JAARTAL - NIEUW - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - Z allochtonen , armoede , bahá'í , bijbeluitleg , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts , fundamentalisme , globalisering en antiglobalisering , hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , islam , jodendom , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , migratie , racisme , samenleving , sikhisme , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen , |
SOS - Schulden op school School zonder schulden. Recepten voor goed en goedkoop onderwijs ISBN: 9044117580 Aantal Pagina's: 115 Status: Verschenen - bestelbaar - leverbaar Prijs: € 13,90 Uitgever : Garant Uitgevers nv
Overzicht van de webpagina's (van deze website) over armoede en onderwijs
WIE geboren wordt in een gezin van laaggeschoolde ouders, blijft (dikwijls) zelf laaggeschoold en zal op zijn beurt laaggeschoolde kinderen hebben. Ook migrantenkinderen hebben het, door het taalprobleem, veel moeilijker. Ons onderwijs bestendigt de ongelijkheid, ondanks alle pogingen om dit te veranderen. Dat is erg, want onderwijs wordt almaar belangrijker. Daarom moeten we ons onderwijssysteem zo aanpassen dat het niet langer werkt als een sociale selectiemachine.
Een Hiva-onderzoek bevestigt dat het mogelijk is om een preventief beleid te voeren voor specifieke doelgroepen. Soms is individuele ondersteuning van leerlingen met leerproblemen nodig. Maar het blijft natuurlijk efficiënter om de problemen te voorkomen. We zijn het niet eens met de CVP die individuele ondersteuning wil uitbreiden tot kinderen met allergische aandoeningen, suikerziekte of tot kinderen van workaholics of ouders met zeer flexibele werktijden. Dit leidt alleen tot versnippering en vermindert de sociale ongelijkheid niet.
Het is veel doeltreffender om extra geld te geven aan scholen die veel kinderen uit sociaal-economisch zwakkere milieus tellen. Daarmee kunnen we voorkomen dat deze kinderen later in hun onderwijsloopbaan problemen krijgen. Pas dan kunnen alle kinderen, en niet alleen de meest getalenteerde, zich maximaal ontplooien.
Zoiets vergt een inspanning van het hele schoolteam. Leerkrachten moeten samen aan dezelfde doelstellingen werken. Ze moeten leren omgaan met individuele verschillen van leerlingen, maar ook met de sociale, etnische en culturele verscheidenheid in onze samenleving. Verschillen moeten we zien als een rijkdom, als iets waarvan we kunnen leren. Daarom moeten scholen erkenning van en respect voor verschillen tot hun norm maken en ze niet trachten uit te vlakken tot een gemiddelde norm.
Oog hebben voor verschillen houdt in dat we niet tolereren dat er concentratiescholen bestaan voor kansarme Vlamingen en migranten, en elitescholen voor een bevoorrecht publiek. Concentratiescholen moeten de middelen krijgen om een gemengder publiek te bereiken. Tegelijk moeten we alles op alles zetten om nieuwe concentratiescholen te vermijden. Scholen die al een sociaal gemengde populatie hebben, moeten we steunen en beschermen omdat zij alle jongeren de beste kansen proberen te bieden. Het zijn de scholen van de toekomst.
We moeten de elitescholen verplichten om hun deuren open te zetten en hun maatschappelijke verantwoordelijkheid te nemen. Ze moeten meer doen dan alleen jongeren van ,,een ander soort volk'' aanvaarden. Ze moeten ze ook actief aantrekken. Doen ze dat niet, dan moet de overheid de middelen die ze in deze scholen investeert, terugschroeven.
Scholen met relatief veel sociaal-economisch
kwetsbare kinderen moeten extra middelen krijgen. In ruil moeten ze vanzelfsprekend
hun aanpak op deze leerlingen afstemmen. Een goed actieplan uitwerken,
is niet voor alle scholen evident. Ze moeten daarin ondersteuning krijgen,
zodat ze deskundigheid opbouwen. En
natuurlijk is zo'n plan alleen niet zaligmakend.
Het mag ook geen subsidiecriterium zijn. Maar de overheid moet de school
wel kunnen beoordelen. De huidige voorgeschreven actieterreinen intercultureel
onderwijs, taalvaardigheid, preventie en aanpak van leer- en ontwikkelingsproblemen,
en betrokkenheid van de ouders zijn nog altijd relevant. Die voorschriften
helpen de scholen bij hun onderwijs aan een kwetsbaar doelpubliek.
Uit het Hiva-onderzoek blijkt dat de sociale
ongelijkheid begint in het basisonderwijs. We moeten ons dus in eerste
instantie daarop richten. De projecten zorgverbreding en onderwijsvoorrangsbeleid
moeten uitgebreid worden. Uit een eerste onderzoek in 1998 bleek dat zorgverbreding
op langere termijn een gunstig effect heeft. Helaas kreeg maar 65 procent
van de basisscholen die voor het afgelopen jaar een aanvraag indienden,
ook middelen uit het budget voor zorgverbreding. Gelukkig besliste de regering
om dit budget op te trekken, zodat in 2004 alle in aanmerking komende scholen
effectief extra middelen ontvangen. Met de nieuwe Hiva-cijfers in het
achterhoofd vinden we dat het budget voor
een gelijkekansenbeleid in het onderwijs sneller moet worden verhoogd.
Preventief optreden betekent ook meer aandacht voor de voorschoolse opvang en het kleuteronderwijs. De Hiva-studie legt een onthutsende leerachterstand in het eerste leerjaar bloot. Veel kinderen beginnen het kleuteronderwijs met een achterstand of lopen daar een achterstand op. Ook hier is dus sprake van ongelijkheid. Dat is geen kwestie van ongelijke deelname -- in Vlaanderen gaan vrijwel alle kleuters naar de kleuterschool -- maar wel van het ongelijke voordeel dat ze uit dat kleuteronderwijs halen.
Het kleuteronderwijs is meer dan opvang. Het bereidt jonge kinderen spelenderwijs voor op het echte onderwijs. Kansarme kleuters worden minder gestimuleerd en hebben meer gezondheidsproblemen. Dat vermindert hun kansen om uit het kleuteronderwijs hetzelfde voordeel te halen als andere kinderen. Om de hardnekkige ongelijkheid in het onderwijs uit te roeien, moeten we stimuleringsprogramma's voor zeer jonge kinderen uit achtergestelde milieus uitbouwen.
Het aantal kleuters per klas verlagen, is daarbij prioritair. Kleuters, zeker uit een kansarm gezin, hebben meer individuele aandacht nodig. Om deze schoolse maatregelen te doen werken, moet een aantal randvoorwaarden vervuld zijn. Zo moeten we de ouders steunen en de leerkrachten beter leren omgaan met kansarmoede. We moeten de scholen meer betrekken bij buurtontwikkeling.
Gelijke kansen in het onderwijs betekent ten slotte ook dat er meer multidisciplinair wordt gewerkt, dat er een oplossing komt voor de nog altijd bestaande financiële drempels en dat we de ongelijkheid verderop in het onderwijs niet uit het oog verliezen. Maar voorkomen blijft beter dan genezen.
Terug naar het begin van de pagina
“Onderwijs bestendigt sociale ongelijkheid!” “Scholen halen te veel hun neus op voor arme leerlingen!” “Leerachterstand is het minste probleem. Je schrikt van de ellende die soms achter zwakke schoolresultaten schuilgaat.” “ Socioloog Koen Pelleriaux onderzocht de kloof in de klas.” De recente krantenbijdragen klagen terecht de sociale ongelijkheid in het onderwijs aan. Maar precies het schoolopbouwwerk dat de kansarmoede bestrijdt en de schoolachterstand wil helpen verkleinen, heeft geen enkele structurele garantie om te blijven bestaan. De Federatie voor de Samenlevingsopbouw (FESO) en het Vlaams Minderhedencentrum (VMC) trekken aan de alarmbel aangezien 103 van de 114 voltijdse schoolopbouwwerkers worden gesubsidieerd met tijdelijke middelen van het Sociaal Impulsfonds (SIF). Wat vooral ontbreekt is het gebrek aan ondersteuning en coaching. De schoolopbouwwerkers zetten meer dan 306 initiatieven op in 39 gemeenten en steden in Vlaanderen en Brussel. Met de heroriëntering van het Sociaal Impulsfonds (SIF) dreigen die tijdelijke projecten en de ondersteuning tussen de mazen van het net te vallen. Wie van de Vlaamse Regering neemt het op voor het schoolopbouwwerk?
Die 114 voltijdse schoolopbouwwerkers zetten in 39 steden en gemeenten in Vlaanderen en Brussel initiatieven op waarin de participatie van autochtone en allochtone kansarme ouders aan het onderwijs centraal staat. Zij staan dicht bij de belevingswereld van deze ouders, ze spreken hen aan in hun eigen taal (Turks, Marokkaans,… ), ze geven informatie op maat over het onderwijs, ze begeleiden Turkse moedergroepen en Marokkaanse vadergroepen en, ze gaan samen met hen naar ouderbijeenkomsten en ze stimuleren kansarme allochtone en autochtone ouders in de spel- en taalontwikkeling. Ze steunen de scholen die de betrokkenheid van de ouders willen verhogen. Kortom, de schoolopbouwwerkers ontwikkelen een rijkdom aan initiatieven om kansarme ouders en kinderen sterker bij het basis en secundair onderwijs te betrekken en ze beïnvloeden de school om meer rekening te houden met de leef- en belevingswereld van deze maatschappelijk achtergestelde ouders.
In de praktijk gaat het waarschijnlijk om meer dan 160 personeelsleden
aangezien heel wat werkers een deeltijdse functie schoolopbouwwerk hebben.
Zij zitten heel vaak in een éénmanspositie en er is heel
weinig tot geen ondersteuning: slechts negen personeelsleden voor coaching
en amper 2.5 voor administratie! Op een kwalitatieve wijze verder werken
en op een continue basis vraagt een serieuze omkadering. Indien de
Vlaamse Regering het schoolopbouwwerk ernstig neemt, dan trekt zij hiervoor
middelen uit bij de begrotingsopmaak.
Een voorzichtige raming brengt het aantal schoolopbouwwerkprojecten
momenteel op minimum 306. De resultaten van de recent verspreide vragenlijsten
geven binnenkort daarover precieze cijfers. Een enquête uit 1993,
uitgevoerd door het vroegere Vlaams centrum voor de integratie van migranten,
inventariseerde 67 projecten onder de noemer schoolopbouwwerk. Dat was
vóór de invoering van het SIF.
Dankzij het Sociaal Impulsfonds kreeg ook het schoolopbouwwerk een flinke impuls. Zo hebben heel wat scholen een beroep kunnen doen op het schoolopbouwwerk als buitenschoolse partner bij het voeren van een onderwijsvoorrangsbeleid. Begin jaren ’90 heeft de Vlaamse regering in het gewone en buitengewone basisonderwijs en in het secundair onderwijs een onderwijsvoorrangsbeleid gevoerd juist om de onderwijsachterstand van kansarme migrantenkinderen tegen te gaan en hun integratie te bevorderen. De school moest zich ook engageren om een (aanwendings)plan op te maken en een samenwerkingsakkoord af te sluiten met een erkende welzijnsinstelling, een integratiecentrum of integratiedienst voor migranten. Later kwam onder meer het zorgverbredingsbeleid erbij waarin het gewoon basisonderwijs werd gestimuleerd om de zorg op te nemen voor leerbedreigde en kansarme kinderen. In de praktijk werden tal van samenwerkingscontracten afgesloten met het schoolopbouwwerk. Vorig schooljaar heeft het schoolopbouwwerk dankzij het SIF met meer dan 220 scholen een samenwerkingsverband of contract gesloten.
Het belang van het schoolopbouwwerk wordt in de verf gezet door diverse
studies over onderwijs en sociale ongelijkheid . Zo bevestigen de recente
studies van het Hoger Instituut voor de Arbeid (HIVA) dat kinderen een
beduidend grotere kans hebben op schoolachterstand naarmate ouders meer
kansarm zijn. Diezelfde studies benadrukken ‘de missing link’ tussen school
en kansarmen.
Bovendien is er een groeiende belangstelling van de socio-culturele
verenigingen van allochtonen voor de onderwijssituatie van hun kinderen.
Ook zij zien de schoolopbouwwerkprojecten als een middel om de kloof te
verkleinen tussen de kansarme ouders en het onderwijs. Uitgerekend het
schoolopbouwwerk is in zijn voortbestaan bedreigd. Redenen genoeg om de
alarmklok te laten weergalmen. De Vlaamse regering maakt binnenkort haar
begroting op en verfijnt de uitgetekende lijnen m.b.t. de heroriëntering
van het SIF. Het Sociaal Impulsfonds wordt geheroriënteerd naar een
beleid voor de centrumsteden, met een uitgesproken voorkeur voor investeringen
in de harde sectoren. FESO en VMC vraagt aan de Vlaamse Regering structurele
garanties voor de continuïteit van de methodiek van het schoolopbouwwerk,
de 114 voltijdse krachten schoolopbouwwerk en vraagt om een volwaardige
uitbouw van de ondersteuning van schoolopbouwwerkers. Armoedebestrijding
is toch een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid van de Vlaamse Regering?
Federatie Samenlevingsopbouw
Vlaams Minderhedencentrum
De Federatie Samenlevingsopbouw is opgericht door VIBOSO en de RISO’s
en behartigt de belangen van het opbouwwerk.
Het Vlaams Minderhedencentrum is het ondersteuningscentrum voor
de integratiecentra en –diensten.
Terug naar het begin van de pagina
Concept en uitwerking: Link Inc bvba
Illustraties: Randall Casaer
Foto: Koen Broos
Vorm: pars pro toto, Cent
Redactie: Mieke Michaux, Bart Demey, Mies Hens,
Tom Morel
Met zeer veel dank aan Villa Kakelbont en Vlabin
vzw
Annie Buellens en de vijfde klas van het Instituut
Heilige Familie in Berchem
Bij dit pakket hoort ook een audio CD - opname in augustus 2001 - Betty Mellaerts las de verhalen voor. De muziek is van ‘Rover, dronkeman’, een theaterstuk geschreven door Bart Moeyaert, geregisseerd door Arlette Van Overvelt en geproduceerd door theater luxemburg.
Inleiding
Wereldwijd verenigen mensen zich om strijd te voeren tegen armoede. De Verenigde Naties erkenden 17 oktober als Werelddag van verzet tegen extreme armoede. Dat verzet begint met een eenvoudige stap: zorgen dat mensen die leven in armoede niet uitgesloten worden Ook kinderen kunnen zo'n stap zetten Het geeft hen een middel in handen om iets te doen tegen armoede. In België leeft ongeveer 6% van de bevolking in extreme armoede Daaronder zijn ook kinderen. Redenen genoeg om het thema armoede en uitsluiting bespreekbaar te maken in het basisonderwijs. Maar hoe breng je zo'n thema dan in de klas? Met dit verhalenproject willen we je hierbij helpen. Hier kan je lezen hoe je, als leerkracht, kinderen wegwijs kan maken in een gevoelig thema als armoede en uitsluiting zonder hen op te zadelen met ‘er is toch niets aan te doen'.
We kozen er voor om met jeugdverhalen te werken
Verhalen beklijven beter dan een opsomming of weergave van de feiten. We
hebben vijf jeugdverhalen geselecteerd, rekening houdend met de mogelijkheden
van de kinderen uit de laatste graad van het basisonderwijs. Sommige verhalen
zijn ook geschikt voor kinderen uit de vierde klas. Met de oudste leeftijdsgroepen
als motor kan de ganse school bij dit project betrokken worden. Deze verhalen
zijn
fragmenten uit levensverhalen van kinderen die
leven in armoede. Iedereen kan er zich gemakkelijk mee identificeren.
Alle kinderen hebben ideeën over hoe een huis gezellig gemaakt kan worden, hoe ze gehecht zijn aan bepaalde spullen, hoe ze soms ‘uitgesloten' worden,... Ook bij mensen die in armoede leven komen die thema’s terug. Maar binnen hun omgeving is de confrontatie tussen wens en realiteit veel groter.
We kiezen ervoor om met de verhalen als hefboom, rond het thema een projectweek op te zetten en niet zomaar losstaande activiteiten aan te bieden. De bedoeling van dit project is dat de kinderen kunnen kennismaken met “armoede en uitsluiting’ Door samen te werken aan een concreet project maken de kinderen, ook bij zichzelf, kennis met deze facetten van het leven. In de loop van het project zullen de kinderen niet alleen meer te weten komen over het thema ‘armoede en uitsluiting’. Het pakket is erop gericht dat de kinderen het ook op zichzelf betrekken. Hel wil ze laten nadenken over de verschillende aspecten van armoede
Tegelijkertijd wordt het thema uitgespit en in een breder kader geplaatst.
Deze brochure bestaat uit drie delen. In het eerste deel vind je de verhalen. In het tweede deel de uitgewerkte projectweek En in het laatste deel hebben we geprobeerd om aan de hand van vragen van kinderen zelf antwoorden te geven over het thema armoede en uitsluiting. Het is voor jou als leerkracht een hulpmiddel om het thema te leren kennen en een antwoord te kunnen geven op de meest gestelde vragen
In het project zit een gestructureerde opbouw Het
eerste verhaal geeft een algemene introductie op het thema. De andere verhalen
gaan stuk voor stuk in op meer specifieke elementen. Voor elk verhaal zijn
er ook creatieve verwerkingen opgenomen Daarmee kan je het verhaal verder
uitdiepen Het resultaat daarvan kan je gebruiken in een toonmoment. Zo'n
moment biedt de mogelijkheid om de ouders, de directie, de collega's, de
leerlingen of anderen het resultaat van de projectweek te laten zien.
We kiezen voor een toonmoment omdat het de expressie
is van individuele belevingen en ervaringen Door deze belevingen naar buiten
te brengen, vertellen de kinderen meer dan wat ze 'weten' of 'geleerd hebben'.
Ze vertellen ook hoe het hen geraakt heeft, wat het met hen gedaan heeft.
Ze maken hun eigen verhaal over armoede en uitsluiting.
We zorgden ervoor dat deze brochure aansluit
bij de eindtermen en de leergebieden in de derde graad van het basisonderwijs
De specifieke doelstellingen die we met dit project
willen verwezenlijken zijn:
- kinderen laten stilstaan bij het beeld dat ze
van 'arme mensen' hebben,
- kinderen laten stilstaan bij het feit dat armoede
bestaat ook in hun eigen omgeving,
- kinderen laten zien dat achter de uiterlijke
verschillen die er tussen hen en armen misshien zijn vaak dezelfde emoties,
ideeën en beweegredenen schuilen
We vertaalden deze doelstellingen in activiteiten die aansluiten bij de eindtermen van verschillende leergebieden zoals muzische vorming (drama, media, beeld, muziek) Nederlands, wereldoriëntatie en de leergebiedenoverschrijdende eindtermen zoals leren leren en sociale vaardigheden.
Dit pakket kan je bestellen bij een van onderstaande bewegingen.
Beweging van mensen met laag inkomen en kinderen
vzw
Huis van de Mensenrechten
Nieuwebosstraat 3, 9000 Gent
tel.: 09/221 12 15 - fax 09/233 10 63
http://www.armenaanhetwoord.be
De Beweging richt zich tot de mensen die van generatie
op generatie in armoede leven. Vanuit getuigenissen van deze gezinnen,
worden concrete voorstellen geformuleerd tot structurele verbeteringen
in het beleid.
ATD Vierde Wereld België vzw
Victor Jacobslaan 12, 1040 Brussel
tel.: 02/647 92 25 - fax 02/640 73 84
Tapori schept vriendschap tussen kinderen van
alle alkomst. Indien jullie meer info wensen over Tapori of willen vertellen
wat jullie doen tegen armoede en uitsluiting richt je dan tot een van bovenstaande
adressen of
http://www tapori.org
Terug naar het begin van de pagina
- In onze samenleving zijn er nog altijd kinderen
die opgroeien in armoede. Kinderen die vanuit een sociaal kwetsbare positie
vertrekken, hebben het vaak erg moeilijk.
- Werken met deze kinderen stelt scholen voor
nieuwe uitdagingen.
Hoe maak je van deze uitdagingen leerkansen? Welzijnszorg
wil samen met de school werken aan kansen voor deze kinderen. Want eIk
kind heeft het recht om zich thuis te voelen op school en er te kunnen
ontplooien.
Woorden zoeken in de eigen praktijk
Hoe ontwikkelen we een schoolbeleid waarin de dynamische
wisselwerking tussen school, ouders, kinderen en hun omgeving centraal
staat? Hoe houdt het pedagogisch project rekening met de diversiteit aan
kinderen. Hoe krijgen we zicht op de leefwereld van de kinderen? Hoe gaan
we om met materiële en financiële drempels. Hoe verlopen de informele
en formele contacten met de ouders ? Hoe zorgen we ervoor dat alle leerlingen
optimale leerkansen krijgen?
Samen met het schoolteam zoekt Welzijnszorg antwoorden
op deze en andere vragen.
We vertrekken vanuit de concrete situatie van
iedere school en bouwen hier op voort. De directie en het schoolteam bepalen
de thema’s of werkpunten.
De doelstellingen op een rij:
1. Samen met het schoolteam thuiskomen in de thematiek
van armoede en sociale uitsluiting.
2. Het schoolteam ondersteunen in de permanente
aandacht voor armoede en sociale uitsluiting in de onderwijspraktijk en
het schoolleven o.a. door het aanbieden van ‘good practice’ voorbeelden..
3. De leerkrachten toerusten met didactisch materiaal
om de kennis van armoede bij leerlingen en het inzicht in sociale uitsluiting
te vergroten.
4. Het schoolteam begeleiden in het proces om
—met eigen middelen en mogelijkheden- sociale uitsluiting om te keren.
Dit door evaluatie en bijsturing van de scholenwerking en de klassenpraktijk.
5. Het schoolteam ondersteunen door hen in contact
te brengen met lokale organisaties en instanties die hen op vlak van sociale
integratie en armoedebestrijding kunnen ondersteunen.
Hoe werken we precies:
- Het project is gericht op de lokale schoolpraktijk,
we kiezen bijgevolg
voor een teamgerichte aanpak.
- Die teamgerichte benadering bestaat uit vier
sessies, waaronder een
intake en een opvolgingssessie. De andere sessies
kunnen plaatsvinden op een pedagogische studiedag of een personeelsvergadering.
- Schooloverstijgende sessies kunnen een beperkt
onderdeel zijn van dit naschollngsproject.
Wie komt in aanmerking?
Alle basisscholen (zowel uit stedelijke als meer landelijke gebieden) die werken met kinderen uit arme gezinnen, met vluchtelingenkinderen, met kinderen uit allochtone gezinnen, met kinderen uit sociaal-kwetsbare situaties,...
Dit project is een samenwerkingsverband tussen de vzw Nascholing in het Katholiek Onderwijs en Welzijnszorg, vzw.
Voor meer informatie:
Welzijnszorg vzw
Monique De Dobbeleer
Huidevettersstraat 165
1000 Brussel
Tel. 02/502.55.75
Fax 02/502.5 8.09
moniquededobbeleer@welzljnszorg.be.
Voor inschrijving:
Dienst Nascholing Katholiek Onderwijs
Guimardstraat 1
1040 Brussel
Tel. 02/507.07.85 Fax 02/511.68.39
nascholing@vsko.be.
Terug naar het begin van de pagina
Bibliografie en nuttige adressen. Kansarmoede en onderwijs: http://www.clb-net.be/caleidoscoop/inhouden/inhouden10/art10_2_44.html