertrouwensband bestaat, zijn misverstanden — zoals bijvoorbeeld over de uiteenlopende verwachtingen die christenen en moslims kunnen hebben bij een ontmoeting — gemakkelijker uit de weg te ruimen. Contacten tussen beide religieuze gemeenschappen hebben daarom een betere kans van slagen als in een kerk of moskee mensen actief zijn die al kennissen hebben uit de ‘andere’ groep: ouders die op dezelfde school actief zijn, Nederlandse vrouwen die taalles geven aan Marokkaanse vrouwen, moslims en christenen die elkaars collega zijn op het werk, of mensen die als buren bij elkaar over de vloer komen. Dergelijke informele contacten tussen moslims en christenen zijn er helaas nog maar weinig maar ik heb de indruk dat ze de laatste jaren toenemen. Zo zijn tegenwoordig bijvoorbeeld meer Turkse en Marokkaanse ouders actief bij de school van hun kinderen betrokken dan vroeger. De komende jaren zal door dergelijke
ontwikkelingen het één en ander veranderen in het plaatje van de dialoog dat ik hierboven heb geschetst. Er komt een nieuwe generatie moslims op en dat zal invloed hebben op de dialoog. Jonge moslims hebben een paar jaar geleden de stichting Dialoog in het leven geroepen. Deze heeft als doelstelling het aangaan van de dialoog met mensen van een ander geloof en niet de gehele Nederlandse samenleving. Het is dus niet langer helemaal waar dat initiatieven voor een interreligieuze ontmoeting alleen van christenen afkomstig zijn. Hoe hoger de verwachtingen zijn gespannen bij een eerste ontmoeting, hoe gemakkelijker teleurstelling ontstaat over het feitelijke resultaat. Het is daarom verstandig, de lat niet te hoog te leggen. De wereldvrede zal niet dadelijk uitbreken als mensen van de kerk en de moskee elkaar ontmoeten maar het is al heel wat als mensen die in dezelfde buurt wonen elkaar groeten bij Albert Heijn. Zowel moslims als christenen zullen misschien zeggen: 'we willen liever niet zoveel tijd en energie investeren in een ontmoeting die maar tot zulke magere resultaten leidt.’ Toch denk ik dat het niet niks is als mensen die elkaars buurtgenoten, collega’s of medescholieren zijn, elkaar kennen. Als mensen van verschillende achtergrond zich thuis voelen in elkaars aanwezigheid, helpt dat eventuele conflicten in de toekomst niet te voorkomen maar het maakt het wel gemakkelijker te werken aan eventuele oplossingen.

Gé Speelman is hervormd predikante en verricht aan de Rijksuniversiteit Groningen promotieonderzoek naar de dialoog binnen
christelijk-islamitische huwelijken.

Terug naar het begin van de pagina



In: Contrast, 2000, nr.26, blz.5 Samen bidden voor Kok. Interreligieuze dienst opent politieke jaar

Het zal even wennen zijn. Niet langer zijn het alleen een protestantse dominee en een katholieke pastor die het politieke jaar officieel inwijden met hun gebed. De nationale gebedsdienst, die voorafgaand aan de troonrede wordt gehouden in de statige Grote Kerk in Den Haag, is omgedoopt in een ‘interreligieuze bezinningsbijeenkomst’. Als alles goed gaat, zullen voortaan alle grote religieuze en levensbeschouwelijke stromingen in Nederland hun inbreng krijgen in deze ‘oer-Hollandse’ nationale traditie.
Voor ongelovigen is het wellicht een detail in een lange dag van nationale tradities en conventies. De Haagse Raad voor Levenbeschouwingen en Religies, die het initiatief heeft genomen, verwacht echter heel wat van de bezinningsbijeenkomst-nieuwe-stijl. ‘Het is een belangrijk signaal aan de politiek en aan kerkelijk Nederland’, zegt ds. Jan Ruikema, lid van de Haagse Raad namens de Nederlands Hervormde Kerk. ‘De christelijke kerken zijn tegenwoordig maar één van de vele religieuze en levensbeschouwelijke stromingen die dit land rijk is. Wij hebben gemeend dat dit tot uiting moet komen in de nationale ceremonie op Prinsjesdag. De tijd dat de kerken het alleenrecht hadden op dergelijke nationale tradities is voorbij.’
Sinds de kerkdienst in 1965 werd ingesteld, is deze het beginpunt van de Prinsjesdagceremonie. De minister-president, leden van het kabinet en een groot aantal vooraanstaande politici wonen de dienst gewoontegetrouw bij. Daarna vertrekt men vanuit de Grote Kerk naar de Ridderzaal op het Binnenhof, waar de koningin de troonrede voorleest. De bezinningsbijeenkomst begint dinsdagmorgen om kwart voor tien en duurt 35 minuten.
De gelijkwaardigheid van de vertegenwoordigde stromingen - hindoeïsme, islam, jodendom, christendom en humanisme - wordt onder andere uitgedrukt door het feit dat elke groep exact zeven minuten krijgt om zijn ‘eigen ding’ te doen.
‘Er worden in de kerk vijf podia ingericht’ zegt pandit Surindre Tewarie, namens de hindoegemeenschap lid van de voorbereidingscommissie. ‘Zeven minuten is kort, maar we hebben een mooi programma kunnen samenstellen.’ De ceremonie van de hindoegemeenschap wordt geopend door een twaalfjarige jongen, die op de sitar (een vermaard Indiaas instrument) het Wilhelmus zal spelen. Vervolgens leest de voorzitter van de Landelijke Hindoe-raad een tekst met toelichting uit de Veda’s, de heilige geschriften van de hindoes. ‘Het is een tekst uit de Bhagawat Gita, die gaat over samenwerking tussen mensen’, vertelt de hindoegeestelijke. Een hindoestaans zangkoor besluit het hindoegedeelte met het lied ‘Wij staan vandaag in het donker’.
De moslims hebben ongeveer hetzelfde stramien gekozen, maar de invulling is toch onverwacht. Een twaalfjarig Indonesisch-Nederlands meisje zal het Koranvers ‘Al-Hasjer’ (‘De bijeenkomst’) voorlezen. De Pakistaans-Nederlandse Naeeda Aurangzeb heeft een ‘overweging’ voorbereid, die gaat over de positie van de vluchteling in de Nederlandse samenleving. Een Indonesisch jongerenkoor eindigt met een welkomstlied dat volgens de Koran gezongen werd voor de profeet bij zijn aankomst in Medina, nadat hij uit Mekka moest vluchten.
Mede-organisator Ayyub Mohamedajoeb vindt het niet vreemd dat er geen Turken of Marokkanen deelnemen, zoals men zou verwachten. Er is zelfs geen imam aanwezig. ‘De ceremonie vanuit de moslims is voorbereid door de Stichting Haags Islamitisch Platform. Dat heeft gekozen voor een vrouw om de lezing te houden. Dat verder vooral Indonesische moslims meedoen heeft een zuiver pragmatische achtergrond: met hen bestaat een uitstekende samenwerking. Bovendien doorbreekt dat het clichébeeld dat de islam in Nederland samenvalt met zielige etnische groepen. De islam is een religie, die door alle nationaliteiten heenloopt’, aldus Mohamedajoeb. ‘Maar volgend jaar kunnen andere groepen de ceremonie op zich nemen, als ze willen.’
Namens de joodse gemeenschap zal rabbijn Ruben Bar-Ephraïm een gedeelte over Jesaja uit het Oude Testament reciteren en vertalen. ‘Joden lezen deze profetie op de ochtend van de Grote Verzoendag’, zegt Bar-Ephraim. ‘Hij houdt in dat de verzoening met de Eeuwige niet zozeer plaatsvindt door de ceremoniële offers die we brengen, maar vooral door concrete daden voor onze naasten: het voeden van de zwakkeren en het kleden van wie naakt is.’ Verder is volgens de rabbijn een talmoedische voorzang gepland, die de drie ‘peilers’ van het geloof beschrijft: de dienst voor God, het eerbiedigen van de wet en het doen van onbaatzuchtige daden.
Hoe symbolisch en weinig stoffelijk ook, de bezinningsbijeenkomst valt te zien als een fikse prestatie van de in 1995 opgerichte Haagse Raad voor Levenbeschouwingen en Religies. Aan de Raad wordt deelgenomen door veertien Nederlandse kerken, dertien moskeeën, twee hindoegroepingen, de liberaal-joodse gemeente en het Humanistisch Verbond. De Haagse Raad heeft enkele jaren terug de functie van ‘aanspreekpunt’ voor de politiek namens alle religieuze stromingen overgenomen van de Haagse Gemeenschap van Kerken. Waren voor deze op zich al belangrijke stap jaren van overleg nodig, ook de nationale bezinningsbijeenkomst kwam niet zonder slag of stoot tot stand. ‘Het idee is vier jaar geleden ontstaan tijdens een bijeenkomst op de Haagse Hogeschool over religie in een multiculturele samenleving’, vertelt pandit Tewarie. Diverse werkgroepen zijn vervolgens aan de slag gegaan met het plan voor een nationale bezinningsbijeenkomst.’

Gevoeligheden

Aanvankelijk zou de nieuwe bijeenkomst vorig jaar al plaatsvinden, maar het plan moest voortijdig worden afgeblazen wegens gebrek aan medewerking van diverse kanten. Het initiatief is uiteindelijk ‘unaniem’ onderschreven door alle deelnemers aan de Haagse Raad, benadrukt pandit Tewarie. Maar desgevraagd geeft hij toe, dat vooral een gelijkwaardige vertegenwoordiging van alle religies en de humanisten het belangrijkste struikelblok was. Het was slechts één van de vele gevoeligheden die moesten worden overwonnen. De hindoes lijken daar nog het minst last van te hebben gehad. Tewarie: ‘Toen we het idee pre~enteerden aan vertegenwoordigers van de hindoegemeenschap in Den Haag, zei iedereen: “We willen laten zien dat we er graag bijhoren in Nederland, dus dit moeten we doen.” Binnen de Haagse gemeenschap van Kerken, die de traditionele gebedsdienst altijd verzorgde, moest een behoorlijke weerstand overwonnen worden. ‘Niet iedereen was bereid de gebedsdienst uit handen te geven’, zegt dominee Jan Buikema. Uiteindelijk besloten drie orthodox-protestantse kerken niet mee te doen, en zich te distantiëren van de Raad voor Levensbeschouwingen en Religies. Maar ook binnen de vrjzinniger kerken was de weerstand vorig jaar nog aanzienlijk. Buikema, droogjes: ‘plaats maken voor andere groepen is gemakkelijker gezegd dan gedaan.’ Dat het toch zover is gekomen, is vooral het werk van mensen als Awraham Soetendorp, Jan Buikema, pastor Frans Wüst en enkele andere drijvende krachten achter de Haagse Raad. Al jaren zijn ze bezig in eigen kring de steun voor samenwerking met andere geloofsgemeenschappen te vergroten. De bijdrage van de joodse gemeenschap bleek van bijzonder belang. De bekende rabbijn Soetendorp wordt door menigeen genoemd als niet aflatende en door alle groepen aanvaarde bemiddelaar. Inmiddels heeft dat in joodse kring een interessante discussie opgeleverd, vertelt rabbijn Bar-Ephraïm. ‘Dat joden in Nederland bij ‘allochtone groepen’ worden geschaard, is nieuw. Onze gemeenschap bestaat al driehonderd jaar in Nederland, we zijn in feite de oudste allochtone groep. Velen van ons zijn Nederlandser dat menige Nederlander, maar we hebben tegelijk te maken met sterke culturele invloed vanuit een ander land. En we moeten niet vergeten, dat de joden ook na driehonderd jaar plotseling binnen enkele maanden uit de Nederlandse gemeenschap konden worden gestoten.’
Soetendorp bleef de afgelopen jaren niet alleen hameren op de noodzaak en zin van de interreligi euze bijeenkomst, maar waagde zich met een commissie van de Haagse Raad zelfs aan het zoeken naar liturgische vormen waaraan alle gemeenschappen zouden kunnen deelnemen. Dat er nu vijf verschillende podia zijn ingericht, laat zien dat de deelnemende groepen zover nog niet zijn. Naast het gemeenschappelijke - de zwakkeren in de samenleving - was er echter één traditie waarin alle deelnemers zich konden vinden. Aan het eind van de bijeenkomst, als koningin Beatrix met haar gevolg is verschenen, zullen alle aanwezigen tezamen het Wilhelmus zingen. Pandit Tewarie: ‘Wij voelen ons Nederlanders, dus dat doen we graag.’ Maar Mohamedajoeb houdt het bij netjes opstaan en wellicht wat meeneuriën. ‘Ik heb het niet zo op dat soort massale dingen’, zegt hij diplomatiek. Maar het lijkt er meer op dat, behalve de nationale christeljke gebedsdienst, ook een andere belangrijke traditie aan herziening toe is. Mohamedajoeb: ‘Wilhelmus van Nassauwe ben jk van Duitschen bloed. Dat ik mezelf nou echt helemaal herken in die tekst, kan ik niet zeggen.’

Terug naar het begin van de pagina




Religie.opzijnbest.nl - De beste links over religie voor u verzameld.