Over kansarmoede, onderwijs en maatschappelijk werk


WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA)
websitenaam : http://users.telenet.be/arseen.de.kesel/ . http://levensbeschouwing.info/ . http://www.levensbeschouwing.info/ .
http://www.bijbelleerhuis.be (zie bijbel)
Nieuwe website : http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm
- STARTPAGINA - AGENDA - BIJ DE HAND - NIEUW - OVERZICHT -  TIJDSCHRIFTEN -
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES :
JAARTAL - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z
HOOFDTHEMA'S : allochtonen , armoede , bahá'íbijbel , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts ( Vlaams Blok ) , fundamentalisme , globalisering en antiglobalisering ,  hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , islam , jodendom , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , migratie , mystiek , racisme , samenleving , sikhisme , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen ,
- Eigen-zinnige beschouwingen - Het kleine of grote ongenoegen -

armoede: armoededeskundige, armoede, welzijn en welvaartarmoede en onderwijsBroederlijk Delen en Welzijnszorg, hoog- en laaggeschooldenkansarmoede, onderwijs en maatschappelijk werk, organisaties in verband met armoede

Voorwoord - Inhoud - Inleiding - Voorstelling stageplaats - HOOFDSTUK 1: kansarmoede en onderwijs: huidige situatie HOOFDSTUK 2: knelpunten voor kansarmen in het onderwijs HOOFDSTUK 3: suggesties  Algemeen besluit en Bibliografie

DE KESEL Ruth - Eindproef 2001 - Maatschappelijk Werk -

ARM IS NIET DOM  Over kansarmoede, onderwijs en maatschappelijk werk

KATHOLIEKE HOGESCHOOL LEUVEN
Departement Sociale School Heverlee
Groeneweg 151
3001 LEUVEN - HEVERLEE


VOORWOORD

Zonder de ondersteuning, de medewerking en de informatie van een heel aantal mensen had ik mijn eindwerk nooit tot dit resultaat kunnen brengen. Daarom wil ik hier deze mensen oprecht bedanken.

Eerst en vooral wil ik de mensen van De Schutting bedanken, zowel de gasten als de teamleden. De ervaringen die ik dankzij hen heb opgedaan, zullen me nog lang bij blijven. Ook waren zij misschien een onrechtreekse maar zeer gunstige voedingsbodem voor dit eindwerk. Bedankt!

Vervolgens wil ik alle mensen bedanken die tijd hebben gemaakt om een gesprek met mij te hebben over dit onderwerp, zowel formeel als informeel. 't Zijn een beetje te veel mensen om op te sommen, maar alleszins: bedankt!

Ook wil ik de mensen bedanken die mij heel wat schriftelijke informatie konden bezorgen, namelijk mijn vader en Lieve Proost. Ook zij die de moeite deden om mijn eindwerk na te lezen. Bedankt!

Dan wil ik mijn supervisor Ann Van Wijnsberghe bedanken voor de begeleiding doorheen het derde jaar en het richting geven aan mijn eindwerk. Bedankt!

Last but not least wil ik mijn stagebegeleider Jo Geysen bedanken. Hij bracht me heel wat inzichten bij, al dan niet over het onderwerp van mijn eindwerk. Bedankt!

Terug naar het begin van de pagina


INHOUD

VOORWOORD 2

INHOUD 3

INLEIDING 5

VOORSTELLING STAGEPLAATS 8
1 Doelpubliek 8
2 Doelstelling 8
3  Werking 9
3.1 INDIVIDUELE BEGELEIDING 9
3.2 GROEPSASPECT 10

HOOFDSTUK 1: kansarmoede en onderwijs: huidige situatie 11
Inleiding 11
1.1 Kansarmoede en generatiearmoede 11
1.1.1 Definitie van kansarmoede en generatiearmoede 12
1.1.2 De kringloop van kansarmoede 13
1.1.3 Praktijkvoorbeeld 15
1.2 Het onderwijs en de aandacht voor kansarmen 16
1.2.1 De school 17
1.2.1.1 Huidige onderwijsbeleid en genomen initiatieven t.a.v. kansarmen 17
1.2.1.2 Mensen uit het werkveld aan het woord 18
1.2.2 Het CLB Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.
1.2.2.1 Werking van het CLB 21
1.2.2.2 Mensen uit het werkveld aan het woord 22
1.2.3 Het Schoolopbouwwerk (SOW) 24
1.2.3.1 Werking van het Schoolopbouwwerk 24
1.2.3.2 Mensen uit het werkveld aan het woord 25
1.2.4 Welzijnscentra voor kansarmen 27
1.2.4.1 Werking 27
1.2.4.2 Mensen uit het werkveld aan het woord 27
Besluit 31

HOOFDSTUK 2: knelpunten voor kansarmen in het onderwijs 33
Inleiding 33
2.1 Ongelijke kansen 34
2.1.1 Geldgebrek 36
2.1.1.1 Het onderwijs is niet kosteloos! 36
2.1.1.2 Huisvesting 37
2.1.1.3 Gezondheid 37
2.1.1.4 Kleding 38
2.1.1.5 Voeding 38
2.1.2 Culturele verschillen 39
2.1.2.1 Andere omgangsvormen 39
2.1.2.2 Andere levensstijl 40
2.1.2.3 Andere opvoedinggewoonten 41
2.1.2.4 Ander taalgebruik 41
2.1.3 Praktijkvoorbeeld 42
2.2 Ongelijke behandeling 43
2.2.1 Vooroordelen 43
2.2.2 Het voordeel van een gunstige schoolbinding 44
2.2.3 Het nadeel van een ongunstige schoolbinding 44
2.2.4 Praktijkvoorbeeld 45
2.3 Ongelijke resultaten 46

HOOFDSTUK 3: suggesties 48
Inleiding 48
3.1 Gelijke kansen 49
3.1.1 Suggesties voor het onderwijs 49
3.1.1.1 Financieel startkapitaal van kansarmen verhogen ofwel studiekosten van het onderwijs verlagen 49
3.1.1.2 Geïntegreerd gelijke kansenbeleid 49
3.1.1.3 Samenwerking met welzijnssector 51
3.1.2 Suggesties voor de welzijnssector 51
3.1.2.1 Cultureel startkapitaal verhogen (ondersteunende functie) 51
3.1.2.2 Bekendmaking van de welzijnscentra aan de scholen (signaalfunctie) 52
3.2 Gelijke behandeling 53
3.2.1 Suggesties voor het onderwijs 53
3.2.1.1 Aandacht voor marginale groepen en bekendmaking van de sociale kaart in lerarenopleiding 53
3.2.1.2 Een groene leerkracht in de school 54
3.2.1.3 Inclusief onderwijs 54
3.2.2 Suggesties voor de welzijnssector 55
3.2.2.1 informatieverstrekking bij begeleidingen (brugfunctie) 55
3.2.2.2 Bereidheid tot samenwerking bij de scholen vergroten (brugfunctie) 55
3.2.2.3 Pedagogische vorming van leerkrachten (signaalfunctie en ondersteunende functie) 56
3.3 Gelijke resultaten 56

ALGEMEEN BESLUIT 57

BIBLIOGRAFIE 58

Terug naar het begin van de pagina


INLEIDING

Kansarmoede

Kansarmoede, generatiearmoede, marginale groepen, vierde wereld mensen, achtergestelden … allemaal begrippen voor mensen die uit de boot vallen in onze maatschappij. Zij worden geconfronteerd met een hele waaier van problemen waar zij het gevoel hebben machteloos tegenover te staan. In plaats van steun krijgen zij vanuit de maatschappij vaak verwijten te horen, waardoor zij nog dieper in de put geraken.

Tijdens mijn stage kwam ik in contact met kansarme mensen die het vaak moeilijk hadden om het hoofd boven water te houden. Bijna allemaal kenden zij al moeilijkheden vanaf hun jeugdjaren: de ene had het thuis moeilijk en werd geplaatst; de andere trok met de 'verkeerde' vrienden op; nog iemand anders werd uitgestoten op school; … zij waren allen erg kwetsbaar om in de kringloop van kansarmoede terecht te komen, waar zij uiteindelijk ook in verzeild zijn geraakt.

Hoe komt het dat kansarme mensen keer op keer en vaak ook generatie op generatie geconfronteerd worden met het feit dat ze niet mee tellen, dat ze minder kansen hebben dan anderen? Hoe komt het dat ze er niet in slagen om uit deze kringloop van kansarmoede te geraken? Ik vroeg me af wie of wat de oorzaak kon zijn van deze onrechtvaardigheid. De ouders die hun kinderen niet goed opvoeden? Het OCMW die deze mensen te weinig geld geeft? De bedrijven die deze mensen niet als werknemers willen aannemen omdat ze geen diploma hebben? De huiseigenaars die aan mensen soms veel geld vragen voor een armzalige woning? Het onderwijs dat kansarme kinderen stigmatiseert als dom en doorverwijst naar het Bijzonder Onderwijs? …

Geen van deze is dé oorzaak van kansarmoede, maar ook geen van deze is niet de oorzaak van kansarmoede. Kansarmoede, generatiearmoede of welk van bovenstaande termen ook gebruikt wordt, is een maatschappelijk probleem. Kansarme mensen worden keer op keer uitgestoten door onze maatschappij en dit op verschillende levensdomeinen (huisvesting, gezondheid, werkgelegenheid, onderwijs, welzijn…).

Kansarmoede en onderwijs

Doordat kansarmen op alle levensdomeinen met problemen geconfronteerd worden, is het erg moeilijk voor hen om uit dit kluwen van achterstelling te geraken en om dit niet van generatie op generatie door te geven. Kinderen die geboren worden in een kansarm gezin worden immers van meet af aan geconfronteerd met een hele waaier van problemen, hetgeen hen reeds in hun prille levensjaren tekent. Met minder financiële en culturele bagage dan andere kinderen komen zij in het onderwijs terecht, meteen hun eerste contact met de maatschappij. Hierbij komt nog dat kennis en diploma de meest belangrijkste aspecten zijn in onze maatschappij.

Omdat opleiding zo 'n belangrijke rol speelt, komen kansarme kinderen ook meteen met dat domein van de samenleving in contact waarin ze zich zullen moeten waarmaken. Het is immers bepalend voor de rest van hun leven. Zij moeten bewijzen wat ze in hun mars hebben. Ze moeten goed studeren, een diploma behalen en veel geld verdienen. Maar hoe kunnen zij zich bewijzen en een diploma halen als ze niet hetzelfde startkapitaal hebben als de andere kinderen? Zij hebben hierdoor minder kansen, maar toch wordt van hen verwacht dat er dezelfde resultaten komen. Deze komen er vaak niet, hetgeen logisch is. Maar dit wordt als een tekortkoming van deze kinderen gezien. Daardoor worden kansarme kinderen al van jongs af aan vaak (letterlijk) aan de kant gezet, waardoor al een deel van hun verder leven bepaald wordt. Het onderwijs is niet dé oorzaak van kansarmoede, maar zij speelt wel net als de andere domeinen een zeer belangrijke rol in het al dan niet doorbreken van de kringloop van kansarmoede.

Met kinderen zelf ben ik niet vaak in contact gekomen tijdens mijn stage. Enerzijds omdat er niet veel mensen zijn die kinderen (op dit moment bij hen) hebben, anderzijds omdat De Schutting vooral de volwassenen wil begeleiden zodat zij zich gesteund voelen, o.a. in de opvoeding van hun kinderen (zie voorstelling stageplaats). De kinderen worden in de begeleiding zeker niet vergeten: zij worden opgenomen in de begeleidingsgesprekken en wanneer zij problemen hebben, wordt er samen gezocht naar oplossingen.
Het feit dat ik tijdens mijn stage weinig in contact ben gekomen met kansarme kinderen en met het onderwijs, doet misschien de vraag rijzen waarom ik mijn eindwerk dan toch maak over kansarmoede en het onderwijs (en maatschappelijk werk). Het doelpubliek op mijn stageplaats bestaat misschien niet uit kansarme kinderen maar wel uit kansarmen, mensen die steeds weer achtergesteld worden. Vanuit mijn ervaring met hen vond ik het belangrijk dat er gekeken werd naar één van de factoren in de maatschappij die hen achterstelt of kansen geeft: het onderwijs. Ik heb het onderwijs gekozen omdat dit de eerste en misschien meest belangrijke maatschappelijke instelling is waarmee (kansarme) kinderen in contact komen en het bijgevolg een belangrijke rol speelt in de verdere loopbaan van deze mensen doorheen de maatschappelijke instellingen.

Kansarmoede, onderwijs en maatschappelijk werk…

Ik ben me er van bewust dat het onderwijs reeds een zware taak te vervullen heeft en dat het niet gemakkelijk moet zijn om oog te hebben voor alle achterliggende problemen en noden van elk kind. Daarom schrijf ik dit eindwerk ook als maatschappelijk assistente en niet als onderwijzeres. Ik vind dat het onderwijs meer aandacht moet besteden aan kansarmoede, maar dat het moet ondersteund worden door het welzijnswerk (Centrum voor Leerlingbegeleiden -CLB-, schoolopbouwwerk, welzijnscentra,...). Daarom vind ik het erg belangrijk dat maatschappelijk werkers weet hebben van de situatie en de knelpunten van kansarmen in het onderwijs, zodat zij hierop kunnen inspelen.
Maatschappelijk werkers hebben immers een belangrijke brugfunctie te vervullen tussen de school en kansarme gezinnen. Voor leerkrachten is het dikwijls moeilijk zicht te krijgen op de situatie waarin deze mensen verkeren en voor kansarmen is het vaak niet gemakkelijk te weten wat de gewoonten en verwachtingen zijn van het onderwijs, wat leidt tot misverstanden en wederzijds onbegrip. Maatschappelijk werkers kunnen vanuit hun ervaring aan het onderwijs aangeven wat de problemen, vragen en verwachtingen van kansarmen zijn en vanuit hun eigen ervaring de kenmerken, verwachtingen en gewoonten van het onderwijs aan kansarmen meedelen.

Arm is niet dom; over kansarmoede, onderwijs en maatschappelijk werk

In dit eindwerk wil ik de huidige situatie van kansarmen in het onderwijs bekijken(hoofdstuk 1), vervolgens wil ik dieper ingaan op de bestaande knelpunten voor kansarmen in het onderwijs (hoofdstuk 2) om vervolgens over te gaan tot suggesties voor mogelijke oplossingen die zowel naar het onderwijs als het welzijnswerk gericht zijn (hoofdstuk 3). Eerst zal ik mijn stageplaats voorstellen, aangezien dit nodig is wil men een beter zicht krijgen op de reeds vermelde motivatie waarvan ik vertrek om over dit onderwerp mijn eindwerk te maken.

Omwille van het feit dat ik op mijn stageplaats niet veel in contact ben gekomen met kinderen, zijn er niet veel concrete praktijkvoorbeelden in dit eindwerk. Ik ben wel met een tiental personen gaan praten die op de één of andere manier in contact komen met kansarmoede en onderwijs.

Terug naar het begin van de pagina


VOORSTELLING STAGEPLAATS

1 Doelpubliek

De Schutting is een centrum Beschut Wonen voor thuislozen in Brussel. Er kunnen zowel alleenstaande mannen of vrouwen, koppels als gezinnen terecht. Gemiddeld zijn er zo ’n vijftigtal mensen  verbonden met De Schutting.
Deze mensen komen dikwijls uit een onthaalhuis zoals Albatros , Open Deur  of een andere dienst, van waaruit zij vrijwillig een aanvraag doen om door De Schutting begeleid te worden in hun stap naar het zelfstandig wonen. De overgang van een onthaalhuis naar volledige zelfstandigheid is namelijk meestal te groot. Zij hebben nood aan  ondersteuning, een vangnet, waarin zij worden opgevangen wanneer het hen te veel wordt of wanneer zij zelf ondervinden dat zij hervallen in hun vroegere situatie.

Thuislozen worden in de volksmond dikwijls verwisseld/gelijkgesteld met daklozen, wat onterecht is. Thuisloosheid is ruimer dan dakloosheid, wat inhoudt dat deze mensen, behalve het soms ontbreken van een dak boven hun hoofd, te maken hebben met heel wat meer en over het algemeen dieperliggende problemen. Zij hebben dikwijls een schrijnend verleden achter de rug, wat hun leven vandaag de dag nog altijd sterk tekent. Een gebrek aan een positief zelfbeeld speelt hen parten. Ze hebben te kampen met innerlijke onrust. Ze slagen er dikwijls niet in een stabiele vertrouwensrelatie op te bouwen, omdat zij dit nooit geleerd hebben van huis uit. Geborgenheid, steun en vertrouwen zijn waarden die ze in hun thuissituatie hebben moeten missen.

2 Doelstelling

De Schutting wil dan ook in de eerste plaats een ‘thuishaven’ voor deze mensen zijn, waar ze geaccepteerd worden zoals ze zijn, met zowel hun positieve als negatieve kanten. De persoonlijkheid van elk individu wordt er gerespecteerd. Zij zullen zo ondervinden dat zij  niet afgewezen worden wanneer zij het moeilijk hebben en dit ook uiten, wat in het verleden dikwijls gebeurd is. Het is de bedoeling dat zij zichzelf kunnen zijn in De Schutting, zoals je dat ook in een normale thuissituatie kan.

Ten tweede wil de Schutting ook schadebeperkend optreden, wat inhoudt dat men de mensen gaat begeleiden in hun handelingen, zodat zij niet telkens opnieuw gekwetst worden en tegen de lamp lopen. Men zal proberen ervoor te zorgen dat deze mensen niet hervallen in de oude gewoonten (drinken, gokken, rondzwerven, diefstal…) bij de overgang van het veilige onthaalhuis naar de harde en reële maatschappij. Hierbij moet wel de opmerking gemaakt worden dat de begeleider enkel functioneert als co–piloot. Hij mag wel de richting aangeven en wijzen op de mogelijke gevolgen, maar de cliënt heeft nog altijd zelf het stuur in handen. Wanneer hij/ zij een beslissing neemt, is het aan de begeleider om te volgen, ook al is diens mening anders. De cliënt draagt nog altijd zelf de verantwoordelijkheid.

3  Werking

In De Schutting wordt er zowel belang gehecht aan de individuele begeleiding als aan het groepsaspect.

3.1 INDIVIDUELE BEGELEIDING

De Schutting biedt ‘woonbegeleiding op maat’.

‘Woonbegeleiding’ houdt in dat men deze mensen individueel gaat bijstaan om zich te handhaven in de maatschappij. De mensen die tot De Schutting behoren, wonen in een appartement of een kamer , maar slagen er niet altijd in om alles zelfstandig te regelen. Zij worden dus bijgestaan door hun persoonlijke begeleider. De bewoners hebben minstens één maal per week contact met hun begeleider, waarin zij vertellen hoe het met hen gaat en waarin zij  samen stappen ondernemen om eventuele problemen op te lossen. Dit kan gaan van het opstarten van een rechtsprocedure tot het kopen van een nieuwe jas.
Deze gesprekken vinden in De Schutting of bij de cliënt thuis plaats. De begeleider komt dus ook in de woning van de cliënt om een beter beeld te krijgen van de leefsituatie en de behoeften van de cliënt. Men voelt zich dikwijls ook beter in zijn/haar vertrouwde omgeving. De gesprekken hebben ook regelmatig in De Schutting plaats om de contacten tussen de bewoners te bevorderen en om hen een beetje een ‘thuisgevoel’ te geven. De Schutting is namelijk erg huiselijk ingericht en elke bewoner kan binnenvallen wanneer hij of zij maar wil. Alle bewoners zijn door alle teamleden gekend dus kan men, behalve de persoonlijke begeleider, ook op de andere leden van het team terugvallen.

In De Schutting kan er zowel aan budgetbegeleiding, administratieve ondersteuning als aan psychosociale begeleiding gedaan worden.

Budgetbegeleiding: vele bewoners hebben moeite om hun geldzaken zelf te regelen, zeker als er schulden bij te pas komen. De ondersteuning houdt in dat men samen gaat plannen hoe men met het geld gaat omgaan. Men houdt rekening met het stapsgewijs uitgroeien naar een zo groot mogelijke zelfstandigheid.

Administratieve begeleiding: de begeleider zal samen met de bewoner een weg proberen te zoeken doorheen het ingewikkelde administratieve systeem in België, ook met oog op een zo groot mogelijke zelfstandigheid.

Psychosociale begeleiding: door het nogal complexe verleden hebben vele bewoners het moeilijk met zichzelf en is hun zelfvertrouwen erg klein. In deze begeleiding is het de bedoeling hen te laten ervaren dat zij wél iets waard zijn en hun te bevestigen in hun ‘mens zijn’. Als de bewoner in de hulpverleningsrelatie een deugddoende relatie kan ervaren, dan kan dit voor hem of haar een verrijking betekenen.

Deze begeleiding gebeurt dus ‘op maat’. Dit wil zeggen dat men rekening houdt met de persoonlijkheid en de noden van elk individu afzonderlijk. Elke bewoner heeft immers persoonlijke verwachtingen, mogelijkheden, vragen, …

3.2 GROEPSASPECT

Er worden groepsactiviteiten georganiseerd om het sociaal contact te onderhouden. De kennissenkring van de bewoners is meestal niet zo groot en de familiebanden zijn dikwijls verbroken. Daarom is het fijn een groep te hebben waarop men kan terugvallen, waar men deel van uitmaakt. De maandelijkse ‘Gezellige Avond’ is een voorbeeld van zo 'n groepsactiviteit. Er wordt dan een quiz, een avond in Mexicaans thema, een gezelschapsspelenronde… georganiseerd. Ook gaat men twee keer per jaar op vakantie voor een paar dagen. Men viert ook telkens de verjaardagen. Op al deze activiteiten is iedereen uitgenodigd, maar de mensen zijn nooit verplicht om te komen.
De Schutting is elke weekdag open van 9 u ‘s morgens tot 20 u ‘s avonds. Men heeft dan de kans om een tas koffie te drinken, de krant te lezen, TV te kijken, een babbeltje te doen…  Het fijne is dat er altijd wel iemand is met wie men eventjes kan praten, hetzij iemand van het team, hetzij een andere bewoner. Als een bekend gezicht vraagt hoe het met je gaat, doet dat altijd wel deugd. ‘s Middags en ‘s avonds kan men tegen een kleine vergoeding blijven eten. Het eten wordt klaargemaakt door één van de vele vrijwilligers op wie De Schutting kan rekenen.

Terug naar het begin van de pagina


HOOFDSTUK 1: kansarmoede en onderwijs: huidige situatie

Inleiding

Voor mensen die niet dikwijls in contact komen met kansarmen is het vaak erg moeilijk om vat te krijgen op de situatie waarin deze mensen verkeren. Dikwijls wordt er gedacht en gesproken in termen van: 'waarom doen ze niets aan hun situatie? Waarom zoeken ze geen werk zodat ze kunnen sparen voor een (grotere) woning en gezonde voeding? Waarom stimuleren ze hun kinderen niet om langer naar school te gaan en interesseren ze zich niet in hetgeen er op school gebeurt, ze komen immers (bijna) nooit naar oudervergaderingen? Als ze dit alles zouden doen zouden ze tenminste uit die kringloop geraken…' Maar zo gemakkelijk is het allemaal niet. Als het dat wel was, zouden deze mensen al lang uit hun hachelijke situatie zijn. Helaas reikt het probleem van generatiearmoede verder dan louter zichtbare omstandigheden…

Ik vind het belangrijk om in dit eerste hoofdstuk dieper in te gaan op enerzijds (de kringloop van) generatiearmoede en anderzijds op de aandacht hiervoor in het onderwijs. Het is nodig een duidelijk beeld te krijgen van de huidige situatie vooraleer ik de knelpunten voor kansarmen in het onderwijs bekijk (hoofdstuk 2), om van daaruit oplossingen te gaan zoeken (hoofdstuk 3). Dit eerste hoofdstuk is relevant voor de maatschappelijk werk(st)er in die zin dat hij/zij besef krijgt van de grote invloed die de school heeft.

In het eerste deel van dit hoofdstuk zal ik ingaan op de begrippen kansarmoede en generatiearmoede. Na deze gedefinieerd te hebben, zal ik me toespitsen op de kringloop van de generatiearmoede. Ik zal dit deel besluiten met een voorbeeld uit de praktijk.

In het tweede deel van dit hoofdstuk zal ik het onderwijs onder de loep nemen, en dan meer specifiek haar aandacht voor kansarmoede. Ik zal enkele personen van instellingen die zich op pedagogisch vlak bezighouden met het integreren van kansarme kinderen in de samenleving zelf aan het woord laten. Ik laat hier de stem van de school, het CLB, het schoolopbouwwerk en de welzijnscentra horen.

Ik zal dus de situatie van kansarmen en de kijk van het onderwijs op kansarmen beschrijven om zo de wederzijdse aandacht tegenover elkaar te stellen.

1.1 Kansarmoede en generatiearmoede

De meeste mensen onder ons hebben het financieel wel goed: een mooie, verwarmde woning,  een gewaardeerde job die geld in het laatje brengt, een auto, elke dag vers brood, minstens één computer in huis,... kortom niets om over te klagen. Hierdoor zijn we, zonder het te beseffen, ook maatschappelijk aanvaard. Maar wat als het anders is? Wat als je wordt geboren in een gezin dat het niet zo goed heeft? Wat als je ouders hebt die moeten leven van een bestaansminimum, waardoor je in een bouwvallige woning leeft waar het koud is en die veel te klein is? Wat als je zelden verse groenten en vlees krijgt te eten omdat dat veel te duur is, waardoor je dikwijls ziek wordt? En wat als je altijd tweedehands kleren aan moet trekken waardoor je uitgelachen wordt? Dan ben je de pineut, dan heb je pech gehad!
Maar hoe kan je opgroeien tot een persoon die aanvaard wordt in onze ‘maatschappij van welvaart’, als je van kleins af aan zo weinig kansen hebt gehad? Iedereen aanziet jou al als mislukkeling nog voordat je je hebt kunnen bewijzen. Maar je moet hen wel geloven en je gaat je inderdaad minderwaardig en klein voelen. Je wordt uitgesloten en hebt de kracht niet om aan deze uitsluiting te ontsnappen. Net als je ouders slaag jij er ook niet in om goed te studeren, om een gewaardeerde, goed verdienende job te hebben, om een mooie woning te kopen, om je kinderen gezond en voldoende eten voor te schotelen, om hen sociale vaardigheden te leren ...
Je zit in een kringloop van sociale uitsluiting. Je bent kansarm, je vader was het en je kinderen zullen het zijn. En je wil hier wel aan ontsnappen, je wilt het zoveel beter voor je kinderen, maar hoe? Je voelt je zo zwak, zo alleen en je kent geen manieren om tegen dit onrecht in te gaan...

1.1.1 Definitie van kansarmoede en generatiearmoede

Kansarmoede wordt door Jan Vranken e.a. gedefinieerd als 'een netwerk van sociale uitsluitingen dat zich uitstrekt over meerdere gebieden van het individuele en collectieve bestaan. Het scheidt de armen van de algemeen aanvaarde leefpatronen van de samenleving. Deze kloof kunnen ze niet op eigen kracht overbruggen.'.

Kind & Gezin beschrijft kansarmoede als 'een toestand waarbij mensen beknopt worden in hun kansen om voldoende deel te hebben aan maatschappelijk hooggewaardeerde goederen zoals onderwijs, arbeid, huisvesting. Het gaat hierbij niet om een eenmalig feit, maar om een duurzame toestand die zich voordoet  op verschillende terreinen, zowel materiële als immateriële. Hun werk en financiële situatie, hun woonsituatie, hun gezin en de huishouding, hun gezondheidstoestand, hun positie in de samenleving en hun persoonlijkheid verschillen in sterke mate van de grootste groep mensen binnen onze samenleving.'

Generatiearmoede is een vorm van kansarmoede waarin mensen generatie na generatie geboren worden in een kansarm gezin. Zij worden van zeer jong geconfronteerd met een heel aantal problemen en slagen er niet in om de kringloop te doorbreken. Generatiearmen verschillen met nieuwe armen, zij die door één of andere plotse gebeurtenis in de armoede geraken, in die zin dat ze geen mechanismen hebben aangeleerd om zich te verzetten tegen hun onrechtvaardige situatie.

1.1.2 De kringloop van kansarmoede

Hoe komt het dat mensen die in een kansarm gezin geboren worden er niet in slagen om zelf een goed en probleemloos leven op te bouwen? Op het eerste zicht kan het te wijten zijn aan de tekortkomingen van het gezin of de persoon zelf. De beginkwaliteit is minder groot, waardoor men zich moeilijker kan handhaven in de samenleving…

Nochtans is het zo dat zij wél proberen te leven zoals anderen. Ouders proberen hun kinderen goed op te voeden en hen te stimuleren om goed te leren. Kinderen willen net als andere kinderen goede punten halen, maar doordat zij telkens weer stoten op enerzijds de grenzen van hun eigen kunnen én anderzijds op de stigmatiserende houding van de samenleving, worden zij beknot in hun kansen, en worden, net als hun ouders, kansarm.

Het machteloze en onzekere gevoel, dat kansarmen maar al te vaak hebben, zorgt ervoor dat de sociale omgang met personen en instellingen dikwijls geblokkeerd wordt. Zij drukken zich moeilijk uit of reageren erg agressief als het hen allemaal te veel wordt. Hierdoor worden zij door de samenleving vaak gezien als raar, onaangepast en moeilijk. Zo worden zij ook dikwijls benaderd. Wat meestal niet gezien wordt, is dat deze mensen een erg hard verleden achter de rug hebben, dat zij nooit ver gekomen zijn met een vriendelijk gedrag en dat hun vertrouwen al zo dikwijls geschonden is.

Wat wel gezien wordt is dat zij zich op een manier gedragen die niet past in onze maatschappij, waardoor ze in de marginaliteit blijven zitten. En hier begint de contradictie: pas vanaf het moment dat kansarmen zich op een manier gedragen die in de samenleving past, worden ze niet meer uitgestoten. Van de maatschappij krijgen zij dan ook de boodschap dat ze zich moeten aanpassen door te gaan werken, door op hun hygiëne te letten, door vriendelijk te zijn… maar hoe moeten ze zich aanpassen als ze geen financiële middelen, geen stimulansen in het onderwijs, geen steun, geen erkenning voor hun pijn… krijgen? Hoe moeten zij zich integreren in een maatschappij die hen keer op keer uitstoot?

De theorie van de maatschappelijke kwetsbaarheid  ontkent het belang van de individuele en gezinskenmerken niet, maar beklemtoont dat dit niet zozeer de oorzaken dan wel de gevolgen zijn van negatieve ervaringen met maatschappelijke instellingen. Om dit duidelijk te maken, zal ik hier het traject dat een persoon, geboren in een kansarm gezin, in heel zijn leven doorheen maatschappelijke instellingen kan doorlopen, overnemen dat Lode Walgrave en Nicole Vettenburg in een schema goten.

Individueel traject doorheen maatschappelijke instellingen

kinderen met OUDERS die                       1
- een ongunstige maatschappelijke loopbaan meemaken,
- in arme omstandigheden leven
- en dus ongunstige perspectieven hebben
- een 'onaangepast' opvoedingsmodel

Wonend in BUURTEN met           2
- goedkope maar oncomfortabele woningen
- en een niet structurerend, noch stimulerend milieu aanbieden
- een 'sociale verliezers' -cultuur en - lotgenoten

Slecht voorbereid en begeleid, riskeren     3
ze op SCHOOL een negatieve loopbaan
- ze missen de nodige kwalificaties
- ze ontwikkelen geen sociale bindingen
- ze worden gestigmatiseerd
waardoor ze
- een ongunstig zelfbeeld krijgen
- en een ongunstig perspectief ontwikkelen

Zo gekwetst, zoeken ze compenserende   4
ervaringen, die ze bij leeftijd- en LOTGENOTEN vinden door:
- een ontwaarden van maatschappij
- een 'omgekeerd' zelfwaardegevoel
- psychosociale verrechtvaardigingen
en technische vaardigheden voor delinquentie

Het risico van contacten met         5
JUSTITIE wordt groter,
wat kan leiden tot meer
frequente en voortdurende delinquentie    inbegrepen
        - stigmatisering
        - nog meer ongunstige maatschappelijke perspectieven

Dat maakt hen kwetsbaar   6
op de ARBEIDSMARKT:
- werkloosheid, losse jobs
- lage inkomsten,
- geen prestige

Zo worden ze zelf        7
GEZINSHOOFDEN van
- ongunstige maatschappelijke loopbaan
- levend in arme omstandigheden    Wonend in BUURTEN
          met……. enzovoort…….

Korte samenvatting: kinderen geboren in een kansarm gezin (1) en wonend in een achtergestelde buurt (2), lopen achterstand op in hun ontwikkeling. Hierdoor zijn ze minder aangepast aan de school, waardoor ze minder kansen krijgen (3) . Ze ontwikkelen een ongunstig zelfbeeld en minder perspectieven. Ze vinden steun bij lotgenoten, met wie ze zich afzetten tegen de onrechtvaardige maatschappij (4). Dikwijls komen ze in contact met het gerecht (5). Door hun slechte schoolresultaten komen ze veelal in de werkloosheid terecht (6) Hierdoor hebben ze een laag inkomen en kunnen ze zich slechts een goedkope, ongezonde woning aanschaffen (7). Ze krijgen op hun beurt kinderen die in een kansarm gezin geboren worden…

De theorie van de maatschappelijke kwetsbaarheid gaat ervan uit dat ouders minder bekwaam zijn omdat ze een negatief verleden achter de rug hebben, de kinderen kunnen moeilijker volgen in de school omdat zij in zo 'n gezin leven en omdat de school niet aangepast is… met andere woorden men ziet hun levenswijze en gedrag als een gevolg en minder als oorzaak.

1.1.3 Praktijkvoorbeeld

Elab is een man van midden in de dertig. Hij heeft twee dochters, Ara (13 jaar) en Magdalena (10 jaar), die hij als alleenstaande zo goed mogelijk probeert op te voeden. Toch zijn er dikwijls moeilijkheden. Elab wordt al een aantal jaren begeleid door De Schutting, waar hij in verschillende levensdomeinen ondersteund wordt. Ik wil hier in het kort zijn levensverhaal schetsen om aan te duiden hoe de kringloop van  kansarmoede stand houdt en dat er altijd wel een reden is voor het gedrag van mensen.

Elab is van Marokkaanse afkomst. Toen hij twee jaar was kwam hij met zijn gezin naar België, waar zijn vader een job kreeg bij de Lijn en zijn moeder thuis bleef.
Net zoals de andere vier kinderen ging Elab naar de lagere school en naar de Koranschool. Hij was een goede leerling en begon dan ook aan de Latijnse in het eerste middelbaar. Zijn vader verwachtte erg veel van hem. Wanneer Elab niet aan de verwachtingen voldeed, kreeg hij slaag. Zijn moeder had niet veel te zeggen: de vader heeft immers de dominante positie.

In zijn puberteit kreeg Elab het moeilijk: hij werd heen en weer geslingerd tussen de Westerse cultuur die eiste dat hij zich aanpaste en de Marokkaanse cultuur (zijn vader), die wilde dat hij zich onderwierp aan de traditionele gewoonten. Het werd ondraaglijk voor Elab. In het eerste middelbaar werd hij van school gestuurd, maar hij schreef zichzelf in een andere school in. Hij trok meer en meer op met de jongens van de buurt en kwam zo met drugs in contact. Toen hij 14 jaar was, werd hij door de jeugdrechter in een instelling geplaatst. Hij volgde houtbewerking op school, maar voltooide zijn opleiding niet, waardoor hij geen diploma behaalde. Toen hij 17 jaar was, liep hij weg uit de instelling. Hij ging naar huis, maar mocht niet meer binnen van zijn vader.

Elab zwierf wat rond. Hij geraakte moeilijk aan werk aangezien hij geen diploma had. Hij had een vriendin, met wie hij op een kleine studio ging wonen. Toen hij 22 jaar was, werd zijn eerste dochter, Ara geboren. Een paar jaar later volgde Magdalena. Het liep echter moeilijk tussen Elab en zijn vriendin, zodat zij op een dag vertrok.

Nu wil Elab dat zijn kinderen het beter hebben dan hij het heeft gehad. Hij wil dat ze goed studeren zodat ze een diploma behalen. Ara zit in het tweede middelbaar en deed het tot nu toe goed op school, maar Elab vindt dat het beter kan. Hij legt een enorme druk op haar, waardoor het voor Ara erg zwaar wordt. Doordat hij, en bijgevolg ook zij, er zo verkrampt mee bezig zijn, dreigt de vrees werkelijkheid te worden: Ara gelooft niet meer in zichzelf, ze doet minder haar best en behaalt minder goede punten. Ze heeft het gevoel niets te betekenen voor haar vader, behalve als ze goede punten haalt …  Het gevaar bestaat dat ze haar jaar moet overdoen. Op school krijgt ze vaak te horen dat ze zich meer moet inzetten, waardoor ze nog meer het gevoel heeft dat er niemand in haar gelooft en haar begrijpt, zodat ze alles maar laat hangen. Op deze manier dreigt ze dezelfde weg op te gaan als haar vader…

1.2 Het onderwijs en de aandacht voor kansarmen

Kansarme kinderen gaan net als andere kinderen naar school. Zij hebben net als andere kinderen het recht en de plicht om te leren en zij krijgen in principe net dezelfde mogelijkheden aangereikt om een diploma te halen. Toch blijkt dat heel wat kinderen uit lagere sociale milieus sneller doorstromen naar het Bijzonder Onderwijs, vaker hun jaar moeten overdoen en over het algemeen een lager diploma behalen dan hun collega 's van een hogere sociale afkomst (zie 2.3) .

De structuur van het onderwijs, de visie van de school en de persoonlijkheid van de leerkracht spelen elk een belangrijke rol in de omgang met leerlingen, en dus ook in de omgang met kansarme leerlingen. Zij zorgen er mede voor dat kansarme kinderen al dan niet opgenomen worden in de maatschappij. Het is wel zo dat dit onderwijs, de school en de leerkracht producten van de samenleving zijn en dat zij bijgevolg ook niet zonder invloed van de maatschappij bestaan. Maar aan de andere kant produceren zij ook: door de aanpak, visie, openheid, (positieve) discriminatie… van het onderwijs, de school en de leerkracht, worden mensen gevormd. Naast kennisoverdracht, speelt het onderwijs in dat opzicht een zeer belangrijke rol in onze samenleving. Vandaar is het belangrijk om de structuur van het onderwijs, de visie van de school en de persoonlijkheid van de leerkracht even van dichterbij te bekijken.

In dit deel zal ik het hebben over het huidige onderwijs en de aandacht voor kansarmen. Aangezien het onderwijs geen geïsoleerde institutie is, maar door de samenleving beïnvloed en (be)geleid wordt, komen er ook een aantal diensten, die met de school en met kansarmen in contact komen, aan het woord.

Als eerste komt de school aan bod, vervolgens het CLB, dan het schoolopbouwwerk en als laatste de welzijncentra die met kansarmen werken. Ik heb telkens met één of enkele personen van  de vier verschillende instellingen gesproken en zal de visie die zij vanuit hun werking hebben (op kansarmoede) hier neerschrijven . Eerst zal ik telkens de huidige algemene werking naar voren brengen.

1.2.1 De school

1.2.1.1 Huidige onderwijsbeleid en genomen initiatieven t.a.v. kansarmen

Elke school die aan een aantal voorwaarden voldoet, ontvangt van de overheid een basisfinanciering (lestijden, werkingsmiddelen, nascholingsbudget…). Sommige scholen worden echter geconfronteerd met bijzonder grote groepen leerlingen die moeilijk de vooraf bepaalde eindtermen kunnen behalen. Deze scholen krijgen tijdelijk en voorwaardelijk bijkomende middelen. Scholen moeten zelf aangeven wat ze met die extra financiering gaan doen om aan de speciale onderwijsbehoeften van de leerlingen tegemoet te komen. Op deze wijze zijn er tal van initiatieven ontstaan.

Ik zal in het kort die initiatieven bespreken die betrekking hebben op kansarme leerlingen (hiernaast zijn er dus ook nog initiatieven voor andere doelgroepen, vb. allochtonen, anderstalige nieuwkomers, kinderen van rondreizende beroepsgroepen…). In hoofdstuk 3 (suggesties) komen de krachtlijnen van een geïntegreerd gelijke kansenbeleid, het nieuwe beleidsplan van de huidige minister van onderwijs Marleen Vanderpoorten, aan bod.

· Het zorgverbredingsbeleid

"Het project zorgverbreding bestaat sinds het schooljaar 1993-1994 en onderging reeds verschillende wijzigingen zowel met betrekking tot de doelgroep als de inhoud. Algemeen wil het zorgverbredingsbeleid een impuls geven aan het gewoon basisonderwijs om de zorg voor leerbedreigde en kansarme kinderen te verbeteren. Het bestaat uit een vijftal pijlers: een programma om de taalvaardigheid te stimuleren, ICO (intercultureel onderwijs), sociale ontwikkeling, oudercontact en preventie voor leermogelijkheden. De inspanningen van de scholen moeten leiden tot een preventief, begeleidend en remediërend proces waarbij de hele persoonlijkheid van het kind uitgangspunt is. Het is de bedoeling een onderwijspraktijk uit te bouwen die ook rekening houdt met de taalachtergrond en de sociale en culturele verscheidenheid van de leerlingen."

· Het project secundaire scholen met bijzondere noden

"Het project secundaire scholen met bijzondere noden heeft tot doel secundaire scholen te ondersteunen bij de pedagogische en sociale opvang van leerlingen met problemen die een gevolg zijn van kansarmoede-situaties en/of risicogedrag. Het schooljaar 2000-2001 is een experimenteel jaar waarbij een beperkt aantal scholen met bijzondere noden extra personeel krijgen om leerlingen te begeleiden en op te volgen."

· Het Voorrangsbeleid Brussel

"Nederlandstalige basisscholen uit het Brussels Hoofdstedelijk Gewest die beschikken over een goedgekeurd aanwendingsplan voor onderwijsvoorrang  of zorgverbreding kunnen deelnemen aan het sinds 1999-2000 gestart Voorrangsbeleid in Brussel.  Het Voorrangsbeleid Brussel heeft tot doel: 1. een verhoging van de professionaliteit van de leerkrachten om leer- en ontwikkelingsachterstanden bij leerlingen te verkleinen; 2. een optimalisering van de samenwerking en coördinatie tussen de verschillende onderwijsparticipanten; 3. een vergroting van het coördinerend vermogen van de scholen."

· Het project Aansluiting en Maatschappelijke Differentiatie

"Omwille van het feit dat de pas afgestudeerde leerkrachten over onvoldoende kennis en vaardigheden beschikken om met de voorgaande onderwijsinnovaties om te gaan, loopt sinds het academiejaar 1999-2000 een project in acht hogescholen met een lerarenopleiding. In een meerjarenplan (3 jaar) omschrijven de hogescholen de belangrijkste knelpunten binnen de lerarenopleiding inzake de professionalisering van de opleiding rond de actieterreinen van het innovatiebeleid, de reeds ondernomen acties, geplande acties en hun evaluatie. Ook worden extra inspanningen gevraagd inzake instroom en doorstroom van allochtone en kansarme autochtone studenten binnen de lerarenopleiding."

· Projecten inzake de controle op het regelmatig schoolbezoek

"De nieuwe regelgeving waarin het spijbelpreventieproject resulteerde, spoort scholen aan om afwezigheidsproblemen zeer precies in kaart te brengen en met het centrum voor leerlingenbegeleiding aan detectie van achterliggende problemen en probleemoplossend te werken. Ze is gericht op communicatie met jongeren en ouders om problemen op te lossen en definitief afhaken te voorkomen. Spijbelgedrag is immers vaak een signaal voor een ruimere achterliggende problematiek van kansarmoede. Uitgebreide gegevensanalyses tonen een sterk verband aan tussen afwezigheidsproblemen en schoolse vertraging, maar ook met falen in het voorbije schooljaar en schoolwisselingen."

1.2.1.2 Mensen uit het werkveld aan het woord

Omdat de school een maatschappelijke instelling is waar er heel wat verschillen zijn, zowel qua niveau (lager onderwijs, BLO, secundair onderwijs: ASO, TSO, BSO, BUSO…) als qua functie (leraar, directeur, opvoeder, conciërge…) als qua visie (vb. leraar is vriend, controleur, opvoeder, wetenschapper…), heb ik er voor gekozen om een gesprek te voeren met een aantal mensen. die werken op verschillende scholen en een verschillende functie hebben. Eerst laat ik Benny Lansens, leraar en beleidsondersteuner van de basisschool in Kiewit aan het woord. Vervolgens is het de beurt aan Hans Stevens, leraar in een BLO-school in Beringen. Dan volgt Werner Blarincx, opvoeder in de middenschool en het internaat van een ASO- school in Hasselt. En als laatste is er nog een korte opmerking van Pascal Michiels, laatstejaarsstudent binnen lerarenopleiding.

· Gesprek met een leraar en beleidsondersteuner in het basisonderwijs

Benny Lansens was tot vorig jaar leraar in de basisschool De Kievit in Kiewit-Hasselt. Sinds september 2000 is hij ook beleidsondersteuner (met een pedagogische verantwoordelijkheid).

"In onze school komt er geen echt zichtbare kansarmoede voor. Over 't algemeen zitten hier kinderen van een vrij hoge sociale klasse. Veel kinderen van de wijk van Kiewit gaan naar het rijksonderwijs o.w.v. de hoge kostprijs van onze school.

Er komt wel verdoken kansarmoede voor, dit zowel op financieel als psycho-sociaal (verwaarloosde en verwende kinderen) vlak. Officieus worden er dingen gedaan voor deze kinderen; zo wordt bijvoorbeeld de schoolreis of het middageten betaald. Soms gebeurt dit op hun vraag, soms komt het initiatief van ons. Wij worden ook vaak ingelicht door de lokale armenbeweging Sint-Vincentius. Het is jammer dat dit dikwijls uitdraait op willekeur.

Kansarme kinderen komen vaak aandacht tekort. Kinderen die er raar uitzien en raar spreken worden meer gepest. Het is moeilijk (ook voor leerkrachten) om van kinderen die kansarm zijn te houden: zij zijn dikwijls lastig, vuil, stout… De visie van onze school is echter dat er aandacht moet zijn voor elk kind. Kinderen die het moeilijk hebben, moeten extra voorgetrokken worden. Wanneer echter de situatie zowel voor de leerkracht als voor het kind te lastig wordt, wordt er samen met de ouders en het CLB gekeken hoe de situatie kan verbeteren. Wanneer het in de klas en thuis niet goed blijft lopen, kan het zijn dat de Jeugdbescherming ingeroepen wordt.

Dikwijls is er in het onderwijs te weinig of geen kennis van het pedagogische aspect. Vooral veel oudere leerkrachten zijn van mening dat ze in de school enkel les moeten geven en voor de rest geen functie hebben. Langzaam besteden we meer en meer aandacht aan het pedagogische en aan de sociale vaardigheden. Zo hebben we zeven jaar geleden ook Zorgverbreding in de school gebracht. Concreet willen we de zorg verbreden bij de leerkracht, opdat deze dit weer doorgeeft aan de kinderen. Ook werken we vanaf de kleuterschool met de Axenroos en met het kind-volgsysteem van welbevinden, betrokkenheid en competenties van Ferre Laevers. We gaan ervan uit dat kinderen die zich goed voelen, ook beter leren."

· Gesprek met een leraar in het BLO

Hans geeft les in Buitengewoon Lager Onderwijs De Brug in Beringen. In deze school zijn er enkel type 1- (licht mentaal gehandicapten) en type 8-(kinderen met een leerstoornis) leerlingen. Er zijn een 350-tal leerlingen, waarvan een groot percentage migranten. Er werken een 65-tal mensen op deze school, waaronder gewone leerkrachten, paramedici, BLIO-leerkrachten (bijzondere leerkracht voor individueel onderwijs) BLIOM-leerkrachten (voor migranten), een psycholoog, een maatschappelijk assistente….

"In onze school wordt er heel wat aandacht besteed aan de ondersteuning van de leerling: (de slogan is … geloven in de mogelijkheden van ieder kind)
- De psycholoog praat met de kinderen over de thuissituatie. Ze begeleidt ook een groepje van zes leerlingen die het erg moeilijk hebben met sociale contacten.
- Er is een praatgroep van ouders die maandelijks samenkomt om over een bepaald onderwerp, relevant voor de ouders, te praten. Dit onder begeleiding van psycholoog en maatschappelijk assistente.
- Er is een werkgroep ouderwerking waarin leerkrachten samen met mensen van het CLB kijken naar wat ze kunnen doen om de ouders beter te bereiken.
- Het CLB doet huisbezoeken en volgt de schoolverlaters op (cel oriëntering)
De meeste leerlingen stromen door naar het BSO en het BUSO, enkelen komen terecht in het TSO.

Er is een groot aantal kansarme kinderen in de school. Zij worden op financieel vlak gesteund (de uitstappen worden bijvoorbeeld betaald door het oudercomité). Voor andere problemen worden deze kinderen doorverwezen naar het CLB. In eerste instantie werkt de school hieraan, in samenwerking met het CLB. Nadien neemt het CLB dan contact met andere instanties indien nodig. In het begin van het schooljaar gaan de leerkrachten op huisbezoek waardoor zij een zicht krijgen op de situatie thuis.

Ik tracht alle kinderen op een zelfde manier te benaderen. Elke leerling heeft een dossier zodat de thuissituatie voor mij wel duidelijker wordt indien nodig, maar ik probeer elk kind te zien als persoon met eigen mogelijkheden en beperkingen. Ik vind het belangrijk dat ze aandacht krijgen voor hun specifiek probleem en ben daarom voorstander van het gescheiden houden van leerlingen die om gelijk welke reden minder goed mee kunnen in het Lager Onderwijs. In het gewone onderwijs krijgen zij dikwijls heel wat minder aandacht en geraken zo nog meer achter(gesteld). De groepsdruk is hier enorm groot en die verdwijnt nagenoeg in het Buitengewoon onderwijs. Er wordt ook te veel vanuit gegaan dat deze leerlingen zelf niets kunnen en om die reden wordt er dikwijls op een betuttelde manier met hen omgegaan. Zo is het later voor hen nog moeilijker om te overleven in de 'wereld van volwassenen'. Daarom wil ik hen zelf laten nadenken door in te spelen op hun leefwereld en dit door middel van groepswerk, leren omgaan met verantwoordelijkheden, werken aan zelfstandigheid, …

· Gesprek met een opvoeder

Werner Blarincx is opvoeder van beroep en werkt halftijds in het secretariaat van de Middenschool en halftijds in het internaat, beiden in de ASO-school Kindsheid Jesu in Hasselt.

" Er zijn heel wat problemen onder de jeugd, volgens mij. En ook kansarmoede komt zeker voor! Wanneer blijkt dat er financiële problemen zijn, gaan de directeur en het CLB samen zitten en worden de betalingen meestal kwijtgescholden.

In de school is er ook een Cel Leerlingenbegeleiding. Wanneer er problemen zijn, meldt deze cel dit aan het CLB. Deze gemelde problemen komen van de leerkrachten die  meldingen doen aan het secretariaat (vb. leerling is dikwijls te laat, geeft brutale reacties, is vaak niet in orde met huistaken…) of als resultaten uit het spijbelproject. Dit is een project waarin elke aanwezigheid gecontroleerd wordt: wanneer een leerling regelmatig te laat is, wordt het nagecheckt en wordt er naar de ouders gebeld. Wanneer de ouders ongewoon reageren, wordt het CLB ingeschakeld.
De Cel Leerlingenbegeleiding komt één maal per maand samen en bekijkt dan ofde problemen doorgegeven moeten worden aan het CLB. Via deze weg ontdekt men dikwijls dat er heel wat problemen zijn in het gezin (kansarmoede, misbruik, ouders die hun kind niet meer de baas kunnen, pesterijen op school). Het CLB volgt de situatie verder op en houdt de leerkrachten via klassenraden op de hoogte.

Ik vind het  heel belangrijk dat er aandacht besteed wordt aan de problemen die de reden kunnen zijn van een lastig gedrag. Heel wat leerkrachten zien enkel de moeilijke kant van het kind en stellen zich over het algemeen streng en bestraffend op. Soms is dit nodig, maar meestal is het beter te weten wat er achter die brutale toon en dat agressieve gedrag zit. Eigenlijk zou er in elke school iemand moeten zijn die er speciaal voor de leerlingen is, iemand waarbij ze met allerhande problemen terechtkunnen."

· Opmerking van student in opleiding

Pascal Michiels zit in zijn laatste jaar lerarenopleiding in de Normaalschool in Hasselt

"Wij krijgen in onze opleiding geen of zeer weinig informatie over kansarmoede of over andere marginale groepen. Ik vind het wel jammer want 't zou goed zijn moest er meer begrip getoond worden voor de situatie van deze mensen. Ook over de welzijnssector leren wij weinig/niets."

1.2.2 Het CLB

1.2.2.1 Werking van het CLB

"Naast de leeropdracht die scholen ontegensprekelijk hebben, moeten ze leerlingen ook begeleiden in hun totale ontwikkeling als individu in de samenleving. Voor deze taak kunnen scholen een beroep doen op een centrum voor leerlingenbegeleiding (CLB).

Vanaf 1 september 2000 vervangt het CLB het vroegere psycho-medisch sociaal centrum (PMS) en het centrum voor medisch schooltoezicht (MST). Een naamsverandering luidt meteen ook een vernieuwde aanpak in, waarbij de leerling nog meer het centraal uitgangspunt wordt.

De belangrijkste pijlers van de vernieuwde werking zijn:
- goede afspraken met scholen, leerlingen en ouders en deze schriftelijk vastleggen;
- grotendeels vraaggestuurd werken;
- leerlingen, ouders en scholen een kwaliteitsvolle dienstverlening aanbieden;
- werken met bekwame en goed opgeleide personeelsleden

Het CLB speelt ook een belangrijke rol bij de contacten tussen de school en de welzijns- en gezondheidsinstellingen."

1.2.2.2 Mensen uit het werkveld aan het woord

Ik had een gesprek met twee maatschappelijke assistenten, één uit het vrij CLB regio Hasselt en één uit het vrij CLB Pieter Brueghel in Brussel. Uit de gesprekken wordt duidelijk hoe anders de situatie van kansarmen in Hasselt (Limburg) en in Brussel (grootstad) is en dat dit de visie en de werking van de CLB 's erg beïnvloedt.

· Vrij CLB regio Hasselt

In het vrij CLB regio Hasselt, gevestigd in de gebouwen van de school Kindsheid Jesu te Hasselt, had ik een gesprek met Jo Quintens. Jo is een maatschappelijk assistente en werkt vooral met leerlingen uit het Buitengewoon Onderwijs. Samen met een andere maatschappelijke assistente is ze verantwoordelijk voor de begeleiding van 1500 kinderen uit vijf verschillende scholen.

" Ik kom weinig in contact met echte zware kansarmoede. Ik denk dat dit in Hasselt en in Limburg in het algemeen minder voorkomt dan in grootsteden, zoals Brussel of Antwerpen. Mensen hebben hier immers nog een sociale omkadering. In het Buitengewoon Onderwijs zijn er wel meer 'sociale gevallen', maar deze zijn niet zo zwaar en worden goed opgevangen.

Soms kom ik toch wel in contact met kansarme kinderen. Voorbeelden van deze  kansarmoede zijn kinderen van woonwagenbewoners of van mensen die geen werk hebben, klein behuisd zijn, minder begaafd zijn en op een primitieve manier met elkaar omgaan. De kinderen kennen dikwijls geen structuur en zijn net als hun ouders verstandelijk achter.
Ik vind dit erg, maar het is ook belangrijk dit te relativeren. Deze mensen weten immers niet beter en de kinderen zijn trouwens toch de hele dag op school, waarom dan onmiddellijk naar de Jeugdbescherming lopen?

Sommige leerkrachten gaan op een goede manier met deze kinderen om, anderen tonen vaak hun onbegrip. Wanneer er problemen zijn, telefoneren de leerkrachten meestal naar de ouders. Ze gaan niet vaak langs bij de kinderen thuis. Ik vind dat het beter zou zijn moest men op huisbezoek gaan, dan zouden ze misschien meer begrip krijgen voor de situatie waarin de kinderen zich bevinden. Ouders krijgen dikwijls brieven of de opdracht om iets te schrijven, maar deze ouders kunnen vaak niet lezen of schrijven.

Het voordeel van het Buitengewoon Onderwijs is dat de kinderen individueel benaderd worden. Ongeveer 25% van de BLO stroomt door naar het ASO. Dit zijn dan vooral type 8 leerlingen.

Het is onze taak om aan scholen inzicht te geven in de probleemsituaties, zodat ze zich aanpassen. Het is minder de bedoeling om aan het kind te werken. Wel worden de ouders regelmatig geholpen in het brengen van structuur in de opvoeding van hun kinderen. Het CLB heeft in dit verband contact met het OCMW.

Er wordt dikwijls met onbegrip gereageerd op kansarme kinderen. Zelfs een aantal van mijn collega 's hebben vaak geen respect voor de situatie waarin de kansarme mensen zich bevinden en voor de manier waarop ze hun kinderen opvoeden. Net als sommige leerkrachten en directeurs van scholen vragen zij zich af waarom de maatschappelijk assistenten niks doen aan de situatie en niet hardhandig optreden. Wij trachten de wederzijdse verhouding te verbeteren, wat niet gemakkelijk is."

· Vrij CLB Pieter Brueghel in Brussel

Ilse Vangrundielbeek werkt sinds het begin van dit jaar halftijds als maatschappelijk assistente in het vrij CLB Pieter Brueghel in Brussel en halftijds als schoolopbouwwerkster in het schoolopbouwwerkinitiatief Impuls (zie verder). Vanuit het CLB richt zij zich tot kleuterscholen en lagere scholen

"In de meeste scholen in Brussel zitten zeer veel verschillende culturen samen. Er zijn heel wat 'zwarte scholen' of concentratiescholen, waar alle migrantenjongeren maar ook kansarme autochtone kinderen samenkomen. In deze (kleuter- en lagere) scholen loopt de communicatie erg moeilijk; de taal vormt immers een groot probleem! Hoewel het Nederlandstalige scholen zijn, is het publiek anderstalig (Turks, Marokkaans, Russisch, Chinees…) en is de tweede taal over het algemeen Frans. Uitsluitend Nederlands spreken, zoals de officiële regel is, is onmogelijk. Het niveau in deze scholen zakt door het taalprobleem, waardoor zij een grote achterstand hebben wanneer zij in het middelbaar terechtkomen. Veel kinderen worden doorverwezen naar het Bijzonder Onderwijs, maar het is moeilijk om  weten of deze kinderen daar echt thuis horen. Het onderscheid tussen taalproblemen en leermoeilijkheden is immers moeilijk te maken. Ook hebben deze kinderen minder structuur, wat moeilijkheden geeft in zo 'n gestructureerde instelling als de school.

Ik volg vier scholen: twee in Schaarbeek, één in Etterbeek en één in St-Pieters Woluwe. In de scholen ondersteunen we de leerkrachten en directies in het Multi Disciplinair Overleg (MDO). Hiernaast volgen wij natuurlijk de leerlingen die leerproblemen en/of psycho-sociale problemen hebben. Na de verandering van het PMS naar het CLB proberen we meer vraaggericht te werken. Ook proberen wij de schoolloopbaan van de leerlingen in de gaten te houden. Bij problemen proberen we samen met het gezin te zoeken naar een goede oplossing. Vaak verwijzen we door, maar we volgen het kind (en het gezin) nog wel op. Soms nemen we contact op met het Comité van Bijzondere Jeugdzorg, maar de mensen zijn daar zo overbelast, dat ze alleen de ergste situaties op zich (kunnen) nemen. Hierdoor blijven wij vaak met problemen zitten die ook uit de hand dreigen te lopen, maar waar we niets aan kunnen doen, aangezien we geen gerechtelijke bevoegdheid hebben.

Doordat er veel migrantenjongeren zijn in Brussel, is het les geven hier wel anders. Om hier (langdurig) voor de klas te staan, is er een aparte motivatie nodig. Soms doen de leerkrachten hier erg veel voor hun leerlingen, wat natuurlijk erg positief is. Vaak is het ook wel zwaar, vooral als er nog allerhande externe initiatieven worden genomen waarmee deze leerkrachten rekening moeten houden. Zo is er het Onderwijsvoorrangsbeleid (OVB) voor migranten, de Zorgverbreding voor kansarmen en hier in Brussel ook het Voorrangsbeleid Brussel. Het Voorrangsbeleid Brussel wil alles onderzoeken en de structuren aanpassen en meer op elkaar afstellen. Dit zal wel een hele tijd (zesjarenplan) duren, maar het is goed dat men orde op zaken  stelt. Het is dus positief dat er heel wat ondersteuning aan het onderwijs geboden wordt, zolang het allemaal maar gestroomlijnd loopt en iedereen naar hetzelfde doel toewerkt. Het zou goed zijn moesten de externe partners beter op elkaar afgestemd zijn.

1.2.3 Het Schoolopbouwwerk (SOW)

1.2.3.1 Werking van het Schoolopbouwwerk

'Doelstelling:"schoolopbouwwerk moet kansarme ouders en jongeren ondersteunen zodat zij binnen een afzienbare tijd zelfstandig voor hun belangen kunnen opkomen in de school en in de onderwijsstructuren."

De ondersteuning van ouders en jongeren is er enerzijds op gericht dat zij voldoende kennis van de structuren verwerven, voldoende vaardigheden ontwikkelen en de nodige relatienetwerken opbouwen om zelfstandig op te komen voor het belang dat zij hebben in het onderwijs, namelijk de toekomstkansen van kwetsbare kinderen en jongeren in het onderwijs verhogen. Zoals elke vorm van opbouwwerk heeft schoolopbouwwerk zowel een ontwikkelingsgerichte (educatieve) als een probleemoplossende component. Dit laatste betekent dan dat ouders en jongeren de nodige steun krijgen om gezamenlijk de problemen die zij ervaren in het onderwijs te kunnen aanpakken en te kunnen werken aan het verkleinen van de kloof tussen school en ouders.'
1.2.3.2 Mensen uit het werkveld aan het woord
Ik had een gesprek met een schoolopbouwwerkster van Kamileon, een schoolopbouwwerkproject in Kessel-Lo en met een schoolopbouwwerkster van vzw Impuls in Brussel.

· Kamileon

Kamileon is een schoolopbouwwerkproject in Kessel-Lo dat in 1992 opgericht is en voor twee halftijdse krachten gefinancierd wordt door het SIF. Eén van deze krachten is Lieve Maesmans.

“Kamileon richt zich tot twee buurten: de Ridderbuurt (Leuven) en Cassa Blanca (Kessel-Lo). Eerst werkten we erg structureel en tweedelijns. Sinds 2000 werken we meer aan de basis. We hebben een omgevingsanalyse gedaan in de twee buurten om van hieruit in te spelen op de noden. Dit doen we aan de hand van drie thema’s:

1. Het onderwijsinformatiepunt: het grootste probleem is de moeilijke communicatie tussen de school en de ouders. Daarom is er één keer per week permanentie in elke wijk, waar de ouders met vragen terechtkunnen. De bedoeling is dat het CLB dit initiatief later eventueel zou overnemen.

2. Oudergroepen:  door de vragen die uit de permanentie naar voren komen, krijgen we een beter beeld van de onderwerpen die gebruikt kunnen worden in de oudergroepen (vb. schoolrijpheid). Deze oudergroepen worden niet geleid door ons, maar we vragen, afhankelijk van het onderwerp, andere mensen die de leiding willen en kunnen  nemen.

3. Platform Onderwijs: per buurt is er een Platform Onderwijs opgericht waar buurtwerkingen, directies van scholen, het CLB, de integratiedienst en wij samen gaan zitten om gemeenschappelijke problemen aan te pakken. Ook de ouders willen we hier in de toekomst bij betrekken, maar nu is dat nog moeilijk (ze durven nog niet echt iets te zeggen).

Naast deze drie thema ‘s die uit de omgevingsanalyse zijn voortgevloeid, zijn er nog een aantal reeds langer bestaande projecten:

Werkgroep Kamileon: hier gaan de kansbevorderingscoördinatoren van de CLB ‘s en Kamileon samen zitten om samenwerkingsafspraken te maken.

Pedagogische oefenschool: SOW coördineert ontwikkeling van het jonge kind

Project ‘een sprong vooruit': uit de samenwerking met het wijkgezondheidscentrum, het OCMW en Kamileon volgt dat een financiële tussenkomst voor kansarmen toegestaan wordt wanneer zij kinesitherapie of logopedie nodig hebben. Via het CLB, die de intakes doet, wordt een aanvraag voor ‘een sprong vooruit’ gedaan aan het OCMW.

 Plaatselijk Overleg Basisonderwijs: plaatselijk Overleg is een samenkomst van de directies van alle scholen om te overleggen over het non-discriminatiebeleid. Wij willen dit overleg opentrekken tot zowel de integratie (en non-discriminatie) van zowel allochtonen als van autochtone kansarmen.

Schoolwijzer’: schoolwijzer is een artikeltje dat wij schrijven voor de buurt- en wijkkranten

De contacten die we met de scholen hebben zijn over het algemeen positief. We hebben zowel informele contacten (we gaan bijvoorbeeld tijdens de koffiepauzes van de leerkrachten naar de scholen) als formele contacten. De formele contacten rond individuele vragen zijn positief, de contacten rond structurele, algemene problemen zijn minder positief (zie Platform Onderwijs). De school is zo ver nog niet.

Het grootste knelpunt is dus de verkeerde interpretatie van elkaars gedrag en de daaruit volgende slechte communicatie tussen de school en de ouders.

Er zou meer aan binnenklasdifferentiatie gedaan moeten worden, wat inhoudt dat men meer rekening moet houden met de verschillen tussen kinderen. Wanneer een kind iets ‘raars’ doet, moet dit ook niet onmiddellijk afgekeurd worden, maar moet men de verwachtingen meer expliciteren: Wanneer leerkrachten (en ook andere mensen) zeggen wat ze verwachten, hebben de kinderen de kans om hun gedrag aan te passen. Vaak wordt van de vanzelfsprekendheid van de juistheid van zijn/haar eigen gedrag uitgegaan en vergeet/weet men (niet) dat anderen soms andere gewoonten hebben. Door de explicitering van de verwachtingen geef je aan wat er verwacht wordt, waardoor er kansen gecreëerd worden.

· Impuls

Ik had een gesprek met Ilse Vangrunditelbeek. Zij werkt halftijds in het CLB Pieter-Breugel (zie boven) en halftijds in het opbouwwerkproject Impuls in Brussel. Met één fulltime en twee halftime krachten is Impuls verantwoordelijk voor een goede driehoeksverhouding school- buurt- ouders in 16 scholen .

"Het contact met de ouders verloopt ongelooflijk moeizaam omwille van de taal, het gebrek aan kennis en de structuur van het onderwijssysteem. Vaak proberen we de ouders via schoolpoortcontacten te motiveren om naar ouderavonden te komen. Helaas komen er dan nog maar erg weinig ouders, waaruit blijkt dat de interesse van de ouders laag is. Wanneer ze wel komen, is het moeilijk om een gesprek op gang te brengen aangezien ieders moedertaal ander is. Via de moedergroepen, die getrokken wordt door een leerkracht, komt er wel een betere communicatie op gang.

De lerarenopleiding is niet aangepast aan de Brusselse situatie. Jonge, gemotiveerde leerkrachten komen in een voor hen onbekende situatie waar er met termen als OVB en zorgverbreding wordt geslingerd. Aan een beter afgestemde opleiding mag meer aandacht besteed worden, vind ik."

1.2.4 Welzijnscentra voor kansarmen

1.2.4.1 Werking

Er zijn een heel aantal welzijnscentra die actief werken met of rond kansarmen. Daarom is het onmogelijk om één algemene werking te schetsen. Ik zal echter wel een aantal mensen uit het werkveld aan het woord laten.

1.2.4.2 Mensen uit het werkveld aan het woord

Ik zal hier de visie van drie verschillende centra op het onderwijs geven. Wat is hun kijk op het onderwijs? Hoe verlopen de contacten met de school? Is er een goede samenwerking? Kan er vanuit de welzijnssector iets gebeuren om de kansen voor kansarme kinderen in het onderwijs te verhogen?

Eerst zal ik de visie van mijn stageplaats, De Schutting, vermelden. Vervolgens zal ik in het kort het standpunt van het Vlaams Forum, een organisatie waar verenigingen van armen het woord nemen, beschrijven en als laatste zal ik de kijk van het Vlot, een dagcentrum voor integrale gezinsbegeleiding, weergeven.

· De Schutting

Jo Geysen is de coördinator van De Schutting. Aangezien er in De Schutting aan integrale hulpverlening gedaan wordt, komt men ook in contact met de school. Mijn vraag was hoe deze contacten tot nu ervaren werden en wat hij zag als mogelijke oplossingen voor een goede/betere samenwerking.

"Eigenlijk nemen we zelf niet spontaan contact op met de school. Wij zijn er vooral om de moeder en/of vader(meestal alleenstaand)te steunen. Doordat zij sterker worden, kunnen zij de verantwoordelijkheid als ouder beter aan. Soms groeien de problemen hen echter boven het hoofd en dan gaan we wel mee naar een oudervergadering, naar een rapportbespreking, op individueel gesprek... soms doen we dit ook omdat de moeder of vader de taal niet spreekt.

Over het algemeen hebben we goede ervaringen met de school. Dikwijls hangt er veel af van de beleving van de moeder/vader; zij kan haar kinderen immers zowel positief als negatief beïnvloeden. Vaak lijden kinderen wel onder de materiële druk; hun leefsituatie is anders dan die van andere kinderen en vaak wordt daar in school geen rekening mee gehouden. Daar wordt ervan uitgegaan dat alle kinderen op reis gaan, dat ze zich degelijke, mooie kleren kunnen veroorloven,... Waar ook weinig aandacht aan wordt besteed is de mogelijkheid voor het kind om thuis te leren. De structuur van het onderwijs is niet aangepast om met deze kinderen rekening te houden en om hen individueel te benaderen.

Toch is het erg belangrijk dat er voldoende aandacht aan deze kinderen wordt gegeven en dit vanaf de kleuterschool. Zij dreigen immers vanaf het begin op een zijspoor te worden gezet in onze samenleving waarin kennis het hoogste goed is. Het ‘kennis verwerven’ zou meer gerelativeerd moeten worden. In de school staat men naast kennisoverdracht ook in voor de ontwikkeling en de vorming van kinderen.

Veranderingen in het onderwijs moeten vooral gericht zijn op de aanpak van de leerlingen op maat. Er zouden kleinere klassen moeten zijn zodat de leerkrachten alerter zouden kunnen zijn. Wanneer er iets mis zou zijn met een kind, zou dat meer opgemerkt moeten worden zodat er via het CLB een gezinsbegeleiding zou kunnen worden opgestart. Een groene leerkracht of een maatschappelijk assistent binnen een school is goed, maar zeker niet voldoende. Dit is eerder een lapmiddel om de leerkrachten moeilijkheden te besparen. Het is echter niet effectief.

Leerkrachten staan het dichtst bij de leerlingen en zij kunnen als eerste en vaak als enige problemen zien. Een goede samenwerking met hulpverleningsdiensten is daarom nodig. Zo kan er preventief aan een moeilijke situatie gewerkt worden. Hier moet de directie aandacht voor hebben. In de lerarenopleiding houdt men vaak te weinig rekening met de samenwerking met de welzijnssector. Men heeft ook te weinig oog  voor achtergestelde groepen. De opleiding zou moeten aangepast worden en een permanente vorming is nodig.

Leerkrachten hebben vaak hun handen vol en kunnen moeilijk alle taken op zich nemen. Daarom moeten de diensten zich bekend maken en toenadering zoeken. Er zouden ook diensten bijgemaakt moeten worden, zodat leerkrachten beter weten waar ze de grenzen moeten trekken. Deze diensten houden zich bezig met gezinsbegeleiding en met naschoolse begeleiding. Deze naschoolse begeleiding moet echter tijdelijk zijn, want het kind moet ook andere dingen doen dan leren.

De diensten hebben dus hoofdzakelijk een signaal- en een samenwerkingsfunctie. De grote en structurele veranderingen moeten van het onderwijs komen."

· Het Vlaams Forum

Het Vlaams Forum is een organisatie, in Antwerpen gevestigd, die een dialoog op gang wil brengen tussen armenverenigingen en politici, deskundigen… Lieve Proost is vrijgestelde in het Vlaams Forum…

"Om de twee maanden organiseren wij een Algemene Vergadering, waarin de verschillende verenigingen , die over heel Vlaanderen  verspreid zijn, samenkomen om rond één bepaald thema te discussiëren. De vertegenwoordigers van een vereniging verdiepen zich in een bepaald onderwerp en daar hebben we het dan over (bijvoorbeeld: tewerkstelling, sociale zekerheid, onderwijs…). Vaak worden ook mensen die meer kennis hebben over dat bepaald onderwerp of die het beleid beïnvloeden, op de vergadering uitgenodigd. Jammer genoeg duurt het zeer lang of eeuwig om effectieve verandering te zien.

In de maatschappij wordt kansarmoede nog vaak gezien als de schuld van de mensen zelf. Er bestaan weinig initiatieven die zich uitsluitend tot kansarmen richten. Voor allochtonen bestaat er meer. Het is goed dat er diensten voor allochtonen zijn, maar voor kansarmen zou het ook goed zijn!

Uit de Algemene Vergadering rond het onderwijs kwamen de volgende kreten: 'stuur onze kinderen niet te vlug door naar het Buitengewoon onderwijs!', ' Verminder die hoge kostprijs!' en 'laat ons een diploma halen alstublieft!'

· Het Vlot

Het Vlot is een dagcentrum voor integrale gezinsbegeleiding waarvan één werking in Anderlecht is gelegen en één in Jette. Ik sprak met Bart Van den Steen, die eigenlijk van opleiding regent is, maar tewerkgesteld is in het dagcentrum in Anderlecht.

"Wanneer kinderen lange tijd afwezig zijn op school, wanneer er leerproblemen of gedragsproblemen zijn of wanneer er alarmerende verhalen verteld worden, doet de school een beroep op het CLB, die op haar beurt het Comité van Bijzondere Jeugdzorg kan inschakelen. (Af en toe kan het ook zijn, dat de ouders zelf, de huisarts of de rijkswacht contact met het Comité opnemen. De drempel naar het Comité is echter zeer hoog. Het wordt niet gezien als een hulpverleningsinstantie, maar als een controle-instantie die ouders straft of de kinderen weghaalt uit het gezin. De ouders voelen zich aangevallen en zijn bang hun kind te verliezen. Ook door andere instellingen wordt het Comité pas als laatste noodoplossing in geschakeld.) Vaak is de situatie dan al uit de hand gelopen, hetgeen het allemaal veel moeilijker maakt. Bij een aanmelding kijken de consulenten van het Comité wat de moeilijkheden precies zijn, wat er gebeurd is op school en wat de best mogelijke vorm van hulpverlening is. Zo kunnen kinderen doorgestuurd worden naar een Dienst Geestelijke Gezondheidszorg (DGG), Gezinsbegeleiding,... of een dagcentrum.

Het Vlot is dus zo ‘n dagcentrum. In principe begeleiden wij kinderen (en hun gezin) van zes tot achttien jaar, maar over het algemeen komen hier vooral lagere schoolkinderen (8 tot 12 jaar). Wij werken zeer systeemgericht, vandaar dat we ook het hele gezin bij de begeleiding willen betrekken. Alle betrokkenen ( moeder, vader en/of andere opvoeders) moeten akkoord gaan, anders heeft de begeleiding geen zin. Dit is echter niet gemakkelijk want we voelen vaak veel druk van de school, het CLB en het Comité. Deze willen dat we de begeleiding sowieso op ons nemen.

In een intakegesprek wordt er, naast de goedkeuring van alle betrokkenen, gekeken naar wat er leeft in het gezin. Dan stellen we samen een handelingsplan op waar er zowel rekening wordt gehouden met de verwachtingen van het kind en het gezin, als met de kenmerken en verwachtingen van ons. De begeleiding wordt goedgekeurd voor één jaar, maar kan altijd vroeger stopgezet worden. Kinderen zijn een goede invalshoek om de begeleiding op te starten. Vaak worden deze gezinnen anders niet bereikt hoewel er dikwijls wel nood is aan hulpverlening. De begeleiding bestaat uit een wekelijks gezinsgesprek, dat ofwel hier, ofwel bij de mensen thuis doorgaat. De kinderen komen na school naar hier waar ze hun huiswerk maken, eten en wat spelen. Zo is er een ontlasting voor de ouders en kunnen wij de kinderen opvolgen.

Vaak wordt er contact opgenomen met de school, wel enkel na toestemming van de ouders en enkel als de school een (belangrijke) rol speelt. Er volgt dan een overleg tussen de school, het CLB en het Vlot. De kinderen worden in de klas (school) dikwijls geëtiketteerd als moeilijke kinderen wiens ouders geen goede opvoeding geven. Wij  proberen de  leerkrachten inzicht te geven in de thuissituatie (vb. agenda wordt niet getekend omwille van analfabetisme van de ouders). Kansarme kinderen vallen immers vaak uit de boot, tellen dikwijls niet mee. Ouders ervaren dit als kritiek op hun opvoeding. Zij kunnen hier op twee manieren op reageren; ofwel mijden ze elk contact met de school (‘wij tellen toch niet mee’), ofwel gaan ze een strijd met de school aan (‘de school is slecht’). Wij proberen dan mee te gaan naar de school en een positieve dialoog op gang te brengen. Belangrijk hierbij is dat we zeker niet de verantwoordelijkheden van de ouders op ons willen nemen. Een betere communicatie tussen ouders en school is voor de leerkracht erg verhelderend en voor de ouders verlichtend.

Het is ook belangrijk te weten welke leermethode gebruikt wordt, zodat we de kinderen (en de ouders) op een adequate wijze kunnen helpen bij het huiswerk maken. Wij kijken met de ouders hoe het huiswerk het best gemaakt kan worden.

Ook proberen wij de school te stimuleren om de financiële kosten te drukken, aangezien dit voor veel kansarme mensen problemen geeft.

Veel kinderen worden van het normale onderwijs doorverwezen naar het bijzonder onderwijs, vooral naar type 1- (licht mentale achterstand), type 3- (gedragsstoornissen) en type 8- (leerstoornissen) onderwijs. In het type 3- onderwijs zijn er heel wat problemen: er is een groot verloop van leerkrachten (die erg vlug burn-out zijn) waardoor de kinderen bijna niets bij leren. Zij krijgen immers telkens nieuwe leerkrachten die weer aan hen en hun niveau moeten wennen. Ik vind dat er meer geld zou mogen zijn voor zulke moeilijke taak, zodat deze leerkrachten voelen dat hun werk geapprecieerd wordt.

Veel kinderen worden naar het BO gestuurd als ze moeilijker worden. Vaak wordt dan alleen hun gedrag gezien en niet de oorzaak van hun gedrag. Zo worden deze kinderen onterecht achtergesteld. Hier kunnen wij weinig aan doen, het is een taak van het CLB.

Ik vind dat er veel meer preventief zou moeten gewerkt worden. Zo zou het goed zijn moest er in elke school een preventiewerker zijn die gesprekken heeft met de kinderen, met de gezinnen en met de leerkrachten. Belangrijk hierbij is dat er niet belerend opgetreden mag worden naar de ouders. Ook zou in de lerarenopleiding een overzicht van de welzijnssector(sociale kaart) moeten gegeven worden. Dit zou in de stages en/of de lessen ingebouwd kunnen worden, evenals verdere uitleg over bepaalde risicogroepen. Ook moet opvoedingsondersteuning (bijvoorbeeld van Kind & Gezin) meer gestimuleerd worden. Het financiële aspect moet bekeken worden: de hoge kosten van het onderwijs zorgen immers voor heel wat moeilijkheden bij kansarme (en sommige  andere) gezinnen. Er zouden meer diensten/dagcentra moeten opgericht worden die zich bezig houden met integrale gezinsbegeleiding, om op deze manier kansarme  kinderen (en volwassenen) meer kansen te geven. De aanmelding zou wel vroeger moeten gebeuren (de problemen niet zo ver laten komen) en dit op een veel lagere drempel.

Besluit

Er blijkt heel wat aandacht voor kansarme kinderen in het onderwijs te zijn: er zijn initiatieven in en buiten de scholen voor kinderen die minder goed meekunnen, diensten die de relatie school-ouders ondersteunen en stimuleren, welzijnscentra die kansarme ouders bijstaan in de opvoeding van hun kinderen, enz… kortom, een breed aanbod dus.

Toch blijken er nog heel wat moeilijkheden en beperkingen te zijn. In het kort kunnen de verschillende visies samengevat worden in een aantal vaak terugkomende opmerkingen:

· op financieel vlak worden er in de scholen vaak tegemoetkomingen gedaan, maar er zijn geen duidelijke richtlijnen of wetgeving hierrond. (onderwijs + welzijn)
· vaak is er alleen aandacht voor de intellectuele mogelijkheden en vooruitgang van een kind en houdt men te weinig rekening met de persoonlijke ontwikkeling en vorming. Wanneer een kind minder goed mee kan en zich lastig gedraagt wordt het vaak doorgestuurd naar het bijzonder onderwijs. De structuur van het gewoon onderwijs verhindert immers om op een adequate wijze met deze leerlingen om te gaan. In het bijzonder onderwijs krijgen ze meer individuele aandacht. (onderwijs + welzijn)
· De welzijnsdiensten zijn te weinig bekend. (onderwijs)
· Het Comité van Bijzondere Jeugdzorg staat in een negatief daglicht. Veel mensen (ook leerkrachten, ouders, hulpverleners,…) denken dat ze bestraffend optreden. Daardoor wordt deze instantie vaak pas gecontacteerd als de situatie uit de hand gelopen is en er niet meer op een preventieve manier naar de geschikte hulpverlening kan gezocht worden. Langs de andere kant is het Comité overbelast en kunnen zij enkel de zwaarste dossiers op zich nemen. Daardoor zijn de doorverwijzende instanties veplicht om de situatie pas door te geven als ze uit de hand gelopen is en zwaar genoeg is. Dan moeten er inderdaad strenge maatregelen genomen worden, wil men iets aan de situatie doen. (onderwijs + welzijn)
· De communicatie tussen de school en de (kansarme) leerling/ouders loopt erg moeilijk, waardoor er misverstanden ontstaan. (welzijn)
· Er wordt in de lerarenopleiding niet (veel) ingegaan op de situatie en de beleving van kansarmen en van andere marginale groepen. (onderwijs + welzijn)
· Er is te weinig opvoedingsondersteuning, gezinsbegeleiding, preventiewerkers, dagcentra,… (onderwijs + welzijn)
· Vooroordelen en onbegrip bij hulpverleners, leerkrachten, directie,… (blijven) bestaan. (onderwijs + welzijn)
· De samenwerking tussen de school en welzijnsdiensten lopen op individueel gebied goed, maar op structureel gebied niet goed. De samenwerking op individueel vlak moet zeker blijven; op algemeen vlak moeten welzijnsdiensten en de school meer gaan samenzitten. (welzijn)

In deze gesprekken werd een groot aantal problemen aangehaald, die ondanks de verschillende invalshoek (onderwijs en welzijn) vaak gemeenschappelijk blijken te zijn. Ik vind het stimulerend om te zien hoe van beide kanten wordt gepoogd om de situatie van kansarmen (in het onderwijs) te verbeteren. Er worden initiatieven genomen die trachten kansarme kinderen meer kansen te geven in het onderwijs. Ik ben blij verrast dat hier reeds zoveel inzet rond bestaat.

Toch doet het mijn vraag naar de oorzaak van het instand houden van de kringloop van kansarmoede nog sterker rijzen. Hoe komt het dat, ondanks deze inzet, er toch zoveel kinderen uit lagere sociale milieus vlugger doorstromen naar het Bijzonder Onderwijs, vaker hun jaar moeten overdoen en over het algemeen een lager diploma behalen dan hun collega 's van een hogere sociale afkomst (zie 2.3) ? Zijn zij dan gewoon minder slim dan andere kinderen? Neen, ik denk het niet.

Kansarme kinderen komen met heel wat knelpunten in contact wanneer zij naar school gaan. De initiatieven die genomen zijn, zijn positief, maar niet voldoende. Wil men tot meer integratie van deze kansarme mensen komen, is het eerst nodig hen te begrijpen. Het is nodig de knelpunten waarmee zij in contact komen te kennen (hoofdstuk 2), om van daaruit oplossingen voor te stellen.

Terug naar het begin van de pagina


HOOFDSTUK 2: knelpunten voor kansarmen in het onderwijs

Inleiding

In onze kennismaatschappij worden scholing, sociale vaardigheden en opleidingsniveau steeds belangrijker. Mensen die minder lang naar school zijn gegaan, die minder vlot zijn in het leggen van sociale contacten en die een lage opleiding hebben, worden vlugger als 'minder' bekeken. In die zin vormt scholing een nieuwe ongelijkheid. Vroeger werd de ongelijkheid bepaald door de sociale klasse: de toekomst van de jongere werd bepaald door het beroep van de vader.  Nu gebeurt dit misschien nog onrechtstreeks, maar het wordt zo niet meer aangevoeld. Men heeft het gevoel dat elke persoon zelf het hef in handen heeft om al dan niet te slagen waardoor hij/zij de eigen toekomst kan bepalen. Door het belang van het opleidingsniveau valt de kloof tussen armen en rijken steeds meer samen met de kloof tussen laag- en hooggeschoolden.

Het diploma dat men behaalt wordt gezien als een verdienste van goed werken, een gezond verstand en een groot doorzettingsvermogen. Zij die een minder hoge of geen opleiding hebben genoten en bijgevolg een lager of geen diploma hebben, worden bijna automatisch als dom of lui beschouwd. Dit etiket wordt vaak ook geïnternaliseerd waardoor heel wat mensen zonder diploma met minderwaardigheidsgevoelens te kampen hebben.

Zoals Ides Nicaise  aangeeft, steunt het onderwijssysteem op de ideologie van de meritocratie. Meritocratie aanvaardt in tegenstelling tot democratie dat op gelijkheid gebaseerd is, een ongelijke behandeling en ongelijke uitkomsten op basis van een vaag criterium van verdienste. Zo vindt men het normaal dat de meer getalenteerde leerlingen en de leerlingen die in het onderwijs meer inspanningen leveren, betere uitkomsten hebben dan zij die minder getalenteerd zijn en zich minder inzetten. Volgens Nicaise steunt de meritocratische ideologie op drie hypothesen. 1. Iedereen heeft gelijke toegang tot het onderwijs overeenkomstig zijn of haar natuurlijke aanleg. 2. Natuurlijke aanleg is gelijk verdeeld over de sociale klassen, zodat ongelijkheid naar sociale afkomst onbestaande is. 3. Wie vlot doorstroomt in het onderwijs, dankt dit bijgevolg aan de aangeboren talenten en de inspanning of verdienste.

Hieruit volgt dat sociale afkomst geen invloed zou uitoefenen op de schoolcarrière. Toch is al langer bekend dat kinderen van ouders met een lagere scholing minder kansen hebben om een (hoog) diploma te behalen. Aan het stimuleren van deze leerlingen, waaronder kansarmen, wordt dan ook heel wat aandacht besteed (zie 1.2). Er is een combinatie van gelijkheid (vb. leerplicht tot 18 jaar) en welbewuste ongelijkheid (verschillende richtingen), zodat iedereen aan zijn of haar trekken komt. Wat wel blijkt is dat de zwakste leerlingen doorschuiven naar een zwakkere richting en dat de sterkste leerlingen in het ASO blijven.

Dat deze 'zwakke' leerlingen sowieso minder intellectuele capaciteiten hebben is daarom niet gezegd. Wel wordt dit vaak verondersteld. In dit hoofdstuk wil ik ingaan op de knelpunten waarmee kansarmen worden geconfronteerd in het onderwijs en daardoor over het algemeen als 'zwak' worden beschouwd, waardoor zij naar zwakkere richtingen worden gestuurd.

Het is als maatschappelijk werker belangrijk oog te hebben voor deze knelpunten, enerzijds om meer begrip te krijgen voor en inzicht te ontwikkelen in de situatie waarin kansarmen zich bevinden (de knelpunten in het onderwijs zijn immers ook terug te vinden in de hulpverlening), anderzijds om de eigen waarheden, normen en opvattingen als hulpverlener (maatschappelijk werker, onderwijzer, verpleger…) te leren relativeren. Dit alles is belangrijk, wil men op een effectieve en respectvolle manier oplossingen zoeken om de integratie van deze mensen te bevorderen (hoofdstuk 3).

In dit hoofdstuk neem ik in grote lijnen de structuur van Ides Nicaise  over in hetgeen hij zegt over de sociale doelstellingen van het onderwijs. Hij maakt daarin een onderscheid tussen gelijke kansen (bij toegang), gelijke behandeling (afwezigheid van discriminatie) en gelijke uitkomsten (in het uiteindelijke resultaat), waarop ik de drie delen van dit hoofdstuk op zal baseren.

2.1 Ongelijke kansen

Wanneer de kinderen (Daan, 8 jaar en Liselotte, 10 jaar) van school komen, eten ze een vieruurtje aan de keukentafel. Daarna gaan ze elk naar hun kamer om hun huiswerk te maken. Af en toe komt mama eens kijken of het lukt. Hier en daar verbetert ze een oefening en helpt ze Liselotte met moeilijke vragen, maar ze kan niet te lang blijven want binnen een uurtje moet het eten op tafel staan. Als papa thuiskomt van zijn werk, gaan ze allen aan tafel, waar er honderduit verteld wordt over de afgelopen dag. Na wat gemor van de kinderen wordt er samen afgeruimd en afgewassen. Het huiswerk is af, dus kunnen de kinderen na de afwas nog wat met de playstation, de lego en het nieuwe gezelschapsspel dat ze van Sinterklaas hebben gekregen, spelen. Rond een uur of negen is het tijd om te gaan slapen. Het speelgoed wordt opgeruimd en nadat papa hen meermaals heeft aangespoord, begeven ze zich naar de badkamer. Ze wassen zich en kruipen in bed, waar ze na het verhaaltje van mama in een diepe slaap vallen… 's Morgens worden Daan en Liselotte door mama gewekt. Ze kleden zich aan, terwijl mama de tafel dekt en de boterhammetjes smeert. Na het ontbijt stopt mama hun nog wat lekkers toe, samen met het geld dat ze straks in de klas moeten afgeven voor de arme kindjes in Afrika. Dan stappen de kinderen in de auto en zet papa hen voor de schoolpoort af. Mooi gekleed en met volle maag stappen ze de speelplaats op waar onmiddellijk twee of drie vriendjes op hen afkomen… Zo gebeurt het toch bij iedereen!

Helaas niet… en helaas wordt het ook dikwijls niet gezien dat deze situatie niet zo vanzelfsprekend is voor iedereen!

Wanneer de kinderen (Els, 10 jaar; Karel, 5 jaar; Tim, 3 jaar) thuis komen van school ligt mama nog in bed. De baby ligt wenend in de kamer naast haar. De twee kleuters grijpen naar de halve koek die op het aanrecht ligt. Els neemt de baby en probeert hem te troosten. Ze doet hem een verse luier aan, waarna ze hem in de koets zet. Ze neemt hem mee naar de winkel want er moeten nog boodschappen gedaan worden. Er is nog 960,- BEF over voor de komende twee weken. De vader van de baby heeft weer  te veel schulden gemaakt en betaalt het nu af met hun geld… In de winkel koopt Els 2 blikken soep van de witte producten, een pak pampers, een brood en een plak kaas. Als ze thuis komt, zitten Karel en Tim te vechten om de strandbal die ze bij de reclame gekregen hebben. Els brengt ze tot bedaren en begint de soep op te warmen. Na het eten zetten ze de afwas aan de kant. De twee kleuters gaan  voor de televisie zitten. Els maakt melk warm voor de baby en probeert hem eten te geven. Het is moeilijk; hij krijgt tandjes en is erg lastig. Mama is ondertussen opgestaan. Ze is erg depressief. Els denkt dat haar laatste vriend haar ook weer slaat, daarom probeert ze haar mama zo weinig mogelijk last te bezorgen. Ze weet dat ze geld moet vragen voor de omhaling op school morgen, maar ze durft niet… er is al zo weinig. Nadat ze de baby heeft gevoed legt ze hem in bed. Ze moet nog huiswerk maken. Aan de rand van de keukentafel probeert ze de moeilijke sommen op te lossen. De kleuters zijn de televisie beu en rennen rond in de kamer. Mama roept dat ze stil moeten zijn, ze heeft hoofdpijn. Na een half uur legt Els haar boeken weg en maakt de kleintjes klaar om te gaan slapen. Nadat ze haar mama getroost heeft en alles wat opgeruimd heeft, kruipt ze zelf ook in bed naast haar twee broertjes.
De volgende ochtend staat Els als eerste op, kleedt zich aan en maakt haar mama wakker. Deze staat op en voedt de baby. Els kleedt de jongste kinderen aan en geeft hun een boterham. Ze moeten zich haasten want de bus is al daar. In school aangekomen, brengt Els Karel en Tim naar hun klasje. Dan haast ze zich naar haar klas, waar ze iets te laat binnenkomt… De juf is boos, ze is wééral te laat, wanneer gaat ze nu eens eindelijk leren haar verantwoordelijkheid op te nemen!

Kinderen kunnen met heel wat knelpunten te kampen hebben, zonder dat men dit beseft. En wanneer men het wel beseft, is het nog niet zo evident dat men er rekening mee houdt. Toch is het belangrijk te weten wat de oorzaken zijn voor het 'nonchalante en ongewone gedrag' van sommige kinderen, om begrip te krijgen voor hun situatie.

Deze kansarme kinderen dragen, net als andere kinderen, een stuk verleden met eigen gewoonten en gebruiken met zich mee. In hun gezin zijn er echter meer ongevallen en ziekten, is er minder ruimte, meer onzekerheid, hanteren zij een minder rijke woordenschat… Doordat zij bij de aanvang van de eerste schooldag reeds een minder groot financieel en cultureel kapitaal hebben dan hun leeftijdsgenootjes, hebben zij vanaf dan al minder kansen.

Eerst zal ik ingaan op de gevolgen van het financiële tekort en vervolgens op de oorzaken en de gevolgen van de culturele verschillen tussen de school en het kansarme gezin.

2.1.1 Geldgebrek

2.1.1.1 Het onderwijs is niet kosteloos!

In de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens staat het volgende vermeld in verband met het onderwijs: 'Een ieder heeft recht op opvoeding. De opvoeding moet kosteloos zijn, ten minste wat het lager en het fundamenteel onderwijs betreft. Het lager onderwijs is verplicht.'  Het schoolpact van 29 mei 1959 bevestigt dit: 'Het bewaarschool-, lager en secundair onderwijs is kosteloos in inrichtingen van de Staat en in inrichtingen die de Staat krachtens deze wet subsidieert. Geen enkel direct of indirect schoolgeld mag geïnd of aangenomen worden. In het bewaarschool- en lager onderwijs, met inbegrip van de vierde graad, worden leerboeken en schoolboeken kosteloos verstrekt.'  Na de grondwetsherziening van 1988 wordt deze kosteloosheid beperkt tot de toegang tot het onderwijs. Zo staat in het decreet Basisonderwijs van de Vlaamse gemeenschap vermeld: 'De toegang tot het basisonderwijs  is kosteloos in de door de Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde scholen.'

Deze 'kosteloze toegang tot het onderwijs' is nogal vaag, maar er wordt verondersteld dat er geen inschrijvingsgeld dient betaald te worden in het kleuter-,  lager en middelbaar onderwijs. Hiernaast zijn er echter nog heel wat kosten die door de school rechtstreeks of subtiel gevraagd worden, denk maar aan de schooluitstappen, het vervoer van en naar de school, het schrijfgerief, de sportkledij, rondhalingen…

Uit onderzoek  blijkt dat ouders heel wat kosten hebben om hun kinderen naar school te laten gaan, ondanks het feit dat het onderwijs gratis zou zijn. Deze kostprijs stijgt naarmate het kind in een hoger studiejaar zit. Ziehier een tabel waar de kostprijs per kind per jaar wordt geschat .

Tabel 1 Jaarlijkse studiekosten in het gewoon basisonderwijs (in BEF)

K1 K2 K3 L1 L2 L3 L4 L5 L6
7 127 8 000 8 796 13 526 12 922 12 408 11 955 15 176 18 963

Bron: Studiekosten in het basisonderwijs (HIVA-RUG), met K1 = 1e kleuterklas.., L1 = 1e leerjaar…

Deze kosten kunnen voor kansarme ouders een zware opdracht zijn. Door de vanzelfsprekendheid van deze kosten voelen zij zich verplicht tot het betalen ervan, wat kan leiden tot een hoge schuldenberg. Zij betalen dit omdat zij immers niet willen dat hun kind het slechter heeft dan andere kinderen. Opdat hun kind niet uitgestoten zou worden, kopen ouders soms ook dingen die niet echt noodzakelijk zijn. Zij krijgen zo het gevoel dat hun kind voor een keer even belangrijk is voor de omgeving als andere kinderen. De omgeving (leerkrachten, andere ouders…) reageert hier echter vaak met heel wat onbegrip op: 'Die nutteloze dingen kunnen zij wel kopen, maar het zwemgeld, eetgeld… is al drie maanden niet betaald'. Vaak zijn de kinderen slachtoffer van de schulden op school en worden zij hier persoonlijk en indiscreet op aangesproken. Soms kunnen leerkrachten ook erg discreet en begripvol op financieel moeilijke situaties reageren, zodat kansarme kinderen zich niet keer op keer moeten schamen.

2.1.1.2 Huisvesting

Heel wat kansarme mensen wonen in een klein appartementje, een (on)bemeubelde kamer of een caravan. Vaak wordt er in dezelfde kamer gegeten, geslapen, gekookt, huiswerk gemaakt… Dit zorgt voor extra problemen. Iedereen is immers met totaal andere dingen bezig, wat erg storend kan zijn. Zo kunnen kinderen zich moeilijk concentreren wanneer zij hun huiswerk maken. Dit heeft zijn gevolgen in de klas: kinderen kunnen minder goed volgen of krijgen opmerkingen omdat het huiswerk niet af is. Ook zijn ze vaak overactief in het klaslokaal omdat ze zich thuis niet kunnen uitleven o.w.v. de kleine ruimte. Soms is er geen warm water, wat gevolgen heeft voor de hygiëne. Ook op sociaal vlak zorgt hun woning ervoor dat deze kinderen uitgestoten worden. Ze durven immers geen vriendjes uitnodigen.

2.1.1.3 Gezondheid

Kansarmen, en vooral kansarme kinderen, zijn over het algemeen vlugger ziek. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door de ongezonde woning en voeding. Dikwijls blijven de kinderen rondlopen met verkoudheden, hebben te weinig nachtrust, wondjes worden niet verzorgd… Vaak is er geen geld voor medicatie of voor een bezoek aan de dokter. Als ze gehospitaliseerd moeten worden, heeft dat meestal schulden tot gevolg.

Doordat de kinderen vaak langdurig moe en ziek zijn, zorgt dit ervoor dat ze zich ook in de klas niet goed voelen en minder meewerken. Wanneer ze moeten thuis blijven, zorgt dit ervoor dat hun leerachterstand groter wordt en dat ze in een isolement terechtkomen, wanneer ze terug naar school gaan.

2.1.1.4 Kleding

Vaak is er geen geld voor degelijke kleding, waardoor kansarme kinderen met ouderwetse of tweedehandse kledij, ongewassen of niet herstelde kledij lopen. Soms komen ze ongewassen naar school en ruiken daardoor niet zo goed. Af en toe wemelen de luizen op hun hoofdjes… Zij worden door andere kinderen en dikwijls ook door de juf of meester aanzien als vies en onaantrekkelijk.

Ervaringen van studenten in opleiding Kleuteronderwijs :

· Veel kleedjes waren vuil van 's morgens, zelfs wanneer de fotograaf kwam. De kleuters waren zelf ook soms vuil, vuile gezichtjes van de choco bij het ontbijt. Ik merkte rare combinaties van kleren, ouderwetse kleren, verschillende lagen boven elkaar, te kleine kleren. Er zijn kinderen die altijd met dezelfde versleten kleren in de klas zitten en wiens slechte tanden duidelijk niet worden verzorgd. Er zijn kleuters met luizen die niet worden verzorgd. Ik heb kleuters gezien met in 't putje van de winter sandalen aan en een zomerjasje. De medekleuters reageren: 'X heeft wel een stoute mama dat ze hem nu in de winter geen warme trui met lange mouwen aandoet'.
· De kinderen worden uitgelachen door hun klasgenoten; ze vertellen minder omdat ze zich schamen voor hun thuissituatie. Omwille van hun kledij, hun uiterlijk en hun gebrek aan hygiënische verzorging worden kinderen gemeden door hun klasgenoten. Ze mogen niet meespelen en vormen soms het mikpunt van plagerij en pesterij. Klasgenootjes willen aan de 'vuile' kleuters geen hand geven tijdens de kringopstelling.

2.1.1.5 Voeding

Wanneer men het financieel moeilijk heeft, wordt er meestal op voeding bespaard. Dikwijls is er geen geld voor een drankje op school en hebben de kinderen geen of droge boterhammetjes bij, waardoor ze zich weeral anders, uitgesloten voelen.

Soms is er ook een andere eetcultuur: men eet wanneer men honger heeft, de maaltijd bestaat uit chips en cola… Dit is heel wat anders dan de gestructureerde en de voedzame eetcultuur die men op school gewoon is. Deze andere eetcultuur is echter niet eigen aan kansarme gezinnen en komt ook bij welgestelde gezinnen voor, maar wordt bij kansamen meer opgemerkt, waardoor er weeral met een beschuldigende vinger wordt gewezen naar deze mensen 'die hun kinderen op een slechte manier opvoeden'.

2.1.2 Culturele verschillen

In een school heerst meestal de cultuur van de middenklasse, terwijl er ook kinderen van een hogere en een lagere klasse aanwezig zijn. De meeste mensen in onze samenleving behoren tot de middenklasse. Helaas wordt daardoor vaak vergeten dat er ook mensen zijn die door omstandigheden een andere 'cultuur' hebben moeten ontwikkelen als overlevingsstrategie. Voor kansarme kinderen die deze andere gewoonten kennen is het moeilijk om zich aan te passen aan de heersende gewoonten waarmee zij op school in contact komen. Deze kinderen worden ook bijna onmiddellijk gezien als moeilijk, dom, onaangepast, raar…

Er zijn heel wat communicatiestoornissen en daardoor ontstaan misverstanden. Deze misverstanden zorgen ervoor dat kansarme kinderen minder kansen hebben en daardoor ook in de kringloop van kansarmoede dreigen te geraken.

Belangrijk is te vermelden dat kansarmen niet de financiële achterstelling, maar wel de culturele achterstelling als het meest pijnlijk ervaren. Zo zegt iemand die de armoede en uitsluiting dagelijks ervaart: "men crepeert van eenzaamheid en verveling vooraleer te creperen van de honger" …

2.1.2.1 Andere omgangsvormen

Vaak hebben kansarme ouders al van kindsbeen af met problemen te kampen. zij hebben in hun identiteitsontwikkeling dikwijls vertrouwenspersonen moeten missen die hen waarden en normen aanleerden op een liefdevolle manier. Vaak werden zij geplaatst en werden zij één tussen velen. Soms werden ze thuis opgevoed temidden van een overvloed aan moeilijkheden en conflicten, want hun ouders hadden het van kleinsaf aan moeilijk; … Doordat deze mensen vaak niet omringd werden door vertrouwde figuren aan wie ze zich konden spiegelen en die de grenzen van hun experimenteren konden bewaken, leerden ze hun eigen grenzen niet kennen. Een mens leert immers zijn natuurlijke driften te beheersen in de mate dat het liefde en bevestiging oplevert. Zo leerden zij ook wel waarden en normen kennen, maar internaliseerden deze niet. Om toch een identiteit te verwerven, vallen ze meestal terug op klassieke rolpatronen, stoerdoenerij, soms ook agressief of crimineel gedrag (beter een negatieve identiteit dan helemaal geen identiteit).

Doordat kansarmen vaak verworpen zijn geweest, voelen ze zich vaak een nietsnut. Hun zelfbeeld  en zelfvertrouwen zijn erg laag. Hoe kan het ook anders als ze nooit te horen hebben gekregen dat ze de moeite waard zijn. Door die eeuwige twijfel en eeuwige onzekerheid kan het er in hun volwassen leven erg gestresseerd aan toe gaan en kunnen de emoties soms erg hoog oplopen. Als ouder staan ze er vaak alleen voor wat nog voor extra spanningen zorgt. Ze moeten alles immers alleen beslissen, wat erg moeilijk is want ze hebben vaak nooit een voorbeeld gehad. Soms is er een (tijdelijke) partner aan wie ze zich kunnen optrekken, maar de angst om alleen te vallen blijft altijd bestaan.

De zeer directe en fysieke uitingen binnen het gezin zijn begrijpelijk als men ze binnen de context van deze spanningen plaatst. Vaak dragen kinderen deze spanningen met zich mee. Zij reageren ook op dezelfde directe en fysieke wijze op conflicten zoals hun ouders. Ze hebben immers niets anders geleerd. Deze wijze van conflicten oplossen is echter anders dan men op school gewoon is. Volgens sommige leerkrachten zijn deze kinderen lastig en onbeschoft. Er wordt immers verwacht dat er geluisterd wordt naar elkaar, dat men problemen oplost door te praten, dat men respectvol met elkaar omgaat, enz… De sociale vaardigheden zijn minder goed ontwikkeld wat een groot knelpunt is in de school (en in de maatschappij in zijn geheel).

2.1.2.2 Andere levensstijl

Zoals ik hierboven al aangegeven heb, zijn kansarmen vaak erg onzeker. Ze weten vaak niet hoe een goed en gestructureerd leven op te bouwen.  Daarboven komt nog dat ze vaak geconfronteerd worden met een onoverzichtelijk kluwen aan problemen. Scheiding, slechte huisvesting, chronische ziekte, werkloosheid, … zijn hen zeker niet onbekend. Wanneer zij dan denken dat het beter gaat, duikt er weer één of ander crisis op. Zij krijgen het gevoel dat het allemaal uitzichtloos is. Het kan hen op die momenten allemaal gestolen worden, waardoor ze alles verwaarlozen.

Mensen die geplaatst zijn geweest hebben enerzijds een rugzak met een zwaar verleden mee te sleuren, anderzijds moeten zij nog van alles leren in hun volwassen leven, wat het nog eens extra zwaar maakt.

Over het algemeen is de grootste zorg van kansarmen om dag na dag te overleven, hetgeen vaak erg chaotisch verloopt. Men weet immers niet hoe een huishouden te organiseren, want men heeft nooit een voorbeeld gehad. Vaak is er weinig structuur, hetgeen moeilijkheden geeft op school, waar alles op bepaalde tijdstippen en volgens bepaalde regels verloopt. Te laat of niet komen, huiswerk niet maken, … zijn dingen die veel kwaad bloed zetten bij de leerkrachten.

Terwijl kinderen in de middenklasse de waarden en gewoonten 'goed studeren om later geld te verdienen, leren sparen, gezond eten, … ' meekrijgen, kunnen kansarme kinderen soms met de meest dure en ongewone dingen afkomen, terwijl er voor andere dingen vaak geen geld is. Ook hier stuiten zij vaak op onbegrip bij leerkrachten (en hulpverleners). Kansarmoede reikt, zoals reeds vermeld, verder dan het louter financiële. Het eeuwige minderwaardigheidsgevoel is veel pijnlijker dan de honger en koude. Daarom is het zich even goed voelen, door bijvoorbeeld het kopen van iets speciaals, veel belangrijker dan gezonde voeding of het sparen voor later. Ook de frequente cafébezoeken, het vertoeven in uitgaansbuurten of het veelvuldig alcoholgebruik zijn manieren om zich op bepaalde manier beter te voelen. Het is ofwel een wegvluchten van de realiteit, ofwel een roep om erkenning, om ergens iemand te zijn.
2.1.2.3 Andere opvoedinggewoonten
Voor vele kansarme ouders zijn hun kinderen het enige goede wat ze hebben. Ze willen dan ook erg hun best doen om deze kinderen goed op te voeden zodat zij een mooiere en betere toekomst dan zijzelf tegemoet zullen gaan. Vaak hebben deze ouders zelf geen (goed) oudervoorbeeld gehad en twijfelen daardoor voortdurend aan zichzelf (als moeder/vader). De angst om hun kinderen te verliezen is (vaak terecht) groot. Men voelt zich vaak onhandig, onzeker, … en weet niet hoe op een juiste manier op te treden. Ze vinden het erg moeilijk om grenzen te stellen en om een gulden middenweg te vinden tussen liefde en controle. Sommigen verwennen hun kinderen erg omdat ze niet willen dat de kinderen iets tekort komen, zoals het bij hen altijd het geval was. Anderen zijn dan weer van mening dat de kinderen het goed zullen hebben als ze weten wat kan en wat niet, en treden bijgevolg zeer autoritair op. Dikwijls zijn ouders zeer wisselend omdat ze constant aan zichzelf twijfelen.

2.1.2.4 Ander taalgebruik

Verbaal sterk zijn, is in onze samenleving erg belangrijk. Je komt verstandiger en sympathieker over als je het goed kan uitleggen. Wie zijn gedachten helder kan verwoorden en de dingen genuanceerd kan voorstellen, komt beter over dan zij die de dingen direct, chaotisch en in dialect zeggen.

De taal die in kansarme milieus wordt gesproken, verschilt erg van de taal van de middenklasse en dus van de taal in de school. Kansarme kinderen hebben geleerd conflicten op directe en fysieke wijze op te lossen (zie 2.1.2.1) en brengen dit mee naar school. Zij reageren volgens de normen van de leerkrachten vaak brutaal, roepend, onverstaanbaar, … hetgeen irritatie opwekt. Soms zijn ze ook erg teruggetrokken omdat ze bang zijn om uitgelachen te worden.

Over gevoelens wordt er in kansarme gezinnen niet vaak gesproken, het zou te confronterend zijn. Zo stapelen onuitgesproken gevoelens zich op, tot het teveel wordt… dan komt alles eruit, buiten proportie. Vaak worden deze uitbarstingen geuit tegen hulpverleners, die dan soms een negatieve indruk krijgen.

Ouders zijn vaak bang om naar oudervergaderingen te gaan: Wat zal er gebeuren? Gaan ze iets moeten zeggen in groep? Ze zullen het toch niet begrijpen… en vragen stellen durven ze niet.  Doordat ouders niet naar de oudervergadering komen, groeit bij leerkrachten de veronderstelling dat ze niet geïnteresseerd zijn in (de resultaten van) de zoon of dochter. Wanneer ze toch naar de oudervergadering gaan, voelen ze zich vaak ongemakkelijk en niet op hun plaats; er wordt niets tegen hen gezegd, en zij durven niets te zeggen…

2.1.3 Praktijkvoorbeeld

Magda is een alleenstaande vrouw rond de vijfendertig die twee kinderen (Thomas, zeven jaar en Kathy, 2 jaar) heeft. Ze wordt reeds een aantal jaren begeleid door De Schutting. Ik had een gesprek met haar over hoe zij in haar kindertijd het onderwijs ervaren heeft en hoe nu de contacten met de school van haar zoontje verlopen.

"Ik vond het niet zo leuk om naar school te gaan. Mijn moeder was altijd erg ongerust en liet mij pas naar school gaan toen ik 6,5 jaar was. Ik moest onmiddellijk naar 't eerste leerjaar, maar ik vond het moeilijk om mij aan te passen aan de grote groep. Ik had geen broers en zussen. Ik speelde niet graag met de andere kinderen, want die waren zo druk en 't was allemaal zo chaotisch voor mij.

Ik ben dan vier maanden op internaat geweest. Dat vond ik heel tof want Zuster Overste en de juf waren heel vriendelijk tegen mij.

Daarna ging ik terug naar huis en ging ik naar de gemeenteschool. Daar waren de leerkrachten redelijk negatief en waren er veel kinderen die mij pestten. Ik was geen goede leerling. Omdat ik vaak ziek was, geraakte ik vlug achterop. Bij toneel moest ik altijd thuis blijven, ook al koste dat maar 20,- BEF. Mijn moeder was dan ongerust. Hadden de leerkrachten meer met mijn moeder gepraat, zou het wel beter geweest zijn, denk ik. Mijn moeder keek immers heel negatief naar de school: zij was zelf ook niet lang naar school geweest en had in verschillende internaten gezeten. Mijn moeder zei ook altijd dat ik geen moeite moest doen om te leren, want ik zou het toch nooit kunnen. Ik maakte dan ook niet zo goed mijn huiswerk. Ook de leerkrachten zeiden nooit iets positief. Op den duur geloof je dat natuurlijk. Nu vind ik het erg moeilijk om positieve woorden te aanvaarden. Ik geloof niet dat andere mensen vinden dat ik iets goed kan. Ik vind het zelf ook moeilijk om positief tegen mijn kinderen te zijn.

Ik heb Thomas naar een kinderdagverblijf en naar de kleuterschool laten gaan, opdat hij zeker niet al vanaf het begin achter zou zijn. Nu zit hij in het eerste leerjaar. Hij haalt goede punten en hij gaat meestal graag naar school. Hij maakt ook alleen zijn huiswerk. Hij is wel wat beïnvloedbaar door de andere jongens en is soms stout. Af en toe vertelt hij ook aan de juf wanneer de andere kinderen stout zijn, waardoor ze hem pesten.

Voor de juf is het soms wel moeilijk: ze geeft les aan 19 kindjes. Ze komt dan nog van buiten de stad en ze heeft niet vaak met kansarme kinderen te maken gehad. Ook veel andere kinderen komen van buiten de stad. Ze komen uit andere buurten en ze worden meestal met de auto gebracht. De school is ook niet zo goedkoop, vind ik. Maar 't lukt wel om alles te betalen.

Op oudercontacten zijn de andere ouders niet zo vriendelijk. Ze zeggen niets tegen mij. De juffrouw is wel vriendelijk."

2.2 Ongelijke behandeling

Over het algemeen beschouwt men de waarden, normen en omgangsvormen die men op school heeft als enige juiste, zonder erbij stil te staan dat deze typisch voor de middenklasse en bijgevolg relatief zijn. Ik ontken zeker niet dat deze waarden, normen en kennis positief zijn (ik maak uiteindelijk  ook deel uit van de middenklasse en heb mij deze waarden en kennis dus eigen gemaakt), maar ze zorgen ervoor dat mensen die andere waarden, normen en omgangsvormen hebben, bijvoorbeeld kansarmen, minder aanvaard worden.

De onaangepaste gedragingen van de kansarme kinderen worden gezien als een tekortkoming van hen. Zo worden zij, naast de ongelijke kansen die zij hebben, vaak ook ongelijk behandeld. Dikwijls hebben leerkrachten, vaak onbewust, vooroordelen tegenover deze kinderen. Men verwacht minder van hen en daardoor worden ze minder gestimuleerd. Deze kinderen worden in de school vlugger als dom beschouwd en bijgevolg naar zwakkere richtingen gestuurd. Door deze ongelijke behandeling hebben kansarme kinderen minder mogelijkheden om met gelijke resultaten te eindigen als andere kinderen.

2.2.1 Vooroordelen

De wijze waarop leerkrachten met leerlingen omgaan is erg bepalend voor hun verdere (school)loopbaan. Vooral wanneer kinderen kansarm, of zoals Lode Walgrave en N. Vettenburg  zeggen, maatschappelijk kwetsbaar zijn, is het risico groter dat zij te maken hebben met vooroordelen van de leerkracht.  Het zijn net zij die de positieve benadering en bevestiging juist meer nodig hebben dan hun klasgenootjes uit de meer gegoede klasse. Zij hebben immers sowieso al te kampen met heel wat minder kansen doordat hun financieel en cultureel startkapitaal minder groot is dan dat van kinderen uit de middenklasse. Zij hebben veel meer kans om uit de boot te vallen. De wijze waarop de leerkracht met hen omgaat is daarom extra belangrijk voor hen om zich al dan niet goed te voelen in de maatschappij, nu en in hun verder leven.

2.2.2 Het voordeel van een gunstige schoolbinding

Op school leren kinderen voor het eerst maatschappelijke bindingen aangaan: kinderen hechten zich aan de leerkracht. Zij kijken op naar wat deze zegt en ze leren zich aanpassen aan de waarden en normen van de school door de invloed van deze persoon. Op termijn zullen ze deze normen internaliseren en zullen ze zich automatisch aan de normen, waarden en opvattingen die in de school, maar ook in de maatschappij bestaan, houden. De sociale bindingen die men in de toekomst met andere instellingen aangaat, zullen over het algemeen positief zijn omdat men de waarden en normen kent en omdat men positieve ervaringen heeft met het aangaan van sociale bindingen. Er ontstaat interne en externe controle.

In een doorsnee situatie is dit het geval (volgens L. Walgrave en N. Vettenburg):

    SCHOOL

Schooltaken       Schooldiscipline

    Leerkracht

prestige   affectie         geloof
    engagement   gehechtheid   respect

    Leerling

2.2.3 Het nadeel van een ongunstige schoolbinding

Wanneer het echter niet lukt om een goede sociale binding aan te gaan met de school, zal men het later ook erg moeilijk hebben om zich aan te passen aan de waarden en normen van de samenleving. Dikwijls ziet men het als een tekortkoming van het kind als er geen sociale binding kan ontstaan, maar in een binding zijn er altijd twee polen. Als een kind minder kwaliteiten heeft, kan dat het tot stand komen van een binding moeilijker maken maar de andere pool, de school, speelt een even grote rol.

Vooral voor kinderen die uit kansarme gezinnen komen is het onderwijssysteem minder aangepast en werkt het niet motiverend. Deze leerlingen zijn de verbaalabstracte denkpatronen niet gewoon, zij kennen de informele omgangsregels niet en de taal is er anders. Daardoor ontstaan er heel wat misverstanden. De leerkracht zal afstandelijker tegenover deze leerling staan en zal hem of haar (onbewust) minder stimuleren. De ouders zijn minder vertrouwd met het schoolgebeuren en worden minder vriendelijk onthaald. Daardoor zullen zij hun kinderen minder stimuleren. Dit alles leidt tot een ongunstige kijk op de school.

 Falende sociale bindingen op school (volgens L. Walgrave en N. Vettenburg):

         Schooltaken       Schooltucht
         Leerkracht

      Vaststelling van      Sancties
      onbekwaamheid          Stigmatisering

          Leerling

De leerkracht ziet de leerling als dom en onaangepast. Hij zal hem/haar minder stimuleren en geeft weinig waardering en vriendschap, waardoor de leerstof en de klassituatie eerder een zware opdracht lijken dan een uitdaging. Het is erg moeilijk om een sociale binding aan te gaan. Doordat er weinig in hem/haar geloofd wordt, heeft de leerling het nog moeilijker om de voor hem onaangepaste taken te maken, waardoor hij zichzelf als onbekwaam beschouwt. Doordat er geen sociale binding is tot stand gekomen, zal de kansarme leerling de normen niet internaliseren en zich er dus ook niet aan houden. Er volgen een hele reeks sancties. De leerkracht ziet zijn vooroordeel van domme en onaangepaste leerling bevestigd.

Hieruit blijkt dat het erg belangrijk is om als leerkracht positief en stimulerend tegenover alle leerlingen te staan, en dan vooral tegenover hen die het het moeilijkst hebben. Het onderwijs vormt immers een belangrijke schakel in het doorbreken of het bevestigen van kansarmoede. Wanneer de binding met de school gunstig verlopen is, zal een kansarm kind zich beter voelen in de samenleving. Het krijgt een positiever zelfbeeld en de kans zal groter zijn dat het langer naar school gaat, waardoor het uiteindelijk een diploma behaalt en zo meer kans heeft op werk. Natuurlijk is het niet zo gemakkelijk voor leerkrachten om altijd positief tegenover 'lastige' en 'onaangepaste' leerlingen te staan, maar toch zijn zij het die de stap moeten zetten. Als de leerkracht het immers al laat afweten in hun prilste levensjaren, wat gebeurt er dan in de rest van hun leven…

2.2.4 Praktijkvoorbeeld

Daniële is een alleenstaande vrouw rond de dertig. Ze heeft een zoontje, Marnix, van zeven jaar. Marnix is een erg hevige jongen die veel energie vraagt van de omgeving. Omdat Daniële er alleen voor staat en omdat ze het zelf vaak moeilijk heeft, wordt ze al een aantal jaren door De Schutting begeleid. Haar begeleidster vertelt…

"Sinds een half jaar zijn we intens met de school bezig. Er waren namelijk problemen met Marnix, waar iets aan gedaan moest worden. De ervaringen die ik toen had met de leerkracht waren erg negatief: deze zag Marnix als het probleem. We zijn dan samen gaan zitten met verschillende diensten, zoals de school, het PMS, … Daaruit kwam de conclusie dat de leerkracht moest proberen om te gaan met hem. Dat ging echter niet in de praktijk; ze werd altijd kwaad op Marnix. Daardoor was het nog moeilijker voor Marnix. Hier heeft het PMS echter niks aan gedaan.

Uiteindelijk hebben we beslist dat het misschien beter zou zijn, moest Marnix naar een andere school gaan. Zo gaat hij nu naar het BLO. Hij zit in een klasje met zeven leerlingen waar een leerkracht samen met een hulpleerkracht les geeft. Deze leerkracht staat open voor veel dingen. Hij is ook intens met Marnix bezig en zo lukt het hem ook. Zo blijkt dat hij helemaal niet dom is, maar dat hij licht karaktergestoord is en dat hij een negatieve thuiservaring heeft.

Als begeleidster vind ik het heel belangrijk om mee te gaan met de ouders naar leerkrachten, oudercontacten, … omdat ze zich zo gesteund voelen. De contacten tussen ouders en de school zijn immers erg belangrijk. Het is erg belangrijk om de ouders goed te begeleiden zodat ze zich sterker voelen om hun kinderen op te voeden."

2.3 Ongelijke resultaten

Het feit dat kansarme kinderen met minder financieel en vooral cultureel kapitaal naar school komen, waardoor zij reeds een ongelijke startpositie hebben, en het feit dat heel wat kansarme kinderen daardoor nog eens ongelijk behandeld worden, zorgen ervoor dat de eindresultaten ook ongelijk zullen zijn. Uit onderzoek  blijkt dit:

'Onderzoek op basis van steekproeven wijst uit dat bijna twee derde van kinderen uit kansarme gezinnen in het lager en secundair onderwijs minstens één jaar hadden over gezeten, 30 % zelfs twee of meer jaren, en ongeveer één op drie was in het buitengewoon onderwijs verzeild geraakt. De kans om in het buitengewoon onderwijs terecht te komen, ligt voor arme kinderen daarmee tienmaal hoger dan voor het gemiddelde kind. Ook de studie-oriëntatie binnen het secundair onderwijs blijkt sterk door sociale afkomst bepaald. In 1994-1995 was in Vlaanderen één op vijf vaders van de leerlingen van het vierde jaar secundair beroepsonderwijs(BSO) economisch inactief, tegenover slechts één op twintig vaders van hun leeftijdsgenoten in het algemeen secundair onderwijs (ASO). Drie op vier vaders van de BSO-leerlingen was arbeider of lagere bediende, tegenover één op drie bij de ASO-leerlingen. Van de BSO-leerlingen had één op drie moeders enkel lager onderwijs gevolgd, tegenover slechts één op tien moeders van de leerlingen uit het ASO (zie specificatie in tabel II).

Een verdere selectiefase is de ongekwalificeerde uitstroom uit het onderwijs. In 1999 verliet nog 14 à 15 % van de jongeren het hoger secundair onderwijs zonder diploma en 2 à 3 % zelfs zonder lager secundair getuigschrift. Opnieuw betreft het hier vooral jongeren uit de lagere sociale klassen. De afgelopen jaren verliet 21,6 % van de arbeiderskinderen het secundair onderwijs zonder diploma, tegenover slechts 4,8 % van de kinderen van hogere bedienden en kaders. Nauwelijks de helft van de arbeiderskinderen verwerft een diploma dat toegang verleent tot het hoger onderwijs en slechts 35 % van de arbeiderskinderen neemt er ook effectief aan deel. Bij de kinderen van hogere bedienden bedragen deze percentages respectievelijk 90 % en 75 %. Binnen dat hoger onderwijs kiezen drie op vijf arbeiderskinderen voor het korte type en behaalt minder dan één op drie van hen finaal een diploma. Bij kinderen van hogere bedienden is dat respectievelijk één op vier en drie op vier.

Men zou denken dat dit in latere fasen nog deels wordt gecorrigeerd door de naschoolse opleidingen. Zoals het tweedekansonderwijs en het onderwijs voor sociale promotie, die juist als prioritair doel hebben om laaggeschoolden een nieuwe kans op een hoger diploma te bieden. Niettemin speelt ook hier het Mattheüseffect. Jaarlijks volgt ongeveer één op vier actieven in België een of andere bij- of nascholing. De participatiekans van universitair geschoolden blijkt daarbij echter achtmaal groter dan die van personen die alleen lager onderwijs genoten. Voorts zijn het vooral jongeren, werkenden, mannen, bedienden en ambtenaren die profiteren van de volwassenenopleidingen.'

Doordat kansarme leerlingen met ongelijke resultaten hun schoolcarrière beïndigen in een maatschappij waarin het opleidingsniveau zo belangrijk is, komen zij net als hun ouders in de marginaliteit terecht. Geen of een laag diploma betekent immers: geen of slecht betaald werk, een minder goede woning, een slechte gezondheid, een laag zelfbeeld, veel (interne) conflicten/problemen… Wanneer zij kinderen krijgen, krijgen deze net als zijzelf minder culturele en financiële bagage mee en zo is de kringloop van de kansarmoede rond.

Terug naar het begin van de pagina


HOOFDSTUK 3: suggesties

Inleiding

Zoals iedereen weet, is het gemakkelijker om knelpunten aan te geven dan om oplossingen te suggereren. Ook ik vind het moeilijk om suggesties te geven. Zeker  omdat 'kansarmoede en de rol van het onderwijs' een erg complex onderwerp is dat verweven zit in een netwerk van vele maatschappelijke factoren. Zo is kansarmoede niet iets wat uitsluitend door een beter afgestemd onderwijs opgelost kan worden. Ook de domeinen huisvesting, tewerkstelling, gezondheid, welzijn… zouden verbeterd moeten worden. Ook zou het belang van opleiding en kennis in onze maatschappij gerelativeerd moeten worden, zou de emotionele intelligentie aan waarde moeten winnen, zou elke persoon aanvaard moeten worden hoe hij/zij is en niet in één of ander vakje gecategoriseerd moeten worden… kortom een hele maatschappelijke verandering zou moeten plaatsvinden opdat we zouden leven in een samenleving van gelijkheid en respect, waarin kansarme mensen de kans krijgen om uit hun kringloop te geraken.

Ik ben me bewust van het feit dat het onderwijs geen algemene veranderingen kan veroorzaken, maar ik ben van mening dat als het onderwijs en de welzijnssector meer op elkaar afgestemd zouden zijn, er meer mogelijkheden tot verbetering voor de situatie van kansarmen zouden zijn. De welzijnssector heeft immers contacten met diensten die instaan voor huisvesting, werkgelegenheid, gezondheid… en vormt in dat opzicht een spilfiguur. Wanneer al deze diensten min of meer op een zelfde niveau werken, kunnen er grotere algemenere veranderingen ontstaan. Hier wil en kan ik mij echter niet in verdiepen in dit eindwerk.

Wel wil ik ingaan op de mogelijke oplossingen voor een betere afstemming van het onderwijs en de welzijnssector op kansarme kinderen in de school. Wat kunnen deze instellingen doen opdat deze kinderen meer gelijke kansen, gelijke behandeling en gelijke resultaten zouden hebben? Willen we effectief iets aan de situatie van kansarmen (op school) doen, is dit hoofdstuk zeer belangrijk, misschien wel het belangrijkst.

Voor de duidelijkheid wil ik in dit hoofdstuk dezelfde structuur als in hoofdstuk 2 aanhouden. Ik doe hier weer beroep op hetgeen Ides Nicaise  aangeeft over de tekortkomingen van ons onderwijssysteem, met name ongelijke kansen, ongelijke behandeling en ongelijke resultaten. Hierop wil ik mogelijke oplossingen aangeven waarvan sommigen in het onderwijs, anderen in de welzijnssector kunnen aangewend worden. Maatschappelijk werkers hebben hier vooral een ondersteunende functie, een brugfunctie en signaalfunctie te vervullen.

3.1 Gelijke kansen

3.1.1 Suggesties voor het onderwijs

3.1.1.1 Financieel startkapitaal van kansarmen verhogen ofwel studiekosten van het onderwijs verlagen

Omwille van de relatief hoge schoolkosten komen heel wat kansarme gezinnen in (financiële) problemen terecht. Schulden stapelen zich op, kinderen worden scheef bekeken omdat ze weeral iets niet betaald hebben. Dikwijls wordt er bespaard op voeding… Sommige scholen gaan erg discreet om met financiële moeilijkheden en zien bepaalde betalingen door de vingers; andere scholen zijn erg strikt in het betalen van allerhande kosten. Een echte regelgeving rond dit onderwerp bestaat er niet. Hier komen enkele suggesties:
· Veel ouders vinden het geen probleem de studiekosten (12000,- bef gemiddeld ) voor hun kind te betalen, maar voor anderen is het moeilijker. Men zou de kostprijs misschien meer moeten afstemmen op het gezinsinkomen.
· Ook zouden studietoelagen kunnen aangereikt worden in de vorm van verhoogde kinderbijslag. Bij gewone studietoelagen moet er een aanvraag ingediend worden, maar deze administratieve drempel is meestal te hoog, waardoor veel mensen niet krijgen waar ze recht op hebben.
· Kinderen zouden niet meer mogen lijden onder de problematiek van de onbetaalde schoolrekening. Ook moet men dit met de grootste discretie behandelen en de financiële problemen aan zo weinig mogelijk teamleden melden.
· Het schoolteam zou aan de ouders verschillende betalingsmogelijkheden moeten voorstellen, rekening houdend met het feit dat verschillende kleine bedragen makkelijker te betalen zijn dan één groot bedrag.
· De overheid zou een concrete en effectieve regelgeving moeten opstellen waarop de scholen kunnen terugvallen bij het niet (kunnen) betalen van schoolkosten.

3.1.1.2 Geïntegreerd gelijke kansenbeleid

De huidige minister van onderwijs Marleen Vanderpoorten heeft nieuwe plannen voor gelijke kansen in het onderwijs. Deze zijn zeker positief en moeten hier dan ook vermeld worden.

In het nieuwe beleid zijn er twee krachtlijnen: een grondige koerswijziging van het non-discriminatiebeleid en een nieuwe aanpak van onderwijsvoorrang.

1. Van het non-discriminatiebeleid naar het lokaal gelijke kansenbeleid

Aangezien het huidige non-discriminatiebeleid niet effectief is, wil minister Vanderpoorten een nieuwe koers gaan varen, met name het lokaal gelijke kansenbeleid. In een decreet wil zij het inschrijvingsrecht van de leerling en de aanvaardingsplicht van de school vastleggen. Op deze manier wil zij verhinderen dat bepaalde leerlingen in een school geweigerd worden. Behalve om objectieve redenen (leeftijd, te weinig plaats…) zal de school een leerling niet meer kunnen dwingen naar een andere school te gaan. Ook wil minister Vanderpoorten het imago van de concentratiescholen verbeteren door extra middelen in te schakelen om de kwaliteit in deze scholen te doen stijgen.

Ik ben zelf van mening dat de aanwezigheid van verschillende culturen en verschillende klassen zeker ook een positieve zijde heeft: van kleins af aan kan een kind leren op een spontane manier leren om te gaan met kinderen die van een andere afkomst zijn; het leert de verschillende gewoonten, gebruiken en waarden kennen; het leert verdraagzaam te zijn tegenover het vreemde (wat eigenlijk niet meer vreemd is); de verschillen kunnen gebruikt worden in de klas.. Waarom altijd de problemen zien van 'multiculturalisme' terwijl het zeker ook een verrijking is of kan zijn? Ik ben me ervan bewust dat het niet evident en gemakkelijk moet zijn om dit alles tot een mooi en leerrijk geheel te brengen, maar wanneer de visie en de ingesteldheid al een beetje veranderen, zijn we al een hele stap vooruit…

Ook is de minister van plan de lokale overleggen (waar alle scholen van één gemeente of regio samen zitten) te handhaven om te bemiddelen bij klachten van ouders.

2. Geïntegreerd ondersteuningsaanbod

Het 'geïntegreerd ondersteuningsaanbod' is de nieuwe verzamelterm voor alle huidige projecten waarvoor scholen extra subsidies kunnen krijgen. In het nieuwe beleid zouden de twee belangrijkste (en duurste) projecten worden samengevoegd, namelijk het onderwijsvoorrangsbeleid voor migrantenkinderen en het zorgverbredingsbeleid voor kansarme kinderen. Samen met een reeks kleinere projecten wordt het één grote subsidiepot (ongeveer 2 miljard per jaar). Hierbuiten zou nog enkel één project blijven bestaan, namelijk het onthaalbeleid voor anderstalige nieuwkomers.

Scholen met grote aantallen kinderen met risico op achterstand (bepaald door sociale en onderwijskundige indicatoren) kunnen beroep doen op extra middelen om de handelingsbekwaamheid van de school te vergroten. Zo kan de school ook kinderen met risico alle onderwijskansen bieden en op deze manier bijdragen tot het dichten van de kloof rijk-arm (en parallel hiermee de kloof hooggeschoold-laaggeschoold).

3.1.1.3 Samenwerking met welzijnssector

Samenwerking met de diensten uit de welzijnssector mag niet afgewezen worden. Sommige problemen vragen deskundige hulp en kunnen dus niet alleen door de school of het CLB opgelost worden. De school kan een belangrijke factor spelen in het oplossen van de problemen en dus is samenwerking vereist.

Vaak wordt er door leerkrachten aangegeven dat er te weinig tijd en/of te weinig motivatie  is om leerlingen te begeleiden en om met welzijnsvoorzieningen samen te werken. Toch moet aangegeven worden dat het alleen maar in het voordeel van de school (leerkracht) werkt. Een leerling die zich beter voelt, zet zich immers meer in en heeft betere resultaten.
 

3.1.2 Suggesties voor de welzijnssector

3.1.2.1 Cultureel startkapitaal verhogen (ondersteunende functie)

Het probleem voor heel wat kansarme kinderen is dat de gewoonten, waarden en normen van de school erg verschillen met hetgeen zij thuis gewoon zijn. Zij gedragen zich vaak anders dan de andere kinderen, hetgeen soms wel irritatie opwekt bij de leerkracht. Doordat zij enerzijds vaak anders bekeken en benaderd worden en doordat zij anderzijds ook dikwijls voelen dat de gewoonten en gebruiken van de school hen vreemd zijn, moeten zij over het algemeen een grotere afstand overbruggen om net als de andere kinderen goed te presteren.

Enerzijds moet het onderwijs een tegemoetkoming doen en de kinderen van verschillende klassen (en verschillende culturen) op een zelfde manier kansen geven door middel van het geïntegreerd kansenbeleid, maar anderzijds moet de welzijnssector de kansarme ouders ondersteunen en hen inlichten over de kenmerken, de visie en het belang van het onderwijs, opdat de te overbruggen afstand minder groot zou zijn.

Deze ondersteuning en inlichting kan gebeuren door verschillende diensten in de welzijnssector:

1. Er zouden meer dagcentra voor integrale gezinsbegeleiding (zie 1.2.4.3) moeten zijn.

Deze diensten zorgen ervoor dat de ouders zich ondersteund voelen in hun bestaan en in de opvoeding van hun kinderen. Er wordt aandacht besteed aan elk individu, aan de relaties binnen het gezin en aan de relaties met de omgeving, waaronder het onderwijs. Dikwijls vinden ouders het moeilijk om zelf naar de school te stappen wanneer er problemen zijn. Ze weten niet hoe hun kinderen te begeleiden bij het huiswerk. Ze kunnen de nota's in de agenda niet lezen. Ze kunnen of durven niet naar een oudercontact te gaan omdat ze bang zijn negatief bekeken te worden. Ze hebben geen geld om de schoolreis te betalen maar durven dit niet te zeggen en houden daarom hun kinderen thuis… daarom is het goed dat er iemand is die hen gerust stelt en die hen helpt stappen te ondernemen om toch te doen wat er moet gebeuren. Een goede verstandhouding/samenwerking tussen de ouders en de school is immers zeer belangrijk voor de schoolresultaten van het kind. Hierbij moet men opletten dat men niet de verantwoordelijkheden van de ouders overneemt, iets wat gemakkelijk dreigt te gebeuren maar wat totaal niet efficiënt is.

In Brussel zijn er slechts twee Nederlandstalige dagcentra (Het Vlot en De Pont), hetgeen (naar eigen zeggen) veel te weinig is.

2. Preventief aandacht geven aan de relatie school-leerling

In bestaande diensten waar er met kansarmen wordt gewerkt, moet men preventief voldoende aandacht geven aan de relatie met de school om latere schoolproblemen te voorkomen. Zo kan het OCMW, diensten die zich specifiek richten tot kansarmen, … ouders stimuleren om hun kinderen naar de kleuterschool te sturen, hetgeen een positieve invloed heeft op de verdere schoolloopbaan.

Ook kan men het in ouderpraatgroepen hebben over de school om hierover verschillende ervaringen uit te wisselen. Mensen kunnen elkaar helpen door tips te geven. Ze kunnen zich gesteund voelen in gemeenschappelijke knelpunten en krijgen weer moed doordat ze horen dat ze niet alleen zijn in hun situatie. Zo voelen zij dat niet zij een probleem zijn, maar wel een probleem hebben, hetgeen veel dragelijker is. Ze krijgen meer kracht om iets aan hun situatie te doen en op die manier hun kinderen meer kansen te geven.

3.1.2.2 Bekendmaking van de welzijnscentra aan de scholen (signaalfunctie)

1. Bekendmaking van onbekende diensten

Leerkrachten kennen vaak het aanbod van de welzijnssector niet. Hierdoor worden er vaak geen signalen doorgegeven naar de gespecialiseerde diensten. Het blijkt wel dat de 'traditionele' diensten meer bekend zijn en bijgevolg meer gecontacteerd worden. Het bekendmaken van andere diensten is noodzakelijk wil men een samenwerking op gang te brengen. Er zijn verschillende manieren waarop een dienst zich kan bekendmaken: folders, infomomenten, brochures, uitnodigen ter plaatse, … Het is ook belangrijk het signaal te geven dat in de lerarenopleiding meer aandacht zou mogen besteed worden aan de bekendmaking van de sociale kaart.

Vooral de functies informatieverstrekking en voorlichting worden door de scholen gebruikt, en deze functies moeten bij de bekendmaking in het licht gesteld worden, zodat het zeker als voordeel ervaren wordt om de diensten te contacteren. Ook moet er rekening mee gehouden worden dat het erg voordelig kan zijn één contactpersoon voor te stellen.

2. Het Comité van Bijzondere Jeugdzorg zou in een positiever daglicht moeten gesteld worden.

Veel ouders, onderwijzers, opvoeders, hulpverleners… zien het comité van Bijzondere Jeugdzorg als een streng optredende instantie die kinderen weghaalt uit het gezin. Dit comité wordt vaak pas gecontacteerd als de situatie al helemaal uit de hand gelopen is waardoor het erg moeilijk is om een efficiënte oplossing te vinden. Als het comité echter vroeger gecontacteerd werd, was de kans groot dat het kind en het hele gezin geholpen werd door een gezinsbegeleiding, een naschoolse opvang, een korte therapie, …

Aan de andere kant blijkt ook dat het comité enkel de situaties die het meest uit de hand gelopen zijn op zich neemt, omdat men overbelast is. Hierdoor geeft het comité onrechtstreeks aan de doorverwijzers het signaal dat men hen pas mocht contacteren wanneer de situatie zwaar genoeg is. Dit zorgt ervoor dat er geen preventieve maatregelen kunnen genomen worden.

Enerzijds zouden er dus meer consulenten tewerk gesteld moeten worden in het comité of zou er een andere instantie met een minder hoge drempel moeten gecreëerd worden, zodat er niet meer gewacht wordt totdat de situatie uit de hand gelopen is maar wel dat er vroegtijdig aan hulpverlening kan gedaan worden (verhogen van het aanbod). Anderzijds zou (door middel van campagnes) duidelijk gemaakt moeten worden aan alle diensten die met kinderen en jongeren werken dat het comité van Bijzondere Jeugdzorg niet één of andere veroordelende instantie is, maar wel een officiële instantie die het beste met de kinderen en ouders voor heeft (verhogen van de vraag). Men zorgt er o.a. voor dat er een aangepaste oplossing wordt gezocht om de ontstane kloof tussen het kind (het gezin) en de school te dichten.

3.2 Gelijke behandeling

3.2.1 Suggesties voor het onderwijs

3.2.1.1 Aandacht voor marginale groepen en bekendmaking van de sociale kaart in lerarenopleiding

Vaak hebben leerkrachten geen weet van de achterliggende problematiek waarmee sommige leerlingen te kampen hebben. Dikwijls worden leerkrachten geacht aan te voelen als er iets mis is met een bepaald kind en intuïtief te weten hoe ze met deze moeilijke situaties moeten omgaan. In hun opleiding is er immers geen of te weinig aandacht voor kinderen uit bepaalde marginale groepen. Als pas afgestudeerde leraar(es) heeft men vaak te weinig handvaten om te weten hoe met deze (bijvoorbeeld kansarme) kinderen consequent om te gaan.

Daarom ben ik van mening dat men in de lerarenopleiding meer aandacht moet besteden aan de oorzaken en gevolgen van de situatie waarin kansarmen, maar ook andere doelgroepen (migranten, anderstaligen, zigeuners, …), verkeren, wil men begrip krijgen voor deze kinderen en hen bijgevolg op gelijke wijze behandelen. Ook het belang om op consequente wijze met leerlingen om te gaan (stimuleren, positieve discriminatie, extra begeleiding, eventueel doorverwijzen naar CLB) moet beklemtoond worden.

Daarnaast is het ook nodig om de sociale kaart in de opleiding te brengen opdat leerkrachten (in spé) weet hebben van de bestaande welzijnsorganisaties en bijgevolg de kans hebben om informatie te vragen over bepaalde moeilijke situaties of om bepaalde kinderen door te verwijzen.

3.2.1.2 Een groene leerkracht in de school

Het zou goed zijn moest er in elke school een groene leerkracht (een pedagoog, een maatschappelijk assistent, een opvoeder…) zijn, bij wie zowel leerlingen als leerkrachten terechtkunnen als ze in een moeilijk situatie zitten of als ze raad willen i.v.m een bepaald probleem.

Toch wil ik beklemtonen dat het even belangrijk is dat de leerkrachten zelf op een positieve, open en vertrouwelijke manier met de leerlingen omgaan en niet de leerlingen bij elke moeilijke situatie doorsturen naar die ene speciale persoon. Dan zou het alleen maar een handig lapmiddel zijn.

Leerkrachten moeten kunnen rekenen op de steun en het advies van hun collega 's, van de directie en indien die er is, van de groene leerkracht.

3.2.1.3 Inclusief onderwijs

Het inclusief onderwijs is een zeer goede oplossing om zwakke leerlingen in het gewoon onderwijs beter te begeleiden. Kinderen die normaal gezien in het Bijzonder Onderwijs zouden zitten, zouden les kunnen volgen in het gewoon onderwijs, maar krijgen de omkadering van het buitengewoon onderwijs. Zo krijgen deze kinderen de kans om beter opgevolgd te worden en daardoor minder vlug terecht te komen in het watervalsysteem. In Gent hoopt men tegen het schooljaar 2002 te starten met inclusief onderwijs waar leerlingen uit het buitengewoon en het gewoon onderwijs samen les volgen.

Concreet is het de bedoeling om gemengde klassen op te richten, waar type 3 en type 8 kinderen samen met andere kinderen les volgen. Voor creatieve vakken zitten de leerlingen van een zelfde klas samen, zodat ze van elkaar kunnen leren. Bij vakken met leerinhoud wordt ze opgesplitst zodat er beter aan de individuele noden voldaan kan worden.

3.2.2 Suggesties voor de welzijnssector

3.2.2.1 informatieverstrekking bij begeleidingen (brugfunctie)

Maatschappelijk werkers die met kansarmen in contact komen, kunnen vanuit hun dienst een brugfunctie vervullen tussen de (kansarme) ouders en de school. Vaak zijn hier immers communicatiestoornissen en ontstaan er daardoor misverstanden. De maatschappelijk werker kan enerzijds de ouders inlichten over de verwachtingen, de werkwijze, de visie en de gewoonten van de school, anderzijds kan men aan de school de problemen en knelpunten van het gezin kenbaar maken om zo het wederzijds contact te verbeteren. Pas als men elkaar beter begrijpt, zal men ook positiever staan tegenover elkaar.
3.2.2.2 Bereidheid tot samenwerking bij de scholen vergroten (brugfunctie)
Vaak ontbreekt bij heel wat leerkrachten de tijd en de motivatie om samen te werken rond bepaalde knelpunten waarmee kansarme kinderen (maar ook de ouders en de leerkrachten) in contact komen. Sommige leerkrachten staan er wel open voor om met een bepaalde dienst samen te gaan zitten om te overleggen over één bepaalde situatie, maar wanneer het om meer algemene en langdurige veranderingen (vb. communicatie tussen de school en ouders verbeteren) gaat, is er meestal weinig tijd en daardoor ook weinig inzet. Het zou goed zijn moesten er extra uren gegeven worden aan de leerkrachten om samen te werken met belangrijke structurele veranderingen. Het is immers begrijpelijk dat leerkrachten niet altijd vrijwillig willen samenwerken want ze hebben vaak al erg veel aan het hoofd, maar aan de andere kant levert zo 'n samenwerking zowel voor hen als voor de kinderen (gezinnen) voordeel op. Samenwerking met diensten, ouders en kinderen geeft meer inzicht in de situatie waardoor er meer wederzijds begrip en respect komt. Dit voelen deze mensen. Wanneer de kinderen zich beter voelen, zullen de leerresultaten over het algemeen beter zijn. En dit is uiteindelijk waar de school ook naar toe streeft: goede leerresultaten en tevreden leerlingen. Verandering in de visie van leerkrachten en directie is een eerste vereiste wil men tot samenwerking komen. Bij de voorstelling van het hulpverleningsaanbod en tijdens de eerste contacten is het erg belangrijk om het verband tussen welzijn en leerresultaten aan te duiden.

De school geeft aan vaak negatieve ervaringen te hebben met de welzijnssector (niet duidelijk wie contactpersoon is, geen overzicht van welzijnssector, …). Daarom is het erg belangrijk dat de eerste contacten tussen de dienst en de school uitmonden in uiterst positieve ervaringen. Het is nodig aan te duiden dat een samenwerking niet automatisch leidt tot taakverzwaring. Integendeel, als men meer over de situatie van de leerling weet, kan men er gemakkelijker mee omgaan. Als men methodisch meer uitgerust is om met bepaalde probleemsituaties om te gaan, voelt men zich minder gespannen in de klas. Via individuele hulpverlening kunnen de welzijnsvoorzieningen langzaam het vertrouwen van de school winnen, om zo uiteindelijk toegang te hebben tot meer preventieve acties.

In dit alles is het goed een verbindende schakel te hebben tussen de school en de welzijnsdiensten. Dit kan schoolmaatschappelijk werk (met mensen van de school zelf, vb. cel leerlingenbegeleiding), het CLB, een maatschappelijk werker binnen de school, … zijn.

3.2.2.3 Pedagogische vorming van leerkrachten (signaalfunctie en ondersteunende functie)

Mensen uit de welzijnssector kunnen vanuit hun ervaring leerkrachten laten zien dat de situatie waarin kansarmen verkeren niet zo gemakkelijk is als deze op het eerste zicht lijkt. Hierin zijn twee pijlers belangrijk:

1. Het is belangrijk dat welzijnswerkers leerkrachten erop wijzen dat het nodig is de 'waaromvraag' te stellen. Hierin moeten de gevolgen van vooroordelen duidelijk gemaakt worden.
2. Ook is het nodig dat erop gewezen wordt dat kinderen een alternatief voor hun afgekeurd gedrag nodig hebben, om zich te kunnen aanpassen aan de gewoonten van de school (explicitering van de verwachtingen).

Dit alles kan gebeuren op een pedagogische studiedag, op een naschoolse opleiding, tijdens de lerarenopleiding, …

3.3 Gelijke resultaten

Wanneer men kansarme kinderen gelijke kansen geeft en wanneer ze op een zelfde manier benaderd worden als andere kinderen, is de kans groot dat de resultaten op een meer gelijke wijze verdeeld zullen worden. Gelijke resultaten behalen wil dus niet zeggen aan iedereen dezelfde beloning geven, ongeacht de inzet. Het behalen van gelijke resultaten houdt in dat men ongelijkheden die te maken hebben met sociale afkomst zoveel mogelijk moet uitschakelen bij het verlaten van de school.

Terug naar het begin van de pagina


ALGEMEEN BESLUIT

Kansarmoede is een maatschappelijk probleem dat bestaat en blijft bestaan. Vaak zitten kansarme mensen gevangen in een ingewikkeld web van problemen op verschillende levensdomeinen. Eén van die levensdomeinen is het onderwijs. Wanneer kinderen naar school gaan, wordt van hen verwacht dat ze zich aanpassen aan de gewoonten en gebruiken van de school. Kansarme kinderen hebben van thuis uit minder financiële en culturele mogelijkheden om aan deze verwachtingen te voldoen, waardoor zij reeds van in het begin minder kansen hebben. Het onderwijs kan deze kinderen bevestigen in hun kansarmoede of het kan proberen om de kringloop van kansarmoede te doorbreken.

Aangezien het onderwijs de eerste maatschappelijke instelling is waarmee kinderen in contact komen, is het erg belangrijk voor hun verdere leven in deze maatschappij dat dit contact gunstig verloopt. Hierbij komt nog dat het onderwijs één van de meest belangrijke instellingen van onze maatschappij is omdat kennis en opleiding zulke belangrijke plaats innemen in onze maatschappij. In die zin is het van groot belang aandacht te besteden aan kansarme kinderen in het onderwijs, zowel door het onderwijs zelf als door de welzijnssector.

Er zijn al een heel deel initiatieven, zowel binnen als buiten het onderwijs, genomen om kansarme kinderen te ondersteunen in hun schoolloopbaan. Men tracht deze kinderen vooral gelijke kansen te geven. Toch blijkt dat deze aandacht niet voldoende is, want veel kansarme kinderen geraken toch achterop, wat ervoor zorgt dat zij net als hun ouders in de kringloop van kansarmoede dreigen te blijven zitten. Een verdieping in de knelpunten waar kansarme kinderen en ouders in de school mee in contact komen, maakt duidelijk dat er naast de aandacht voor gelijke kansen ook aandacht voor gelijke behandeling en gelijke resultaten moet zijn. Er zijn dan ook een aantal suggesties voor mogelijke oplossingen die zowel het onderwijs als het welzijnswerk kunnen aanwenden in hun pogingen om de kringloop van kansarmoede te doorbreken.

Maatschappelijk werkers hebben in de relatie onderwijs-kansarmen, of de meer individuele relatie leerkracht/school-kansarme leerling/ouders, een belangrijke ondersteunende functie, brugfunctie en signaalfunctie te vervullen aangezien zij vanuit hun ervaring met beiden in contact komen of gekomen zijn. Vanuit deze functies moet uiteindelijk het wederzijds begrip en vervolgens de samenwerking tussen de school en kansarme leerling/ouders en uiteindelijk tussen het onderwijs en kansarmen voortvloeien. Deze is immers belangrijk wil men openstaan voor gelijke kansen, gelijke behandeling en gelijke resultaten van kansarme kinderen, hetgeen  noodzakelijk is wil men de kringloop van kansarmoede doorbreken.

Terug naar het begin van de pagina


BIBLIOGRAFIE

GESCHREVEN BRONNEN

VRANKEN J., GELDOF D., VAN MENXEL G., VAN OUYTSEL J., Armoede en Sociale Uitsluiting, jaarboek 2000. Leuven, Uitgeverij Acco, 2000

LAEVERS F., VANHOUTTE T., Kansrijk voor Kansarm. Leuven, Centrum voor Ervaringsgericht Onderwijs v.z.w., 1998

WALGRAVE, L., VETTENBURG N., VAN KERCKVOORDE J.,  Jeugdwerkloosheid, delinquentie en maatschappelijke kwetsbaarheid. Antwerpen/Arnhem, Kluwer/Gouda, 1984, verwerkt in de Inleiding tot de Psychologie, cursus  gemaakt door Marleen Heylen, SSH

NICAISE I., Studiedag 19 april 2001: Achterstevoren. Onderwijs en sociale achterstelling. Leuven/ KUL- HIVA, 2001 (niet-gepubliceerd rapport)

VLAAMS PARLEMENT, visietekst: Naar een geïntegreerd gelijke kansenbeleid binnen het onderwijs. Brussel/Departement Onderwijs, 2000

MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP, DEPARTEMENT ONDERWIJS, Het centrum voor leerlingenbegeleiding: een nieuwe aanpak. Brussel/ Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, 1999

VLAAMSE REGERING, Visietekst: Schoolopbouwwerk, Naar een Doelgericht en Emancipatorisch Concept. Goedgekeurd door Vlaamse regering op 23 juli 1997

HERTOG, P., 'Hoog- en laaggeschoolden leven elk in een andere wereld' Koen Pelleriaux over de nieuwe ongelijkheden in de samenleving. Doen, 2001, p. 4-7

NICAISE, I., Armoede en menselijk kapitaal. De rol van het onderwijs. Economisch Financiële Berichten. jrg. 56, nr. 2, 2001

UNIVERSELE VERKLARING VAN DE RECHTEN VAN DE MENS, aangenomen door de algemene vergadering van de Verenigde Naties op 10 december 1948, Belgisch Staatsblad, 31 maar 1949. Art 26, 1

SCHOOLPACT van 29 mei 1959. Art 12

DECREET Basisonderwijs van de Vlaamse gemeenschap van 25 februari 1997. Belgisch Staatsblad, 17 april 1997. Art 27, 1

BOLLENS J., DE VOS H., VLEUGELS I., VERHAEGHE JP., Studiekosten in het basisonderwijs, wat het aan ouders kost om schoolgaande kinderen te hebben. Leuven, KUL/HIVA, 2000

BEWEGING VAN MENSEN MET EEN LAAG INKOMEN, Armoede en onderwijs, startkansen voor een volwaardig burgerschap. Gent/Beweging van mensen met een laag inkomen en kinderen vzw, 1998

KONING BOUDEWIJN STICHTING, ATD VIERDE WERELD BELGIË, VERENIGING VAN BELGISCHE STEDEN EN GEMEENTEN, Algemeen Verslag over de armoede, in opdracht van de Minister van Sociale integratie. Eeklo/ Pauwels N.V., 1994

DE VEIRMAN, B. en REYMEN, H., De missing Link, tussen hulpverlening en kansarmen. Brussel, De Cirkel (Rapport)

VAN DE VELDE, V., Gezin en school. Een onderzoek over het gezin als indicator voor de schoolloopbaan in het secundair onderwijs. Leuven/HIVA, 1996

BOLLENS J. , DE VOS H., VLEUGELS I., VERHAEGHE JP., Studiekosten in het basisonderwijs, wat het aan ouders kost om schoolgaande kinderen te hebben. Leuven, KUL/HIVA, 2000

Kansarmen in het onderwijs, Studiedag Kansen in het onderwijs, werkgroep 1: een code voor de schoolrekening, Antwerpen10-05-2001 (rapport)

Minister Vanderpoorten heeft nieuwe plannen voor gelijke kansen. Limburgsmozaïek, nr. 91, 2001, p. 4-5

HILLEN, M., Bereidheid en onbereidheid tot samenwerking met de welzijnssector bij leerkrachten in het secundair onderwijs. Leuven, licenciaatsverhandeling criminologie, K.U.Leuven, 1993

TSEY CHOW, C., Inclusief onderwijs moet zwakke leerlingen beter begeleiden. De Morgen, 10 mei 2001, p. 28

MONDELINGE BRONNEN

CASSART, S., Mondelinge Mededeling. Formeel gesprek, 17 april 2001

LANSENS, B., Mondelinge Mededeling. Formeel gesprek, 20 april 2001

STEVENS, H., Mondelinge mededeling. Formeel gesprek, 18 april 2001

BLARINCX, W., Mondelinge Mededeling. Formeel gesprek, 18 april 2001

MICHIELS, P., Mondelinge Mededeling. Informeel gesprek, 28 april 2001

QUINTENS, J., Mondelinge Mededeling. Formeel gesprek, 18 april 2001

VANGRUNDIELBEEK, I., Mondelinge Mededeling. Formeel gesprek, 17 mei 2001

MAESMANS, L., Mondelinge Mededeling. Formeel gesprek, 15 mei 2001

GEYSEN, J., Mondelinge Mededeling. Formeel gesprek. 26 april 2001

PROOST, L., Mondelinge Mededeling. Formeel gesprek, 16 april 2001

VAN DEN STEEN, B., Mondelinge Mededeling. Formeel gesprek, 4 mei 2001

APPELTANS, L., Mondelinge Mededeling. Informeel gesprek, 17

Terug naar het begin van de pagina



Religie.opzijnbest.nl - De beste links over religie voor u verzameld.