- BIJBEL -

DEZE PAGINA IS VERHUISD EN VERDER AANGEVULD OP WEBPAGINA http://www.interlevensbeschouwelijk.be/bijbelverwijzingen.htm

- A-jaar (matteüsevangelie) - B-jaar (marcusevangelie - C-jaar (lucasevangelie) -
- matteüsevangelie (A-cyclus) - marcusevangelie (B-cyclus) - lucasevangelie (C-cyclus) - johannesevangelie -
- A-cyclus (volgorde bijbelboeken) - B-cyclus (volgorde bijbelboeken) - C-jaar (volgorde bijbelboeken) - A-B-C-jaar (volgorde van de bijbelboeken) -

ZOEKEN OP DEZE WEBSITE
PicoSearch  
  Hulp
Verzorgd door PicoSearch
 
 
http://www.bible-history.com/isbe/ http://www.sacrednamebible.com/kjvstrongs/index2.htm Studiebijbel 3 Luther-Bibel 1984 Cahier biblique King James Bible : (1) -  

bijbelvertalingen Lexilogos De Griekse bijbel bijbelweb info-bible interBible http://www.diebibel.de/

WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA)
websitenaam : http://users.telenet.be/arseen.de.kesel/ en http://www.bijbelleerhuis.be (zie bijbel) . WEBLOG : BIJBELLEERHUIS
Nieuwe website : http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm
- STARTPAGINA - AGENDA - BIJ DE HAND - NIEUW - OVERZICHT -  TIJDSCHRIFTEN -
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES :
JAARTAL - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z
HOOFDTHEMA'S : allochtonen , armoede , bahá'íbezinningsteksten , bijbel , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts ( Vlaams Blok ) , fundamentalisme , globalisering en antiglobalisering ,  hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , islam , jodendom , koran , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , migratie , racisme , samenleving , sikhisme , NIEUWE RUBRIEK : SPIRITUALITEIT , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen , - Eigen-zinnige beschouwingen - Het kleine of grote ongenoegen -

Overzicht bijbelboeken : OT : Gn (Genesis ) , Ex (Exodus) , Lv (Leviticus) , Nu (Numeri) , Dt (Deuteronomium) , Joz (Jozua) , Re (Rechters) , Rt (Ruth) , 1 S (1 Samuël) , 2 S (2 Samuël) , 1 K (1 Koningen) , 2 K (2 Koningen) , 1 Kr ( 1 Kronieken) , 2 Kr (2 Kronieken) , Ezr (Ezra) , Neh (Nehemia) , Tob (Tobia) , Jdt (Judith) , Est (Esther) , 1 Mak (1 Makkabeeën) , 2 Mak (2 Makkabeeën) , Job , Ps (Psalmen ) , Spr (Spreuken) , Pr (Prediker) , Hl (Hooglied) , W (Wijsheid) , Sir (Sirach) , Js (Jesaja) , Jr (Jeremia) , Kl (Klaagliederen) , Bar (Baruch) , Ez (Ezechiël) , Da (Daniël) , Hos (Hosea) , Jl (Joël) , Am (Amos) , Ob (Obadja) , Jon (Jona) , Mi (Micha) , Nah (Nahum) , Hab (Habakuk) , Sef (Sefanja) , Hag (Haggai) , Zach (Zacharia) , Mal (Maleachi) .
- NT : Mt (Matteüs) - Mc (Marcus) - Lc (Lucas) - Joh (Johannes) -   Hnd (Handelingen) , Rom (Rome) , 1 Kor (Korinte) , 2 Kor (Korinte) , Gal (Galatië) , Ef (Efese) , Fil (Filippi) , Kol (Kolosse) , 1 Tes (Tessalonika) , 2 Tes (Tessalonika) , 1 Tim (Timoteüs) , 2 Tim (Timoteüs) , Tit (Titus) , Film (Filemon) , Heb (Hebreeën) , Jak (Jakobus) , 1 Pe (Petrus) , 2 Pe (Petrus) , 1 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , Jud (Judas) , Apk (Apokalyps) .
Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken : - bibliografie bijbel - bibliografie van het Oude Testament - bibliografie Matteüsevangelie - bibliografie Marcusevangelie - bibliografie Lucasevangelie - bibliografie van het Johannesevangelie - bibliografie van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)
Websites
- http://www.oprit.rug.nl/hemel/knd/kalender.htm -
- Preken
--- Petrus Canisius Stichting : http://www.petruscanisiusstichting.nl/ .
--- Preken : http://www.preken.nl/ .
--- http://www.ngk.nl/utrecht/html/preken/preken_menu_content.html .
COMMENTAAR OP HET MATTEÜSEVANGELIE : Mt 1 , Mt 2 , Mt 3 , Mt 4 , Mt 5 , Mt 6 , Mt 7 , Mt 8 , Mt 9 , Mt 10 , Mt 11 , Mt 12 , Mt 13 , Mt 14 , Mt 15 , Mt 16 , Mt 17 , Mt 18 , Mt 19 , Mt 20 , Mt 21 , Mt 22 , Mt 23 , Mt 24 , Mt 25 , Mt 26 , Mt 27 , Mt 28 .
COMMENTAAR OP HET MARCUSEVANGELIE Mc - bibliografie Marcusevangelie - Mt - Lc ) Mc 1 , Mc 2 , Mc 3 , Mc 4 , Mc 5 , Mc 6 , Mc 7 , Mc 8 , Mc 9 , Mc 10 , Mc 11 , Mc 12 , Mc 13 , Mc 14 , Mc 15 , Mc 16 ,
COMMENTAAR OP HET LUCASEVANGELIE Lc - bibliografie Lucasevangelie - Mt - Mc ) Lc 1 , Lc 2 , Lc 3 , Lc 4 , Lc 5 , Lc 6 , Lc 7 , Lc 8 , Lc 9 , Lc 10 , Lc 11 , Lc 12 , Lc 13 , Lc 14 , Lc 15 , Lc 16 , Lc 17 , Lc 18 , Lc 19 , Lc 20 , Lc 21 , Lc 22 , Lc 23 , Lc 24 ,
COMMENTAAR OP HET JOHANNESEVANGELIE Joh - bibliografie Johannesevangelie - Joh 1 , Joh 2 , Joh 3 , Joh 4 , Joh 5 , Joh 6 , Joh 7 , Joh 8 , Joh 9 , Joh 10 , Joh 11 , Joh 12 , Joh 13 , Joh 14 , Joh 15 , Joh 16 , Joh 17 , Joh 18 , Joh 19 , Joh 20 , Joh 21 ,

- Jl (Joël) - Jl 1,1 - Jl 1,2-20 - Jl 2,1-11 - Jl 2,12-17 - Jl 2,18-3,5 - Jl 4,1-21 -

verwijzingen (alfabetisch geordend)

A
- ´jl , zie Ps 42,2 .
- ´äbhîhû (Abihoe) , zie Ex 24,9 .
- ´ahäron (Aäron) , zie Ex 24,9 .
- ´âbhad (verdwijnen, verloren gaan) , zie Ps 1,6 .
- `âbhar (doortrekken) , zie Gn 12,6 .
- ´abhërâm (Abram) , zie Gn 12,1 .
- `âchar (dralen, toeven, zich ophouden) , zie Ps 40,18 .
- ´âdâm (mens) , zie Gn 1,26 .
- afièmi (weg-laten, af-laten, vergeven, kwijtschelden, los-laten , ver-laten) , zie Mt 6,14 .
- agathos (goed) , zie Lc 23,50 .
- aggelos (engel) , zie Mt 13,41 .
- agorazô (kopen) , zie Mc 15,46 .
- agrupneô : slaaploos of wakker zijn, waken, zie Mc 13,33 .
- agô (leiden) , zie Lc 23,1 .
- ´âhabh (beminnen, liefhebben) , zie Gn 29,30 .
- ´âhal (zijn tenten opslaan) , zie Gn 13,18 .
- aineô (loven, prijzen), zie Lc 24,53 .

- aiônion (eeuwig) , zie Joh 3,15 . Bij Johannes : (1) Joh 3,15 . (2) Joh 3,16 . (3) Joh 3,36 . (4) Joh 4,14 . (5) Joh 4,36 . (6) Joh 5,24 . (7) Joh 5,39 . (8) Joh 6,27 . (9) Joh 6,40 . (10) Joh 6,47 . (11) Joh 6,54 . (12) Joh 10,28 . (13) Joh 12,25 . (14) Joh 17,2 . In al deze verzen staat aiônion (eeuwig) onmiddellijk na zôèn (leven). In 6 verzen staat zôèn (leven) zonder aiônion (eeuwig) : (1) Joh 5,26 . (2) Joh 5,40 . (3) Joh 6,33 . (4) Joh 6,53 . (5) Joh 10,10 . (6) Joh 20,31 .
- `ajin (oog, bron) , zie Gn 16,1-16 .
- ´âkhal (eten, verorberen, verslinden) , zie Gn 1,29 .
- akoloutheô (volgen) , zie Mt 4,20 . - èkolouthèsan (zij volgden). In 11 verzen bij Matteüs: (1) Mt 4,20 . (2) Mt 4,22 . (3) Mt 4,25 . (4) Mt 8,1 . (5) Mt 8,25 . (6) Mt 9,27 . (7) Mt 12,15 . (8) Mt 14,13 . (9) Mt 19,2 . (10) Mt 20,34 . (11) Mt 27,55 . - èkolouthèsen (hij volgde). In 3 verzen bij Matteüs: (1)  Mt 9,9 . (2) Mt 9,19 . (3) Mt 20,29 .
- akouei (hij luistert) 4X bij Johannes
- akouô (luisteren, horen) , zie Mt 4,12 .
- `al (op, overeenkomstig) , zie Gn 29,34 .
- `âlah (opgaan, opklimmen) , zie Ps 68,19 .
- aleifô (zalven) , zie Mc 16,1 .
- ´aleph (alef), zie Ps 111,10 .
- allos (ander) , zie Mt 13,24 .
- `am (volk) , zie Js 9,1 .
- ´âmar (zeggen) , zie Jr 1,4 .
- Amfipolin (Amfipolis) , zie Hnd 17,1 .
- `ammud (kolom, zuil) , zie Ex 13,21 .
- `amërâm (Amram) , zie Ex 6,18 .
- anabainô (opklimmen) , zie Mt 3,16 .
- anachôreô (uitwijken) In 9 verzen bij Matteüs, zie Mt 2,12
- ´ânaph (toornig zijn, zich vertoornen), zie Ps 111,5 .
- anakrazô (uitschreeuwen) , zie Mc 1,23 . fôneô (roepen, schreeuwen) , zie Mc 1,26 . anakrazô (uitschreeuwen) , zie Mc 1,23 . boaô (luid roepen, schreeuwen) , zie Mc 15,34 .

- `ânân (wolk) , zie Ex 13,21 .
- anastas (opgestaan) , zie Mc 1,35 .
- anatellô (oprijzen, opgaan) , zie Mt 5,14 .
- ander zie allos
- anèr (man) , zie Lc 5,12 .
- ´ani (ik) , zie Ps 70,6 .
- `ânî (arm, ellendig, deemoedig) , zie Ps 70,6 .
- anoigô (openen) , zie Js 35,5 .
- anthrôpos (mens) , zie Joh 1,6 , Lc 15,11 , Mt 13,24 .
- Antiocheia (Antiochië) , zie Hnd 11,19 .
- apaggeilate (brengt de boodschap vanwege. 3X bij Matteüs) - apekrithè (hij antwoordde) 57X bij Johannes
- apesteilen (hij /zij zond) , zie Mt 10,5 .
- ´âphaph (omringen) , zie Ps 18,5 .
- apo (van, vanaf) , zie Mt 1,17 .
- apografesthai (zich laten opschrijven) , zie Lc 2,1 .
- apokrinomai (antwoorden) , zie Mt 3,15 en apokrinomai (antwoorden) , zie Mt 11,4 .
- apokteinô (doden) , Mt 16,21 .
- apollumi (ten gronde richten, doden) verliezen , zie Mt 2,12 .
- apoluô (ontbinden, loslaten) verliezen , zie Mc 6,45 .
- aporeô (zonder doortocht, zonder uitweg zijn) , zie Lc 24,4 .
- apostellô (wegsturen, zenden) , zie Joh 1,6 , Mt 10,5 en Mc 1,2 .
- apostel , zie apostoloi .
- apostoloi (apostelen) , zie Mc 3,14 .
- `äqârâh (onvruchtbaar) , zie Re 13,3 .
- ´ârar (vervloeken) , zie Jr 17,5 .
- ´arëbâ`îm (veertig . 40) , zie Ex 24,18 .
- archiereis (hogepriesters) , zie Mt 2,4 .
- archomai (beginnen) , zie Mc 1,45 .
- aroô (ploegen, zaaien) , zie 1 K 19,19 .
- `âshâh (maken) , zie Jr 1,5 .
- ´äsjèr (die) , zie Ps 1,1 .
- ´asjëre (gelukkig, zalig), zie Ps 1,1 .
- astèr (ster) , zie Mt 5,14 .
- astraptô (bliksemen, stralen) , zie Lc 24,4 .
- `âthar (bidden) , zie Gn 25,21 .
- autos (hij zelf), zie Lc 24,36 .
- auxanô (doen groeien, vermeerderen) , zie Lc 2,40 .
- ('s) avond(s) zie opsias
- `âzab (verlaten, achterlaten) , zie Ps 22,2 .
- ´âzan (overwegen, luisteren), zie Ps 86,5 .
- `âzar (helpen, bijstaan) , zie Ps 40,14 .
- azuma (ongedesemde broden) , zie Lc 22,1 .

B
- bâ`ath (schrikken, vrezen) , zie Ps 18,5 .
- bâkhâh (wenen, weeklagen) , zie Gn 45,15 .
- bächar (kiezen, uitverkiezen) , zie Ps 78,68 .
- ballô (werpen, gooien), zie Mt 8,14 .
- bânah (bouwen) , zie Gn 12,7 .
- baptizô (dopen) , zie Mt 3,13 . Zie ook : baptizô (dopen) , zie Mc 1,8 .
- bâqasj (zoeken) , zie Ex 2,15 .
- bârâ´ (scheppen) , zie Jr 1,5 .
- bârach (vluchten, snel weggaan) , zie Ex 2,15 .
- bârakh (zegenen, loven, prijzen) , zie Ps 113,2 .
- Barnabas (Barnabas) , zie Hnd 4,36 .
- hè basileia tôn ouranôn (het koninkrijk van de hemelen) , zie Mt 3,2 .
- bâtach (vertrouwen, zich veilig voelen) , zie Jr 17,5 .
- bhë´er (put) , Gn 29,2 .
- beginnen zie èrxato
- berg zie horos
- bërîth (verbond) , zie Gn 15,18 .
- be(j)th (huis) , zie Js 2,2 .
- Betlehem , zie Mt 2,1 .
- bëtèrèm (vooraleer) , zie Jr 1,5 .
- De getalwaarde van het woord Bèthania (Betanië) = 2 + 8 + 9 + 1 + 50 + 10 + 1 = 81 (zie Joh 1,28 ).
- Bètsaïda ( Betsaïda) , zie Mc 1,21 .
- blepô (zien) , zie Joh 1,29 . - blepô (kijken) bij Marcus, zie Mc 13,33 . - blepô (zien, kijken) bij Matteüs, zie Mt 11,4 : - Mt 11,2-6 -
- boaô (luid roepen, schreeuwen) , zie Mc 15,34 . fôneô (roepen, schreeuwen) , zie Mc 1,26 . anakrazô (uitschreeuwen) , zie Mc 1,23 .
- bw´(gaan, komen) , zie Ex 24,18 .

C
- chag (feest) , zie Lc 22,1 .
- châjâh (leven) , zie Gn 50,22 .
- châkhmâh (wijsheid) , zie Ps 111,10 .
- chânâh (zich neerlaten, zich legeren) , zie Ex 13,20 .
- chânan (genadig zijn, zich over iemand ontfermen) , zie Ps 111,5 .
- châphar (zich schamen, in zijn verwachtingen teleurgesteld worden), zie Ps 35,4 .
- châphatz verlangen, begeren, willen) , zie Ps 40,15 .
- châqaq (vaststellen, besluiten) , zie Ps 2,7 .
- chara (genade, dankbaarheid), zie Lc 24,52 .
- chârah (branden, ontbranden) , zie Nu 11,1 .
- châsar (missen, verminderen) , zie 1 K 17,14 .
- châsjabh (rekenen, achten, denken) , zie Ps 40,18 .
- châsjâh (zwijgen, zich stil, rustig houden) , zie Js 62,1 .
- chèsèd (liefde, gunst, genade, barmhartigheid) , zie Ps 111,5 .
- chât´â (zondigen, missen) , zie Ps 1,1 .
- châzah (zien, uitkiezen) , zie Gn 15,1 .
- cheir (hand) , zie Lc 23,46 .
- chwsj (zich haasten, genieten, zijn zinnen volgen), zie Ps 40,14 .
- chôlos (lamme) , zie Mt 11,5 .
- chortazô (voederen, verzadigen) , zie Mt 5,6 .
- chothen (schoonvader) , zie Ex 3,1 .
- chreian echô : ik behoef (6X bij Matteüs)
- Christou (Christus. 5X bij Matteüs)
- chshkh (duisternis) , zie Js 9,1 .

D
- daarom zie dia touto
- dâbhar (spreken) , zie Nu 27,15 .
- Damaskos (Damascus) , zie Hnd 9,2 .
- de (echter) , zie Joh 1,1 . - de (echter) , zie Lc 1,2 . - de (echter) , zie Mc 1,8 . de (echter) , zie Mt 1,2 .
- dechomai (ontvangen). Bij Matteüs, zie Mt 10,40 -
- deiknuô (tonen) , zie Mt 16,21 .
- deô (moeten) , zie Mt 16,21 .
- Derbè (Derbe) , zie Hnd 14,6 .
- dèrèkh (weg, wijze, levenswijze) , zie Ps 1,1 .
- derô (slaan) , zie Lc 22,63 .
- dia : 44X bij Johannes . dia touto (daarom) zie Mt 6,25 .
- diaireô (uiteennemen, verdelen), zie Lc 15,12 .
- diatribô (stuk wrijven, opslijten, tijd doorbrengen) , zie Hnd 14,28 .
- didaskô (onderrichten - onderwijzen) , zie Mc 1,45 .
- didômi (geven), zie Mt 28,18 . - natan (geven), zie Ps 111,6 .
- diistèmi : uiteen plaatsen, afzonderlijk opstellen , zie Lc 24,51 .
- dikaios (rechtvaardig) , Mt 3,15 .
- dôdeka (twaalf) , zie Mt 28,16 .
- dogma (bevel, decreet) , zie Lc 2,1 .
- doxa (heerlijkheid), zie Lc 2,9
- doxazô (verheerlijken) , zie Lc 5,26
- dunamis (kracht, macht) , zie Lc 4,1 .

E
- ean (indien) , zie Mc 9,49 - ean (indien. 56X bij Matteüs)
- `èbhèd (dienaar), zie Ps 113,1
- ´èchâd (één) , zie Lc 4,6 .
- echter , zie de
- echô (hebben, bezitten) , zie Lc 15,11 .
- ´èphëraîm (Efraïm) , zie 1 S 1,1 .
- ´èphërâthâh (Efrata) , zie Gn 35,19 .
- ´èphès (uiteinde) , zie Mi 5,3 .
- egeirô (ontwaken, opwekken) , zie Mc 1,31 .
- eggus (naderbij) . Bij Matteüs, zie Mt 21,1 .
- egô (ik) 123X bij Johannes
- eiden (hij zag) 7X bij Johannes -- eiden (hij zag) , zie Mt 2,16 .
- eimi (zijn), zie Mc 1,6 . ousès , zie Joh 20,19 .
- einde - beëindigen zie teleö
- eipèis (je zegge). In 2 verzen bij Matteüs, zie Mt 8,4 .
- eis (naar) , Mt 2,1 .
- eis tèn Galilaian (naar Galilea), zie Mt 4,12 . In 5 verzen bij Matteüs : (1) Mt 4,12 . (2) Mt 26,32 . (3) Mt 28,7 . (4) Mt 28,10 . (5) Mt 28,16 .
- eiseltön eis (binnengegaan in) 6X bij Marcus - eiserchomai (binnengaan) bij Matteüs, zie Mt 4,3 : Mt 4,1-11 - ekballô (buitenwerpen, buitengooien) bij Marcus, zie Mc 1,12 : Mc 1,12-13
- ekeinè (die) , zie Joh 20,1 .
- ekeinos (die) , zie Lc 2,1 .
- ekeithen (vanaf hier, vanaf daar) , zie Mt 4,21 en Mc 10,1 .
- ekpneô (uitademen, sterven) , zie Lc 23,46 .
- ´èl (naar, tot) , zie Gn 12,1 .
- elegchô (voor de dag brengen, ter sprake brengen) , zie Mt 18,15 .
- elk, ieder, al , zie pas
- eleos (barmhartigheid, genade) , zie chèsèd (liefde, gunst, genade, barmhartigheid) . - eleèmôn (barmhartig) , zie Mt 5,7 .
- eleutheria (vrijheid) , zie Gal 5,13 .
- ´êlîsjä` (Elisa) , zie 1 K 19,19 .
- ´èlohîm (God) , zie Ps 42,2 . Betekenis : (1)
- èlthen (hij / zij kwam) 12X bij Marcus - èlthon (ik ben of zij zijn gegaan / gekomen) , zie Mt 8,14 . In 8 verzen bij Matteüs : (1) Mt 5,17a en Mt 5,17b . (2) Mt 7,25 . (3) Mt 7,27 . (4) Mt 9,13 . (5) Mt 10,34a en Mt 10,34b . (6) Mt 10,35 . (7) Mt 14,34 . (8) Mt 21,1 . Jezus en zijn leerlingen : (7) Mt 14,34 . (8) Mt 21,1 . Jezus als 1ste persoon enkelvoud: Jezus en zijn leerlingen : (1) Mt 5,17a en Mt 5,17b . (4) Mt 9,13 . (5) Mt 10,34a en Mt 10,34b . (6) Mt 10,35 . - elthôn (gegaan, gekomen), zie Mt 8,14 . In 14 verzen bij Matteüs . (1) Mt 2,8 . (2) Mt 2,9 . (3) Mt 2,23 . (4) Mt 4,13 . (5) Mt 5,24 . (6) Mt 8,7 . (7) Mt 8,14 . (8) Mt 9,18 . (9) Mt 9,23 . (10) Mt 13,54 . (11) Mt 16,13 . (12) Mt 24,46 . (13) Mt 25,27 . (14) Mt 26,43 . - elthontes (gegaan, gekomen) , zie Mt 8,14 .
- ´èmeth (waarheid, trouw) , zie Ps 111,5 .
- empaizô (zijn spel drijven, bespotten) , zie Lc 22,63 .
- emptuô (spuwen op of in : in iemands gelaat spuwen, uitspuwen , zie Js 50,6 .
- en (in) , zie Mt 1,22 .
- en (nevenschikkend voegwoord) zie kai
- enduô (aantrekken, bekleden) , zie Lc 24,49 .
- eneileô (inwikkelen) , Mc 15,46 .
- entellô (bevelen, opdragen, vragen) , zie Mt 28,20 .
- entulissô (inwikkelen) , Mc 15,46 .
- epanô (bovenop. 8X bij Matteüs)
- tèi epaurion ('s anderendaags) , zie Joh 1,35
- epèrôtèsan (zij vroegen) , zie Mt 12,10 . Eveneens : epèrôtôn (zi j 'onder'vroegen) , zie Mc 7,17 . Erôtôn (zij vroegen) in Mc 4,10 . Eperôtôsin (zij 'onder'vragen) in Mc 7,5 .
- epitithèmi (opleggen) , zie Hnd 6,6 .
- epitimaô (opdragen, bevelen, berispen) , zie Mc 1,25 . epetimèsen (hij droeg op / beval) , zie Mc 1,25 .
- epi (op, bij, naar, tot bij)
- erchomai (gaan) + samenstellingen. Bij Marcus: zie Mc 2,1 en Mc 11,1 . Marcus: zie Mc 11,1 . eiselthôn (binnengegaan) bij Marcus, zie Mc 2,1 . (1) Mc 1,21 . (2) Mc 2,1 . (3) Mc 3,27 . (4) Mc 5,39 . (5) Mc 7,24 . (6) Mc 11,15 . - Erchontai (zij gaan), zie Mc 11,1 . In 12 verzen bij Marcus : (1) Mc 2,3 . (2) Mc 2,18 . (3) Mc 5,15 . (4) Mc 5,35 . (5) Mc 5,38 . (6) Mc 8,22 . (7) Mc 10,46 . (8) Mc 11,15 . (9) Mc 11,27 . (10) Mc 12,18 . (11) Mc 14,32 . (12) Mc 16,2 . Erchetai (hij gaat / komt) In 16 verzen bij Marcus, zie Mc 11,1 . In 7 verzen is Jezus onderwerp : (1) Mc 3,20 . (2) Mc 6,1 . (3) Mc 6,48 . (4) Mc 10,1 . (5) Mc 14,17 . (6) Mc 14,37 . (7) Mc 14,41 . In Mc 1,40 gaat een zieke naar Jezus. In Mc 5,22 gaat een synagoge-overste om genezing vragen voor zijn dienaar. Slechts in 2 verzen wordt erchetai (hij gaat / komt) + voorzetsel pros (naar) gebruikt : (1) Mc 1,40 . (2) Mc 6,48 . De andere teksten : (10) Mc 1,7 (in een citaat) . (11) Mc 3,31 (de moeder van Jezus) . (12) Mc 4,15 (de satan) . (13) Mc 4,15 (de standaard) . (14) Mc 13,35 (de huisheer) . (15) Mc 14,66 (één van de dienstmeisjes) . (16) Mc 15,36 (een omstaander zegt). - erchomai (gaan, komen), zie Mc 2,1 . - exelthontes (uitgegaan), zie Mc 2,1 . In 5 verzen bij Marcus : (1) Mc 1,29 . (2) Mc 3,6 . (3) Mc 6,12 . (4) Mc 9,30 . (5) Mc 16,20 .
- erchomai (gaan, komen) , zie Mt 3,14 en . Bij Matteüs, zie Mt 3,14 : Mt 3,13-17 - - erchomai (komen, gaan) , zie Lc 1,35 .
- erèmos (woestijn, eenzaam) , zie Mc 1,12 .
- ´èrètz (land) , zie Gn 12,1 .
- èrxato (hij begon) , zie Mc 1,45 . In 18 verzen bij Marcus . - èrxato (hij begon). In 7 verzen bij Matteüs, zie Mt 4,17 .
- erôtaô (vragen) bij Johannes - erôtaô (vragen) / eperotaô (ondervragen) : zie Mc 4,10 en Mc 7,17
- `eshèbh (kruid, groente) , zie Zach 10,1 .
- ´esj (vuur) , zie Ex 13,21 .
- `eth (tijd) , zie Zach 10,1 .
- etos (tijd) , zie Lc 3,1 .
- eudokia (welwillendheid, goedgunstigheid) , zie Lc 2,14 .
- eulogeô (goed zeggen, prijzen), zie Lc 24,53
- euthus (tijd: onmiddellijk, dadelijk, terstond; plaats : rechtstreeks, direct, zonder omwegen). In 40 verzen bij Marcus, zie Mc 1,10 .
- exagô (uitleiden) , zie Lc 24,50 .
- existamai (buiten zichzelf zijn , ontsteld / ontzet zijn) , zie Mc 16,8 .
- exousia (macht) bij Marcus, zie Mc11,27 : Mc 11,27-33 . - exousia (macht), zie Mt 28,18 .

F
- Farisaioi (Farizeeën) , zie Mc 2,18 . Eveneens : Farisaioi (Farizeeën) , zie Mt 9,11 .
- ferô (dragen, brengen) bij Marcus, zie Mc 1,32 : Mc 1,32-34 -
- feugô (vluchten), zie Mc 16,8 .
- fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden) , zie Mc 1,27 .
- fôneô (roepen, schreeuwen) , zie Mc 1,26 . anakrazô (uitschreeuwen) , zie Mc 1,23 . boaô (luid roepen, schreeuwen) , zie Mc 15,34 .
- fôs (licht) , zie Mt 5,14 .
- fruattô (briesen, ongeduldig zijn) . Verwijzing : râgasj (onrustig zijn, tobben) , zie Ps 2,1 .
- Frugian (Frygië) , zie Hnd 2,10 .

G
- gaan zie èlthen, elthôn
- gâbhâh (hoog / verheven zijn, uitsteken) , zie Ps 113,5 .
- Gabriël . Gabriël (Gabriël) , zie Lc 1,26 .
- gâdal (groot worden, opgroeien) , zie Ps 34,4 .
- gâlâh (openen, ontbloten, openbaren) , zie Js 40,5 .
- gâlal (rollen, wentelen) , zie Mc 4,37 .
- Galatikèn chôran (Galatië) , zie Hnd 2,10 .
- Galilaia (Galilea) - eis tèn Galilaian (naar Galilea) . In 6 verzen bij Johannes, zie Joh 1,43 : Joh 1,43-51 . - Galilea , zie Mc 1,14 .
- gar (want, immers) . In 61 verzen bij Johannes, zie Joh 2,25 : Joh 2,23-3,21 - gar (want) , zie Mc 1,16 . In 63 verzen bij Marcus. - gar (want) , zie Mt 1,20 .
- gè (aarde) , zie Mt 28,18 .
- gegraptai (er werd geschreven) , zie Mt 2,5 .
- genesis (wording, ontstaan bij Matteüs)
- genezen zie iaomai
- genitief (losse) , zie Mt 2,1 .
- gennaomai (geboren worden) , zie Mt 2,1 .
- gèsjèm (regen) , zie Zach 10,1 .
- gennaomai (geboren worden) , zie Mt 2,1 .
- gignôskô (kennen) , zie Mt 12,15 .
- ginomai (gebeuren, worden, ontstaan) , zie Lc 1,5 , Mc 1,4 en Mc 16,1 .
- gogguzô (brommen, morren), zie Mc 2,15-17 .
- gonupeteô (op zijn knie vallen) , zie Mc 1,40 .
- grafô (schrijven) , zie Mc 1,2 .
- grammateis (schriftgeleerden) , zie Joh 8,3 .
- gwr (zich als vreemdeling ophouden) , zie Dt 26,5 .

H
- hâdâr (eer, majesteit, glorie) , zie Ps 145,5 .
- hâgâh (grommen, kirren, zuchten) , zie Ps 2,1 .
- hâgâr (Hagar) , zie Gn 16,1 .
- haireô (nemen, grijpen) , zie Joz 5,9 .
- hâjâh (zijn) , zie Ex 24,18 .
- hâlakh (gaan) , zie Js 9,1 .
- halal (loven, prijzen) , zie Ps 113,1 .
- halas (zout) 10X in de bijbel, 1X bij Matteüs
- hamartia (zonde) , zie Lc 11,4 .
- haptomai (vastgrijpen, aanraken), zie Mc 1,31 .
- hârag (doden, ombrengen) , zie Ex 2,15 .
- harpazô (roven) , zie Mt 13,19 .
- hèbhërôn (Hebron) , zie Gn 13,18 .
- hègemoneuô (de weg wijzen, aanvoeren, besturen) , zie Lc 3,1 .
- hemels zie ouranios
- hèlios (zon) . Bij Marcus (zie Mc 1,32) : (1) Mc 1,32 . (2) Mc 4,6 . (3) Mc 13,24 .
- hèmera (dag) , zie Joh 2,12 , Lc 1,5 , Mc 1,13 , Mt 3,1 en Ex 2,23 .
- hieron (tempel), zie Lc 24,53
- hendeka (elf), zie Mt 28,16 .
- heuriskô (vinden) , zie Lc 2,16 .
- heôs hou (totdat) , zie Lc 24,49 .
- Hierosoluma (Jeruzalem), zie Mt 2,1 . In 9 verzen bij Matteüs: (1) Mt 2,1 . (2) Mt 2,3 . (3) Mt 3,5 . (4) Mt 5,35 . (5) Mt 16,21 . (6) Mt 20,17 . (7) Mt 20,18 . (8) Mt 21,1 . (9) Mt 21,10 .
- hinneh (zie) , zie Gn 29,1 .
- histèmi (doen staan) , zie Lc 24,36 .
- ho (de) , zie Mt 28,18 .
- hôd (eer, majesteit, glorie), zie Ps 145,5 .- hôd (pracht, glans, majesteit), zie Ps 8,2 .
- hogepriesters zie archiereis
- hoj (wee) , zie Jr 23,1 .
- homoioô (vergelijken met, gelijken op) , zie Mt 13,24 .
- homothumadon (eensgezind) , zie Hnd 1,14 .
- horaô (zien) , zie Mc 16,7 .
- horen, luisteren, zie akouô
- horos (berg) , zie Mt 4,8 en Mc 9,2. In 196 verzen in de bijbel; in 168 verzen in het O.T., in 28 verzen in het N.T. In 8 verzen bij Matteûs : (1) Mt 4,7 . (2) Mt 5,1 . (3) Mt 14,23 . (4) Mt 15,29 . (5) Mt 17,1 - Mt 17,2 . (6) Mt 21,1 . (7) Mt 26,30 . (8) Mt 28,16 . In 6 verzen bij Marcus : (1) Mc 3,13 . (2) Mc 6,46 . (3) Mc 9,2 . (4) Mc 11,2 . (5) Mc 13,3 . (6) Mc 14,26 .
- hote (toen, wanneer) : voegwoord van tijd. In 12 verzen bij Marcus, zie Mc 1,32 : Mc 1,32-34 . - hote (toen) , zie Mt 21,1 . Voegwoord van tijd. In 12 verzen bij Matteüs : (1) Mt 7,28 . (2) Mt 9,25 . (3) Mt 11,1 . (4) Mt 12,3 . (5) Mt 13,26 . (6) Mt 13,48 . (7) Mt 13,53 . (8) Mt 19,1 . (9) Mt 21,1 . (10) Mt 21,34 . (11) Mt 26,1 . (12) Mt 27,31 .
- hoti (dat, omdat) , zie Mt 2,16 .
- hosa (wat) , zie Mt 13,44 .
- hösper (zoals), zie Joh 3,16 . Bij Johannes : (1) Joh 5,21 . (2) Joh 5,26 . - hôsper (zoals) , zie Mt 13,40 .
- hôste (zodat), zie Mc 1,27 .
- houtôs (zo, op zo'n wijze) . In 14 verzen bij Johannes, zie Joh 3,16 : (1) Joh 3,8 . (2) Joh 3,14 . (3) Joh 3,16 (houtôs... hôste : zo... dat). (4) Joh 4,6 . (5) Joh 5,21 (hôsper... houtôs : zoals... zo) . (6) Joh 5,26 (hôsper... houtôs : zoals... zo) . (7) Joh 7,46 . (8) Joh 11,48 . (9) Joh 12,50 kathôs (zoals) .... houtôs (zo) . . (10) Joh 13,25 . (11) Joh 14,31 (12) Joh 15,4 kathôs (zoals) .... houtôs (zo) . (13) Joh 18,22 . (14) Joh 21,1 . - houtôs (zo, op deze wijze) . In 32 verzen bij Matteüs, zie Mt 21,6
- huios (zoon), zie Mc 1,11 . - huios (zoon), zie Mt 3,17 .
- humeis (jullie. 29X bij Matteüs) - hupo (door. bij Matteüs 27X . hup' : 4X.)
- hupagô (gaan) , zie Mc 16,7 .
- huparchô (zijn) , zie Lc 23,50 .
- hupsistos (hoogste) , zie Lc 2,14 .
- hupostrefô (omkeren, terugkeren) , zie Lc 4,1 .

I
- iaomai (genezen). Zie Mt 15,28 .
- idôn (gezien) , zie Mt 2,16 .
- Ioudaia (Judea) , zie Mt 2,1 .
- idou (zie) , zie Mt 1,20 .
- JHWH (JHWH) , zie Ex 13,21 .
- ´îsj (man) , zie Ps 1,1 .

J
- jâ`ats (raden, besluiten) , zie Ps 1,1 .
- jad (hand) , zie Ps 31,6 .
- jâdah (loven, prijzen) , zie Ps 111,1 . - jâdâh (loven, prijzen, erkennen) , zie Ps 8,2 .
- jâd`a (kennen, weten) , zie Jr 1,5 .
- Jakob (zie letter J) . - Ja`äqobh (Jakob) , zie Gn 28,1 .
- jâr´â (vrezen, eerbied hebben) , zie Ps 111,10 .
- järad (afdalen, afstijgen, vallen) , zie Nu 11,9 . - jèrèd (Jered) , zie Gn 5,15 .
- jârasj (erven, bezitten, in bezit nemen) , zie Gn 15,3 .
- jâsad (zetten; beraadslagen) , zie Ps 2,2 .
- jâsjab (wonen) , zie katoikeô (nederzetten, wonen) , zie Mt 4,13 .
- Jasôn (Jason) , zie Hnd 17,7 .
- jâtsâ´ (uitgaan, uittrekken) , zie Gn 15,7 .
- jâtsabh (zich stellen, toegang hebben) , zie Ps 2,2 .
- jâtsar (vormen) , zie Jr 1,5 .
- jâsj`a (redden, bevrijden, verlossen), zie Ps 38,22
- jëhôsju`a (Jozua) , zie Joz 5,9 .
- Jërûsâlaim (Jeruzalem) , zie Js 62,1 .
- Ièsou (Jezus. 21X bij Matteüs) - Ièsoun (Jezus. 15X bij Matteüs) - Ièsoun (Jezus. 15X bij Matteüs) - Ièsous (Jezus), zie Mt 1,1 . In 110 verzen bij Matteüs . - Ièsous (Jezus) , zie Lc 15,11 .
- jithërô (Jetro) , zie Ex 3,1 .
- Jezus zie Ièsous
- JHWH , zie Ps 1,2 .
- Iôannès (Johannes) 26X bij Matteüs. 23X Johannes de Doper. 3X Johannes, apostel - Iordanès (Jordaan. 6X bij Matteüs)
- jôm (dag) , zie Ex 2,23 .
- Jôseph (Jozef) , zie Gn 30,24
- Juda

K
- ka'äsjèr (zoals) , zie Mt 21,6 .
- khabhôd (heerlijkheid) , zie Ps 113,1
- Kafarnaüm : eis Kafarnaoum (naar Kafarnaüm), zie Mc 1,21 . Bij Marcus : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 2,1 . (3) Mc 9,33 .
- kai (en) . Nevenschikkend voegwoord. In 530 verzen bij Johannes, zie Joh 1,1 - kai (en) , zie Lc 1,2 . Nevenschikkend voegwoord . In 822 verzen bij Lucas . kai (en) , zie Mc 1,4 . Nevenschikkend voegwoord . In 555 verzen bij Marcus . - kai (en) , zie Mt 1,2 . Nevenschikkend voegwoord . In 705 verzen bij Matteüs .
- kairos (hét moment) bij Marcis, zie Mc 1,15 : Mc 1,14-15 -
- Kaisar (keizer) , zie Lc 3,1 .
- Kaisareia (Cesarea) , zie Hnd 10,1 .
- khâlâh (ophouden, vergaan) , zie 1 K 17,14 .
- khâlam ( zich schamen, versmaden, beschaamd maken), zie Ps 35,4 .
- kaleô (roepen) , zie Gal 5,13 .
- Kana (Kana). Plaatsnaam, zie Joh 2,11 .
- Khënâ`an (Kanaän) , zie Gn 10,6 .
- kârath (snijden) , zie Gn 15,18 .
- karpos (vrucht) , zie Joh 15,2
- kâsâh (bedekken) , zie Nu 9,15 .
- kataleipô (achterlaten) , zie Mt 4,13 .
- katègoreô (iemand van iets beschuldigen) , zie Mc 7,1 .
- katha (zoals), zie Mt 21,6 .
- kathaireô (afnemen, naar beneden nemen) , zie Mc 15,46 .
- katharizô (reinigen) , zie Mc 1,40 .
- kathèmai (zich zetten, gaan zitten, zitten) , zie Mt 28,2 .
- katheudô (slapen) , zie Jon 1,5 .
- kathôs (zoals), zie Mc 1,2 . kathôs (zoals), zie Joh 3,16 . In 31 verzen bij Johannes. (1) Joh 1,23 . (2) Joh 3,14 . (3) Joh 5,23 . (4) Joh 5,30 . (5) Joh 6,31 . (6) Joh 6,57 . (7) Joh 6,58 . (8) Joh 7,38 . (9) Joh 8,28 . (10) Joh 10,15 . (11) Joh 12,14 . (12) Joh 12,50 kathôs (zoals) .... houtôs (zo) . . (13) Joh 13,15 (kathôs ... kai ... : zoals... ook) . (14) Joh 13,33 (kathôs ... kai ... : zoals... ook) . (15) Joh 13,34 (kathôs ... kai ... : zoals... ook) . (16) Joh 14,27 . (17) Joh 14,31 . (18) Joh 15,4 kathôs (zoals) .... houtôs (zo) . (19) Joh 15,9 (kathôs ... kai ... : zoals... ook) . (20) Joh 15,10 . (21) Joh 15,12 . (22) Joh 17,2 . (23) Joh 17,11 . (24) Joh 17,14 . (25) Joh 17,16 . (26) Joh 17,18 (kathôs ... kai ... : zoals... ook) . (27) Joh 17,21 . (28) Joh 17,22 . (29) Joh 17,23 . (30) Joh 19,40 . (31) Joh 20,21 .
- katoikeô (nederzetten, wonen) , zie Mt 4,13 .
- kaô (in brand steken, verbranden) , Mt 13,40 .
- keimai (liggen, rusten) , zie Lc 5,1 .
- kënâ`an (Kanaän) , zie Gn 12,5 .
- Qênân = Qenan (Kenan) , zie Gn 5,9 .
- kèrussô (verkondigen) , Mc 1,45 .
- khen (zo) , zie Gn 29,34 .
- khoh (zo) , zie Jr 31,7 .
- kî (want) , zie Jr 31,7 .
- kludôn (golfslag, vloedgolf, branding), zie Mt 8,24 .
- knielen zie prosekunei
- kôkhâbh (ster) , zie Gn 15,5 .
- kolafizô (oorvijgen geven, mishandelen) , zie Mt 26,67 .
- komen = gaan
- koninkrijk zie basileia
- krateô (vastnemen, bemachtigen) , zie Mc 1,31 .
- krazô (roepen) zie anakrazô (uitroepen) .
- kuliô (rollen) , zie Mt 28,2 . Vormen van apokuliô (wegrollen) in : Gn 29,10 . Mc 16,3 . Mc 16,4 . Mt 28,2 .
- kurie (heer) . In 31 verzen bij Matteüs, zie Mt 7,21 : Mt 7,21-23 -
- kuma (golf) , zie Mc 4,37 .
- kôfos (doof) , zie Mt 11,4 .

L
- lâ`ag (bespotten, beschimpen) , zie Ps 2,4 .
- lâbhasj (kleden, zich kleden) , zie Bar 5,1 .
- laleô (lallen, spreken, praten) , zie Mt 4,6 . - elalèsen (hij sprak). In 7 verzen bij Matteüs. (1) Mt 9,33 (de stomme). (2) Mt 13,3 . (3) Mt 13,33 . (4) Mt 13,34 . (5) Mt 14,27 . (6) Mt 23,1 . (7) Mt 28,18 .
- lâmâh (waarom) , zie Ps 2,1 .
- latomeô (uit steen houwen) , zie Mc 15,46 .
- leâh (Lea) , zie Gn 29,31 .
- le`èzrathi chûsjâh (tot hulp aan mij haast je), zie Ps 40,14 : (1) Ps 22,20 . (2) Ps 40,14 . (3) Ps 70,2 . chûsjâh le`èzrathi (haast je tot hulp aan mij) : Ps 38,23 .
- legô (zeggen) , zie Joh 1,21 . - legô (zeggen) , zie Lc 15,11 . - legô (zeggen) , zie Mc 1,38 . - legô (zeggen) bij Matteüs, zie Mt 4,6 . Eipen (hij zei), zie Mt 4,6 .
- lëma`an (omwille van, opdat) , zie Js 62,1 .
- lepros (melaatse), zie Mc 1,40 . Slechts in 2 verzen in het N.T. : (1) Mt 8,2 . (2) Mc 1,40 .
- lewî (Levi) , zie Gn 29,34 .
- lian (zeer) , zie Mc 1,35 .
- lidwoord , zie Mt 28,18 .
- lithos (steen) , zie Lc 4,2 .
- lo´(niet) , zie Ps 1,1 .
- logos (woord) , zie Mt 7,24 .
- losse genitief : Mc 9,28 , Mc 11,27 , Mc 13,1 . - losse genitief (bij Matteüs)
- lqsj (piel : napluk houden) , zie Zach 10,1 .
- Lustra (Lystra) , zie Hnd 14,6 .

M
- magos (magiër) , zie Mt 2,1 .
- makarios (zalig, gelukkig) , zie Mt 5,3 .
- mâlâ´ , zie plèroô (vervullen) , zie Mt 2,15 .
- mamëre´ (Mamre) , zie Gn 13,18 .
- mârâh (weerspannig zijn) , zie Js 50,5 .
- martureô (getuigen). Bij Johannes, zie Joh 1,7 .
- mâsjal (heersen, macht hebben) , zie Mi 5,1 .
- mâtâr (regen) , zie Zach 10,1 .
- matstsôth (ongedesemde broden) , zie Lc 22,1 .
- mèdeis (niemand) . mèdeni (aan niemand). In 3 verzen bij Matteüs, zie Mt 8,4 . (1) Mt 8,4 . (2) Mt 16,20 . (3) Mt 17,9 . In 4 verzen bij Marcus : (1) Mc 1,44 ( // Mt 8,4 ) . (2) Mc 7,36 . (3) Mc 8,30 ( // Mt 16,20 ). (4) Mc 9,9 ( // Mt 17,9 ).
- meletaô (zorg dragen voor, aandacht wijden aan) , zie Ps 2,1 .
- mèn (maan, maand, of : werkelijk, waarachtig) , zie Lc 1,26 .
- menigte zie ochlos
- mesos (midden), zie Lc 24,36 .
- meta (na, met), zie Joh 1,43 . - meta (na, met). Voorzetsel. In 34 verzen bij Marcus, Mc 1,13 . Meta + to + infinitief : (1) Mc 1,14 . (2) Mc 14,28 .(3) Mc 16,19 . - meta met genitief (met) , met accusatief (na) , zie Lc 9,28 .
- metamorfoomai (omvormen) . In 4 verzen in de bijbel; in (1) Mt 17,2 . (2) Mc 9,2 . (3) . (4)
- Methüsjâlach (Metuselach) , zie Gn 5,21 .
- Midëjân (Midjan) , zie Ex 3,1 .
- mitsërajim (Egypte) , zie Gn 12,10 .
- mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) , zie Mc 15,46 .
- monas (alleen) , zie Mc 4,10 .
- Mosjèh (Mozes) , zie Ex 24,18 .
- 's morgens zie prôi
- mwth (sterven) , zie Mt 26,66 .

N
- Nâdâbh (Nadab) , zie Ex 24,9 .
- naderen zie eggus
- nâ´âq (weeklagen, kermen) , Ex 2,24 .
- nâb`a (ontspringen, opwellen, spreken, verkondigen) , zie Ps 145,7 .
- nâchâsj (slang) , zie Gn 3,1 .
- Nâdâbh (Nadab) , zie Ex 24,9 .
- nâgad (vertellen, verkondigen, bekend maken), zie Ps 145,4 .
- nâgâh (stralen, schijnen) , zie Mt 5,14 .
- nâs`â (opbreken, reizen) , zie Ex 16,1 .
- nâtah (uitstrekken, neigen, zich wenden), zie Ps 86,1 .
- natan (geven) , zie Ps 111,6 . - didômi (geven) , zie Mt 28,18 .
- nâ´wah (schoon, lieflijk, passend zijn) , zie Ps 68,35 .
- Nazaret (Nazaret) , zie Mt 4,13 .
- nâzar (zich afzonderen, onthouden, wijden) , zie Jr 1,5 .
- neos (nieuw, jong), zie Lc 15,12 .
- nèphèsj (geest) , zie Ps 104,1 .
- nemen naast zich, vergezellen zie paralambanô -
- niemand zie mèdeni

O
- ochlos (menigte) , zie Mc 2,13 .
- `ôd (nog, opnieuw) , zie Gn 29,34 .
- ofeilô (schuldig / verschuldigd zijn) , zie Mt 18,24 .
- offer - sacrifice -
- oida (ik weet) , zie Joh 19,28 .
- oikia (huis) , zie Mc 1,29 . - Oikian (huis). In 11 verzen bij Matteüs, zie oikia (huis) in Mc 1,29 : (1) Mt 2,11 zie elthontes (gegaan, gekomen) in Mt 2,11 . (2) Mt 7,24 (huis op de rots) . (3) Mt 7,26 (huis op zand) . (4) Mt 8,14 zie elthôn (gegaan, gekomen) . (5) Mt 9,18 zie elthôn (gegaan, gekomen) . (6) Mt 9,28 (elthonti de eis tèn oikian - zij kwamen dichterbij hem die echter naar huis kwam) . (7) Mt 10,12 (eiserchomenoi de eis tèn oikian - terwijl jullie echter in het huis binnengaan) . (8) Mt 12,29 (eiselthein eis oikian tou ischurou - in het huis van de sterke binnengaan) . (9) Mt 13,36 (èlthen eis tèn oikian - ging hij naar het huis) . (10) Mt 17,25 (elthonta eis tèn oikian - gekomen in het huis) (11) Mt 24,43 (zijn huis verwoesten) .
- `ôlâm (eeuwig) , zie Ps 145,21
- onoma (naam) , zie Lc 23,50 .
- ontvangen zie dechomai
- opnieuw zie palin
- opse (laat) , zie Mt 28,1 .
- opsias ... genomenès (avond geworden, 's avonds), zie Mc 1,32 . Een losse genitief. In 6 verzen bij Marcus: (1) Mc 1,32 . (2) Mc 4,35 . (3) Mc 6,47 . (4) Mc 11,11 . (5) Mc 14,17 . (6) Mc 15,42 . - In 7 verzen bij Matteüs, zie Mt 8,16 .
- ´ôr (verlicht, verhelderd zijn) , zie Ps 31,17 .
- orthros (ochtendschemering, morgen), zie Lc 24,1 .
- oun (bij-gevolg) eropvolgend, dus, derhalve) , zie Joh 1,21. - oun (derhalve, bijgevolg) , zie Mt 1,17 .
- ouranios (hemels) , zie Mt 5,48 . Zie ook : ouranos (hemel) , zie Mt 28,18 .

P
- pâdâh (verlossen, redden, vrijkopen) , zie Ps 111,9 .
- Pafos (Pafos) , zie Hnd 13,13 .
- paidion (kind) , zie Lc 2,40 .
- paiô (slaan, treffen) , zie Lc 22,64 .
- phâl`a (buitengewoon, wonderbaar zijn), zie Ps 86,10 .
- palin (opnieuw) . In 45 verzen bij Johannes, zie Joh 1,35 - palin (opnieuw) , zie Mc 2,1 . In 26 verzen bij Marcus . - palin (opnieuw) komt bij Matteüs in 16 verzen voor, zie Mt 13,47 .
- Pamfulia (Pamfylië) , zie Hnd 2,10 .
- panîm (gezicht, aangezicht) , zie Ps 4,7 en Dt 34,10 .
- pâqad (omzien) , zie Ex 3,7 .
- para (+ accusatief : langs) , zie Mc 1,16 .
- parabel , zie parabolè
- parabel (parabel, gelijkenis) , zie Mt 13,24 .
- para-tèreô : bijhouden, opvolgen, schaduwen, zie Mc 3,2 .
- paradidômi (overleveren) bij Marcus, zie Mc 1,14 - paradidômi (overleveren). Bij Matteüs, zie Mt 4,12 -
- paraggellô (afkondigen, bevelen) , zie Hnd 5,28 .
- paraginetai (2X bij Matteüs)
- parakaleô - ad-vocare (bij-roepen, ter hulp roepen, troosten, bijstaan) , zie Mt 5,4 .
- parakalôn (te hulp roepend) , zie Mc 1,40 .
- paralambanô (naast zich nemen) bij Mt 4,5 .
- paralutikos (lam, lamme) , zie Mc 2,3 .
- paratithèmi (neerzetten voor , bij) , zie Ps 31,6 .
- parrèsia (vrijmoedigheid) , zie Hnd 28,31 .
- pas (elk, ieder) , zie Joh 3,16 . - pas (ieder, elk) , zie Mc 2,13 . ochloi slechts 1X nl. Mc 10,1 - pas (elk, ieder, al) , zie Mt 5,22 .
- paschô (lijden) , zie Mt 16,21 .
- patèr (vader) , zie Lc 15,12 .
- peinaô (hongeren, honger hebben), zie Lc 4,2 .
- peirazô (beproeven, op de proef stellen), zie Lc 4,2 .
- pèl´è (wonderbaar, wonderlijk) , zie Ps 111,1 .
- pempsas (gezonden) In 4 verzen bij Matteüs, zie Mt 2,8 : Mt 2,1-12 .
- penthera (schoonmoeder), zie Mc 1,30 .
- pentheô (beklagen, betreuren, treuren) , zie Mt 5,4 .
- Pergè (Perge) , zie Hnd 14,25 .
- persoonlijke voornaamwoorden bij Matteüs
- peran (overzijde, overkant), zie Mc 4,35 .
- petra (rots) , zie Mc 15,46 .
- Petros (Petrus) , zie Mc 8,29 . Zie ook Mt 10,2 . Zie Hnd 1,13 .
- Pharisaioi (Farizeeën) zie Mt 9,11
- phûts (vrspeiden, verstrooien) , zie Jr 23,1 .
- pimplèmi (vervullen, vol maken) , zie Lc 4,1 .
- pipraskô (verkopen) , zie Hnd 2,45 .
- piptô (vallen) , zie Mc 1,40 .
- Pisidia (Pisidië) , Hnd 13,14 .
- pisteuô (geloven, vertrouwen) bij Johannes, zie Joh 3,16 ; pisteuôn (wie gelooft) . In 14 verzen bij Johannes, zie Joh 3,16 : (1) Joh 3,15 . (2) Joh 3,16 . (3a) Joh 3,18a . (3b) Joh 3,18b . (4) Joh 3,36 . (5) Joh 5,24 . (6) Joh 6,35 . (7) Joh 6,40 . (8) Joh 6,47 . (9) Joh 7,38 . (10) Joh 11,25 . (11) Joh 11,26 . (12) Joh 12,44 . (13) Joh 12,46 . (14) Joh 14,12
- plèroô (vervullen) , zie Mt 2,15 .
- ploion (boot) , zie Mt 4,22 .
- to pneuma (de geest) , zie Mc 1,10 . In 12 verzen bij Marcus: - pneuma (geest) 18X bij Matteüs) - pneuma (adem, wind, geest) , zie Lc 4,1 .
- poiein (doen, handelen) , zie Hnd 1,1 .
- ponèros (slecht-e) , zie Mt 13,19 .
- poreuomai = zich op weg begeven , zie Mc 10,1 - poreuomai (zich op weg begeven, op weg gaan). Bij Matteüs, zie Mt 2,9 . - eporeuthèsan (zij begaven zich op weg) : Bij Matteüs, zie Mt 2,9 . (1) Mt 2,9 . (2) Mt 28,16 .
- pou (waar?). Vragend voegwoord. In 18 vrezen bij Johannes, zie Joh 1,38 : Joh 1,35-42 -- pou (waar) , zie Mt 2,2 .
- praesens bij Marcus
- pragmatôn (van de handelingen / gebeurtenissen) , zie Lc 1,1 .
- praus (zacht, vriendelijk) , zie Mt 5,5 .
- proagô (gaan voor. bij Matteüs)
- profètès (profeet) , zie Joh 1,21 .
- prôi ('s morgens) , zie Mc 1,32 .
- pros (naar) , zie Mc 1,5 . - pros (naar, bij. 41X bij Matteüs)
- prosechô (bijhebben, bijhouden), zie Lc 12,1 .
- prosèlthen (hij kwam naderbij), zie Mt 4,3 . In 6 verzen bij Matteüs : (1) Mt 8,5 . (2) Mt 17,7 . (3) Mt 17,14 . (4) Mt 20,20 . (5) Mt 26,7 . (6) Mt 26,69 .
- proselthôn (naderbijgekomen), zie Mt 4,3 . In 14 verzen bij Matteüs : 1) Mt 4,3 . (2) Mt 8,2 . (3) Mt 8,19 . (4) Mt 18,21 . (5) Mt 19,16 . (6) Mt 21,28 . (7) Mt 21,30 . (8) Mt 25,20 . (9) Mt 25,22 . (10) Mt 25,24 . (11) Mt 26,49 . (12) Mt 27,58 . (13) Mt 28,2 . (14) Mt 28,18
- proseuchomai (bidden) , zie Hnd 6,6 .
- prosferô (brengen of dragen bij) , zie Mt 9,2 .
- proskaleô (bij zich roepen) , zie Mc 3,23 en Mc 3,13 .
- proskartereô (volharden, aan iets volhouden) , zie Hnd 1,14 .
- proskuliô (ernaartoerollen) , zie Mc 15,46 .
- proskuneô (knielen bij). - prosekunei autôi (hij knielde bij hem) In 4 verzen bij Matteüs, zie Mt 8,2 . (1) Mt 8,2 . (2) Mt 9,18 . (3) Mt 15,25 . (4) Mt 18,26 . - prosekunèsan (zij knielden bij). In. 4 verzen bij Matteüs, zie Mt 2,11 . (1) Mt 2,11 . (2) Mt 14,33 . (3) Mt 28,9 . (4) Mt 28,17 .
- prosôpon (aangezicht) , zie Mc 16,5 .
- ptôchos (arm) , zie Mt 5,3 .
- puretos (koorts), zie Mc 1,31 .

Q
- qâbhats (verzamelen) , zie Jr 31,8 .
- qâdasj (gewijd, heilig zijn) , zie Jr 1,5 .
- qârâ´ (roepen, heten) , zie Joz 5,9 .
- qâsjabh (zijn oren neigen tot, aandacht geven), zie Ps 40,14 .
- qëhâth (Qehat) , zie Gn 46,11 .
- Qênân = Qenan (Kenan) , zie Gn 5,9 .

R
- râ´âh (zien) , zie Ex 3,7 .
- râ`âh (herderen, weiden) , zie Jr 23,1 .
- râ`asj (heen en weer geschud worden) , zie Mt 8,24 .
- râcham (beminnen, zich ontfermen), zie Ps 111,5 .
- rachel (Rachel) , zie Gn 35,19 .
- râchaq (ver zijn, zich verwijderen) , zie Ps 22,2
- râgasj (onrustig zijn, tobben) , zie Ps 2,1 .
- râph´â (genezen) , zie 281 .
- rânan (luid roepen, jubelen, jammeren), zie Ps 145,7 .
- rapizô (afranselen, in het gezicht slaan) , zie Mt 26,67 .
- râsj`â (goddeloos, schuldig zijn) , zie Ps 1,1 .
- râtsah (behagen scheppen in), zie Ps 40,14
- rechtstreeks / direct zie euthus
- regen . Verwijzing : gèsjèm (regen) , zie Zach 10,1 + mâtâr (regen) , zie Zach 10,1 .
- rèma (woord) , zie Lc 9,45 .
- re´sjîth (begin) , zie Ps 111,10 .
- râtsats (knakken, verbreken, verdrukken) , zie Lc 1,41 .
- rîq (ijdeloos, tevergeefs) , zie Ps 2,1 .
- rômaios (Romein) , zie Hnd 28,17 .
- rwm (zich verheffen, verheven zijn) , zie Ps 145,1

S
- sa`ar (storm) , zie Jon 1,4 .
- sâgar (sluiten) , zie 1 S 1,5 .
- Sârâh (Sara) , zie Gn 17,15 .
- sjâ´al (verlangen, eisen, vragen) , zie Zach 10,1 .
- sjä´ar (overblijven, achterblijven) , zie Jr 31,7 .
- sjâbhâ`(zweren) , zie Ps 110,4 .
- sâbhabh (draaien, omsingelen) , zie Ps 18,6 .
- sabbaton (sabbat) , zie Mc 16,1
- sâjach (nadenken, overdenken, bemediteren), zie Ps 145,5 .
- saleuô (heen en weer schudden, heftig bewegen) , zie Hnd 4,31 .
- shâm (plaatsen, stellen) , zie Ex 2,14 .
- sâthar (afwenden) , zie Js 50,6 .
- sephèr (boek) , zie Gn 5,1 .
- seismos (beving, trilling) , zie Mt 8,24 .
- sënè (doornstruik, braambos) , zie Ex 3,2 .
- shâdèh (veld) , zie Zach 10,1 .
- shâmach (zich verheugen) , zie Jr 31,7 .
- shânâ´(haten, met tegenzin hebben, niet beminnen) , zie Gn 29,31 .
- Sînâj (Sinaï) , zie Ex 16,1 .
- sindôn (linnen doek) , zie Mc 15,46 .
- sjâbhach (loven, prijzen), zie Ps 145,4 .
- sjâkhab (liggen, zich neerleggen) , zie Jon 1,5 .
- sjâkhan (wonen) , zie Ex 40,35 .
- sjâlach . Verwijzing : apostellô (wegsturen, zenden) , zie Joh 1,6 .
- sjâphal (nederig, laag zijn, zich vernederen) , zie Ps 113,6 .
- sjâm`â (horen, luisteren) , zie Ex 2,15 .
- sjâmad (verwoesten, vernietigen,uitroeien), zie Ps 145,20 .
- sjâmar (behouden, bewaren) , zie Ps 145,20 .
- sjâqâh (laten drinken, drenken) , zie Gn 29,10 .
- sjâqat (rusten, zich rustig houden) , zie Js 62,1 .
- sjawë`âh (geschrei, hulpgeschrei) , zie Ex 2,23 .
- sjelat (heersen , macht hebben over) , zie Da 7,14 .
- sjem (de naam) , zie Ps 113,2 .
- skeptomai (kijken, letten op) , zie Ex 3,7 .
- skirtaô (huppelen, springen, dansen) , zie Lc 1,41 .
- sofia (wijsheid) , zie Ps 111,10 .
- sou (van u. bij Matteüs 71 X)
- sparassô : door elkaar schudden, stuiptrekken , zie Mc 1,26 .
- sparganoô (inwikkelen, bakeren) , zie Lc 2,7 .
- sperma (zaad, nakomeling) , zie Gn 1,29 .
- steden in het Marcusevangelie : * Bètsaïda . In 2 verzen (Mc 6,45 , Mc 8,22) bij Marcus, zie Mc 1,21 .* Kafarnaüm : eis Kafarnaoum (naar Kafarnaüm). In 3 verzen (Mc 1,21 , Mc 2,1 , Mc 9,33) bij Marcus, zie Mc 1,21 .
- sullegô (samen-lezen; verzamelen) , zie Mt 13,40 .
- sumboulion (besluit) , zie Mc 7,1 . - sumboulion (besluit). In 5 verzen bij Matteüs, zie Mt 12,14 .
- sunagô (bijeendrijven, verzamelen) , zie Mc 2,2 .
- sunechô (bijeenhouden, vasthouden) , zie Lc 22,63 .
- sunedrion (sanhedrin) , zie Mc 14,55 .
- sunteleia (voltooiîng, voleinding) , zie Mt 13,39 .
- swg (wijken) , zie Js 50,5 .

T
- tabernakel , zie Nu 11,16
- tapeinoô (lager maken, met de grond gelijk maken) , Lc 3,5 .
- tassö (bevelen, opdragen) zie bij Mt 21,6 (sunetaxen)
- tauta (die 'dingen') , zie Mt 1,20 .
- thëhillâh (lofzang), zie Ps 145,1
- teleô (beëindigen), zie Mt 7,28 -
- telwoord , zie Mc 16,2 .
- thalassa (zee, meer), zie Mc 1,16 . Bij Marcus: thalassa in 1 vers : Mc 4,41 ; thalassès in 4 verzen : (1) Mc 5,1 . (2) Mc 6,47 . (3) Mc 6,48 . (4) Mc 6,49 ; thalassan in 9 verzen : (1) Mc 1,16 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 3,7 . (4) Mc 4,1 . (5) Mc 5,13 . (6) Mc 5,21 . (7) Mc 7,31 . (8) Mc 9,42 . (9) Mc 11,23 .
- thambeomai (verbaasd, ontsteld zijn, met ontzetting geslagen zijn) , zie Mc 9,15 .
- thelèma (wil) zie Mt 6,10 .
- therapeuô (genezen) bij Matteüs
- therismos (oogst) , zie Mt 13,30 .
- theôreô (zien, kijken), zie Mc 16,4 .
- theos (God) , zie Lc 24,53 .
- tèreô (behouden, bewaren) , zie Mt 28,20 .
- tithèmi (zetten, plaatsen, maken) , zie Hnd 7,60 .
- tiktô (bevallen) , zie Lc 2,6 .
- tina (wie) , zie Mt 16,13 .
- tis (een bepaald) , zie Lc 15,11 .
- thôlëdoth (ontstaansgeschiedenissen) , zie Gn 2,4 .
- tote (dan, daarop), zie Mt 2,7 . In 89 verzen bij Matteüs .
- tsâ`âq (roepen, schreeuwen, klagen) , zie Ex 3,7 .
- tsâhâl (juichen, hinniken) , zie Jr 31,7 .
- tsâ´îr (klein, jongste) , zie Mi 5,1 .
- tsâm´â (dorst hebben, dorsten), zie Ps 42,3 .
- tsamach (oprijzen, opgaan) , zie Mt 5,14 .
- tsâwâh (opdragen) , zie Mt 28,20 .
- tsèdèq (rechtvaardig) , zie Ps 111,5 .
- Tsijjôn (Sion) , zie Js 62,1 .
- ts´on (kudde) , zie Ex 3,1 .
- tsûph (tsuph) , zie 1 S 1,1 .
- thura (deur) , zie Mc 1,33 en Mt 28,2 .
- tuflos (blinde) , zie Mt 11,5 .
- twaalf zie dôdeka
- twl (werpen, slingeren), zie Jon 1,4 .

U
- uitwijken zie anachôreô

V
- van , vanaf , zie apo
- vergeven zie afièmi
- vergezellen, naast zich nemen zie paralambanô -
- vinden zie heuriskô
- volgen zie akoloutheô

W
- we`aththâh (en nu) , zie Dt 4,1 .
- werkwoordvormen van eimi (zijn) bij Matteüs -
- woord zie logos

Z
- zâkhar (gedenken) , Ex 2,24 .
- zâr`â (zaaien, planten, voortbrengen) , zie Gn 15,18 .
- zârach (rijzen, opgaan) , zie Mt 5,14 .
- zèteô (zoeken) , zie Mc 7,1 en Mt 2,12 .
- zeggen zie legei
- zèh (deze) , zie Gn 5,1 .
- zèlos (ijverzucht, afgunst) , zie Hnd 5,17 .
- zenden zie pempsas
- zie cfr idou
- zien -> verleden deelwoord gezien, zie idôn
- zizania (onkruid) , zie Mt 13,40 .
- zoals ... zo, zie hôsper
- zoeken zie zèteô
- zôèn (leven) in 20 verzen bij Johannes, zie Joh 3,15 : (1) Joh 3,15 . (2) Joh 3,16 . (3) Joh 3,36 . (4) Joh 4,14 . (5) Joh 4,36 . (6) Joh 5,24 . (7) Joh 5,26 . (8) Joh 5,39 . (9) Joh 5,40 . (10) Joh 6,27 . (11) Joh 6,33 . (12) Joh 6,40 . (13) Joh 6,47 . (14) Joh 6,53 . (15) Joh 6,54 . (16) Joh 10,10 . (17) Joh 10,28 . (18) Joh 12,25 . (19) Joh 17,2 . (20) Joh 20,31
- zoon : Verwijzing : huios (zoon) , zie Mt 3,17 . Eveneens : huios (zoon) , zie Mc 1,11 .