| JAARTAL - NIEUW - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - Z allochtonen, armoede, bahá'í , bijbeluitleg, bijbel en koran, boeddhisme, hindoeïsme ,interlevensbeschouwelijke dialoog, islam, jodendom , levensbeschouwing, levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , migratie, racisme, samenleving, , tewerkstelling van allochtonen, vluchtelingen en asielzoekers, vrijzinnigheid , witte scholen, multiculturele scholen en concentratiescholen , |
Damiaanactie : http://www.fondationdamien.be/nl/index.htm
Teksten van de eucharistieviering: http://www.4ingen.be/4ing%20volledig/volwassene/Campagnes/Damiaan/2002_Damiaanactie.htm.
Op woensdag 23 januari 2002 verschijnt
op de federatiebladzijde van Hasselt N-O van
Kerk en Leven het artikel "De Damiaanactie in Hasselt", geschreven door
Arseen De Kesel
Volgend week-end staat in het teken van de Damiaanactie. Je zult er heel wat over vernemen in de media en je kunt ook de website bekijken: http://www.fondationdamien.be/nl/ .
Helena De Ridder en haar dochter Karien Coussee organiseren deze actie voor Hasselt. Helena woont op de Genkersteenweg. Ze is een vijftiger. Ze heeft twee dochters. Ze werkt halftijds op de provinciale administratiedienst van de KWB. In januari 1992 wordt ze door mevropuw Maria Reekmans-Zeelmakers gevraagd om mee te werken. Na de dood van Maria in 1996 vraagt men haar verantwoordelijke voor het Hasseltse te worden. Helena werkt dan voltijds en haar dochter Karien is werkloos. Karien helpt haar moeder tot tevredenheid van allen, wat uitmondt in de vraag om op haar beurt verantwoordelijke te worden. Ondertussen woont Karien in Aarschot maar blijft zich engageren voor de werking in Hasselt. Aldus vormen moeder en dochter een tandem en zetten ze zich in voor het goede verloop van de Damiaanactie in Hasselt.
Zaterdag 26 en zondag 27 januari 2002 gaat opnieuw de actie door.
Vrijwilligers van verschillende leeftijden spreken je dan aan in de grootwarenhuizen
Aldi, Carrefour, Colruyt, Delhaize en Spar of op de grote markt om stiften
te kopen of een bijdrage te geven in de collectebus. De Hasseltse kerken
brengen in hun viering en preek de Damiaanactie onder de aandacht van hun
gelovigen en collecteren voor de projecten. De scholen Virga Jessecollege
(zie http://users.pandora.be/virgajes/secollege/
). KTA1 (zie webpagina: http://users.pandora.be/kta1.hasselt/nieuws/p3.htm
) en het H.Hartinstituut zetten acties op. Voor 2001 ging het om een eindbedrag
van 967.381 BEF; 640.838 uit de stiftenverkoop en 326.543 uit de collectes
van de parochies.
Bij mijn opmerking dat de Damiaanactie wel een geldactie lijkt te zijn,
repliceert Helena: "Met geld worden mensen geholpen: medicamenten, vergoeding
aan de dokters". Ik maak de kritische bemerking: "voor de dure erelonen
van de dokters". Ze corrigeert me: "De dokters leven sober en wonen heel bescheiden.
Sommigen vangen thuis zieken op en moeten bijbouwen."
Bij een dergelijke actie zijn vele vrijwilligers betrokken. Ze worden
aangesproken, geïnformeerd, ingelicht over de aard, de plaats en het
uur van hun inzet. Dat vraagt planning en organisatie.
Helena vertelt: "In november gaat in Brussel de startvergadering door.
We bekijken o.a. de film of video van de nieuwe actie. Einde november -
begin december komen we met het klein Hasselts comité bijeen: de
schoolverantwoordelijke Alice Lynen, de parochieverantwoordelijken Frans
Bollen en ikzelf, de winkelverantwoordelijken Guido Van Meer en Gert Dongleur.
We bereiden de actie voor en zetten de eerste stappen om de nodige vergunningen
van de winkelcentra en van de stad om te verkopen te bekomen. Alice bezoekt
de 44 scholen van Hasselt en bezorgt elke school een pedagogisch pakket.
Rond de nieuwjaarsperiode komt het comité opnieuw bijeen om de eerste
resultaten van vergunningen en medewerkers te bekijken en om voorlopige
overzichten te maken. Half januari houden we de voorbereidende vergadering
voor alle medewerkers. In februari sluiten we af met de dankvergadering en
bekijken we wat de actie heeft opgeleverd. In augustus is er de nationale
familiedag, het ene jaar in Wallonië, het andere in Vlaanderen. En verder
ga ik naar de maandelijkse vergadering van de Stedelijke
Werkgroep voor OntwikkelingsSamenwerking (SWOS) om er de Damiaanactie te
vertegenwoordigen."
Bij zoveel belangloze inzet stel ik Helena de vraag waarom ze het doet
en hoe ze in deze actie in Hasselt terechtkwam?
Helena vertelt: "Ik vind het normaal dat ik het doe. Ik zou er moeite mee
hebben als ik het niet zou doen." Helena is niet zozeer een vrouw van grote
woorden, maar van de concrete actie. Achter haar woorden voel je dat vriendschap,
bewogenheid door de armoede van mensen in de derde wereld, dankbaarheid
omwille van je kunnen en mogen inzetten, haar in beweging houden.
Ik vraag aan Helena naar het ontstaan van de Damiaanactie in Hasselt.
Helena vermeldt Imelda Vanhoudt, die op haar beurt naar haar zus Theresia
en haar broer Rom Vanhoudt verwijst, advocaat Jaak Bouveroux, advocaat Luc
Beerden, Xavier Spelmans en nog vele anderen. Ik ben benieuwd wie de Damiaanactie
in Hasselt heeft opgestart. Bij verschillende telefonische contacten word
ik van de ene naar de andere persoon doorverwezen.
De namen Raoul Follereau (1903-1977) en dokter Frans Hemerijckx (1902-1969) vallen. Raoul Follereau was schrijver, journalist, filosoof en advocaat. Hij wordt wel eens de advocaat van de melaatsen genoemd . In 1954 riep hij de werelddag voor de melaatsen in het leven. Dokter Frans Hemerijckx - van wie twee zonen in Hasselt wonen - werkte in Zaïre (1930-1954) en daarna in India met zijn rijdend lepra-hospitaal. Geïnspireerd door pater Damiaan, advocaat Raoul Follereau en dokter Frans Hemerijckx komt in België in 1954 de Damiaanactie op gang en vanaf 1964 verzorgt ze in ons land de werelddag voor de melaatsen. In Hasselt neemt rechter Marc Vancoppenolle het initiatief om de advocaten van de jonge balie van Hasselt (o.a. advocaat Jaak Bouveroux, die hem later als coördinator van de actie zal opvolgen; advocaat Luc Beerden en vele andere advocaten) aan te spreken. Op de laatste zondag van januari gaan ze in de kerken van Hasselt preken en collecteren. Tot begin van de jaren negentig doen ze het elk jaar opnieuw. In 1992 krijgt de Damiaanctie in Hasselt een nieuwe impuls waarbij scholen en jeugdbewegingen worden betrokken.
We kunnen het artikel niet afsluiten zonder de vermelding van de inleefreis naar Bangladesh van Stefanie Demey, leerling van het laatste jaar secundair onderwijs, en Fons Cuypers, leerkracht, namens het Virga Jessecollege van Hasselt. Stefanie vertelt: «Een reis naar Bangla Desh, een confrontatie met het leven daar, het werk van Damiaanactie aan de lijve meemaken, ... Deze aanbieding krijgt niet iedereen. Toen ze mij vroegen om als schoolafgevaardigde mee te gaan, heb ik eerlijk gezegd eerst getwijfeld. Ik schrok toch wel; zomaar uit je eigen luxewereld weggerukt worden om daar de armoede en miserie van dichtbij mee te maken. Maar hoe meer ik erover sprak met vrienden, en hoe meer ik erover nadacht bij mezelf, des te meer geraakte ik ervan overtuigd dat dit een kans was om met beide handen te pakken. Ik zal mijn uiterste best doen om een goede afgevaardigde te zijn. En ik hoop dat deze reis een succes wordt.» Ze vertrokken op donderdag 3 januari 2002 en zijn terug sinds 10 januari. Het Belang van Limburg zal over deze reis uitvoerig verslag uitbrengen.
In 1936 werd het stoffelijk overschot van pater Damiaan door het koopvaardijschip De Mercator naar België overgebracht. Over de aankomst te Antwerpen en de overbrenging naar Leuven bezit Jacques Dezeure, die in Kiewit woont, een reeks foto's. Deze erfde hij van zijn tantes Kusters.
Contactadres van de Damiaanactie in Hasselt: Helena De Ridder: Genkersteenweg
111, 3500 Hasselt, 011/23.56.60. Karien Coussee, -GSM: 0486/67 87 85
E-mail: kc@hotmail.com
1978.01.28/29: 25ste werelddag In Kerk en Leven
van 26 januari 1978 geeft Paul Van Wouwe verslag van zijn bezoeken aan India
(juli 1974), India (augustus 1975), Maleisië (juli 1975) en Soudan
(juli 1977).
1979.01: 26ste
1980.01:27ste
1981.01:
1982.01.29/30/31: 29ste werelddag
1983.01.1983: 30ste werelddag.
1984.01.28/29: 31ste werelddag. 20 jaar juridisch bestaan. 30 jaar werking.
Voorzitter is L. Moyersoen. 10 gfebruari 1984: toneelvoorstelling
Damiaan door Alex Wilequet in het Cultureel Centrum van Hasselt.
1985.01.26/27: 32ste werelddag
1986.01.25/26: 33ste werelddag
1987.01.31/02.01: 34ste werelddag
1988.01.30/31: 35ste werelddag
1989.01.28/29: 25 jaar Damiaanactie en 100 jaar na het overlijden
van Damiaan. 36ste werelddag. Slogan: Wij genzen melaatsen.
Eindresultaat: 126 miljoen BEF (+ 12,7 %). Vlaanderen: 66,7 miljoen BEF (+
20,7%).
25 januari 1989: toneelvoorstelling Damiaan door Alex Wilequet in het Cultureel
Centrum van Hasselt.
Een brief uit Brussel kondigt de actie van janauri 1989 aan. Hij is getekend
door Carla Reynders, animatrice, Rom Vanhoudt, animator en Rigo Peeters,
secretaris-generaal.
Op 17 januari 1989 nodigt Jaak Bouveroux de 'predikheren' van de balie
uit ten huize van eerste voorzitter Marc Van Coppenolle.
1990: 37ste werelddag
1991.01.26/27: 38ste werelddag der melaatsen. Er zal een verkoops-en
propagandastand zijn op de Grote Markt van Hasselt. (J. Bouveroux)
Thema was: Bombay. Rom Vanhoudt werkte nog op het Nationaal secretariaat.
Bij Imelda Vanhoudt (toen woonachtig Grote Breemstraat 49, 3500 Hasselt),
broer van Rom, ging op 24 november 1990 de startvergadering voor Hasselt
en omstreken door.
Chris Bussels, Broeseinderdijk
142, 3910 Neerpelt, GSM 0495/26.83.30, fax 011/80.60.84
Marc Dejan, Homsemstraat
1A, 3891 Gingelom, 011/88.32.50,
Karien Coussee, Genkersteenweg
111, 3500 Hasselt, 011/23.56.60
|
Walter
De Wouwe , Chris Bussels Leopold II-laan 263, 1081 Brussel tel. 02/422 59 11 of 0495/52 75 26 fax 02/422 59 00 claudia.breysens@damien-foundation.be walter.vanwouwe@damien-foundation.be (netwerkverantwoordelijke Vlaanderen) website: http://www.damiaanaktie.be bereikbaar: 8.30 - 17 uur Damiaanactie is een ngo die lepra en tuberculose bestrijdt in ongeveer 16 landen in Afrika, Azië en Latijns-Amerika. |
Pater Damiaan Jozef De Veuster http://www.ping.be/flanders_religion/damiaan.htm.
Raoul Follereau: De Werelddag voor
de Melaatsen http://www.fondationdamien.be/nl/algemeen/figuren/follereau.htm.
Raoul Follereau is geboren in 1903 in het Franse Nevers. In 1925 trouwt hij met Madeleine Boudou, die hem trouw zal blijven tot aan zijn dood. Raoul Follereau wordt journalist, filosoof, advocaat, schrijver en conférencier.
In 1935 bereidt hij een reportage voor over Charles de Foucault en gaat naar Tamanrasset waar zijn auto defect raakt. Het is op dat moment dat hij voor het eerst oog in oog staat met een leprapatiënt. Deze ontmoeting maakt een blijvende indruk op hem. Vanaf dan zal hij de spreekbuis zijn voor alle leprapatiënten wereldwijd.
Enkele jaren nadien vernam hij in het klooster van de Soeurs de Notre Dame
des Apôtres dat er een
melaatseneiland bestond. Het eiland nabij de Ivoorkust was een melaatsenkolonie
geïsoleerd van de buitenwereld. De zusters wilden een meer
menswaardig opvangcentrum bouwen op het vasteland, maar er was geldgebrek.
Vanaf toen voelde de Franse journalist zich geroepen om overal over de
lepra te gaan spreken en de mensen aan te sporen tot financiële steun
Toen in het begin van de jaren vijftig duidelijk werd dat de melaatsheid
te genezen was, raakte Follereau nog meer overtuigd. Hij wilde eerst en
vooral ijveren voor de bevrijding van de melaatsen uit de marginaliteit.
In 1954 riep hij een Werelddag voor de Melaatsen in het leven, die ondertussen
in 150 landen gevierd wordt.
Als conferencier en schrijver heeft hij 30 maal de wereld rondgereisd om
de wereld bewust te maken van het lepraprobleem, en van andere ziektes,
zoals het egoïsme.
In 1958 bracht hij 500 leprologen uit 50 verschillende landen samen in
Tokio. Samen eisten zij de onmiddellijke afschaffing van alle uitzonderingswetten
tegen melaatsen.
In 1968 wordt Association Française Raoul Follereau (AFRF) opgericht om de strijd tegen de melaatsheid te voeren.
Raoul Follereau overlijdt op 6 december 1977, in Parijs, ten gevolge van inwendige bloedingen.
dokter Frans Hemerijckx http://www.fondationdamien.be/nl/algemeen/figuren/hemerijckx.htm.
De Damiaanactie is heel veel verschuldigd aan een indrukwekkende figuur uit Ninove, dokter Frans Hemerijckx. Hij is de grondlegger van de ambulante aanpak van lepra.
Frans Hemerijckx werd geboren in Ninove op 19 augustus 1902. Na zijn humaniora
in Geraardsbergen studeerde hij geneeskunde in Leuven (hij wasmede-oprichter
van de ‘Missiebond der Vlaamse studenten’, de missionariswerking van de Vlaamse
studenten) Daarna specialiseerde hij
zich in tropische geneeskunde in Brussel.
In 1929 vertrok hij voor de Medische Hulpdienst voor Missies naar Tsumbe (Kasaï, Belgisch-Congo) samen met zijn verloofde, die een jaar later stierf aan een tropische ziekte. Op zijn tochten van dorp naar dorp werd hij vooral geconfronteerd met endemische ziekten als slaapziekte en lepra. Aangezien er nog geen geneesmiddelen beschikbaar waren en lepra epidemische vormen aannam, bouwde hij een leprozerie voor de melaatsen. Deze was opgevat als een dorp, waar de melaatsen in afzondering konden leven, maar toch samen met hun familie. Dokter Hemerijckx beschouwde de afzondering als een noodzakelijke maar weinig ideale oplossing.
Tijdens de 2de wereldoorlog (Dr. Hemerijckx was inmiddels hertrouwd met de zus van zijn eerste vrouw) stichtte hij het 2de lepradorp met de naam ‘Dikungu’. Ondertussen raakte de sulfonenbehandeling bekend waardoor Dr. Hemerijckx overschakelde op de ambulante verzorging. Dit betekende dat de leprapatiënten niet langer in leprozerieën werden opgesloten maar bij hen thuis werden verzorgd en tijdens hun behandeling bij hun familie bleven wonen.
Tien jaar later verhuisde Dr. Hemerijckx naar India samen met 3 Belgische vrouwen: Dr. Claire Vellut en de verpleegsters Simone Liégeois en Hélène Berg. Ze richten er de ‘klinieken onder de bomen’ op in Polambakkam. Het project werd een pilootproject en in heel India werden op vraag van de Indische regering zulke projecten opgestart. In 1960 nam de Indische regering het beheer over en dokter Hemerijckx bood zijn diensten aan bij de Wereldgezondheidsorganisatie.
Dr. Hemerijckx beïnvloedde de publieke opinie over de leprapatiënten.
Zijn ambulante gezondheidszorg werd in heel de wereld overgenomen. Staten
zoals Thailand, Afghanistan en Zuid-Korea vroegen om zijn advies.
In 1965, op 63-jarige leeftijd, keerde Dr. Hemerijckx terug naar Grimbergen
waar zijn vrouw en vijf kinderen al sinds 1946 leefden. Hij werd medisch
adviseur van Damiaanactie, reisde nog veel en nam deel aan congressen.
Hij overleed op 15 oktober 1969 in Leuven.
Geïnspireerd door dat voorbeeld kwam in België de DAMIAANACTIE op gang. Pater Obbels
en Pater Van de Wijngert, beiden van de kongregatie van de Heilige Harten,
hebben uitstekend werk geleverd. Vanaf 1960 heeft de Damiaanactie
in ons land de Werelddag voor de
Melaatsen georganizeerd, deze gaat door op de laatste zondag van januari.
Sedert 5 november 1964 vormt zij, samen met de "Belgische
Stichting ter Bestrijding van de Melaatsheid", een nieuwe vereniging: "Damiaanaktie,
Internationale Vereniging ter Bestrijding van de
Melaatsheid". Deze vereniging wil de gedachtenis aan pater Damiaan levendig
houden, door aan de strijd tegen lepra over de gehele wereld
deel te nemen, zowel op medisch en wetenschappelijk als op sociaal en menselijk
vlak. Zij streeft dit doel na buiten elke politieke en religieuze
beschouwing.
De Damiaanaktie haalt geld bijeen door de verkoop van stiften, postkaarten
en briefpapier. Met het geld dat de Damiaanaktie inzamelt kunnen
melaatsen van over heel de wereld geholpen worden. Dit zijn ongeveer 400.000
melaatsen, verdeeld over meer dan 20 landen.
Vanaf 15 april 1964 werd de stichting aanvaard als "Vereniging voor Technische
Bijstand aan de Ontwikkelingslanden". In die periode werd ook
duidelijk dat voor de Damiaanaktie, wilde zij haar caritatieve en menslievende
aktie ten voordele van de melaatsen doeltreffender maken,
bestendige medewerking van geschoold medisch personeel een strikte noodzaak
was. Er werd dan ook een medisch comitee opgericht. Hier
werd een duidelijk programma uitgewerkt met de volgende doelstellingen:
De melaatsen moeten in hun dorpen opgezocht en
in hun eigen omgeving behandeld worden. Dat is de meest aangewezen manier
van
melaatsenzorg, tevens de meest dringende en de
goedkoopste.
Het organizeren of reorganizeren van centra waar
de zieken tijdelijk worden afgezonderd en het opstarten van centra voor
fysiotherapie en
plastische chirurgie.
Het oprichten van vormingscentra waar zowel inlands
als buitenlands personeel kan worden opgeleid in de specifieke melaatsenzorg.
Voorkomen dat er nog melaatsen onnodig afgezonderd
worden. Tevens door vroegtijdige opsporing en behandeling voorkomen dat
melaatsen ten gevolge van hun ziekte blijvende
verminkingen en letsels opdoen.
Melaatsen die ondanks alles letsels, verminkingen
of misvormingen hebben opgelopen toch nog met een aangepaste behandeling
zoveel
mogelijk bekwaam maken om zich weer in te passen
in de maatschappij.
De melaatsen voor wie de moderne geneeskunde te
laat is gekomen, moeten in rustdorpen opgenomen worden.
De publieke opinie en bijzonder de schooljeugd
moeten wereldwijd, en vooral in de ontwikkelingslanden, door onderricht en
voorlichting
een juistere kijk krijgen op de medische en sociale
problemen van de melaatsen.
De Damiaanaktie werkt hard om dit programma te verwezenlijken. En steeds
weer staan edelmoedige mensen klaar om, in het spoor van
Damiaan, zich ten dienste te stellen van hun melaatse medemens. Zij verdienen
onze waardering en bewondering om hun inzet, hun moed en
hun daadwerkelijke naastenliefde. In hun werk leeft Pater Damiaan verder.
De geschiedenis van het theaterstuk
Het originele toneelstuk Damien werd voor het eerst opgevoerd in 1976 te
Honolulu, door de Amerikaanse akteur Terrence Knapp. Voor het zover was,
was er een jarenlange arbeid aan voorafgegaan door de schrijfster van het
stuk, mevrouw Aldyth Morris. Sinds 1926 reeds woonde zij op Hawaï,
en in 1936 was zij getuige van de overbrenging van het stoffelijk overschot
van Damiaan uit Hawaï naar België. Dit liet een diepe indruk op
haar na. Ook later werd ze geboeid door de figuur van de Vlaamse pater Damiaan,
en ze ging met aandacht zijn leven en karakter bestuderen. Dit leidde tenslotte
tot het schrijven van het toneelstuk. Vier verschillende versies werden
uitgewerkt, maar het solo-toneel werd uiteindelijk weerhouden.
Nog in de jaren ‘70 werd het toneelstuk in een aangepaste versie uitgezonden
door de Hawaïaanse televisie. Het stuk viel in de prijzen en bereikte
uiteindelijk ook, in 1981, Broadway: het Mecca van het theater in Amerika
en in New-York.
Het was een alerte taxi-chauffeur in New-York die over het theaterstuk begon te praten met Roger Domani, direkteur van het Théâtre de Poche te Brussel. — Bent u Fransman, mijnheer? Neen, van België. België? Kuifje... Hercule Poirot... en wist u dat er hier een theaterstuk loopt over Father Damien? - De belangstelling van Domani was gewekt. Twee jaar later, in april 1983, pakte Théâtre de Poche uit met een eigen bewerking in het Frans van het stuk van Aldyth Morris. Regisseur was Angelo Bison en de akteur die de indrukwekkende monoloog vertolkte was Bernard Marbaix.
Toen reeds was de Vlaamse akteur Alex Wilequet bezig met het vertalen en bewerken van het toneelstuk, rechtstreeks uit het Engels. Theater 19 had de rechten ervan gekocht en was met Alex Wilequet overeengekomen dat zij samen deze produktie in Vlaanderen zouden uitbrengen. Damiaanaktie was een derde betrokken partij. De 50 voorstellingen die in 1984 in Vlaanderen voorzien werden, moesten de 20e verjaardag van de vereniging enige luister bijzetten, en op een eigentijdse wijze de leprabestrijding en de figuur van Damiaan in de belangstelling brengen. Op 29 november 1983 speelde Wilequet de première van het stuk in de Leuvense Stadsschouwburg. De kritiek van de pers was bijna unaniem positief.
Het succes van het theaterstuk sloeg alle verwachtingen. Overal bleek men
belangstelling te hebben voor een opvoering van Damiaan in de plaatselijke
parochiezaal, desnoods in de kerk. In totaal werd het stuk 280 keren gebracht,
bijna steeds voor een gevulde zaal en iedere keer ten voordele van de Damiaanaktie.
Het totale aantal toeschouwers dat de één of andere voorstelling
ervan bijwoonde, moet welhaast omtrent de 100.000 liggen... Welk theaterstuk
in Vlaanderen kan zoiets evenaren?
Bovendien was Alex Wilequet met Damiaan ook in Zaïre, Rwanda en Burundi
te bekijken. Hij maakte er een rondreis die hem ook in lepra-projekten van
de Damiaanaktie bracht.
De 280ste voorstelling van Damiaan was een feestelijke voorstelling. Op
maandag 28 december 1987 ontving Alex Wilequet in het EWT-theater te Deurne
de prijs Kareltje ‘87. Deze Kareltjes-prijs is a.h.w. de toneeloscar voor
Vlaanderen, eertijds ingesteld door minister van cultuur Karel Poma voor opmerkelijke
prestaties van Vlaamse akteurs. Alex Wilequet noemde het stuk zelf het ‘hoogtepunt
van zijn carrière’, maar ook ‘het toppunt van volkstheater’. Inderdaad
waren er duizenden —misschien tienduizenden— toeschouwers die met Damiaan
hun eerste theatervoorstelling bijwoonden. Blijkbaar raakte deze produktie
werkelijk het hart van vele Vlamingen, die verder aan theater niet veel aandacht
geven. Naar aanleiding van de 100e verjaardag van het overlijden van pater
Damiaan op Molokaï, heeft Damiaanaktie dan ook besloten opnieuw een
reeks voorstellingen van dit toneelstuk te organiseren. In een jaar waarin
er veel belangstelling zal zijn voor het leven en werk van pater Damiaan
op Molokaï, kan de eigentijdse maar bestudeerde visie die uit het toneelstuk
naar voren komt, een boeiende en aangrijpende ‘inleiding’ zijn in het hele
herdenkings-gebeuren.
DAMIAAN
met Alex Wilequet
auteur: Aldyth Morris
vertaling en bewerking: Alex Wilequet
regie: Roger Vossenaar
dekor— en kostuumontwerp: Leo Hubrecht
lichtregie + techniek: Dirk Vandendriesche & Gerard Baert
produktieleiding: Jo De Caluwe
produktie: Arca vzw Gent en Brugge
Terug naar het begin van de pagina
JALCHATRA (Bangladesh) — In de jungle van Malidupur worden de zieken vervoerd
op een berrie van bamboe. Maar de doden gaan naar het graf in een kist op
een riksja.
Achthonderd tot duizend zieken per maand komen er binnen In het ziekenhulsje
van Jalchatra waar drie Vlaamse verpleegsters werken, in één
van de armste landen ter wereld. Met minder dan twee miljoen fr. per jaar
bestrijden ze van daaruit de melaatsheid, in een gebied zo groot als half
België.
De Damiaanaktie noemt Jalchatra één van haar typeprojekten
In 1972 werd het ziekenhuis overgenomen van Amerikaanse en Franse missies,
en met de komst van de Vlaamse verpleegsters veranderde de optiek waarin
werd gewerkt. Tot 1972 was
Jalchatra niet veel meer dan een leprosarium, een open plek in de jungle,
waar melaatsen samenkropen na verstoting uit hun familie Ze kregen er verzorging,
ontgonnen het bos, plantten de eigen rijst, zorgden voor het levensonderhoud.
Van-
af de jaren zeventig kregen de ideeën Ingang van de Vlaamse dokter
Hemerijckx. Behalve een algemeen ziekenhuis en een dispensarium voor de onmiddellijke
omgeving is Jalchatra thans hét administratieve centrum voor de melaatsenzorg
bij
12 miljoen mensen uit drie districten van Bangladesj.
Halfweg tussen de Golf van Bengalen en het Himalaya-koninkrijk Boetan werken
daar
nu drie Vlaamse verpleegsters: Rita Meynen uit Heusden, Lut Everaert uit
Erwetegem en Marie-Paule Bijnens uit Genk. De twee eersten zijn lekenzusters,
de laatste is kloosterzuster bij de Augustinessen en verantwoordelijke voor
het projekt. Ze
werken er samen met twee Franse nonnen en een Bengaalse zuster. Alle zes
vormen zij de kern van 37 personeelsleden onder wie 21 Bengaalse verplegers
die door hen zijn opgeleid.
Cyclonen
Het is een sober en een hard leven, daar in de lage, witgeschilderde gebouwtjes
ván Jalchatra. Tropische moessonregens zorgen in de zomer voor een
vochtige, ondraaglijke hitte. Overstromingen in het deltagebied maken veel
dorpen dan
ontoegankelijk. ‘s Winters voelt men de koude van de Himalaya in de niet-verwarmde
huisjes.
En in het najaar razen de beruchte cyclonen tot diep in het land.
Bangladesh is een moslimland, en wie de Islam heeft gezien in Arabische
landen zal de Levant geëmancipeerd noemen in vergelijking met Bengalen.
Drie vrouwen in een moslimland, in een melaatsenziekenhuis midden de jungle.
Veel westers komfort is hier niet te vinden. Televisie is er niet, telefoon
evenmin. Elektriciteit is er nog maar twee jaar, vroeger moest zelfs het
water in kalebassen worden aangedragen. De oudsten vertellen hoe ze wegvluchtten
in de kapel, toen er luipaarden verschenen aan de rand van de jungle. En
de jongsten worden ook vandaag nog opgeschrikt door hagedissen, tropische
spinnen, slangen en vleermuizen in hun slaapkamer. In de bossen rond het
ziekenhuis leven er struikrovers en bandietenbenden. Eén van de zusters
werd tijdens de nacht anderhalf uur lang gegijzeld. Ze werd pas ontzet nadat
de zieken hulp gingen halen op een Amerikaanse missie. Er wordt geld gestolen
en geneesmiddelen, en een nachtwaker werd teruggevonden In de jungle, vastgebonden
aan een boom. In de witgeschilderde gebouwtjes van het ziekenhuis in Jalchatra
houden de drie Vlaamse vrouwen alarmfluitjes, een handsirene en ook een
pistool binnen handbereik
Het westerse personeel in Jalchatra werkt onder vrljwillgersstatuut. Dat
betekent dat ze zich tevreden stellen met een aanvangs-»salaris” van...
zesduizend fr, betaald door de Damiaanaktie.
Geregistreerd
ABOS, dat ook de sociale zekerheid voor z’n rekening neemt, stort
op een Belgische bankrekening nog een tienduizend fr per maand als reïntegratiepremie.
Het hele projekt in Jachatra werkt met een begroting van minder dan twee
miljoen per jaar. Daarmee wordt het westerse en inlandse personeel betaald,
de leefkosten, de voertuigen, de brandstof, en de geneesmiddelen die voor
de mensen gratis en voor de andere zieken tegen een symbolische prijs ter
beschikking worden gesteld. Om de twee jaar kunnen de Vlaamse verpleegsters
terugkeren naar huis. De Damiaanaktie betaalt dan hun reis, bij verlenging
van hun kontrakt voor een nieuwe termijn van twee jaar ABOS de reis terug.
Naar schatting tussen 150.000 en 200.000 melaatsen leven er in Bangladesj.
Daarvan zijn er tot nu toe maar 40.000 geregistreerd. Met haar Jalcharta-projekt
bestrijkt de Damiaanaktie een gebied van een goeie 200 km doorsnede. Na tien
jaar werking zijn er thans 3.400 melaatsen geregistreerd in de registers van
Jalchatra. In 1982 werden er driehonderd nieuwe melaatsen ontdfekt, achtenzestig
leparalijders werden genezen verklaard en uit de statistiek geschrapt.
Men huivert bij de omvang van wat nog te doen staat, in een gebied waar
nu twaalf miljoen mensen wonen. De middelen zijn miniem, geschoolde verplegers
zijn er veel te weinig, de problemen zijn immens, vooral door de in Bangladesh
aanhoudende bevolkingsexplosie. In 1961 woonden in Bangladesh vijftig miljoen
mensen, in 1982 waren het er bij de negentig miljoen. Tegen het jaar 2000
zijn het er honderdvijftig miljoen.
In de zomer om 7 u, ‘s winters een half uurtje later begint het werk in
het ziekenhuis van Jalchatra. Van de 35 bedden zijn er 27 voor leprapatiënten
en de ziekenronde is het eerste werk van de dag. De vrouwelllke patiënten
in Jalchatra zitten achter kippedraad — ook Vlaamse verpleegsters moeten
de normen respekteren van deze moslimsamenleving.
Uitkoteren
Alleen melaatsen die in een acute krisis verkeren of die, bv wegens amputaties
geruime tijd moeten gevolgd worden,blijven opgenomen in het ziekenhuis,
soms voor een paar maanden.
Zo vlug als mogelijk gaat iedereen terug naar z’n eigen leefgemeenschap.
Genezing Is daar verzekerd, als men tenminste geregeld de voorgeschreven geneesmiddelen
neemt. De verzorging zelf van de melaatsen bestaat uit het verwijderen van
de verbanden, het weken van handen en voeten, het reinigen van soms verscheidene
centimeters diepe wonden ("uitkoteren”, heet dat), het verwijderen van woekerende
wormen en ander ongedierte, het afsnijden van stukjes wegrottend vlees, het
afschrappen van aangetaste botten. Het is een weinig aangenaam werk, afzichtelijk
weerzinwekkend, en voor een buitenstaander is de stank soms ondraaglijk.
Pas toen ik deze Vlaamse vrouwen daar boven op een gewone, houten tafel mét
hun melaatsen aan het werk zag, heb ik iets kunnen begrijpen van hun hardheid
en hun cynisme dat me aanvankelijk zozeer had geschokt.
Eén van de grote problemen van deze verpleegsters is de afwezigheid van een arts. Nadat bij een melaatse in een inlands ziekenhuis een half been was afgezet waar een halve teen had volstaan, voeren zijzelf kleine amputaties uit (maar altijd is er de schrik voor onstelpbare bloedingen). Voor alles staan zij alleen: voor het stellen van een diagnose, voor bevallingen met komplikaties, voor zware brandwonden, voor slangebeten, voor vergiftigingen, voor het bepalen van dosissen van geneesmiddelen voor volwassenen en kinderen. Medische handboeken geven maar zelden een antwoord dat bruikbaar is in de jungle. Het besef van hun verantwoordelijkheid is verpletterend.
Naast het eigenlijke ziekenhuisje is er nog een dispenarium, een soort
polikliniek voor dorpen van de omtrek. Per dag komen daar tussen de dertig
en de honderd mensen, voor de meest uiteenlopende aandoeningen en klachten.
In deze wintermaanden moeten veel brandwonden worden verzorgd bij kinderen
wier lange rok in brand is geraakt in de houtvuurtjes die tussen de hutten
worden gestookt Verder zijn er de aandoeningen van alle ontwikkelingsianden,
vooral buikloop, ondervoedlng, uitdroging, wormen, bloedarmoede, geslachtsziekten,
schurft.
Het ziekenhuisje en het dispensarium vormen niet de belangrijkste aktiviteit
in Jalchatra. De echte zorg voor de melaatsen, de opsporing van nieuwe zieken,
het bijbrengen van elementaire begrippen van hygiëne, gebeurt buiten
de witgeschilderde huisjes van het compound. Jalchatra is niet veel meer
dan een administratief centrum voor een veel grootser projekt. Tien jaar
nu al werkt de Damlaanaktie vanuit Jalchatra De vorming van inlandse verplegers,
de aflossing van de wacht, is aan de gang. Hoe lang drie heldhaftige, Vlaamse
verpleegsters in dit land nog zelf de gezondheidszorg moeten organizeren,
valt niet te voorspellen.
Terug naar het begin van de pagina
Om de uitzending van de Werelddag 1984 voor te bereiden, was een filmploeg van R.T.B.F. op bezoek bij pater Joseph Roulling in Kameroen. Het resultaat van hun werk kan u bekijken op B.R.T.-T.V. tijdens de tweede helft van januari (juiste datum nog niet gekend bij het ter perse gaan van dit nummer). Vooraleer het zo ver is, heeft Colette Braeckeman haar ervaringen reeds op papier gezet. De hoogtepunten uit een kort verblijf bij een basiswerker, het aanvoelen van de reële noden en problemen van een bevolking die — temidden van het tropisch oerwoud — een weinig rooskleurig bestaan kent.
Buiten enkele missionarissen kennen ze in Batouri geen Europeanen, een toerist of een expert-ontwikkelingshelper is er nog nooit langs gekomen. Ook vertegenwoordigers van de Kameroense regering komen raar of zelden naar deze Oostelijke uithoek van het land. Niet dat de bewoners onverdraagzaam of weinig gastvrij zijn. Integendeel, in Batouri wordt er misschien meer gelachen, gedanst en... bier gedronken dan elders in Kameroen. Het probleem is echter dat de verbindingswegen enorm slechts zijn en dat de rijkdommen van de streek bijzonder schaars zijn, naast wat koffie en tabak is het armoe troef. Nog meer weggedoken naar het Oosten zit je bovendien volop in het tropische oerwoud.
En toch is er een Belg die reeds vijftien jaar in Batouri leeft. Van ver komen ze aanlopen om hem te groeten want in Batouri is pater Joseph Roulling door jong en oud gekend. Iedereen in de streek heeft al wel eens een beroep gedaan op zijn goede diensten. Op een ogenblik dat het lokale ziekenhuis zonder geneesmiddelen zat, wanneer je denkt dat enkel een stevige inspuiting genezing kan brengen... steeds kun je terecht bij pater Joseph Roulling, een man die de goedheid zelve is.
En toch is deze priester geen dokter, wel is hij als verpleger verbonden aan het plaatselijk ziekenhuis!
Joseph Roulling is zo'n vijftien jaar geleden afgereisd naar Kameroen. Voordien was hij priester te Seraing maar de wens om zich ooit eens nuttig te maken in Afrika was overduidelijk aanwezig. Na een bijkomende vorming als verpleger heeft het bisdom Luik hem niet langer kunnen weerhouden. Zijn aanwezigheid in Kameroen gaat in ieder geval niet onopgemerkt voorbij.
Van de Kameroense regering kreeg hij de opdracht om in de twee Oostelijke departementen, Kadei en Bumba Ngoko, een plan voor de bestrijding van de lepra uit te werken. Het opsporen, de behandeling en de kontrole van de lepra zijn, net zoals overal elders, de drie hoofdopdrachten.
Waar er vroeger 60 tot 70.000 lepralijders in Kameroen waren, is dit cijfer vandaag gedaald tot 25.000. Maar vooral in de Oostelijke provincies is een strenge kontrole noodzakelijk wil men voorkomen dat de ziekte zich opnieuw zou uitbreiden. Pater Joseph Roulling heeft in dit gebied, 1,5 maal de oppervlakte van België, een 2.000 geregistreerde zieken die aan zijn goede zorgen zijn toevertrouwd.
Uitstoting is in het land onbekend, de lepralijders blijven bij hun familie en nemen, zoveel als mogelijk, deel aan het dagelijks leven. Deze solidaire houding vergemakkelijkt dus wel de politiek van de regering die besliste dat er per departement slechts 1 leprozerie kon in stand gehouden worden. Indien geen bijkomende zorgen nodig zijn, is het beter dat lepralijders thuis verzorgd worden en dat ze verder deelnemen aan het maatschappelijk leven. Bovendien is het werken met ambulante verzorgingsposten 4 maal goedkoper dan het verblijf in leprozerieën.
In theorie is deze verdediging van de ambulante verzorging natuurlijk mooi, het komt er echter op aan om deze veel zwaardere opdracht — tot het einde toe — uit te voeren.
Om de ambulante verzorging efficiënt te maken moet je, als het ware,
de lepralijders blijven achtervolgen. In de ver afgelegen dorpen, op de
velden...
Deze eerstelijnsverzorging is toevertrouwd aan de verplegers die aktief
zijn in de vele dispensaria. Joseph Roulling zorgt dan voor toezicht en algemene
koördinatie in dit uitgestrekte gebied, al laat hij niet na ook zelf
vele zorgen toe te dienen. Joseph Roulling is geen man om enkel toezicht
te houden, hij wil dat alles perfekt loopt, dat de lepralijders krijgen waar
ze recht op hebben... Hij wil op de eerste plaats een levend voorbeeld zijn
van dienstvaardigheid.
Om de film voor te bereiden heeft de R.T.B.F.-ploeg drie weken rondgereisd
in het gezelschap van deze uitzonderlijke man. Het werd een rondrit vol avonturen
maar met nog veel meer merkwaardige ontmoetingen.
De avonturen ontbraken niet: de landrover liet het regelmatig afweten, het overtollig slijk verplichtte ons om de nacht door te brengen temidden het oerwoud...
Maar het meest aangrijpende waren toch de vele ontmoetingen: echt menselijk
en vaak ontroerend, opbeurend ter wille van het vele lijden.
Onderweg werden natuurlijk de vrienden-missionarissen niet vergeten die
in deze verloren hoekjes volop bezig zijn mét het onderwijs, de evangelisatie...
En langsheen de ganse reisweg is het een terugvinden van echte vrienden,
de lepralijders. Met de jaren kent hij ze door en door, hun familie-situatie,
hun ziektebeeld, de kinderen... Zo ontmoeten we te Yokaduma de oude Pious.
Bij het horen van de Landrover is deze fel gehandicapte man naar buiten gestrompeld
om te vertellen dat hij honger heeft... omwille van de droogte was de oogst
pover!
Jean-Pierte ontmoeten we langs de weg te Bidjuki. Hij beklaagt er zich
over dat de verpleger de voorbije maanden niet meer gekomen is en dat hij
er nu, bij gebrek aan geneesmiddelen, slecht aan toe is. Joseph Roulling
zorgt er onmiddellijk voor dat deze man kan opgenomen worden in het ziekenhuis
te Batouri, in het paviljoen voor lepra-lijders en T.B.C.-patiënten.
Wat tijdens deze ontmoeting vooral opvalt is dat Joseph Roulling zich kwaad
maakt op de Kameroense verantwoordelijken. Het enige moment van ons samenzijn
dat deze lachende en rustige man zich opwindt.., hij neemt het niet dat de
lepralijders niet krijgen waar ze recht op hebben!
Diep verscholen in het oerwoud, nabij de grens met de Centraal Afrikaanse Republiek, is er de ontmoeting met een bevolkingsgroep die moeilijk te volgen valt: de pygmeeën.
In het verleden kwam lepra niet voor bij de pygmeeën, toen leefden ze veilig verborgen in het oerwoud en de kontakten met dorpsbewoners waren uitzonderlijk. Mettertijd zijn deze kontakten stilaan toegenomen. Pygmeeën verkopen nu wild en honing aan de dorpsbewoners, samen wordt er gewerkt aan de ontginning van het oerwoud... Deze toenemende en meervoudige kontakten laten sporen na: 18 % van de zieken die nu door J. Roulling verzorgd worden, zijn pygmeeën! En door hun levenswijze is het bijzonder moeilijk hen een regelmatige verzorging toe te dienen!
Toch zijn verrassingen niet uitgesloten. Zo hebben we, na lang rijden,
Pascal ontmoet in de nederzetting te Libongo. Toen ontdekt werd dat hij lepra
had, was hij bereid zich goed te verzorgen.., hij heeft het gedaan en, na
dit onderzoek, kan J. Roulling hem meedelen dat de ziekte volledig zal verdwijnen
als hij nog enkele maanden trouw zijn geneesmiddelen neemt. Toen was het
feest in Libongo. Muziek en dans onderstreepten het geluk van alle aanwezigen
en Joseph Roulling werd verplicht zijn onafscheidelijke pijp opzij te leggen
om mee te roken aan de týpische pijp van de pygmeeën. Zulke momenten
van intens geluk doen zich regelmatig voor, maar even vaak is er de konfrontatie
met nieuwe zieken of met patiënten die hervallen zijn. Maar wat wil
je! Hoe kan je in zulke omstandigheden de noodzakelijke hygiëne waarborgen?
Het samenhokken vermijden? In een streek waar drinkwater een o luxe is; waar
— ondanks de weelderige natuur — ond ervoeding schering en inslag is! Omwille
van deze bijzondere situatie is het begrijpelijk dat Joseph Roulling meer
doet
dan opsporen en verzorgen van lepra en T.B.C
Tijdens iedere reis heeft hij een goed uitgedachte voorraad geneesmiddelen
mee zodat hij alle zieken, die zich melden, min of meer kan verzorgen. Uiteraard
worden deze geneesmiddelen niet gratis uitgedeeld. Vaak is het een kleinigheid
die hij vraagt maar zo beseft de lokale bevolking dat « gezondheid
» niet gratis kan verkregen worden. Nog nooit heeft iemand problemen
gemaakt omtrent deze « betalingen », men beseft maar al te best
dat de gevraagde prijs ver beneden de prijs ligt die gevraagd wordt door
de apotheken in de steden, als die beschikken over geneesmiddelen...
Zieken die een intensieve verzorging nodig hebben, worden opgenomen in het paviljoen te Batouri. In dit bijgebouw van het ziekenhuis heerst er wel een familiale sfeer. De aanwezige patiënten ontbreekt het aan niets.
We hebben er Nestor ontmoet. Door de verzweringen is hij handen en voeten verloren, maar dit paviljoen is voor hem zijn nieuwe woonst geworden. Familie heeft hij niet meer en de rol van gastheer voor de nieuwelingen vervult hij op een voorbeeldige wijze. Ook Auguste, een ter dood veroordeelde uit de naburige gevangenis en T.B.C.-patiënt, wacht op zijn genezing in dit paviljoen! Wel met de stille hoop dat, wanneer de tijd hem gunstig gezind is, zijn straf, wordt omgezet in levenslang.
In deze vertrekbasis, het paviljoen, werkt J. Roulling met enkele Italiaanse vrijwilligsters en een groep jonge Kameroenezen... Bij hem leeft de stille hoop dat deze laatsten zijn werk ooit zullen verderzetten.
Maar dit lijkt de moeilijkste opdracht want het plaatselijk personeel houdt niet zoveel van die voortdurende rondritten, het op zoek gaan naar de zieken in de ver afgelegen dorpen...
Toch is en blijft dit de geloofsbelijdenis van Joseph Roulling, en hij herhaalt het steeds... « Je moet naar de zieken toegaan, dat is de voornaamste opdracht! ».
Bij deze merkwaardige man blijft het niet beperkt tot woorden, hij is steeds
onderweg... op weg naar zijn lepralijders.
Een ploeg van de televisie trok naar Kameroen om er een film te maken over
melaatsheid. Zij volgden Roulling op zijn lange verplaatsingen en noteerden
met geluids- en beeldband de talrijke kontakten en ervaringen met de man
onderweg.
Herhaaldelijk worden van dichtbij de verzorgingen getoond en de letsels
die door de lepra veroorzaakt zijn. Het is telkens wennen aan het zicht van
verdwenen handen en voeten.
Men wordt daarbij geholpen door gesprekken die meer vertellen over het
leven van de melaatse. Zo dat gesprek met Nestor.
Nestor mist handen en voeten, is genezen en beweegt zich voort op krukken.
Colette van de filmploeg vraagt of hij nu terugkeert naar zijn gezin. Nestor
zegt dat zijn vrouw wegging toen hij melaats werd. Hij kan nu geen vrouw
meer hebben want hij kan niet werken. Zonder handen en zonder werk is er geen
voedsel voor het gezin...
Hij zegt dat wel, maar wil duidelijk wat anders want als Roulling langs
komt, vraagt hij werk... schilderwerk... met de borstel tussen beide armen...
hij zou het traag doen, nauwkeurig en goed.
Het antwoord van Roulling klinkt hard, want negatief: Nestor kan niet met
de borstel werken, hij zou de pot omstoten en de verf is zo duur...
Trouwens Nestor is toch nuttig, hij onthaalt de mensen, hij praat met de
andere zieken en let op hen, hij heeft zelfs het eerst gezien dat een klein
meisje vlekken vertoonde. Dank zij hem was zij tijdig verzorgd
« Ik schilder toch ook niet », zegt Roulling. Het is mijn werk
de zieken te verzorgen. Ieder heeft zo zijn taak.
Men ziet dat de « ja » knikkende Nestor slechts moeilijk te
troosten valt door die woorden. Hij staart met ogen die glanzen in de verte,
de toekomst. Welke is zijn toekomst?
Nestor en anderen in de film tillen zwaar aan die gedwongen werkloosheid:
geen hout kunnen hakken en geen maniok kunnen verbouwen voor een vrouw en
voor kinderen.
Dit is een ander beeld in een film over Kameroen, in januari 1984 op de
televisie!
Terug naar het begin van de pagina
In navolging van het voorbeeld van Pater Damiaan, waren er ondertussen
in verschillende landen nieuwe initiatieven ontstaan . In 1924 stichtte het
Belgische Rode Kruis in Congo een instelling die belast was met de opsporing
en verzorging van de melaatsen. In 1930 wordt de Fondation Reine Elisabeth
opgericht, voor gezondheidszorg in Neder-Congo.
Naar aanleiding van het overbrengen van het stoffelijk overschot van Pater
Damiaan in 1936, werd het plan opgevat een internationale vereniging te
stichten voor de strijd tegen lepra. Dit project werd nooit uitgevoerd maar
drie jaar later ontstond, steeds in België, de Fondation Père
Damien, afgekort FOPERDA. Zij bestaat nog steeds en werkt, weliswaar in
beperkte mate, verder met de steun van Ontwikkelingssamenwerking en in goede
verstandhouding met Damiaanaktie. Naar een wens van Leopold III wordt in
1953 de Belgische Stichting voor de strijd tegen melaatsheid opgericht.
Haar eerste realisatie was het beroemde centrum van Polambakkam, in India,
in het hart van een streek waar niet minder dan 25.000 melaatsen behandeld
konden worden. De statistieken die daar werden bijgehouden dienen nog steeds
als epidemiologisch model voor de hele wereld. In Polambakkam werden rondreizende
gezondheidsdiensten opgericht, een revolutionair initiatief van Dr. Hemerijkcx,
eveneens een belangrijke figuur in de strijd tegen de lepra en een wereldhurger
wiens verdiensten algemeen erkend worden. Zijn assistente, Dr. Claire Vellut
kreeg de leiding over Polambakkam, dat inmiddels volgens het akkoord een
nationale Indische instelling was geworden. Eenmaal haar doel bereikt was,
werd de Belgische Stichting ontbonden en smolt zij samen met Damiaanaktie.
Het opmerkelijke initiatief van de “Wereiddag voor de Melaatsen” werd uitgewerkt
door Raoul Follereau. Nadat hij in 1936, tijdens een reis in Afrika, voor
de eerste maal geconfronteerd werd met slachtoffers van de lepra, ontpopte
de advocaat, journalist en schrijver zich in een globetrotter die de wereld
afreisde om de gewetens wakker te schudden. In 1954 lanceerde Follereau
de idee van de thans zo bekende “Werelddag”. Aanvankelijk werd deze dag
slechts in een twintigtal landen gevierd, thans wordt hij in 130 verschillende
staten georganiseerd. In 1958 slaagt Raoul Follereau erin in Tokyo meer
dan 500 lepraspecialisten samen te brengen. In een resolutie eisen zij de
onmiddellijke afschaffing van alle uitzonderingswetten tegen melaatsen. Het
debat werd voor de Verenigde Naties gebracht.
DAMIAANAKTIE
De vzw Damiaanaktie tenslotte, is ontstaan in het klooster van de Paters
Picpussen in Suarlée, onder impuls van Pierre Van den Wijngaert.
Als gevolg van een oproep van Raoul Follereau, werd er in 1957 te Brussel
een groep opgericht rond Jacques Vellut, met als doel geld in te zamelen
voor de lepra-bestrijding. Daarnaast ontstonden er, los van elkaar, gelijkaardige
organisaties, bijvoorbeeld in Doornik, Namen en Verviers.
In 1964 groeide uit al deze initiatieven en uit de Belgische Stichting
voor de Strijd tegen Melaatsheid een nieuwe vereniging, Damiaanaktie. In
1965 aanvaardt Hare Majesteit de Koningin het erevoorzitterschap.
Damiaanaktie, zich inspirerend op het werk van de beroemde missionaris,
koos als doel het werk van Damiaan voort te zetten, los van elke politieke,
religieuze of raciale context.
Van dit opzet is Damiaanaktie niet afgeweken. Nooit politieke kwesties.
Damiaanaktie staat open voor al diegenen die willen meewerken aan de strijd
tegen melaatsheid, welke politieke of religieuze overtuiging zij er ook op
mogen nahouden. Vandaag verenigt zij honderden lokale verantwoordelijken en
duizenden gelegenheidsmedewerkers. Damiaanaktie coördineert de inspanningen
van 1.500 personen, waaronder 40 Belgische vrijwilligers die permanent tewerk
gesteld zijn in lepraprojecten.
Damiaanaktie is gelukkig lang niet de enige vereniging ter bestrijding
van de lepra.
Talrijke organisaties, verspreid over de hele wereld, streven naar hetzelfde
doel.
llep, de Internationale Federatie van de verenigingen tegen de lepra, bundelt
de krachten van de 23 belangrijkste verenigingen uit 16 industrielanden.
Allemaal samen besteden de leden van llep jaarlijks meer dan 60 miljoen US
dollar aan de strijd tegen de melaatsheid. Verschillende commissies, waaronder
een medische, en werkgroepen voor de evaluatie van de projecten, maken het
mogelijk ervaringen uit te wisselen.