JAARTAL - NIEUW - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - Z allochtonen , armoede , bahá'í , bijbeluitleg , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts , fundamentalisme , globalisering en antiglobalisering , hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , islam , jodendom , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , migratie , racisme , samenleving , sikhisme , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen , |
Evaluatie van het Gelijke OnderwijsKansenbeleid . Persnota
dinsdag 11 mei 2004 Kabinet Vlaams minister van Onderwijs en Vorming . Website
http://ond.vlaanderen.be/nieuws/2004pers/0511_evaluatieGOK.htm .
1. Inleiding
2. Evaluatiegegevens betreffende het recht op inschrijving
3. Evaluatiegegevens betreffende het ondersteuningsaanbod
4. Evaluatiegegevens over de lokale overlegplatforms
5. De Commissie Leerlingenrechten
1. Inleiding
Het decreet betreffende gelijke onderwijskansen werd op 28 juni 2002 goedgekeurd in het Vlaamse Parlement. De data van inwerkingtreding van de drie krachtlijnen die het raamwerk vormen van dit beleid, waren verschillend:
* het recht op inschrijving werd van toepassing voor de inschrijvingen voor
het schooljaar 2003-2004;
* de lokale overlegplatforms en de Commissie Leerlingenrechten gingen van start
op 1 januari 2003;
* het geintegreerde ondersteuningsaanbod voor de scholen ging van start op 1
september 2002.
Prioriteit werd gegeven aan de ondersteuning van de scholen. Het geintegreerde ondersteuningsaanbod in het basisonderwijs en in het secundair onderwijs ging van start op 1 september 2002. Dit betekent dat de scholen momenteel in het tweede jaar van de eerste GOK-cyclus van drie schooljaren zitten. De beginsituatieanalyse is achter de rug, op basis hiervan werden doelstellingen bepaald en is werk gemaakt van de concrete uitvoering. De scholen hebben in de loop van dit tweede schooljaar een zelfevaluatie uitgevoerd die hen de noodzakelijke informatie heeft opgeleverd om acties bij te sturen of nieuwe, bijkomende interventies te plannen. In het volgende schooljaar zal het schooleigen beleid en de schooleigen praktijk betreffende gelijke onderwijskansen aan een externe toetsing door de onderwijsinspectie onderworpen worden.
Het recht op inschrijving in de school of vestigingsplaats van keuze werd van toepassing op de inschrijvingen voor het schooljaar 2003-2004. Schoolbesturen en inrichtende machten dienden de nieuwe regels op het gebied van inschrijving, weigering en doorverwijzing toe te passen vanaf inschrijvingen die betrekking hadden op het schooljaar 2003-2004.
De bemiddelingsopdracht van de lokale overlegplatforms, voorzien in het kader van de rechtsbescherming van de leerlingen, werd opgenomen vanaf 1 januari 2003. Vanaf dezelfde datum werd de deelname aan en het samenwerken binnen een lokaal overlegplatform een financiering- en subsidiëringvoorwaarde voor scholen en CLB's, beide verplichte partners in het lokale overleg. De werkzaamheden van de Commissie Leerlingenrechten namen ook een aanvang op 1 januari 2003.
Deze data tonen aan dat de periode van implementatie nog relatief kort is en dat de evaluatie meer moet beschouwd worden als een eerste stand van zaken dan als een grondige evaluatie. Deze eerste evaluatie van het gelijke onderwijskansendecreet heeft zich voltrokken op verschillende niveaus en in verschillende fasen. Naar aanleiding van een aantal situaties van weigeringen in scholen met een beperkte capaciteit werden op politiek niveau een aantal problemen rond de concrete toepassing van de nieuwe regels herbekeken. Deze hadden betrekking op de mogelijkheid tot voorrang voor broers en zussen en kinderen met thuistaal het Nederlands in Nederlandstalige scholen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad.
Daarnaast werden op het niveau van de administratie vragen en knelpunten geïnventariseerd, de LOP-deskundigen bevraagd en de werking van de Commissie inzake Leerlingenrechten gedurende het eerste werkjaar geëvalueerd. De bevraging van alle deelnemers van de 70 lokale overlegplatforms werd wetenschappelijk ondersteund door de onderzoeksgroep Edubron van de Universiteit Antwerpen. Tenslotte lopen nog een aantal onderzoeksprojecten die de implementatie en effecten van het nieuwe beleid in kaart brengen. De resultaten hiervan zullen pas later beschikbaar komen.
In wat volgt wordt ingegaan op een aantal van de hiervoor opgesomde evaluaties.
2. Evaluatiegegevens betreffende het recht op inschrijving
Het recht op inschrijving in de school van keuze heeft in de afgelopen periode het meest in de belangstelling gestaan. Het versterkt immers in een belangrijke mate de keuzevrijheid van ouders en grijpt het sterkst in op het beleid en de praktijk van scholen betreffende het voeren van een eigen toelatingsbeleid.
Er zijn duidelijk een aantal pluspunten te onderkennen:
* Het GOK-decreet gaat niet uit van een spreidingsbeleid dat in de context
van het non-discriminatieoverleg door de doelgroepen als eerder polariserend
werd ervaren, wel van een inschrijvingsrecht. Het stelt de vrijheid van schoolkeuze
van alle ouders centraal.
* Er kan niet meer selectief ingeschreven worden. Het inschrijvingsregister/aanmeldingsregister,
de toe te passen regels op het gebied van weigering en doorverwijzing, de beperkte
mogelijkheden om voorrang te verlenen en de te volgen procedures betreffende
rechtsbescherming dwingen scholen ertoe om na te denken over hun inschrijvingspolitiek,
over hun maximumcapaciteit en hun planning.
* Selectieve inschrijvingspraktijken die vroeger verborgen bleven, komen nu
door het GOK-decreet wel aan het licht. Scholen kunnen geen bijkomende toelatingsvoorwaarden
meer opleggen of beperkend optreden ten aanzien van specifieke groepen (bijvoorbeeld
anderstaligen) voorafgaand aan de inschrijving.
* Het decreet legt de nadruk op kansarmoede zowel bij autochtone als allochtone
leerlingen. De piste van etnische herkomst, die bij het onderwijsvoorrang- en
non-discriminatiebeleid een belangrijke indicator was, werd verlaten. Hierdoor
wordt de doelgroep van mensen met een andere etnische achtergrond minder geproblematiseerd.
In de praktische toepassing van de nieuwe regels op het gebied van inschrijvingen is gebleken dat een aantal onmiddellijke bijsturingen opportuun waren. Voor de problematiek van broers en zussen en de voorrang voor leerlingen met thuistaal Nederlands in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad werden inmiddels decretale aanpassingen aangebracht.
Broers en zussen of leerlingen die onder hetzelfde dak wonen krijgen vanaf het schooljaar 2005-2006 voorrang op alle andere nieuwe leerlingen bij de inschrijvingen in dezelfde school. Het inschrijvingsrecht zorgde er in sommige gevallen voor dat ouders hun kinderen niet in één en dezelfde school konden inschrijven omdat de school door de chronologie van de inschrijvingen vol was. Deze aanpassing verandert niets aan het principe van het inschrijvingsrecht. Scholen mogen nog steeds geen leerlingen weigeren. Nieuwe leerlingen krijgen wel voorrang als ze een broer of zus hebben die al ingeschreven is als leerling. De inrichtende macht bepaalt hier de voorwaarden en de modaliteiten voor. Ze moet dit voorrangsbeleid ook duidelijk naar de ouders communiceren. Voor kinderen met al ingeschreven broertjes of zusjes kan er best een inschrijvingsperiode komen voor de start van de inschrijvingen van de andere leerlingen.
Voor het schooljaar 2004-2005 komt er een overgangsmaatregel. Die komt erop neer dat in de gevallen dat een school al vol was, broertjes en zusjes waar geen plaats meer voor was toch nog kunnen inschrijven zonder dat dit gevolgen heeft voor wie al vroeger ingeschreven was.
Het Vlaamse Parlement keurde recent ook het voorstel van decreet goed betreffende het Nederlandstalig onderwijs in Brussel-Hoofdstad waardoor vanaf het schooljaar 2005-2006 een bepaald percentage Nederlandstalige leerlingen voorrang krijgt als ze zich inschrijven in een school in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad. De bedoeling van deze maatregel is om scholen toe te laten een representatief aandeel leerlingen met het Nederlands als thuistaal na te streven. Het gelijke onderwijskansendecreet gaat ervan uit dat het beleidsmatig, onderwijskundig en met het oog op de integratie en de maatschappelijke cohesie, aangewezen is om op school een voor de regio representatief aantal leerlingen met thuistaal Nederlands te hebben. Scholen die voor de voorrangsregeling kiezen kunnen hun inschrijvingen niet vroeger laten starten dan 1 september van het voorafgaande schooljaar. Alle leerlingen, dus zowel de leerlingen met thuistaal Nederlands als de leerlingen met een andere thuistaal kunnen vanaf dat moment inschrijven. Deze inschrijvingen zijn definitief als op 1 februari daaropvolgend de door de school bepaalde maximumcapaciteit niet is overschreden. Is de capaciteit overschreden, dan wordt beperkt en chronologische voorrang gegeven aan leerlingen van wie de thuistaal het Nederlands is.
De omzendbrieven basisonderwijs en secundair onderwijs zullen op deze punten aangepast en verduidelijkt worden.
Naast de vermelde pluspunten blijven er een aantal aandachtspunten bestaan.
Het decreet voorziet, met uitzondering van de voorrangsregeling in Brussel, nergens een verplichting om inschrijvingsperiodes vast te leggen. Scholen zouden er goed aan doen om dit wel te bepalen, waar mogelijk in overleg met andere scholen binnen de context van het lokale overlegplatform. Dit geeft de ouders meer duidelijkheid en zal hen aanzetten om tijdig een schoolkeuze te maken.
Sommige scholen klagen over de bijkomende administratieve belasting die het decreet gelijke onderwijskansen volgens hen veroorzaakt. Er wordt in dit verband verwezen naar het aanmelding- en inschrijvingsregister en de gemotiveerde documenten die ingeval van weigering of doorverwijzing moeten gebruikt worden. Voor scholen die erg 'in trek' zijn en die een maximumcapaciteit moeten hanteren of voor scholen die gebruik maken van de mogelijkheid tot doorverwijzing, kunnen de administratieve inspanningen substantieel zijn. In dit geval is een duidelijke en brede communicatie van groot belang.
Ook met betrekking tot het ondersteuningsbeleid wordt door enkelen van planlast gesproken. Dit wordt geassocieerd met de verplichte beginsituatieanalyse en de schooleigen visie op gelijke onderwijskansen die moet uitgeschreven worden. Via diverse kanalen werden hiervoor instrumenten aangereikt aan de scholen, soms in die mate dat het voor scholen moeilijk werd om nog eigen keuzes te maken. Meestal werden deze instrumenten zelfs niet door de overheid voorgeschreven en dienden ze als inspiratiebron. Heel wat scholen hebben deze vrijheid niet genomen en hebben zich te sterk door de ontwikkelde instrumenten laten leiden. In de kwaliteitsbewaking zal de aandacht niet gaan naar de instrumenten die scholen hebben gehanteerd maar naar de aard van de verantwoording over de verschillende fasen van de implementatie van het schooleigen beleid (analyse van de beginsituatie, de keuze en verantwoording van de doelen, de stand van zaken m.b.t. de uitvoering van de voorziene acties, de kwaliteit van de zelfevaluatie).
Er moet ook blijvend aandacht gaan naar het goed informeren van de doelgroepen over het recht op inschrijving en op de rechtsbeschermingmechanismen die in het decreet zijn voorzien. Kansarme ouders weten vaak nog onvoldoende wat hun rechten zijn met betrekking tot inschrijvingen. Dit is een aandachtspunt voor alle partners die in het kader van de centrale verklaring "Diversiteit als meerwaarde" hierover een engagement hebben aangegaan.
3. Evaluatiegegevens betreffende het ondersteuningsaanbod
In vergelijking met de vroegere tijdelijke projecten is het GOK-ondersteuningsaanbod onmiskenbaar een belangrijke stap voorwaarts. Het aantal uren dat ter beschikking gesteld wordt, is met een derde toegenomen in het basisonderwijs en praktisch verdubbeld in het secundair onderwijs (basisonderwijs van 29.254 lestijden OVB en ZVB naar 37.402 lestijden GOK; secundair onderwijs van 4218 uren-leraar OVB en project bijzondere noden naar 8090 uren-leraar GOK in 2003-2004). Ook het draagvlak is veel breder. Er wordt niet enkel gefocust op allochtonen en etniciteit, maar op kansarmoede in het geheel. Hierdoor komen scholen en regio's, die vroeger uit de boot vielen, nu wel aan bod. Voor scholen die bij de overgang van het ene systeem naar het andere lestijden of uren verloren, werden overgangsmaatregelen voorzien.
Scholen werken een schooleigen visie uit wat aanleiding geeft tot extra werk maar niet beschouwd kan worden als "planlast". In vergelijking met de aanwendingsplannen voor OVB en ZVB die dienden opgemaakt te worden vóór de goedkeuring is dit een beter en schoolvriendelijker systeem. Alleen scholen die lestijden of uren GOK krijgen, moeten een schooleigen visie uitwerken. Deze inspanning kan bepaalde problemen boven water halen waarvan men zich voorheen niet bewust was. Het laat scholen toe om bewuster en planmatiger te werk te gaan en het zet scholen ertoe aan om te gaan nadenken over de gelijke kansenproblematiek en wat de globale visie ervan op school is en hoe men het kan aanpakken.
Tenslotte blijkt ook uit het Cijferboek 'sociale ongelijkheid in het Vlaams Onderwijs' (Hoger Instituut voor de Arbeid, 2003) dat de huidige indicatoren goed gekozen zijn: het onderwijsniveau van de moeder is bijvoorbeeld een zeer sterke voorspeller van de onderwijskansen van kinderen. Hetzelfde geldt voor de economische inactiviteit van beide ouders. Het feit dat de thuistaal alleen in cumulatie met andere achterstellingcriteria gehanteerd wordt, blijkt eveneens een juiste optie te zijn.
Naast deze pluspunten blijven er ook voor deze krachtlijn van het gelijke onderwijskansenbeleid een aantal aandachtspunten bestaan:
Er zijn discussies over de relevantie en volledigheid van de huidige GOK-indicatoren. Zo stelt men in het hierboven aangehaalde cijferboek dat kinderen uit éénoudergezinnen haast over de ganse lijn hogere risico's lopen dan andere jongeren. Met het decreet gelijke onderwijskansen ontvingen basisscholen ook bijkomende ondersteuning voor het voeren van een zorgbeleid. Dit moet scholen toelaten om ook beter tegemoet te komen aan de noden van deze leerlingen.
Scholen vrezen dat het ondersteuningsaanbod na 3 jaar zal verdwijnen of dat het totaal zal wijzigen. Ze willen wat meer duidelijkheid op langere termijn. Wat het beleid op zich betreft is het duidelijk dat gelijke onderwijskansen een blijvend aandachtspunt zal zijn. Dit neemt niet weg dat op het niveau van elke school zal nagegaan worden of de extra verkregen middelen op een efficiënte en effectieve manier werden aangewend. De onderwijsinspectie zal op korte termijn toelichting geven over de inhoud en de procedure die ze bij deze evaluatie zal hanteren.
Het GOK-ondersteuningsbeleid is niet voorzien in de vierde graad, het deeltijds beroepssecundair onderwijs en in het buitengewoon onderwijs. Het onderwijsvoorrangsbeleid in het buitengewoon onderwijs is verlengd voor volgend schooljaar. Er zal nagedacht moeten worden over een aangepaste GOK-regeling voor deze onderwijsstructuren.
4. Evaluatiegegevens over de lokale overlegplatforms
Een belangrijke vaststelling is dat de voorzitters van de lokale overlegplatforms hun taak zeer ter harte nemen. Velen steken hier heel wat tijd in en proberen met alle mogelijkheden de inhoudelijke werking van het LOP actief vorm te geven.
De niet-onderwijspartners, hoewel numeriek in de minderheid in het LOP en in de beslissingsorganen ervan, nemen sterk deel aan de praktische werking. De verruiming t.a.v. het vroegere non-discriminatie overleg heeft een gunstig effect op de dynamiek van het overleg.
De ondersteuning door de deskundigen is zeker een winstpunt. Zij zorgen voor de professionalisering van het overleg en vormen een actieve tandem met de voorzitter. Ook de ondersteuning - in mensen en middelen - van de centrale organisaties voor de uitvoering van de engagementsverklaring betekent een stap vooruit in de aanpak van het overleg. De deskundigen fungeren lokaal als "gezicht" van "Brussel" en kunnen de plaatselijke standpunten en signalen van het terrein direct melden.
Het LOP heeft zich op veel plaatsen op korte tijd een plaats weten te veroveren als overlegforum en neemt niet alleen de decretaal vastgelegde taken op maar bekommert zich op de meeste plaatsen om de gelijke onderwijskansen in ruime zin. De deelnemers durven hun mening geven en vinden meestal dat ze ook gehoord worden.
De werking van de bemiddelingscel van de LOP's krijgt voldoende vertrouwen, zeker bij hen die bij de werking betrokken zijn. De door sommigen gevreesde overbelasting van de bemiddelingscellen van de LOP's is er niet gekomen, ook niet in de grotere steden. De meeste LOP's verkiezen via andere middelen tot betere spreiding te komen: scholen die kunnen doorverwijzen doen dat zeker niet altijd.
Tenslotte stellen we vast dat de gemeenten sterk bijdragen aan de LOP-werking, zowel op logistiek als inhoudelijk vlak.
Een aandachtspunt in de werking betreft de voldoende aanwezigheid van de deelnemers, die vaak vereist is om geldig te kunnen vergaderen. Verschillende deskundigen, voorzitters en deelnemers vragen zich af hoe ze hiermee kunnen omgaan. We opteren wat dit betreft voor een verdere sensibilisering van de partners en hun lokale vertegenwoordigers. Het is immers belangrijk dat alle deelnemers ernaar streven om de doelstellingen van het decreet te realiseren en ervoor te zorgen dat jongeren ingeschreven kunnen worden in de school en studierichting waar ze het meest kansen krijgen. Daarnaast is de uitbouw van een sterke inhoudelijke werking waarin voor iedere geleding winstpunten liggen een belangrijke voorwaarde voor het zich betrokken voelen. Tenslotte is de sensibilisering rond de medewerking en het zich collegiaal houden aan de afspraken voor alle deelnemers primordiaal. In die zin moet er vanuit gegaan kunnen worden dat indien er gezamenlijke afspraken worden gemaakt binnen het LOP deze door alle deelnemers gedragen en nagekomen worden.
Sommigen melden dat de regels en procedures bij inschrijving, weigering en doorverwijzing niet worden gevolgd. Er wordt op basis van een klacht van de ouders en na verzoek van de Commissie Leerlingenrechten (CLR) onderzocht wat de praktijk is. Ook op het niveau van de lokale overlegplatforms kunnen problemen op dit gebied aangekaart en besproken worden.
Over de geografische samenstelling van het werkingsgebied van de lokale overlegplatforms zijn de meningen verdeeld. Meer dan tweederde van de LOP-deelnemers gaan akkoord met de huidige samenstelling. In de grootsteden en door de onderwijspartners, vooral in het secundair onderwijs, wordt het meest voorbehoud geformuleerd. Een aantal geledingen vragen aanpassingen aan de samenstelling van de LOP-regio's. Uit de evaluatie kwamen een aantal voorstellen van mogelijke aanpassingen. De administratie zal een ontwerp van besluit voorbereiden om nog tegen volgend schooljaar een aantal noodzakelijke en evidente aanpassingen door te voeren.
5. De Commissie Leerlingenrechten
Tijdens het eerste werkingsjaar van de Commissie Leerlingenrechten werden in totaal 50 dossiers behandeld. Voor het basisonderwijs betrof het 16 dossiers betreffende weigering en 22 dossiers op het gebied van doorverwijzing. Voor het secundair onderwijs waren de cijfers respectievelijk 11 en 1. De Commissie is als onafhankelijk orgaan bevoegd om na te gaan of weigering- of doorverwijzingbeslissingen conform het decreet gelijke onderwijskansen genomen werden, zonder dat de Commissie in de plaats treedt van de school. Wanneer een school weigert zijn inschrijvingsbeleid aan te passen conform de rechtmatigheidbeoordeling van de Commissie, kan de Commissie, nadat zij opnieuw hierover wordt aangesproken, een sanctie aan de Minister adviseren. Uit de werking blijkt dat de verwachtingen ten aanzien van de uitspraken en de bevoegdheid van de Commissie vaak hooggespannen zijn. De Commissie zal haar bevoegdheid en haar statuut dan ook blijven evalueren. Bovendien wordt ook de Commissie Leerlingenrechten meegenomen in de eindevaluatie, waarna eventueel de bevoegdheden van de Commissie aangepast kunnen worden.
DE TIJD 13 mei 2004 Algemeen . 'GOK-decreet is niet zaligmakend' . elsa
(tijd) - Het gelijkeonderwijskansen- of GOK-decreet is niet zaligmakend. Dat concludeert het Vlaams Minderhedencentrum uit een enquête bij 483 allochtonen. Daaruit blijkt dat 20 procent van de leerlingen niet ingeschreven werd in de eerste school van aanmelding. Een markante vaststelling daarbij is dat heel wat ouders daarvoor geen schriftelijke motivatie kregen, zoals het GOK-decreet oplegt. Voorts blijken vele ouders onvoldoende op de hoogte te zijn van hun rechten en mogelijkheden. De lokale overlegplatforms zouden dat kunnen verhelpen, mits er voldoende geïnvesteerd wordt in de participatie van etnisch-culturele minderheden en hun vertegenwoordigers.
Het minderhedencentrum wijst erop dat er meer nodig is dan een GOK-decreet om de gelijke kansen van allochtonen in het onderwijs te verzekeren. '70 procent van de allochtone leerlingen komt in het beroepsonderwijs terecht. Dat duidt aan dat er van een echt diversiteitsbeleid in de scholen nauwelijks sprake is. Ook moeten er meer samenwerkingsverbanden komen met andere domeinen, zoals welzijn en wonen.'