INFORMATIE OVER EN BESCHOUWINGEN BIJ DIACONIE - DIENSTBAARHEID 
WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA) - STARTPAGINA - AGENDA - OVERZICHT - NIEUW -  TIJDSCHRIFTEN -
JAARTAL - NIEUW - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - Z
allochtonen , armoede , bahá'íbijbeluitleg , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts , fundamentalisme , globalisering en antiglobalisering ,  hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , islam , jodendom , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , migratie , racisme , samenleving , sikhisme , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen ,

- Enkele bedenkingen ,
- Diaconie : Achtergrondinformatie ,
- Links ,
Enkele bedenkingen
In de Rooms-katholieke kerk van België staat 2002-2003 in het teken van de diaconie - de dienstbaarheid. Dit is een lovend initiatief. Immers, indien de Kerk niet dient, dient ze tot niets. Diaconie - dienstbaarheid - is een taak van de kerk als volk van God, d.w.z. van alle gelovigen: paus, bisschoppen, priesters, diakens, leken. Door het jaar in het teken van de diaconie te plaatsen, zie je plotseling allerlei uitgaven (boeken, artikels) verschijnen waarbij diaconie en diaconaat aan elkaar gelinkt zijn. Dat is ten onrechte. De woorden zelf kunnen daartoe wel aanleiding geven. Het terrein van de diaconie is niet uitsluitend het actieterrein van de diakens, zoals de provincie Antwerpen niet moet beperkt worden tot de stad Antwerpen. De woorden diaconie en diaconaat moeten in hun contekst gelezen worden zoals we dat ook doen voor de woorden bisschop en priester, waarbij we niet meer denken aan de oorspronkelijke betekenis van de Griekse woorden episcopos : opzichter, toezichter , en presbuteros : ouderling. Het gevaar bestaat dat er een nieuwe clerikalisering ontstaan ( en met clerus bedoel ik bisschoppen, priesters en diakens of de gewijde ambten) waardoor de terreinen waarop vooral de leken actief waren, door diakens - een nieuwe klasse clerus - worden ingenomen.
Tot slot : We stellen vast dat diaconie soms gelinkt wordt aan diaconaat en ertoe herleid wordt en dat het diaconaat zou kunnen leiden tot een nieuw soort clerikalisering.

Diaconie : Achtergrondinformatie (overgenomen van : http://www.vsko.be/pastoraal/publicaties/ikzal.htm )

De Belgische bisschoppen hebben het jaar 2002-2003 uitgeroepen tot het jaar van de diaconie onder het motto "Gezonden om te dienen". Dit thema is één luik van een triptiek. Het zal een eenheid vormen met dat van de twee daarop volgende jaren: "Gezonden om te getuigen" zal in 2003-2004 de aandacht richten op de verkondiging, "Gezonden om te vieren" zal in 2004-2005 de liturgie in de schijnwerpers plaatsen.

Een brief van de bisschoppen zal het jaar in september openen. De verschillende bisdommen en vele christelijke organisaties zullen studiedagen inrichten, vormingsinitiatieven opzetten, publicaties aanreiken, acties op het getouw zetten. Er komt via Kerknet een link naar een speciale website en wellicht heeft er een forum plaats rond het thema. Er zal heel wat te doen zijn rond diaconie. Het VSKO wil mee in die stroom gaan staan en een publicatie aanreiken op maat van de leraar. Die vertaalt dan wel verder naar de eigen doelgroep. Aan ieder van u om elkaar van dienst te zijn bij dit fundamentele bezinningsproces. We hebben een heel schooljaar voor ons om eraan te werken. Stap voor stap. Je weet alleen waar, wanneer en met wie je begint, niet hoe het eindigt. Dat moet je uit handen geven…

Het woord diaconie klinkt misschien wat geleerd en nieuw in de oren, maar het is eeuwenoud. Beter gekend is de vertaling dienstbaarheid. Het is een woord dat een attitude, een houding uitdrukt. Je kan dienstbaar zijn of niet. Het kernwoord ervan is dienst. In onze maatschappij zijn we omringd door heel wat soorten dienst. Dat begrip doet meteen ook denken aan dienstverlening, service en solidariteit. Uiteraard heeft dat er wat mee te maken, maar - zoals uit het vervolg zal blijken - is diaconie meer.

1.1 Voor wat hoort wat

"Neen, ik ben niet vrij zaterdagavond, ik heb dienst", zegt een verpleegster. Of "ik ben nu niet van dienst" zegt de loketbe-dien-de. Het klinkt alsof je al of niet "van corvee" bent. En zo is het ook. We spreken b.v. ook van "zijn militaire dienst of burgerdienst vervullen". Op het eerste gezicht is "dienst" niet zo prettig. Er zit iets van moeten in. Is dienen dan sowieso negatief? Neen, dat is maar één zijde van de medaille.

Je kan ook "iemand van dienst zijn". Met of zonder winstbejag. Dienstverlening in de zin van service gebeurt nogal eens door bedrijven die er hun boterham mee verdienen, zoals de firma's die mensen of materiaal verhuren of verkopen. Een zaak die zichzelf respecteert, biedt trouwens een goede service zodat de klant in zijn nopjes is met het product dat hij zich aanschafte. Goede service is een kwaliteitslabel. Meteen zitten we in het economisch patroon. De slogans van bedrijven zijn dan ook vaak gewiekst opgesteld. De reclamemakers overtroeven elkaar als ze hun diensten aanprijzen. Je kent wel de volgende slagzinnen uit de wereld van de communicatiemedia:

Tot je dienst. Wie SCOOT die vindt! Bent u op zoek naar de handelaar van een bepaald product of dienst? Dan is SCOOT er om u te helpen…

Tot uw dienst waar u zich ook bevindt, Proximus is altijd en overal bereikbaar.Wij staan tot uw dienst met een uitgebreid netwerk van meer dan 3.000 agenten...

De service die men aanbiedt, kan voldoen of te wensen overlaten. Het is aan de consument om dat te beoordelen. Vraag en aanbod moeten op elkaar afgestemd zijn.

1.2 Individu en verzorgingsstaat

1.2.1 Vrijwilligerswerk

Daarnaast bestaan er ook diensten zonder winstoogmerk. Ze worden opgezet door de overheid of door zogenaamd vrije organisaties, eventueel zijn ze het resultaat van privé-initiatief.

We leven in een "dienstenstaat". Rondom ons zien we heel wat diensten: administratieve, caritatieve, culturele, educatieve, pedagogische, sociale, technische, toeristische… En deze lijst kan zeker nog aangevuld worden. Ze zijn verbonden aan een stad, een provincie, een museum, een instituut, een bedrijf. Een aantal instanties, zoals een school, een ziekenhuis en een ministerie, doen in hun totaliteit aan dienstverlening; ze zijn nog eens onderverdeeld in interne diensten die behoren samen te werken. Een organigram van de organisatie brengt die verschillende departementen in kaart. Men spreekt ook van centrale en regionale of gewestelijke diensten; in deze definitie speelt een geografisch criterium.

Heel veel mensen zijn als beroepskracht tewerkgesteld in de "dienstensector". Ze verdienen er hun kost als "be-diende": als leraar, beambte, verpleger, sociale werker, ontwikkelingshelper... Veel dienstbetoon wordt evenwel ook verricht door vrijwilligers, mensen die zich op eigen initiatief of dat van anderen gratuit inzetten voor andermans welzijn op kleine of grotere schaal: op een palliatieve dienst, in een buurthuis, een rouwgroep, een straatfeest, een milieubeweging… Vele socio-culturele organisaties functioneren niet zonder hen. Wat zouden we doen zonder leesmoeders, bestuursleden van verenigingen, vierdewereldwerkers, leiders van jeugdbewegingen, catechisten…? In vele parochies tref je een ziekendienst of steunfonds aan voor sociaal achtergestelden die door de mazen van de sociale wetgeving en het OCMW-net glippen. Vele senioren staan na hun pensioen nog op de bres voor anderen. Op het internet staat een site met allerlei links naar vrijwilligersorganisaties: www.vrijwilligerswerk.be/links. Je vindt er informatie over organisaties en steunpunten, maar je kan er ook een taak als vrijwilliger zoeken. Wie zich als vrijwilliger ergens inzet, vindt doorgaans veel voldoening. Wat je de ander geeft, krijg je vaak hondervoudig terug. Je wordt er rijker van. Een be-genad-igd moment!

1.2.2 Van vrij initiatief naar overheidsdienst

We kennen overheidsdiensten en vrije initiatieven, al of niet gesubsidieerd door de staat. De wortels van deze opsplitsing liggen in een ver verleden. Die lange geschiedenis wordt hier in het kort voorgesteld.

In Europa werd vroeger veel hulpverlening opgezet door religieus geïnspireerde mensen. Abdijen en kloosters gaven dagelijks maaltijden aan bedelaars en boden zwervende reizigers onderdak. In de middeleeuwse hospitia en godshuizen kreeg iedereen zonder onderscheid verzorging: armen, bejaarden, wezen, zieken en hongerlijders. We kennen de hospitaalzusters- en broeders, de zwart- en grauwzusters, de cellenbroeders, begijnen, allemaal religieuze groepereingen die zich inzetten voor de armen- en ziekenzorg.

Na de Middeleeuwen verdwenen deze voorzieningen, armen werden zo afhankelijk van de goodwill van diegenen die het beter hadden. Christelijke dienstbaarheid werd versmald tot liefdadigheid: de gevestigde burger geeft aalmoezen aan de sukkelaar. Men helpt in de nood, maar niet uit de nood. Drie redenen deden de armoede gestadig stijgen: de sterke bevolkingsgroei, de toenemende verstedelijking en de kapitalistische productiewijze die steunt op het principe van concurrentie en winst door arbeid. Rijkdom gaf aanzien en macht. Men voelde zich niet meer betrokken bij de achterstelling van medeburgers. In de 17de eeuw komt Vincentius a Paulo (1581-1660) voor samen met Franciscus van Sales voor de promotie van de naastenliefde en roept iedereen op om een bijdrage daartoe te leveren.

Vanaf de 19de eeuw gingen de arme bevolkingslagen geleidelijk aan reageren, arbeiders eisten ondersteuning en solidariteit (d.i. een gezamenlijk gedragen zorg voor het welzijn van allen). De leuze van de Franse revolutie (1792) spreekt boekdelen: "liberté, egalité et fraternité". Frédéric Ozanam (1813-1854) was in Frankrijk een vurig pleitbezorger van de armen. Hij stichtte de Sint-Vincentiusvereniging voor armen- en ziekenzorg. De film Daens schetst een goed beeld van de arbeidersstrijd. Bedelen wordt bedélen om uit te monden in delen. Uit de encycliek Rerum novarum van Leo XIII (1891) blijkt dat de sociale strijd tot het wezen van geloven behoort. Krachten worden gebundeld in sociale bewegingen, vakbonden, coöperatieven en socio-culturele organisaties, vertakt in vele plaatselijke afdelingen. Heel wat nieuwe congregaties ontstonden, wijdden zich aan zieken-en armenzorg, het onderwijs en stichtten een eigen circuit van gezondheidsinstellingen. De geest van waaruit men werkte, was tijdsgebonden: de naastenliefde was de weg om te boeten voor eigen zondigheid en om te werken aan het zielenheil van de hulpbehoevende.

Na Wereldoorlog II beslisten sociale organisaties en politici een breed netwerk van organisaties en instellingen te voorzien. Zorgverlening is niet langer een gunst. Het wordt een recht. De "verzorgingsstaat" was geboren. De overheid besloot twee dingen te doen: enerzijds de levensbeschouwelijk georiënteerde scholen, ziekenhuizen en vormingsorganisaties subsidiëren; anderzijds de uitbouw van een parallelnetwerk van niet-levensbeschouwelijk onderwijs en ziekenzorg stimuleren. De overheid ging taken overnemen die tevoren enkel door kerken en religieuze orden werden waargenomen: onderwijs, ziekenzorg, vakantiespeelpleinen, kinderopvang, ontwikkelingssamenwerking… Het loont de moeite om eens te surfen naar de sites van Caritas Catholica, van het katholiek onderwijs of van Kerknet. Denk voor de niet-levensbeschouwelijke sector b.v. maar aan het officieel onderwijs en de OCMW-diensten, de opvolger van de vroegere Commissie voor Openbare Onderstand (kijk eens op de site aba.ewbl.vlaanderen.be).

Vooral onder impuls van het tweede Vaticaanse concilie (1962-1965) ontstonden er maatschappijkritische bewegingen en groepen, vaak ook kerkkritisch georiënteerd. Broederlijk delen en Welzijnszorg zijn van christelijke signatuur. Andere bevinden zich in de rand of zijn pluralistisch, zoals ATD, NCOS, Vredeseilanden, Oxfam, milieu- en vredesbewegingen…Nieuwe religieuze levensvormen krijgen vorm onder impuls van b.v. Moeder Teresa, Jean Vanier, Abbé Pierre.

De vrije initiatieven hebben de financiering van de staat vaak broodnodig om te kunnen (over)leven. De subsidiëring gebeurt evenwel volgens een strenge regelgeving. De overheid wil een vinger in de pap. Menig (levensbeschouwelijk) initiatief krijgt het daardoor lastig om nog zelfstandig te kunnen blijven bestaan. Grootschaligheid dringt zich op. Samenwerkingsverbanden en fusies zijn dikwijls de enige uitweg om te blijven bestaan, maar ze stellen de levensbeschouwelijke identiteit ernstig op de proef. Denken we b.v. aan de problemen die rijzen bij de samensmelting van een christelijk ziekenhuis met een OCMW-ziekenhuis, een levensbeschouwelijk neutrale instelling. Actueel zijn de vragen rond het organiseren van levensbeschouwelijke vakken in het onderwijs. En wat doet een katholieke basisschool die moet samengaan met een gemeentelijk instituut? Die eigenheid wordt ook onder druk gezet door de interne pluralisering. De K (van katholiek) of de C (van christelijk) is voor menig (personeels)lid niet meer zo evident. Evangelisch bewogen mensen zijn niet per se kerkelijk. De verzuiling wordt door velen in vraag gesteld.

Toch blijven er in deze "dienstenstaat" mensen die men niet bereikt, b.v. omdat ze door hun analfabetisme hun weg niet vinden in het bureaucratische doolhof of omdat ze sowieso uit de boot vallen bij gebrek aan voorzieningen of middelen. Iedere tijd opnieuw zijn er immers mensen voor wie georganiseerde hulp traag op gang komt: vandaag zijn het asielzoekers, mensen zonder papieren, drugsverslaafden, jongeren in de prostitutie... Ze blijven aangewezen op de directe hulp van mensen uit hun nabije omgeving. Of op organisaties die hun zaak ter harte nemen en daarvoor ook wat steun van de overheid verwachten, zoals de niet-gouvernementele organisaties of ngo's (www.ngonet.be).

1.2.3 Tele-liefdadigheid

De ellende dringt dagelijks op een onontkoombare manier via de media onze huiskamers binnen: verdwijningen, overstromingen, burgeroorlog, hongersnood, kanker, aids, ebola… Je kan niet voorbij aan de afschuwelijke beelden, maar je voelt je machteloos. Jouw hulp is toch maar een druppel op een hete plaat!? Op de duur geraak je zelfs gewoon aan de gruwel. Zijn mensen vandaag dan minder aanspreekbaar en egoïstischer? Wellicht niet. We zijn beter op de hoogte van wat zich wereldwijd afspeelt, maar we kunnen de stroom informatie niet meer volgen, laat staan erop inpikken om de nood te lenigen. Bovendien zorgen de sociale leefomstandigheden ervoor dat men minder geneigd is rechtstreeks te helpen, maar eerder indirect door de steun aan allerlei initiatieven en organisaties.

De opmars van de communicatiemedia biedt nieuwe kansen om die solidariteit vorm te geven, met alle voor- en nadelen eraan verbonden. De "tele-liefdadigheid" deed haar intrede. Caritatieve acties als Live Aid of tv-acties als Levenslijn en Kom op tegen kanker zetten vergeten groepen in de kijker en brengen gigantische bedragen bijeen. Ze smeren de ellende evenwel ook breed uit over het scherm en ze koppelen liefdadigheid aan amusement. Sensatie is soms niet veraf.

Je kan je steun betuigen via een telefoontje, een deelname aan een briefschrijfactie, een overschrijving. Sommigen storten met goede bedoelingen. Anderen zijn niet zo zuiver op de graat: marketing en reclame zijn slechte raadgevers; mede-lijden op basis van sentimentaliteit is vluchtig, liefdadigheid op grond van berekening is koud en onverschillig. Van op afstand geven kan waardevol zijn, maar het snijdt niet in je eigen vlees. Er zullen altijd vormen van dienstbaarheid nodig zijn waarbij je elkaar van mens tot mens bejegent en je elkaar letterlijk in de ogen kijkt.

1.3 Christelijke diaconie

1.3.1 De betekenis van het woord 'diaconie' bij Grieken, Romeinen en joden

Het woord diaconie komt uit het oud-Grieks en betekent: bediening, dienst, hulp. Van dezelfde stam zijn het werkwoord diakonein (d.i. dienaar zijn, bedienen, dienen, zorgen voor, helpen) en het substantief diakonos (d.i. dienaar, dienares, bode, helper, diaken). De woorden bestaan al van in de klassieke tijd en komen in antieke teksten voor. De basisbetekenis is die van tafeldienaar, al worden er ook andere vormen van knechtwerk mee aangeduid. Voor de oude Grieken gaat het om slavenarbeid, een vernedering in een cultuur waarin de politieke, sociale en culturele ontplooiing van de mens als vrij wezen voorop stond. De Romeinen die Griekenland in de tweede eeuw voor Christus inlijven bij hun rijk, zullen deze begrippen vertalen met "ministerium", "ministrare" en "minister", woorden die dezelfde bijklank hebben als hun Griekse tegenhangers.

In het jodendom daarentegen werd het dienstwerk niet als onwaardig beschouwd. Joodse slaven behoorden tot de familie, zij het in een mindere sociale status. In bijbelteksten liggen de begrippen "kind" en "dienaar" trouwens niet zo ver van elkaar. Kinderen moesten hun ouders, broers en zussen dienen. Zo wordt het Hebreeuwse woord voor dienaar ebed in het Grieks vertaald met pais dat zowel kind als dienaar betekent. (Js 42,1; 49,3.5; 52,13; 53,11) Meermaals wordt het joodse volk in het eerste testament dienaar van God genoemd. Paulus noemt zichzelf dienaar van God (2 Kor 4) en van Christus (2 Kor 11,23; Ef 3,7; Kol 1,23).

1.3.2 Diaconie in het tweede testament

1.3.2.1 Dienstbaarheid
Diaconie in christelijke teksten staat gelijk aan dienstbaarheid. Om te verstaan wat daarmee bedoeld wordt, moeten we terugkeren naar de bron en kijken hoe deze begrippen gehanteerd worden in de evangelies, de Handelingen en de brieven, allemaal teksten geschreven door Griekssprekende joden. Elk van deze woorden komt in het tweede testament zo'n dertigmaal voor, samen dus een kleine honderd keer.

1.3.2.2 Een klaverblad
Jezus zelf neemt de termen meermaals in de mond (b.v. Mc 10,45; Mt 20,28; Lc 22,26-27). In de Handelingen en de brieven wordt diaconie in één adem genoemd met liturgia (de ere-dienst vieren), koinonia (gemeenschapsopbouw of ontmoeting), en kerugma (verkondiging en catechese). Samen vormen ze een klaverblad. Het gaat om vier terreinen die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, het zijn nl. de grondhoudingen van elke christelijke pastoraal (Hnd 2,42-47 en 4,32-35; 1 Pe 4,10; 1 Kor 12,4-6).
Diaconia betekent zowel materiële ondersteuning als het dienaar zijn van God en Christus, de getuigenis van Christus' opstanding (1). Woord en daad zijn immers één, inspiratie en actie gaan hand in hand voor Jezus en zijn volgelingen.

In de eerste christengemeenschappen gaat men over tot het aanstellen van diakens om de zorg voor de voedselbedeling van de armen te verzorgen en het woord te verkondigen (2). De voedselbedeling gebeurde meestal op het moment van de eucharistie.

1.3.2.3 Barmhartigheid en gerechtigheid
Dienstbaarheid, blijkt uit Jezus' woorden en daden, is ingegeven door een streven naar barmhartigheid en gerechtigheid. Dat zijn twee sleutelwoorden uit de bijbel die elkaar oproepen (zie b.v. Ps 78, 38; Ps 85,11.14; Ps 103,6.8.17). Ook al in het eerste testament zijn ze de drijfveer van mensen die vertrouwen op Jahwe. Bijbelse woorden zijn relationele doewoorden. God wordt bij uitstek barmhartig en rechtvaardig genoemd in vele teksten (3). God is barmhartig als een moeder die zich ontfermt over haar kind (4) of zoals een bruidegom zich ontfermt over zijn bruid (Hos 2,20-22) Zijn barmhartigheid en gerechtigheid worden meermaals afgesmeekt (5).

Barmhartigheid wil zeggen dat men zich ten diepste (tot in de ingewanden of baarmoeder zegt het Hebreeuwse grondwoord) laat raken door het lot van de ander: geen passieve, vrijblijvende compassie, maar een actief mede-lijden. Geen onverschilligheid, maar emotionele betrokkenheid. Je voelt je intens verbonden, solidair met de andere en met wat hem overkomt. Mensen zijn gelijk-waard-ig. Het is alsof het jou zelf overkomt. Je kan je identificeren met de andere, je bent hem in zijn kwetsbaarheid, broosheid, weerloosheid empatisch nabij. Schroomvol, behoedzaam en zonder bemoeizucht. Je wordt ten diepste toe bewogen, geroerd, gegrepen, geroepen. Je hart luistert en klopt voor de ander, het wordt er warm van. De ander roept je op uit jezelf, vordert je op. Wat is mijn "lijdensbekwaamheid" (term van Dorothee Sölle)? Laat ik mij gezeggen door die machteloze andere? Op zijn "woordeloze vraag" geef je "antwoord", vol mededogen en erbarmen, mildheid en tederheid (6).

In gerechtigheid zit het woord recht. Gerechtigheid is de ander recht doen, zien wat hij tekort komt en zorgen dat hij krijgt waar hij ten gronde toe recht op heeft om mens te zijn: onderdak, eten en drinken, onderwijs… Deze fundamentele levensvoorwaarden staan ook ingeschreven in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. De ander moet kunnen rechtop lopen. Hij moet een menswaardig leven kunnen leiden, zichzelf ontplooien. Elke vorm van ongelijkwaardigheid, betutteling, neerbuigend paternalisme, ontering, discriminatie is een schending van de mensenrechten. Je evenmens mag niet gebogen gaan onder een onrechtmatige behandeling, zoals uitbuiting, corruptie, uitsluiting, mishandeling, veroordeling. Haat, onderdrukking, bespotting, racisme en diskwalificatie zijn een bron van vernedering en minachting. Ze leiden tot agressiviteit en woede. Elke mens wil erkend en gewaardeerd worden. Gerechtigheid moet je doen. Je moet ze handen en voeten geven: de ander toekomst geven, be-vrij-den, emanciperen (7) Wie de gerechtigheid in praktijk omzet, is een rechtvaardige, ook een sterk begrip in de bijbel dat vaak terugkomt (8). Koning David staat in het eerste testament model voor de handhaving van recht en gerechtigheid (2 Sam 8,15; 1 Kron 18,14). De honderdman aan de voet van het kruis riep bij Jezus' dood uit: "Waarlijk, die man was een rechtvaardige" (Lc 23,47) (9).

1.3.2.4 Caritas
Barmhartigheid en gerechtigheid beoefenen leidt tot liefdevolle, warme zorg. Die liefde heet "caritas": de andere is je carus of dierbaar, "you will care for him". In woord en gebaar. Soms gewoon door je beschikbaarheid, je gast-vrij-heid, je stille aanwezigheid of nabijheid. Het welzijn van de ander gaat je ter harte. Eerbied en tact leiden tot con-tact. De liefdevolle relatie met de kwetsbare andere kan vindplaats worden van God: "Ubi caritas, ibi Deus est" (Daar waar zorgende liefde is, daar is God). Lees er de bekende passage uit de eerste Johannesbrief op na: "Geliefden, laten wij elkaar liefhebben, want de liefde komt van God. Iedereen die liefheeft is uit God geboren, en kent God…Als wij elkaar liefhebben, woont God in ons, en is zijn liefde in ons volmaakt geworden" (1 Jo 4,7-12).

In een samenleving waarin barmhartigheid en gerechtigheid de boventoon voeren, gedijen ook goedheid, trouw, vertrouwen, hoop, perspectief, waarheid, loyaliteit, vrede, redding, bevrijding, vergeving en verlossing… Daar is het goed om wonen, daar heerst een toestand van welzijn, heil, sjaloom (Js 32,17). En wie voelt de grootste dankbaarheid? De gever of de ontvanger?

1.3.2.5 Een verbondsrelatie
Zo heeft diaconie alles van doen met een visie op mens zijn. Voor een christen is die visie verankerd in zijn relatie met de God van Jezus van Nazareth. Jezus heeft in woord en daad de diaconie geweldloos voorgeleefd, in het verlengde van de joodse traditie (cfr. Lc 4,16-20). Hij kon zich spiegelen aan grote figuren als Mozes en Elia, hij kon kracht en inspiratie halen uit de teksten van de thora en de profeten, die hij niet wilde opheffen, maar tot vervulling brengen (Mt 5,17-20). Voor hem ging de geest van de wet boven de letter.

Al wat Jezus zegt en doet, doet Hij vanuit de Vader die Hem gezonden heeft en zijn optreden is God welgevallig (10). Jezus is de icoon van God: "Wie Mij ziet, ziet de Vader" (Jo 14,9). De God van het eerste en het tweede testament is een op mensen en menselijkheid bedachte God, een God die zegt "Ik zal er zijn voor u", die een verbond sluit met de mensen. Hij maakt zich kenbaar doorheen bevrijdende relaties, daar waar mensen elkaar recht doen, liefde gestalte geven (cfr. Ex 3,7-9 en 20,6). Hij is immanent (aanwezig in de werkelijkheid) en tegelijk overstijgt hij ze (Hij is transcendent).

Jezus voelde zich bijzonder aangetrokken tot kinderen (11). Ook tot mensen die er niet bij hoorden: bezetenen, blinden, stommen, vrouwen, tollenaars… Zonder angst trad hij een concrete medemens tegemoet. Als een magneet trok hij 'gewonde' mensen aan. "Zalig" of "gelukkig" noemt hij in zijn Bergrede zachtmoedigen, vredestichters, barmhartigen, rechtvaardigen, vervolgden... Zielig zijn zij die leven van uiterlijk vertonen en de letter van de wet laten voorgaan op de geest ervan (12). Meermaals riep hij op tot gerechtigheid en barmhartigheid (Mt 6,33;Lc 6,38.) Hij was ten diepste begaan met mensen, keer op keer ziet hij hen en is hij geroerd (13). Keer op keer maakte hij mensen weer gezond of heel (14). Hij geeft hun nieuwe kansen. Geven is ook ver-geven. Hij veroordeelt niet (15). Zijn verhalen zijn in een uitnodigende, open taal gesteld; in parabels en gelijkenissen houdt hij luisteraars en lezers een spiegel voor (16). Heel zijn leven stelde hij in het teken van breken en delen. Onrecht deed hem steigeren. Het maakte hem boos en verontwaardigd. Toch sloeg hij niet terug (1 Pe 2,23). Zacht en mild was hij, teder en fijngevoelig (Mt 11,29), al kon hij ook scherp uitvallen tegen mensen die zich ervan afmaken met lippendienst (17). Zijn evangelie is véél meer dan moraal (18).

Zijn grootste gebod in de liefde (Jo 15,9-17; Rom 12,8-10). Daarin is hij zelf zeer ver gegaan, tot op het kruis. Hij heeft zijn leven gegeven om dat "koninkrijk van God" waar te maken. Zelf zei hij: "Zoek eerst het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid…" (Mt 6,33; Mc 1,15). Verknecht door een volk dat wilde heersen (de Romeinen), zette hij de relatie tussen heerser en dienaar radicaal op zijn kop, een waagstuk dat hij met zijn leven bekocht. De volgende uitspraken moeten Grieken en Romeinen op zijn minst vreemd in de oren geklonken hebben: "Een leerling staat niet boven zijn meester en een slaaf niet boven zijn heer. Voor de leerling is het voldoende als hij wordt als zijn meester, en voor een slaaf als hij wordt als zijn heer" (19) en "De grootste van jullie moet de minste worden, en de leider de dienaar." (Lc 22,26b) en "De Mensenzoon is niet in de wereld gekomen om gediend te worden maar om te dienen" (20), iets wat hij op Witte Donderdag met de voetwassing voordeed (Jo 13). De verbondsrelatie met God drukte hij uit in de intermenselijke band tussen vader en zoon. Wie wil weten wat dat betekent, kan er het verhaal op nalezen van "een vader met twee zonen" of van "de arbeiders van het elfde uur": barmhartigheid en gerechtigheid gaan er hand in hand (Lc 15, 11-32 en Mt 20,1-16).

1.3.3 Diaconie vandaag

1.3.3.1 De bewogen beweger
Jezus spreekt en handelt vanuit zijn verbondenheid met God die Hij Vader noemt. Wie Jezus wil dienen, moet Hem volgen. En wie Hem dient, zal erkenning vinden bij de Vader (Jo 12,26).. Wie Hem dient, bouwt zijn huis op rots (Mt 7,24-27). En "Als iemand partij kiest voor Mij bij de mensen, zal ook Ik partij kiezen voor hem bij mijn Vader in de hemel…Wie jullie ontvangt, ontvangt Mij, en wie Mij ontvangt, ontvangt Hem die Mij gezonden heeft" (Uit de zendingsrede van de twaalf bij Mt 10,5-42 passim).

Na Hem zijn velen in zijn spoor getreden, tot op de dag van vandaag. Aangetrokken door zijn voorbeeld en be-geest-ering. Die Geest van de Vader had hij zijn leerlingen trouwens als helper en leidsman beloofd toen hij voorvoelde dat zijn einde naderde (Jo 14,26). In de Galatenbrief somt Paulus 9 eigenschappen op die de vrucht zijn van die Geest: de liefde staat uiteraard op kop (Gal 5,22-23). Elders (21) betoogt hij dat er vele gaven zijn, maar slechts één Geest. Stel de vaardigheden die je kreeg, ten dienste van de gemeenschap. Een lichaam functioneert ook maar als elk van de ledematen zijn deel doet.
De God van het christendom is er voor elke mens die voor Hem open staat, Hij leeft in het hart van elke mens die Hem zoekt, zijn scheppende kracht is in iedere mens aanwezig. Vooral de kleine, gekwetste mens behoeft hulp. Hij kan het immers niet alleen aan, hij rekent op de solidariteit van anderen met hem. Misdeelden moeten een gezicht krijgen en een stem in het kapittel.

Zo vooronderstelt diaconie dat men het appèl van de ander ziet, het onderscheidt en er dan naar handelt. "Onderscheiden" betekent dat men nadenkt over de vraag wie men kan "dienen", waarom en hoe. Diaconie is gedreven inzet, dienstbaarheid, actie. Aan de basis liggen luisterbereidheid, bewogenheid en rationeel inzicht. Waakzaamheid leidt tot werkzaamheid, inspiratie tot actie. Anders gezegd: wie ziet, wordt bewogen en komt dan zelf in beweging. Hij zet de stap van affectieve naar effectieve liefde. Deemoedig en onbaatzuchtig.

1.3.3.2 Opnieuw het klaverblad
Inzet zonder spiritualiteit leidt tot plat activisme. In de liturgie (of eredienst aan God) wordt die be-geest-ering of inspiratie ter sprake gebracht en gevierd. In de woorddienst horen we getuigenissen uit de bijbel en belijden we ons christelijk geloof. In de tafeldienst herbeleven we Jezus' gave ten dode toe. De concrete zorgen en noden van mensen worden in de gemeenschap binnengebracht. Goede liturgie is levensnabij. Vanuit de gezamenlijke maaltijd in Jezus' naam klinkt de oproep om in woord en daad te getuigen van zijn evangelie. De echte consecratie gebeurt in het leven van elke dag!

Overbeklemtoning van liturgie en verkondiging is even nefast. Godsdienst is veel meer dan praktiseren of dan een vak op school: het is leven vanuit de boodschap en ze, in het spoor van Jezus, met handen en voeten gestalte geven, in het klein en in het groot. "Het geloof is dood zonder de daad", zegt Jakobus (Jak 2,14-26). En "Luister niet alleen naar het woord, maar handel er ook naar; anders bedriegt u uzelf" (Jak 1,22). Johannes spreekt in dezelfde zin: "Wij moeten niet liefhebben met woorden en leuzen, maar met daden die waarachtig zijn" (1 Jo 3,18). "Als de kerk niet dient, dient ze tot niets", zei Jacques Gaillot.

Christelijke solidariteit of diaconie kan niet zonder verbondenheid met haar spirituele bron (liturgia). Ze krijgt pas gestalte in een gemeenschap van christenen die zich met elkaar verbonden weten (koinonia). Diaconie is getuigend handelen, ze vormt de sterkste verkondiging (kerugma) van een geloof in opstanding en verrijzenis, temidden van dit leven. Ze behoort tot de kernopdracht van Jezus' volgelingen, tot het hart van het christen zijn. Dienstbaarheid is de graadmeter van het geloof, ze staat garant voor de geloofwaardigheid van de christelijke boodschap. Dienstbaarheid is de enige vrijgeleide voor de toekomst van de samenleving.

1.3.3.3 Sterk in je onmacht
Elke dag beleven we interpersoonlijke relaties met de mensen die we gewild of ongewild "ontmoeten" als we ons voor hen openstellen. Elke dag geven we in onze kleine leefgemeenschappen (het gezin, de communiteit, de school, werk- en vriendenkring…) mee gestalte aan omgangsvormen die mensen optillen of neerhalen. Elke dag leven we in een wereld waarin volkeren, naties en allerhande samenwerkingsverbanden elkaar recht doen of verknechten.

Individueel onrecht bestaat. Structureel onrecht bestaat ook, op micro-, meso- en macrovlak. Veel individuele noden worden veroorzaakt door scheefgegroeide maatschappelijke structuren. Je ervan bewust zijn is een eerste stap, ernaar spreken en handelen is een tweede stap. Het komt erop aan je ogen en oren wijd open te zetten, recht te doen en onrecht te durven aanklagen. Om weerwerk te bieden aan wantoestanden, moet je ze eerst kennen. Dat vraagt soms analyse en studie. Ze aan de kaak durven stellen is vaak in de tegenstroom durven gaan staan. Dat vraagt moed. Het Conciliair Proces (Basel 1989-Seoul 1990) dat focust op vrede, gerechtigheid en heelheid van de schepping, heeft aan actualiteit niets ingeboet.

Wie aan de leiding staat, heeft extra verantwoordelijkheid: hij moet het visioen van geweldloze inzet bewaken, het regelmatig formuleren en het proberen waar te maken (cfr. Ps 72). Wie het voor het zeggen heeft, moet sleutelen aan systemen die onrecht, armoede en ongelijkheid in stand houden. Gezagsdragers moeten impulsen geven aan economische veranderingen, aan landbouwhervormingen. Ze moeten zorg dragen voor het milieu en garant staan voor een klimaat waarin mensen van verschillende etnische en culturele herkomt vreedzaam samen leven. Ze moeten werken aan een eerlijk en menselijk strafwetsysteem, aan een open en democratisch bestel. Het gaat niet op dat bepaalde stukken van onze planeet het goed hebben, terwijl anderen gebukt gaan onder armoede en een immense schuldenlast. Jezus' houding is radicaal in de parabel van "De rijke jongeling": "Ga verkopen wat u hebt en geef het aan de armen" (Mc 10,17-22; Mt 19,16-22). Dezelfde boodschap horen we in het gesprek met de rijke (Lc 18,18-23) en in het verhaal over de arme weduwe (Lc 21,1-4).

Nu eens ben je de sterkere, dan weer de zwakkere. Soms geef je, een andere keer ontvang je. Mensen zijn interafhankelijk. In je afhankelijkheid blijf je evenwel gelijkwaardig als mens. Mensen zijn tochtgenoten, partners. Je moet in een relatie durven opkomen voor jezelf, maar ook kunnen aannemen. Het is niet eenvoudig je te laten bevragen, kritiek te incasseren en tekorten ruiterlijk toe te geven. Nog moeilijker is het de hand in eigen boezem te steken en aan zelfkritiek te doen. Wat is het motief van mijn inzet en hoe zuiver is mijn drijfveer? Durf ik zelf een groeiproces gaan en wil ik mijn houding geregeld bijsturen? Hoe kom ik de behoeften van de andere op het spoor: hoor ik ook zijn stem klinken, ben ik ge-hoor-zaam aan de andere en aan mezelf? Pas dan is er sprake van samen-horig-heid. Ken ik de begrensdheid van mijn deskundigheid en van mijn persoon? Als zo'n vragen opborrelen en in alle nederigheid beantwoord worden, komen relaties los van de machtsstrijd die er vaak diep in verborgen zit.

1.3.3.4 De zeven werken van barmhartigheid
De christelijke traditie kent de "Zeven lichamelijke werken van barmhartigheid": hongerigen spijzen, dorstigen laven, naakten kleden, zwervers gastvrijheid bieden, zieken bezoeken, gevangenen bevrijden, doden begraven. Het getal zeven staat symbolisch voor volheid.

De liefdevolle zorg voor "naasten" was ingebed in de joodse cultuur. Meerdere passages in het eerste testament verwijzen ernaar: Deut 15,1-11, Sir 7, 32-35; Ps 146,7-9; Spr 3,28; Spr 14,31 en 31,8-9; Js 58,6-7, Ez 18,5-9, Tob 4,16-18; Zach 7,10.

Matteüs laat Jezus 6 van de de 7 "werken van barmhartigheid" noemen in "het oordeel van de Mensenzoon" (Mt 25,31-46). Deze passage vormt het sluitstuk van een deel dat ingezet werd met de Bergrede (Mt 5). Terwijl de Bergrede handelt over de gezindheid jegens de "armen", gaat het in het Oordeel over de daden jegens hen. Jezus zegt in Mt 25 onomwonden: "Alles wat je voor één van deze minste broeders van Mij hebt gedaan, heb je voor Mij gedaan" (Mt 25,40). Hij sluit het verhaal af met: "Alles wat je niet voor één van deze minsten hebt gedaan, heb je ook niet voor Mij gedaan. Zij zullen naar de eeuwige straf gaan, maar de rechtvaardigen naar het eeuwige leven" (Mt 25,45-46). Dat is klare taal. Woord en antwoord vragen om "verant-woord-ing". Met de maat waarmee je meet, zal je gemeten worden (Mt 7,1-6; Lc 6,37-39; Mc 4,24). "De maat van de liefde is liefde zonder maat" luidt de titel van het boek dat broeder René Stockman schreef "over het wezen van de christelijke naastenliefde vandaag".

In de Middeleeuwen voegde men er "de zeven geestelijke werken van barmhartigheid" aan toe: zondaars berispen, de onwetende leren, voor de zaligheid van de naaste bidden, twijfelaars goede raad geven, bedroefden vertroosten, het aangedane kwaad verduldig lijden, ongelijk van harte vergeven.

Iedere tijd opnieuw is het aan Jezus' volgelingen om te achterhalen wie de zieken, gevangenen, zwervers, bedroefden zijn… Elke samenleving kent "marginalen", vergeten mensen die uit de boot vallen. Vandaag zijn het: armen, daklozen, stervenden, laaggeschoolden, drugsverslaafden, illegalen, werklozen, bejaarden, holebi's, gehandicapten, asielzoekers, migranten, vluchtelingen, seropositieven, slachtoffers van geweld…
Evangelische solidariteit richt zich naar hen die het materieel of psychisch moeilijk hebben. Je kan de beelden die Jezus gebruikte, immers niet alleen letterlijk, maar ook geestelijk verstaan. Je kan hongeren en dorsten naar waardering, bevestiging en belangstelling; of naar vriendschap, liefde en trouw, naar een zinvol, vreugdevol bestaan. In al je kleinheid en armoede sta je naakt voor de andere. Wie thuisloos is of op onbegrip stuit, voelt zich als een vreemde. Iemand kan opgesloten zitten in zijn eigen problemen, verleden of vooroordelen van anderen; of de gevangene zijn van de schending van de mensenrechten; hij/zij kan verhangen zijn aan drugs of alcohol, verslaafd aan gokken of gekluisterd aan het scherm van zijn tv of pc. Je bent ziek van twijfel, onmacht, angst. In de ban van de obsessies kan je je inmetselen als een levende dode.

1.3.3.5 In dienst van een humane samenleving
Christelijke bewegingen en organisaties zullen zich moeten bezinnen over hun identiteit in de plurale samenleving: Wat betekent het evangelie van Jezus voor het engagement? Hoe kan een gelovige zijn dieperliggende religieuze motivatie benoemen, duiden, verdiepen en vieren?

Met mensen van andere levensbeschouwingen en godsdiensten denken christenen na over de acute problemen van deze tijd. En zoeken ze hoe noden best kunnen gelenigd worden. Dienstbaarheid gebeurt immers niet alleen door christenen. Op medemenselijkheid rust geen monopolie. Een rechtvaardige samenleving en een leefbare aarde is de droom van elke mens.

Het IPB-document "Uw naam is hartstocht voor gerechtigheid (22)" besteedt ruimschoots aandacht aan dit aspect. En in april 2001 kwam de Charta Oecumenica tot stand, een document dat als ondertitel draagt "Richtlijnen met het oog op een groeiende samenwerking tussen de kerken in Europa" (23). Vertegenwoordigers van de KEK en de CCEE(24) roepen in dit handvest op tot een cultuur van verzoening, dialoog en samenwerking.

Voor het Europa van morgen worden hier sleutels aangereikt:: "Op grond van ons christelijke geloof willen we ons inzetten voor een humaan en sociaal Europa waar de rechten van de mens en de fundamentele waarden van vrede, gerechtigheid, vrijheid, verdraagzaamheid, inspraak en solidariteit gerespecteerd worden. Wij dringen aan op eerbied voor het leven, voor de waarde van het huwelijk en van het gezin, voor de voorkeursoptie voor de armen, de bereidheid tot vergeving en in alles op barmhartigheid… Wij beschouwen de verscheidenheid aan regionale, nationale, culturele en religieuze tradities binnen Europa als een rijkdom… Onze gemeenschappelijke inzet heeft te maken met het kritisch beoordelen en het oplossen van politieke en sociale problemen in de geest van het evangelie. Omdat we de mens in zijn waardigheid als beeld van God beschouwen, willen wij borg staan voor de absolute gelijkwaardigheid van elke mens. Als Kerken willen wij samen het proces van de democratisering in Europa aanmoedigen. Wij engageren ons voor de vrede op basis van een geweldloos oplossen van conflicten. Wij veroordelen iedere vorm van geweld tegen om het even wie, in het bijzonder tegen vrouwen en kinderen. Verzoening omvat het bevorderen van sociale gerechtigheid binnen de volkeren en tussen alle volkeren. Vóór alles heeft deze te maken met het dichten van de kloof tussen arm en rijk en het terugdringen van de werkloosheid. Wij willen er samen toe bijdragen dat migranten, vluchtelingen en asielzoekers in Europa waardig worden opgevangen. Wij engageren ons ertoe: ons te verzetten tegen elke vorm van nationalisme die kan leiden, tot de verdrukking van andere volkeren en nationale minderheden én ons in te zetten voor geweldloze oplossingen; de plaats van de vrouw en haar gelijkheid van rechten in alle sectoren van de samenleving te verstevigen en bij te dragen tot een echte gemeenschap van vrouwen en mannen in Kerk en samenleving…Wij engageren ons ertoe: de ontwikkeling van een levensstijl te bevorderen die, in weerwil van de druk vanuit de economie en de consumptie, de nadruk blijft leggen op de kwaliteit van een verantwoord en duurzaam leven; de kerkelijke organisaties die werken aan het milieu en de oecumenische netwerken die hun verantwoordelijkheid voor het behoud van de schepping opnemen, te ondersteunen." De kerken willen de verbondenheid met het jodendom verdiepen, de banden met de islam cultiveren en de ontmoeting nastreven met andere godsdiensten en ideologieën.
De volledige Nederlandstalige tekst is te vinden op de site van Pax Christi

1.4 Onderwijs en diaconie 

In de schoolwereld is er veel dienstbaarheid aanwezig. Onderwijs verstrekken is a priori voorzien in een van de fundamentele rechten van de mens. Het hele onderwijs staat per definitie ten dienste van kinderen en jongeren. Het wil hun hoofd, hart en handen leren ontplooien. Leraars en opvoeders brengen daarvoor hun persoon en deskundigheid in. Leerkrachten en leerlingen leren er als mens aan elkaar. Jonge mensen opleiden en vormen, hen onderwijzen of "het wonder wijzen" is in wezen een dienst aan de samenleving. De bagage die de school meegeeft, is een investering in de maatschappij van morgen.

In de christelijke school staat de mens Jezus als model voor de (pedagogische) relatie. Ze is ingegeven door een open grondhouding van respect. Jezus' woorden en daden zijn er inspiratiebron van spreken en handelen. Hij is de toetssteen, het referentiepunt, de "wrijfpaal". Bij hem kunnen we te rade gaan, zonder angst. Van hem mogen jongeren en volwassenen groeien en falen. Van hem kunnen we leren. Daar waar hij tot leven gebracht wordt, krijgt maatschappelijke inzet een christelijke dimensie, wordt solidariteit tot diaconie.

De school is een minimaatschappij waarin jongeren en volwassenen elkaar als individu en in groep ontmoeten. Elke dag dragen mensen er spontaan zorg voor elkaar: een bemoedigend woord, een bezorgde vraag, een rechtvaardige behandeling, differentiatie waar nodig, hulp als je ziek bent… Die kleine attenties bepalen de schoolcultuur. Kunnen ook het moeilijke kind en de achterblijver terecht? Is er tijd en ruimte voor gevoelens en stilte? Ook de preventieve aanpak van vandalisme, pesten, drugsgebruik… verraden de sfeer die er hangt. Ligt de nadruk op het diploma en op (economisch) nuttige vakken? Hoe gaat men om met het anderszijn van de andere en met het spanningsveld tussen eenheid en verscheidenheid? Krijgt iedereen er gelijke kansen? Ook het kansarme kind, de leerling van "vreemde" origine, de holebijongere die zijn identiteit moeizaam op het spoor komt? Staan een evenwichtige groei naar volwassenheid en een brede algemene vorming voorop? Cijfers en uitslagen mogen niet alleen bepalend zijn voor de leefcultuur.

In een open school zijn volwassenen en jongeren geïnteresseerd in elkaars ervarings- en belevingswereld. Leraars gaan met jongeren mee op hun zoektocht naar zichzelf. Iedere mens heeft nood aan anderen die zeggen: ik geloof in jou, jij hebt capaciteiten. In zo'n school heb je het recht om een individu te zijn met jouw kwaliteiten en vaardigheden. Tegelijk heb je er ook de plicht om samen mens te zijn. Een gezond evenwicht zoeken tussen individualisering en solidariteit is een dagdagelijkse opgave. Zou het dat zijn wat Paulus bedoelt in de eerste Korintiërsbrief (1 Kor 12)?

In een school zonder angst zijn de dingen bespreekbaar, ademen inspraakorganen een sfeer uit van collegialiteit en openheid. Je vragen en bedenkingen worden er au sérieux genomen. Leerlingen leren er in de praktijk de grondregels van het samenleven. Er is ruimte voor groei, dialoog, respect. Men staat er stil bij diepere levensvragen en bij het eigen opvoedingsproject. Er is plaats voor dialoog onder christenen én met belijders van andere godsdiensten. De school is immers de spiegel van de samenleving: mensen van allerlei gezindheden komen er samen; je vindt ze bij de leraars, de leerlingen, de ouders. Authenticiteit staat voorop. Lessen en naschoolse momenten openen een venster op de wereld. Lessen geschiedenis, economie, godsdienst, aardrijkskunde, talen… geven inzicht in maatschappelijke structuren en problemen, en proberen antwoorden te formuleren vanuit een zorg voor de andere, veraf of dichtbij.

Expliciete acties voor Welzijnszorg, Broederlijk Delen, Missio, Artsen zonder grenzen, Vredeseilanden, Amnesty International, De Vierde Wereldbeweging, de Damiaanactie, Foster Parents, 11.11.11, een buurthuis … of een ander goed doel dragen daartoe ook bij. Het luik bewustwording is er zeker even belangrijk als de concrete inzameling. Informatie over de diepere oorzaken van de wantoestanden is noodzakelijk. Getuigenissen mogen niet ontbreken. De actie moet voorbijgaan aan symptoombestrijding. Ze moet de kern van de zaak aanpakken. En, delen is geen eenmalig gebeuren, maar het is gekoppeld aan een manier van leven: sober, lotsverbonden, bewust van eigen verantwoordelijkheden en grenzen.

Dit jaar besteedt de actie Welzijnszorg aandacht aan de kenniskloof die er heerst in onze maatschappij. Het motto van de campagne luidt "Niet geslaagd". In de aankondiging staat o.a. te lezen: "Het onderwijs bestendigt en vergroot sociale ongelijkheid. Al van bij de eerst start in het basisonderwijs is dat duidelijk… Personen die in armoede leven, beschikken vaak over neen beperkte schoolkennis, de 'erkende kennis'. Maar de bagage waarover deze mensen beschikken, opgedaan in het echte leven is van onschatbare waarde. Jammer genoeg wordt dit over het algemeen weinig gewaardeerd en erkend. Mensen die in armoede leven, worden op die manier beroofd van hun eigen gedachtegang, hun analyse van de eigen situatie en van de middelen en de kracht om verandering te bewerkstelligen. We kunnen dit niet aanvaarden." In september 2001 bundelden Welzijnszorg en het VVKBaO reeds hun krachten in het nascholingsproject "School zonder uitsluiting". Dit project ondersteunt scholen die permanent oog willen hebben voor kinderen die in armoede opgroeien. En dat geldt nog altijd voor 1 op de 20 kinderen t.g.v. financiële en culturele drempels. Wie meer informatie wil, kan surfen naar http://www.vsko.be/VVKBaO en kiest daar "nascholing" en dan "school zonder uitsluiting".

Iedereen is op zijn beurt wel eens sterk of zwak. Zo zitten mensen in elkaar. Soms draag ik zelf een andere. Een andere keer zijn het anderen die jou ver(der)dragen. Soms gaat een appèl je krachten te boven, sta je oog in oog met grenzen. Dan moet je uit handen geven, doorverwijzen: naar een collega, het CLB, het Vertrouwensartsencentrum, gespecialiseerde opvang. Niemand vraagt dat je je zo wegcijfert dat je er zelf aan ten onder gaat. Je moet je draagkracht kennen en aangeven.

In het onderwijs gebeurt er ook veel vrijwilligerswerk. Ouders, leerkrachten en leerlingen engageren zich in verschillende raden, comités, werkgroepen en clubs voor het welzijn van de school. Socio-culturele en pastorale projecten worden vaak door vrijwilligers buiten de lesuren voorbereid en door hen gedragen. Een schooltijdschrift, een oud-leerlingenorganisatie, schoolhappenings allerhande… zijn ondenkbaar zonder die talrijke mensen die gratis en voor niets de handen uit de mouwen steken. Op zo'n momenten voel je het hart van de school extra kloppen, het wijgevoel maakt ze tot onvergetelijke ervaringen waar men jaren later nog naar refereert.

Zo kunnen kinderen, jongeren en volwassenen - ieder op hun manier - de warme zorg die diaconie is, op het spoor komen, aan den lijve ondervinden en gestalte geven.

Leeftocht zal in het komende schooljaar maand na maand aandacht besteden aan een aspect van diaconie. Kijk voor meer informatie op www.vsko.be/pastoraal.
LINKS
- http://www.kerknet.be/diaconie/ ,
- Franstalige site : http://www.diaconie.catho.be/ ,
- IPB Beraad Diaconie. Forum 13 mei 2001. De plaats en de betekenis van de diaconie in het geloof door Jan Dumon. Website : http://www.ipbsite.be/teksten/Tekst_1_Dumon.pdf .
- IPB Beraad Diaconie, 21 oktober 2001. Diaconie : Enkele praktijkvelden : KMS , Caritas, WZZ en Missio . Website :   http://www.ipbsite.be/teksten/Tekst_6_KMS-Caritas-WZZ-Missio.pdf .
- website van diaken Chris Nollet , http://users.pandora.be/pastonet/diaconie/dindex.html ,
- diakens in de federatie Hasselt Noord-Oost : - een diaken - diaken Guido Geboors - diaken Willy Neyens -
- theologische verkenningen over diakonaat en diaconie : http://www.bovendonk.com/varia/publicaties/theologische%20verk.htm



Religie.opzijnbest.nl - De beste links over religie voor u verzameld.