Ervaringsdeskundige in de armoede


WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA) - STARTPAGINA - AGENDA -
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES : JAARTAL - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - Z
HOOFDTHEMA'S : allochtonen , armoede , bahá'íbijbeluitleg , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts , fundamentalisme , globalisering en antiglobalisering ,  hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , islam , jodendom , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , migratie , racisme , samenleving , sikhisme , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen ,

 webpagina's rond armoede
armoede: armoededeskundige, armoede, welzijn en welvaart, armoede en onderwijs, Broederlijk Delen en Welzijnszorg, kansarmoede, onderwijs en maatschappelijk werk, kosteloos onderwijs, organsiaties in verband met armoede,

Vandaag is er veel aandacht voor de "ervaringsdeskundige in de armoede".

De Link vzw : Opleiding tot ervaringsdeskundige in de armoede, Antenne maart 2005

Heb je ervaring in de armoede: opleiding, voor wie? waar? kosten? zie: http://www.irishb.be/ervaringsdeskundige_id_armoede.htm ; http://vdab.be/socialprofit/ ; http://vdab.be/opleidingen_bo3/detail_opl.jsp?OPL_CODE=903621 ; http://vdab.be/opleidingen_bo3/detail_cursus.jsp?SESS=1781_1&COURSE_ID=1573&COMPANY_ID=5597&OPL_CODE=903621



De Standaard, 6 april 2000 - Gediplomeerd in armoede

BRUSSEL — ,,Toen vader stierf was ik veertien, de oudste van zeven. Ik had handen aan mijn lijf, maar ook streken in mijn vel. Meteen twaalf stielen en dertien ongelukken, een scheiding, schulden en deurwaarders.” Dankzij de Link zit Julius 'Sammy' Pauwels (48) nu op de schoolbanken. Over drie jaar wacht hem een A2-diploma als ervaringsdeskundige in de armoedebestrijding. ,,Eindelijk mijn eerste kans om zelf uit de ellende te geraken en lotgenoten te ondersteunen.”

,Armoede, wat doe je eraan? Heel wat organisaties en beleidsmakers zoeken zich suf naar antwoorden”, zegt Lut Goossens, coördinator van vzw de Link. ,,De kloof tussen bestrijders en armen gaapt echter verder, omdat de pijnlijke realiteit van schaamte en vernedering vaak niet voldoende gekend is. De Link groeide uit het idee dat de inschakeling van armen zelf voor de oplossing kan zorgen. Door ze efficiënt op te leiden en ze later beroepsmatig in te zetten in die sectoren die met armoede te maken hebben. Want de eerste deskundige in armoede is de man of de vrouw die zelf in armoede leeft.”

,,leder die in armoede leeft, is er deskundig in”

Het project kreeg de steun van Vlaams minister van Welzijn Mieke Vogels, de Vlaamse regering trok er al 2 miljoen frank voor uit. De opleiding richt zich tot diegenen die ervaring hebben met uitsluiting uit de maatschappij én bereid zijn deze ervaring te benutten voor lotgenoten. ,,Brugfiguren die de leerstof uit eigen buik begrijpen" omschrijft Goossens haar cursisten. Zij volgen gedurende 3,5 jaar een erkende en praktijk-gerichte opleiding binnen het volwassenenonderwijs, richting jeugd- en gehandicaptenzorg.
,,Overal groeit het bewustzijn dat er nood is aan ervaringsdeskundigen. De vraag naar tewerkstelling overschrijdt trouwens de welzijnssector.”
Voor haar eerste werkingsjaar selecteerde de Link 36 cursisten uit 64 kandidaten. ,,Bijna alle kandidaten hebben te kampen met schuldenbergen, invaliditeit en werkloosheid”; zegt Goossens.

,,Toch zeult iedereen zijn eigen triest levensverhaal mee in een gesloten koffer. Die durven opentrekken, vereist moed. De eerste stap is afstand te nemen van de eigen pijn, om achteraf zelf een bijdrage te kunnen leveren aan armoedebestrijding? (lvdb)

• Inlichtingen over de Link: teL 03-218.88.78 of fax 03-230.59.14.

Terug naar het begin van de pagina



Opleiding en tewerkstelling ervaringsdeskundigen in de armoedebestrijding:Balans Gent

In samenwerking met De Cirkel, Kind en Gezin, Sociale Hogeschool Heverlee, Vlaamse Hogeschool Brussel, SOAG, Sociale Hogeschool KVMW Gent en Balans-VSPW wordt een driejarige opleiding voor ervaringsdeskundigen in de armoedebestrijding gepland.
Contacteer ons: Algemene coördinatie : Marc Van Coillie Organisatorische coördinatie : Inge Claeys, Chantal Feys Administratieve coördinatie:: Cindy Van Den Berghe
Balans : centrum voor agogische vorming en begeleiding Antwerpsesteenweg 573 B-9040 Gent Tel.: (09) 229.15.38 Fax : (09) 229.22.53 E-mail : balans@vspw.be

Doelstellingen
De opleiding wil kansarmen de kans geven om hun ervaringen als arme te verwerken, te verruimen naar een veralgemeende armoede-ervaring, en in te zetten op alle terreinen van de armoedebestrijding. Daarnaast worden cursisten tijdens hun opleiding tewerkgesteld als ervaringsdeskundigen in de verschillende levensdomeinen ; zij worden daarbij grondig begeleid en gesuperviseerd.

Opzet
De opleiding geeft recht op een certificaat JGZ met specifieke vermelding ervaringsdeskundige.

Doelgroep
Mensen die ervaring hebben met armoede, uitsluiting op verschillende levensdomeinen en/of uithuisplaatsing.

Voor concrete inlichtingen kunt u terecht op het adres van Balans.

Terug naar het begin van de pagina



30 mei 2001 10.00u - 15.00u provinciehuis Hasselt, Kempenzaal ERVARINGSDESKUNDIGEN IN DE ARMOEDE WIE? WAT? WAAROM?
vzw De Link, Opleiding - Tewerkstelling armoede
Vormingsleergangen voor Sociaal en Pedagogisch Werk - Hasselt, vzw Centrum voor  Volwassenen-onderwijs
Provincie Limburg

Tijdens de welzijnsconferentie (september 2000) werd gesteld dat om echte hulpverlening mogelijk te maken de kloof tussen hulpverleners en mensen die in armoede leven overbrugd moet worden. Ervaringsdeskundigen in de armoede kunnen die kloof helpen overbruggen. Begin 2001 startte het Centrum voor Volwassenenonderwijs: Vormingsleergang voor Sociaal en Pedagogisch Werk in Hasselt een opleiding tot ervaringsdeskundige in de armoede. Daarvoor werkt zij samen met de vzw De Link. 16 mensen uit het Limburgse, die uit ervaring weten wat armoede is, hebben zich ingeschreven. Zo een cursus volgen betekent nieuwe kansen maar ook een aantal pijnlijke verwerkingsprocessen doorlopen. De opleiding wordt gefinancierd door de Vlaamse en Europese Overheid, Er is dus heel wat engagement. Maar uiteindelijk moeten deze mensen ook een werkplek vinden, waar hun "meerwaarde" tot haar recht kan komen. Dat veronderstelt ook vanwege de 'hulpverlenende organisaties' een grote inzet. Het inzetten van ervaringsdeskundigen in de armoede kan alleen tot de gewenste resultaten leiden indien er een open dialoog is over mogelijkheden en beperkingen, over moeilijkheden en positieve resultaten. Op dit moment is de functie 'ervaringsdeskundigheid in de armoede' nog veel te weinig bekend, er is begripsverwarring met andere vormen van 'ervaringsdeskundigheid'... Er is ook heel wat scepticisme ongeloof, ... Tegelijk voelt iedereen wel aan dat verkleinen van de kloof tussen leefwerelden belangrijk is en dat 'ervaringsdeskundigen' één stap in die richting kunnen zijn. Op 30 mei willen wij alvast een goede basis leggen voor de toekomst door u uitgebreid te informeren (zie programma).

Programma - 30 mei 2001
9.30u - 10.00u Onthaal
10.00u - 12.00u Algemene informatie door Lut Goossens (Algemeen coördinator vzw De Link) en Celine Luyten, ervaringsdeskundige procesbegeleider)

12.00u - 13.00u Middagpauze: broodmaaltijd
13.00u - 15.00u Werkgroep Kandidaat Stageplaatsen door Toon Walschap (Tewerkstellingscoördinator vzw De Link) Werkgroep Kandidaat Docenten door Marian Van Der Sypt (Opleidingscoördinator Cent) en Elly Punter (Opleidingscoördinator Hasselt) Inschrijfkaart voor de informatiedag inzake Ervaringsdeskundigen

NAAM
ORGANISATIE
Tel/fax/e-mail :
Is

  • aanwezig op de informatiedag (ganse dag)
  • enkel aanwezig in de voormiddag
  • enkel aanwezig in de namiddag
  • wenst alleen documentatiebundel te ontvangen
  • Hij/zij zal deelnemen aan: 0 werkgroep Kandidaat Stageplaats 0 werkgroep Kandidaat Docent

    Gelieve deze inschrijvingskaart terug te bezorgen aan Provincie Limburg, 2de Directie Welzijn, Armoedebestrijding, Universiteitslaan 1, 3500 Hasselt tel. (011)23 72 31 of fax. (011)23 72 40

    Terug naar het begin van de pagina


    2. Wegwijs, jg. 12 (2001), nr.1, blz.3-7 Artikel van Evi Verduyckt

    ERVARINGSDESKUNDIGEN ALS TOLKEN VAN DE ARMOEDEREALITEIT

    Interview met Lut Goossens, coördinator van de LINK Vzw de Link werd begin 1999 opgericht en staat in voor de coördinatie van het project ‘opleiding en tewerkstel­ling van ervaringsdeskundigen binnen de armoedebestrijding’ in Vlaanderen. Eén van de bezielende krachten van deze organisatie is Lut Goossens, algemeen coördinator van de Link. Welwijs zocht haar op in Berchem, waar de Link een plekje gevonden heeft in het huis van Lut, in waarschijnlijk het smalste, maar misschien ook het gezelligste steegje van Antwerpen.Tijdens ons gesprek gaat de telefoon een paar keer. Telkens is het aan de andere kant van de lijn een kandidaat die meer informatie wil over de opleiding. De nieuwe groep is al gestart, maar er blijven geïnteresseerden komen die graag zouden starten, mensen die allemaal blij zijn dat er nu ook echt naar hen zal geluisterd worden. Ook tijdens ons gesprek wordt duidelijk dat veel mensen naar wie niemand ooit luisterde, in dit initiatief een spreek buis vinden om eindelijk iets te doen aan de armoede in ons eigen land.

    E.V.: Hoe bent u op het idee van een organisatie als de Link gekomen?
    L.G.: Ik ben vroeger vooral bezig geweest in de bijzondere jeugdzorg. Zo heb ik lang gewerkt bij de Werkgroep Bijzondere Jeugdzorg, een drukkings- en actiegroep in het Leuvense die zich ondermeer kantte tegen plaatsingen. In die hoedanigheid heb ik ook meegewerkt aan de oprichting van de Touter, het eerste dagcentrum in Vlaanderen. Aan dit centrum was een oud-oudervergadering verbonden, met mensen wiens kinderen niet meer naar het dagcentrum kwamen, maar die elkaar toch bleven ontmoeten om samen te praten over allerhande thema's zoals sanctionering, huisvesting, deurwaarders,... De meeste van deze ouders hadden te maken met diepe armoede. En binnen deze groep kwam op een gegeven moment de vraag naar boven, hoe het toch kwam dat zij nog steeds 'in de miserie' zaten. We hebben rond dat thema dan een uitgebreide vergadering georganiseerd, een vergadering die mij zelf heel diep geraakt heeft, waarin bij deze mensen plots heel veel verdriet en gekwetst-zijn naar boven kwam. En net dat gekwetst-zijn was volgens ons de oorzaak van het feit dat die mensen het zo moeilijk hebben om uit de put te raken. Ik was echt geshockeerd. Ik beschouwde mezelf immers als een erg betrokken hulpverlener, mét de mensen, tégen de deurwaarders,... maar toch had ik dat diep verdriet bij die mensen nooit ontdekt, zelfs al deed ik intensieve gezinsbegeleiding... Die avond is het concept missing link en het begrip ervaringsdeskundige beginnen groeien. Na die vergadering heb ik beslist dat we moesten ingaan op de vraag 'er iets aan te doen'. Ik heb mijn werk bij de Touter opgezegd, en heb samen met één van de ouders die daar aanwezig was, de Cirkel opgestart om te onderzoeken hoe mensen in de diepe armoede beter kunnen geholpen worden. Ik wou dan ook bewust met iemand samenwerken uit die groep van ouders, als brugfiguur tussen de armen en de hulpverleners. Met de Cirkel hebben we ondermeer meegewerkt aan een onderzoek van de RUG, waarbij vrouwen in de diepe armoede werd gevraagd wie of wat hen had geholpen. Die mensen hadden allemaal een pak dossiers bij verschillende organisaties en diensten, die daar allemaal al over de vloer waren geweest. Toch gaven al die vrouwen stuk voor stuk aan dat ze eigenlijk nog door niemand geholpen waren. Dit onderzoek bevestigde opnieuw dat wij op het vlak van dienstverlening naar de armen de bal volledig missloegen. Na tien jaar ervaring in de Cirkel werd ik door toenmalig Minister Leo Peeters gevraagd om op zijn kabinet te komen werken rond armoede. Ik heb daar twee jaar en een half gewerkt, o.a. aan het voorbereiden van een opleiding voor ervaringsdeskundigen in de armoede. En zo is de Link ontstaan. In maart 1999 heeft Leo Peeters de Link geopend. Dit centrum had initieel drie doelstellingen, later op vraag van de verenigingen van armen aangevuld met een vierde: 1) het realiseren van een permanente opleiding van ervaringsdeskundigen binnen armoedebestrijding; 2) het structureel verankeren van de tewerkstelling van de ervaringsdeskundigen binnen alle sectoren van de samenleving; 3) het sensibiliseren van diensten, beleid en burgers in het opnemen van hun eigen verantwoordelijkheid binnen de armoedebestrijding; 4) het ondersteunen en bewaken van de permanente opleiding, de tewerkgestelde opgeleiden en de tewerkstellingsplaatsen.

    E.V.: De Link is mede ontstaan vanop het kabinet. De politieke wereld zag dus ook het probleem?
    L.G.: Politiek gezien was België in die tijd zelfs een voorloper. Al in 1992 heeft Dehaene gezegd dat we de armen, hun ervaringen en verhalen nodig hebben. Daaruit is dan het Algemeen Verslag gegroeid. Groepen van armen hebben twee jaar gewerkt aan een rapport over wat het betkent arm te zijn, om geplaatst te worden, om een deurwaarder over de vloer te krijgen, ... en hebben in hun conclusies 313 voorstellen geformuleerd. Deze werkwijze was revolutionair omdat voor het eerst politiek erkend werd dat de armen zelf in de armoedebestrijding nodig waren. Op de wereldtop in Kopenhagen, in 1995, stelden alle grote wereldleiders dan voor het eerst dat armoede een structureel probleem is én geen individueel schuldgegeven. Dit was een revolutionaire stellingname in de wereldgeschiedenis. Als gevolg daarvan verklaarde het Vlaams Parlement onder andere dat er dringend werk moest gemaakt worden van een decretale verankering van de opleiding en tewerkstelling van ervaringsdeskundigen in alle sectoren waar armen mee te maken hebben. Het feit dat de politieke wereld stelde dat men enerzijds de armen zelf nodig heeft, en anderzijds dat armoede een structureel probleem is, heeft dit project dus zeker vorm gegeven, en echt uit de startblokken geholpen. Doordat ik vorig jaar België mee kon vertegenwoordigen op de G-5 top in Genève, ben ik in contact kunnen komen met vertegenwoordigers van verschillende andere landen. Hier bleek nogmaals dat België ook nu nog revolutionair is met zijn concept van ervaringsdeskundigen. Verschillende landen waren enorm geÏnteresseerd in ons concept. België beseft als één van de eerste landen dat ervaringsdeskundigen niet alleen nodig zijn in sectoren van welzijn en hulpverlening, maar in een veel ruimer aantal sectoren, van onderwijs, over justitie tot economie. We hebben ervoor geijverd dat de Link van in het begin ondersteund werd door een algemene vergadering waarin alle partners en betrokkenen vertegenwoordigd zijn. Die algemene vergadering kan ingedeeld worden in drie groepen deelnemers: in de eerste plaats armen, ervaringsdeskundigen en verenigingen, daarnaast de tewerkstellingssectoren en tenslotte het beleid, met zowel mensen van Europa, van de Vlaamse en de federale overheid, van steden en provincies. We zijn van in het begin ook uitgegaan van de stelling dat, als de samenleving stelt dat zij mee verantwoordelijk is voor armoede, zij ook haar schouders moet zetten onder dit project. Als de maatschappij zegt: "Wij hebben jullie nodig, dus ga voor ons maar eens door al jullie pijnlijke ervaringen", dan heeft dat ook consequenties. Dan moet de maatschappij dat project mee dragen, ook financieel. Die financiële ondersteuning wordt nu verder uitgewerkt. Zo verwachten wij van het Ministerie van Onderwijs dat ze ondermeer betalen voor de docenten en voor studiebeurzen. De Coördinerend Minister voor Armoede vragen wij om de coördinatie vanuit de Link te betalen.

    E.V.: Wat is een ervaringsdeskundige voor jullie precies?
    L.G.: Wij verstaan onder een ervaringsdeskundige iemand die zelf in diepe armoede gezeten heeft, alle vormen van uitsluiting kent, daarin vaak zelf leeft, en die stilaan die ervaringen verwerkt, maar die ook verruimt aan de hand van verhalen van anderen. Tijdens een opleiding worden kapstokken aangereikt om de ervaringen deskundig te leren aanwenden aanwenden ter bestrijding van armoede. Los van het feit dat mensen die in armoede leven deskundig zijn in hun eigen ervaring, vereist het immers veel meer om die deskundigheid te kunnen aanwenden o m armoede te bestrijden. Een arme is geen ander soort mens dan wij. Alleen is dat iemand die zoveel dromen niet heeft kunnen waarmaken en zoveel vormen van uitsluiting heeft meegemaakt. Het voordeel van de ervaringsdeskundige armen is dan ook dat ze heel vaak kunnen ingeschakeld worden. Die mensen hebben vaak heel wat meegemaakt, wiegedood, incest,... Zij kunnen daardoor in veel meer sectoren ingezet worden, dan enkel in de armoedebestrijding.

    E.V.: Wat zet mensen in de diepe armoede ertoe aan deze opleiding te volgen?
    L.G.: We zien bij alle mensen die komen solliciteren een dubbele motivatie: enerzijds willen zij mensen beter leren helpen en ondersteunen, maar anderzijds willen zij ook meer structurele veranderingen op gang brengen, en de armoede de wereld uit helpen. Stilaan, in de loop van de opleiding, verschuift hun interesse naar beleidswerk: ze willen daar zitten waar de wetten gemaakt worden. Met de groei van de mensen zelf zien wij hun belangstelling voor structureel en beleidsmatig werk toenemen.

    E.V.: Welke criteria bekijken jullie bij de selectie van jullie cursisten?
    L.G.: We zijn op zoek naar die mensen die altijd door de mazen van het net gevallen zijn. De echte generatiearmen dus. Niet de mensen die op hun dertigste failliet gegaan zijn en daardoor in de armoede terecht gekomen zijn, of die op hun zestiende aan de drugs geraakt zijn, daarna in de gevangenis,... Aan al de mensen die in hun jeugd toch nog bepaalde kansen gehad hebben, zeggen wij neen. Dat is ook een duidelijke boodschap die wij brengen aan toeleiders op regionale vergaderingen, omdat we teleurstellingen willen vermijden. De nieuwe armen nemen we dus niet op. Bij hun kandidaatstelling vullen de kandidaten een lijst in op basis waarvan wij een eerste selectie maken. Voor veel mensen is dit al erg confronterend, en daardoor start je eigenlijk het verwerkingsproces al. We hebben bewust de keuze gemaakt om ons te richten op de generatiearmen, niet alleen omdat deze mensen als eersten een kans verdienen, aangezien zij nooit kansen gekregen hebben, maar ook omdat we op zoek zijn naar mensen die zoveel mogelijk uitsluitingservaringen hebben, die ze dan kunnen gebruiken in zoveel mogelijk sectoren. - Tijdens onze selectiegesprekken kijken wij daarom uitgebreid naar wie wij voor ons hebben. Samen met de cursist bekijken we een vijftal "blokken", en op basis daarvan proberen we te weten te komen of iemand voldoende ervaringen van uitsluiting heeft meegemaakt. Een eerste element dat wij bij onze cursisten onderzoeken, is hun gekwetste binnenkant. Meestal zijn dit mensen die de banden met hun roots hebben doorgeknipt, die geen contact meer hebben met familie en vaak ook erg geïsoleerd leven. Dit uit zich meestal in een diep gevoel van schaamte, vernederd zijn, nergens goed voor zijn.Een ander element dat we meestal terugvinden is chaos. De mensen missen als het ware vaak elke structuur. Tenslotte is ook een gevoel van wantrouwen typerend voor deze mensen. Een tweede blok dat bij iedereen terugkomt is gebrek aan vaardigheden. Deze mensen ervaren moeilijkheden bij het aanknopen van relaties, bij het opvoeden van hun kinderen,bij het beredderen van een huishöuden, bij het invullen van administraties. Op de derde plaats merken wij bij al die mensen een gebrek aan kennis van bij wie je voor wat terecht kunt in onze samenleving. Ten vierde is ook de materiële toestand van die mensen meestal erg slecht. Een slechte behuizing, slechte schoolcarrière en daardoor geen diploma, een schuldenlast,.. zijn zaken die bijna bij elke kandidaat opnieuw naar boven komen. Tenslotte merken we bij al die kandidaten een ongelooflijke positieve kracht: ze willen stuk voor stuk mensen helpen, hebben gevoel voor humor, hebben ongelooflijk veel draagkracht en solidariteitsgevoel, willen perspectief scheppen voor hun kinderen.

    E.V.: En heb je het gevoel dat de mensen die je wilt bereiken zich ook kandidaat stellen?
    L.G.: Ja. We hebben vorig jaar een aantal mensen doen stoppen omdat ze te weinig uitsluitingservaringen hadden, maar sinds we eerst die lijst laten invullen werken we veel efficiënter. Onze cursisten zijn tussen de 22 en de 45 jaar oud. Er zijn dubbel zoveel vrouwen als mannen. Mannen laten ook veel moeilijker hun pijn zien. Die zitten in allerhande verenigingen, doen eigenlijk alles om die pijn weg te stoppen. Voor vrouwen ligt dat gemakkelijker. Meestal zijn het mensen die al geruime tijd werkloos zijn of leven van een invaliditeitsuitkering, veelal ook alleenstaande moeders met kinderen,...

    E.V: Waarschijnlijk moeten ook de docenten over een aantal bijzondere eigenschappen beschikken?
    L.G.: Ook voor de docenten, de opleidingscoördinatoren, praktijkbegeleiders en de procesbegeleiders geldt inderdaad een zware selectie. Eerst en vooral moeten deze mensen hun cursus zeer goed onder de knie hebben. Ze moeten immers steeds kunnen inspelen op de ervaringen en verhalen die in de groep naar boven komen. Het belangrijkste criterium is echter dat de docenten respect moeten hebben voor de cursisten, maar ook voor de ervaringsdeskundige met wie ze vaak in een tandem werken. Alle docenten zijn enthousiast over de manier van lesgeven en over het niveau van de cursisten. Als je ziet hoe goed die mensen nu presteren, terwijl zij het vaak zijn die door ons onderwijs werden uitgesloten, nooit een diploma behaalden,... Nu leggen die schriftelijke en mondelinge examens af. Aan het einde van de rit verwachten we van hen ook een thesis. Zonder dat specifieke taallessen worden gegeven, merk je toch dat mensen gestructureerd leren noteren, minder taalfouten gaan schrijven,... We breken blijkbaar plots het potentieel van die mensen ongelooflijk open.

    E.V.: Wat leren jullie deze mensen tijdens de opleiding
    L.G.: De opleiding beslaat 7 semesters en bestaat uit drie grote fases: een eerste half jaar voor de toeleidingsfase waarin de cursisten twee en half jaar les hebben en één dag stage, en een periode van twee jaar van tewerkstelling met gesuperviseerde beroepspraktijk. Ook in deze fase hebben de cursisten bijna twee dagen les en minstens één dag stage per week. De eerste groep cursisten die gestart is, zit nu in het eerste jaar van de tewerkstellingsfase Een nieuwe groep is  begin dit jaar met de toeleidingsfase gestart.
    In de toeleidingsfase beginnen de mensen in groep met de verwerking van hun eigen levenservaringen. Dit is absoluut onmisbaar als eerste stap, omdat ze vaak nog te zeer op hun eigen verdriet plakken om echt te kunnen openstaan voor de ervaringen van anderen, en zeker om hen te kunnen helpen. Het eerst wat we hen leren is in te zien dat ze hier in de eerste plaats voor zichzelf zitten, en niet voor de anderen. Werken aan hun eigenwaarde is dan ook één van de belangrijkste doelstellingen van deze fase.
    Als je aan eender welke opleiding begint moet je ruimte hebben om te leren, om dingen op te pakken, of ervaringen uit te wisselen, ... Deze toeleidingsfase is dan ook echt een noodzakelijke voorwaarde voor het kunnen volgen van de opleiding. Mensen voor wie deze toeleidingsfase onvoldoende blijkt om 'op verhaal te komen', laten wij niet beginnen aan de opleiding maar geven wij de kans om eventueel een nieuwe toeleidingsfase te doorlopen. De meeste mensen doen dat ook, hetgeen veel zegt over hun motivatie Er zijn er die uren openbaar vervoer nemen om in Gent, Brussel of Hasselt te raken op de dag dat ze les hebben.
    Reeds in deze toeleidingsfase zie je de mensen groeien. Ze laten plots hun haren knippen, ze communiceren voor het eerst met hun gezinsgenoten over hun verleden. Als je dan die mensen in een paar weken tijd ziet veranderen, dan vraag je je af wat wij als samenleving al die tijd voor hen gedaan hebben. De opleiding volgt, behalve voor de toeleidingsfase het programma van Jeugd- en Gehandicaptenzorg. We hebben ervoor gekozen om het lessenpakket van een reguliere opleiding te volgen, omdat dat de cursisten de kans geeft om naderhand toch nog te beslissen een andere richting uit te gaan. Ze behalen immers een een regulier diploma. We bieden dezelfde vakken aan, maar deze vakken worden wel totaal ingevuld vanuit de ervaringen van uitsluiting.

    E.V.: Binnen welke diensten of organisaties zouden jullie de ervaringsdeskundigen graag aan het werk zien?
    L.G.: Wij zien twee vormen waarin deze mensen kunnen tewerkgesteld worden. Een aantal diensten willen een ervaringsdeskundige als vaste schakel binnen hun dienst, om de brug te vormen tussen de personeelsleden en de doelgroep, om in te staan voor een constante supervisie van de dienst, en om de hulpvragen mee te begeleiden. Een aantal andere diensten willen eerder een beroep op ervaringsdeskundigen kunnen doen voor advies, bijvoorbeeld tijdens bepaalde themavergaderingen, bij het opstarten, uitwerken en betekenen van onderzoek,... Naar tewerkstelling moeten wij dan ook deze twee vormen voorzien. Enerzijds willen we pools Van ervaringsdeskundigen opstarten, mee öndersteund door de provincie en de stad waarin deze teams gevestigd zijn. Deze  teams zouden dan als het ware zelfstandig kunnen werken,onafhankeljk van een bepaalde dienst of organisatie. De andere vorm van het inschakelen van ervaringsdeskundigen zal moeten gerealiseerd worden samen met de verschillende tewerkstellingssectoren. Met de betrokken ministeries en met de vakbonden wordt gewerkt aan een statuut. Nu reeds is een tewerkstellingscoördinator aangetrokken, net omdat wij het belangrijk vinden de tewerkstelling van deze mensen, van zodra ze afgestudeerd zijn, goed voor te bereiden. Jammer genoeg kunnen we hier voorlopig naar ons gevoel onvoldoende tijd aan besteden. De diensten die zich kandidaat stellen moeten gevormd worden, er moet samen nagedacht worden over de profilering van de job van ervaringsdeskundige binnen de dienst of organisatie,... Ook met de diensten waar nu al mensen stage lopen, wordt hierover nagedacht. Ook voor deze organisaties is het immers zoeken, om in een groeiproces tot de beste manier van samenwerken te komen. Voor die diensten is dat vaak wennen. De ervaringsdeskundigen zijn immers opgeleid om kritisch naar de dienst te kijken, om vanzelfsprekendheden onderuit te halen, om vooroordelen te doorprikken,... De ene organisatie staat daar verder in dan de andere. Natuurlijk is het voor de ervaringsdeskundigen soms frustrerend als ze het gevoel hebben dat er met hun opmerkingen niet direct rekening wordt gehouden. Eén van de belangrijkste dingen die de ervaringsdeskundigen dan ook moeten leren is om in te zien wie waarvoor verantwoordelijk is en hoe beslissingen genomen worden, en dus ook welke weg veranderingen moeten doorlopen vooraleer ze echt impact hebben in de praktijk.
    Toch zien de meeste diensten en organisaties waar ervaringsdeskundigen stage lopen de meerwaarde van de stagiair in, en ervaren ze het proces van samen zoeken naar een gepaste profilering binnen de dienst als leerrijk.

    E.V.: Is de grote valkuil voor elke ervaringsdeskundige niet te zeer te vertrekken van eigen ervaringen en als het ware eigen denkpatronen over wat in hun specifieke geval is foutgelopen, op te willen leggen aan de anderen?
    L.G.: Inderdaad. Vandaar ook het grote belang van de opleiding, waarin ze leren werken met hun eigen verhaal, maar dat verhaal ook leren verruimen aan de hand van de verhalen van anderen, en aan de hand van het theoretisch kader dat wordt aangeboden. Daarom ook laten wij de mensen in dat eerste tewerkstellingsjaar van de opleiding nog niet op beleidsplaatsen staan, maar laten we hen zoveel mogelijk op plaatsen staan waar ze in contact komen met armen en dus voortdurend hun ervaringen kunnen toetsen en verruimen. Heel belangrijk is dat ervaringsdeskundigen én de diensten waar zij werken inzien dat ervaringsdeskundigen in de eerste plaats geen oplossingen bieden, maar eigenlijk enkel vragen stellen en betekenen.

    E.V.: Grijp je door het organiseren van een dergelijke opleiding ook niet in het leven van de cursisten in?
    L.G.: Natuurlijk. Je geeft die mensen opnieuw structuur, maar tegelijk ook een maatschappelijke positie, een status binnen onze maatschappij en vaardigheden om binnen de maatschappij hun man of vrouw te staan. Maar binnen hun eigen huishouden hebben ze zulke achterstand, dat ze daar niet even snel evolueren. Echt uit de armoede raken ze niet meer. De wonden helen voor een stuk, maar er blijft een discrepantie tussen de situatie thuis en de nieuwe maatschappelijke positie die zij innemen. Toch betekent die nieuwe maatschappelijke positie niet dat ze de band verliezen met hun afkomst. Daarvoor zijn ze veel te solidair. Dat solidariteitsgevoel is ook net de meerwaarde van ervaringsdeskundigen: zij herkennen een gevoel en kunnen dat gevoel plaatsen, aan de hand van andere ervaringen, in een ruimer kader. Die mensen willen echt niet af van hun stempel van arme, ze zijn juist trots dat ze daar nu iets nuttigs mee doen. Hoe meer mensen groeien in hun rol van ervaringsdeskundige, hoe minder schaamte ze voelen over hun armoede, want hoe meer ze het gevoel hebben dat hun ervaringen een motor kunnen zijn voor veranderingen in de samenleving. Ik denk .dat we ons niet kunnen voorstellen wat het betekent, plots te beseffen dat die miserie waar je, vaak met je kinderen, nog steeds in leeft, opeens zin krijgt.

    E.V.: Komen er ook negatieve reacties op jullie project?
    L.G.: Tuurlijk. Niet iedereen die wij benaderen wil zich kandidaat stellen voor de opleiding. Ik ben tijdens mijn werk voor Leo Peeters bij bijna alle verenigingen waar armen het woord nemen geweest en daar heb je inderdaad mensen die zeggen: "Ik smijt mijn beerput niet open. Ik vind het een goed initiatief, maar niet voor mij", terwijl anderen zeggen: "Eindelijk kan ik met die miserie iets nuttigs doen". De mensen hebben bij ons de keuze. Een aantal groepen waar armen het woord voeren, waren ook niet blij met ons initiatief. Ze voelden zich bedreigd in hun eigen waarde en vroegen zich af of zij dan geen deskundigen waren. Waren zij nu niet meer nodig? Zulke groepen werken echter meestal een hele tijd rond één bepaald thema, één bepaald aspect van armoede en uitsluiting, zoals deurwaarders, onderwijs,... Die mensen zijn dus inderdaad deskundig, maar op één bepaald gebied. Ze zijn voor begeleiding op dat bepaalde gebied voor de armen dan ook van grote waarde, maar ze zijn geen deskundigen in de armoedebestrjding, slechts in bepaalde aspecten ervan. Wijzelf maken ook geregeld tijd voor een tussentijdse evaluatie en op basis van onze fouten sturen we het hele proces bij. Kinderziekten horen nu eenmaal bij een project in de pioniersfase.

    E.V.: Tot slot, wat zijn jullie toekomstperspectieven, wat willen jullie nog realiseren?
    L.G.: We hebben pas iemand aangeworven om een draaiboek te maken van heel de opleiding, een dynamisch draaiboek, zeer gedetailleerd, zodat andere organisaties die iets geljkaardigs willen organiseren ons gedachtegoed kunnen overnemen en niet van nul moeten beginnen. Die actie-onderzoeker, gaat de nieuwe groep die nu gestart is gedurende de hele opleiding mee volgen.
    We hopen op die manier ook zo snel mogelijk elk jaar een nieuwe cursus te kunnen starten.
    Waar we nog meer dan nu aan willen werken, is aan een soort kruisbestuiving tussen de gewone opleiding die georganiseerd wordt in de school waar de cursus plaatsvindt, en de opleiding tot ervaringsdeskundige. In Brussel, waar de opleiding doorgaat in een school voor maatschappelijk werk, hebben de derdejaarsstudenten maatschappelijk werk samen met de ervaringsdeskundigen een gemeenschappelijk traject rond armoede doorlopen, net om beide groepen te leren kijken en luisteren naar elkaar en om te leren werken als tandem. Ook in Gent zullen we volgend jaar iets geijkaardigs organiseren. We willen ook, wanneer onze cursisten in het laatste jaar zitten, gemeenschappelijke lessen of projecten organiseren voor onze cursisten en de studenten van de gewone opleiding Jeugd- en Gehandicaptenzorg. Ook mensen die in deze sector werken, worden immers vaak geconfronteerd met cliënten met problemen van erg uiteenlopende aard. Op die manier kan je al tijdens de opleidingen mensen bewuster leren omgaan met armoede.
    Tenslotte moeten we nog meer werk maken van procesbegeleiding voor de diensten die een beroep doen op ervaringsdeskundigen en van de profilering van de job van ervaringsdeskundige binnen de verschillende tewerkstellingssectoren. Hiervoor is tot nog toe veel te weinig tijd gemaakt: Momenteel is dat misschien wel onze belangrijkste tekortkoming, want daardoor laten we de diensten die stagiairs opgenomen hebben of willen opnemen, eigenlijk in de kou staan. Er is nog veel te doen voor ik met pensioen zal kunnen gaan. Maar tegelijkertijd voel je dat je werkt aan een positieve verandering van de samenleving. Normaal gezien zouden onze ervaringsdeskundigen na verloop van tijd overbodig moeten zijn, maar daarvoor is er nog een lange weg af te leggen. Maar als het ooit zo ver komt is er voor onze cursisten nog geen probleem, want ze hebben een regulier diploma zodat ze altijd nog in een andere functie aan de slag kunnen.

    Evi VERDUYCKT Klein Rijselstraat, 26 3010 KESSEL-LO

    Terug naar het begin van de pagina


    In Sociaal, jg.2001, nr.6, blz.6-8 schrijft Toon WALSCHAP een artikel over:  ervaringsdeskundigen, opleiden, inschakelen

    vzw De Link organiseert een opleiding tot ervaringsdeskundige in de armoede en sociale uitsluiting. Mensen die zelf in diepe armoede leven of geleefd hebben, worden opgeleid tot ervaringsdeskundigen met de bedoeling hen zelf in te schakelen door tewerkstelling in sectoren waar armen mee te maken krijgen.

    Sinds jaar en dag organiseren we hulpverlening ten behoeve van de armen in onze samenleving, maar het schijnt niet wezenlijk te helpen. We richten ons op die groepen die de hulpverlening het meest nodig hebben, maar we lijken ze vaak niet te kunnen bereiken.
    Beleidsmakers en hulpverleners zoeken al jarenlang naar een antwoord. Alle inspanningen ten spijt gaapt er nog steeds een kloof tussen zij die armoede bestrijden en zij die in armoede leven.
    De laatste jaren groeit de idee dat de inschakeling van armen zelf een oplossing kan bieden. Het principe is eenvoudig: armen deskundig opleiden om ze daarna beroepsmatig in te schakelen in alle sectoren die met armoede te maken hebben. Vanuit die idee organiseert vzw De Link sedert twee jaar een opleiding tot ervaringsdeskundige in de armoede en sociale uitsluiting. Mensen die zelf in diepe armoede leven of geleefd hebben, worden opgeleid tot ervaringsdeskundigen met de bedoeling hen zelf in te schakelen door tewerkstelling in alle sectoren waar armen mee te maken krijgen.

    Begripskloof tussen arm en niet-arm

    Armoede is meer dan geldgebrek en financiële problemen. Armoede is een netwerk van sociale uitsluitingen dat zich uitstrekt op meerdere gebieden van het leven van de armen. Omwille van dit netwerk van uitsluiting en omdat dit netwerk een maatschappelijk gegeven is - de positie van de arme in de maatschappij wordt door de samenleving bepaald, niet door de arme zelf - zijn de armen niet in staat de kloof die hen scheidt van de rest van de samenleving op eigen kracht te overbruggen.

    Gelukkig waren we ons daar als hulpverlener al langer van bewust en werden en worden er vanuit de hulpverlening al langer pogingen ondernomen om een brug te slaan. Alleen schijnt het allemaal niet zo best te willen lukken. Het lijkt wel of de armen zelf, als putje bij paaltje komt, niet mee willen. Wat maakt nu eigenlijk dat kansarmen als doelgroep zo onbereikbaar zijn voor de hulpverlening? Hoe komt het toch dat hulpverleners die soms jaren met kansarmen werken er toch niet in slagen om deze mensen te bereiken of echt te helpen? Hulpverleners blijven b.v. nogal eens met het gevoel zitten dat ze de crisismanagers zijn van kansarme gezinnen. Bij hoge nood komen die hulp vragen, vaak als het probleem al veel te groot is, en dan tracht je dat probleem op te lossen en ervoor te zorgen dat dit probleem in de toekomst kan vermeden worden, maar tegen dan komen de mensen niet meer terug.
    Dat probleem wordt wel opgelost, maar je ziet zo dat die mensen ook
    een aantal andere zaken moeten veranderen, willen ze niet binnen
    een half jaar terug op de dienst komen met een ander probleem. Als de hulpverlener dit laat blijken dan zal de arme de volgende keer niet meer hij hem komen. Omdat ik te confronterend was, denkt de hulpverlener. Omdat hij mij niet begrijpt, zegt de arme.

    Missing link

    Voor hulpverleners is het vaak een probleem om echt voeling te krijgen met de wereld waarin de armen leven. De meeste hulpverleners komen uit de middenklasse. Van daaruit is het bijzonder moeilijk om echt te weten wat het is om arm en uitgesloten te zijn. Je kan wel trachten dit te doorvoelen, maar je kan het nooit ervaren. De armoede niet, de uitsluiting niet. Gelukkig niet.
    Je kan wel trachten de leefwereld en de patronen die het leven van de arme beheersen te begrijpen, maar dit zal altijd een theoretische benadering blijven. Daarmee weet je nog niet wat het echt is om arm te zijn. De hulpverlener kent de leefpatronen van de arme niet. Hij heeft geen weet van de processen die zich hij de arme afspelen en, wat essentieel is, hij kan dit ook niet kennen en weten. Dit onbegrip nu, deze onbekendheid met de leef- en denkwereld van de arme, leidt vaker dan we denken tot misverstanden tussen hulpverlener en hulpvrager. Het is overigens ook zo dat de arme zich moeilijk of niet kan inleven in de leefwereld van de hulpverlener. Het onbegrip en het niet kennen zijn wederzijds. Alleen zit hier een onevenwicht in de relatie. De hulpverlener wordt in de positie geplaatst waarin hij het probleem van de arme formuleert en oplossingen aanreikt.
    Dit wederzijdse niet kennen, dit elkaar niet kunnen kennen, is de
    missing link. Het is de schakel die ontbreekt in de hulpverlening en die maakt dat deze vaak mislukt. De ene partij weet niet dat de andere het niet weet en de andere partij weet het ook niet. Met andere woorden: de hulpverlener vertrekt van een aantal evidenties en staat er niet bij stil dat de hulpvrager deze niet kent zodat er een heuse spraakverwarring ontstaat. De hulpvrager op zijn beurt mist een stuk informatie omdat hij de voorkennis van de hulpverlener niet heeft.

    Het gevaar bestaat dat wij vanuit de hulpverlening de cliënt in een negatief daglicht plaatsen. Zoals die gast die pas van de school af was en die niet wilde werken, Al drie keer vertelde hij zijn begeleidster dat hij wachtte op een vriend die een adres kwam brengen, maar
    die vriend kwam niet. Tot de hulpverlener het beu werd en de cliënt meenam naar de dienst om vandaaruit te telefoneren voor werk. Daar bleek dat die jongen helemaal niet wist waar en hoe hij informatie moest opzoeken. Hij wist niet eens dat een Gouden gids bestond, kon niet telefoneren...

    Armen zelf inschakelen

    Het was in feite vzw de Cirkel die het idee en het begrip van de missing link voor het eerst onder de aandacht bracht. De Cirkel stelde dat het daarom belangrijk was dat armen zelf een stem zouden krijgen in het armoedediscours en dat arme mensen zouden betrokken worden in de hulpverlening aan kansarmen en bij de armoedebestrijding. Binnen de Cirkel werd, als antwoord op de missing link, het concept van ervaringsdeskundige uitgewerkt en begon men met het werken in tandem. Het kwam er op neer dat als men gevraagd werd om ergens te gaan spreken of speechen, dit dan steeds gebeurde door een ‘opgeleide deskundige’ samen met een ervaringsdeskundige. Omdat het de opgeleide deskundige niet gegeven was de armoede-realiteit te vertolken, ging er steeds iemand mee met armoede-ervaring. Omdat het voor de arme in eerste instantie moeilijk was om zich in die wereld van hulpverleners te bewegen en omdat de ervaringsdeskundige bovendien op zijn/haar beurt weinig weet had van de leefpatronen van de hulpverleners, ging hij of zij steeds samen met een opgeleide deskundige.

    De armen werden deskundig in hun ervaring door enerzijds op die manier in tandem te werken en anderzijds door binnen de verenigingen waar armen het woord nemen in groep te werken rond bepaalde thema’s (deurwaarders, ...). Door de uitwisseling van hun ervaringen en door het toetsen bij andere armen via begeleiding en onderzoek, werd hun kijk op armoede verruimd. Bovendien werden zij deskundig middels een lang verwerkingsproces van hun leven door diepteonderzoek. Op die manier ontwikkelden zich, organisch als het ware, op een intensieve maar ook langzame manier, de eerste ervaringsdeskundigen.

    Kind en Gezin was de eerste grote Organisatie uit het welzijnswerk die oren had naar het Probleem van de missing link. In ‘92 werd gestart met de professionele inschakeling van ervaringsdeskundigen en zou de tandemformule voor het eerst worden toegepast binnen de hulpverlening. In functie hiervan werd door Kind en Gezin een korte opleiding georganiseerd voor mensen die als ervaringsdeskundige zouden starten.
    Nadien heeft De Cirkel binnen het Drie-armenkruispunt een opleiding gegeven. Hier was het de bedoeling om zes mensen uit armoede en vier maatschappelijk werkers samen op te leiden om ze nadien tewerk te stellen binnen het OCMW. Dit project is stopgezet toen de maatschappelijk werkers afhaakten.

    Opleiding

    Tegelijk met deze evoluties groeide ook het idee om de ontwikkeling van ervaringsdeskundigen meer systematisch en gestructureerd aan te pakken. Op die manier zou men ook meer mensen kunnen bereiken. Daarom werd besloten de mogelijkheid te onderzoeken om een opleiding te organiseren voor ervaringsdeskundigen in de armoede en sociale uitsluiting. In navolging hiervan werd begin 1999 vzw De Link opgericht met als doelstelling onder meer: ‘het realiseren van een permanente opleiding van ervaringsdeskundigen in de armoede.’ In november 1999 ging de eerste vooropleiding van start en momenteel zitten de eerste cursisten in het derde semester van hun opleiding. De bedoeling is om mensen met diepe armoede-ervaring en een verleden van sociale uitsluiting op te leiden om hun ervaring deskundig te gebruiken in een tewerkstelling in alle sectoren die met armoede te maken hebben.
    In haar zoektocht naar een bestaande opleiding die als kapstok kon dienen voor de ervaringsdeskundigheid, kwam De Link uit bij de richting Jeugd- en gehandicaptenzorg binnen het volwassenen-onderwijs. In de drie jaar die de opleiding zelf duurt, worden dezelfde vakken aangeboden en cursisten die afstuderen hebben recht op het diploma ‘Jeugd- en gehandicaptenzorg’ met als toevoeging ‘Ervaringsdeskundige in de armoede en sociale uitsluiting’. Dit is een diploma op het niveau van het hoger secundair technisch onderwijs met beperkt leerplan. Voordat ze deze opleiding kunnen starten, volgen de cursisten echter eerst een toeleidingsfase.

    Vertellen is verwerken

    Het werkinstrument van ervaringsdeskundigen wordt in eerste instantie gevormd door hun eigen geschiedenis. Het is dan ook belangrijk dat cursisten hun eigen ervaringen kunnen plaatsen en voor een deel verwerken. Om hieraan tegemoet te komen, begint de opleiding met een vooropleiding, de toeleidingsfase, waarin cursisten hun verhaal uitwisselen en delen. Door dit te vertellen in de groep zijn ze in staat meer afstand te nemen van de pijn van hun eigen geschiedenis. Er gebeurt een stuk verwerking die de mensen helpt loskomen van hun eigen gevoelens van schuld en schaamte. Dat is uiteraard vooral goed voor de cursisten zelf maar het is ook nodig opdat mensen met hun ervaring zouden kunnen werken. Het is belangrijk naar dat verleden te kijken omdat dat het basismateriaal is van de ervaringsdeskundige.

    Bovendien moet die verwerking gebeuren omdat anders de emoties en de pijn van de uitsluiting zo dicht op de mensen hun vel zit dat ze niet echt in staat zijn informatie op te pikken. Zonder dit zou de opleiding die volgt weinig of geen kans van slagen hebben. Misschien is dit ‘plakken van de zeer’, dit verstikkende van de kwetsuren uit het verleden, wel een reden waarom het binnen de hulpverlening zo moeilijk is de mensen te bereiken en waarom hulpverlening aan kansarmen zo vaak mislukt. Er zit zoveel pijn, kwaadheid, verdriet in die muur tussen de arme en de buitenwereld dat hij onbereikbaar wordt, ook voor de maatschappelijk werker die hem wil helpen. In de vooropleiding wordt er geraakt aan de kern van armoede: de gekwetste binnenkant. Hierdoor én door het ontschuldigen van de mensen, kan er een begin worden gemaakt met het losweken van de pijn. Daarom heeft deze toeleidingsfase op zich al zoveel effect. Daarom, maar ook omdat deze toeleiding, net als de rest van de opleiding overigens, in tandem wordt gegeven. De aanwezigheid van een ervaringsdeskundige naast een opgeleide deskundige geeft de cursisten vertrouwen. Bovendien kunnen ze hun verhaal doen aan iemand van wie blijkt dat ze het van binnenuit kent. De ervaringsdeskundige duidt veel, zowel ten aanzien van de cursisten als ten aanzien van de collega-begeleider.

    Luisteren is verruimen

    Verwerking is echter niet de enige doelstelling van deze fase die aan de eigenlijke opleiding voorafgaat. Cursisten vertellen niet alleen hun eigen verhaal, ze luisteren ook naar elkaars verhalen. Hierdoor komt er een heel proces op gang waarin hun kijk op armoede wordt verruimd. Het wordt duidelijk dat ze niet alleen zitten met die problemen, maar dat er nog veel mensen zijn die heel gelijkaardige dingen hebben meegemaakt. Maar ook komt naar voor dat sommige mensen heel andere dingen meegemaakt hebben. Armoede heeft echt wel veel gezichten. De cursisten leren heel veel andere armoede-ervaringen kennen.

    Kaderen is ontschuldigen

    Door het beluisteren van elkaars verhalen raken de cursisten er van doordrongen dat zij samen met andere armen gevat zijn in een systeem waar ze eerder slachtoffer van zijn dan dat ze er schuld aan hebben. De gevolgen van uitsluiting zijn zo alomvattend dat al die mensen die op zoveel verschillende manieren geprobeerd hebben om uit de armoede te geraken daar niet in gelukt zijn. Dit punt van ontschuldigen van zichzelf en de anderen is overigens een belangrijke basis die cursisten mee moeten krijgen om als ervaringsdeskundige aan de slag te kunnen. Het lijkt misschien paradoxaal, maar de wetenschap van slechts een klein of helemaal geen aandeel te hebben in het feit dat ze in een armoedesituatie zitten, geeft de mensen zelfvertrouwen. Ze zijn niet mislukt in hun pogingen om hun situatie te verbeteren want de overmacht was te groot. Het proces dat hierdoor in gang wordt gezet, reikt dieper dan het vertrouwen krijgen in de eigen
    kracht: het is het ontdékken van de eigen kracht, het ontdekken van de eigen positieve eigenschappen.

    Delen is leren

    Een laatste gevolg van het delen en beluisteren van elkaars levensverhaal is dat de cursisten leren van en aan elkaar. Ze reiken elkaar manieren aan om met bepaalde problemen om te gaan. Dit brengt ons trouwens bij een onbedoeld maar zeer geslaagd neveneffect van de toeleiding en de opleiding. We merken dat de cursisten in hun eigen leven zaken anders gaan aanpakken en organiseren. Ouders beginnen meer en anders met hun kinderen te communiceren. Cursisten drukken zich gaandeweg vlotter uit. Ze worden assertiever en zelfzekerder.

    Aan stages en tewerkstelling van ervaringsdeskundigen in de armoede zal in een volgend nummer van Sociaal een artikel gewijd worden.

    Literatuur
    Van Regenmortel, T.; Demeyer, B. ; Vandenbempt, K. — Ervaringsdeskundigen in de armoede. Meer-waarde en methodiekontwikkeling. — Leuven: Hoger Instituut voor  de Arbeid, 1999.
    Vzw De Cirkel — Uit het huis, uit het hart? — Berchem: vzw de Cirkel, 1996.

    Informatie
    vzw De Link, Woeringenstraat 50 -
    2600 Berchem. Tel. 03-2188878

    Terug naar het begin van de pagina



    In Alert, jg. 27 (2001), nr.2 wordt een thema gewijd aan ervaringsdeskundigen

    - PAGINA 5 EEN RONDETAFEL, OVER HUN (PARA)PROFESSIONELE INZET, LUDO FRET Ervaringsdeskundigheid werd de voorbije jaren gepromoot door te benadrukken dat niet alleen professionele welzijnswerkers deskundig zijn. Nu wordt gepleit voor een volwaardige professionalisering van 'ervaringsdeskundigen in de armoede': Is ook dat een goed idee of kunnen die profs maar beter para's blijven?

    - PAGINA 8 VAN GOED IDEE TOT GEGEERDE METHODIEK, MIEKE VERCAEREN & LUDO FRET De idee om mensen hun armoede-ervaring te laten verwerken door ze ook in te zetten in het welzijnswerk kiemde hier vooral in vzw De Cirkel. Na het Algemeen Verslag sloeg deze idee zo aan dat ze via actieonderzoek verder ontwikkeld werd tot een emanciperende methodiek, met sterke maar ook (nog) met zwakke kanten.

    - PAGINA 19 DE KANSEN EN RISICO'S VAN EEN SPECIFIEKE OPLEIDING EN TEWERKSTELLING SULTAN BALLI, LUC C0UvREUR, RUDY DE COCK, DIANE MORAS, HILDE TREKKER, ERIK DE VEIRMAN, LUC JAMINÉ, LIEVE LECLUYSE, MIEKE VERCAEREN, CELINE LUYTEN, LUDO SERRIEN, AN SPRANGERS, TOON WALSCHAP, ERIC WINDEY. Om de professionele perspectieven van een specifieke opleiding en tewerkstelling ook vanuit de praktijk te toetsen bracht ALERT getuigen rond de gesprekstafel: ervaringsdeskundigen en professionals uit de zelforganisatie, het opbouwwerk en het welzijnswerk, uit het armoedebestrijdend én interculturaliserend integratiewerk, én uit de specifieke 'opleiding in dienstverband'.

    Ludo Fret: OVER DE  (PARA-)PROFESSIONELE INZET VAN ERVARINGSDESKUNDIGEN IN HET WELZIJNSWERK

    De inzet van ‘ervaringsdeskundigen’ kwam de voorbije jaren steeds meer in de belangstelling van beleidsmakers, vooral in het kader van de armoedebestrijding. We verwijzen naar de actuele beleidsvoorbereiding op een kaderdecreet voor de armoedebestrijding, waarin ook de opleiding en tewerkstelling van ervaringsdeskundigen ruime aandacht zou krijgen. Een rondetafelgesprek over dit fenomeen leek ons een goede formule om de betekenis ervan te toetsen vanuit de praktijk. Met deze ‘ervaringsdeskundigen’ worden mensen bedoeld die op basis van hun specifieke probleemervaringen een waardevolle bijdrage kunnen leveren tot het welzijn en de ontvoogding van hun lotgenoten. Het is een fenomeen dat ook herkenbaar is in diverse vormen van zelfhulp en zelforganisatie, in zoverre het daar niet gaat om een opleidings- en beroepsprofiel, maar enkel om vrijwillige inzet. Het wat logge woord werd destijds in Nederland uitgevonden in het kader van de drughulpverlening. Omdat daar nadien niet alleen vrijwillige, maar ook betaalde ‘ervaringsdeskundigen’ werden ingezet, werd er meteen nog een gewichtig begrip bovenop gegooid. Die betaalde ervaringsdeskundigen zonder opleiding werden met name ‘paraprofessionelen’ genoemd. We synthetiseren verderop recente onderzoeksresultaten over de inzetbaarheid van deze ‘para’s’.

    Hier ten lande werd het werken met ervaringsdeskundigen onder impuls van actie-onderzoekers eerder gepresenteerd als een nieuwe ‘methodiek’ voor professionele armoedebestrijding. De actiecomponent lag hier vooral in de basiswerkingen voor armoedebestrijding en in de inzet van allochtone burgers als ‘interculturele bemiddelaars’. Vooral de vzw De Cirkel had verdiensten bij de geduldige ontwikkeling van deze idee in en vanuit haar eigen basiswerking met arme gezinnen. Eerst ging het om een ‘contra-beweging’ tegenover ‘professionals’, die steevast de link met armoede missen. Later promootte men  een paraprofessionele inzet van ervaringsdeskundigen in tandem met diezelfde professionele welzijnswerkers. Daarmee wordt o.m. geëxperimenteerd door Kind & Gezin. En uiteindelijk werd een ‘grote sprong voorwaarts’ gemaakt naar een reguliere opleiding en tewerkstelling van ‘professionele ervaringsdeskundigen in de armoede’. Omdat de ervaringen in de Cirkel relevant kunnen zijn voor de interpretatie van dit fenomeen, leest u er verderop meer over. Sinds kort is deze vzw overigens ontbonden. Er is wél een nieuwe vzw De Link, die de opleiding van ervaringsdeskundigen in de armoedebestrijding tracht te organiseren in het kader van het onderwijs en voor hen op zoek zal gaan naar stage- én werkplaatsen.

    Medewerkers van beide vzw’s participeerden aan het rondetafelgesprek. Bovendien werden enkele mensen uitgenodigd die – o.m. via de vzw Samik – al eerder betrokken waren bij de pogingen om allochtone burgers (para)professioneel in te schakelen als ‘interculturele bemiddelaars’. Het zorgde voor kritische bedenkingen bij het emancipatorisch effect van een professionalisering van ervaringsdeskundigen, die geënt is en blijft op hun probleemsituatie. Spijts hun waardering voor de vormende betekenis van een specifieke opleiding werd die kritiek ook gedeeld door mensen die actief zijn in het hoger onderwijs. Om ook de feitelijke tewerkstellingsperspectieven en –effecten te verkennen werden aan de rondetafel tenslotte ook mensen uitgenodigd die professioneel actief zijn in het welzijnswerk. Dat leidde in het gesprek tot een unaniem pleidooi voor een radicale keuze: als men een professionele opleiding organiseert, dan moet er ook een volwaardige tewerkstelling van ervaringsdeskundigen mogelijk gemaakt worden. Dat betekent dat geen uitzonderingsstatuut voorzien wordt en dat de concurrentie van de arbeidsmarkt volop mag gelden. Alleen de expliciete keuze van de welzijnsorganisaties voor een intern ‘diversiteitsbeleid’ kan de arbeidsvoorwaarden selectief versoepelen. Maar dat mag dan niet alleen voor de ‘ervaringsdeskundigen’ gelden.

    Dat beleid van diversificatie in het management en het uitvoerend werk zal voor de zorgorganisaties allicht een werk van lange adem zijn. Het maakt alleen kans in de mate dat de gunstige effecten van die diversiteit voor de kwaliteit van de hulp- en dienstverlening duidelijk kunnen aangetoond worden. Zelfs voor social profit ondernemingen is dat niet meteen een evidentie. Zij tendeerden het voorbije decennium eerder naar verzakelijking van hun personeelsmanagement. Maar het kan natuurlijk verkeren en ervaringsdeskundigen zouden daarbij hun duit in het zakje kunnen doen. Ze kunnen daarbij de ruggensteun krijgen van de bredere beweging naar een versterking van cliëntenrechten. Daarom mag de betekenis van de ervaringsdeskundigen voor de zelforganisatie niet uit het oog verloren worden. Opleiding zou de ervaringsdeskundigen niet mogen ‘afleiden’ van de maatschappelijke situatie van hun lotgenoten, die zich in basiswerkingen verenigen om sociale veranderingen af te dwingen. Was het vanuit deze sociale bekommernis dat de radicale keuze voor een professionalisering van ervaringsdeskundigen op het einde van het rondetafelgesprek wat werd afgezwakt? Of werd de paraprofessionele piste terug geopend uit twijfel aan de tewerkstellingskansen op een reguliere arbeidsmarkt? U leest het zelf tussen de regels door.

    Terug naar het begin van de pagina

    Ludo Fret en Gaby Goris: DE INZET VAN ERVARINGSDESKUNDIGEN - Van vrijwillige tot (para)professionele welzijnswerkers? - Verslag van een rondetafelgesprek m.m.v. Sultan Balli, Luc Couvreur, Rudy de Cock, Brie De Veirman, Luc Jaminé, Lieve Lecluyse, Celine Luyten, Diane Moras, Ludo Serrien, An Sprangers, Hilde Trekker, Mieke Vercaeren, Toon Walschap, Eric Windey.
    Het gesprek werd in goede banen geleid door Ludo Fret en genotuleerd door Gaby Goris.

    Ter inleiding …
    … werden door de gespreksleider volgende ‘historische’ krachtlijnen aangegeven voor het rondetafelgesprek. U herkent ze als drie delen in de rapportage.

    We vertrekken van de idee van ‘ervaringsdeskundigheid’ die in verenigingen en vormen van zelforganisatie ontwikkeld werd. Deze inzet van ‘armen’ als ervaringsdeskundigen werd voorgesteld als een ‘methodiek’. Een geduldig maar krachtig te bewandelen weg naar individuele integratie, emancipatie, activering.

    Omdat het een middel was om de ‘missing link’ met de armoede te overbruggen werd het als aangepaste methodiek ook aangeboden aan professionele welzijnswerkers. Samen met daarvoor ‘opgeleide’ ervaringsdeskundige armen konden ze ‘in tandem’ samen aansluiting vinden bij reële armoedeproblemen. De contra ‘s werden door dialoog para ‘s.

    Daarmee was maatschappelijk de weg vrij voor een nog radicalere ‘professionalisering’ van ervaringsdeskundigen via een erkende opleiding met diploma en een volwaardige tewerkstelling als ervaringsdeskundige vormingswerker of hulpverlener. Is dit een weg naar ‘empowerment’ of - een brug te ver – naar ‘inburgering’?

    HET IDEE VAN COLUMBUS

    Onbenutte capaciteiten

    Brie De Veirman werkte tot voor kort met een bediendecontract als ervaringsdeskundige in De Cirkel, het ‘actieonderzoekscentrum’ dat in Vlaanderen de idee promootte om ‘ervaringsdeskundigen’ in te zetten in de armoedebestrijding. Vanuit die ervaring pikte ze als eerste in op de vraag hoe die idee in de ‘basiswerking met arme gezinnen’ ontstond: ‘Langzaam maar zeker is dat idee gerijpt. Ik kende Celine - mijn collega ervaringsdeskundige in De Cirkel – destijds als iemand met armoede-ervaring. Die ervaring bleek van een heel andere soort dan de mijne. Zij had het over het leven in een diepe, uitzichtloze armoede. Ik had een meer ‘beschermd’ instellingsverleden. Dat verschil in armoede-ervaring werd op zich al veelbetekenend. Door bovendien ook samen met de opgeleide medewerkers analyses te maken in en vanuit de gezinsbegeleidingen voelden we dat die twee invalshoeken mekaar schitterend aanvulden. Onze feitelijke armoede-ervaring en de ervaring van de professioneel leverden ons telkens weer een dieper inzicht op in processen van uitsluiting. We pasten die aanpak ook toe in de gezinnengroep De Barst en voelden daar welke winst we boekten in onze beleving en analyse. We verzamelden die meerwaarde in het team van De Cirkel, we publiceerden die inzichten, we vertolkten onze overtuiging op vormingsbijeenkomsten, … Zo werd werken met ervaringsdeskundigen voor ons een must.’

    Diane Moras vult meteen aan. Ze was ooit één van die professionele medewerkers van De Cirkel en werkt nu in ‘Recht Op’, een basiswerking van armen die gegroeid is uit het opbouwwerk. ‘Brie vergeet het cruciale belang van de inzet van de gezinnen te vermelden. Bij elk actieonderzoek bleek die zoveel groter dan die van de doorsnee professionele welzijnswerkers. Dat stemde tot nadenken en heeft het vertrouwen in de participatie van de ervaringsdeskundige arme enorm gesterkt.’
    Blijkbaar was de overtuigingskracht van de leden van de gezinnengroep De Barst zo groot dat men het werken met ervaringsdeskundigen eerst intern in De Cirkel ging uitbouwen. Er werd werk gemaakt van de begeleiding van de ervaringsdeskundigen opdat ze hun ervaring meer gericht en meer functioneel zouden kunnen inzetten in en vanuit de basiswerking. Maar hoe kwam men dan op het idee om dit als een ‘methodiek voor armoedebestrijding’ te bestempelen? Brie wijt dat aan het feit dat De Cirkel door haar publicaties meer en meer aangesproken werd om de ‘opgebouwde ervaringscapaciteit’ ook extern te benutten om de ‘missing link’ tussen arm en rijk te dichten.

    Brie De Veirman: ‘De vraag aan De Cirkel om de werkbegeleiding bij gezinsbegeleiding en vorming van professionals te ondersteunen verwees steeds meer naar die gebundelde ‘ervaringsdeskundigheid’ van De Cirkel. Meer en meer gingen wij ons ook vanuit die ervaring profileren. We durfden onze inbreng baseren op het gevoelsleven van de armen, we deelden dat steeds explicieter met de professionele mensen die ons op bezoek vroegen. Onze winst werd ook hun winst. Zo durfden we uiteindelijk ook heel uitdrukkelijk de bewuste keuze maken voor de ontwikkeling van ervaringsdeskundigheid als een beloftevolle methodiek. In de gezinnengroep De Barst zagen we dat mensen op zeer korte termijn en op een heel intensieve manier konden groeien door erkenning te krijgen voor hun gevoelens en inzichten. Dat sterkte ook ons vertrouwen als ‘begeleide ervaringsdeskundigen’. Wij zagen dat zij en wij daar heel betekenisvolle dingen mee konden doen. En hoe meer we er op aangesproken werden, hoe meer dat voor ons en voor hen heel bruikbaar materiaal opleverde. We brachten daarom op een zeker moment resoluut de boodschap naar buiten dat er heel veel onbenutte capaciteit lag opgeslagen bij de armen zelf. Capaciteit waar niets mee gebeurt en waar de betrokken mensen zelf niets van vermoeden.’

    Een nuttige methodiek

    Lieve Lecluyse is docente in de Karel de Grote Hogeschool en al jaren betrokken bij Samik, een project dat de inzet verkende van allochtone ervaringsdeskundigen als ‘interculturele bemiddelaars’ en was coördinator van de opleiding ‘intercultureel medewerker’: ‘Toen ervaringsdeskundigheid door De Cirkel als methodiek naar voren werd geschoven heb ik meteen de link gelegd naar de interculturele medewerkers. Want er waren toen in het integratiewerk ook al een aantal niet-opgeleide migranten actief die mee gingen om te ‘tolken’. Beide ontdekkingen en ontwikkelingen van ervaringsdeskundigheid als instrument voor ‘empowerment’ verliepen heel parallel. De interculturele medewerkers doen eigenlijk zowat hetzelfde als de ervaringsdeskundigen in de armoede. Het ene wordt ‘ervaringsdeskundigheid’ genoemd en het andere ‘tolken’, al werd zelfs dat begrip ook in de armoedesfeer gehanteerd. In het integratiewerk ging het ook om de ruimere betekenis ervan: niet alleen vertalen maar ook met de cultuurverschillen omgaan en de verschillen in referentiekaders mee duiden. Zo is er ook lange tijd gepleit voor een aparte – en nu eerder omstreden - opleiding voor interculturele werkers, die nu recenter ook voor ervaringsdeskundigen in de armoede geïnstitutionaliseerd wordt. Ik heb daar vragen bij en vindt dat we zouden moeten leren uit de niet altijd gunstige ervaringen in het integratiewerk.’

    Celine Luyten was jarenlang actief in De Cirkel als ervaringsdeskundige en werkt sinds een jaar als medewerker van vzw De Link mee aan de opleiding van ervaringsdeskundigen in het kader van het onderwijs voor sociale promotie. ‘De Cirkel is niet abstract gestart met één of ander concept van ervaringsdeskundige, het is vanuit de ruime context van de armoede dat wij gedurende enkele jaren ‘in’ die rol gegroeid zijn. Dat gebeurde goed omringd in De Cirkel. We hadden daar de begeleiding van de professionele medewerkers, maar een opleiding hebben wij niet gekregen, ook al hadden we er grote nood aan. Wij hebben wel enorm veel steun gekregen van onze collega’s, dikwijls ook na de uren en tot midden in de nacht. Dat is niet zomaar vatbaar voor herhaling.’

    Mieke Vercaeren – een tijdlang coördinator van De Cirkel – vult aan dat er in het begin niet over ‘ervaringsdeskundigen’ werd gesproken. ‘Er was toen nog helemaal geen sprake van een methodiek of een reguliere opleiding tot ervaringsdeskundigheid, en zeker niet van een functieomschrijving in functie van tewerkstelling. Pas toen we gestart zijn met dat meer systematisch onderzoek werd ook het systematisch toetsen van de meningen van professionelen aan die van de armen zelf een betekenisvolle methodiek genoemd. Sindsdien werd benadrukt dat niet iedereen zomaar ervaringsdeskundig is. Er was een geduldige begeleiding nodig in de basiswerking zelf om mensen hun schat aan ervaringsdeskundigheid ook effectief te laten benutten. Later is dat vertaald naar een ‘opleiding’ in het kader van een OCMW-project, waar we met en voor hen een soort in-service-training voor maatschappelijk werkers hebben opgezet.’
    Sindsdien profileerden sommige medewerkers van De Cirkel zich als ‘ervaringsdeskundigen’. Die naam werd de vlag voor een vraag naar meer erkenning van de eigen capaciteiten van de armen. Maar dat had ook een wat negatieve bijklank. Het hield tegelijk het risico in, dat ervaringsdeskundigheid zou kunnen geponeerd worden tegenover professionele deskundigheid. Men wilde opkomen voor gelijkwaardigheid en gelijkheid ten aanzien van de welzijnswerkers, die opgeleid werden in de sociale scholen.

    Iedereen deskundig

    An Sprangers is als coördinator Maatschappelijk Werk verbonden aan de Irishogeschool Brussel die maatschappelijk werkers opleidt tot ‘professionele welzijnswerkers’ en stond met anderen mee aan de wieg van de opleiding. Zij heeft de ontwikkelingen van daaruit wat vanop afstand kunnen gadeslaan. ‘Mijn interpretatie was al die tijd, dat men ‘ervaringsdeskundige’ is vanaf het moment dat men zijn specifieke ervaring – bv. inzake armoede - systematisch inzet om de kloof of de ‘missing link’ tussen arm en rijk te overbruggen. Op die manier ontwikkel je die ervaringen verder op meer deskundige wijze, kan de eigen deskundigheid zich organisch ontwikkelen en leer je die ook gericht inzetten.’
    Brie De Veirman bevestigt dat ze die gerichte opdracht inderdaad kreeg toen ze in het team van De Cirkel werd opgenomen. ‘Het feit dat ik die opdracht van ‘ervaringsdeskundige’ kreeg maakte mij in mijn aanvoelen meteen al tot ervaringsdeskundige. Maar het meer en meer deskundig worden in het gebruiken van die ervaringen zit in het gebruik ervan zelf. De begeleiding rondom zorgt er voor dat je ook afstand leert nemen van je eigen individuele situatie, dat je kan vergelijken en linken kan leggen met andere leefsituaties. Daar heb je tijd voor nodig. Dat moet verder reiken dan één of twee jaar in één of twee gezinnen te werken en het is ook niet zo maar in een opleiding samen te proppen, al kan die meer prestige geven. Het klopt dan ook dat we destijds in de Cirkel aan onze eigen ‘rol’ de naam ‘ervaringsdeskundige’ gegeven hebben om ook zonder die professionele status van een opleiding een zeker ‘respect’ af te dwingen voor het werk dat wij deden. Maar ik heb het zelf altijd een heel zware term gevonden.’

    Mieke Vercaeren vindt die discussie over de vlag en de lading nog complexer als men er niet alleen een ‘rol’ in een basisorganisatie, maar ook ‘functies’ mee gaat aanduiden. ‘Men deed van buiten uit hoe langer hoe meer beroep op mensen met ervaringen in armoede. Die systematische inzet in diverse contexten – hulpverlening, vorming, praktijkbegeleiding, beleidswerk, … - had voor gevolg dat we die inzet ook als een specifieke functie moesten gaan omschrijven. Het is die wisselwerking tussen vraag en aanbod, die geleidelijk de betekenis van ‘ervaringsdeskundigen’ specificeert en versmalt.’
    Blijkbaar heeft dat invullingsproces zich in de Cirkel gedurende jaren spontaan kunnen ontwikkelen tot men in verwondering vaststelde dat er zich ervaringsdeskundigheid had ontwikkeld, die ook extern bruikbaar was. Er was zelfs meer en meer vraag naar. Pas dan werd het onderscheid met professionele medewerkers meer beklemtoond en krijg je in de beeldvorming een zeer expliciet onderscheid. Dat roept de vraag op of deze ‘polarisering’ in De Cirkel consequenties had voor de persoonlijke groei van beiden. Verliepen die groeiprocessen anders vanaf het moment dat men bepaalde mensen liet optreden als ervaringsdeskundige; in een functie die bewust ‘anders’ is dan die van de opgeleide professionelen?

    Diane Moras wijst op de paradox dat het onderscheid tussen de professionele en de ervaringsdeskundige medewerkers in feite beklemtoond werd vanuit de bekommernis om het onderscheid in betekenis te verkleinen: ‘Om de gelijkwaardigheid van beide te waarborgen werd het verschil geïnstalleerd. Bij de start van De Cirkel werd bewust gekozen om een arme mee in te schakelen in het onderzoek naar de oorzaken om in diepe armoede te geraken of juist aan de armoede te ontsnappen. Een artikel over drughulpverlening in Nederland gaf het concept om de twee uitgangspunten aan mekaar te linken. De idee en die naam was daar toen al uitgevonden en had ook daar de bedoeling om zo veel mogelijk gelijkwaardigheid te introduceren. Zo kreeg de hulpverlener plots een ‘collega’ naast zich die niet langer de ‘arme’ werd genoemd, maar met heel wat meer égards als een even belangrijke ‘ervaringsdeskundige’ werd bestempeld. Dat leidde in de context van de hulpverlening tot het benadrukken van het verschil met de opgeleide professionelen, al was dat de bedoeling niet.’
    Deze paradoxale ‘eenheid in verscheidenheid’ wordt later treffend gesymboliseerd in het optreden van beide in ‘tandems’. Maar is dat benadrukken van gelijkwaardigheid in zo ‘n tandemformule voldoende om ook van gelijke mogelijkheden te kunnen spreken?

    Geef ze schouderklopjes

    Celine Luyten benadrukt dat de ongelijkheid tussen beide niet weg gaat door iets een naam te geven: ‘Maar die benoeming had wel goede effecten: het maakte voor ons een heel verschil of je aan de buitenwereld voorgesteld werd als ‘arme’ of als ‘ervaringsdeskundige’. Dan ben je iemand anders voor die buitenwereld, ook al ben je dezelfde persoon. Je krijgt dan schouderklopjes.’
    Sultan Balli was jarenlang ‘herkenbaar’ als migrantenmedewerkster van allochtone afkomst en herkent heel wat ervaringen van toen in dit gesprek. ‘Zo’n vijftien jaar geleden was ik ‘erkend’ als ‘ervaringsdeskundige migrantenmedewerkster’. Ik kreeg ook een schouderklopje omdat ik die functie had. Maar ik herinner me dat ik op bepaalde momenten niet meer mee naar de vergaderingen wou gaan als ‘etalagepop’. Want wij vervulden ook een andere functie dan onze professionele collega’s. Ik werd opgevoerd als ‘missing link’ tussen het professionele team en de allochtone gezinnen. Wij werden wel geen ervaringsdeskundigen genoemd, die term bestond toen nog niet, maar voor het overige gaat de vergelijking helemaal op. Wij waren migrantenmedewerkers en wij gingen samen naar vergaderingen, maar ik werd er niet als volwaardig aanzien. Ik was en bleef een ‘migrantenvrouw’ en die hoorde bij de doelgroep. Daarom bevestig ik ook de nood aan een professionele opleiding. Je zit wel in een bepaalde functie, je kijkt anders naar de problemen, maar je mist de theoretische kaders om dat ook waar te maken naar je eigen collega’s. De erkenning zit uiteindelijk niet in de naam, maar wel in de functie. Dat voel je als je ‘deskundig’ naar buiten treedt en zeker als je verwacht dat je voor je job ook betaald wordt. Er is nu eenmaal een verschil tussen een ‘vrijwillige arme’ en een ‘ervaringsdeskundige collega’ die ook een loon krijgt. Je mag die sprong niet onderschatten. Als migrantenmedewerkster werd ik wel betaald en had ik intern een functie, maar die was niet duidelijk voor de buitenwereld. Omdat ik als allochtone vrouw meedraaide, kreeg ik voortdurend vragen als: Waarom een hoofddoek en waarom geen varkensvlees? Je wordt vastgepind op ‘cultuurvertaling’ en je raakt er niet meer uit. Terwijl emancipatie het omgekeerde is: je moet uit die rol en dat keurslijf geraken.’

    An Sprangers vindt dat ze zelf als professional ook zo’n proces heeft moeten doormaken. ‘Ik herinner mij nog als de dag van gisteren het eerste overleg over de start van een opleiding voor ervaringsdeskundigen in de armoede. Ik was verwonderd over de evidentie waarmee toen een ervaringsdeskundige aanwezig was. Ik had daar alleen van gehoord. Er mee in aanraking komen had effect voor mijn professionele ontwikkeling. Zich presenteren in een tandem heeft dus op zich al effect, al heeft die ervaringsdeskundige zelf nog geen professioneel statuut.’
    Lieve Lecluyse vindt dat het er op aan komt de dynamiek te blijven bewaren en voor alle betrokkenen reële emancipatiewegen open te houden: ‘Je ziet inderdaad dat beide mensen individueel leren, zowel de ervaringsdeskundige als de professional. Maar het gevaar is dat de beide rollen als ‘functies’ geofficialiseerd worden op basis van een opleiding. Dan kan de kern verloren gaan. Ik heb het zien gebeuren in de opleiding voor interculturele medewerker. Ook dat intercultureel bemiddelen had oorspronkelijk een specifieke en onvervangbare betekenis. Het kon maar goed ontwikkeld worden als een persoonlijk proces en er was dus begeleiding nodig ‘à la tête du client’. Een reguliere opleiding kan dat niet bieden, want opleiden is altijd veralgemenen, afstand nemen, inzetbaar maken in meerdere contexten, beantwoorden aan eindtermen … Dat dreigt die kern van dat persoonlijk leer- en verwerkingsproces ook kapot te maken. De band die de intercultureel medewerkers met de doelgroep hebben, en die eigenlijk de hefboom is voor hun inzet, kan door de opleiding evenzeer verdwijnen. Na de opleiding ga je als professional een andere rol spelen, je stapt er dan eigenlijk uit en dat is natuurlijk je goed recht.’

    Mieke Vercaeren vraagt zich of het behoud van de kern geen kwestie is van ‘coaching’ door de betrokken werkgever: ‘Welk traject mag de ervaringsdeskundige in de organisatie als werknemer afleggen? Op welke manier mag zo iemand blijven evalueren? Ik geloof inderdaad dat de naam ‘ervaringsdeskundige’ op een bepaald moment heel storend en ‘etiketterend’ kan worden. Kan bv. iemand als ‘ervaringsdeskundige’ op een kabinet gaan werken rond armoedebeleid? Ik wil het nog wel ‘s zien.’
    Brie De Veirman hecht bijzonder veel belang aan die doorgroeimogelijkheid: ‘Een organisatie moet er rekening mee houden, dat mensen uiteindelijk ook willen doorgroeien naar andere deskundigheden. Juist vanuit die sterke kracht van armoede- of migratiebeleving kan je heel specifieke capaciteiten ontwikkelen. Maar je moet die allerindividueelste expressie ook kunnen verruimen buiten die oorspronkelijke situatie. Anders doe je mensen tekort in hun emancipatieproces. Je draait hen een rad voor de ogen: ‘Kijk, dit is nu de ruime wereld’, terwijl er van daaruit zo veel meer te beleven is. Dat is precies wat wij hebben kunnen vinden in De Cirkel: een drukke, maar veilige context om met de nodige begeleiding onze eigen kracht te ontwikkelen vanuit ons gemis. Van daaruit moet nu iedereen ook zijn eigen weg kunnen gaan, al dan niet met één of andere opleiding.’
    Celine Luyten : ‘Zonder de ondersteuning in De Cirkel hadden wij dat nooit gekund.’
    Brie De Veirman: ‘Dat bedoel ik juist. Een opleiding had me dat nooit kunnen bieden. Ik had daarin nooit op dezelfde wijze mijn identiteit en mijn deskundigheid kunnen ontwikkelen. Men zou mij aangesproken hebben op mijn vaardigheden, maar nooit zo continu op mijn sterktes.’

    OPGELEID OF AFGELEID ?

    Twee essentiële vragen …
    … liggen hiermee op tafel: Zal een formele, diplomagerichte opleiding voor ‘ervaringsdeskundigen in de armoedebestrijding’ de kern en de bezieling van die inzet niet te niet doen én zal dergelijke opleiding de betrokken mensen niet bevriezen in een situatie, waaruit ze zich zouden moeten kunnen emanciperen? Een drukte van korte interventies op deze tussentijdse synthese leidt tot de meer genuanceerde vraag: onder welke voorwaarden wel en onder welke voorwaarden niet?
    Lieve Lecluyse vindt de verwachtingen ten aanzien van een ‘opleiding’ veel te hoog gespannen: ‘Ik vind het erg om het te zeggen, want ik sta zelf in de opleiding, maar ik kan na jaren ervaring alleen maar zeggen dat een opleiding de eigen kracht die in mensen schuilt soms ook klein houdt. Er is wel een onderscheid mogelijk tussen opleiding en vorming. Een reguliere opleiding leidt tot een diploma en tewerkstelling. Dat betekent altijd dat je mensen aflevert, die omwille van dat diploma inzetbaar moeten zijn in het zeer brede welzijnsveld. Dat betekent ook dat die opleiding en dat diploma erkend zijn en na 5 of 10 jaar nog bestaan. Vorming in de zin van een ‘in-service-training’ is minder fnuikend voor de individuele ontwikkeling, omdat ze op maat van de organisatie of van de doelgroep gemaakt wordt. Vorming staat dichter bij de begeleiding zoals die in De Cirkel gegeven werd.
    Ludo Serrien was via de Jeugddienst In Petto betrokken bij de ontwikkeling van nog een andere vorm van ervaringsdeskundigheid en beaamt het gevaar: ‘Bij de begeleiding van jeugdadviseurs wordt er ook heel sterk de nadruk op gelegd dat jongeren vanuit hun ‘ervaringsdeskundigheid’ andere jongeren kunnen ondersteunen. Ook wij hebben heel sterk onderschat hoe elke vorm van formalisering van die begeleiding en die inzet – door opleiding en functieomschrijving - de dynamiek van het engagement op de helling zet. Het wordt dan meteen de omgeving en niet de jongere zelf, die gaat bepalen hoe die jongeren zich moeten inschakelen, bv. om in de school met moeilijke leerlingen om te gaan. Soms werden ze zowat als controleurs ingeschakeld. Onderschat dus de effecten van een formele opleiding niet.’

    Erik Windey is medewerker van vzw De Link, een organisatie die speciaal werd opgericht om de opleiding en tewerkstelling van ervaringsdeskundigen in de armoede maatschappelijk te promoten. Hij is zelf met die ‘opleiding’ bezig en voelt zich uiteraard aangesproken: ‘Mag dat formaliseren van een functie in een opleiding dan met iedereen, behalve met de ervaringsdeskundigen? In alle scholen worden mensen opgeleid. Verliezen zij er hun dynamiek bij? Zijn de opgeleide maatschappelijk assistenten dus geen goede professionele werkers? De vraag is dus: wat brengt opleiding bij? Wat vernietigt ze? Welke kansen geeft ze? Welke waarden voegt ze toe of welke waarden neemt ze weg?’
    Diane Moras vindt dat de vergelijking niet opgaat: ‘Een maatschappelijk werker of een opvoeder moet ook theorievorming krijgen. Maar zoals een academieopleiding het artistieke gevoel kan smoren, zo vrees ik dat ook een opleiding dat kan doen met de ervaringen van ervaringsdeskundigen.’
    Toon Walschap is coördinator van De Link en pikt op die vragen in: ‘Een artistieke opleiding kan mensen, die wat artistieke capaciteiten in zich hebben, een aantal technieken aanleren om er knappe dingen mee te doen. Dat geldt ook voor ervaringsdeskundigen. Hun opleiding appelleert op de kracht die van de armen zelf komt, op de motivatie die daarop gebaseerd is. Net als kunstenaars moeten ze bovendien die technieken aanleren, die voor hen het meest waardevol zijn. Je mag daarom niet alleen focussen op de nadelige effecten. Laat ons ook zoeken naar de mogelijkheden in functie van tewerkstelling van ervaringsdeskundigen. Mij is niet duidelijk welke kern of essentie van ervaringsdeskundigheid daarin verloren gaat. Bedoelt men dat mensen die uit armoede komen en de opleiding volgen na tien jaar te ‘rijk’ zijn om nog ervaringsdeskundig te zijn? Ik betwijfel of ze dan zullen weggegroeid zijn van hun roots.
    De beleving van de ‘missing link’ is daar te sterk voor. Dat verklaart ook de vraag van de hulpverlening om te helpen tolken bij het overbruggen van die kloof. Dat is ook de basis van de opleiding waaraan we werken.

    Ludo Fret: ‘Als ze inderdaad niet weggroeien van hun ‘roots’ en dus professioneel inzetbaar blijven als ‘ervaringsdeskundigen’, dan blijven ze toch ook ‘professioneel’ gefocust op hun armoedebeleving. De vraag blijft dus of een opleiding - geconcentreerd rondom armoede en armoedebeleving – mensen niet ‘veroordeeld’ tot een situatie die ze eigenlijk zouden moeten kunnen ontgroeien. Hoe kunnen we dat gevaar bezweren? Welke voorwaarden moeten we opleggen aan de ‘opleiding’ om emancipatie niet te belemmeren. Is bijvoorbeeld een algemene ‘vorming’ ter voorbereiding van hun inzet in een tandemformule te verkiezen boven een beroepsgerichte opleiding tot ‘armoedebestrijder’?’
    Lieve Lecluyse verduidelijkt nog ‘s het verschil tussen een opleiding en vorming: ‘Ofwel heb je brede opleidingen tot opvoeder, maatschappelijk werk, … voor mensen die in een breed gamma van sectoren professioneel inzetbaar moeten zijn. Ofwel geef je vorming of bijscholing voor een veel kleiner segment en voor een zeer specifieke functie-uitoefening, zoals bv. ervaringsdeskundige inzake armoede. Ze moeten op basis van een attest of getuigschrift minstens een verbinding kunnen maken met een ruimere opleiding, anders beperk je deze mensen. Je houdt ze klein, want ze zouden eigenlijk een veel ruimere reguliere opleiding moeten krijgen, die echt zicht geeft op een goede beroepsloopbaan. Ze moeten op basis van een attest of getuigschrift minstens een verbinding kunnen maken met een ruimere opleiding. Bij de opleiding tot intercultureel werker bleek dat perspectief uiteindelijk te ontbreken.

    Eerste kans op tweedekans

    Eric Windey heeft met de Link die les inderdaad getrokken. ‘We hebben gezorgd dat we met het afgeleverde attest na de opleiding tot ervaringsdeskundige in de armoede een doodlopend spoor vermijden. Je moet er toch ook oog voor hebben dat er in die opleiding mensen terecht komen die elders geen enkele kans maken op scholing. Mensen voor wie onze vraag - 1 dag per week, 100 uur per semester - het uiterste is wat zij aankunnen. Voor hen kan deze opleiding op maat een stap zijn naar meer. Ze kunnen er net als in De Cirkel hun krachten ontwikkelen. We zeggen daarmee niet: ‘beste vriend, je bent nu ontwikkeld en je gaat voor de rest van je leven ervaringsdeskundige blijven.’ Een cursist zei me onlangs: ‘Ik ben geen ervaringsdeskundige, ik ben een kunstenaar.’ Deze man is door ervaringsdeskundigheid gegroeid en dichter tot zichzelf gekomen. Hij ontdekt een kern in zichzelf die al meer dan 30 jaar ver weg heeft gezeten. Ik hoop dat hij na deze opleiding naar de academie gaat en kunstenaar wordt. Ik hoop ook dat hij nog een tijd ervaringsdeskundige blijft, want hij werkt nu fantastisch mee in de organisatie waar hij stage doet. Maar niemand mag die man daaraan vast houden. Als hij garagist wil worden mag niemand daar een probleem van maken. Waarde en zelfwaarde ontwikkelen verwijst nu eenmaal naar opleiding. Dat is een zeer fundamentele schakel, die vaak onthouden wordt aan mensen, die aan de rand van de samenleving leven omdat zij geen toegang hebben tot de gewone opleiding. Naar welke school kan een kind dat geboren is in een arm gezin. Welke keuze heeft dat kind? Beschouw de opleiding voor ervaringsdeskundigen dus maar als een kans voor deze mensen dertig jaar later. Geen tweede maar een eerste kans.’

    Sultan Balli vindt dat hier twee doelstellingen door mekaar gehaspeld worden. ‘Er is de ontwikkeling van mensen die door armoede een achterstand hebben opgelopen. Dat geldt lang niet altijd voor allochtonen. Bij de eerste generatie waren er wél vrij veel allochtone vrouwen, die door omstandigheden niet hebben kunnen studeren, maar die in andere omstandigheden een vrij normale opleiding hadden kunnen hebben. Daar is de frustratie én de verwachting des te groter en de opleiding ‘intercultureel bemiddelaar’ beantwoordde daar niet aan. Een ‘eerste kans’ is voor hen welkom. Maar waarom wordt die kans hier gekoppeld aan hun armoede en aan de overbrugging van de missing link tussen armen en hulpverleners? Waarom worden hulpverleners zelf niet beter opgeleid om die missing link te overbruggen? Wordt de verantwoordelijkheid niet aan de verkeerde kant gelegd? Het gaat hier om twee verschillende zaken. Ofwel gaat het om verbetering van de opleiding in sociale scholen, ofwel gaat het om een opleiding voor mensen die door omstandigheden niet hebben kunnen leren. Heel de tweede generatie allochtone jongeren is dan kandidaat en dus zou je ook voor hen een opleiding ‘ervaringsdeskundigen in de discriminatiebestrijding’ kunnen organiseren.’

    Lieve Lecluyse blijft erbij dat opleiding een eigen logica heeft. ‘Wat de Link in praktijk brengt is eigenlijk vorming en geen opleiding. Een opleiding leidt tot een diploma en is gericht op een bepaald beroep met een profiel dat breed inzetbaar is en dat rotatie toelaat. Vorming is ontwikkeling van je persoonlijkheid. Natuurlijk zijn vorming en opleiding ook met elkaar verweven. In een opleiding voor maatschappelijk werkers werk je ook met de sterke en zwakke kanten van mensen om die te ontwikkelen, maar ten bate van een betere beroepsinzet en in functie van een bepaald beroepsprofiel. Het feit dat de opleiding – of beter vorming – van ervaringsdeskundigen ook leidt tot een attest versterkt naar mijn gevoel nog de verwarring. Het geeft de deelnemers de illusie dat ze nu met dit attest ook werk zullen vinden.’

    Wie maakt er werk van?

    Ludo Fret lanceert na een korte hygiënische stop het gesprek opnieuw voor een tweedekans: ‘De waardering voor de vormende waarde van de opleiding ervaringsdeskundigen staat voor iedereen buiten kijf. Maar de vraag keerde telkens weer of het eerlijk en nodig is om deze vorming ook ‘een opleiding met zicht op tewerkstelling’ te noemen? Is dat dan een noodzakelijk lokmiddel om mensen te motiveren tot deze vorming en begeleiding? Is het perspectief op tewerkstelling nodig om mensen naar deze ‘opleiding’ te krijgen? En in welke mate is dat perspectief ook realistisch? Iemand vroeg zich zelfs af of door dit concept de verantwoordelijkheid van de reguliere opleiding van professionele welzijnswerkers voor de ‘missing link’ niet afgewenteld wordt op de gedupeerden? Hun opleiding zou dan de manke opleiding van de professionele welzijnswerkers moeten compenseren.’
    Diane Moras vindt dat duidelijker gezegd moet worden dat de huidige opleiding voor ervaringsdeskundigen eigenlijk een springplank is voor mensen die vroeger kansen misten. ‘Maar eigenlijk is dan eerder een tweedekansonderwijs aangewezen, aangepast aan mensen die door armoede nooit voldoende kansen hebben gekregen. Het is toch niet evident om dat nu via de verwarrende omweg van een formele opleiding ervaringsdeskundigen te doen. Dit is een oneigenlijk gebruik van deze opleiding, temeer daar dit niet de enige kans mag zijn.’

    Ludo Serrien: ‘In het ‘echte’ tweedekansonderwijs, dat ook diplomagericht is, heeft men een vrij laag slaagpercentage, omdat de normen er te hoog moeten liggen. Het is nu eenmaal onderwijs. Gelukkig zijn de impliciete groeikansen ook daar groot. Mislukken is dus geen ramp. Maar je moet ook daar dan wel een onderscheid maken tussen de persoonlijke ontwikkeling en de tewerkstellingskansen. Als iemand na een paar jaar opleiding als ervaringsdeskundige, uiteindelijk kunstenaar wordt en daar zijn kost mee verdient is dat op zich O.K. Maar als je de opleiding manifest oriënteert naar tewerkstelling met de bedoeling om hen op die manier ook professioneel in te schakelen in welzijnsorganisaties, dan creëer je toch een heel andere dynamiek. Dan is de vraag: hoe functioneren die organisaties, welk beleid wordt er gevoerd? Dit is een grote stap. De stap van vorming naar opleiding lijkt me nog heel wat kleiner dan de stap van een opleiding naar tewerkstelling. Vanuit mijn betrokkenheid bij de ondersteuning van welzijnorganisaties, denk ik dat er nog bijzonder veel zorg zal moeten besteed worden aan enkele randvoorwaarden op het niveau van beleid en visie van organisaties.’
    Mieke Vercaeren: ‘Als vorming is de opleiding op dit moment zinvol omdat men de mensen er kansen geeft om te groeien. Maar wat zijn de waarborgen op langere termijn? Ook ik ben bezorgd of de gewekte verwachtingen zullen kunnen ingelost worden. Welke voorwaarden zullen de organisaties moeten realiseren of opgelegd krijgen? Welke veranderingsprocessen zullen nodig zijn om er deze ‘methodiek’ te introduceren? Daar zou het schoentje kunnen wringen. Want dat vraagt nogal wat aan diversiteitsbeleid, groepsvorming, teambuilding, ….’

    Toon Walschap vindt het nog te vroeg om zekerheid te kunnen bieden qua tewerkstelling: ‘De ervaringen met en in de stageplaatsen stemmen me al wel hoopvol. De enige zinvolle vraag is voor mij nu of de opleiding goed op tewerkstelling gericht is. Of het tewerkstellingsperspectief in de hulpverlening, het maatschappelijk werk, de bijzondere jeugdzorg… ook realistisch is, kan nu niet beantwoord worden. Wij zullen daar verder werk moeten van maken.’
    Mieke Vercaeren: ‘De ervaring in het kader van Kind en Gezin leerde ons dat het niet eenvoudig is om deze methodiek op een goede manier in te voeren. Het zoeken van een meer algemeen beleidskader waarin deze methodiekontwikkeling binnen organisaties zelf kansen maakt is dus helemaal niet voorbarig. We zullen vanaf nu al met allerlei weerstanden moeten omgaan.’
    Luc Couvreur is in opdracht van de Link druk in de weer met contacten met stageplaatsen. ‘Als we daar nu al een gesprek over tewerkstelling aangaan lokken we de weerstanden gewoon uit. We sturen dus nu alleen aan op bereidheid om in de organisatie zelf ook na te denken over de betekenis van de ervaringsdeskundige op basis van de stage-ervaringen. Dat betekent dat de professionals ook naar zichzelf moeten kijken. Wat is voor hen de missing link? Misschien zal ik hen moeten vertellen dat wat zij vragen van een ervaringsdeskundige niet haalbaar is. Misschien moet ik hen inderdaad op hun eigen verantwoordelijkheid op dat vlak wijzen. Misschien kunnen ze dan samen zoeken naar wat de ‘missing link’ betekent in hun stageplaats en organisatie. De kwestie is dat er een zoekproces op gang komt, waarbij zowel de ervaringsdeskundige als de hulpverlener betrokken is. Zo kan de hulpverlener die soms al jaren vast zit een keer ervaren wat hij onderweg verloren heeft of nooit ontwikkeld heeft.’

    Witte raven

    Brie de Veirman wijst meteen op het risico dat men vanuit deze redenering de opgeleide ervaringsdeskundigen gaat inzetten in functie van de noden van de organisatie: ‘Laat ons toch nu al niet vergeten dat ervaringsdeskundigheid in De Cirkel in essentie ontwikkeld werd vanuit de nood van de armen zelf. Er moet dus minstens ruimte blijven om de prioriteit van de gebruikers, de hulpvragers, de armen, … te respecteren, anders hoeft het ook allemaal niet. Het gaat toch niet om de input van goedkopere werkkrachten? Van bij het opstarten van de opleiding was het luik tewerkstelling daarom voor mij wél een zinvolle vraag. Met het HIVA-onderzoek zijn we een heleboel organisaties gaan bevragen. Ik voelde toen dat het werkveld er gewoon niet klaar voor is. Men wil dat allemaal wel want het klinkt mooi, maar ‘voorlopig toch niet in mijn organisatie’. Er duiken dan allerhande bezwaren op. Of het blijkt dat de ervaringsdeskundige hoe dan ook in functie – of als hulpje - van de hulpverlener zou moeten werken. De vraag zal zijn of de ervaringsdeskundigen die confrontatie met hun doorwinterde en beter gewapende collega’s aan zullen kunnen. De kloof zou zich daar wel ‘s kunnen doorzetten en dat kan niet vroeg genoeg ter sprake komen. Anders lopen we het risico dat het kind met het badwater weggegooid wordt. De idee bloedt dan dood voordat het goed en wel tot zijn recht kon komen. Dat is mijn bezorgdheid nu en niet morgen. Ik heb het gevoel dat dit zo cruciale tewerkstellingsluik verwaarloosd wordt, omdat het nu alleen een lokmiddel en een verantwoording is voor de opleiding. Of schrikt men terug voor de feiten? Want laten we ons niet blind staren op de stageplaatsen: dat zijn witte raven. En het gaat nog lang niet om reële tewerkstellingsplaatsen. Daarvoor zijn de voorwaarden nog lang niet gerealiseerd. Ik pleit daarom al langer voor wat onthaasting om wat meer duurzaamheid te krijgen. Ook dat heb ik in De Cirkel geleerd.’

    Rudy De Cock is al enkele jaren verantwoordelijk voor en bezieler van de tewerkstelling van ervaringsdeskundigen in de centra van Kind en Gezin. Hij zorgde mee voor het baanbrekend werk van deze overheidsinstelling. Voor hem zijn de randvoorwaarden belangrijk, maar geen statische gegevens die op voorhand vervuld moeten zijn. ‘Binnen Kind en Gezin hebben wij er een aantal jaar geleden voor gekozen om de diensten met ervaringsdeskundigen te laten werken. Dat in de praktijk brengen gaf af en toe wel eens klamme handen. Het is een moeizaam proces. We hebben in 1997 met De Cirkel een zeer nauwkeurige functiebeschrijving gemaakt. Die is nu aan een herwerking toe. De functie evolueert net zoals de omgeving en de organisatie veranderen. Verandering vormt voor elke organisatie een ‘lastig’ gegeven omdat het de orde der dingen in vraag stelt. Elke organisatie streeft er ook naar om zijn werking (processen) te stroomlijnen. In dit stroomlijnen vormt het kunnen omgaan met diversiteit een belangrijke uitdaging. Kind en Gezin maakt op dit ogenblik werk van de verdere ontwikkeling van haar diversiteitsbeleid. De ervaringsdeskundigen in de armoede vragen dan weer naar meer en betere ontwikkelingskansen. Zij willen een opleiding, niet alleen als ervaringsdeskundige, maar ook voor andere functies, iets met groepswerk bijvoorbeeld. En de interculturele bemiddelaars willen voor vroedvrouw studeren, of voor verpleegkundige.’

    Lieve Lecluyse vindt dat dit van de organisaties nog meer dan elders een flexibele opstelling vergt: ‘Je zit met twee doelen tegelijk. De opleiding van ervaringsdeskundigen wordt tegelijk een hefboom om organisaties te veranderen. Je zet de ervaringsdeskundigen daarvoor in de vuurlinie. Tijdens de stages kan je een eerste stoot geven, maar wat als de opleiding afgelopen is en die mensen - hopelijk - een job vinden? Wie zorgt er dan voor de nodige begeleiding? De werkgever? En wordt die dan voldoende gecoacht? Is er een procesbegeleiding voorzien? Het is heel belangrijk dat de input van opleiding, stages, tewerkstelling, … niet op harde rotsen valt. De eerste opgeleiden krijgen een enorme verantwoordelijkheid toegeschoven. Als zij dit niet alleen aankunnen kan de terugval groot zijn.’
    Mieke Vercaeren: ‘Je kan toch van de ervaringsdeskundigen niet verwachten dat zij – ook nu al tijdens de stage - het hele veranderingsproces van de organisatie op hun nek krijgen.’
    An Sprangers: ‘Die randvoorwaarden zullen meteen veel aandacht moeten krijgen. Want we moeten ook nog de collega-werkers gevoelig maken voor deze processen. Ook dat zijn nog witte raven. Dat kan ‘preventief’ mee opgenomen worden door reguliere opleidingen. Zij moeten zorgen dat de sociaal assistenten en opvoeders voorbereid zijn op wat komt. Het gaat dan vooral om respect voor eenieder. De omgang met een collega die ervaringsdeskundig opgeleid is moet op datzelfde respect berusten. De finaliteit is dezelfde, maar niet de af te leggen weg, want die is nog moeilijker. Dat bleek uit een project in ons derde jaar over de vooroordelen en weerstanden die bij deze ‘collegialiteit’ komt kijken.’

    VOLWAARDIGE TEWERKSTELLING OF NIETS ?

    Concurrentiele arbeidsvoorwaarden

    Eric Windey benadrukt dat er nu al veel geleerd wordt van de ervaringen in de stageplaatsen. ‘Die mensen denken al na over volwaardige tewerkstelling: Zou dit een goede plek zijn om te werken? Is onze organisatie daar geschikt voor? Als je uitgaat van gelijkwaardigheid in een organisatie dan moeten de mensen hetzelfde betaald worden voor hetzelfde werk. We moeten daar niet sentimenteel over doen: het gaat dan voluit om arbeidsplaatsen. Als opleiding met tewerkstellingsperspectief hebben wij iemand aangezocht om daar expliciet mee bezig te zijn.’
    Ludo Fret: ‘Er is het organisatiebeleid, dat via de stages al beïnvloed kan worden. Maar er is ook de maatschappelijke context van een hoe dan ook concurrentiële arbeidsmarkt. Ook het tewerkstellingsbeleid in de social profit is daardoor getekend. Dat betekent dat ook opgeleide ervaringsdeskundigen bij sollicitaties zullen moeten concurreren met andere opgeleiden. Of verwacht men een vorm van positieve discriminatie en gaat het dan toch eerder om een tewerkstelling van ‘para-professionals’ in een bijzonder statuut?’
    Luc Jaminé wil daar als coördinator van het Verbond Sociale Ondernemingen – bekend als de pluralistische werkgeversorganisatie van social profit ondernemingen – bijzonder duidelijk in zijn. In al de sectoren die hiervoor in aanmerking komen zijn al de werkgevers ‘ondernemers’ met een eigen rationaliteit. Niet winstmaximalisatie - zoals in de profitsector - maar het bieden van een goede dienst- en hulpverlening staat voorop. Vroeger was dat in sommige voorzieningen: de bedden volleggen en de dagprijs incasseren. Nu streeft het management ernaar een kwaliteitsvolle en aangepaste dienst- en hulpverlening te waarborgen. In de diepte betekent dat: missing links dichten, de doelgroepen beter bereiken, interculturaliseren, … De implementatie van het kwaliteitsdecreet drukt de welzijnsmanagers nu al met de neus op de feiten. Basisorganisaties - zoals De Cirkel - kunnen bijkomende impulsen geven aan de voorzieningen. Gebruikers kunnen bij de overheid aandringen op betere randvoorwaarden voor klantvriendelijkheid of voor ‘respect voor de gebruikers’. Maar de organisaties zijn met handen en voeten gebonden aan subsidies. Als de overheid die niet verruimt kunnen we het schudden.’

    Ludo Fret: ‘Net als in Kind en Gezin zal de overheid dus op één of andere manier ‘incentives voor de tewerkstelling van ervaringsdeskundigen’ moeten geven om dat marktmechanisme te corrigeren. Want de arbeidsmarkt is ook hier onverbiddelijk: de beste wordt aangeworven omdat de voorzieningen nu eenmaal een verantwoord personeelsbeleid moeten voeren.’
    Luc Jaminé: ‘Als je tewerkstelling wil, dan moeten opleiding en aanbod compatibel zijn met wat voorzieningen nodig hebben. Men is tevreden met wat op dat moment in het kraam past van het team. Het kan dus dat een ervaringsdeskundige – alleen al omwille van de naam – daarvoor niet prioritair is. Om dat team dan toch tot een niet prioritaire keuze te verleiden zal nog veel ‘diversiteitsbeleid’ nodig zijn. En als men op directieniveau of op het niveau van de inrichtende macht niet overtuigd is, ga je helemaal een verloren strijd aan. Je moet mensen hebben die daar voor open staan. Respect is daarin heel belangrijk. Ik merk in teams soms een gemeenschappelijke mens- en maatschappijvisie, gebaseerd op het uitsluiten van sociale ongelijkheid. Als een team die spirit meeheeft, volgt de rest allicht iets gemakkelijker. Want de klippen in het personeelsbeleid zijn talrijk. De mensen moeten in onze sectoren tewerkgesteld worden volgens de vigerende barema’s. Je kan iemand niet zomaar bevoordelen. Als iemand een A3-diploma heeft, zal die betaald worden volgens dat barema. Er zal bovendien een meer geïndividualiseerd personeelsbeleid gevoerd moeten worden. Dat betekent dat je meer ruimte laat voor het individuele levenstraject van elke werknemer, ook als dat niet meteen compatibel is met de noden van je voorziening.’

    Ludo Fret: ‘Zie je heil in één of ander bijzonder tewerkstellingsstatuut om de zaken voorlopig vooruit te helpen?.’
    Luc Jaminé: We mogen onder geen beding in de val trappen van een uitzonderingsstatuut voor ‘de ervaringsdeskundige die in ons team een meerwaarde zal creëren’. Dat wreekt zich vroeg of laat. Je moet gaan voor een volwaardige tewerkstelling, hoe moeilijk dat ook is. Er moet een wisselwerking op gang komen waarin het team ook bereid is te leren van cliënten en van ervaringsdeskundige collega’s. Men moet er uiteindelijk in willen investeren. Maar vanuit het VSO kan ik op korte termijn alleen maar voor veel realisme en geduld pleiten. Men mag geen mensen dumpen in organisaties die er niet klaar voor zijn. De weg is dus nog lang en als je met opleiding bezig bent is het zeker niet te vroeg om over werkplaatsen na te denken.’
    Diane Moras: ‘Maar het is toch typisch voor ervaringsdeskundigen dat ze een complementaire functie hebben. Ze zullen naast een collega hulpverlener / opbouwwerker of vormingswerker een specifieke functie krijgen.’
    Luc Jaminé: ‘Toch pleit ik voor aanwerving van elk personeelslid in een regulier statuut zoals voorzien in de wettelijke barema’s. En een goede voorziening programmeert voor elk personeelslid geïndividualiseerd ook vorming en opleiding, aangepast aan die bepaalde persoon. Dat moet gedragen zijn door het team. Het stelsel van educatief verlof geeft daar mogelijkheden voor mét vergoeding ook voor de werkgever.’

    Lerende organisaties

    Ludo Serrien vindt ook dat de moeilijke weg de enig mogelijke is, willen we niet in een nieuwe vorm van bevoogding tuimelen: ‘Aan een diversiteitsbeleid moet daarom de idee van de ‘lerende organisatie’ gekoppeld worden. In Kind en Gezin heeft de overheid ook ruimte gemaakt om te leren. Daardoor kan men anders gaan kijken naar competenties. Wij zijn die blind gaan vastpinnen aan diploma’s en formele functies, zonder rekening te houden met de levenservaring die mensen opgebouwd hebben. Dat geldt voor iedereen, niet enkel voor ervaringsdeskundigen. Competenties die vanuit levenservaring zijn opgebouwd kunnen een belangrijke rol spelen in een dienstverlenende organisatie. We moeten die eerst ‘benoemen’ én appreciëren. We hebben dat in het algemeen welzijnswerk ervaren in het holebiproject. In de centra waar de seksuele geaardheid van hulpverleners bespreekbaar was, werd plots veel ervaringsdeskundigheid opengebroken. Dat hoeft niet uitsluitend in een opleiding of een getuigschrift vertaald te worden. Het is eerder een kwestie van openheid en respect en van de bereidheid om te leren.’
    Toon Walschap repliceert vanuit De Link: ‘De kans is reëel dat je in een team holebi’s aantreft, veel minder groot dat daar kansarmen in zitten. Ook qua vooropleiding en diploma is er nu eenmaal een groot verschil. Armen hebben daarom de ‘eerstekans’ van onze opleiding nodig. Het zijn niet de ervaringsdeskundigen die de missing links moeten oplossen, maar het klopt dat hun aanwezigheid een aansporing kan zijn om eraan te beginnen. De organisaties waar onze mensen nu stages doen zijn daarin pioniers. Voorlopig is er dus zeker geen behoefte aan een regulier systeem voor de vijftien à twintig mensen die binnen twee jaar zullen afstuderen. Laat ons voorlopig maar ruimte maken voor experiment, o.m. ook met de tandemformule in de hulpverlening. In die formule kunnen ervaringsdeskundigen misschien best eerst worden aangeworven. We zouden ook kunnen werken met regionale ‘pools’ van ervaringsdeskundigen, georganiseerd door een steunpunt voor ervaringsdeskundigen.

    Sultan Balli: ‘Met ‘pools’ hebben de interculturele bemiddelaars slechte ervaringen. Want zelfs in de integratiesector zelf worden ternauwernood allochtonen tewerkgesteld. Pools werken dus contraproductief. In het begin werd er ook daar gesproken over een te introduceren ‘methodiek’, terwijl het over zoveel meer gaat, nl. de bereidheid mensen volwaardig werk te geven. Als je een opleiding organiseert moeten de randvoorwaarden daarvoor ook in orde zijn, anders wordt je in je pools vastgezogen.’
    Ludo Fret: ‘Een verklaring kan ook zijn dat de allochtonen liever niet professioneel willen ‘werken’ rond hun eigen integratieproblematiek. Misschien worden armen dat ook snel beu.’
    Sultan Balli: ‘Ik heb vanuit mijn eigen ervaringen veel respect voor ervaringsdeskundigen, maar ik wens niemand toe om daarop vastgeprikt te worden. Ik had inderdaad het geluk een reguliere opleiding te kunnen volgen. Ik word sindsdien niet meer voorgesteld als de bekende ervaringsdeskundige, maar als psychologe van Turkse afkomst. En dan nog blijf je altijd geconfronteerd met je culturele afkomst, moet je meer in je spiegel kijken en je gedrag kunnen verantwoorden. Ik blijf erbij dat die missing link vanaf de juiste oever moet overbrugd worden. Als je de armen daarvoor inzet moet je opletten dat je geen slachtoffers maakt. Want een groot deel van de interculturele bemiddelaars zijn slachtoffer geworden van hun inzet. Mijn zus is ervaringsdeskundige in de integratiesector, waar veel minder ‘gezocht’ wordt dan in Kind en Gezin. Er zijn heel weinig organisaties die voldoende inzicht en souplesse opbrengen om te ‘leren’. Je zal eerst aan de randvoorwaarden moeten sleutelen om de armen niet twee keer slachtoffer te maken van hun gebrekkige kansen. Met mensen experimenteer je niet! Ik heb er moeten mee leren leven dat ik in dienst word genomen als allochtoon. Ik kan dat niet van me afzetten. Als een ervaringsdeskundige arme zijn armoede ook niet meer van zich kan afzetten, dan zadel je die mensen op met een enorme verantwoordelijkheid. Daarom sta ik zo kritisch tegenover een opleiding die geen perspectieven geeft op emancipatie uit je noodlot. Sta dus aub eerst stil bij de randvoorwaarden voor een emanciperende tewerkstelling.

    Pools van zelforganisatie

    Toon Walschap: ‘Het is niet onze bedoeling om de mensen na de opleiding ergens te droppen. Als we zover komen dat de opleiding en de tewerkstelling regulier wordt, dan hoeven de pools misschien ook niet meer.’
    Sultan Balli: ‘Die pools gaan een regularisering in de weg staan. De organisaties gaan ze gebruiken wanneer ze denken dat zij ze nodig hebben, net als de interculturele bemiddelaars. Een pool wordt een excuustruus voor de reguliere sector. Als alibi halen ze een allochtoon binnen voor één of ander project. En als dat afgelopen is wordt ze gedumpt. Een volwaardig statuut moet meteen de eis zijn. Dat betekent dat je ook echt deel uitmaakt van een team en dat je verder mee aan de randvoorwaarden voor een goed personeelsbeleid kan werken.’
    Brie De Veirman: ‘Pools zijn misschien geen goede weg naar volwaardige tewerkstelling. Maar ze zijn wel geschikt als je ervaringsdeskundigen inzet vanuit de basiswerkingen. De pools kunnen dan het groeiproces van de ervaringsdeskundigen ondersteunen zoals dat destijds in De Cirkel gebeurde. Maar je zit dan allicht op een para-professioneel spoor.’
    Diane Moras: ‘En zelfs dan leg je nog een zware last op hun rug. Ze krijgen vanuit de pool een tijdelijke opdracht in een instelling of in een organisatie, maar ze krijgen via de pool van de doelgroep een andere opdracht mee.’
    Ludo Fret: ‘Nederlands onderzoek naar de paraprofessionele inzet van ervaringsdeskundigen wees uit dat zij moeten kunnen terugvallen op de voeding van basisorganisaties of van andere dienstverlenende organisaties om hun betekenis niet te verliezen. Moeten we ook niet nadenken over de betekenis van opgeleide ervaringsdeskundigen voor de basiswerkingen en verenigingen van de armen zelf?’

    Diane Moras: ‘Alle mensen die de opleiding volgen of al ervaringsdeskundig zijn komen uit een basisorganisatie. Die link en die waardevolle inbreng van onderuit lijkt voorlopig dus gewaarborgd. Of dat noodzakelijk blijft hangt af van het tewerkstellingsperspectief.’
    Luc Jaminé: ‘Vanuit de rationaliteit van het ondernemerschap is al wat kan bijdragen tot het beter functioneren van een werknemer mooi meegenomen. Het zou kunnen dat zo’n zelforganisatie het beste kader biedt. Maar als het om een volwaardig werknemer gaat zou ik dat niet als verplichting opleggen om die persoon niet vast te pinnen op de link met armoede.’
    Ludo Fret: ‘De vraag was niet of dit moest opgelegd worden, wél of de opleiding van ervaringsdeskundigen ook betekenisvol kan zijn voor de zelforganisatie van de armen. Kunnen ervaringsdeskundigen de nu soms zwak omkaderde basiswerkingen versterken? Of moeten ze de eigen organisaties of verenigingen kunnen loslaten en hun eigen carrière uitbouwen?’
    An Sprangers: ‘Het gevaar is dat je weer gaat redeneren vanuit de organisatienood – deze keer van zelforganisatie - en niet vanuit de nood van de ervaringsdeskundige. Voor mij is de juiste vraag: hoe behouden zij zelf hun dynamiek in de methodiekontwikkeling? Hetzelfde geldt voor mij als opgeleide maatschappelijk werker. Ook ik moet voeling houden met mijn beroep en mijn opleiding.’
    Sultan Balli: ‘Ik zie dat eerder functioneel. Elke welzijnsorganisatie moet in contact blijven met de doelgroep en met verschillende organisaties van de doelgroep. Dat moet niet alleen via de ervaringsdeskundige gebeuren.’
    Diane Moras: ‘Ik denk wel dat veel mensen in de verenigingen zin zullen krijgen om een stap verder te zetten en om vandaar naar één of andere opleiding te gaan. De basisorganisatie speelt een rol in die bewustwording en kan een springplank zijn naar de opleiding.’
    Mieke Vercaeren: ‘Er zouden vanuit de basiswerkingen vormingspakketten en -trajecten kunnen uitgewerkt worden om de groeikansen van ervaringsdeskundigen op langere termijn – ook na de opleiding - groter te maken.’

    Ludo Serrien: Het lijkt me nogal evident dat ervaringsdeskundigen ook een rol kunnen spelen in de uitbouw van de zelforganisaties en dat die voeling hen ook een blijvende voeding kan geven. Ze zouden ook de beleidsparticipatie van de zelforganisaties kunnen versterken. De Cirkel heeft haar ervaringsdeskundigheid toch heel sterk vanuit die drukke beleidsparticipatie ontwikkeld, denk maar aan de VICA-werkgroepen.
    Toon Walschap: ‘Beleidsparticipatie is één van de mogelijkheden na de opleiding, maar de kerndoelstelling is het verruimen van de eigen ervaring. En dat is ook het doel van de zelforganisatie. Er is dus niet toevallig een parallel tussen de opleiding en de vorming in de verenigingen. Om hun deskundigheid te ontwikkelen voegen wij er theoretische vakken aan toe. Maar het is zeker niet de bedoeling dat opgeleide ervaringsdeskundigen de verenigingen overnemen.’
    Diane Moras: ‘Een ervaringsdeskundige is voor mij een tolk die vooral actief kan zijn in de hulpverlening. Een ervaringsdeskundige heeft daarom al wat afstand genomen van zijn eigen ervaringen, heeft die verwerkt. In de verenigingen is dat niet zo. Daar proberen we in functie van beleidsvoorstellen de armoedesituaties goed in te schatten om ze te kunnen veranderen. Dan is groepswerk heel belangrijk. In die groep kan een ervaringsdeskundige eventueel een rol spelen. Maar het materiaal komt uit de groep. Een ervaringsdeskundige heeft alleen zijn eigen verhaal te vertellen, en dat kan al een tijd gepasseerd zijn.’
    Brie De Veirman: ‘Dat kan dan ook in de vereniging omschreven worden als een functie: een ervaringsdeskundige kan op basis van haar persoonlijke ontwikkeling mee het groepsproces sturen en mee de vertaler zijn van de noden die daar aan de oppervlakte komen. Zij is dan als ‘vormgeefster’ in dienst van die organisatie, niet als orakel.’

    Of toch ook para ‘s inzetten ?

    An Sprangers: ‘Als ik dit hoor dan is mijn conclusie dat alle ervaringsdeskundigheid toch niet in volwaardige tewerkstelling moet vertaald worden. Er kunnen door ervaringsdeskundigen functies opgenomen worden buiten de social profit organisaties. Als een pool daarvoor niet de goede vorm is, dan maar in andere vorm, aangepast aan de nood en de functie: vrijwillig of betaald, voltijds of deeltijds, maar wel aan goede voorwaarden zoals elders. Neem het voorbeeld van de bemiddelingscommissie van bijzondere jeugdzorg: in die werksetting kan het zeer zinvol zijn om ervaringsdeskundigen in te schakelen om bijvoorbeeld een bespreking van bemiddelingssituaties met kansarme gezinnen te ondersteunen in functie van het afstemmen van deze werking op kansarme gezinnen bijvoorbeeld. Je kan dit een soort supervisie noemen. Dergelijke inzet kan zeer belangrijk zijn, maar is moeilijk te organiseren, te reglementeren omdat dit geen constante nood is. En toch moet in tewerkstelling voorzien zijn dat dergelijke initiatieven kunnen.’
    Sultan Balli: ‘Een ervaringsdeskundige die supervisie gaat geven aan een team, waarvan zij zelfs de werking niet dagdagelijks meemaakt, dat kan toch niet. Daar is een gedegen opleiding voor nodig. Dat is geen spek voor de bek van ervaringsdeskundigen. Wat moet die persoon in dat team gaan vertellen? Verklaren waarom de meisjes een hoofddoek dragen? Of gaat zij daar echt een casus bespreken en haar visie confronteren met de manier waarop de hulpverleners de zaak bekijken. Daar zal de opleiding van ervaringsdeskundigen wel niet op berekend zijn. Je ziet dat we voorzichtig moeten zijn met die vage tewerkstellingsdromen.’
    Rudy De Cock: ‘Hoe je die functies omschrijft, hoe je dat gaat organiseren en vooral hoe je dat aan het andere professionele personeel verkocht krijgt, dat baart me nu precies zorgen. Dat zijn ook de vragen die een organisatie zich eerst moet stellen als ze overweegt om ervaringsdeskundigen in te schakelen.’
    Ludo Fret: ‘Juist die soms te hoge eisen en de lange preparatietijd – zegde An daarnet - zouden ons kunnen doen overwegen om ervaringsdeskundigen ook - met een meer beperkte opdracht - in te schakelen in lossere, tijdelijke verbanden. Wel eerlijk betaald maar niet in een vast kader. Vandaar als laatste vraag en met het oog op een kort antwoord: Is dat ‘para-professionele spoor’ een aanvaardbare piste? Wie wil het laatste woord?’

    Ludo Serrien: ‘Een poging daartoe: Is die inzet van para’s niet in tegenspraak met de unanieme optie van daarstraks om voluit te gaan voor een volwaardige tewerkstelling van ervaringsdeskundigen, en anders niets?’
    Toon Walschap: ‘Tweede poging: Toch is het nuttig rond te kijken hoe ervaringsdeskundigen nog op andere wijzen eerlijk kunnen ingeschakeld worden. Misschien is pooling delicaat, maar we weten toch ook dat heel wat welzijnsorganisaties geregeld uitleg en duiding vragen over armoedebeleving. Vroeger klopten ze bij De Cirkel aan, nu bij De Link. Het gaat niet om vorming in de volle betekenis, maar om kortlopende getuigenissen, waarvoor de tandemformule nuttig blijkt. We moeten verder uitzoeken hoe de negatieve effecten vermeden kunnen worden. Want het mag de uiteindelijke doelstellingen van tewerkstelling niet in diskrediet brengen.’
    Diane Moras: ‘Derde keer, goede keer, hoop ik. Er is ook niet echt doorgepraat over de inzet van mensen die zonder een opleiding toch als ervaringsdeskundige werken. Het kan niet de bedoeling zijn dat te verhinderen of te verbieden. De verenigingen en basiswerkingen van de armen zijn nu al een vertrekbasis voor die kortlopende inzet van allerlei vrijwillige of para-achtige ervaringsdeskundigen. We zullen daar op een ander moment nog ‘s uitdrukkelijker moeten op terugkomen. En er zijn dan ook nog de vele ervaringsdeskundigen die op het terrein – ‘in-service’ als je wil - een opleiding of training krijgen. Dat gebeurt met vallen en opstaan in basiswerkingen Antwerpen, Gent en Turnhout. Ook dat leidt voor hen tot een beter bewustzijn van hun ‘ervaringsdeskundigheid’. Die ‘lelijke term’ is dus niet alleen beschoren aan de relatief kleine groep die nu een meer volwaardige opleiding mag volgen. En laat ons tenslotte – want dit is het laatste woord – ook niet vergeten dat ook een al dan niet opgeleide ervaringsdeskundige meer kan dan alles vanuit één perspectief te bekijken. Bij ons werken zij samen in één project en zetten ze zeer uiteenlopende mogelijkheden in. ‘t Is niet omdat iemand als ervaringsdeskundige is binnengekomen, dat die niks anders kan doen of altijd in tandem moet optreden.’

    Toon Walschap deed nog een poging iets te zeggen over de opleiding zelf maar werd met volgende uitsmijter verwezen naar later: ‘Niets is zo rijk aan diversiteit, als deze verwerkte ervaringsdeskundigheid.’

    Het rondetafelgesprek werd alert verwerkt door Ludo Fret en Gaby Goris, die oprecht dankbaar zijn voor de klare taal van alle deelnemers en voor de hartelijke sfeer van hun gesprek.

    Terug naar het begin van de pagina
     

    Mieke Vercaeren & Ludo Fret: VAN IDEE TOT METHODIEK - Ontwikkeling van ervaringsdeskundigheid in een basiswerking

    Armen mogen als opgeleide en tewerkgestelde ervaringsdeskundigen inzake armoede niet professioneel bevroren worden in de afhankelijke situatie waaruit ze precies willen emanciperen. Ze zouden dan professioneel in een ‘armoedeval’ trappen’.

    We leiden het rondetafelgesprek over de inzetbaarheid van ervaringsdeskundigen in met een aantal bedenkingen over de werking en de organisatie van armoedeverenigingen, omdat de methodiek van het ‘werken met ervaringsdeskundigen’ in dat kader ontwikkeld werd. Vooral de ervaringen in de recent ontbonden vzw De Cirkel waren inspirerend. De Cirkel zal bekend blijven als de organisatie die ons tien jaar lang leerde werken met ervaringsdeskundigen om de ‘missing link’ te overbruggen. Het was de bedoeling van ALERT deze ‘geestelijke erfenis’ mee te bewaren. Eén van de auteurs van deze tekst zondigde daarmee voor het eerst – en nog wat onwennig – tegen het door De Cirkel geheiligde tandemprincipe. Dat schrijft voor dat al de bedenkingen over armoedebestrijding telkens geformuleerd worden door én een ‘opgeleide’ medewerker én een ‘ervaringsdeskundige’ arme. Het loslaten van dat geprezen principe bleek op zich al betekenisvol. Het sterkte ons in de overtuiging dat de evolutie van een idee tot een methodiek en de perspectieven van een specifieke opleiding en beroepsfunctie verduidelijkt kunnen worden door de organisatie- en werkontwikkeling in De Cirkel. Hun ervaringen kunnen leerrijk zijn voor alle verenigingen en basisorganisaties van de armen. Beschouw ze daarom maar als aanbevelingen, die meteen ook nuttig kunnen zijn voor de beleidsvoorbereiding op een kaderdecreet voor de armoedebestrijding in Vlaanderen.

    Integraal engagement

    De ‘missie’ van de Cirkel is steeds gebaseerd geweest op een integrale benadering van de armoedeproblematiek. Elke actie vertrok steevast vanuit de beleving van de armen zelf, hun ‘roots’, hun herinneringen, hun strijd om te (over)leven. Alles werd gekleurd door hun verzuchtingen, zowel de intensieve gezinsbegeleidingen als het doorgedreven actieonderzoek. Na verloop van tijd werd die ‘aarding’ vooral verzekerd door de oprichting en ondersteuning van de gezinnengroep ‘De Barst’. Vanuit dat contact met arme gezinnen kwam een permanente zoektocht op gang naar structurele oplossingen. Ook de armen deden daarin nieuwe ervaringen op, in het bijzonder diegenen die opgenomen werden in het team van De Cirkel. Zo ondervonden we dat precies die combinatie van oude en nieuwe ervaringen hen ‘ervaringsdeskundig’ maakte. Door hun steeds grotere inbreng gingen we spreken van ‘ervaringsdeskundigen’ met een eigen ‘expertise’. Zij zorgden voor meer gedurfde voorstellen op heel wat terreinen. Het succes daarvan bleef ook extern niet onopgemerkt. De Cirkel werd spoedig overstelpt met vragen naar getuigenissen, vorming, consult, zelfs supervisie en teambegeleiding, ondersteuning in onderzoeksprojecten, beleidsadvisering, … Dat zorgde voor snelle resultaten en een druk bezet team.

    Er was naar verhouding heel wat minder aandacht voor de interne structurering en de bestuurlijke randvoorwaarden. Pas na geruime tijd – en naar later bleek iets te laat - deden de terugkerende interne spanningen en conflicten de idee rijpen om de Cirkel niet alleen qua ideeën, maar ook organisatorisch beter te onderbouwen. De strategische discussie over de missie, doelstellingen, activiteiten én management van de organisatie moest uiteindelijk op de agenda komen. Daarmee kwamen we echter in botsing met de vrije en actiegerichte aanpak van de te lang gerekte pioniersfase. De keuzes waren lange tijd gebaseerd geweest op het inzicht en het informele gezag van enkele mensen, zowel ervaringsdeskundige armen als andere begeesterde pioniers. Dat was tot de cultuur van deze organisatie gaan behoren. Ze werd niet in vraag gesteld in het team, omdat de keuzes steeds manifest uitgingen van de wil van de armen en dus door hen onvoorwaardelijk gesteund en bevestigd werden. Daarom duurde het (te) lang eer het besef doordrong dat een organisatie ook professioneel management nodig heeft en een groter team duidelijke afspraken. Dat het steeds grotere werkpakket een meer gestructureerd overleg vereiste, een betere werkplanning en taakverdeling, een zorgvuldiger bestuur. Dat de acute nood van de armen niet het enige aandachtspunt kon zijn.

    Realistische randvoorwaarden

    Achteraf kunnen we ons de vraag stellen of we de gezinnen van De Barst niet duidelijker hadden moeten confronteren met die nood aan een realistisch (tijds)management van de teamwerking. Onder druk van het tomeloze engagement werd de aandacht voor de randvoorwaarden te lang uitgesteld. Er was daarom tijd nodig om in het team en het bestuur de batterijen terug op te laden. Maar die bleken intussen niet meer voldoende oplaadbaar om aan de vraag van de armen te beantwoorden. Communicatie daarover lag moeilijk omdat de uitputtingsslag al tot interne kortsluitingen en ‘missing links’ had geleid. Bovendien lieten een vast subsidiekader en een ruimer subsidiebedrag op zich wachten. De projectsubsidies werden meer gekoppeld aan intensieve samenwerkingsverbanden en aan resultaten. De armen begrepen niet altijd dat de keuzevrijheid en de improvisatieruimte kleiner werden. De inbreng van de armen was zo ver doorgedreven dat de professionele ruimte om met die externe vereisten om te gaan te klein was geworden. Dat wekte de indruk dat de sturing door de gezinnengroep de Barst ook betwist werd door het team. Het evenwicht was zoek en moeilijk herstelbaar.

    De mensen van De Barst vonden dat ze hun inspraak verloren. Het team raakte daarover verdeeld. Sommige ervaringsdeskundigen in het team konden zich niet neerleggen bij de gewijzigde beleidsvoorwaarden. De ‘opgeleide’ medewerkers zaten met de handen in het haar omdat de cultuur van de organisatie hen weinig ‘professionele ruimte’ liet. Zij voelden zich geklemd tussen de te halen projectresultaten en de morele hoop om voluit met de gezinnen te kunnen ageren voor een meer rechtvaardige samenleving. De onvermijdelijke opdracht om - ter wille van de draagkracht van al dat engagement - De Cirkel ook als organisatie steviger te verankeren rijmde voor hen niet (meer) met de optie om de armen te ondersteunen in de door hen zelf gekozen acties. Er was onmerkbaar een eigen ‘missing link’ gelaten tussen de geëngageerde ervaringsdeskundigheid en het professionele management. De Cirkel was rond en het tij ook voor de nieuwe bestuurders nog moeilijk te keren, spijts de grote bereidheid van de teamleden. Dat de moeilijke communicatie tussen de opgeleide en de ervaringdeskundige medewerkers ernstige gevolgen kan hebben moet betekenisvol zijn bij de ruimere inzet van ervaringsdeskundigen.

    Zelforganisatie versterken

    Voor die communicatie tussen beweging en management moet er ook in de zelforganisatie voldoende ruimte zijn. De basiswerkingen voor armen ervaren nog steeds dat de gestrengheid van de (centrale) overheid groter is dan gulheid van hun subsidie. De hele omkadering van de zelforganisatie van de armen is nog steeds schrijnend onvoldoende. Er is gewoon te weinig ruimte voor een geduldige begeleiding van mensen naar ervaringsdeskundigheid. En er zijn ook geen middelen om de opgebouwde deskundigheid ook voor de werking te blijven benutten. De oorzaken van sociale uitsluiting bereiken daardoor vaak onvoldoende de beleidsverantwoordelijken, terwijl effecten van het Algemeen Verslag zo stilaan dreigen uitgeput te raken. Er wordt gewoekerd met de krachten van de te schaarse professionele en ervaringsdeskundige medewerkers om deze methodiek van werken goed te kunnen implementeren door mensen te sensibiliseren, veranderingsprocessen te begeleiden, opleiding en tewerkstelling van ervaringsdeskundigen te stofferen. Er is te weinig beleidsaandacht voor de randvoorwaarden waaronder basiswerkingen zoals De Cirkel hun emancipatiewerk moeten doen. De methodiek die ze zelf ontwikkelden wordt op die manier voor hen zelf onbruikbaar.

    Ook het externe management van deze organisaties lijdt daaronder. Dat de verenigingen van de armen onderling zo vaak in verdeelde slagorde opereren hoeft in deze context geen verwondering te wekken. Er is onvoldoende ruimte in de teams om de projecten grondig door te praten en ze af te stemmen op die van andere organisaties. De gezamenlijke visie- en netwerkontwikkeling moet wel te wensen overlaten. Het wedervaren van De Cirkel zou een signaal kunnen zijn om de zelforganisatie meer ademruimte te geven. Want telkens opnieuw beginnen is hoe dan ook verspilling van geld en energie. Naast de verbetering van de werkingsvoorwaarden moet ook werk gemaakt van de omkadering van deze basiswerkingen met ‘opbouwwerkers’. Met hun steun zou de zelforganisatie – van de armen e.a. bevolkingsgroepen - een stuwende kracht kunnen zijn in de lokale samenlevingsopbouw. Een armoedebeleid dat de zelforganisatie ernstig neemt kan soelaas brengen, omdat de inspiratie dan aanwezig blijft, m.n. de verbondenheid van de mensen die de armoede van binnenuit kennen, hun gezamenlijke gemis aan kansen, de ervaring van onrecht die hen de draagkracht geeft om veranderingen te eisen. Zelforganisatie is ervaringdeskundigheid in collectieve vorm.

    Collectieve én individuele impulsen

    Naast de collectieve emancipatie moet ook de individuele ‘empowerment’ ruimte krijgen. De ontwikkeling van ‘ervaringsdeskundigen’ in het kader van de basiswerkingen geeft een goede ‘methodische’ weg aan. Hun samenwerking op basis van ‘gelijkwaardigheid’ met professionele vormings- en welzijnswerkers kan vruchtbaar zijn. In De Cirkel evolueerde men op die basis van een anti- naar een a-professionele opstelling. Ervaringsdeskundigen kunnen net als andere vrijwilligers de a-professionele ruimte in een organisatie vergroten. Dat kan een eerste stap zijn naar het inbouwen van meer diversiteit. De ervaring leerde trouwens dat de overtuiging van ‘het grote gelijk’ geen monopolie hoeft te zijn van de professionelen. Ook armen kunnen zich op basis van hun ervaringsdeskundigheid ‘bevoogdend’ gaan gedragen tegenover opgeleide collega’s. We moeten die mechanismen aan beide zijden bloot durven leggen. Omgaan met de mogelijkheden en beperkingen van zowel ervaringsdeskundigen als professionelen impliceert ‘neen’ kunnen zeggen tegen ieders onhebbelijkheden, en assertief , maar bescheiden kunnen opkomen voor je eigen mening. Zoniet dreigt ontvoogding opnieuw in een nieuwe vorm van bevoogding te verkeren.

    Het is door de inzet van ervaringsdeskundigen te verruimen van een vrijwillig naar een ‘para-professioneel’ statuut dat deze processen van bevoogding en ontvoogding in de samenwerking duidelijker aan de oppervlakte kwamen. We hadden die in De Cirkel duidelijker moeten verwoorden, omdat die ruimte voor wederzijdse kritiek ook wezenlijk is voor de tandemidee, die De Cirkel zo dierbaar was. Het team heeft dat concept van een tandemoptreden van ervaringsdeskundigen en professionelen ontwikkeld tot een methodiek van ‘werken met ervaringsdeskundigen’. De samenwerking met mensen die de armoede dagelijks ervaren werd vertaald in een complementariteit, die op heel wat externe vormingsmomenten zijn vruchten afwierp. Ook voor de zelforganisatie van de armen was de meerwaarde duidelijk. De tandems kunnen daar ruimte scheppen voor het analyseren van het groeiproces van de armen en voor de verdere verfijning van hun ervaringsdeskundigheid. De hoop om op die manier de armen greep te kunnen geven op hun eigen leven maakte heel wat mensen enthousiast. Door dat enthousiasme wilden sommige teamleden dit ‘werken met ervaringsdeskundigen’ op korte termijn ook in het welzijnswerk en het beleidswerk toepasbaar maken. Het valoriseren van het tandemconcept als organisatieprincipe voor de basiswerkingen ter bestrijding van de armoede kreeg daardoor allicht te weinig aandacht.

    Para-professionele marges

    Door een doorgedreven professionalisering zou de tandemmethodiek ‘ontvreemd’ kunnen worden aan de zelforganisatie. Er zou ook ruimte moeten blijven voor een ‘para-professionele’ inzet. Carmen Keune deed daar in Nederland onderzoek naar. Het gaat daar (ook) om buurtmoeders of buurtcontactvrouwen (opvoedingsondersteuning), jongerenwerkers (samenlevingsopbouw) en gezondheidsvoorlichters, … die geen formele opleiding kregen, maar wel betaald werk verrichten en vanuit hun ervaring dicht bij de doelgroep staan. Ze worden ingezet om de doelgroep beter te bereiken, om de dienstverlening te verbeteren, om meer (multiculturele) diversiteit in de instellingen te brengen, om de emancipatie van hun doelgroep te bevorderen, en tenslotte om de betrokken para’s zelf ontwikkelingskansen te geven. Uit hun onderzoek blijkt ook dat de doelstelling verschilt naargelang de positie die men inneemt: de overheid wil vooral een beter bereik van moeilijk bereikbare groepen aan minimale kost, de instellingen willen graag meer diversiteit in hun instelling in functie van een betere hulpverlening, de ervaringsdeskundige ‘paraprofessionals’ willen voor hun lotgenoten meer kansen op integratie en ook voor zichzelf reële kansen op een volwaardige emancipatie via hun arbeid.

    Er wordt in de Nederlandse onderzoeksresultaten bovendien op gewezen dat de noodzakelijke randvoorwaarden om de ervaringsdeskundigen behoorlijk in te zetten verschillen naargelang die specifieke doelstellingen. Als het gaat om een beter bereik van moeilijk bereikbare groepen dan zijn voldoende werktijd, doorzettingsvermogen en geduldige begeleiding belangrijk, overbelasting moet dan vermeden worden en er moet een persoonlijke relatie kunnen opgebouwd worden. Als het gaat om de kwaliteit van de hulpverlening of het vormingswerk, dan is een opleiding, tewerkstelling en structurele financiering noodzakelijk om een veilige werkomgeving te creëren en tandemwerk mogelijk te maken. Als het om de volwaardige emancipatie van de doelgroep gaat, dan moet de bottom up benadering gewaarborgd blijven, door de paraprofessionals een terugvalmogelijkheid te waarborgen op een netwerk van basiswerkingen, verenigingen of diensten in de regio. En gaat het tenslotte – last but not least en al dan niet uitgesproken – om de persoonlijke emancipatie van de ervaringsdeskundige, dan zal die terecht verwachten dat een traject van reguliere opleiding en tewerkstelling uiteindelijk ook voert naar volwaardige werkgelegenheid.

    Para en prof in tandem

    Het ‘paraprofessionele’ tandemmodel van De Cirkel voedde ook hier onderzoeksopdrachten. In samenwerking met het Hoger Instituut voor de Arbeid (HIVA) werden de opleidings- en tewerkstellingsmogelijkheden voor ervaringsdeskundigen verkend. Op die manier werd deze methodiek van zelfontplooiing en van zelforganisatie ook hier vertaald in een perspectief op tewerkstelling in nieuwe banen. De opleiding van ervaringsdeskundigen werd daarmee minder gekoppeld aan de begeleiding en de ontwikkeling van deskundigheid in de basiswerkingen zelf. In tegenstelling tot het para-professionele spoor in Nederland. De vernieuwende betekenis van het tandemconcept voor de basiswerkingen wordt daardoor te weinig verkend. Die wildwatervaart zou ook gevolgen kunnen hebben voor de individuele emancipatie van de ervaringsdeskundigen zelf. Hun ‘professionele’ opleiding in schools verband en buiten de eigen vertrouwde basiswerkingen berust op de hoge verwachting van een volwaardige tewerkstelling als ‘armoededeskundige’ in het vormings- en welzijnswerk. De ervaring in De Cirkel leerde nochtans dat hun inzet in professionele kaders bijzonder veel vergt van de betrokken armen. Eén van de sleutelelementen in elke schoolse opleiding – ook die van ‘professionele’ ervaringsdeskundigen - is hen ruimer te laten zien dan hun persoonlijke ervaringen. Paraprofessionele medewerkers kunnen als ‘getuigen’ dichter bij de eigen beleving en kracht blijven.

    Professionele welzijnswerkers moeten hun perspectief verbreden van hun persoonlijke miserie naar de inleving in die van anderen en verder naar de wortels van maatschappelijk onrecht. Om dat mogelijk te maken moeten formele criteria gerespecteerd worden: verwerking van emoties, vaardigheden, relativerende inzichten, kennis, … Als de opleiding ‘in service’ gebeurt moet daarbij meteen ook de complementariteit met de professionele werker aan bod komen. Herhaaldelijk bleek dat de neiging om uniforme criteria te hanteren risico’s inhoudt. Wat zijn indicatoren voor de individuele groei van beide partners? Welke weegschaal wordt gehanteerd voor het afwegen van machtsmisbruik? Waar ligt de kracht en de beperking van deze tandem? Welke criteria kunnen de partners hanteren bij hun zelfevaluatie? Wat zullen in andere contexten dan de basiswerkingen de aandachtspunten moeten zijn voor het organisatiebeleid? Hoe vermijden we een stigmatisering van armen in het tandemconcept als de opleiding zich oriënteert op een professionalisering van de ervaringsdeskundige als ‘arme’? De snelle overgang van geduldige begeleiding in de beschermende context van een basiswerking naar een meer schoolse opleiding en stage in een open werkmilieu laat nog heel wat vragen onbeantwoord. Daarom overwoog men in De Cirkel een overgangspiste: het aanleggen van ‘pools’ van ervaringsdeskundigen vanuit de basiswerkingen.

    Pools als tussenstap

    Welzijnsorganisaties zouden een beroep kunnen doen op regionale ‘pools’ van opgeleide ervaringsdeskundigen, die meteen ook voor de nodige steun en voeding zouden kunnen terugvallen op de (goed omkaderde) basiswerkingen. Zij zouden hen tijdelijk in dienst kunnen nemen en hun diensten tegen vergoeding aanbieden aan professionele welzijnsorganisaties. Het is het overwegen waard, want als de reguliere opleiding en stage voor meer mensen tot goede resultaten leiden, blijft het hoe dan ook de vraag of de kansen op tewerkstelling en loopbaanontwikkeling voor ervaringsdeskundigen ook reëel zullen worden. Zullen de ervaringsdeskundigen in het werkveld werk vinden en er de vertolkers kunnen blijven van de armoede, ook als ze die via hun reguliere tewerkstelling ontgroeid zijn? Hoe houden ze daar voeling mee en hoelang zullen ze dat zelf willen? Het is en blijft wat paradoxaal dat men zal moeten ‘tolereren’ dat mensen hun armoede-ervaring effectief loslaten en zelfs achter zich laten. Ze stappen dan over naar een andere functie of werkgever. Maar wat dan met hun werkzekerheid? Het effect op langere termijn van een ‘professionalisering’ is nog onduidelijk. In elk geval mag ze hun emancipatie uit de armoede niet in de weg staan.

    Armen mogen als opgeleide en tewerkgestelde ervaringsdeskundigen inzake armoede niet professioneel bevroren worden in de afhankelijke situatie waaruit ze precies willen emanciperen. Ze zouden dan professioneel in een ‘armoedeval’ trappen. Een tussentijdse organisatie van para-professionele pools zou wat meer bedenktijd kunnen geven, ook aan de potentiële werkgevers. Want in geval van een externe tewerkstelling zal ook de functie ‘professioneel’ geëvalueerd moeten worden op een aantal criteria. Welke beoordelingscriteria zullen de werkgevers daarvoor hanteren? Hoe consequent-functioneel mag die evaluatie zijn? De ervaring in De Cirkel leert dat het niet eenvoudig is om ‘erkende’ ervaringsdeskundigen zonder overbescherming of bevoogding te evalueren. Toch is dat bij een volwaardige tewerkstelling onvermijdelijk. Ook dat lijkt nogal paradoxaal: enerzijds moeten armen persoonlijk groeien om ervaringsdeskundig te kunnen worden, anderzijds kan precies die groei op wat langere termijn voor gevolg hebben dat ze die functie ‘ontgroeien’. De vraag wordt dan welke opleidingsprogramma’s toegankelijk zullen zijn om te kunnen doorgroeien naar andere functies. Kunnen zij op dat moment hun verleden, hun functie én hun job loslaten en hun eigen levenstraject verder zetten?

    De functieomschrijving

    Opvallend is dat bij de taakverdeling tussen professionele hulpverleners en paraprofessionele ervaringsdeskundigen vaak een rigide opsplitsing van functies wordt voorgesteld. Tegenover de levendige inbreng van gevoel, emotie en inleving bij de ervaringsdeskundige (arme) wordt van de professionele welzijnswerkers kennis, management en leiding verwacht. Het gevaar dat je op die manier een karikatuur tekent van ‘professionals’ is niet ver af. Ook de professionelen zijn mensen van vlees en bloed, ook zij hebben levenservaring. We hebben de indruk dat het ijverige zoeken naar een eigen identiteit tot enige overdrijving heeft geleid. Als men beide partijen daarin bevestigt lopen we het gevaar dat de sterker ontwikkelde inhoudelijke kracht van de ervaringsdeskundige voor de professionele hulpverlener een excuus kan worden om alle verantwoordelijkheid af te schuiven. Wie wordt dan verantwoordelijk gesteld voor de missing link en zou dat de kwaliteit van de zorg ten goede komen? Complementariteit moet gericht zijn op wederzijdse verrijking en niet op verstarring. Dat moet meteen verrekend worden in de teamontwikkeling met professionele welzijnswerkers en paraprofessionele ervaringsdeskundigen. De relatie moet constructief zijn om niet gekleurd te worden door wantrouwen. Een para is geen contra. De moeilijke relatie tussen het professionele integratiewerk en de paraprofessionele zelforganisatie van migranten is daar een spijtige illustratie van.

    Als we ervaringsdeskundigen betaald werk willen laten verrichten in een professioneel statuut, dan zullen de managers ook voor hen een eerlijk personeelsbeleid moeten voeren. Het zal allicht verleidelijk zijn om de ervaringsdeskundigen met allerlei voordelen in de watten te leggen, rekening houdend met hun vroegere achterstand op een aantal vlakken. Als dit niet weloverwogen gebeurt creëer je in de organisatie meteen een kloof tussen beide. Dat kan leiden tot wrevel bij andere personeelsleden, zelfs tot een ‘bevoogding’ in een nieuw kleedje. Waar ervaringsdeskundigen in dienst worden genomen zal duidelijk verwoord moeten worden hoe de organisatie zal omgaan met ‘verschillen’ in de ruimere betekenis van het woord: geslacht, leeftijd, leefsituatie, levenservaring, discipline, …. Toekomstige werkgevers doen er daarom goed aan de ervaringsdeskundige te benaderen zoals elke andere werknemer. Willen ze rekening houden met ieders sterke en zwakkere kansen, dan vraagt dat een visie op diversiteit. In het kader van een diversiteitsbeleid kunnen (ook) ervaringsdeskundigen ontbrekende schakels zijn en daarin precies gewaardeerd worden.

    Pluralisme en diversiteit

    Die ingebouwde diversiteit kan impulsen geven aan een beleid van gelijke kansen op alle niveaus: in de eigen verenigingen, in het welzijnswerk, in de beleidsvoorbereiding, … Vanuit zo’n ‘pluralistische’ visie erkennen we de eigen overtuiging en kracht – kortom de ervaringsdeskundigheid - van alle medewerkers: vrijwillige, paraprofessionele en professionele. Maar pinnen we daar ook niemand op vast. In een ruimere maatschappelijke context worden individualisering, dialoog en democratie niet toevallig de pijlers van dit diversiteitsbeleid genoemd. We formuleerden ze daarom tot slot ook als drie aanknopingspunten voor het rondetafelgesprek dat hierop volgt.

    Het team van De Cirkel heeft altijd bijzonder veel energie gestoken in het individuele groeiproces van alle betrokken mensen. Dat werd gekanaliseerd in de geduldige begeleiding van ‘ervaringsdeskundigen’. Ook in de meer formele opleiding zal het stimuleren van die ‘individualisering’ veel aandacht moeten krijgen. Er zal een afstemming bereikt moeten worden met de ontwikkeling van al die betrokken anderen, waarmee ervaringsdeskundigen tijdens stages en later in pools of in teamverband zullen samenwerken. Mensen kunnen individueel niet groeien in een omgeving die daar eigenlijk niet in meekan. De Cirkel was daar een tijdlang een goede biotoop voor. Andere ‘lerende’ organisaties zullen op langere termijn die ruimte moeten kunnen bieden voor ‘empowerment’.

    De Cirkel heeft spijts en dank zij de vele meningsverschillen een heel eigenzinnige methodiek ontwikkeld. Op basis van dialoog kan die methodiek ook in andere organisaties ingeplant worden. Een management van diversiteit kan daarvoor de nodige zuurstof toevoeren. Het veronderstelt een omgaan met weerstanden die er altijd zijn bij iets nieuws. Maar het geeft ook een meerwaarde aan de competenties van alle andere medewerkers. Het dwingt om te kijken naar de verschillen en de zinvolheid van die verschillen, o.m. tussen de arme en de niet-arme. Welke verschillen willen we gebruiken, welke verschillen vinden we niet relevant en willen we zelfs wegwerken. De kloof tussen arm en niet-arm kan één aangrijpingspunt zijn om deze visie te ontwikkelen.

    De methodiek ontgroeide als opleiding De Cirkel, maar moet als ‘functie’ niet helemaal vervreemden van de zelforganisatie. Er mag geen professioneel keurslijf van gemaakt worden. Tolken en ontschuldigen blijven in onze samenleving belangrijke opdrachten van alle mensen met armoede-ervaring. Niemand mag op die competenties vastgeprikt worden. Een rigide opdeling van taken en functies is niet alleen in organisaties, maar ook maatschappelijk contraproductief en weinig democratisch. Ervaringsdeskundigen moeten zich net als alle andere burgers op meerdere domeinen kunnen ontwikkelen. En hun inzet zou geen verdoken vorm van nieuwe uitsluiting mogen worden, al heet die dan insluiting of inburgering.

    Mieke Vercaeren was een tijdlang teamlid en coördinator van vzw De Cirkel en werkt nu als onderzoeker aan de Universiteit Antwerpen.
    Ludo Fret was de voorbije jaren als beheerder van vzw De Cirkel betrokken bij de planning en de teamwerking.

    Terug naar het begin van de pagina



    Religie.opzijnbest.nl - De beste links over religie voor u verzameld.