| vluchtelingen, asielzoekers, mensen zonder papieren |
| vluchtelingen en asielzoekers, de nieuwsbrieven van de Limburgse cel vluchtelingenwerk: januari 2001, februari 2001, maart 2001, april 2001, mei 2001, juni 2001, juli 2001, augustus 2001, augustus extra 2001, september 2001, oktober 2001, november 2001, december 2001, (met bijlagen) 2001; januari 2002, februari 2001, maart 2002, april 2002, mei 2002, juni 2002, juli 2002, augustus 2002, augustus extra 2002, september 2002, oktober 2002, november 2002, december 2002, (met bijlagen) 2002; . Limburgs Platform Vluchtelingen, bisschop Paul Schruers, vicaris Jan Boonen en de kerk (de paus, het Vaticaan, bisschoppen...) over vluchtelingen, Contactenbrochure 2000 School zonder racisme Limburg, indrukken bij het bezoek aan het asielcentrum van Bevingen, jonge asielzoekers, |
BRUSSEL — Elk jaar komen in ons Iand zowat 2.000 niet-begeleide minderjarige vluchtelingen aan. Om hen beter te kunnen opvangen, pleit het Platform Kinderen op de Vlucht voor een voogd en een duidelijk statuut. Die jongeren opsluiten in een gesloten centrum kan in elk geval niet, vindt het Platform.
De ministeries vau Binnenlandse Zaken, Welzijn en Maatschappelijke Integratie
overleggen over de opvang van niet-begeleide minnderjarige asielzoekers.
Hen onderbrengen in gesloten centra is één van de mogelijkheden
die op tafel liggen. Wat het uiteindelijk wordt, moet dit najaar duidelijk
worden. Het Platform Kinderen op de Vlucht pleit voor open centra met gespecialiseerd
personeel. De groep bestaat uit een tachtigtal organisaties die met niet-begeleide
mindeijarigen werken. Onder meer de Liga voor Mensenrechten en Mentor Escale,
dat zelfstandig wonen begeleidt, zijn vertegenwoordigd in het Platform.
François Casier van die laatste organisatie spreekt in naam van het
Platform: ,,Het argument van de overheid dat je minderjarigen
in gesloten centra moet opvangen om hen te beschermen, geen steek. Slechts
een kleine een andere oplossing minderheid wordt slachtoffer van
netwerken en mensenhandel. De meesten hebben geen speciale bescherming
nodig, wel verblijfsze kerheid, medische en sociale zor gen en onderwijs?
Het Platform vraagt dat er snel werk wordt gemaakt van een voogdijregeling.
Daarvoor is al een wetsontwerp opgesteld dat volgens het Platform ,,verleidelijk
is, maar ergens in een Iade ligt. Een onafhankelijke voogd zou ervoor kunnen
zorgen dat de belangen van het kind op de eerste plaats komen, als hij of
zij tenminste de kans krijgt het vertrouwen van het kind te winnen. En dat
kan alleen als er een adempauze wordt ingelast, vindt het Platform.
Casier: ,,Je moet de tijd nemen om na te gaan wat die jongeren hier brengt
en wat hun doelstellingen zijn. Dan pas kan je beslissen
welke weg er moeten worden bewandeld: een asielprocedure of een andere
oplossing.
Zie: “KINDEREN OP DE DOOL” Voorstelling van de 24 projecten die in het kader van de tweede oproep geselecteerd werden. Periode 2000-2001: http://www.google.com/search?q=cache:gwTioJeItn8:interpress.asp.euronet.be/Societe/fondation/Listeprojnl.htm+Mentor+Escale&hl=nl&lr=lang_nl
Terug naar het begin van de pagina
| Protestants Sociaal Centrum |
Tetty Rooze , Lange Stuivenbergstraat 54-56 , B - 2060 Antwerpen . tel: ++ 32 (3) 235 34 05 . fax: ++ 32 (3) 272 20 85 . e-mail: prosocc@yucom.be .
Het PSC staat vermeld bij een reeks organisaties die met vluchtelingen
bezig zijn: http://www.picum.org/OrgBelgium.htm#BELGIUM
( ICUM = Platform for International Cooperation on Undocumented Migrants:
http://www.picum.org/ )
| "Donderdag is voor mij kleinkinderen-dag en woensdag vrijwilligers-dag."
(Mia Monden)
53 jaar , Gepensioneerde leerkracht , Werkt vrijwillig op Protestants sociaal centrum , Doet de huiswerkklassen “Ik ben blij dat ik de ervaring die ik op school opdeed, in deze huistaakklassen terugvind. Ik doe dit vrijwilligerswerk al 4 jaar. Ik ben altijd met jonge mensen bezig geweest. Ik heb nu ook veel contacten met mijn oude leerlingen. Ik voel me goed in de wereld van jonge mensen. Ik geef ook graag les. En waarom niet voor de vluchtelingenkinderen? Ik heb veel ervaring, ik kan goed met jongeren omgaan en ik wil nog wat werken. Het leukste is: je geeft niet alleen les, maar je leert ook hun achtergronden kennen. Het verrijkt je leven: mensen in andere omstandigheden kennen. Eerst beginnen we met huiswerk dan praten wij.” Samir is gevlucht uit Afghanistan. Het praten is soms belangrijker dan huiswerk maken: problemen thuis,
met ouders, met vriend…. "je bent hun peetvader, peetmoeder en biechtvader."
Ze hebben een luisterend oor nodig. Het is gemakkelijk met iemand te praten
die erbuiten staat. Mia Monden |
| “Je wereldbeeld wordt aardig door elkaar geschud” (Lut Degerickx)
Leeftijd: ? Ik werk als vrijwilligster op het Protestants Sociaal Centrum in Antwerpen Noord. In het vluchtelingenwerk kan vluchten niet meer, volgens mij. Zeker in tijden dat het beleid de subsidiekraan langzaam maar zeker dichtdraait en de noodzaak om enthousiaste, gemotiveerde vrijwilligers te zoeken en te vinden groter wordt. Stel je voor: je moet je vertrouwde omgeving verlaten om je overlevingskansen te garanderen. Je komt aan in een vreemde wereld; reeds aan de grens van deze wereld word je op verbale en non-verbale manier duidelijk gemaakt dat je niet welkom bent. Dat je verhaal met een korrel zout genomen wordt. Je hoort een vreemde taal. Je ziet vreemde gedragingen die je probeert te interpreteren. Je wordt overspoeld met een aantal nieuwe structuren, regels, wetten. Waar is het bos en waar zijn de bomen? Na lange omzwervingen kom je toevallig terecht bij een vluchtelingendienst waar je dan een vrijwilliger tegenkomt, waar je na maanden een warme glimlach, een teken van erkenning krijgt. Iemand die met jou toch probeert orde in de chaos te scheppen en te werken aan een aantal toekomstmogelijkheden, hoe onzeker die ook mogen zijn. Want de eindbeslissing over je lot in deze vreemde wereld ligt in handen van anderen. Deze mensen leven voortdurend een dubbel leven. Enerzijds is er de
sterke motivatie om een nieuw leven op te bouwen, taalcursussen te volgen,
werk te zoeken… Wat motiveert haar om vrijwilligerswerk te doen? Op die vraag kregen we van Lut volgende antwoorden: - Je wereldbeeld wordt aardig door elkaar geschud, door dat je in
contact komt met heel wat situaties waarin mensen leven en overleven.
Lut Degerickx |
| Tetty Rooze (In het artikel vertelt Tetty Rooze
heel wat over haar leven.), echtgenote van de Nederlandse dominee Rooze,
runt het Protestants Sociaal Centrum in de Antwerpse Stuivenbergwijk.
Zij is lid van van CHURCHES COMMISSION FOR MIGRANTS IN EUROPE (CCME) ( http://ourworld.compuserve.com/homepages/npce/ORGE-CCM.HTM.) |
In het Protestants Sociaal Centrum (PSC) in Antwerpen coördineert Tetty Rooze (49) de hulpverlening rond individuele begeleiding van asielzoekers, vluchtelingen en mensen zonder papieren. Ze is daar meer dan voltijds mee bezig.
Ik ben geboren in Friesland. Kom uit een uitgesproken calvinistisch gezin
met vijf kinderen. Ik was de oudste en enige dochter. Opkomen voor rechtvaardigheid
zat er van jongs af bij mij diep ingebakken. Als 16-jarige was ik al lid
van Amnesty International.
Ik volgde een opleiding tot godsdienstleerkracht en stond een tijdlang in
het onderwijs, gaf les aan migranten- en vluchtelingen-kinderen. Toen al
boeiden en intrigeerden hun verhalen me.
Ik leerde een Vlaamse dominee kennen. We trouwden en vestigden ons in Noord-Brabant,
in de eerste gemeente van mijn man. In 1978 verhuisden we naar Mechelen.
Als Friese was het een tijdje wennen om me in Vlaanderen thuis te voelen.
Maar via de kerk bouwde ik toch stilaan een mooie vrienden— en kennissenkring
uit. Vanuit de kerk werd toen een beroep op mij gedaan voor de migrantenwerking.
En zo is het eigenlijk begonnen.
In 1986 werd mijn man tot dominee in De Brabantse Olijfberg in Antwerpen
aangesteld. Nog datzelfde jaar draaide ik mee in de permanenties in het Protestants
Sociaal Centrum. Het PSC werd op initiatief van de protestantse kerken in
en rond Antwerpen aan het eind van de jaren ‘70 opgericht. In het begin
richtte de werking zich in eerste instantie op ‘kansarme’ Belgen uit de buurt.
Door de jaren heen breidde de doelgroep zich echter gevoelig uit. Dat kwam
omdat andere buurtbewoners, onder wie ook asielzoekers, vluchtelingen en
mensen zonder papieren, een beroep deden op het centrum. Het PSC groeide
bijgevolg uit tot een activiteitencentrum met een gevarieerd aanbod.
Momenteel coördineer ik die specifieke hulpverlening rond de individuele
begeleiding van asielzoekers, vluchtelingen en mensen zonder papieren. De
jongste jaren komen steeds meer minderjarige asielzoekers naar ons toe. Ze
zijn gevlucht zonder hun ouders en hun specifieke situatie vraagt extra aandacht
en ondersteuning op juridisch, sociaal-psychologisch en educatief vlak.
Naast de sociale opvang speelt vooral de opvolging van de asielprocedure
een belangrijke rol in de individuele begeleiding
van deze jongeren. De beslissing over de asielaanvraag bepaalt immers meestal
of een minderjarige na zijn l8de al dan niet in België mag blijven.
We maken hun dossier op en begeleiden hen in de procedure. Voor die individuele
hulpverlening kan ik op 15 vrijwilligers rekenen. Sommigen onder hen komen
trouwens zelf uit de doelgroep.
Als iemand weinig kans maakt op erkenning, gaan we samen na of een terugkeer
naar de familie in het land van herkomst een alternatief kan zijn. Dat veronderstelt
een groot wederzijds vertrouwen. Want voor veel jongeren is het allesbehalve
gemakkelijk om over bepaalde pijnlijke gebeurtenissen uit het verleden te
praten.
In dit soort werk waar alles draait rond schrijnende verhalen, zijn teleurstellingen
onvermijdelijk. Met die gevoelens van onmacht en met dat negatieve in onze
samenleving moet je leren omgaan. Hoewel het moeilijk te verteren blijft
als je merkt dat jongeren onderuitgaan, dat ze met zelfmoordplannen rondlopen,
dat asielzoekers toch worden uitgewezen hoewel je intensief aan hun dossiers
hebt gewerkt en op ander nieuws had gehoopt.
Wat niet wegneemt dat hier in het Centrum ook heuglijke dingen gebeuren.
Vanmorgen nog ontvingen we een brief van iemand die ons schreef dat hij ‘geregulariseerd’
is. Met zo’n goed bericht leert iedereen in dit huis mee. Je trekt je er
met z’n allen enorm aan op. De collegialiteit is hier hartverwarmend. Ik
ervaar dit als erg belangrijk en ondersteunend. Mooi meegenomen is ook dat
we in Antwerpen als PSC prima samenwerken met instanties die vanuit het bisdom
met dezelfde problemen bezig zijn. Aan de basis is de oecumene gelukkig springlevend.
Of ik mijn werk ‘s avonds aan de kapstok hang? Nee. De werkomstandigheden
zijn zo ingrijpend dat ik eigenlijk meer dan voltijds in het PSC aan slag
ben. En wanneer ik ‘s avonds thuiskom, werk ik vaak dringende dossiers verder
af. Vergeet niet dat het dikwijls om zaken gaat die prompt moeten worden
afgehandeld.
Een strikte scheiding tussen werk en privé-leven, hoeft daarom voor
mij niet. Ik weet het, op dat vlak ben ik allesbehalve een moderne vrouw.
Wel leg ik, als ik thuis ben, andere prioriteiten. We hebben vier kinderen
tussen 16 en 24 jaar, drie zonen, één dochter. Onze jongste
twee kinderen komen uit India. De kinderen zijn oud genoeg om te beseffen
welk soort werk hun ouders doen. En ze staan daar volledig achter. Bovendien
is — ook vanwege de taak van mijn man — sociale inzet sowieso dagelijkse gesprekskost.
Toch probeer ik een goed evenwicht te vinden tussen mijn gezins- en mijn
werkleven. Het moet inderdaad voor iedereen ‘aanvaardbaar’ blijven.
Soms doe ik een poging om een beetje tijd voor mezelf uit te trekken. Maar
wat stel ik vast? Dat ik dan bijvoorbeeld een boek lees dat ergens wel iets
met mijn werk en met mijn inzet te maken heeft. Zo zie je maar.
De tijd dat een domineese enkel het verlengde van haar man hoorde te zijn,
is voorbij. Vrouwen van dominees bouwen tegenwoordig hun eigen leven uit.
Zelf voel ik me evenwel sterk betrokken bij de zending van mijn man. De
Brabantse Olijfberg is een ontmoetingsplaats voor mensen van allerlei nationaliteiten.
Geen sprake van ook maar een schijntje racisme. Voor mij is de gemeente
bijgevolg een bijkomende ‘oefenplaats’ voor mijn engagement binnen het PSC.
Zo was ik onlangs ziek en een tijdje buiten strijd. De verleiding om nog
een poosje uit te zieken was groot. Maar na de kerkdienst werd ik alweer
met een nieuw dossier geconfronteerd en met de vraag om hulp. Het verlangen
naar uitzieken was op slag verdwenen. Je gaat er dan meteen weer tegenaan.
Rechtvaardigheid, vrede, barmhartigheid, warmhartigheid. Ze zijn nu eenmaal
mijn invalshoeken naar het leven.”
Terug naar het begin van de pagina
OPVANGVOORZIENINGEN VOOR BUITENLANDSE NIET-BEGELEIDE MINDERJARIGEN - Visietekst goedgekeurd door de ICEM-werkgroep Opvangbeleid op 26 juni ‘00: http://www.google.com/search?q=cache:Qrg3xT5kjK8:users.skynet.be/vlaamsminderhedencentrum/opvangminderjarigen.htm+vluchtelingenkinderen+(Belgi%EB)&hl=nl
Terug naar het begin van de pagina
| 't Huis, Paul Nijs, Spaarzaamheidstraat 29, B – 9300 Aalst tel: ++ 32 (0) 53 70 99 79 fax:++ 32 (0) 53 77 75 21 E-mail: vzw-t-huis@skynet.be |
Ontstaan van 't HUIS in Aalst
In 1998 besliste de Vlaamse Gemeenschap om middelen vrij te maken voor
de opvang van buitenlandse niet-begeleide mindeijarigen.
Binnenkort opent in Aalst T HUIS, het eerste onthaal- en opvangcentrum voor
buitenlandse niet-begeleide mindeijarigen, dat zal gesubsidieerd worden door
de Vlaamse Gemeenschap en door het Provinciebestuur van Oost-Vlaanderen.
Het zal in een eerste fase de gelegenheid bieden om een 15-tal minderjarigen
op te vangen.
T HUIS zal openstaan voor buitenlandse minderjarigen die niet vergezeld zijn door een van beide ouders of een wettelijke voogd en voor wie een aangepaste opvang aangewezen is. De opvang van niet-begeleide minderjarigen die zich nog in de asielprocedure bevinden blijft de opdracht van de federale overheid. Mindeijarigen die uitgeprocedeerd zijn maar om een of andere reden niet terug kunnen gebracht worden naar hun land van herkomst kunnen ppk opgevangen worden in T HUIS.
Het project zal ook ondersteund worden door het departement ontwikkelingssamenwerking en geniet eeninitiële steun van het Impulsfonds voor het Migrantenbeleid.
Mede door dit initiatief wordt de impasse doorbroken waarin het overleg tussen de gemeenschappen en de federale overheid beland was omtrent de opvang van de buitenlandse niet-begeleide minderjarigen.
Voor een deel naar analogie met de formule van tijdelijke verblijfsvergunningen voor slachtoffers van mensenhandel heeft het Bureau Opsporingen van de Dienst Vreemdelingenzaken een verblijfsregeling uitgewerkt voor deze minderjarigen die door de Algemene Directie goedgekeurd werd.
In het bijzonder voor de minderjarigen die zich hier helemaal alleen in ons land bevinden biedt deze regeling een houvast. Bovendien schept dit een duidelijker kader voor de organisaties die instaan voor de opvang van deze minderjarigen. Het laat toe een pedagogisch project met deze jongeren duidelijker te plannen.
In deze verblijfsregeling wordt ook bepaald hoe naar gelang van de concrete
situatie en na een bepaalde tijd een regularisatieprocedure kan aangevat
worden. Deze regeling kan wellicht verder vorm krijgen in de toekomst, ook
voor minderjarigen die op een of andere manier begeleid waren bij hun komst
naar België.
---------------------------------------------------------
De Standaard, maandag 8 mei 2000 - Interview van Isa Van Dorsselaer met
Paul Nijs. Eén jaar 't Huis voor kinderen zonder papieren. En
wat als ze groot zijn?
Twee van de veertig kinderen zonder papieren die het voorbije jaar onderdak
vonden in 't Huis, zijn naar huis teruggekeerd. De meesten willen blijven.
Maar wat als ze achttien worden en hun verblijfspapier vervalt? Paul Nijs
van 't Huis wil dat Binnenlandse Zaken sneller weet wat er met de gasten
zal gebeuren.
Het oude Sint-Anna-klooster aan het Ezelsplein in Aalst ligt er op zaterdagmiddag
bijna verlaten bij. Een Ghanees meisje hangt loom rond op haar kamer, de
muziek loei-hard. In de living tokkelt een Russisch jongetje als een gek
op de computer. De andere bewoners van t Huis zijn op stap in de stad of
gaan voetballen.
Als het van de Vlaamse minister voor Welzijn, Mieke Vogels, afhangt, zouden
ze die vrijheid niet hebben. De minister wil een gesloten centrum voor de
kind-vluchtelingen waar ze verblijven tot er een oplossing is voor hun situatie.
Alleen zo, vindt ze, kan de overheid de jongeren beschermen tegen pooiers
die aan de poorten van de centra rekruteren.
,,Onzin, zegt Pau1 Nijs, directeur van 't Huis, dat zondag precies één
jaar geopend is. Het doorgangshuis vangt permanent vijftien jongeren op die
via mensenhandel of -smokkel, prostitutie of soms op eigen houtje in België
zijn beland. Ze worden doorverwezen door de jeugdrechter of Bijzondere Jeugdzorg
en wachten er op een definitieve oplossing. t Huis wordt mee gefinancierd
door de Vlaamse gerneenschap. ,,Deze meisjes zijn van dag één
in België in de prostitutie beland, niet gerekruteerd achteraf. De groep
die moet worden beschermd, is zeer klein. En het grote risico zit niet bij
de pooiers. Die maken voor onze deur,af en toe toertjes met de auto. Maar
als de politie wat extra patrouilleert, haken ze snel af. Het risico zit
bij de meisjes zelf die proberen terug te keren naar het milieu."
"Maar daarom moet je hen geen maanden opsluiten. Nu gaan ze ook soms naar
een gesloten jeugdinstelling, maar dan slechts voor een paar dagen. Daar
kunnen ze geen contact zoeken rnet hun pooier. Als ze daarna naar hier kornen,
krijgen ze de eerste weken weinig ruimte. Als ze al buiten mogen, is het
onder begeleiding en in de buurt. Als een test. We praten veel met hen om
te weten of ze geen contact zoeken. Het werkt: sinds december hebben we geen
weglopers.
,,Eén groot centrum, zoals Vogels voorstelt, zou het deze meisjes
moeilijker maken. Meisjes die zich uit het milieu hebben losgemaakt, leven
er samen met meisjes die er net uit zijn. En ze zullen sanienleven, lang.
Minister Vogels denkt ook dat het verblijf van korte duur zal zijn. Maar
vier rnaanden is een minimum. Bij ons gaat het zelfs om vijf tot zes maanden.
,,De jongeren hebben a1 twee maanden nodig om tot rust te komen en samen
met de begeleiders uit te maken wat ze willen. Dan nog twee maanden om de
oplossing uit te werken. Pleeggezin, jeugdinstelling, begeleid zelfstandig
wonen: het is zo eenvoudig niet. De sector zit eivol. En de oplossing ligt
in opvang, want slechts enkelen keren vrijwillig terug naar het land van
herkomst.
Nijs kende het probleem van de niet-begeleide minderjarigen uit zijn werk
rond de mensenhandel bij het Centrurn voor gelijkheid van kansen. Toch werd
hij verrast door de realiteit die de regels van t Huis wel eens inhaalt.
Zijn blik glijdt naar de Russische jongen op de computer.
,,Hij is elf en arriveerde met zijn vader. Hij is dus begeleid en geen klant
voor ons. Hij werd hier geplaatst toen zijn vader in een gesloten centrum
zat. De man doolt nu rond met een bevel om het grondgebied te verlaten. Gezinshereniging
is zeèr belangrijk. Maar stuur ik dat kind zomaar mee de illegaliteit
in?
Als ze in Aalst komen, willen vele jongeren gewoon naar huis. ,,Ze zijn
dièp ontgoocheld. Maar die drang verdwijnt als ze hier even zijn.
Vaak spoort hun familie hen aan om deze kans te grijpen. Slechts twee zijn
het voorbije jaar teruggekeerd.
,,De terugkeer voorbereiden duurt even. We moeten zeker zijn dat het veilig
is. A1s het kind in het land van herkomst gevaar loopt om weer in dezelfde
situatie te verzeilen, proberen we het te overtuigen om even hier te blijven.
Sommige jongeren zou Nijs wel willen terugsturen. ,,Tot voor kort leefde
hier een A1banese jongen van zestien. Hij verpestte de boel en zocht de criminaliteit
op. Mijn personeel kwarn met schrik werken. Sturen we hem dan niet beter
terug naar zijn familie, van wie de sociale controle misschien zwaarder weegt?
De meeste bewoners van t Huis vragen geen politiek asiel. Ze hebben voorlopige
verblijfspapieren tot ze athttien worden. Nijs praat met de administratie
van Binnenlandse Zaken om sneller te weten waar zijn gasten aan toe zijn.
,,Moeten ze terug? Kunnen ze blijven? Onder welke vorrn? Kunnen ze worden
erkend als slachtoffer van mensenhandel? Dat is belangrijk om weten als je
samen met de jongere een oplossing zoekt voor zijn situatie.
Nijs zou t Huis willen uitbreiden tot 25 plaatsen. Hij heeft meer personeel
nodig en meer middelen voor vooronderzoek en contacten met ngo's in landen
van herkomst. ,,Maar het plan voor het kinderkamp heeft alles stilgelegd.
---------------------------------------------------------
’T HUIS ZOEKT EEN LOGISTIEK MEDEWERKER
’t Huis, een opvangcentrum voor buitenlandse niet-begeleide minderjarigen,
zoekt een logistiek medewerker. Taken omvatten oa. het verzorgen van de keuken
in het opvangcentrum, met actieve medewerking van de jongeren, bevoorrading
van het opvangcentrum inzake voeding en onderhoud, opvolging van de onderhoud-
en schoonmaaktaken.
Het betreft een halftijdse betrekking, loon volgens de CAO van de Bijzondere
Jeugdbijstand. Allochtonen worden vriendelijk verzocht te solliciteren. De
indiensttreding gebeurt zo spoedig mogelijk.
Kandidaturen tegen 28 februari 2001 t.a.v. Paul Nijs, via vzw-t-huis@skynet.be,
of adres: Spaarzaamheidsstraat 29, 9300 Aalst, tel. 053/70.99.79, fax. 053/77.75.21
-------------------------------------------------
Bijlage 1: De niet-begeleide minderjarigen Verslag van de vzw 'T HUIS
(2001) http://www.antiracisme.be/nl/rapporten/mensenhandel/2001/05-mens01.pdf
)
1. Opzet
'T HUIS is een opvangcentrum voor buitenlandse niet-begeleide minderjarigen.
Het gaat hierbij om jongeren die geen asielaanvraag indienen. Het zijn minderjarigen
die slachtoffer zijn van mensenhandel, mensensmokkel, in ons land transiteren
naar Engeland, onderweg zijn in het kader van een gezinshereniging zonder
de vereiste documenten, jongeren zonder papieren, op de dool… 'T HUIS biedt
crisisopvang aan buitenlandse minderjarigen en zoekt, samen met de jongeren,
naar een duurzame oplossing.
De belangen van de minderjarige, zoals die vastgelegd zijn in de internationale
verdragen omtrent de rechten van de kinderen, vormen hierbij een fundamentele
leidraad. Een duurzame oplossing kan inhouden dat de minderjarige vrijwillig
terugkeert en dat 'T HUIS hen, nadat onderzocht is of deze terugkeer in
veilige omstandigheden kan gebeuren en dat er garanties zijn voor een toekomst
in het land van herkomst, hierin begeleidt en dit mogelijk maakt als erkende
partner van de Internationale Organisatie voor Migratie. Een duurzame oplossing
betekent meestal dat wij de jongeren begeleiden en oriënteren in hun
traject in ons land dat doorloopt tot aan de leeftijd van hun meerderjarigheid
of met relatieve zekerheid zal uitmonden in een definitief verblijf in België.
In de periode van de eerste opvang in 'T HUIS wordt, na de noodzakelijke
rustperiode, heel veel aandacht besteed aan opleiding en het leren samenleven
in de nieuwe samenleving waarin de jongeren aangeland zijn. Nagenoeg alle
jongeren krijgen de kans in een onthaalklas de Nederlandse taal aan te leren.
Een kwalitatieve eerste opvang die uitmondt in een doorstroming naar een
duurzamere opvang en begeleiding
duurt doorgaans 6 à 8 maanden. De verdere opvang gebeurt in pleeggezinnen,
andere residentiële voorzieningen en onder de vorm van begeleid zelfstandig
wonen. Het samen opvangen van jongeren van heel uiteenlopende culturen en
met verschillende problematieken, stelt
geen problemen, integendeel.
2. Mensenhandel - Kinderhandel
Van bij de oprichting heeft 'T HUIS er uitdrukkelijk voor gekozen om
zich toe te leggen op de opvang van slachtoffers van mensenhandel.
Bij het opstarten van 'T HUIS werden een aantal mensen betrokken die actief
waren of nog zijn in de strijd tegen de mensenhandel en de opvang van de
slachtoffers. Er is een nauwe samenwerking ontwikkeld met Pag-asa, Payoke
en Sürya. Er werden afspraken gemaakt met de gemeenschapsinstelling
"De Sande" in Beernem waar sommige jonge slachtoffers van vrouwenhandel
om veiligheidsredenen een eerste opvang krijgen in een voor de buitenwereld
enigszins afgesloten kader. In gezamenlijk overleg, en voor zover er geen
capaciteitsproblemen zijn, wordt deze eerste opvang in de gesloten gemeenschapsinstelling
zo kort mogelijk gehouden.
In de steden Brussel en Antwerpen, die geregeld geconfronteerd worden met
het fenomeen kinderhandel, werden goede contacten uitgebouwd met de gerechtelijke
instanties die verantwoordelijk zijn voor de veilige opvang van de slachtoffers
en het voeren van de strafonderzoeken. Ook met de politiediensten die belast
zijn met de strijd tegen de mensenhandel in Antwerpen, Brussel, Zaventem
enz. werden contacten gelegd die geleid hebben tot een bijzonder goede samenwerking.
In functie van de veiligheid van de slachtoffers werd er een goede samenwerking
ontwikkeld met de politiediensten in Aalst waarbij wij kunnen rekenen op
een heel alert optreden wanneer er risicosituaties zijn. Het is en illusie
te denken dat ons opvangcentrum niet gekend zou zijn door de milieus van
de mensenhandel en de mensensmokkel. Er werd dan ook voldoende geïnvesteerd
in de veiligheidsaspecten.
3. Enkele cijfergegevens
'T HUIS biedt in principe plaats aan 15 minderjarigen. Tussen 9 juni
1999 en 10 april 2001 werden 90 minderjarigen opgevangen. In het totaal ging
het om een 25-tal nationaliteiten. Negenentwintig jongeren waren volgens
ons slachtoffer van mensenhandel, waaronder 19 meisjes met het oog op exploitatie
in de prostitutie. Zes van deze meisjes waren afkomstig van Afrika en dertien
van Oost-Europa. Het jongste slachtoffer was 14 jaar oud. In bijna de helft
van de gevallen werd er gebruik gemaakt van de asielprocedure, waarbij doorgaans
valse gegevens omtrent de leeftijd opgegeven werden, om de minderjarigen
een "legaal" verblijf te verlenen en in de prostitutie te plaatsen. Op enkele
uitzonderingen na werden al deze meisjes aangetroffen in Antwerpen en Brussel.
Enkele meisjes werden onderschept met handelaars op de luchthaven van Zaventem.
Enkele van deze meisjes keerden terug naar hun land van herkomst in oost-Europa.
Sommigen verdwenen na enige tijd uit 'T HUIS. Eén verdwijning moeten
we beschouwen als onrustwekkend. In een drietal dossiers werden al veroordelingen
voor mensenhandel uitgesproken en in verscheidene andere werden aanhoudingen
verricht. De andere situaties van mensenhandel betreffen een 5-tal jongeren
uit China en een paar situaties van economische exploitatie in de horecasector.
Een aanzienlijk deel (30) van de jongeren die opgevangen werden in 'T HUIS
waren betrokken bij mensensmokkel richting Engeland. De overgrote meerderheid
van deze jongeren trok verder en van enkelen onder hen weten wij dat zij
het gehaald hebben om Londen te bereiken.
Voor deze jongeren bieden wij telkens opnieuw opvang ook al weten wij dat
de kans dat ze zullen blijven gering is omdat familieleden en "assisterende"
smokkelaars de jongeren onder druk zetten om verder te trekken. Hun verblijf
in 'T HUIS is dan ook veelal van korte duur.
De opvang van deze jongeren is heel arbeidsintensief en 'T HUIS staat telkens
weer opnieuw voor de uitdaging om een evenwicht te vinden tussen de vragen
van de jongeren en het aanbod van smokkelaars dat heel veel risico's inhoudt.
De opvang van deze laatste jongeren, meestal van Albanië, Afghanistan
enz, is meestal korter dan en maand.
Als we deze groep even buiten beschouwing laten en dieper inzoomen op de
werking kunnen we uiteraard vaststellen dat bijna 40% van ons begeleidingswerk
te maken heeft met slachtoffers van mensenhandel, nagenoeg allemaal met zekerheid
minderjarigen.
4. Knelpunten
4.1. Kinderhandel
In de wet van 13 april 1995 ter bestrijding van de mensenhandel heeft
de wetgever uitdrukkelijk de bedoeling gehad de mensenhandel met minderjarigen
strenger te bestraffen dan feiten die gepleegd worden ten aanzien van meerderjarigen.
Bovendien heeft de wetgever de bedoeling gehad alle betrokkenen die op een
of andere manier profijt hebben bij deze misdrijven financieel hard aan te
pakken. Op het terrein is daar volgens ons onvoldoende van te merken. We
kunnen vaststellen dat bij bepaalde vitrine-eigenaars in Antwerpen systematisch
minderjarigen aangetroffen worden maar dat deze panden niet verzegeld of
verbeurd verklaard worden. In de strafdossiers blijven deze
eigenaars, die minstens door onzorgvuldigheid medeplichtig zijn, bijna systematisch
buiten schot.
Een arrest van het Hof van Cassatie heeft nochtans duidelijkheid geschapen
omtrent het "abnormaal profijt" dat kan gerealiseerd worden door medeplichtigen
aan mensenhandel en vrouwenhandel, dus ook de vitrine-eigenaars. Het optreden
tegen deze betrokkenen blijft echter zeer ondermaats. Eigenaars krijgen van
de overheid eigenlijk het signaal dat het verhuren van vitrines waarin minderjarigen
plaatsnemen in hun hoofde ongestraft blijft.
4.2. Misbruik van de asielprocedure
We moeten vaststellen dat ongeveer de helft van de meisjes die in de prostitutie geëxploiteerd worden voorzien worden van verblijfsdocumenten in het kader van een asielaanvraag. Het is een oud zeer dat in Antwerpen vrouwen ongehinderd in de vitrine kunnen geplaatst worden als zij over dergelijke verblijfsdocumenten beschikken. Nochtans is de activiteit van deze meisjes in de vitrines totaal illegaal.
Het blijft een raadsel waarom daar geen eind aan gesteld wordt. De nieuwe
opvangformule voor asielzoekers biedt ook geen aanvullende oplossing voor
dit probleem. Alleenstaande asielzoeksters die door mensenhandelaars naar
België gebracht werden komen zelden of nooit aan
in de asielcentra en belanden meteen in de prostitutie. Minderjarigen die
zich aanmelden als meerderjarigen in de asielprocedure worden pas geconfronteerd
met een leeftijdsonderzoek als ze aangetroffen worden in de prostitutie en
de betrokkenen die de controle verrichten, op
het zicht, vragen hebben bij de leeftijd van de persoon die gecontroleerd
wordt. Wij menen dat de overheid dringend maatregelen moet nemen om dit oneigenlijk
gebruik van de asielprocedure voor misdadige doeleinden met minderjarigen
zoveel als mogelijk in te dijken.
4.3. Leeftijdsbepaling
Zoals hierboven aangegeven wordt er regelmatig geknoeid met de leeftijden
van minderjarigen die in de prostitutie geëxploiteerd worden. Een botscan
van de pols is lang niet altijd nauwkeurig. Toch biedt het in een aantal
gevallen aan de jeugdrechters een basis om een beschermende maatregel te
nemen ten gunste van de minderjarige en aan de pooiers te onttrekken. Het
gaat in dit domein zeker niet op de jongere zomaar het
voordeel van de twijfel te gunnen als zij, veelal onder druk van het milieu,
volhouden dat ze meerderjarig zijn. Uit onze eigen ervaringen, een aanzienlijk
aandeel van de minderjarige slachtoff ers van vrouwenhandel werden bij ons
ondergebracht na een botscan, kunnen wij vaststellen dat de maatregelen die
ten aanzien van de jongeren genomen worden nagenoeg altijd in hun voordeel
uitvallen en dat zij de kansen grijpen om uit het prostitutiemilieu te stappen
en een andere toekomst uit te bouwen. Sommigen onder hen waren wellicht toch
meerderjarig en enkelen daarvan hebben ons opvang- en hulpverleningsaanbod
uit eigen wil verlaten. Toch verdient het aanbeveling om de medische wereld,
met steun
van de overheid, uit te nodigen om de technieken voor leeftijdsbepaling
te verfijnen en bijvoorbeeld enkele ziekenhuizen te stimuleren om zich in
deze materie te specialiseren.
4.4. Betoelaging
Tot op heden wordt 'T HUIS gefinancierd als een voorziening binnen de
bijzondere jeugdbijstand. Om de werking minimaal rond te krijgen hebben wij
echter 1 begeleider meer in dienst moeten nemen dan voorzien in het subsidiëringskader.
Volgens berekeningen van de administratie hadden wij minstens 2,5 voltijdse
medewerkers meer in dienst moeten kunnen nemen om met een aanvaardbare werkdruk
te kunnen functioneren. De aard van de doelgroep vraagt ook meer uitgaven
dan voorzien in de betoelaging via de dagvergoeding.
Wij menen dat 'T HUIS z'n sporen als pilootproject verdiend heeft en kwaliteitswerk
biedt aan een zeer kwetsbare groep. Als de overheid niet zeer spoedig bijkomende
middelen voorziet zal 'T HUIS genoodzaakt zijn om af te bouwen, teneinde
het financieel structureel tekort weg te werken. Nog meer niet-begeleide
minderjarigen en slachtoffers van kinderhandel zullen dan geen aangepaste
opvang vinden….
--------------------------------------
AALST 13/06/2001 (BELGA) = "Het lot van de niet-begeleide buitenlandse
minderjarigen is uit de aandacht geraakt van het beleid, de publieke opinie
en de media". Er moet dan ook meer geld komen voor de opvang van die kinderen.
De vzw Minor Ndako kreeg reeds steun van het Impulsfonds voor investeringen,
en verwacht binnenkort antwoord van het Kabinet Vogels voor de ondersteuning
van de werking (waarvoor een erkenning voor een capaciteit van 15 tot 16
is aangevraagd). Men wil operationeel zijn tegen oktober 2001, ten laatste
begin 2002.
Dat zeggen 't Huis Aalst, Joba Antwerpen, Minor-Ndako Brussel, het Vlaams
Welzijnsverbond, Pluralistisch Platform Jeugdzorg, de federatie voor Pleegzorg
en de comités voor Bijzondere Jeugdbijstand van Antwerpen en Brussel.
De organisaties eisen dat bij de opmaak van de begroting 2002 door de Vlaamse
regering meer middelen worden vrijgemaakt. Zo wordt minstens 100 miljoen
gevraagd voor de werking van Joba, 't Huis en Minor-Ndako. Die verenigingen
staan in voor de opvang van alleenstaande minderjarige vluchtelingen en slachtoffers
van kinderhandel en kindersmokkel.
Woensdagmiddag verstuurden zij een brief, symbolisch op de bus gedaan door
een minderjarige vluchteling, naar minister-president Patrick Dewael en
de leden van zijn Vlaamse regering. De verschillende organisaties trekken
aan de noodrem. Omdat er nu ook bij de controle van de begroting geen middelen
werden vrijgemaakt komt hun werking in het gedrang.
"Joba Antwerpen kan niet uitbreiden, 't Huis Aalst stevent af op een faillissement
en Minor-Ndako kan niet van start gaan. Er zijn dringend middelen nodig om
de jongeren op te vangen. Er worden nu reeds minderjarigen aan hun lot overgelaten
omdat er geen plaatsen vrij zijn om hen opvang te bieden en nog steeds worden
minderjarigen opgesloten in Merksplas bij gebrek aan alternatieven, niettegenstaande
de belofte van de regering dat deze praktijk zou stopgezet worden op 1 januari
2001", stelt Paul Nijs, directeur van 't Huis.
Volgens Nijs verloopt de opvang van minderjarigen niet steeds correct.
"Vannacht werd in Oostende een Roemeense jongen gevonden die bij gebrek
aan opvang opgesloten werd in een politiecel. Die jongen wordt nu in de loop
van de dag naar Aalst overgebracht maar heeft nog niets anders dan politie-agenten
gezien", aldus Paul Nijs./.MVS/DRJ (lrt)
------------------------------------------------------
Knack 23 juni 2001, 't Huis is te klein . Ondanks beloften van de regering
worden in Merksplas nog altijd minderjarigen opgesloten. Het gebrek aan opvang
blijft op nationale en internationale kritiek stuiten.
Vorige week zat er weer een veertienjarige jongen uit Kosovo in Merksplas opgesloten. 'Ze bellen ons wel om hem over te nemen, maar we zitten vol', zegt Paul Nijs van het opvangcentrum 't Huis in Aalst. 'Er zijn dringend bijkomende middelen nodig om niet-begeleide buitenlandse minderjarigen op te vangen. Maar bij de begrotingscontrole van de Vlaamse Gemeenschap werden de gevraagde fondsen onlangs weer geweigerd. Daardoor stevent 't Huis af op een faillissement en komen andere centra niet van de grond. Wij weten dat er minderjarigen op straat aan hun lot overgelaten worden omdat er geen opvang mogelijk is. Anderen worden nog steeds in Merksplas opgesloten, niettegenstaande de belofte van de regering dat deze praktijk zou worden stopgezet op 1 januari 2001'.
In een net afgewerkt rapport van de Internationale Organisatie voor Migratie
(IOM) weerklinkt dezelfde kritiek: het ontbreken van een coherent beleid
en een schromelijk tekort aan gespecialiseerde opvang, waardoor minderjarigen
nog altijd opgesloten worden. De IOM verbaast zich erover dat ruim vijftig
procent van de niet-begeleide minderjarige asielzoekers in België meisjes
zijn, terwijl het in andere landen gemiddeld voor tweederde om jongens gaat.
Dat zou komen omdat België een favoriete bestemming blijft om jonge
meisjes in de prostitutie te loodsen.
De leeftijd van buitenlandse prostituees blijft dalen. Vooral Albanese bendes
zouden hier met handel in minderjarigen bedrijvig zijn. De IOM vraagt ook
bijzondere aandacht voor het hoge aantal 'verdwijningen met onbekende bestemming'
uit Belgische asiel- en opvangcentra.
Het opvangcentrum 't Huis is volgens het IOM-rapport wél een voorbeeld
van een goed draaiend centrum dat in het belang van het kind werkt. Directeur
Paul Nijs zal het graag lezen. Net twee jaar geleden begon hij in een leegstaand
klooster in Aalst met een kleinschalig project om aan vijftien jongeren crisis-
en oriëntatiebegeleiding te geven. Een paar weken later, tijdens de
zomervakantie, liep 't Huis al vol. Sindsdien werd een honderdtal jongeren
opgevangen van wel vijfentwintig nationaliteiten. Een aanzienlijk deel was
betrokken bij mensensmokkel naar Engeland. Ongeveer eenderde was slachtoffer
van echte mensenhandel. De jongste klant was veertien jaar oud. Paul Nijs:
'Wat wij niet begrijpen, is dat bij sommige vitrine-eigenaars in Antwerpen
systematisch minderjarigen aangetroffen zijn, maar dat die panden toch niet
verbeurd verklaard werden'.
Zoals ook de IOM signaleert, is er een groot gebrek aan coördinatie
tussen de verschillende Belgische bevoegdheidsniveaus. Alleenstaande minderjarige
asielzoekers moeten naar de gewone asielcentra (al dan niet in een speciale
afdeling) en vallen ten laste van de federale overheid. Die federale overheid
wil zich niets aantrekken van de andere categorieën van niet-begeleide
minderjarigen, die door de Vlaamse overheid moeten worden opgevangen. Zij
vallen in feite onder de bijzondere jeugdzorg, net als Belgische minderjarigen.
Het is ook in dat kader dat 't Huis als een proefproject is opgestart. Om
de werking rond te krijgen, moest 't Huis echter meer begeleiders in dienst
nemen dan voorzien was. Paul Nijs: 'Als de Vlaamse overheid geen middelen
wil geven, zal 't Huis zijn capaciteit moeten afbouwen, om zo de financiële
tekorten weg te werken. Dan zullen nog minder kinderen en jongeren kunnen
worden opgevangen...'
De werking van diensten zoals 't Huis in Aalst, Joba in Antwerpen en Minor-Ndako
in Brussel wordt fundamenteel bedreigd als de Vlaamse regering de bijkomende
kredieten blijft weigeren. Veel beleidsmensen bewijzen graag lippendienst
aan het Verdrag van de Rechten van het Kind, maar dan wel met de hand op
de knip.
Terug naar het begin van de pagina
Aangezien de vermenigvuldiging van de centra die niet begeleide vreemde
minderjarigen opvangen in België en de uitgedrukte wil vanwege deze
centra elkaar te ontmoeten, heeft de besturingsgroep van het beginselprogramma
"Kinderen op de vlucht" een vergadering op 10 april in het Klein kasteeltje
(C.A.D.E.) georganiseerd. Daar werden alle voornoemde opvangcentra uitgenodigd.
Deze ontmoeting strekte ertoe kennis te maken met de andere opvangcentra,
elkaars praktijken te wisselen, over terugkerende problemen waarmee deze
opvangcentra geconfronteerd zijn te discussiëren.
Teneinde deze vergadering voor te bereiden, werd er aan iedereen gevraagd
zijn opvangcentrum voor te stellen. Hierna volgt een synthese van de voorstelling:
I. De Dienst S’ACC’ADOS van het opvangcentrum voor vluchtelingen te Florennes
De dienst
" S’Acc’Ados " (Service d’Accompagnement pour adolescents) hangt af van
het opvangcentrum
voor vluchtelingen
dat op 23 december 1992 van start is gegaan. Het centrum is voorzien voor
een
opvang van
350 mensen, terwijl de dienst " S’Acc’Ados " over 32 plaatsen beschikt voor
jongens en voor
enkele meisjes
van 14 tot 18 jaar voor een opvang van een termijn van 1 dag tot 1 jaar.
Twee maatschappelijke
werksters, een groep van 6 werknemers van het centrum en vrijwilligers zorgen
voor de omkadering
van de jongeren en het organiseren van activiteiten ’s avonds en gedurende
het
weekend.
De maatschappelijke
opvolging van de asielprocedure, het onderwijs, het leven in het centrum,
het
welzijn van
de jongeren, ...is verzekerd. Het centrum zorgt ervoor dat elke jongere een
advocaat heeft.
Een interne
medewerking wordt verzekerd met alle diensten van het centrum om het dagelijks
leven te
verbeteren
(aanpassing aan de tijdsrooster, geneeskundige en psychosociale opvolging,
...). Bovendien
bestaat er
in de dienst een externe medewerking met de advocaten, de OCMW’s, de VZW’s,
de
maatschappelijke
diensten, de scholen, de eigenaars, de administraties (DVZ, CGVA,...).
Het onderwijs
wordt georganiseerd met de maatschappelijke werkster en er wordt rekening
gehouden met
de wens en
het schoolverleden van de minderjarige, eveneens met de mogelijkheden van
de vijf
scholen waarmee
de dienst werkt.
Twee scholen
hebben klassen opgericht bestemd voor het OKAN-onderwijs (Onthaalklas voor
Anderstalige
Nieuwkomers) et een soortgelijk project is aan de gang in bepaalde scholen
van Florennes.
Sport – en
culturele activiteiten zijn georganiseerd en een project van integratie van
de jongeren met de
jeugd van Florennes
is aan de gang met de AMO van Florennes.
De jongeren
mogen het centrum verlaten (maximum 3 dagen) om bij vrienden te gaan, mits
de
toestemming
van hun maatschappelijke werkster en op voorwaarde dat zij hun gegevens achterlaten
.
Geen enkele
voogdijschap wordt georganiseerd.
Het tolken
wordt verzekerd door residenten waarin de jongeren vertrouwen hebben of door
een
tolkendienst.
Met de goedkeuring
van de directie, organiseert de sociale dienst het zelfstandig gaan wonen
van de
minderjarige.
Soms wordt er rekening gehouden met het advies van het OCMW. In geval van
afstand van
het OCMW, probeert
de dienst de opvolging van de jongere ter plaatste te organiseren via verschillende
sociale diensten.
Sinds oktober
1999, hebben een twintigtal jongeren het centrum verlaten zonder enig adres
achter te
laten: er werd
een advies van verdwijning aan de gemeentepolitie verstuurd.
Om een betere
dagelijkse begeleiding van de jongeren te verzekeren, zijn bepaalde projecten
aan de
gang: reorganisatie
van de kamers van de jongeren, oprichting van een ontspanningskamer, oprichting
van een werkgroep
met de werknemers van het centrum. Een ander project, "projet MiNaMo " genaamd,
in medewerking
met de AMO " Jeunes 2000 " is aan de gang. De bedoeling daarvan is : "zich
openen
tot elke minderjarige
van alle oorsprong, op zoek gaan naar andere modaliteiten van ontmoeting en
medewerking
door namelijk "ontmoetingsperioden" tussen de jongeren, de verschillende
maatschappelijke
werkers en de plaatselijke politici op te richten. Zich samen situeren in
een pedagogie
van nieuwe
projecten, de menselijke interactie, de interculturalisatie, de sociale integratie,
...
bevorderen
teneinde de verschillende vormen van uitsluitingen, van raciale spanningen,
... te
verminderen".
Het gebrek
aan bijzondere reglementering voor niet begeleide vreemde minderjarigen
maakt het werk
moeilijker,
zowel in het kader van de asielprocedure, als op het niveau van het OCMW,
van de opvang,
de omkadering,
...Aangezien het gebrek aan budget, wordt bovendien de dienst verplicht
zijn werk te
organiseren
op basis van de goede wil van zijn werknemers en van de bevoegde autoriteiten.
Bijgevolg,
menen ze dat het fundamenteel is dat de opvang van de niet begeleide minderjarigen
zo
vlug mogelijk
geregeld wordt en eveneens aangepast wordt aan hun noodwendigheden.
· Maatschappelijke
werksters van de Dienst " S’Acc’Ados " :
Muriel Motte
et Murielle Toussaint
Service " S’Acc’Ados
" Centre d’Accueil pour Réfugiés;
Rue de Rohan
Chabot, 120; 5620 Florennes
Tél.
071/68.11.44.-45; Fax : 071/68.11.05
e-mail : saccados@yahoo.fr
II. Opvangcentrum voor Vluchtelingen te Rixensart
Dit federaal
opvangcentrum is op 1 april 1997 van start gegaan. Het is voorzien voor
160 mensen (doel:
210 bewoners
bereiken voor 2001).
De niet begeleide
minderjarigen maken ongeveer 10 à 15 % uit van de opgevangen personen.
63
mensen werden
sinds de opening van het centrum opgevangen voor een gemiddelde termijn van
5
maanden (van
enkele uren tot enkele jaren).
Er bestaat
geen wettelijke officiële voogdijschap.
De sociale,
juridische en schoolopvolging wordt verzekerd door een maatschappelijke
medewerker die
zich bezig
houdt met de opvang van de minderjarige, zijn dagelijkse problemen, de opvolging
van de
procedure,
de schoolkeuzevoorlichting...
Medewerkingen
vinden plaats met advocaten (niet systematisch), met externe sociale diensten
(Mentor,
Exil, Caritas,
Convivial, solidarité socialiste,…), met vertalingsdiensten, ...
Talrijke sport
- en socioculturele activiteiten worden georganiseerd. Het zelfstanfig gaan
wonen van de
jongere wordt
georganiseerd door de OCMW’s of VZW’s, zoals Mentor of Exil.
Het aantal
verdwijningen van niet begeleide vreemde minderjarigen bereikt 30 %. De
verdwenen
worden onmiddellijk
verklaard bij de politiediensten, zelfs als er een bevel om het grondgebied
te
verlaten hangend
is.
Een project
van een bijzondere geïntegreerde dienst is aan de gang. Deze dienst
zal de volgende
bevoegdheden
groeperen: sociaal, school, sociocultureel, recreatief, ...
·
Contactpersoon:
Thierry
Bonamis : 02/ 655.10.24.
Centre d’accueil
pour réfugiés de Rixensart
Rue du Plagniau,
1; 1330 Rixensart
Tél
: 02/655.10.20; Fax : 02/0652.34.69
III. Opvangcentrum voor Vluchtelingen te Bevingen
Het federaal
opvangcentrum Bevingen dat op 23 december 1998 van start is gegaan, is voorzien
voor
een opvang
van 350 mensen. Het opvangcentrum is opgedeeld in drie leefgroepen die telkens
over vier
personeelsleden
beschikken. Een van die leefgroepen richt zich op de opvang van families
en de niet
begeleide minderjarigen.
Er worden in totaal 90 mensen opgevangen, waarvan 15 niet begeleide
minderjarigen.
Er wordt
geen voogdijschap in het centrum georganiseerd.
Aangezien de
niet begeleide minderjarigen diegenen zijn die het langst in het centrum
verblijven, is er
veel belang
gehecht aan de omkadering, aan de begeleiding op school en aan de
buitenschoolsactiviteiten
.
De opvolging
van de asielprocedure wordt verzekerd door een advocaat die de minderjarige
in het
centrum ontmoet.
De niet begeleide
minderjarige blijft in het opvangcentrum, ongeacht of de uiteindelijke beslissing
over
de asielaanvraag
positief of negatief uitvalt. Heeft de niet begeleide minderjarige een negatieve
beslissing
bekomen, dan wordt hij niet uit het land gezet vanuit het belang van het
kind.
Bekomt hij
een positieve beslissing, dan is hij nog niet noodzakelijk voldoende zelfstandig
van instelling
om op eigen
houtje een appartement te betrekken. Dientengevolge is de periode gedurende
dewelke
een minderjarige
verblijft in het opvangcentrum niet afhankelijk van de snelheid van de asielprocedure,
toch eerder
van zijn gedrag, zijn leeftijd, de snelheid waarmee zij een alternatief voor
het
opvangcentrum
kunnen vinden. Het zoeken naar een pleeggezin en opvang in een jongerencentrum
zijn
andere mogelijkheden
naast het zelfstandig gaan wonen.
Een opvolging
van de minderjarigen die zelfstandig gaan wonen is op dit ogenblik niet
voorzien
aangezien het
gebrek aan personeel. Zij hopen in de toekomst wel meer personeel te bekomen
alsook
een infrastructuur
gericht op minderjarigen zodat de begeleiding gedurende het verblijf intenser
kan
gebeuren, en
waardoor ook de begeleiding van zelfstandig wonen van start zou kunnen gaan.
Er verdwijnen
weinig niet begeleide minderjarigen die asiel hebben aangevraagd.
Contactpersoon
: Bruno Dotremont en Ingrid Declunder : 011.69.75.22
Opvangcentrum
voor Vluchtelingen Bevingen
Montenakenweg,
145; 3800 Bevingen
Tel : 011.69.75.00;
Fax : 011.69.75.76
IV. De C.A.D.E. van het opvangcentrum voor Vluchtelingen van het Klein Kasteeltje
De C.A.D.E.
(Centre pour Adolescents en exil " centrum voor jongeren op de vlucht ")
is op 26 juni 2000
van start gegaan
en is voorzien van 40 plaatsen voor minderjarige niet begeleide asielaanvragers
:
zowel jongens
als meisjes van 15 tot 18 jaar voor een gemiddelde duur van 8 maanden. Om
een
gepaste kader
aan deze jongeren aan te bieden, heet het klein kasteeltje een deel van het
gebouw
gerenoveerd.
De inrichting van het gebouw is voorzien om een " eenheid van leven ", totaal
onafhankelijk
van de andere gebouwen van het klein kasteeltje, te waarborgen. De jongeren
beschikken
over een ruime
living, een eetkamer, een onafhankelijke keuken en een ruimte voor het wassen
en het
strijken. De
slaapkamers (6 kamers voor jongens en 4 kamers voor meisjes) zijn onderverdeeld
in 4
gescheiden
ruimten en zijn uitgerust van een toilet en een douche. Een eigen ontspannings
– en
ontmoetingskamer
wordt eveneens voorzien in de hoofddeel van het klein kasteeltje.
De specifieke
begeleiding wordt verzekerd door twee maatschappelijke werkers en 8 pedagogen
onder de
coördinatie
van een dienstdirecteur. De maatschappelijke werkers richten hun werk tot
de individuele
begeleiding
(procedure, OCMW, advocaat, …) en de pedagogen richten hun werk tot het groepwerk
teneinde het
gezamenlijk leven te harmoniseren. Ieder bewoner beschikt, als referentiepersoon,
over een
maatschappelijke
werker en over een pedagoog. Dit maakt een meer gerichte begeleiding en
een
identificeerbare
aanknopingspunt in andere materies zoals de school, de medische opvang,
de
psychologische
begeleiding, de asielprocedure, het onderwijs, … mogelijk.
De begeleiding
is eveneens ertoe gericht de vaardigheden en de persoonlijke capaciteiten
van de
minderjarige
te ontdekken en te ontwikkelen ; " wat weet ik al ? Wat wil ik leren ? wat
moet ik leren ? ".
Daardoor kan
elke mens de culturele grenzen oversteken en kan de minderjarige beschikken
over al
hetgeen hij
nodig heeft om in onze cultuur zich te kunnen ontplooien, zonder daardoor
zijn eigen
identiteit
te moeten verliezen of verwerpen.
In de onzekerheid
van de uitgang van de asielprocedure leven is een zware beproeving. De
begeleidingsploeg
is onafhankelijk van de personen die de eindbeslissing nemen. De begeleiding
bestaat erin
de minderjarige in de loop van de procedure te begeleiden.
Een pedagoge
werd voltijds tewerkgesteld voor de schoolsbegeleiding. Haar taak bestaat
erin een school
te vinden voor
de minderjarige, contact opnemen met die school, de minderjarige inschrijven,
maandelijkse
evaluaties opstellen, de verantwoorde en onverantwoorde afwezigheden controleren,
het
materiaal beheren,
…De C.A.D.E. werkt samen met 22 scholen van het " Brussels Hoofdstedelijk
gewest ",
waarvan 3 nederlandstalige
scholen.
De maatschappelijke
werker van referentie verzekert de opvolging van de juridische stappen die
door een
" pro deo advocaat
" uitgevoerd werd.
Een bijzondere
aandacht wordt besteed aan de organisatie van het zelfstandig wonen van
de jongeren.
De dienst gaat
binnenkort gemeenschappelijke criteria instellen voor de jongeren die zelfstandig
wensen
te wonen. Het
is essentieel voor de dienst dat de minderjarige bekwaam wordt om bepaalde
specifieke
taken alleen
te vervullen, zoals de lichaamshygiëne, het koken, het onderhoud (wassen,
klussen…), het
lezen van berichten
om een appartement te vinden, het ondernemen van officiële stappen (openen
van
de rekeningen,
inschrijving bij de gemeente, …), het leren van de waarde van het geld,
…
De pedagogen
van de CADE proberen culturele en sportactiviteiten met de dienst "animatie"
van het
klein kasteeltje
te organiseren.
Geen enkele
voogdijschap wordt georganiseerd.
Sinds de opening
van de CADE, zijn 14 jongeren verdwenen zonder adres achter te laten, wat
18 % van
de verdwijningen
uitmaakt. Telkens werden verdwijningsverklaringen neergelegd. Het rythme
van deze
verdwijningen
vermindert sinds januari 2001. Er waren ongeveer 2 verdwijningen per maand.
Op de dag
van vandaag
is er maar 1 per maand.
Verantwoordelijke
van d CADE :
Laetitia Van
Osta : 02.250.05.19
De CADE; Opvangcentrum
van het Klein kasteektje; Negende Linielaan 27; 1000 Brussel
V. Opvangcentrum voor Vluchtelingen te Sungy
Het federaal
centrum te Suny is in december 1999 van start gegaan en is actueel voorzien
voor een
opvang van
75 mensen.
Er bestaat
geen specifieke dienst of bijzondere structuur voor niet begeleide minderjarigen.
Toch werd
een takenschool
opgericht, die verzekerd wordt door de diensten " animatie en sociaal "
van het centrum.
Er bestaat
een project van organisatie van voogdijschap over deze jongeren.
Tot nu toe
heeft het centrum 6 niet begeleide minderjarigen van verschillende nationaliteiten
opgevangen.
Drie van de 6 verblijven nog in het centrum.
Het onderwijs
gebeurt onmiddellijk na hun aankomst in het centrum in een school van de
streek. Deze
school vangen
de leerlingen volgens hun leeftijd op in de "Onthaaklas voor Anderstalige
Nieuwkomers"
of in derde
professioneel.
De jongeren
hebben geen enkele activiteit buiten het centrum, behalve diegenen door
de school
georganiseerd
(voetbal, excursies, …)
Er bestaat
geen vertalingdienst in het centrum. Bepaalde asielaanvragers dienen soms
als tolken.
De sociale dienst
: Carole Duterme en malory Evrard; Opvangcentrum voor vluchtelingen; te
Suny; Voie de
Bohan, 245;
5550 Suny
Tel : 061.50.81.24;
Fax : 061.50.00.97
VI. Opvangcentrum voor Vluchtelingen te Morlanwelz
Het federaal
opvangcentrum te Motlanwelz is in januari 2001 van start gegaan.
Er bestaat
geen specifieke opvangdienst voor niet begeleide minderjarigen. Niettegenstaande
coördineren
twee begeleiders het schooltijd van deze minderjarigen en het leven in het
centrum en zij
organiseren
eveneens minstens een keer per week een specifieke activiteit met de associatieve
organisaties
van Morlanwelz.
Sinds de
opening van het centrum werden 17 minderjarigen tussen 16 en 18 jaar opgevangen.
Iedere minderjarige
wordt geholpen in het kader van de procedure door een maatschappelijke werker
van het centrum
en bij gebreke daarvan, door een advocaat. De maatschappelijke werker houdt
zich
bezig met het
contacteren en het organiseren van de contacten met andere diensten en personen
buiten
het centrum.
Het onderwijs
van deze jongeren gebeurt in de scholen van de streek van het centrum die
spijtig genoeg
geen tolken
bezitten (het centrum evenmin).
Sinds de opening
van het centrum zijn 3 minderjarigen op de 17 verdwenen.
Zij beschikken
over geen gepaste structuur teneinde het zelfstandig gaan wonen van de minderjarige
te
organiseren.
De sociale
dienst heeft er spijt van dat er structuur en personeel ter beschikking gesteld
van het centrum
ontbreekt om
de niet begeleide minderjarige op een aanvaardbare manier in het centrum
zelf en in het
zelfstandig
gaan wonen om te kaderen.
Zij hebben
ook administratieve problemen wat betreft de gelijksteling met belgische
diploma’s, eveneens
met de mogelijkheid
OKAN-onderwijs te vinden.
Contactpersoon
van de sociale dienst : Dontaine; Opvangcentrum voor Vluchtelingen te Morlanwelz
Chaussée
de Mariemont, 92; 7140 Lorlanwelz
Tel : 064.23.40;
Fax : 064.23.96.52
VII. Opvangcentrum voor Vluchtelingen te Jodoigne
Het federaal
centrum te Jodoigne zal haar deuren openen in de loop van de maand mei 2001
en zal
voorzien worden
voor een opvang van ongeveer 100 mensen teneinde geleidelijk 350 plaatsen
te
bereiken.
Tot nu toe
wordt er geen speecifieke dienst voorzien voor de omkadering van niet begeleide
van
minderjarigen.
De kinderen van kandidaten-vluchtelingen zullen georiënteerd worden
naar verschillende
scholen van
de streek van Jodoigne.
Iedere resident
zal de mogelijkheid hebben aan activiteiten buiten het centrum deel te nemen
(sport-en
culturele activiteiten).
Het centrum
zal over en sociale, geneeskundige en animatie dienst beschikken, eveneens
over een
winkelvereniging.
De sociale dienst
: Dominique Goffin, jennifer Mabbot, Aslan Igrek
Opvangcentrum
voor vluchtelingen te Jodoigne; Ch. de Hannut, 141; 1370 Jodoigne; Tel :
010.68.18.91
VIII. Opvangcentrum voor Vluchtelingen te Bovigny
Het federaal
centrum te Bovigny zal haar deuren openen in de loop van de maand mei of
juni 2001. Het
is voorzien
voor een opvang van 200 mensen om te beginnen teneinde voor eind 2001 een
opvangcapaciteit
van 600 mensen te bereiken.
De sociale
dienst : Sandrine Ballaux, Nathalie Calay, Véronique Quiriny
Opvangcentrum
voor vluchtelingen te Bovigny; Chemin de Courtil
6671 Bovigny;
Fax : 080.42.09.35
IX. Opvangcentrum voor vluchtelingen te Arendonk
Het federaal
centrum te Arendonk zal binnenkort haar deuren openen. Momenteel zitten
zij nog in de
opstartfase.
In de eerste fase zullen er 170 mensen opgevangen worden, in de tweede,
600.
Er zal een
aparte blok in het opvangcentrum voor niet begeleide minderjarigen voorzien
worden en een
aparte dienst
zal georganiseerd worden.
Contactpersoon
: Hedwig Van Roost, Tine Vervisch : 0497/05.29.95
Opvangcentrum
voor vluchtelingen te Arendonk; Grens, 77
2370 Arendonk;
Tel en fax : 014.67.25.27
X. opvangcentrum voor vluchtelingen van de Rode Kruis-Vlaanderen te Deinze
Het opvangcentrum
van Deinze is van start gegaan in januari 1991. Het vangt 16 niet begeleide
minderjarigen
op een totaal van 55 bewoners op. Het gaat hier om jongeren tussen 16 en
18 jaar.
Daarnaast worden
in het centrum gezinnen en " oudere " (+ 35 jaar) alleenstaande opgevangen
die met
de minderjarigen
samenleven. Er werd voor deze optie gekozen omdat de aanwezigheid van oudere
alleenstaande
mannen een gunstig effect hebben op de jongeren (stabiliteit, brug met hun
eigen
cultuur, gezagsfiguur).
De omkadering
wordt verzekerd door 5 begeleiders gedurende de dag.
De begeleiders
van de Rode Kruis proberen vanuit hun neutrale positie het vertrouwen te
winnen van de
niet begeleide
minderjarigen (wat zeer tijdrovend is).
De individuele
begeleider heeft minstens éénmaal per week contact met de
asielzoeker om hem te
helpen in de
verschillende aspecten van zijn leven : functioneren binnen het centrum,
de groep, op
school, vrijetijdsbesteding,
toekomstperspectief en situering t.o.v. zijn verleden. De voornaamste
doelstelling
is van de jongere de nodige verantwoordelijkheidszin aan te leren om samen
gaandeweg te
kijken wat
de best mogelijke oplossing is voor de toekomst : dit kan gaan van een eventuele
terugkeer
naar het land
van herkomst of zelfstandig gaan wonen of voorlopig in het centrum verblijven.
De nodige
tijd en aandacht wordt besteed aan familiale banden met, indien nodig, behulp
van externe
organisaties.
Als hij geen contact meer heeft met zijn familie kan de dienst Tracing van
de Rode kruis
ingeschakeld
worden.
De jongeren
zijn ertoe gehouden het huishoudelijk reglement te respecteren dat bestaat
voor alle
asielzoekers.
Rond een aantal punten is er een specifieke invulling voor niet begeleide
minderjarigen :
afwezigheden
en bezoeken aan vrienden of familieleden worden eerst met de individuele
opvolger
besproken die
al dan niet de toestemming geeft. Er wordt steeds gevraagd om een naam, adres
en
telefoonnummer
achter te laten van waar zij naar toe gaan. De minderjarige krijgt tijdens
de
schooldagen
geen toestemming om elders te slapen.
In geval van
verdwijning wordt de politie op de hoogte gebracht.
De individuele
begeleider besteedt veel tijd aan het uitleggen van de asielprocedure en
de hele
procedure wordt
van zeer nabij opgevolgd (bijvoorbeeld begeleiding om naar het interview
te gaan).
Indien nodig
zal een pro deo advocaat ingeschakeld worden.
Een aantal
minderjarigen gaan naar het OKAN-onderwijs, dat voor die groep is die na
een jaar intensief
Nederlands,
een kans maken om door te stromen naar het reguliere onderwijs.
Toch was
er een duidelijke behoefte om te gaan zoeken naar een alternatief systeem
voor het
OKAN-onderwijs
om diverse redenen :
- bepaalde minderjarigen verblijven korte tijd in het centrum : er was dus
nood aan op
korte termijn praktische invulling van het Nederlands.
- Er werd ook vastgesteld dat en voltijds onderwijssysteem voor een jongere
die maar
nog weinig onderwijs genoten heeft vaak te belastend is.
- Een aantal jongeren kunnen omwille van hun leeftijd na een jaar OKAN niet
meer
doorstromen naar het reguliere onderwijs.
- Er was ook nood aan het kunnen aanbieden van vaardigheden die de
zelfredzaamheid hier kunnen verhogen maar die ook een meerwaarde betekenen
bij
een terugkeer naar het land van herkomst.
Er werd een
samenwerking opgestart met het Centrum voor levensvorming in Gent. Dit centrum
richt
deeltijds onderwijs
in voor anderstaligen. Het vormingspakket van 15 lesuren per week omvat algemene
vorming, technische
vorming en atelierwerking.
De schoolopvolging
wordt georganiseerd door vrijwilligers. Daarnaast is er een wekelijks communicatie
tussen schoolverantwoordelijke
in het centrum en begeleiders van OKAN om een goede opvolging
tussen de jongere
en het schoolgaan mogelijk te maken. Verschillende individuele en collectieve
activiteiten
worden georganiseerd tijdens de vakantieperiodes en in het weekend.
Elke jongere
moet zorgen voor het onderhoud van zijn eigen kamer. Tijdens de week volgen
de families
en alleenstaanden
de huishoudelijke klussen op in het centrum. Tijdens het weekend is dit
uitsluitend
voorbehouden
aan de jongeren die op die manier het bedrag van hun zakgeld kunnen verhogen.
Zij stellen
vast dat vele jongeren van het centrum verdwijnen. Van de 27 niet begeleide
minderjarigen
die werden
opgevangen in 1999 vertrekken 16 opnieuw binnen de 3 maanden.
Vele jongeren
zonder regulier statuut vragen het asiel aan omdat er geen alternatief is.
Contactpersoon
: Hilde Van Gastel (verantwoordelijke)
Rode Kruis-Vlaanderen;
Chaussée de Vleurgat, 98; 1050 Brussel
Tel : 02.645.44.11;
Fax : 02.646.04.41
XI. Mentor-Escale
De VZW mentor-Escale
werd op 3 oktober 1997 opgericht met als doel de niet begeleide jongeren op
de
vlucht die
zelfstandig gaan wonen te helpen op een autonome en verantwoordelijke manier
de zorg op
zichzelf te
nemen gedurende hun verblijf hier in België. De VZW heeft ook als doel
een sociaal steunnet
op te richten,
en projecten te ontwikkelen teneinde hun ontplooing te begunstigen.
De VZW werd
erkend, gemandateerd en gesubsidieerd door het Ministerie voor sociale integratie
en
geniet van
het publiek en privaat mecenaat.
De omkadering
van de jongeren wordt verzekerd door professionele psychologen, maatschappelijke
werkers, pedagogen
en door vrijwilligers.
Om de hulp te kunnen genieten van de VZW, moet de jongere :
- minder dan 18 jaar zijn of meer indien hij minderjarigen in de zijlinie
ten laste heeft
- in België verblijven zonder ouders of wettelijk verantwoordelijke
persoon
- wensen en in staat zijn om zelfstandig te gaan wonen
- recht hebben op sociale steun of over voldoende middelen beschikken om
zelfstandig
te gaan wonen
- een levensvormingsproject ontwikkelen of wensen het te doen
- zich aansluiten bij hun omkaderingssysteem
Actieprincipes
De actie is
preventief, pluridisciplinair en ontvoogdend : zij wekt levensvoorwaarden
op die gunstig zijn
voor de ontplooing
van de jongere teneinde de deliquentie, de drugs de prostitutie te vermijden.
Zij
verwaarloost
geen enkele luik van het leven van de jongere en helpt de jongere geleidelijk
aan de zorg
op zichzelf
te nemen.
Werkmodel
1) eerste onderhoud: voorstelling van de instelling, haar werking en zich
te kunnen
vergewissen dat de voorwaarden vervuld zijn
2) tweede onderhoud: om zich te vergewissen dat de jongere de werking van
het Huis
goed begrepen heeft en hulp bieden voor het op zoek gaan van een appartement
3) de psycho-sociale en psychologische begeleiding opvolging kan starten.
Het wordt
gebaseerd op verschillende ontmoetingen per week.
4) Het contract tussen de jongere en het Huis wordt geformaliseerd op het
einde van de
maand, in aanwezigheid van de directeur.
5) Regelmatige evaluaties
6) Einde van de begeleiding wanneer de jongere voldoende zelfstandig is
of wanneer
het werkkader van het Huis de jongere niet meer past. In alle gevallen worden
er
bemiddelaars aan de jongere voorgesteld
Omkadering voorgesteld aan de jongere
1) een individuele begeleiding aangepast aan elke jongere in functie van
zijn graad
van zelfstandigheid, van zijn administratieve situatie en van zijn noodwendigheden
(opzoeking en beheer van een huivesting, asielprocedure, oriëntatie
en
schoolopvolging, geldbeheer, psychologische opvolging, …).
2) In de mate van het mogelijke en indien de jongere het wenst, wordt hij
in contact
gesteld met een belgische peter of meter, voor een morele steun, niet financieel.
3) Collectieve pedagogische activiteiten (keukenateliers, thematische spraakgroepen,
schoolsteun, leren van informatica, …).
Contactpersoon
: François Casier, Directeur; Mentor-Escale; Rue Souiveraine, 19;
1050 Brussel
Tel : 02.505.32.32;
Fax : 02.505.32.39
E-mail : mentorescale@brutele.be
Terug naar het begin van de pagina
ALGEMENE INLEIDING 1
HOOFDSTUK 1: DE ILLEGALE VERBLIJVERS EN HET RECHT OP ONDERWIJS
4
§1: Het Asielbeleid 5
1.1 De Conventie van Genève 5
1.2 Het Asielbeleid in België 5
1.3 De illegale verblijvers 8
§2: Het recht op onderwijs voor illegale verblijvers 9
2.1 Het Recht op Onderwijs 10
1) Het akkoord in Vlaanderen 10
2) Subsidies in Vlaanderen en Wallonië 12
3) Diploma 12
4) Onderwijs voor volwassenen 12
2.2. Het belang van onderwijs voor niet-legale kinderen 13
§3: Faciliteiten ter beschikking voor de opvang van illegale verblijvers
14
3.1 Het Non-discrimatiepact 14
3.2 Anderstalige Nieuwkomers 15
3.3 Onderwijsvoorrangsbeleid voor migranten 16
3.4 Zorgverbreding 17
§4: Besluit 18
HOOFDSTUK 2: EEN VERKENNING VAN HET ONDERZOEKSVELD EN DE
ONDERZOEKSOPZET 19
§1: Afbakening van de populatie 19
§2: De onderzoekseenheden 20
§3: De kwalitatieve interviews 26
3.1 De keuze voor diepte-interviews 26
3.2 De keuze voor het interviewen van de directies 27
3.3 De keuze van de scholen 28
3.4 De analyse van de data 29
§4: Besluit 30
HOOFDSTUK 3: EEN SOCIOLOGISCHE BESCHRIJVING VAN DE PROBLEMEN
IN DE OPVANG VAN KINDEREN VAN ILLEGALE VERBLIJVERS IN HET
ONDERWIJS 31
§1: De illegale verblijvers 32
1.1 De rechten van de illegale verblijvers 32
1)Het recht op onderwijs en het recht op dringende medische dienstverlening
32
2) Belemmeringen in het dagelijks bestaan ten gevolge van niet-toegekende
rechten 33
3)Financiële en materiële problemen 34
1.2 Sociale en Culturele verschillen 35
1) De problemen 35
2)Verklaring van problemen: het (verborgen) curriculum 36
1.3 Informatieproblemen bij de illegaal verblijvende ouders 37
§2: De scholen 38
2.1 De maatschappij 39
2.2 De organisatiekenmerken 41
1)Dilemma's van de contactambtenaren 41
2)Discretionaire ruimte 43
3)Strategieën van de contactambtenaren 46
2.3 De professionele visie van het onderwijzend personeel 49
§3: Besluit 50
HOOFDSTUK 4: HET ONDERZOEK NAAR DE PROBLEMEN IN DE OPVANG
VAN KINDEREN VAN ILLEGALE VERBLIJVERS IN HET ONDERWIJS. DE
RESULTATEN EN DE ANALYSE 52
§1: Problemen met betrekking tot het illegaal verblijf 53
1.1 Onduidelijkheid over de eigen verblijfssituatie 53
1.2 De onzekerheid/angst in geval van een illegaal verblijf 54
1.3 Wantrouwen ten aanzien van de school 55
1.4 Gebrek aan officiële contactpunten 56
1.5 Demotivatie bij de kinderen 57
1.6 Uitbuiting 58
§2: Financiële en materiële problemen 58
2.1 Het inkomen van illegale verblijvers en de schoolkosten 59
2.2 Gezondheidszorg 62
2.1 Mobiliteit en verloop 63
2.2 Studieruimte en huistaakklassen 65
§3: Sociale en culturele problemen 66
3.1 De taal 67
3.2 De school 70
1)Het bepalen van het studieniveau en het integreren in de klas 70
2) Analfabetisme 73
3) Integratie in de reguliere klas 73
4) Integratie in de schoolgemeenschap 76
3.3 De kinderen 78
3.4 De ouders 81
1) Integratie van de ouders 81
2) Ouderwerking 82
3) Opvolging van de kinderen en communicatie met de school 83
4) Cultuurverschillen en verschillende verwachtingen 84
§4: Informatieproblemen en problemen met betrekking tot de overheid
86
4.1 Informatieproblemen 87
1) Onwetenheid over de mogelijkheid van het inschrijven van kinderen van
illegale verblijvers 87
2) Onwetendheid over de bestaande voorzieningen 88
3) Administratieve moeilijkheden 89
4.2 Een tekort aan voorzieningen en regelgeving 90
1) Opleiding van de leerkrachten en didactisch materiaal 90
2) De spreiding van ATN's en kinderen van illegale verblijvers 93
3) Het onthaalonderwijs voor ATN's 95
4) De communicatie tussen de scholen 97
4.3 Een teveel aan voorzieningen en regelgeving 98
1) Een gebrek aan coördinatie en samenhang in de voorzieningen van
de overheid 98
2) Een gebrek aan coördinatie en samenhang in het aanbod van welzijnsorganisaties
101
3) De duur van de opvang in de onthaalklassen 101
§5: Invloedrijke factoren in het onderwijs voor kinderen van illegale
verblijvers 103
5.1 De organisatiekenmerken in het onderwijs en de strategieën van
de scholen 103
1) De relevante organisatiekenmerken van scholen 103
2)De strategieën van de scholen 105
3) De discretionaire ruimte in de voorzieningen voor de opvang van kinderen
van illegale verblijvers 107
5.2 Invloedrijke cliëntkenmerken in de hulpverlening aan illegale verblijvers
108
5.3 Het verborgen curriculum als storende factor in de integratie van illegale
verblijvers 109
§6: Besluit 110
HOOFDSTUK 5: CONCLUSIES 115
§1: De heterogene groep van de illegale verblijvers 115
§2: Algemeen besluit 117
LITERATUURLIJST I
BIJLAGEN IV
Bijlage 1. Brief voor de directies van de lagere scholen met betrekking
tot de opvang van kinderen van
illegale verblijvers in hun scholen IV
Bijlage 2. Overzicht van de respons van de lagere scholen in de schriftelijke
en telefonische bevraging VI
Bijlage 3. De vragenlijst en topiclijst voor de kwalitatieve interviews
XIV
Algemene Inleiding
Een aantal gebeurtenissen hebben sinds vorig jaar het thema van de illegale
verblijvers
volop in de media-aandacht geplaatst. Allereerst was er de dood van de uitgewezen
vluchtelinge Semira Adamu, die stierf toen ze zich verzette tegen haar uitwijzing.
De
daaropvolgende verontwaardiging, zowel onder de Belgische bevolking als
bij de illegale
verblijvers zelf was groot en dit mondde uit in het Kerkasiel, het Schoolasiel,
… : de mensen
zonder papieren gingen uit protest tegen het Belgische asielbeleid in groep
verblijven in de
kerken. Later volgden ook scholen, universiteiten en vele verenigingen.
Tegelijkertijd met dit
"asiel" werd het debat aangezwengeld over het uitwijzingsbeleid, het asielbeleid
en het non-
migratiebeleid in België. Het protest leidde tot een (tijdelijke)
"verzachting" van het
uitwijzingsbeleid, wat onder andere inhield dat de gedwongen uitwijzingen
(tijdelijk) werden
opgeschort.
Toen in 1999 de paars-groene regering Verhofstadt aantrad, was één
van de prioriteiten van
de regering de hervorming van het asielbeleid. De nieuwe Minister van Binnenlandse
Zaken,
Antoine Duquesne maakte er snel werk van. Het werd een beleid gesteund op
twee pijlers:
een permissieve pijler vooral bestaand uit een eenmalige regularisatiecampagne
en een
repressieve pijler (Beel, 1999: 5; Goossens, 1999: 28–29; Verhoest, 1999a:
5). Deze
hervormingen vormen de voorlopig laatste reeks van gebeurtenissen die de
aandacht
vestigden op de illegale verblijvers in ons land.
Toch zijn de problemen van deze groep niet verdwenen met de afsluiting
van de
regularisatiecampagne. De regularisatiecampagne bleek minder mensen aan
te trekken dan
verwacht en hoeveel er uiteindelijk zullen worden erkend is ook nog giswerk.
Lang niet alle
illegale verblijvers zullen zich echter aangemeld hebben, waardoor ze ook
nu nog buiten de
statistieken vallen. Feit is echter dat als de Europese Unie in de toekomst
verder uitbreidt naar
Oost-Europa er een grote groep van illegale verblijvers hier op slag wettelijk
zullen
verblijven, want binnen de Europese Unie heerst de regel van vrij verkeer
van personen
(Falter, 2000: 3). Men tracht de immigratie naar het rijke (West-)Europa
tegen te houden en
diegenen die toch binnen geraken, worden bijna alle rechten onthouden. Dit
betekent dat men
over een aantal jaar, wanneer landen, zoals bijvoorbeeld Polen, bij de Europese
Unie
aansluiten en hun inwoners volwaardige EU-onderdanen worden, voor het feit
zal staan dat
men deze groep moet erkennen en integreren in onze samenleving. Maar dit
zijn zorgen voor
later.
Ook nu al kampen deze illegaal in ons land verblijvende personen met
een aantal problemen.
Eén ervan, de mogelijkheid om hun kinderen in ons land onderwijs
te laten volgen, wordt hier
verder besproken. Juister, de moeilijkheden die de illegale verblijvers
en de scholen
ondervinden, indien de kinderen van illegale verblijvers hun "recht op onderwijs"
wordt
erkend. Het is dan ook de opzet van dit onderzoek om de problemen die zich
voordoen als
illegale verblijvers hun kinderen wensen naar school te sturen in kaart
te brengen. Ook wordt
aangegeven welke oplossing de scholen gezocht hebben voor de verschillende
problemen die
rijzen en waar onoplosbare knelpunten blijven bestaan. Ook kan er binnen
de groep van de
illegale verblijvers nog eens een groot verschil waargenomen worden in de
integratie- en
slaagkansen voor de kinderen afhankelijk van de culturele, sociale en financiële
achtergrond
van de ouders. Er wordt eveneens gepoogd om deze problemen vanuit een theoretisch
standpunt te duiden.
Het onderzoek zoals het in dit werk werd neergeschreven kent de volgende
opbouw. In het
eerste hoofdstuk worden twee elementen nader belicht die onontbeerlijk zijn
voor een
duidelijk en juist begrip van de problematiek. Ten eerste wordt geprobeerd
om zo precies
mogelijk aan te geven welke personen illegaal in ons land verblijven. Ten
tweede wordt het
recht op onderwijs, zoals dit in België en meer specifiek in Vlaanderen
vorm krijgt, uitgelegd.
Hierbij worden ook de faciliteiten, waarvan de scholen kunnen gebruik maken
voor de
opvang van de kinderen van illegale verblijvers te organiseren, besproken.
Tenslotte wordt er
kort ingegaan op een aantal elementen, die het belang van het onderwijs
voor kinderen van
illegale verblijvers voor zowel de kinderen, hun ouders als de samenleving,
illustreren.
In het tweede hoofdstuk worden een aantal methodologische keuzes aangegeven
in verband
met het onderzoek naar de scholen die kinderen van illegale verblijvers
opvangen, de selectie
van de scholen en de gebruikte interviewtechniek. De uiteindelijk genomen
beslissingen
worden verantwoord. Ook wordt er een voorstelling gemaakt van de onderzoekspopulatie.
Er
worden gegevens voorgesteld betreffende het aantal scholen dat kinderen
van illegale
verblijvers opvangt in Antwerpen en deelgemeenten, betreffende de spreiding
van deze
scholen over de verschillende onderwijsnetten en over de deelgemeenten en
stadsgedeelten en
betreffende het aantal kinderen van illegale verblijvers dat (ongeveer)
in deze scholen wordt
opgevangen.
Het derde hoofdstuk geeft een sociologische beschouwing van de moeilijkheden
die opduiken
in de opvang van kinderen van illegale verblijvers in het (gewone) lagere
onderwijs. Hierbij
wordt zowel de situatie van de illegale verblijvers als van de scholen
toegelicht om de
oorzaken van de moeilijkheden in de opvang van de kinderen van de illegale
verblijvers te
verduidelijken. De oorzaken die in dit hoofdstuk worden weergegeven, vormen
het
vertrekpunt voor het onderzoek waarvan de resultaten in hoofdstuk vier
beschreven worden.
In het vierde hoofdstuk worden de problemen zoals de geïnterviewde
directies ze ervaren,
uitvoerig beschreven en geïllustreerd met interviewfragmenten. Na de
beschrijving werd
nagegaan in hoeverre de problemen in de praktijk overeenkwamen met de theoretische
voorstelling van de problemen uit hoofdstuk drie. Bij wijze van besluit
werden de
belangrijkste onderzoeksresultaten opgesomd.
Het vijfde hoofdstuk geeft de conclusies van het onderzoek weer. Ten eerste
worden twee
extreme types van illegale verblijvers beschreven om de variatie binnen
de groep van de
illegale verblijvers te benadrukken en te voorkomen dat de indruk gewekt
wordt dat de
problemen die in hoofdstuk vier beschreven worden, zomaar veralgemeend mogen
worden
naar de hele groep van de illegale verblijvers. Ten tweede wordt er een
korte samenvatting
van het onderzoek gegeven en als laatste worden de algemene conclusies behandeld.
Hoofdstuk 1: De illegale verblijvers en het recht op onderwijs
Ons land heeft niet altijd zijn grenzen afgesloten voor immigranten. Integendeel,
tot in
het begin van de jaren '70 was het een noodzaak voor de Westerse economie
om zogenaamde
gastarbeiders op te nemen. Om aan de vraag vanuit het Belgische bedrijfsleven
te voldoen
ging de overheid arbeiders uit andere landen aantrekken. Als dusdanig kende
ons land in de
jaren '50, '60 en '70 een aantal migratiegolven van goedkope arbeidskrachten.
Een eerste
migratiegolf kwam in de jaren '50 op gang vanuit Italië. In de jaren
'60 en '70 ging de
Belgische overheid vooral gastarbeiders werven in Turkije en een aantal
Maghreblanden en
dan voornamelijk Marokko (Lammertyn, 1996: 1-4).
In 1974 werd er echter beslist een migratiestop in te voeren: de zogenaamde
zéro-
immigratieregel. Het zou nu nog slechts mogelijk zijn naar West-Europa te
immigreren in een
bepaald aantal uitzonderingssituaties. De grenzen werden gesloten en de
enige mogelijkheid
om "Fort Europa" nog binnen te geraken was via de asielprocedure. Sinds
de jaren '80 leidt
dit tot een toenemend aantal asielaanvragen, immers de asielprocedure wordt
door velen
"misbruikt" om toegang te verkrijgen tot onze welvaart. Zo steeg het aantal
asielaanvragen in
België spectaculair van slechts 3693 aanvragen in 1984, naar 12.964
reeds in 1990 tot 26.882
in 1993 . Vooral sinds de jaren '90 kent het aantal asielaanvragen een explosieve
groei.
Daarentegen blijft het absoluut aantal erkende vluchtelingen gedurende al
die jaren ongeveer
gelijk: zo werden er in 1983, 1235 als vluchteling erkend, in 1990 waren
dit er slechts 660 en
in 1993 waren het er 1028. Als men dus rekening houdt met het feit dat het
aantal aanvragen
zeer sterk steeg, blijkt dus dat het percentage van erkenningen sterk daalt
(Ramakers, 1999: 9-
10; 44; 48).
De asielprocedure is de enige overgebleven wettelijke weg om in de landen
van de Europese
Unie te immigreren, maar deze is ontworpen om alleen de vluchtelingen die
aan een aantal
voorwaarden voldoen, toe te laten. Voor diegenen die niet aan deze voorwaarden
kunnen
voldoen is de enige uitweg te kiezen voor een illegaal verblijf met alle
risico's en beperkingen
die dit met zich meebrengt. In de volgende paragraaf zal de asielprocedure,
de enige
overgebleven component van het Europese migratiebeleid, nader worden bekeken
evenals de
gevolgen die dit beleid met zich meebrengt voor de personen die niet aan
deze voorwaarden
kunnen voldoen.
§1: Het Asielbeleid
1.1 De Conventie van Genève
Reeds in 1948 werd in de Universele Verklaring van de Rechten van de
Mens het
recht op de bescherming van de vluchteling uitdrukkelijk opgenomen. Het
recht op de
bescherming van de vluchteling krijgt een concrete invulling in de Conventie
van
Genève in 1951. Het begrip vluchteling wordt bepaald als "een persoon
die zich buiten
zijn land van herkomst bevindt en die de bescherming van dat land niet
meer kan of
wil inroepen, omdat hij een gegronde vrees voor vervolging koestert omwille
van zijn
ras, zijn religie, zijn nationaliteit, zijn politieke overtuiging of zijn
behoren tot een
bepaalde sociale groep". Deze definitie heeft niet altijd tot een eenduidige
interpretatie
en toepassing geleid, vooral het element "een gegronde vrees tot vervolging"
blijkt
niet zo eenvormig geïnterpreteerd te worden. In de Conventie van Genève
is bepaald
dat het uiteindelijk het land is waar men bescherming zoekt dat het laatste
woord heeft
over het al dan niet erkennen van de vluchtelingenstatus en waar dus de
interpretatie
van het element "gegronde vrees tot vervolging" van belang is. Daarenboven
is in de
Conventie van Genève eveneens bepaald dat de vluchtelingenstatus
een persoonlijke
status is, wat dus wil zeggen dat elk geval afzonderlijk behandeld en onderzocht
moet
worden. Voor familieleden van een erkende vluchteling houdt dit dus in
dat ook zij
asiel moeten aanvragen en deze wordt niet automatisch toegekend louter
omdat de
asielaanvraag van het familielid is ontvankelijk verklaard. 119 landen,
waaronder
België, hebben deze conventie ondertekend (Daeren, De Gryse & Poppe,
1996: 3-4;
Ramakers, 1995: 19-21).
1.2 Het Asielbeleid in België
Zonder in detail in te gaan op de asielprocedure die vluchtelingen moeten
volgen,
wordt er hier toch even stilgestaan bij een aantal accenten van het Belgische
asielbeleid. Deze hebben immers ook een invloed op het al dan niet erkennen
van
vluchtelingen. Zo kan een duidelijker beeld geschetst worden van de personen
die wél
worden toegelaten in ons land.
De Conventie van Genève geeft vier elementen aan waaraan een persoon
moet
voldoen om als vluchteling erkend te worden. Bij elk van deze elementen
kan de
(Belgische) overheid eigen accenten leggen en zodoende de elementen gedeeltelijk
zelf invullen. Het gaat meer bepaald om de volgende nuances:
- De vluchteling moet zich buiten het land van herkomst bevinden. In een
aantal
gevallen kan men echter ook beschouwd worden als "vluchteling ter plaatse".
Dit
is het geval als men zijn land zonder vrees heeft verlaten (bvb. voor een
studieverblijf), maar men niet kan terugkeren, omdat de omstandigheden
gedurende zijn verblijf in België zodanig zijn veranderd of omdat men
in het land
van herkomst dreigt vervolgd te worden omwille van zijn (politieke) activiteiten
in
ons land.
- De vluchteling moet een gegronde vrees voor vervolging koesteren. Een
"gegronde vrees tot vervolging" wordt gedefinieerd als de "angst die men
voelde
in het land waaruit men gevlucht is, omwille van doorstane ervaringen of
van
dreigend gevaar". De (vrees voor) vervolging waarvoor men gevlucht is, kan
daarbij zowel uitgaan van de overheid als van een andere groep. Het komt
er voor
de vluchteling op aan zelf voldoende en concrete aanwijzingen te geven om
aan te
tonen dat er werkelijk een gevaar bestond voor vervolging. Er kunnen
verschillende redenen van vervolging zijn. De vijf redenen die opgesomd
zijn in de
Conventie van Genève zijn: ras, godsdienst, nationaliteit, politieke
overtuiging en
het behoren tot een sociale groep.
- De vluchteling kan of wil de bescherming van het land van herkomst niet
inroepen.
Het is dus zo dat de overheid van het land waaruit men gevlucht is, zelf
niet de
nodige bescherming kan bieden. Ofwel weigert men deze bescherming in te
roepen, omdat men vreest voor vervolging door de overheid van zijn herkomstland
zelf (Daeren e.a, 1996: 4).
Vooral het element van de "gegronde vrees tot vervolging" laat na een
iets meer
concrete invulling door de overheid nog altijd ruimte voor interpretatie.
Daarnaast zijn er nog een aantal andere omstandigheden, die maken dat er
iemand tot
het Belgische grondgebied wordt toegelaten, eventueel op tijdelijke basis.
Een eerste zulke situatie doet zich voor bij "de opschorting van het bevel
om het
grondgebied te verlaten". Dit kan zich voordoen indien iemand die zich in
een bepaald
stadium van de asielprocedure bevindt of wiens asielaanvraag is afgewezen,
een
vrijwillige repatriëring aanvraagt bij de "International Organisation
for Migration"
(IOM) en de overheid van het land van herkomst weigert om de nodige documenten
af
te leveren die vereist zijn voor een terugkeer naar dit land. De Belgische
overheid kan
dan beslissen om het bevel om het grondgebied te verlaten tijdelijk op te
schorten
(Daeren, e.a., 1996: 21-24).
Een tweede situatie waarbij men toch tijdelijk in België mag blijven
doet zich voor
indien men bij het Commissariaat-Generaal van de Vluchtelingen en Staatlozen
een
beroep heeft aangetekend tegen een onontvankelijkheidsbeslissing en die
afgewezen
werd. In sommige gevallen kan het Commissariaat-Generaal aan deze
onontvankelijkheidsbeslissing immers een "niet-terugleidingsclausule" toevoegen.
Dit
houdt in dat de asielaanvraag niet wordt erkend, maar het Commissariaat-Generaal
ervan uitgaat dat men op dat ogenblik niet naar zijn land van herkomst worden
gestuurd omwille van de situatie daar (Daeren e.a, 1996: 24).
In een derde geval kan men, als zijn asielaanvraag verworpen is, een
aanvraag tot
verblijf om humanitaire redenen indienen. Op deze aanvraag tot verblijf
om
humanitaire redenen kan bijvoorbeeld een beroep gedaan worden in het geval
dat de
aanvrager ernstig ziek is. Deze aanvraag voor een machtiging tot voorlopig
verblijf,
gebaseerd op artikel 9, § 3 van de vreemdelingenwet, moet ingediend
worden bij de
burgemeester van zijn woonplaats, die het verzoek doorstuurt naar de Minister
van
Binnenlandse Zaken die de beslissing moet nemen. Deze aanvraag moet zeker
twee
aspecten omvatten: enerzijds moet het bewijs geleverd worden dat men goed
geïntegreerd is in België en anderzijds moet men verantwoorden
waarom deze
aanvraag niet vanuit het buitenland kon ingediend worden . Als de Minister
van
Binnenlandse Zaken op de aanvraag ingaat, verkrijgt men een voorlopige
verblijfsvergunning van een half of één jaar, die verlengd
kan worden (Daeren e.a,
1996: 24-25).
Een vierde geval, waarbij men niet direct overgaat tot een verwijdering
van het
grondgebied komt voor als men tijdens de asielprocedure trouwt met een
Belg(ische).
Het is echter niet zo dat indien men als illegale verblijver gedurende
de periode van
zijn asielaanvraag huwt met een Belg(ische), men niet meer het land kan
uitgezet
worden. Wel is de Minister van Binnenlandse Zaken verplicht te motiveren
waarom er
geen rekening wordt gehouden met de wijziging in de huwelijksstaat als er
tot een
verwijderingsmaatregel wordt bevolen. Bovendien heeft de overheid ook het
recht om
op te treden tegen zogenaamde "schijnhuwelijken" .
Een laatste mogelijkheid om toch in België te verblijven is gecreëerd
met de invoering
van het "ontheemdenstatuut". Dit statuut werd in België ingevoerd op
vraag van de
"United Nations High Commissionary for Refugees" (UNCHR). Deze oproep kwam
er naar aanleiding van de oorlog die was uitgebroken in ex-Joegoslavië.
Men vreesde
immers dat de grote stroom vluchtelingen uit dit gebied de asielprocedure
onder te
grote druk zou zetten, zodat het systeem zou ineenklappen. Er was echter
ook een
tweede reden: als de landen die de Conventie van Genève ondertekend
hadden, de
definitie van een vluchteling strikt zouden interpreteren, zou er in vele
gevallen
immers geen sprake zijn van een individuele vervolging, wat zouden lijden
tot de
afwijzing van deze asielzoekers. Om deze afwijzingen te voorkomen riep
de UNHCR
op om vluchtelingen uit ex-Joegoslavië tenminste een tijdelijke bescherming
aan te
bieden. België voerde daarom het "ontheemdenstatuut" in dat zondermeer
werd
toegekend aan Joegoslaven uit het oorlogsgebied Bosnië-Herzegovina voor
een
verlengbare periode van zes maanden (Ramakers, 1995: 21-23). Recentelijk
werd
dezelfde mogelijkheid gecreëerd voor vluchtelingen uit Kosovo met
het zogenaamde
B-statuut.
Tenslotte dient hier nog een laatste groep personen vermeld te worden:
"de
staatlozen". Het Verdrag van New York betreffende de staatlozen (1954)
definieert
een staatloze als "een persoon die door geen enkele staat krachtens diens
wetgeving
als onderdaan wordt beschouwd". Indien men als staatloze erkend wordt, betekent
dit
niet dat men automatisch een verblijfsvergunning krijgt. Een staatloze zal
een
aanvraag voor een permanente verblijfsvergunning veelal moeten baseren
op het art 9
lid 3 van de vreemdelingenwet, dus een aanvraag doen op basis van humanitaire
redenen . Een eenduidige regeling voor deze mensen ontbreekt dus in België.
Het
blijkt immers dat zulke mensen veel moeite moeten doen om als staatloze
erkend te
worden en zelfs als ze erkend worden, verkrijgen ze niet sowieso een
verblijfsvergunning (Devillé, 1997: 38).
Alle personen die geen onderdaan zijn van een EU-lidstaat en niet aan
één van de
bovengenoemde voorwaarden voldoen, zullen dus geen toegang krijgen tot ons
land.
Al diegenen die dan toch nog wensen te immigreren naar het "rijke Westen"
zullen
dus hun toevlucht moeten nemen tot het illegaal verblijf. Zij vormen dan
ook de groep
van de illegale verblijvers.
1.3 De illegale verblijvers
Op basis van de hierboven opgesomde categorieën personen die wel
toegelaten
worden, zou het vrij eenvoudig moeten zijn om via eliminatie van de legale
categorieën van vluchtelingen te komen tot de groepen die illegaal
in ons land
verblijven: de clandestienen.
Ook hier kunnen een aantal groepen onderscheiden worden. Zo zijn er personen
die
uitgeprocedeerd zijn. Zij hebben dus alle mogelijke fasen van de asielprocedure
doorlopen en zijn uiteindelijk niet als vluchteling erkend. Zij kunnen
dan onderduiken
om te voorkomen dat ze teruggestuurd worden naar hun land van herkomst.
Anderen
vestigen zich in ons land zonder ooit asiel aan te vragen en zonder dus
een poging te
doen om hun situatie te legaliseren. Vaak zijn dit mensen die ons land binnengeraken
met behulp van mensensmokkelaars. Een andere groep keert nooit terug naar
zijn land
van herkomst na het verlopen van een wettelijke verblijfsvergunning waarmee
men
legaal het land is binnengekomen, zoals onder andere een werkvisum, een
visum voor
een studieverblijf, een toeristenvisum,… (Falter, 2000: 3). Dit zijn groepen
waarvan
het illegaal verblijf vaststaat.
Maar dan nog is de situatie niet altijd eenduidig. Er is een grijze zone
waarneembaar
tussen het legaal verblijven in ons land en het illegaal verblijven. Immers,
in welke
categorie plaats je bijvoorbeeld Joodse diamanthandelaars , die er in slagen
om telkens
opnieuw hun (reis)paspoort naar Israël op te sturen en het tijdig in
orde te krijgen, om
alzo in België als "toerist" te kunnen verblijven?
Of de personen die "door omstandigheden buiten hun wil" niet naar hun
land van
herkomst kunnen terugkeren, omdat hun land weigert de nodige papieren af
te leveren
(cf. supra: 1.2). Er bestaat voor deze groep mensen in België niet
de mogelijkheid om
een tijdelijke verblijfsvergunning te bekomen. Hun bevel tot uitwijzing
blijft gelden en
hun recht op steun vervalt. Het komt ook voor dat deze mensen worden opgepakt
en
geplaatst in een gesloten centra. Zij verblijven legaal, noch illegaal in
België,
aangezien ze geen (tijdelijke) verblijfsvergunning verkrijgen, maar ook
niet in kunnen
terugkeren naar hun land van herkomst of een buurland en dus gedwongen zijn
om
hier te blijven (Devillé & Knockaert.: 5-6).
Daarnaast is er een groep die ervan uitgaat dat men in orde is met zijn
verblijfsvergunning, maar waar dit eigenlijk niet het geval is. De asielaanvragers
spreken immers bijna altijd een andere taal en zijn niet vertrouwd met de
procedure en
de documenten die ze ontvangen (Daeren e.a., 1996: 26)
Over hoeveel mensen het in ons land zou gaan, daar bestaan enkel grove
schattingen
over, die daarenboven nogal eens variëren. In het boek "Vreemdelingen:
haat of
liefde?" wordt het aantal illegale verblijvers volgens de auteur door Justitie
in 1993
geschat op een 70.000 à 100.000 tal (De Craene, 1993: 14). Een jaar
later, in 1994
schat het Steunpunt Begeleiders Uitgeprocedeerden hun aantal op 150.000
(De Stoop,
1994b: 28). Bij de voorstelling van het nieuwe asielbeleid vorig jaar schatte
de
Minister van Binnenlandse Zaken, Antoine Duquesne echter dat er een 50.000
à
75.000 mensen zonder papieren in België verblijven (Verhoest, 1999b:
4).
§2: Het recht op onderwijs voor illegale verblijvers
Personen die niet-legaal in ons land verblijven worden van een aantal
basisrechten
uitgesloten. Uiteraard heeft dit vergaande gevolgen voor hun levensituatie
(cf. infra: hfst 3,
§1). De rechten waarvan de illegale verblijvers niet worden uitgesloten
zijn het recht op
dringende medische hulpverlening en het recht op onderwijs. In deze paragraaf
wordt ten
eerste het recht op onderwijs zoals dit in de Vlaamse Gemeenschap vorm krijgt,
uitgewerkt.
Vervolgens wordt het belang van het recht op onderwijs voor kinderen van
illegale verblijvers
voor de verschillende betrokken partijen aangehaald.
2.1 Het Recht op Onderwijs
Ondanks dat de Belgische regering het recht op onderwijs heeft ingeschreven
in de
Belgische Grondwet en daarenboven een aantal Internationale verdragen
heeft
ondertekend die het recht op onderwijs als een basisrecht voor elk kind
erkennen, werd
dit recht in België pas in 1994 formeel erkend voor kinderen van illegale
verblijvers,
alhoewel er ook geen wet was die een verbod bevatte om kinderen zonder geldige
verblijfspapieren in een school in te schrijven (Steunpunt mensen zonder
papieren,
1997: 1). Er waren dan ook al een aantal scholen die kinderen van illegale
verblijvers
hadden ingeschreven alvorens daar enig wettelijk kader voor bestond (De
Stoop,
1994a: 26).
1) Het akkoord in Vlaanderen
In juli 1994 kwamen de toenmalige Minister van Binnenlandse Zaken, Louis
Tobback
en de Vlaamse Minister van Onderwijs, Luc Van den Bossche tot een akkoord
dat van
dan af de toegang tot het onderwijs voor kinderen van illegale verblijvers
in
Vlaanderen mogelijk maakte. Het akkoord kwam er als een reactie op een
artikelenreeks van Chris De Stoop in het weekblad Knack waarin de leefsituatie
van
de illegale verblijvers werd geschetst. Het uitgangspunt dat geleid heeft
tot deze
beslissing is dat het recht op onderwijs geen territoriaal gebonden recht
is, maar een
sociaal recht dat automatisch wordt toegekend in hoofde van het individu.
Hieruit
volgt dan dat scholen kinderen van illegale verblijvers in hun school mogen
inschrijven. Meer concreet omvat het akkoord drie luiken:
- Ten eerste wordt het recht op onderwijs beschouwd als een sociaal recht
dat
automatisch in hoofde van het individu wordt toegekend, wat dus impliceert
dat
scholen kinderen van illegale verblijvers mogen inschrijven. Voorwaarde
is wel
dat de directie aan de ouders moet duidelijk maken dat het school lopen
van één
van de kinderen geen argument is voor een eventuele regularisering van
het
verblijfsstatuut, noch om hen langer in het land te laten blijven.
- Ten tweede wordt de normale signaleerfunctie voor het onderwijs opgeheven.
In
principe kan immers een directielid of een leerkracht beschouwd worden als
een
ambtenaar van de staat en volgens het Wetboek van Strafvordering is elke
ambtenaar verplicht een misdaad of een wanbedrijf te melden aan de Procureur
des
Konings . Volgens art. 75 van de vreemdelingenwet wordt een illegaal verblijf
als
een wanbedrijf beschouwd en bijgevolg zou een directielid verplicht zijn
te melden
dat kinderen van illegale verblijvers zijn ingeschreven in de school. Het
niet
naleven van deze meldingsplicht kan immers leiden tot disciplinaire sancties.
Deze
meldingsplicht wordt in het akkoord dus opgeheven, wat dus inhoudt dat
de
directies en het onderwijzend personeel de illegale verblijfstoestand niet
meer
hoeven te signaleren.
- Ten derde wordt het niet aanvaardbaar geacht dat de politie komt controleren
aan
de schoolpoort en dus werd afgesproken dat dit niet zal voorkomen.
Deze afspraken werden echter niet in een wet gegoten: wel werd er een
omzendbrief
naar alle directies en verificateurs gestuurd, waarin de eis naar identiteitspapieren
bij
inschrijvingen wordt genuanceerd: "zo bij de inschrijving bedoelde bewijsstukken
niet
kunnen voorgelegd worden, dient de schooldirectie maximale inspanningen
te leveren
om fictieve inschrijvingen te vermijden". (De Stoop, 1994a: 26-29; Ministerie
van de
Vlaamse Gemeenschap departement onderwijs, 1983: 34; Vdb, 1994: 4; Steunpunt
mensen zonder papieren, 1997: 1-2).
Het bleek echter al gauw dat de situatie nog niet volledig was uitgeklaard.
De
omzendbrief die de regeling met betrekking tot het inschrijven van illegale
verblijvers
bevatte, was in feite een aangepaste versie van een omzendbrief uit
1983 betreffende
de inschrijving van leerlingen in onderwijsinrichtingen. Aan deze omzendbrief
werd
enkel een alinea toegevoegd waarin vermeld werd dat directies "maximale
inspanningen moesten leveren om fictieve inschrijvingen te vermijden".
Er werd dus
geen melding gemaakt van het bereikt akkoord. Bovendien werd deze omzendbrief
verzonden in de zomervakantie van 1994, waardoor deze ontsnapte aan de aandacht
van nogal wat directies (Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, 1983: 34;
Steunpunt mensen zonder papieren, 1997: 2).
Om de onduidelijke situatie te verhelpen, werden later nog andere omzendbrieven
verzonden met een gelijklopende inhoud als de rondzendbrief uit 1983. De
meest
recente omzendbrief betreffende inschrijving van kinderen van illegale verblijvers
in
het basisonderwijs dateert van 1999. Dit schrijven is bovendien veel duidelijker
dan de
eerste omzendbrief uit 1983, zodat veronderstelt mag worden dat nu elk schoolhoofd
op de hoogte is van het recht op onderwijs voor illegale verblijvers (Ministerie
van de
Vlaamse Gemeenschap departement onderwijs, 1999a: 1-3).
Ook besloot de Vlaamse minister van Onderwijs geen bijkomende maatregelen
te
treffen om te voorkomen dat kinderen van illegale verblijvers geweigerd
zouden
worden in de scholen. De minister was van mening dat twee reeds bestaande
regelingen voldoende zouden moeten zijn om het weigeren van kinderen van
illegale
verblijvers tegen te gaan en het mogelijk zouden moeten maken deze kinderen
vlot in
de scholen te integreren, met name het non-discriminatiepact en de faciliteiten
voor
Anderstalige Nieuwkomers (cf. infra: §3)(De Stoop, 1994a: 27).
2) Subsidies in Vlaanderen en Wallonië
Ook in Wallonië mogen kinderen van illegale verblijvers ingeschreven
worden in de
scholen. In augustus 1994, als reactie op het akkoord tussen de Minister
van
Binnenlandse Zaken en de Vlaamse Minister van Onderwijs, stuurde men in
de
Franstalige Gemeenschap een gelijkaardige omzendbrief naar de scholen (Ministère
de
Communauté française département de l'éducation,
de la recherche et de formation,
1994: 1-2). Eén groot verschil bestond er echter wel tussen beide
landsgedeelten: in
Vlaanderen kwamen ook de illegale verblijvers die als regelmatige leerling
ingeschreven stonden in aanmerking voor subsidies, zowel in het lagere
als in het
secundaire onderwijs. Hierdoor kwamen echter een aantal Franstalige scholen,
die een
groot aantal illegale verblijvers opvingen, in financiële moeilijkheden.
Daarop besliste
de Waalse Minister van Onderwijs om het onderwijs voor kinderen van illegale
verblijvers vanaf het schooljaar 1996-1997 ook te subsidiëren. Later
zou ook een
regeling worden uitgewerkt voor het secundair onderwijs (Bn, 1996; Steunpunt
mensen zonder papieren, 1997: 2-3).
3) Diploma
Het illegale verblijf op zich is geen reden om niet in aanmerking te komen
voor een
diploma. Om een diploma uitgereikt te krijgen moet men voldoen aan twee
voorwaarden: men moet ingeschreven zijn als regelmatige leerling en men
moet
geslaagd zijn. Het zijn de schooldirecties zelf die bevoegd zijn om de diploma's
uit te
reiken, maar als aan deze twee voorwaarden voldaan is, heeft een kind van
een illegale
verblijver ook "recht op een diploma"(Peeters, 1996: 24-25; Steunpunt Mensen
zonder
Papieren, 1996: 13; Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap departement onderwijs,
1999a).
4) Onderwijs voor volwassenen
Het is ook voor volwassen illegale verblijvers mogelijk om onderwijs te
volgen. Het
aanbod aan mogelijkheden is echter zeer verscheiden en versnipperd. Eén
mogelijkheid voor hen is het volgen van schriftelijk of afstandsonderwijs,
dat
georganiseerd wordt door het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. De
inschrijving is gratis, maar de illegale verblijvers zullen wel het Nederlands
voldoende
moeten beheersen om aan dit onderwijs deel te kunnen nemen (Devillé,
1997: 20;
OCIV, 1997:104-105).
2.2. Het belang van onderwijs voor niet-legale kinderen
Ondanks de problemen die het onderwijs voor kinderen van illegale kinderen
misschien oplevert (en die in de verdere hoofdstukken besproken worden),
mag het
belang van het onderwijs voor deze kinderen niet onderschat worden. Doch
niet alleen
de kinderen van de illegale verblijvers hebben er belang bij school te kunnen
lopen, er
kunnen nog twee andere partijen worden onderscheiden die elk belang
hebben bij het
feit dat illegale kinderen onderwijs kunnen volgen: hun ouders en onze maatschappij.
Ten eerste zijn er de kinderen en de jongeren zelf die belang hechten
aan hun
opleiding. Het onderwijs draagt immers, samen met onder andere het
gezin, bij tot de
ontplooiing van een aantal eigenschappen zoals zingevingsvermogen, sociale
vaardigheden, eigenwaarde, … die belangrijk zijn voor de "veerkrachtige"
ontwikkeling van jongeren (Van Gils, 1999: 67-82). Uit een onderzoek van
het
Steunpunt Mensen zonder Papieren naar het onderwijs voor illegale verblijvers
bleek
dat vooral jongere kinderen (d.i. die nog naar de lagere school gaan) zeer
gemotiveerd
zijn en bovendien vlotter geïntegreerd worden in de klas. Naarmate
ze ouder worden
daalt de motivatie, omdat de jongeren het uitzichtloze van de situatie
van hun ouders
beginnen in te zien. Toch blijken ze meer gemotiveerd te zijn als ze school
lopen in
een technische of beroepsrichting. De motivatie lijkt eveneens hoger te
liggen als ze
meer aangemoedigd worden of meer begeleiding ontvangen (bvb. in een onthaalklas
of begeleiding vanuit één of andere organisatie). Hun slaagkansen
blijken echter aan
de lage kant te liggen, wat voornamelijk te wijten is aan taal- en andere
schoolachterstand die weggewerkt dient te worden (Peeters, 1996: 23-24).
Vanuit het standpunt van de ouders bekeken, blijkt het belang dat zij
hechten aan
onderwijs samen te hangen met het genoten opleidingsniveau van de ouders
zelf.
Ouders met een hogere opleidingsgraad hechten meer belang aan het feit dat
hun
kinderen school lopen, terwijl ouders met een eerder lagere opleidingsgraad
dit van
eerder ondergeschikt belang vinden. Er zijn echter nog bijkomende redenen
waarom
ouders hun kinderen naar school sturen: om te voorkomen dat ze rondhangen
op straat
of om te voorkomen dat ze thuis rondhangen waar minder materieel comfort
is en
waar hun ouders zich zorgen maken over hun toekomst. Bovendien kennen
vele
ouders angst om hun kinderen naar school te sturen. Ondanks de bepalingen
in het
drie-puntenakkoord dat gesloten werd tussen de Minister van Binnenlandse
Zaken en
de Minister van Onderwijs, maar dat nooit in een decreet is vastgelegd,
vertrouwen
vele ouders de situatie niet (Peeters, 1996: 27-28). De scholen kunnen bovendien
voor
de ouders een aanspreekpunt vormen in hun contact met de gemeenschap.
Een laatste partij waarvoor deze mogelijkheid tot onderwijs van groot
belang is, maar
die vaak over het hoofd gezien wordt, is voor de maatschappij zelf.
Het onderwijs is,
naast o.a. ook het contact met de hulporganisaties, één van
de weinige schakels die de
maatschappij verbindt met de clandestiene verblijvers. Johan Leman, directeur
van het
Centrum van Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding, spreekt in een
artikel van
Knack zelfs over een parallelle (onder)samenleving die zich al ontwikkeld
heeft (De
Stoop, 1994b: 28-29). Zo kan een "zwarte arbeidsmarkt" een bedreiging vormen
voor
heel wat "ongeschoolde arbeiders", aangezien de illegalen veel goedkoper
werken. Het
ondermijnt ook het stelsel van de sociale zekerheid aangezien deze mensen
geen
sociale bijdragen betalen. Zij kunnen zelf ook niet genieten van enige uitkering
of
bescherming wat grove wanpraktijken toelaat. Het is voor de samenleving
dan ook
belangrijk in contact te blijven met deze 'wereld'. Daarenboven wordt door
het
organiseren van onderwijs voor kinderen van illegale verblijvers voorkomen
dat deze
kinderen op straat terechtkomen. Op die wijze kan dan kleine criminaliteit,
en op
langere termijn misschien grote criminaliteit, tegengegaan worden, wat de
veiligheid
in onze maatschappij alleen maar ten goede kan komen (De Stoop, 1994b:27).
Naast
het vermijden van de kleine criminaliteit kan met de opvang van de kinderen
van
illegale verblijvers indirect een tweede doel bereikt worden: als men via
het onderwijs
voorkomt dat deze kinderen op straat rondhangen, zal ook de negatieve beeldvorming
rond allochtonen in de publieke opinie mogelijkerwijs afnemen, wat alleen
maar een
positieve invloed kan vormen voor hun integratie.
Er werd reeds vermeld dat de Vlaams Minister van onderwijs het niet nodig
achtte om
bijkomende faciliteiten ter beschikking te stellen om ten eerste te voorkomen
dat kinderen van
illegale verblijvers geweigerd werden in scholen en ten tweede om de opvang
van de kinderen
van illegale verblijvers te vergemakkelijken (cf. supra: 2.2). Hij doet
hier wel beroep op twee
reeds bestaande maatregelen: het non-discriminatiepact en het onthaalonderwijs
voor
anderstalige nieuwkomers. Hoewel dit de regelingen zijn waarin de meeste
kinderen van
illegale verblijvers terechtkomen, wordt er door sommige scholen eveneens
beroep gedaan op
een aantal andere maatregelen: het onderwijsvoorrangsbeleid voor migranten
en de
zorgverbreding. Deze vier regelingen worden in de volgende paragraaf kort
voorgesteld.
§3: Faciliteiten ter beschikking voor de opvang van illegale verblijvers
3.1 Het Non-discrimatiepact
In 1993 is er een gemeenschappelijke verklaring van de verschillende
onderwijsnetten
en de Minister van Onderwijs voorgesteld. Zij vormt de basistekst voor het
non-
discriminatiebeleid in het onderwijs. De verklaring omvat de volgende aspecten:
bepalingen en afspraken over het toelatingsbeleid, de uitwerking van één
non-
discriminatiecode voor alle scholen en de aanduiding van verantwoordelijken
die
moeten toezien op een vlugge en adequate behandeling van discriminatie
en racisme.
Met dit non-discriminatiepact willen twee belangrijke doelstellingen bereikt
worden.
Ten eerste wil men een meer evenredige aanwezigheid bereiken van
doelgroepleerlingen in scholen en gemeenten met veel allochtonen om zo de
vorming
van concentratiescholen te vermijden. Met het begrip doelgroepleerlingen
duidt men
op kinderen met een grootmoeder aan moederszijde die niet in België
geboren is of die
noch de Belgische noch de Nederlandse nationaliteit heeft én waarvan
de moeder niet
tot haar achttiende jaar naar school is geweest. De tweede doelstelling
van de non-
discriminatieverklaring is dat men een meer bewuste opstelling ten aanzien
van
discriminatie op school wil bereiken. Deze algemene non-discriminatieverklaring
krijgt dan een meer concrete invulling op gemeentelijke basis waarbij een
akkoord
gesloten wordt tussen de scholen van de verschillende netten, dat afhankelijk
is van de
situatie in die gemeente. Normaalgezien moesten alle gemeenten en steden
vanaf het
schooljaar 1994-1995 een spreidings- en non-discriminatieplan opgesteld
hebben. Zo
is er in Antwerpen gekozen om een spreidingsbeleid te voeren: het is de
bedoeling van
het akkoord in Antwerpen dat elke school minstens 20% allochtone leerlingen
inschrijft en dat concentratiescholen op hun beurt trachten hun percentage
aan
allochtone leerlingen te doen dalen. (Leman, 1999: 137-138; Kuppens, 1998:
11
Peeters, 1996: 9-10; OCIV, 1997: 103-104).
3.2 Anderstalige Nieuwkomers
Het onderwijsbeleid voor migranten in Vlaanderen omvat een aantal componenten,
namelijk het Onderwijsvoorrangsbeleid, het Intercultureel onderwijs, het
Onderwijs
Eigen Taal en Cultuur, de Non-discriminatieverklaring en het onthaalbeleid
voor
Anderstalige Nieuwkomers. Het is deze laatste component die vooral wordt
ingezet
om de opvang en de integratie van kinderen van illegale verblijvers te bevorderen
(Peeters, 1996: 9)
Als Anderstalige Nieuwkomers (ATN's) worden beschouwd kinderen die gelijktijdig
aan de volgende vijf voorwaarden voldoen:
- ze mogen niet de Belgische of de Nederlandse nationaliteit bezitten.
- ze mogen niet het Nederlands als moedertaal hebben
- ze moeten de onderwijstaal onvoldoende beheersen om met goed gevolg de
lessen
te kunnen volgen.
- ze mogen niet in België of Nederland geboren zijn
- ze mogen nog geen volledig schooljaar onderwijs hebben gevolgd in een
school
met het Nederlands als onderwijstaal.
Van deze laatste twee voorwaarden kan (uitzonderlijk) afgeweken worden.
Het
onthaalonderwijs voor ATN's wordt ingericht om de taalvaardigheid Nederlands
en de
sociale integratie van deze ATN's te bevorderen. Het onthaalonderwijs dient
de
ATN's voor te bereiden op het instromen in het gewone onderwijs en dit na
één jaar.
Tijdens dit jaar tracht men bij de ATN's de nodige vaardigheden te ontwikkelen
om de
leerboodschappen die overgebracht worden in de gewone klas te begrijpen
en om deel
te nemen aan het sociale verkeer in de klas en in de school. Deze vaardigheden
moeten
de ATN's in staat stellen om zich te integreren in onze maatschappij en
om deze
sociale integratie niet te belemmeren mag de ATN maximum twaalf lestijden
afgezonderd worden van zijn leerlingengroep.
Om deze lestijden voor ATN's te mogen organiseren moet een school minstens
vier
ATN's opvangen en met uitzondering van de scholen in de steden Gent en
Antwerpen,
mogen niet meer dan de helft van de leerlingen onderwijsvoorrangleerlingen
zijn (cf.
infra: 3.3). Deze lestijden voor de opvang van ATN's kunnen alleen in het
lager
onderwijs worden gefinancierd of gesubsidieerd. Een school bekomt twee aanvullende
lestijden per vestigingsplaats die het onthaalonderwijs aanbiedt en bijkomend
anderhalve lestijd per ATN (in groepen van vier ATN's toegekend).
Daarenboven
krijgen de scholen een toelage van 5000 frank per ingeschreven ATN (Ministerie
van
de Vlaamse Gemeenschap, 1999b: 1-4).
3.3 Onderwijsvoorrangsbeleid voor migranten
Dit beleid werd in 1991 ontwikkeld door de Vlaamse regering met als doel
de
onderwijsachterstand van migrantenkinderen weg te werken en de integratie
te
bevorderen, waarbij men zich hoofdzakelijk richt op de kansarme migranten.
Het
begrip "kansarme migranten" wordt gespecificeerd als migrantenkinderen die
omwille
van hun etnische herkomst en omwille van sociale, culturele en economische
omstandigheden leer- en ontwikkelingsmoeilijkheden ervaren of het risico
lopen in
een achterstandspositie te geraken. Zij hebben namelijk de minste
ontwikkelingskansen en de grootste nood aan bijkomende ondersteuning.
Scholen die migranten opvangen kunnen daarom rekenen op extra lestijden,
begeleiding en ondersteuning. Het is de bedoeling met behulp van deze middelen
een
onderwijspraktijk uit te bouwen die rekening houdt met de taalachtergrond
en de
culturele verscheidenheid van de leerlingen.
Scholen die in aanmerking komen voor deze extra lesuren en ondersteuning
zijn
scholen die per vestigingsplaats minstens 20 leerlingen onderwijsvoorrang
opvangen
of waar minstens 10 % van de leerlingen, leerling onderwijsvoorrang is.
Een leerling
onderwijsvoorrang is een leerling die tegelijkertijd aan twee van de drie
hierna
genoemde voorwaarden voldoet: de grootmoeder langs moederszijde is niet
in België
geboren, zij bezit evenmin de Belgische of Nederlandse nationaliteit én
de moeder
heeft ten hoogste tot het schooljaar waarin zij 18 jaar werd, onderwijs
genoten. Als
deze scholen in aanmerking komen voor het onderwijsvoorrangsbeleid dan
kunnen ze
extra lestijden bekomen als zij een aanvraag indienen, als hun aanwendingsplan
wordt
goedgekeurd en als de inspectie een positief inspectieverslag heeft opgesteld
van het
vorige werkingsjaar.
De extra lestijden moeten dan worden ingezet op de volgende vier domeinen:
het
intercultureel onderwijs (ICO), taalvaardigheid Nederlands, preventie en
remediëring
van ontwikkelings- of leerproblemen en betrokkenheid van de ouders. Optioneel
kan
een school naast de lessen binnen deze verplichte actieterreinen ook een
aantal uren
Onderwijs in eigen taal en cultuur (OETC), organiseren behoudens aan een
aantal
voorwaarden voldaan wordt (Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, 1999c:
1-11).
3.4 Zorgverbreding
Sinds het schooljaar 1993-1994 worden door de Vlaamse regering ook projecten
zorgverbreding aangeboden in het kleuter- en lager onderwijs met als
doel een breder
continuüm aan onderwijszorgen voor leerbedreigde en kansarme kinderen
tot stand te
brengen. Het is de bedoeling dat de zorgverbredingsinspanningen leiden
tot een
preventief, begeleidend en remediërend proces met als uitgangspunt
de hele
persoonlijkheid van het kind. Alzo zou er een onderwijspraktijk uitgebouwd
moeten
worden die ook rekening houdt met de taalachtergrond en de sociale en culturele
verscheidenheid van de leerlingen, ook van de autochtone leerlingen.
De doelgroep van deze zorgverbreding zijn leerlingen die wel in het gewoon
onderwijs
thuishoren, maar er onvoldoende van de gangbare aanpak gebruik maken. Gezien
hun
kwetsbare positie moet er extra aandacht besteed worden aan kinderen uit
kansarme
gezinnen. In de praktijk worden de leerlingen die in aanmerking komen voor
de
zorgverbreding gedefinieerd als een leerling die aan één of
meer van de volgende
voorwaarden voldoet: een leerling van wie de moeder het diploma secundair
onderwijs
niet heeft behaald en/of die behoort tot een éénoudergezin
en/of van wie beide ouders
werkloos zijn. Men gaat er op basis van wetenschappelijk onderzoek vanuit
dat deze
achtergrondkenmerken van de kinderen samenhangen met ontwikkelings- en
leerproblemen.
Scholen die recht hebben op steun in het kader van de zorgverbreding
zijn scholen
waar minstens 20 leerlingen of 10 % van de schoolpopulatie behoren
tot de doelgroep
van het zorgverbredingbeleid. Als die scholen dan een aanvraag indienen
en hun
aanwendingsplan wordt goedgekeurd en de school heeft een positief inspectieverslag
voor het voorbije schooljaar gekregen, dan bekomt ze extra lestijden voor
zorgverbreding. Deze lestijden moeten wel besteed worden aan de volgende
actieterreinen: preventie en remediëring van ontwikkelings- en leerproblemen,
taalvaardigheid Nederlands, intercultureel onderwijs, socio-economische
ontwikkeling
en betrokkenheid van ouders (Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, 1999d:
1-10).
§4: Besluit
In dit hoofdstuk werd eerst en vooral gepoogd duiding te geven bij het
begrip "illegale
verblijvers" door deze groep mensen te vergelijken en te onderscheiden
van legaal
verblijvende vluchtelingen en asielzoekers. Ondanks een uitvoerige beschrijving
van de
groepen die wel als erkend vluchteling beschouwd worden, blijkt een situatie
van illegaal
verblijf niet altijd even eenduidig vast te stellen.
Vervolgens werd het recht op onderwijs zoals het concreet gestalte krijgt,
voorgesteld.
Daarmee samenhangend werden de faciliteiten besproken waarop scholen een
beroep kunnen
doen om tegemoet te komen aan de noden van kinderen van illegale verblijvers
op het vlak
van onderwijs. De scholen maken voor de opvang van kinderen van illegale
verblijvers ook
gebruik van voorzieningen die niet specifiek voor kinderen van illegale
verblijvers werden
ontworpen, zoals voorzieningen voor kansarme allochtonen en Belgen. Ook
het non-
discriminatiepact zoals dit in Antwerpen en deelgemeenten wordt toegepast
werd besproken.
Er werd eveneens ingegaan op het belang van het openstellen van het onderwijs
voor de
kinderen van illegale verblijvers voor alle betrokken partijen. Hierbij
werd geprobeerd om
duidelijk te maken dat ook de samenleving er baat bij heeft om het onderwijs
voor kinderen
van illegale verblijvers te optimaliseren, zodat zoveel mogelijk kinderen
van illegale
verblijvers opgevangen worden in het onderwijs en ze bovendien reële
kansen krijgen om een
diploma te halen.
In dit hoofdstuk werd dus het algemene kader waarbinnen het onderzoek
plaatsvindt,
voorgesteld. In het volgende hoofdstuk zal er worden ingegaan op een aantal
methodologische aspecten van het onderzoek.
Hoofdstuk 2: Een verkenning van het onderzoeksveld en de
onderzoeksopzet
Het onderzoek heeft als doel de problemen in kaart te brengen die zich
voordoen
indien de illegale verblijvers het recht op onderwijs ook echt in de praktijk
trachten te
brengen. Aangezien er geen gegevens voor handen zijn over welke scholen
in Vlaanderen
kinderen van illegale verblijvers opvangen, moest dus in een eerste
fase nagegaan worden
welke scholen in de populatie wel kinderen van illegale verblijvers opvangen
en welke niet.
De onderzoekseenheden zijn dus de scholen die kinderen van illegale verblijvers
opvangen.
Vervolgens moet uit de populatie van scholen die kinderen van illegale verblijvers
opvangen
een selectie gemaakt worden. Ook de keuze voor kwalitatieve interviews wordt
besproken.
§1: Afbakening van de populatie
Een eerste afbakening was de beperking van het onderzoeksveld tot de
stad Antwerpen
en haar deelgemeenten. De keuze voor Antwerpen werd genomen vanuit het oogpunt
dat
Antwerpen de grootste Nederlandstalige stad is in Vlaanderen. Men kan immers
veronderstellen dat het overgrote deel van de mensen zonder wettige
verblijfspapieren vooral
in grootsteden verblijft. Het is namelijk zo dat ze gemakkelijker anoniem
kunnen verblijven in
een grootstad. Daarnaast wonen in de grootsteden vaak ook grote groepen
(legaal
verblijvende) migranten. Het blijkt uit gesprekken met hulpverleners
van organisaties die
werken met migranten, dat mensen zonder geldige verblijfspapieren veelal
in de buurt van
mensen met dezelfde nationaliteit gaan wonen en dat er echte "clans" gevormd
worden die
soms ook instaan voor financiële steun aan hun illegale landgenoten
(Falter, 2000: 3). In een
stad als Antwerpen zou er dus niet alleen een groot aantal scholen zijn
die kinderen van
illegale verblijvers opvangen, de problemen zijn in een aantal scholen,
meer bepaald in de
concentratiescholen, ook prangender omwille van het hogere aandeel van de
kinderen van
illegale verblijvers. De keuze voor Antwerpen lag dus nogal voor de hand.
Een tweede beperking in het onderzoeksdomein werd gemaakt door het besluit
zich alleen te
richten op de lagere scholen. Deze werd ingegeven vanuit de volgende overwegingen.
De
lagere scholen hebben als voordeel ten opzichte van de kleuterscholen, dat
vanaf het eerste
leerjaar wordt begonnen met het werkelijke leerproces. Studie- en taalproblemen
zullen hier
dan vermoedelijk ook sneller naar boven komen. Daarenboven is het kleuteronderwijs
in
België niet verplicht en aangezien de illegale verblijvers vaak met
financiële problemen
kampen (cf. infra: hfst 3, 1.1.3), bestaat de kans dat ze zullen proberen
om hun kinderen
eerder naar het lager onderwijs te sturen dan het kleuteronderwijs te laten
volgen. Naderhand
bleek deze keuze trouwens irrelevant aangezien de ondervraagde directies
ook de leiding
hadden over kleuterscholen, waardoor ze dus ook over het kleuteronderwijs
uitspraak konden
doen.
Van groter belang was de uitsluiting van de secundaire scholen. Deze beslissing
werd
genomen, omdat het in het secundair onderwijs de gangbare praktijk is dat
de meeste vakken
door verschillende leerkrachten worden gegeven. Dit in tegenstelling met
de lagere school
waar er één leerkracht, de klasleerkracht, instaat voor het
merendeel van de vakken. Daarbij
komt nog dat de lagere scholen vaak kleiner zijn en meer verspreid zijn.
Ook worden kinderen
uit de lagere school nog meer afgehaald van de school dan in het secundair
onderwijs. Dit
alles zou het contact tussen de illegaal verblijvende ouders en hun kinderen
enerzijds en de
leerkrachten en de directie anderzijds moeten bevorderen. Op basis hiervan
kan worden
aangenomen dat men in een lagere scholen misschien beter op de hoogte is
van de problemen
die kinderen op school, maar ook in hun thuissituatie ondervinden en die
een negatieve
invloed uitoefenen op hun schoolprestaties. Bovendien zullen ouders waarschijnlijk
sneller
naar de directie en leerkrachten stappen als het contact beter is.
Bovenstaande redenen hebben tot gevolg dat besloten werd het onderzoek
te richten op lagere
scholen. Bijgevolg wordt de populatie gevormd door alle lagere scholen op
het grondgebied
van de stad Antwerpen en haar deelgemeenten, die kinderen van illegale verblijvers
opvangen. Het gaat hier om de deelgemeenten Deurne, Borgerhout, Merksem,
Ekeren,
Berchem, Wilrijk en Hoboken. De volledige lijst met scholen van Antwerpen
en zijn
deelgemeenten werd verkregen op basis van een lijst, die afkomstig is van
het Ministerie van
de Vlaamse Gemeenschap departement onderwijs, waarin alle lagere scholen
uit de Vlaamse
Gemeenschap per provincie zijn opgenomen. Op basis van de postcodes (nagevraagd
bij de
post) werden alle scholen van Antwerpen en deelgemeenten uit de lijst gehaald.
Het gaat in
totaal om 122 lagere scholen. Deze 122 scholen vormen bijgevolg mijn steekproefkader
(Billiet, 1990:120)
§2: De onderzoekseenheden
Er moest vervolgens worden nagegaan hoeveel en welke lagere scholen precies
kinderen van illegale verblijvers opvingen. Dus werd een brief (cf. bijlage
1) gestuurd naar
alle directies van alle lagere scholen in Antwerpen en deelgemeenten met
de vraag of ze dit
schooljaar al dan niet kinderen van illegale verblijvers opvingen of dat
ze vermoeden dat in
hun school kinderen van illegale verblijvers zijn ingeschreven. Ook werd
gevraagd naar de
leerjaren (eventueel kleuterklassen) in dewelke deze kinderen dan les volgen.
Er werd uit de
eerste volledige lijst van alle scholen dus nog geen verdere selectie gemaakt.
Na het verzenden van de brief, werden de scholen waar na een drietal
weken nog geen
antwoord was van ontvangen nogmaals gecontacteerd dit maal telefonisch.
De scholen die
nog niet geantwoord hadden werden tot drie maal toe opgebeld. Indien na
drie pogingen de
directeur of directrice nog niet bereikbaar was, werden de pogingen gestaakt,
ook omdat dit
uiteindelijk om nog slechts een miniem percentage van de scholen ging.
Bij de telefonische bevraging werd door enkele scholen geweigerd te antwoorden
voordat er
een (schriftelijke) toestemming was van de Stedelijke Inspectie van de stad
Antwerpen. Voor
de stedelijke scholen geldt blijkbaar dat men niet meewerkt aan enquêtes,
vragenlijsten,
onderzoeken, … alvorens er toestemming is van de Stedelijke Inspectie. Dit
vooral om een
toevloed aan bevragingen van de scholen te voorkomen. Opvallend is wel dat
lang niet alle
scholen van het stedelijk net zich aan deze regel leken te houden en dus
wel antwoordden
voor er toestemming was van de stedelijke inspectie. Toen dit eenmaal geweten
was, werd er
dan ook een brief gestuurd om de toelating te vragen aan de Stedelijke Inspectie
van de stad
Antwerpen, omdat het waarschijnlijk om scholen ging die wel kinderen van
illegale
verblijvers opvangen, maar die zulke informatie niet wensten mee te delen.
De brief kreeg een
positief gevolg van de Stedelijke Inspectie, maar dan wel op voorwaarde
dat de anonimiteit
van de scholen werd gewaarborgd.
Uiteindelijk leverde het schriftelijk en het telefonische contact de volgende
responsresultaten
op :
? Van de 122 scholen werden er na de schriftelijke en drie telefonische
pogingen 6 scholen
van de 122 niet bereikt. Het gaat om 4,9 % van
de scholen waar dus geen enkel contact
mee is geweest.
Van die zes scholen is er 1 school die eind juni 1999 gesloten is.
In totaal is er dus met 116 van de 121 scholen op het grondgebied
van de stad Antwerpen
en deelgemeenten wel contact opgenomen (cf. infra: tabel 1).
? Van de 116 wel gecontacteerde scholen waren er 7 die, in eerste instantie,
weigerden mee
te werken. Het gaat hier opnieuw om 4,9 % van alle scholen. Van die zeven
scholen,
antwoordden er vier dat ze afhingen van de stad en dat ze zulke informatie
niet konden
mee delen zonder toestemming van de Stedelijke Inspectie. Eén directeur
meldde
bovendien dat hij zo'n delicate informatie niet langs de telefoon wenste
mee te delen. Hij
wenste een persoonlijk contact en het bewijs dat ik een studente was die
een eindwerk
maakte. De twee andere scholen die weigerden, wilden niet meewerken, omdat
ze al
genoeg enquêtes moesten invullen.
Alhoewel het slechts om een beperkt aantal scholen gaat, meer bepaald
vier, die niet
wilden of konden meewerken om dat ze onder de stad Antwerpen ressorteren,
werd toch
besloten om alsnog de toestemming van de Stedelijke Inspectie van de stad
Antwerpen
aan te vragen. Deze beslissing werd genomen, omdat de scholen die weigerden
soms wel
te kennen gaven dat er kinderen van illegale verblijvers in hun school les
volgden, maar
dat ze verder geen antwoord konden geven.
Vervolgens werd de eerste brief, samen met een kopie van de toestemming
van de
Stedelijk Inspectie, opnieuw verzonden naar de scholen die tot nu toe niet
hadden kunnen
meewerken. Ook deze brief leverde nog resultaat op, namelijk drie van de
vier scholen
reageerden deze keer wel en twee van deze scholen bleken ook nog kinderen
van illegale
verblijvers op te vangen (cf. infra: tabel 1).
? De totale non-respons bestond dus uit vijf scholen (en één
school die gesloten is) die
helemaal niet bereikt werden en vier scholen die weigerden te antwoorden.
Dit is een non-
respons van 7,4 %. Het gaat hier zowel om scholen van het katholieke net,
als van het
stedelijke net en het gemeenschapsonderwijs. Bovendien zijn deze scholen
verspreid over
Antwerpen en de verschillende deelgemeenten. Omwille van het zeer lage percentage
aan
non-respons en het feit dat de weigeringen niet geconcentreerd zijn in één
bepaalde buurt
noch onderwijsnet werd geen verder non-responsonderzoek gedaan.
? Het percentage scholen dat reageerde op de brief was 44% van alle scholen
die bereikt
werden. Aldus was het percentage scholen waarvan telefonisch een reactie
werd bekomen
56 %.
? Van de uiteindelijk 112 gecontacteerde scholen antwoordden er 26 dat
ze één of meerdere
(vermoedelijke) kinderen van illegale verblijvers opvingen. Dit wil dus
zeggen dat 23,2%
van de gecontacteerde scholen in Antwerpen en deelgemeenten kinderen van
illegale
verblijvers opvangen. Op het totale aantal scholen (inclusief de scholen
die weigerden om
mee te werken of die niet bereikt werden) is dus van 21,5% van de scholen
geweten dat ze
kinderen van illegale verblijvers opnemen. Het aantal opgevangen kinderen
van mensen
die illegaal in ons land verblijven varieerde van één kind
tot enkele tientallen. Er worden
zowel kinderen opgevangen in de kleuterklassen als in alle jaren van het
lager onderwijs.
Deze 26 scholen waar wel kinderen van illegale verblijvers worden opgevangen
vormen
dus het steekproefkader waar een aantal scholen uit geselecteerd werden
voor een
interview (cf. infra: 3.3)(Billiet, 1990: 120).
? De 26 scholen die wel kinderen van illegale verblijvers opvingen waren
als volgt verdeeld
over de verschillende netten: 15 scholen behoorden tot het vrije onderwijs,
8 scholen
behoorden tot het stedelijke net en tenslotte vingen er nog 3 scholen uit
het
gemeenschapsonderwijs kinderen van illegale verblijvers op. Opvallend is
dat van de 8
gemeenschapsscholen in Antwerpen en deelgemeenten er 3 wel kinderen
van illegale
verblijvers opvangen. Daarentegen is er nauwelijks verschil tussen het
vrij en het stedelijk
onderwijs in het percentage scholen dat wel kinderen van illegale verblijvers
opvangt: dit
zijn namelijk 15 van de in totaal 70 scholen van het vrij onderwijs
(= 21.4 %) tegenover 8
van de 42 scholen van het stedelijk onderwijs (= 19%) (cf. infra: tabel
2 en grafiek 1).
? Bovendien werden in bijna alle stadsgedeelten van Antwerpen en
in bijna alle
deelgemeenten kinderen van illegale verblijvers opgevangen. Uitzonderingen,
waar geen
enkele school kinderen van illegale verblijvers opving, zijn: Antwerpen
3, Antwerpen 4
(Berendrecht) en Ekeren. Toch bleken de scholen die wel kinderen van illegale
verblijvers
opvingen vooral geconcentreerd in Antwerpen 1 (de stationsbuurt), Borgerhout
en
Berchem (cf. infra: tabel 3).
Een groter probleem vormt het aantal kinderen van illegale verblijvers.
De directies konden
meestal van een aantal kinderen met zekerheid zeggen dat ze illegaal verbleven,
maar er werd
bijna even vaak een "vermoedelijk aantal" vermeld. Hierdoor is het dus
mogelijk dat er nog
een groter aantal kinderen van illegale verblijvers school loopt in Antwerpen
en
deelgemeenten, maar dat dit niet bekend is bij de directies.
Er moet hier nog bij vermeld worden dat tijdens de telefonische contacten
is gebleken dat,
alhoewel het om een zeer klein aantal ging, er nog steeds directies van
scholen zijn die ervan
overtuigd zijn, dat het niet is toegelaten om kinderen van illegale verblijvers
op te vangen en
ze benadrukten dan ook dat ze zeker geen kinderen van mensen zonder geldige
verblijfspapieren opvingen.
Er waren daarentegen andere scholen die wel kinderen van mensen zonder
geldige
verblijfspapieren opvingen, maar die zeer bezorgd waren dat het meewerken
aan het
onderzoek risicovol zou zijn voor de kinderen die ze opvingen of voor hun
ouders, ondanks
het feit dat de namen van de kinderen niet gevraagd werden en de anonimiteit
gegarandeerd
werd. De scholen die deze twijfels uitten, konden daarna meestal wel overgehaald
worden om
mee te werken, met uitzondering van het hierboven vermelde geval waarin
de directeur een
persoonlijk contact eiste.
Later, in de fase van de interviews, bleek ook een enkele keer dat de
ondervraagde
directieleden andere scholen vermeldden die ook kinderen van illegale verblijvers
zouden
opvangen, maar die mij geantwoord hadden dat ze er geen opvingen. Het zou
nu wel kunnen
dat die op het moment dat ze antwoordden geen kinderen van illegale verblijvers
opvingen,
maar dat er later in het jaar wel zulke kinderen toekwamen. Toch zou het
ook kunnen dat de
scholen verzwegen dat ze kinderen van illegale verblijvers opvingen.
De belangrijkste van de hierboven vermelde resultaten worden met behulp
van tabellen en
grafieken weergegeven.
Tabel 1: Gecontacteerde scholen: respons
Wel contact
Geen contact
112
5
(weigering) 4
(gesloten) 1
Totaal
116
6
Tabel 1 geeft een overzicht van de mate waarin de lagere scholen van
Antwerpen en
deelgemeenten bereikt zijn door de schriftelijke en telefonische bevraging.
In totaal hebben
dus 112 van de in totaal 121 scholen antwoord gegeven op de vraag of ze
al dan niet illegale
verblijvers opvingen.
Tabel 2: Opvang van kinderen van illegale verblijvers naar
onderwijsnet
Freq
Wel (A)
Niet (B)
A/ A+B (%)
Vrij Onderwijs
15
55
21,4%
Stedelijk Onderwijs
8
34
19%
Gemeenschaps-
Onderwijs
3
5
37,5%
Tehuis
1
Totaal
26 ( 21,5 %)
95 (78,5 %)
121
Als de kolom A van Tabel 2 alleen beschouwd wordt, krijgt men het volgende
beeld,
voorgesteld in grafiek 1:
Grafiek 1 geeft aan dat de meerderheid van de scholen die wel kinderen
van illegale
verblijvers opvangen tot het vrij onderwijs behoren. Wel mag deze grafiek
niet losgezien
worden van tabel 2. In Tabel 2 wordt duidelijk getoond dat het vrij onderwijs
in Antwerpen
en deelgemeenten een groter aantal vestigingen heeft dan het stedelijk en
het
gemeenschapsonderwijs. Toch weerleggen de tabel en de grafiek gedeeltelijk
de kritiek van
het stedelijk en het gemeenschapsonderwijs, als zou het vrij onderwijs zoveel
mogelijk
kinderen van illegale verblijvers doorsturen. Hier wordt natuurlijk geen
rekening gehouden
met het aantal kinderen van illegale verblijvers die de scholen opvangen,
maar als men de
derde kolom uit tabel 2 bekijkt, valt op dat het aandeel van de scholen
in het vrij onderwijs
die wel illegaal verblijvende kinderen opvangen, groter is dan hetzelfde
aandeel voor scholen
van het stedelijk onderwijs dat.
Tenslotte wordt in tabel 3 de geografische spreiding van de scholen weergegeven.
Er wordt
eveneens het totaal aantal scholen in elke deelgemeente of stadsdeel bijvermeld,
zodat een
meer genuanceerd beeld wordt bekomen.
Tabel 3: Scholen die kinderen van illegale verblijvers opvangen naar
stadsdeel en
deelgemeente
Aantal scholen dat illegaal
verblijvende kinderen
opvangt
Totaal aantal
scholen
Percentage
per gebied
(%)
Antwerpen 1(station)
6
29
20,7
Antwerpen 2
1
4
25
Antwerpen 3
0
3
0
Antwerpen 4
0
4
0
Antwerpen 5 (linkeroever)
2
6
33,3
Antwerpen 6 (Noord)
3
8
37,5
Deurne
1
19
5,3
Borgerhout
3
9
33,3
Merksem
2
8
25
Ekeren
0
8
0
Berchem
5
7
71,4
Wilrijk
2
8
25
Hoboken
1
8
12,5
26
121
21,5
§3: De kwalitatieve interviews
In deze paragraaf worden een aantal methodologische keuzes verantwoord
met
betrekking tot de gebruikte interviewtechniek, de selectie van de scholen
en de
personeelsleden die ondervraagd zouden worden.
3.1 De keuze voor diepte-interviews
Er werd besloten om in het onderzoek gebruik te maken van de kwalitatieve
methode
van bevragen. Hiertoe werd besloten, omdat er op voorhand nog maar weinig
materiaal beschikbaar was over de problemen die zich voordoen als men kinderen
van
illegale verblijvers opvangt in zijn school. Bovendien kwam deze informatie
vrij
eenzijdig van hulpverleners (ook het onderzoek van het Steunpunt mensen
zonder
papieren was vooral gericht op hulpverleners). Door beroep te doen op diepte-
interviews krijgen de respondenten meer kansen om nieuwe elementen, die
nog niet
gekend waren aan te brengen. Daarenboven wordt het onderwerp van de illegale
verblijvers door sommige respondenten als vrij gevoelige materie beschouwd:
een
minder gestructureerd interview is dan te verkiezen boven een postenquête
of
gestandaardiseerd interview om de nodige informatie te bekomen. Bovendien
zou de
onderzoekspopulatie, die slechts uit 26 scholen bestond sowieso onvoldoende
zijn
voor een kwantitatieve verwerking.
Er werd gekozen voor een halfgestructureerd interview, waarbij de probleemstellingen
werden vastgelegd in een topiclijst. De probleemstellingen waren gebaseerd
op de
informatie uit de gesprekken met de hulpverleners en het onderzoek door
het
Steunpunt Mensen zonder Papieren (cf. infra: hfst 3, § 1). De topiclijst
bestond uit drie
onderdelen. In het eerste onderdeel werd gepeild naar de problemen die de
scholen
ervaren in de opvang van de kinderen van illegale verblijvers. In een tweede
deel werd
gepeild naar de oplossingen die ze voor de problemen zochten en de hulp
die ze hier
eventueel ontvangen van de overheid of van de andere scholen. Een laatste
onderdeel
ging na vanuit welke visie de scholen deze kinderen opnamen en wat hun schoolbeleid
ten aanzien van kinderen van illegale verblijvers was. In elk van de onderdelen
werd
ook ruimte gelaten aan de respondenten om naast de reeds vermelde topics
nieuwe
elementen aan te brengen. Als deze elementen van belang waren, werden deze
voor
een volgend interview mee opgenomen in de topiclijst. Het interview werd
ingeleid
door een aantal vragen die de interviewer een beter beeld over de situatie
van de
school moesten verschaffen .
De interviews werden geregistreerd op cassette en die nadien uitgetypt.
Deze methode
werd gekozen, omdat er op deze manier de minste informatie verloren gaat.
Ondanks
de gevoeligheid van het onderwerp verbood geen enkele van de respondenten
om het
interview op cassette op te nemen. Wel werd steeds aan de respondenten gezegd,
dat
indien ze het verkozen dat de cassetterecorder werd uitgeschakeld op een
bepaald
ogenblik in het gesprek, ze dit steeds mochten vragen. Van deze mogelijkheid
werd
meermaals gebruik gemaakt. De reconstructie van deze delen van het gesprek
gebeurde dan op basis van notities. Eén enkele keer was de kwaliteit
van het
opgenomen interview zo slecht dat een groot deel van het verslag van het
interview
werd gemaakt op basis van de nota's van het gesprek.
3.2 De keuze voor het interviewen van de directies
De interviews vonden plaats bij de directeurs en de directrices van de
lagere scholen,
aangezien er van uitgegaan werd dat zij goed geplaatst zijn om een oordeel
te vellen
over de problemen die zich stellen bij het volgen van onderwijs door kinderen
van
illegale verblijvers. De directeurs en directrices staan weliswaar (meestal)
niet zo dicht
bij de kinderen als de klasleerkrachten. Daarentegen is het wel de directie
die de
kinderen inschrijft (of tenminste op de hoogte is van de inschrijvingen
in de school en
er mee over beslist) en dus beslist over het al dan niet opvangen van kinderen
van
illegale verblijvers. Als een school meerdere kinderen van illegale verblijvers
opvangt,
hebben zij ook een beter beeld over de totale groep van kinderen van illegale
verblijvers, dan de individuele leerkrachten en kunnen zij met behulp van
hun
administratie beter nagaan welke ingeschreven kinderen (vermoedelijk) illegaal
in ons
land verblijven. Tevens is het in de eerste plaats de directie die geconfronteerd
wordt
met de regelgeving betreffende het onderwijs en die dus op de hoogte zou
moeten zijn
van het onderwijsakkoord tussen de Minister van Binnenlandse Zaken en de
Minister
van de Vlaamse Gemeenschap bevoegd voor Onderwijs dat in 1994 werd afgesloten
en van de omzendbrieven die de scholen hiervan op de hoogte stellen (cf.
supra: hfst 1,
§2, 2.1). Tenslotte zal het de directie zijn die verantwoordelijk is
voor een aantal
beslissingen die betrekking hebben op het volgen van onderwijs door kinderen
van
illegale verblijvers, zoals het al dan niet vrijstellen van de kosten voor
een aantal
activiteiten, het proberen te spreiden van de opvang van kinderen van illegale
verblijvers, … Om de bovengenoemde redenen werd besloten de diepte-interviews
af
te nemen bij de directeurs en directrices van de lagere scholen.
Men kan de directie van scholen die wél kinderen van illegale
verblijvers opvangen
beschouwen als een groep van deskundigen/experten op het vlak van
de
onderwijsproblemen bij de kinderen van illegale verblijvers. De keuze voor
de
directeurs en directrices die wel kinderen van illegale verblijvers in hun
school
opvangen, is dan een type van natuurlijke of theoretische steekproeven,
namelijk een
weloverwogen doelgerichte steekproef. Er wordt immers van uitgegaan dat
de
directies geschikte onderzoekseenheden zijn die in staat zijn om relevante
informatie
over het onderzoeksonderwerp te verschaffen (Billiet, 1990: 139-140).
3.3 De keuze van de scholen
Bij de selectie van de scholen werd met een aantal elementen rekening
gehouden. Het
eerste en belangrijkste aspect van de keuze was het aantal kinderen van
illegale
verblijvers dat werd opgevangen in de leerjaren (de kleuterklassen werden
buiten
beschouwing gelaten). Na uitsluiting van de scholen die enkel illegale verblijvers
in de
kleuterklassen opvingen, werden de 19 overblijvende scholen onderverdeeld
in drie
groepen. De eerste groep was de groep van scholen die een groot aantal
kinderen van
illegale verblijvers opvangen: de minimumgrens was 10 leerlingen. Aangezien
slechts
vijf scholen in deze groep vielen en één directie van een
school weigerde om nog
verder mee te werken wegens tijdgebrek, werden de directies van de vier
overblijvende scholen allemaal geïnterviewd. Een tweede groep scholen
waren de
scholen die in totaal minimum vijf (vermoedelijke) kinderen van illegale
verblijvers
opvangen. In deze groep zaten aanvankelijk vier scholen. De bedoeling was
de
directies van elk van deze scholen te interviewen: echter één
directielid wou wel
meewerken, maar kon zich niet vrijmaken voor de Paasvakantie (in 2000).
Omwille
van het tijdsgebrek dat dit zou veroorzaken werd deze school niet opgenomen.
Er
bleven in deze groep dus drie scholen over, die allen opnieuw werden bevraagd.
De
laatste groep scholen omvatte in totaal nog tien scholen. Het ging om scholen
die in de
kleuter- en lagere school samen minder dan vijf kinderen van illegale verblijvers
opvingen. Vaak ging het om scholen die maar één kind van illegale
verblijvers
opvingen of slechts de kinderen uit één gezin. Uit deze scholen
werden er vervolgens
vijf gekozen. Bij deze laatste selectie werd er voor gezorgd dat scholen
uit alle netten
en uit zoveel mogelijk deelgemeenten of stadsgedeelten vertegenwoordigd
waren.
In totaal werden dus twaalf interviews afgenomen. De eerste indeling
van de scholen
op basis van het aantal illegale verblijvers dat ze opvingen, werd gedaan
met als
uitgangspunt dat het voor een school een heel verschil zou uitmaken als
ze slechts één
kind van illegale verblijvers opving of enkele tientallen. Vooral de financiële
bijstand
voor deze mensen en de mogelijkheid tot integratie van (een groep) anderstaligen
in de
school zal sterk variëren afhankelijk van het aantal kinderen van illegale
verblijvers
dat men opvangt. De andere keuzes in de selectie werden gemaakt om zo'n
verscheiden mogelijk beeld te kunnen opbouwen over de moeilijkheden die
gepaard
gaan met de opvang van kinderen van illegale verblijvers (Billiet, 1990:
118-119).
3.4 De analyse van de data
Voor het verzamelen van de data (cf. supra: 3.1) en het analyseren
van de data werd
gesteund op de werkwijze voorgesteld door Maso en Smaling (1998: 87-95;
1998:
117-124).
Elk interview werd woordelijk uitgetikt, tenzij de kwaliteit van de
cassette-opname dit
niet toeliet, dan werd er gewerkt met de informatie uit de nota's die gemaakt
werden
tijdens het gesprek. Deze uitgetypte versies van de interviews vormden de
basis voor
de analyse. Er werd bij de analyse vertrokken van de subthema's die ook
de basis
vormden voor de topiclijst van de interviews (cf. bijlage 3), alhoewel er
wel wat
wijzigingen werden aangebracht.
Er waren dus vier hoofdthema's, die gespecificeerd werden in een aantal
subthema's.
De vier hoofdthema's zijn: financiële en materiële problemen,
sociale en culturele
problemen (met inbegrip van de taalproblemen), problemen naar de overheid
toe en de
elementen die een rol spelen in de beslissing van scholen om kinderen van
illegale
verblijvers op te vangen. Elk hoofdthema werd geconcretiseerd in een aantal
subthema's en kreeg een aparte kleur toegewezen, terwijl de subthema's een
aparte
code kregen. De subthema's werden soms binnen een bepaald hoofdthema nog
eens
gegroepeerd al naargelang het een probleem was dat zich voornamelijk stelde
voor het
personeel van de scholen, de ouders of de kinderen. De subthema's
vormen telkens
een deelaspect van het hoofdthema. Zo werden de taalproblemen binnen de
groep van
de sociale en de culturele problemen opgesplitst naar communicatieproblemen
met de
ouders, communicatieproblemen met de kinderen en de nadelen van de oplossingen
die de scholen uitwerken voor deze taalproblemen. De subthema's kunnen
worden
teruggevonden in de verschillende onderwerpen die in elke paragraaf worden
uitgewerkt in hoofdstuk vier.
Bij het analyseren van de interviews werd met kleuren en codes
in de kantlijn
aangeduid tot welk hoofdthema, respectievelijk subthema het stuk tekst behoorde.
Nadien werd er op aparte steekkaarten (waarbij elk subthema een eigen steekkaart
had) vermeld in welk interview, op welke pagina en op welk gedeelte van
de bladzijde
tekstfragmenten over het subthema's (een lijst die in de loop van de analyse
werden
aangevuld) kon worden teruggevonden. De lijst van de subthema's vormde de
basis
voor de beschrijving van de onderzoeksresultaten.
§4: Besluit
Het hoofdstuk vangt aan met een voorstelling van de populatie en de
onderzoekseenheden. Hierbij werd met een aantal argumenten aangegeven waarom
het
onderzoek beperkt werd tot de lagere scholen van de stad Antwerpen en de
deelgemeenten.
Om de populatie af te bakenen moest een beroep gedaan worden op de medewerking
van de
scholen om na te gaan welke scholen precies kinderen van illegale verblijvers
opvangen. De
scholen bleken niet altijd op de hoogte te zijn van het illegaal verblijf
van hun leerlingen. Een
volledig juist beeld van het aantal kinderen van illegale verblijvers die
in de scholen
opgevangen worden, kan dan ook niet gegeven worden. In de tweede paragraaf
wordt aan de
hand van concreet cijfermateriaal toch geprobeerd om de situatie in Antwerpen
met
betrekking tot de opvang van kinderen van illegale verblijvers voor te
stellen.
? Ten eerste blijkt dat nog altijd niet alle scholen op de hoogte zijn van
het feit dat het recht
op onderwijs ook geldt voor kinderen van illegale verblijvers.
? Ook komt het merendeel van de kinderen van illegale verblijvers terecht
in een beperkt
aantal scholen. In totaal vangen slechts 26 scholen van de 112 bereikte
scholen kinderen
van illegale verblijvers op. Bovendien zijn er verschillende scholen die
slechts één kind of
de kinderen uit één gezin opvangen.
? De scholen die wel kinderen van illegale verblijvers opvangen behoren
tot alle
onderwijsnetten. Toch valt het op dat het gemeenschapsonderwijs, waartoe
slechts een
beperkt aantal scholen behoort, het grootste aandeel heeft van scholen die
wel kinderen
van illegale verblijvers opvangen.
? De scholen die wel kinderen van illegale verblijvers opvangen, blijken
niet (evenredig)
verspreid te zijn over het ganse grondgebied van de stad Antwerpen en deelgemeenten.
De
gebieden waar meerdere scholen kinderen van illegale verblijvers opvangen,
blijken
overeen te komen met de armere wijken of met wijken waar veel allochtonen
gevestigd
zijn.
Tenslotte worden in de derde paragraaf een aantal methodologische keuzes
verduidelijkt en
verantwoord. Het gaat om het type van interview, het diepte-interview, dat
werd afgenomen,
de criteria voor de selectie van de scholen en de beslissing om de directies
van de scholen te
bevragen. Ook wordt de werkwijze, zoals die voor de informatieverzameling
en in de analyse
werd gebruikt, toegelicht. Alvorens in te gaan op het kwalitatief onderzoek,
worden in het
volgende hoofdstuk de problemen in verband met de opvang van kinderen van
illegale
verblijvers in hun context geplaatst, om zo te duiden waar de problemen
hun oorsprong
vinden en hoe ze verklaard kunnen worden vanuit een sociologisch visie.
Hoofdstuk 3: Een sociologische beschrijving van de problemen in de opvang
van kinderen van illegale verblijvers in het onderwijs
In dit hoofdstuk zal een voorstelling gemaakt worden van de problemen
die gepaard
gaan met het inrichten van onderwijs voor kinderen van illegale verblijvers
vanuit een
sociologische invalshoek. De situatie van de illegaal verblijvende ouders
en kinderen evenals
de positie van de directie en het onderwijzend personeel zullen invloed
hebben op de kwaliteit
van de opvang en op het aantal kinderen van illegale verblijvers dat wordt
opgevangen. De
problemen kunnen dus zowel ontstaan vanuit elementen die situatie van de
illegale verblijvers
bepalen als vanuit factoren die de situatie van de school zowel als de positie
van het
onderwijzend personeel beïnvloeden. De factoren die hierin een rol
spelen, zijn zeer
verschillend voor de illegale verblijvers en de directies. Daarom zullen
zij apart behandeld
worden.
De problematiek van de illegale verblijvers en meer specifiek, de onderwijskansen
voor
kinderen van illegale verblijvers is er één waar tot op heden
nog maar weinig onderzoek rond
verricht werd. Om een beeld te verkrijgen van de problemen die een rol kunnen
spelen bij het
volgen van onderwijs door kinderen van illegale verblijvers kan een beroep
gedaan worden op
ervaring van medewerkers van organisaties die zich inzetten voor de
illegale verblijvers.
Deze mensen hebben vaak een goed zicht op het geheel van de problemen waar
de groep van
de illegale verblijvers mee kampt. Ook het ontbreken van een aantal basisrechten
heeft een
invloed op hun situatie. De situatie van de illegaal verblijvende ouders
en hun kinderen wordt
dus hoofdzakelijk exploratief en beschrijvend weergegeven.
In het geval van de schooldirecties en het onderwijzend personeel zullen
andere factoren een
rol spelen. Meer bepaald kan men hier drie groepen van determinanten onderscheiden
die de
relatie illegale verblijvers-directie bepalen vanuit het standpunt van de
scholen, met name de
maatschappij waarin het onderwijssysteem en de scholen functioneren, de
organisatiekenmerken van de school (en eventueel het onderwijsnet en andere
samenwerkingsverbanden waaronder de school ressorteert) en de professionele
visie van het
onderwijzend personeel.
Deze twee invalshoeken schetsen samen een beeld van de knelpunten in
de opvang van de
kinderen van illegale verblijvers in het onderwijs. Dit beeld wordt later
(cf. hfst 4) getoetst aan
de problemen, zoals deze ervaren worden door de directies zelf.
§1: De illegale verblijvers
De paragraaf kent twee grote onderdelen. Een eerste deel beschrijft
de problemen die
ontstaan, doordat het de illegale verblijvers aan een aantal basisrechten
ontbreekt. Een illegale
verblijver kan zich immers niet op dezelfde rechten beroepen als een Belg.
Daardoor is er een
fundamenteel verschil in de beginsituatie tussen de Belgen en legaal verblijvende
vreemdelingen enerzijds en de illegale verblijvers anderzijds. Het tweede
deel beschrijft een
aantal andere problemen die opduiken wanneer kinderen van illegale verblijvers
onderwijs
volgen. Het zijn de problemen zoals die ervaren worden door medewerkers
van
hulporganisaties die zich inzetten voor illegale verblijvers of door
een aantal illegaal
verblijvende ouders (en de begeleiders van deze gezinnen) zelf. De ervaringen
van de ouders
zijn geput uit een onderzoek uitgevoerd door het Steunpunt Mensen zonder
Papieren. Dit
onderzoek is echter beperkt tot illegaal verblijvende ouders die door het
steunpunt zelf
begeleidt worden. De problemen, door deze mensen aangehaald, zijn soms een
rechtstreeks
gevolg van het niet kunnen uitoefenen van een aantal rechten. Aangezien
deze problemen ook
in het eerste deel aan bod komen, zullen deze niet herhaald worden. In het
tweede deel (1.2)
worden dus enkel nieuwe elementen vermeld.
1.1 De rechten van de illegale verblijvers
Er zal kort worden ingegaan op de twee enige rechten die in België
wel uitdrukkelijk
aan de illegale verblijvers zijn toegekend. De uitoefening van één
van deze rechten,
met name het recht op onderwijs wordt sterk bemoeilijkt door het niet beschikken
over
een aantal andere rechten. Het andere aan illegale verblijvers toegekende
recht is het
recht op dringende medische dienstverlening. De rechten, die de illegale
verblijvers
worden onthouden en die als dusdanig een relevante oorzaak vormen voor
een aantal
moeilijkheden op het vlak van het onderwijs van kinderen van illegale verblijvers,
worden in een volgende stap besproken. De moeilijkheden die kunnen ontstaan
op het
vlak van het onderwijs als gevolg van het ontbreken van deze rechten worden
daarna
verder uitgewerkt.
1)Het recht op onderwijs en het recht op dringende medische dienstverlening
Zoals hierboven reeds beschreven werd, hebben illegale verblijvers en voornamelijk
hun kinderen in België de mogelijkheid om onderwijs te volgen. Er zijn
een aantal
maatregelen genomen, zodat de scholen ondersteuning krijgen bij de opvang
van
kinderen van illegale verblijvers en er werden een aantal afspraken gemaakt,
opdat de
onzekerheid die zou kunnen ontstaan als gevolg van het zich bekendmaken
als een
illegale verblijver ten aanzien van de scholen voor de ouders wordt geminimaliseerd
(cf. supra: hfst 1, § 2&3).
Het tweede recht dat de illegale verblijvers niet wordt onthouden, is
het recht op
dringende medische hulpverlening. Een OCMW is niet verplicht om steun bieden
aan
illegale verblijvers, behalve in één welbepaald geval: de
dringende medische
hulpverlening. Een OCMW is verplicht de kosten bij een dringende medische
tussenkomst te dragen of terug te betalen. Een exacte omschrijving van het
begrip
"dringende medische hulpverlening" wordt echter nergens gegeven. Wel kan
er van
uitgegaan worden dat het begrip vrij ruim mag geïnterpreteerd worden.
In een
Koninklijk Besluit (12/12/'96) is immers bepaald dat zowel preventieve als
curatieve
medische hulp onder dit begrip kunnen vallen. Daarenboven kan deze hulp
eveneens
ambulant als residentieel verstrekt worden (Devillé, 1997: 10; Belgisch
Staatsblad,
1996: 32.518-32.519).
In datzelfde Koninklijk Besluit wordt de vertrouwelijkheid van de gegevens
die
vermeld zijn op de medische getuigschriften gewaarborgd. Het KB stelt immers
dat
deze gegevens enkel mogen gebruikt worden voor de (terug)betaling van de
medische
kosten en dat de informatie niet mag worden doorgegeven aan de Dienst
Vreemdelingenzaken noch aan de politie (Devillé, 1997: 10; Belgisch
Staatsblad,
1996: 32.518-32.519).
2) Belemmeringen in het dagelijks bestaan ten gevolge van niet-toegekende
rechten
De illegale verblijvers lopen eerst en vooral het risico van elk moment
aangehouden te
worden en in afwachting van een gedwongen repatriëring naar het herkomstland
opgesloten te worden (Daeren e.a., 1996: 26). Dit creëert een zeer
onzekere situatie
voor diegenen die toch illegaal in ons land verblijven, maar er is meer:
het is voor deze
mensen meestal zeer moeilijk om in hun levensonderhoud te voorzien, aangezien
de
twee geëigende kanalen om aan inkomsten te geraken, arbeid enerzijds
en uitkeringen
of steun anderzijds, voor hen zijn afgesloten.
Ten eerste mogen mensen zonder een verblijfsvergunning in België
niet aangeworven
worden in België voor formele arbeid, met andere woorden ze mogen hier
niet werken
(Daeren e.a., 1996: 26). Het is vreemdelingen, die geen onderdaan zijn van
een andere
EU-lidstaat, niet toegelaten in België te werken, tenzij de werkgever
voor deze
werknemer een arbeidsvergunning heeft. Op basis van deze arbeidsvergunning
wordt
dan aan de werknemer een arbeidskaart uitgereikt. Zulke (geldige) arbeidskaart
bezit
een illegale verblijver echter niet. Immers als de illegale verblijver nog
een geldige
arbeidskaart bezit, uit de periode toen hij nog legaal verbleef, dan vervalt
deze. Een
persoon die hier illegaal verblijft kan in principe ook geen arbeidskaart
bekomen
hetgeen tot gevolg heeft dat het voor de illegale verblijver ook niet mogelijk
om als
zelfstandige een inkomen te verdienen. Volgens de Belgische wet moeten
vreemdelingen die als zelfstandige willen werken in ons land aan twee voorwaarden
voldoen: men moet in het bezit zijn van een beroepskaart en van verblijfsdocumenten.
Aan geen van beiden kan de illegale verblijver voldoen (Devillé,
1997: 15-16).
Illegale verblijvers komen ook niet in aanmerking voor een uitkering
van het OCMW,
noch hebben zij recht op materiële steun, tenzij het gaat om de betaling
van dringende
medische verzorging (cf. infra). Nochtans is het volgens art. 77 van de
vreemdelingenwet niet verboden om "hulp of bijstand te verlenen aan een
vreemdeling
uit louter humanitaire overwegingen" en is het een OCMW dus wel toegestaan
om
steun toe te kennen aan illegale verblijvers. Deze steun moet dan wel door
het OCMW
zelf gedragen worden, aangezien deze niet terugbetaald wordt door het Ministerie
van
Volksgezondheid (Daeren e.a., 1996: 26) (Devillé, 1997: 4-5).
Omdat mensen zonder papieren hier niet formeel kunnen te werk gesteld
worden en
niet in aanmerking komen voor OCMW-steun moeten zij bijgevolg vaak hun toevlucht
nemen tot het informele arbeidscircuit, het "zwartwerk". Daardoor gaan een
aantal
beschermingsmaatregelen voor de werknemer verloren, zoals het minimumloon
of de
arbeidsduurbeperking. Toch gelden voor de illegaal verblijvende werknemers
dezelfde
algemene rechten en plichten als voor een legale werknemer. Zo hebben ook
zij recht
op een gezonde en veilige arbeidsplaats of kunnen zij in het geval van een
arbeidsongeval een beroep doen op het Fonds voor Arbeidsongevallen. Omwille
van
hun status als illegale verblijver kunnen zij deze rechten in de praktijk
nauwelijks
afdwingen, wat leidt tot heel wat misbruiken (Daeren e.a., 1996: 26; Devillé,
1997:
16).
3)Financiële en materiële problemen
Het feit dat illegale verblijvers niet mogen of kunnen werken en ook geen
recht op een
uitkering hebben en meestal geen andere vorm van financiële of materiële
steun
kunnen genieten, maakt het voor hen niet altijd eenvoudig om een inkomen
te
verwerven. Dit schept problemen bij het betalen van schoolrekeningen. Het
onderwijs
in België is –in theorie- weliswaar gratis, maar toch brengt het school
laten lopen van
een kind vaak kosten met zich mee. Zo berekende Bond Zonder Naam dat
het al gauw
600 à 1000 fr. per maand kost om één kind naar school
te sturen in het stedelijk
onderwijs. Medewerkers van de organisaties die zich inzetten voor de illegale
verblijvers merken allemaal op dat de kosten in het officiële onderwijs
in het algemeen
wel lager liggen dan in het vrij onderwijs De rekeningen, die door de ouders
moeten
betaald worden, dienen voor bijvoorbeeld turnkleding, buitenschoolse uitstappen
en
activiteiten, drankjes, vervoer van en naar de school, middagbewaking, …
Veelal
kunnen de illegaal verblijvende ouders deze extra kosten niet kunnen betalen
en
aangezien het onderwijs geen primaire behoefte vormt en dus vaak geen prioriteit
is,
wordt al gauw besloten hun kinderen niet deel te laten nemen aan deze activiteiten.
Daarnaast is het ook mogelijk dat de (meestal) oudere kinderen, die er genoeg
van
hebben om elke keer te laten merken dat ze geen geld hebben, beginnen te
spijbelen.
Materiële problemen, die eigenlijk grotendeels een gevolg zijn van
financiële
problemen, zijn er de oorzaak van dat de kinderen niet dezelfde begeleiding
krijgen als
een doorsnee Belgisch kind. Omdat de ouders hier geen school gelopen hebben
of
misschien geen of weinig onderwijs gevolgd hebben en ze meestal ook de taal
niet
spreken, kunnen ze hun kinderen nauwelijks of niet begeleiden bij hun schoolwerk.
Hier komt dus nog bij dat deze families meestal zeer krap behuisd zijn.
De kinderen
hebben dan weinig of geen plaats om ongestoord (ook zonder lawaai) hun huiswerk
te
maken of hun lessen te leren. Daarenboven wordt zal het voor de illegaal
verblijvende
ouders vaak moeilijk zijn om hetzelfde schoolmateriaal voor hun kinderen
te kopen of
om dezelfde middelen aan onderwijs te spenderen als in een gemiddeld Belgisch
gezin
gebeurd.
1.2 Sociale en Culturele verschillen
1) De problemen
Een ander gegeven dat het school lopen voor kinderen van illegale verblijvers
aanzienlijk bemoeilijkt is het feit dat de illegale verblijvers afkomstig
zijn uit een
andere (meestal niet-westerse) cultuur, ze een andere moedertaal hebben
en ze dus
meestal weinig of geen notie van het Nederlands hebben. Daarenboven zijn
de ouders
en soms ook de kinderen opgegroeid in een samenleving die op meerdere punten
verschilt van de Belgische en meer algemeen de Westerse samenleving. Zo
ontstaan er
een aantal problemen van sociale en culturele aard bij de opvang van kinderen
van
illegale verblijvers.
Een eerste cluster van moeilijkheden, de sociale problemen, hebben betrekking
op de
inschakeling van de kinderen van illegale verblijvers in het schoolgebeuren
wanneer
ze toekomen in ons land. Een eerste element dat reeds verschilt voor een
illegaal
verblijvend kind ten opzichte van een Belgisch kind is het bepalen van het
jaar waarin
men deze kinderen zal invoegen. Een illegaal kind zal namelijk niet altijd
toekomen
een leeftijd dat het in het kleuteronderwijs of in het eerste leerjaar kan
worden
opgevangen. Hier spelen een aantal factoren een rol. Zo is er de taalbeheersing:
kinderen van illegale verblijvers beheersen niet of onvoldoende het Nederlands
om te
kunnen volgen in de klas. Daarvoor wordt door de overheid een oplossing
geboden,
die erin bestaat dat er onthaalklassen voor anderstalige nieuwkomers kunnen
ingericht
worden. Verder spelen er nog andere factoren een rol: alhoewel de kinderen
de taal
niet spreken zal men moeten bepalen welk niveau zij in hun vorige school
reeds
hebben om te bepalen in welk jaar (klas) zij best kunnen invoegen. Een laatste
factor
die hierbij een rol speelt is dat de kinderen niet enkel toekomen aan het
begin van het
schooljaar, waardoor ze dan samen met de andere klasgenoten het schooljaar
zouden
kunnen aanvangen, maar ze arriveren vaak in het midden van een schooljaar,
wat nog
eens een bijkomende moeilijkheid creëert om hen te integreren in de
klas.
Een andere groep van problemen, de aanpassings- en integratieproblemen,
zijn eerder
van culturele aard. Uiteraard vormt de taal hier de belangrijkste hindernis,
maar er zijn
nog andere elementen die een rol spelen. Zo komt men soms uit een gans ander
onderwijssysteem en bovendien zal het wereldbeeld dat via het onderwijs
wordt
doorgegeven niet altijd overeenkomen met wat men kent uit zijn land van
herkomst.
De illegaal in ons land verblijvende kinderen worden natuurlijk ook als
vreemdelingen
beschouwd, waardoor ze net als andere allochtonen met het fenomeen van
racisme
geconfronteerd kunnen worden.
2)Verklaring van problemen: het (verborgen) curriculum
De integratie in de schoolgemeenschap van zowel de ouders als de kinderen
wordt
vooral bemoeilijkt door de taal, maar er zijn ook andere mechanismen werkzaam,
die
de inpassing bemoeilijken en vertragen.
De kinderen van de illegale verblijvers, die nieuw toekomen in de klas,
kennen een
grote handicap aangezien ze de taal niet kennen. Vooral als de kinderen
reeds ouder
zijn, wordt dit probleem groter. In een eerste leerjaar moeten ook Belgische
kinderen
de taal nog leren en wordt nog veel met beeldmateriaal gewerkt, maar naarmate
men
ouder wordt, steunt het onderwijs meer en meer op de taal als voornaamste
communicatiemiddel. Daarnaast kunnen er nog andere problemen rijzen, omdat
illegale verblijvers andere omgangsvormen kennen, andere waarden en normen
hanteren. Op het gebied van onderwijs kan het zijn dat de ouders andere
verwachtingen hebben ten aanzien van de school en dat de kinderen reeds
binnen een
ander schoolsysteem gesocialiseerd zijn.
De kinderen van illegale verblijvers kennen vaak nog extra aanpassingsmoeilijkheden,
omdat in de school en in de klas een aantal processen werkzaam zijn die
hen
bijkomend benadelen. Eén van deze processen houdt in dat er naast
het gekende,
expliciete curriculum ook altijd een impliciet of verborgen leerplan wordt
meegegeven. Het verborgen curriculum heeft betrekking op wat onbedoeld door
het
schoolsysteem of in het bijzonder door leerkrachten aan leerlingen wordt
geleerd
(Verhoeven, 1998: 54).
In een school wordt door de overdracht van een formeel curriculum ook
onbewust een
gehele reeks van keninhouden, vaardigheden en attitudes overgedragen. Het
doel van
zowel het formele als van het verborgen curriculum is hetzelfde: het ondersteunen
van
de vlot functionerende maatschappij volgens vastgelegde principes. In die
zin vervult
het verborgen curriculum een ideologische functie. Het verborgen curriculum
draagt
dus bij tot de legitimatie van de machtspositie van bepaalde groepen en
van de
maatschappijorganisatie in het algemeen. Zo worden bijvoorbeeld meer uren
besteed
aan die vakken die men maatschappelijk relevant vindt of wordt een ASO-richting
hoger aangeschreven dan een BSO-richting, aangezien de aangeleerde kennis
van het
ASO sociaal meer gewaardeerd wordt dan de handvaardigheden van het BSO.
De
socialisatie door het onderwijs, die reeds begint bij het kleuteronderwijs,
via het
alledaagse klasgedrag is dus een effectief middel voor de (re)productie
van de
maatschappelijk aanvaarde kennis en waarden (cf. infra: hfst 3, 2.3)(Verhoeven,
1998:
55-63).
Aangezien men echter over een "verborgen curriculum" spreekt, zal het
voor mensen
die afkomstig zijn uit een andere cultuur en samenleving of die niet vertrouwd
zijn met
de heersende "middenklassencultuur", niet altijd even duidelijk zijn welke
de
verwachtingen ten aanzien van hen zijn en welke verwachtingen zij mogen
hebben
over het onderwijs.
1.3 Informatieproblemen bij de illegaal verblijvende ouders
Een moeilijkheid die rechtstreeks samenhangt met het illegaal verblijf
is een zekere
mate van onzekerheid die hiermee gepaard gaat. De Minister van Binnenlandse
Zaken
en de Minister van Onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap zijn wel
overeengekomen in hun akkoord dat de scholen geen meldingsplicht wanneer
zij een
illegaal kind inschrijven en dat de politie geen controles zal uitvoeren
aan de
schoolpoorten (cf. supra: hfst 3, 1.2), toch hebben nog zeer vele illegale
ouders angst
om hun kinderen naar school te sturen, want elk keer wanneer ze zich op
straat
begeven vrezen zij opgepakt te worden. De ouders worden immers niet
beschermd
door deze overeenkomst. Vermoedelijk zijn de illegale verblijvers niet altijd
op de
hoogte van het feit dat de scholen geen meldingsplicht kennen en zal die
onzekerheid
misschien een extra hindernis vormen bij het inschrijven van een kind van
een illegale
verblijver.
Men heeft tevens helemaal geen zicht op het aandeel van de illegale verblijvers
dat
zijn kind(eren) naar school stuurt. Er kan dan ook niet nagegaan worden
in welke mate
de groep van de illegale verblijvers wiens kinderen geen onderwijs volgen
op de
hoogte is van deze mogelijkheid. Op deze vraag wordt verder niet ingegaan,
aangezien
het onderzoek gericht is op de kinderen van illegale verblijvers die wel
school lopen.
Toch mag niet uit het oog verloren worden dat waarschijnlijk een aanzienlijk
deel van
de groep van illegale verblijvers niet op de hoogte is van het feit dat
het recht op
onderwijs ook voor hen en hun kinderen geldt.
§2: De scholen
De verblijfssituatie van de illegale verblijvers en de daaruit volgende
moeilijkheden in het
voorzien in het levensonderhoud en daar nog bijkomend het feit dat deze
mensen niet gekend
zijn met onze taal en cultuur, zijn niet de enige factoren die een invloed
hebben op (de
kwaliteit van) het onderwijs voor kinderen van illegale verblijvers. Immers
ook de
schoolorganisatie en het onderwijzend personeel creëren vaak onbewust
hindernissen, die het
onderwijs voor de kinderen van illegale verblijvers belemmeren.
In deze paragraaf wordt drie groepen van factoren besproken, die enerzijds
het denken en het
handelen van het onderwijzend personeel en van de directie bepalen en anderzijds
een invloed
hebben op de organisatiestructuur, de middelen die ter beschikking zijn
en dus uiteindelijk op
de mogelijkheden die een school heeft om kinderen van illegale verblijvers
op te vangen.
Deze drie groepen van factoren zijn de samenleving, waarin het onderwijzend
personeel is
gesocialiseerd, maar de illegale verblijvers (meestal) niet, de organisatie
van het onderwijs en
meer specifiek de kenmerken van de organisatie die een gemakkelijke opvang
van (grote
groepen van) kinderen van illegale verblijvers belemmeren en tenslotte de
professionele visie
van het onderwijzend personeel, die de illegale verblijvers onbewust kan
achterstellen.
Het personeel van scholen heeft een functie van dienstverlening ten aanzien
van de bevolking,
ook ten aanzien van de groep van de illegale verblijvers: met name het aanbieden
van
onderwijs. Bovendien staat het in rechtstreeks contact met de burgers die
van de dienst
gebruik maken, in dit geval de ouders en de kinderen. Leerkrachten en directies
vallen dus
onder de beschrijving van "contactambtenaren" of "streetlevelbureaucraten"
, zoals deze
door de Amerikaanse socioloog Lipsky wordt uitgewerkt. Voor de illegale
verblijvers zijn
leerkrachten vaak de enige (of één van de weinige) contactambtenaren,
waar zij
terechtkunnen. Omwille van hun situatie van illegaal verblijf zijn ze immers
van een aantal
rechten uitgesloten. Dit beperkt eveneens hun mogelijkheden om gebruik te
maken van
diensten, die aan de burgers van een land worden aangeboden. Zo kunnen zij
sowieso niet
terecht bij de politie, omdat deze hen kan uitwijzen. Ook OCMW's zijn niet
verplicht om hen
verder te helpen, behalve wanneer het om dringende medische hulpverlening
gaat. Blijft dus
het onderwijs als één van de enige wettelijke voorziene instanties
of contactpunten waar de
illegale verblijvers terechtkunnen, indien ze problemen ondervinden met
of hulp nodig
hebben van de overheid (Lammertyn, 1995: 3-4).
Aangezien deze streetlevelbureaucraten het beleid in feite realiseren
door de wijze waarop ze
het uitvoeren, is het van belang om na te gaan welke factoren de uitvoering
beïnvloeden. Hun
beslissingen hebben immers een directe invloed op de hulp die de cliënten
(niet) ontvangen.
De relatie tussen de directie en de leerkrachten enerzijds en de illegaal
verblijvende ouders
anderzijds wordt in de eerste plaats mede bepaald door een aantal denkbeelden
die heersen in
een maatschappij. Dit wordt in het eerste punt uitgelegd.
2.1 De maatschappij
Op het maatschappelijke niveau zullen twee grote groepen van determinanten,
culturele en structurele factoren, mee verantwoordelijk zijn voor de uiteindelijke
vormgeving van het sociaal beleid. Als de cultuur en de structuur een invloed
hebben
op het sociaal beleid, dan kunnen deze determinanten ook een (gedeeltelijke)
verklaring zijn voor de keuzes die genomen worden en die als dusdanig bepaalde
groepen bevoordelen ten opzichte van anderen en die bepalen welke vorm maatregelen
krijgen. Culturele determinanten zijn bijvoorbeeld heersende ideologieën,
waarden,
rechtsgronden, … (Berghman, 1986: 24-27).
Ook in de toekenning van bepaalde diensten worden de contactambtenaren
door deze
culturele determinanten beïnvloed. De contactambtenaren laten zich
in hun
beslissingen namelijk leiden door bepaalde (vrij) algemeen verspreide waardepatronen
over de verdienstelijkheid en het recht van de cliënt op een bepaalde
dienst. Dit geheel
van waarden groepeert Engbersen (1990, 166-173) in de beschrijving van zijn
"cliënttypologieën".
Ondanks het feit dat contactambtenaren steeds benadrukken dat cliënten
stuk voor stuk
uniek zijn, om zo hun beslissingsvrijheid te rechtvaardigen, gaan ze in
de behandeling
van de hulpvraag toch steeds uit van een aantal vaste categorieën van
cliënten. Deze
"reductie" van de cliënt tot een bepaalde categorie gebeurt dan wederom
om de
beperkingen (cf. infra: 2.2.2) waarmee de hulpverleners geconfronteerd
worden te
ontwijken. De typologieën zijn dus voor de contactambtenaren een oplossing
om de
beperkte middelen op een zo optimaal mogelijke manier te verdelen. De kenmerken
volgens dewelke de indeling gebeurt, zijn dus een rechtvaardiging voor de
verschillende wijzen waarop de cliënten uit de diverse categorieën
benaderd worden.
Er zijn een viertal kenmerken volgens dewelke de cliënten ingedeeld
worden: de
urgentie, de houding, het gedrag en de sociale waarde van de cliënt.
Een cliënt die op
elk van deze elementen hoog gewaardeerd wordt, zal beantwoorden aan het
beeld van
de "ideale cliënt". Als een ideale cliënt beschouwt men immers
een cliënt die de
werkzaamheden van de contactambtenaar vergemakkelijkt, die geschikt is
voor
professionele behandeling en die de hulpverlener een zekere voldoening geeft
voor
zijn inzet en werk. De kinderen van illegale verblijvers zullen op vele
punten
(ongewild) niet beantwoorden aan dit beeld. Zo wordt er van de leerkracht
extra
inspanningen geëist ten aanzien van deze kinderen, omdat ze de taal
niet spreken,
andere dingen geleerd hebben, de ouders de schoolprestaties van de kinderen
niet
kunnen opvolgen, men moeilijk met de ouders kan communiceren, enz… De
kenmerken volgens dewelke de contactambtenaren hun cliënten categoriseren
en de
gevolgen voor de behandeling van deze cliënten worden nu verder uitgewerkt.
De vier kenmerken van Engbersen zullen ook variëren binnen de groep
van de illegale
verblijvers, naargelang de particuliere situatie van het gezin. Zo
zal de urgentie van
het ingrijpen, de houding en het gedrag van de illegale verblijver sterk
verschillen
tussen de gezinnen onderling. Dit kan mee de verklaring vormen voor het
feit dat de
inzet en de bereidwilligheid van het onderwijzend personeel afhangen van
de mate
waarin de illegale verblijvers zich een "gepaste" houding en gedrag aanmeten.
Contactambtenaren blijken het meest efficiënt te handelen in een
situatie waarin hun
ingrijpen dringend vereist is, maar nog wel een positief effect kan hebben.
Niet-
dringende gevallen vereisen immers geen onmiddellijk optreden en wat de
zogenaamde "hopeloze gevallen" betreft, verkiezen de contactambtenaren
geen
kostbare tijd (en middelen) te investeren, zodat hun aandacht kan gefocust
worden op
de middengroepen die snel geholpen dienen te worden en waarvoor niet al
teveel tijd
moet uitgetrokken worden (Engbersen, 1990: 167-168).
Ook de mate waarin de illegale verblijvers een gepaste houding als cliënt
aannemen,
heeft een effect op de kwaliteit van de dienstverlening. Dit zijn cliënten,
die naar de
mening van de contactambtenaren, respect hebben voor de professionele status
van de
hulpverlener en de contactambtenaren het gevoel geven dat zij een belangrijke
rol
kunnen spelen in het opnieuw op weg helpen van de cliënt. Bovendien
zijn deze
cliënten open, bescheiden, niet agressief en niet eisend. Cliënten
die daarenboven
kunnen aantonen dat ze werkelijk geprobeerd hebben om zelf tot een oplossing
te
komen of die zich bescheiden opstellen en niet proberen het onderste uit
de kan te
halen, kunnen op meer begrip en bijgevolg ook op meer hulp van de contactambtenaar
rekenen (Engbersen, 1990: 168-171).
Als voorbeeld kan hier gegeven worden, dat directies en leerkrachten
meer
inspanningen zullen leveren voor illegale verblijvers die net als hun kinderen
de taal
proberen te leren, zich proberen te integreren en die zich aanpassen aan
het
schoolreglement, dan voor illegaal verblijvende ouders en kinderen, die
nauwelijks
vordering maken met de taal, nooit op tijd op school zijn, enkel omgaan
met hun land-
of streekgenoten, …
De laatste waarde die Engbersen vernoemt en die de hulpverleners aanwenden
in het
stellen van de noodzakelijke prioriteiten is de "sociale waarde" van de
cliënt. Deze
sociale waarde is een afspiegeling van dominante maatschappelijke voorkeuren,
waardoor sommige mensen meer waard worden geacht dan andere mensen. Zo wordt
bijvoorbeeld de mate waarin een cliënt een "sociaal krediet" heeft
opgebouwd, iets
betekend heeft in de maatschappij, vertaald in zijn sociale waarde (Engbersen,
1990:
172).
In deze sociale hiërarchie nemen allochtonen slechts een lage plaats
in. De illegale
verblijvers, die hier dan eigenlijk niet eens zouden mogen zijn, zullen
dus niet direct
beschouwd worden als diegenen die het eerst geholpen moeten worden. Zo kunnen
scholen besluiten om kinderen van illegale verblijver te weigeren, om de
reden dat
anders de andere, Belgische leerlingen dreigen weg te blijven. Het aanzien
van de
school daalt namelijk naarmate het percentage allochtonen stijgt.
De "sociale waarde"
is dus een factor die nauwelijks zal variëren binnen de groep van
illegale verblijvers,
aangezien ze zich allemaal (ongeveer) in dezelfde maatschappelijke positie
bevinden.
Er wordt dus verwacht dat in het onderzoek vooral de urgentie, de houding
en het
gedrag van illegale verblijvers de beoordeling en welwillendheid van de
leerkrachten
en de directie zal bepalen, aangezien de sociale waarde binnen de groep
van de illegale
verblijvers vrij stabiel zal zijn.
2.2 De organisatiekenmerken
1)Dilemma's van de contactambtenaren
Niet alleen de waarden die op een zeker ogenblik domineren in een maatschappij,
zullen invloed uitoefenen op de (kwaliteit van de) dienstverlening, in dit
geval op het
onderwijs voor kinderen van illegale verblijvers. De organisatie, meer
specifiek de
schoolorganisatie, waarbinnen de leerkrachten en de directies moeten functioneren
en
de structurele kenmerken van deze organisatie, zoals het aantal leerlingen,
de
werkingsmiddelen, het didactische materiaal, … zullen een nog grotere invloed
hebben op de mate waarin het personeel in staat is om aan de specifieke
onderwijsbehoeften van de kinderen van illegale verblijvers te voldoen.
De Amerikaanse socioloog, Lipsky (1980: 27-71), besteedt zeer veel aandacht
aan de
omgeving waarin contactambtenaren dienen te werken, aangezien de omgeving
mee
de probleemoplossing door deze contactambtenaren conditioneert. De hulpverleners
staan immers in directe interactie met hun cliënt en ze kennen een
vrij grote mate van
beslissingvrijheid in de uitoefening van hun job. Lipsky onderscheidt een
aantal
typische organisatorische kenmerken die de beslissingen van de hulpverleners
mee
beïnvloeden. Enkele van deze factoren, die ook van toepassing zijn
in het onderwijs,
zijn de volgende:
Ten eerste zijn de werkingsmiddelen die ter beschikking gesteld worden
gewoonlijk
onaangepast aan de taken die de contactambtenaren moeten vervullen. Ze
hebben te
maken met een zware "case-load". Als leerkrachten bijvoorbeeld aan heel
grote
klassen moeten lesgeven, zullen ze niet meer in staat zijn om voldoende
aandacht aan
elk kind afzonderlijk te geven. Als gevolg van deze zware case-load, zal
hun tijd om
beslissingen te nemen of informatie in te winnen ook inkorten, wat de kwaliteit
van
hun werk kan beïnvloeden. Een leerkracht zal in een grote klas ook
meer van zijn tijd
moeten spenderen aan orde en rust in de klas te houden, wat dan weer ten
koste gaat
van de leeractiviteiten.
Een tweede organisatorisch kenmerk houdt eveneens verband met het hierboven
vermelde chronisch tekort aan werkingsmiddelen. De vraag naar diensten heeft
namelijk steeds de neiging om mee te stijgen, naarmate het aanbod toeneemt.
De
vraag naar een dienst heeft de neiging om toe te nemen over een bepaalde
periode: niet
alleen kwalitatief, maar ook kwantitatief. Niet alleen het aantal cliënten
dat van een
dienst gebruik maakt zal stijgen (kwantitatief), de cliënten die van
een dienst gebruik
maken, zullen ook altijd meer gaan eisen van die dienst (kwalitatief). De
vraag wordt
dus niet enkel bepaald door een werkelijke behoefte, maar eveneens door
de
gepercipieerde verkrijgbaarheid van de dienst. Deze evolutie is duidelijk
terug te
vinden in het onderwijs. Het is zo dat scholen die kinderen van illegale
verblijvers
opvangen, vaak geconfronteerd worden met een "toevloed" van illegaal verblijvende
ouders die hun kind ook in de school willen inschrijven. De scholen kunnen
echter
niet ongelimiteerd niet-Nederlandstalige kinderen met bovendien (meestal)
een
bepaalde leerachterstand, in eenzelfde klas blijven opvangen.
Ten derde wordt de omgeving waarin de contactambtenaren werken vaak gekenmerkt
door ambigue of tegenstrijdige doelstellingen. Hoe onduidelijker de doelen
zijn, hoe
minder de contactambtenaren geleid worden door de doelstellingen en hoe
meer ze op
zichzelf aangewezen zijn. Lipsky stelt dat de conflicten in de doelstellingen
kunnen
ontstaan op drie terreinen. Er kan namelijk een conflict ontstaan tussen
bepaalde
cliëntgeoriënteerde en meer algemene, sociale doelstellingen.
Wat een dienst doet in
het belang van de cliënt, kan soms in tegenspraak zijn met wat de maatschappij
verwacht van deze dienst. Zo kan bijvoorbeeld in het onderwijs een leerkracht
een
afweging moeten maken tussen onderwijs gericht op de individuele prestatie
of gericht
op het bijbrengen van een aantal algemene waarden, zoals discipline, sociale
vaardigheden, …
Verder kan er een conflict rijzen tussen de doelstelling gericht op de cliënt
en de
doelstellingen van de organisatie zelf. De aandacht voor de cliënt
wordt vaak beperkt
door organisatorische doelstellingen. Zo wordt het doel, de cliënt
helpen, soms
tegengewerkt door de eisen ten aanzien van de dienst om het budget niet
te
overschrijden of een voldoende aantal cliënten te bedienen. Als voorbeeld
kan men
geven dat als de klassen al goed bevolkt zijn, er soms gekozen zal moeten
worden
tussen alle kinderen opnemen die zich aanbieden of een aantal kinderen doorsturen,
om de kwaliteit van het onderwijs in niet in gevaar te brengen.
Tenslotte kan er zich ook een tegenstrijdigheid voordoen tussen de doelstellingen
die
bereikt moeten worden en de rolverwachtingen ten aanzien van de contactambtenaar.
Deze tegenstrijdigheid ontvouwt zich in meerdere dimensies. Eén mogelijke
dimensie
waarin het conflict zich stelt, is dat de contactambtenaar niet alleen
de doelstellingen
zal trachten te bereiken, hij zal eveneens de verwachtingen van het publiek
ervaren.
Indien hij aan beiden wil voldoen, kan er een rolconflict ontstaan. Zo kunnen
bijvoorbeeld ouders van een school verwachten dat hun kinderen vooral een
aantal
schoolse vaardigheden worden aangeleerd, terwijl andere ouders eerder verwachten
dat de nadruk gelegd wordt op het aanleren van sociale of communicatieve
vaardigheden.
Een vierde kenmerk van de organisatie waarin contactambtenaren werken
is dat er
nauwelijks een consensus is over wat adequate prestaties zijn en bovendien
rijzen er
vaak problemen omtrent het meten van deze prestaties. Toch zullen organisaties
de
prestaties van hun contactambtenaren trachten te meten, waarbij dan onvermijdelijk
een aantal problemen opduiken. Zo zullen de maatstaven vaak slecht zijdelings
gerelateerd zijn met de te meten doelstellingen. Ook zijn de resultaten
die gemeten
worden niet altijd even eenduidig te interpreteren. Bovendien wordt vaak
van
"surrogaatmaatstaven" gebruik gemaakt. Dit zijn vooral gemakkelijk
kwantificeerbare
maatstaven. Deze maatstaven worden dan de leidraad voor de toekomstige
prestaties,
terwijl ze niet juist de te bereiken doelstellingen meten.
Een laatste kenmerk van de organisatiestructuur waarin contactambtenaren
werken en
dat door Lammertyn (1995: 5-6) vermeld wordt, is dat het publiek waarmee
de
contactambtenaren te maken krijgen bijna altijd een niet-vrijwillig publiek
is. Het is
bijvoorbeeld vrij evident dat niet elke leerling even vrijwillig in de klas
zit. Zelfs als
het niet om "dwangmatige voorzieningen" gaat, hoeft een cliënt nog
niet vrijwillig op
een dienst beroep te doen. Immers, de burgers wenden zich vaak tot diensten,
omdat
ze deze niet elders kunnen verkrijgen. Omdat cliënten die zeer afhankelijk
zijn van een
bepaalde dienst, niet gemakkelijk zullen afhaken, kunnen de contactambtenaren
de
kosten om van hun dienst gebruik te maken voor de cliënten vrij hoog
leggen, zonder
dat de hulpverleners er zelf nadelen van ondervinden.
Hierboven werden een aantal kenmerken van de organisatie opgesomd
die
beperkingen stellen aan de mogelijkheden van de contactambtenaren om de
doeleinden van de organisatie te bereiken en tegelijkertijd de cliënten
zo goed
mogelijk te helpen. De contactambtenaren zullen dus veelal afwegingen moeten
maken tussen het belang van de cliënt en de doelstellingen van de organisatie,
terwijl
ze eveneens de rechtsregels dienen te respecteren en ze slechts een beperkt
budget ter
beschikking hebben.
2)Discretionaire ruimte
De beperkingen in het handelen van de contactambtenaren zijn niet alleen
het gevolg
van de organisatiekenmerken. Het feit dat de contactambtenaren, in dit geval
de
directies, uitvoerders zijn van het door de overheid opgestelde beleid,
speelt eveneens
een rol. De overheid die een beleid in de praktijk wil omzetten, zal namelijk
noodzakelijkerwijs regels moeten uitvaardigen die het beleid concreet uitvoerbaar
te
maken. Bewust of onbewust laat de overheid dan een zekere mate van
beslissingsvrijheid in de invulling en uitvoering van de regelgeving. Deze
beslissingsvrijheid wordt door Van der Veen (1998: 219-242) benoemd als
de
"discretionaire ruimte". Hoe groter de discretionaire ruimte, hoe belangrijker
de rol
van de uitvoerders van het beleid wordt. De mate waarin de uitvoerders
van het beleid
de regels hanteren conform de doelstellingen van de wetgever, zal in aanzienlijke
mate
de toepassing van het beleid in de praktijk bepalen. Gevolg hiervan is dat
ook de
behandeling van cliënten van sociale diensten in bepaalde mate afhankelijk
is van de
wijze waarop de uitvoeders van het beleid de regels interpreteren en toepassen.
Tot het
begrip "sociale dienst" wordt ook de "dienstverlening" die door het onderwijs
verstrekt wordt, gerekend. Voor de illegale verblijvers zullen de scholen
immers meer
doen dan hun kinderen onderwijs geven (wat op zich al als een dienst kan
beschouwd
worden), maar bovendien vormen de scholen één van de weinige
contactpunten met de
reguliere maatschappij.
Een zekere mate van discretionaire ruimte op het vlak van het sociaal
beleid is bijna
onvermijdelijk. Als men er dus vanuit kan gaan dat er een zekere mate van
discretionaire ruimte bestaat bij de uitvoering van beleid, dan kunnen er
twee
problemen rijzen.
Een eerste probleem betreft de omvang van de discretionaire ruimte. Er
kan dan de
vraag gesteld worden naar de factoren die de omvang van de discretionaire
ruimte
bepalen. Vervolgens kan men zich ook afvragen of de discretionaire ruimte
in die
omvang nog beheersbaar is (Van der Veen, 1998: 219-220). Hier moet immers
een
afweging gemaakt worden in het dilemma rechtsgelijkheid versus discretionaire
ruimte of "responsiviteit". Het is namelijk zo dat sociaal beleid vaak niet
efficiënt kan
worden toegepast zonder dat aan de uitvoeringsambtenaar een bepaalde
beoordelingsruimte wordt gelaten. Deze beoordelingsruimte kan men ook omschrijven
met de term responsiviteit. Responsiviteit duidt op de mogelijkheid die
een
(uitvoerend) ambtenaar heeft om binnen bepaalde grenzen naar eigen oordeel
in te
spelen op de door hem waargenomen omstandigheden. De overheid zal zich
voor het
dilemma van de responsiviteit versus de rechtsgelijkheid geplaatst zien.
Enerzijds zal
de overheid de discretionaire ruimte voor de uitvoeringsambtenaren trachten
te
beperken om zo het risico van willekeur in de uitvoering te vermijden, anderzijds
zal
men deze discretionaire ruimte niet helemaal kunnen wegwerken als men het
beleid
nog op een effectieve manier wil laten uitvoeren. De overheid zal dus een
zeker
evenwicht moeten trachten te vinden tussen de twee polen.
Een tweede probleem dat ook opduikt is hoe er met deze discretionaire
ruimte wordt
omgegaan. De uitvoerders zullen deze ruimte namelijk op een bepaalde manier
invullen. De vraag is dan welke factoren bepalend zijn voor de wijze waarop
deze
invulling gebeurt en wat de gevolgen zijn van bepaalde invullingen.
Eerst zal echter nog concreter worden uitgewerkt in welke mate er discretionaire
ruimte is gecreëerd op het vlak van de opvang van kinderen van illegale
verblijvers en
welke gevolgen dit met zich mee kan brengen . Immers, het onderwijs
is ook een
beleidsdomein waar regelgeving moet toegepast en uitgevoerd worden. De
regelgeving die van belang is met betrekking tot de opvang van de kinderen
van
illegale verblijvers betreft het akkoord, gesloten tussen de Minister van
Binnenlandse
Zaken en de Vlaamse Minister van onderwijs, dat het onderwijs voor kinderen
van
illegale verblijvers toelaat (cf. supra: hfst 1, 2.3.1), de regelgeving
over de faciliteiten
voor de opvang van kinderen van illegale verblijvers die wettelijk voorzien
zijn en de
afspraken in het kader van de non-discriminatieovereenkomst (cf. supra:
hfst 1, §3).
In verband met het dilemma tussen de rechtsgelijkheid versus responsiviteit,
kan er
opgemerkt worden dat de regelgeving met betrekking tot het organiseren
van de ATN-
klassen vrij strikt is. Zo mag een ATN slechts één jaar onthaalonderwijs
voor ATN's
volgen. Dit jaar kan echter onvoldoende zijn voor minder intelligente kinderen
of voor
kinderen die op oudere leeftijd toekomen en dus een grotere achterstand
moeten
ophalen. Er bestaat dan geen verder mogelijkheden om hen opnieuw zulk een
jaar te
laten volgen . Na dat ene jaar in de ATN-klas is er geen regeling meer voorzien
voor
de opvang van deze ATN's en meer specifiek, de kinderen van illegale verblijvers.
Er
wordt verondersteld dat ze nu meekunnen in de reguliere klas, wat niet altijd
het geval
is. Sommige scholen kunnen dan beroep doen op een aantal andere faciliteiten,
zoals
zorgverbreding of onderwijsvoorrangsbeleid; andere scholen die niet aan
de
voorwaarden voldoen voor de faciliteiten, moeten echter "improviseren".
Daarenboven is er slechts de mogelijkheid om onthaalklassen in te richten,
indien men
minimum vier ATN's opvangt. Scholen die minder dan vier ATN's opvangen,
kunnen
voor het onthaalonderwijs wel terecht bij andere scholen, van hetzelfde
onderwijsnet,
die wel onthaalklassen organiseren, maar omwille van de verplaatsing (voor
een
beperkt aantal kinderen slechts) wordt deze mogelijkheid niet altijd benut.
Zo kunnen
een aantal ATN's dus geen beroep doen op de faciliteiten die voor hen voorzien
zijn.
De kinderen van illegale verblijvers worden, bij hun aankomst in de school,
meestal
opgevangen in de ATN-klassen. Zo krijgen ze op een intensievere manier Nederlands
aangeleerd dan in de reguliere klas. Voor het onderwijs in deze klassen
stelt zich ook
een probleem dat een gevolg is van de onvolkomen regelgeving. Er bestaan
wel een
aantal hulpmiddelen om het Nederlands aan kinderen aan te leren en men
is wettelijk
verplicht om een aanwendingsplan voor elke ATN op te stellen, maar toch
ontbreken
er concrete richtlijnen over hoe deze onderwijsvorm er dient uit te zien.
Bovendien
wordt er in de opleiding voor leerkrachten nauwelijks of geen aandacht geschonken
aan de opvang van anderstaligen in de klas. Leerkrachten die dan in zulke
situatie
terechtkomen, zijn daar dan ook niet steeds op voorbereid. Daarenboven is
er geen of
nauwelijks opleiding of vorming voorzien voor de leerkrachten lesgeven in
ATN-
klassen geven. Zij zullen dus zelf, op basis van het beschikbare didactische
materiaal,
inhoud moeten geven aan het onthaalonderwijs voor ATN's.
Tenslotte ontbreken soms afdoende afspraken en regelgeving in verband
met het Non-
discriminatiepact. Concentratiescholen (met meer dan 50 % doelgroepleerlingen)
worden geacht om het aantal doelgroepleerlingen in hun school te doen dalen,
door
deze leerlingen door te verwijzen naar andere scholen. Toch zien concentratiescholen
zich vaak genoodzaakt om doelgroepleerlingen, maar ook kinderen van illegale
verblijvers te blijven opvangen, omdat ze in andere scholen niet worden
opgenomen.
De concentratiescholen zijn soms verplicht zo te handelen, aangezien andere
scholen
slechts doelgroepleerlingen opnemen tot aan de (verplichte) drempel van
20% en
vervolgens de kinderen doorschuiven naar andere scholen. Ook de kinderen
van
illegale verblijvers worden vaak doorverwezen met de verklaring dat de school
voldoende (of teveel) allochtone kinderen opvangt.
Ook worden in sommige gevallen de criteria om als doelgroepleerling erkend
te
worden, niet even streng geëerbiedigd. Het criterium dat de moeder
niet tot haar
achttiende jaar onderwijs gevolgd mag hebben, blijkt soms achterwege gelaten
te
worden om het vereiste percentage te bereiken. Dit maakt dat één
van de doelen van
het Non-discriminatiepact, een meer evenredige spreiding van de doelgroepleerlingen,
niet bereikt wordt. Meer strikte regels en betere criteria zouden de uitvoering
van de
non-discriminatieovereenkomst en dus ook de opvang van kinderen van illegale
verblijvers ten goede komen.
De regelgeving met betrekking tot de opvang van kinderen van illegale
verblijvers laat
dus op een aantal vlakken grote leemten, die de scholen zelf dienen in te
vullen. Als
men er dan rekening mee houdt dat niet elke school over dezelfde mogelijkheden
beschikt om dit onderwijs voor kinderen van illegale verblijvers te organiseren,
dan
wordt het duidelijk dat sommige kinderen hierdoor benadeeld zullen worden.
3)Strategieën van de contactambtenaren
De organisatiekenmerken en de discretionaire ruimte leiden ertoe dat het
onderwijzend
personeel niet de mogelijkheid heeft om alle kinderen van illegale verblijvers
in
optimale omstandigheden op te vangen en te begeleiden.
Lipsky beschrijft een aantal strategieën die streetlevelbureaucraten
ontwikkelen om
met de beperkingen en ambiguïteiten om te gaan en om hun job te kunnen
uitvoeren
(Lammertyn, 1995: 6-10). Deze routines of strategieën van de contactambtenaren
kunnen in drie grote groepen ingedeeld worden, die op hun beurt opnieuw
een aantal
strategieën omvatten: de rantsoenering van de hulpverlening, de aanpassing
van het
werkconcept en de aanpassing van hun opvatting over de cliënten van
hun diensten.
Het onderwijzend personeel dat niet in staat is om alle kinderen van illegale
verblijvers op te vangen en ze tegelijkertijd in de beste omstandigheden
les te laten
volgen, zal eveneens een aantal van deze strategieën gebruiken om
de werkdruk te
verlichten.
De eerste groep van strategieën, de rantsoenering van de hulpverlening,
houdt in dat
de contactambtenaren trachten de toegang en de vraag tot de dienst te beperken
door
de cliënten met bepaalde kosten te confronteren of door ongelijkheid
in de
behandeling van cliënten te scheppen. De eerste strategie is er namelijk
op gericht de
vraag te beperken om zo de beschikbare goederen optimaal te benutten. De
vraag
wordt beperkt door de cliënten op verschillende manieren geldelijke
en temporele
kosten op te leggen of de cliënten de nodige informatie te weerhouden.
Bovendien kan
ook een standaardisering van het werk de vraag beperken, doordat de hulpverlener
afstandelijk kan reageren op de vraag van de cliënt. Deze vorm van
strategieën kan je
bijvoorbeeld terugvinden bij de inschrijving van kinderen van illegale verblijvers.
Sommige scholen proberen de kosten van het onderwijs zo hoog te leggen,
bijvoorbeeld door een uniform te verplichten of door te verplichten dat
kinderen mee
op uitstap gaan, zodat vermeden wordt dat illegale verblijvers hun kinderen
inschrijven in de school. Zo kunnen scholen bijvoorbeeld ook proberen het
recht op
onderwijs aan illegaal verblijvende ouders zoveel mogelijk te verzwijgen,
waardoor
deze geen gebruik zullen maken van de "dienst".
De ongelijkheid in de behandeling komt erop neer dat de contactambtenaren
de
cliënten onderverdelen in een aantal groepen of klassen aan wie de
diensten en
goederen in verschillende mate gealloceerd worden. De allocatie van de diensten
gebeurt volgens een aantal technieken, zoals het afromen van de "beste"
cliënten, zich
laten leiden door zijn voorkeuren of door sociale waarden over de verdienstelijkheid
van de cliënt. In het geval van de kinderen van illegale verblijvers
die nieuw toekomen
in het land zal men misschien meer geneigd zijn om jongere kinderen in zijn
school op
te nemen aangezien zij sneller zullen aansluiten bij hun leeftijdsgenoten
of sneller de
taal zullen opnemen, aangezien ze minder achterstand moeten ophalen.
Een tweede routine die men kan ontwikkelen om de doelstellingen van de
organisatie
te doen overeenstemmen met de werkelijke mogelijkheden, is dat men het
werkconcept zo zal herdefiniëren, zodat dit beter overeenkomt met de
mogelijkheden
van de dienst. Ook in deze vorm kan men een aantal verschillende strategieën
onderscheiden. Zo kunnen streetlevelbureaucraten ten eerste op een feitelijke
of op een
psychologische manier uit hun werk stappen.
Een andere mogelijkheid is dat ze de opvattingen over hun werk zodanig
aanpassen,
zodat er slechts een beperkt aantal mogelijkheden overblijven om de cliënt
van dienst
te zijn.
Het is ook mogelijk dat de contactambtenaren zich zodanig gaan
specialiseren dat ze
een aantal (belangrijke) basisvaardigheden verliezen.
Een vierde strategie bestaat erin een beroep te doen op de professionele
of
beroepsideologie om te vermijden dat men persoonlijk aansprakelijk gesteld
wordt.
Tenslotte kunnen de contactambtenaren de reikwijdte van hun gezag op
private basis
aanpassen door te ontkennen dat ze over enige mate van beslissingsvrijheid
beschikken om op deze manier de eigen verantwoordelijkheid te beperken.
In de opvang van de kinderen van illegale verblijvers blijken deze strategieën
in het
algemeen weinig voor te komen. De strategie van de leerkrachten om te ontkennen
dat
men opgeleid is om les te geven aan kinderen van illegale verblijvers, die
wel af en toe
voorkomt, kan hiertoe gerekend worden.
Een laatste geheel van strategieën bestaat er in om de eigen opvattingen
over het
cliënteel zodanig te wijzigen, dat men toch aan de doelstellingen kan
voldoen. Ook
hier kunnen wederom verschillende vormen onderscheiden worden. Een eerste
werkwijze bestaat in het mentaal verkleinen van de cliëntengroep. De
voorkeuren van
de hulpverlener leiden ertoe dat de cliënten, die volgens de hulpverlener
nog wel in
aanmerking komen voor de dienst, op een doeltreffend een flexibele wijze
geholpen
worden. Bovendien zal dit deel van zijn cliënteel zo gekozen zijn
dat de
contactambtenaar bevestigd wordt in zijn capaciteiten en in zijn opvattingen
over zijn
job.
Een tweede modaliteit is dan dat de cliëntengroep op basis van een
aantal
mechanismen wordt onderverdeeld en dat men vervolgens deze onderverdeling
zal
rationaliseren. Zo kan in de school de aandacht van de leerkracht bijvoorbeeld
vooral
toegespitst zijn op deze kinderen van illegale verblijvers waarbij men wel
vooruitgang
merkt en die snel aansluiten bij de klasgroep, terwijl leerlingen die wat
achterblijven
"opgegeven" worden.
Een laatste strategie ligt in het lokaliseren van de verantwoordelijkheid
voor de
problemen bij de cliënten zelf. Zo kan een leerkracht een anderstalige
nieuwkomer er
(in stilte) van beschuldigen dat hij niet genoeg moeite doet om de taal
te leren, terwijl
het probleem misschien eigenlijk bij de leerkracht zelf ligt. De leerkracht
kan
ongemotiveerd lesgeven of onvoldoende uitleg geven, zodat het voor het kind
moeilijk
wordt om de taal aan te leren.
2.3 De professionele visie van het onderwijzend personeel
De leerkrachten willen hun inspanningen en zichzelf als "goede" leerkracht
graag
bevestigd zien. Niet alle leerlingen zullen echter even goed beantwoorden
aan de
verwachtingen van de leerkracht. Dit heeft dus ook effect op de relatie
tussen de
leerling, in dit geval een kind van een illegale verblijver en de leerkracht,
en kan
verklaard worden aan de hand van het (gereïficeerd) beeld van de "goede"
leerling dat
de leerkrachten hanteren.
De relatie tussen leerkrachten en leerlingen wordt beïnvloed door
de wijze waarop de
leerlingen zich zullen opstellen ten opzichte van het curriculum. Eggleston
beschrijft
een "goede leerling" dan ook als een leerling die hard werkt, beloningen
van de
leerkrachten nastreeft, enkel samenwerkt als het hem opgedragen wordt en
bekwaam
is om goede antwoorden te geven, terwijl hij wel zijn ongelijk toegeeft
indien hij het
niet kan. Een "slechte leerling" beantwoordt dan aan de volgende, tegengestelde
kenmerken: verveeld gedrag, frustratie, onkunde, … Natuurlijk zijn dit slechts
de twee
uitersten, toch zullen de leerlingen zich socialiseren in één
van de twee types van
leerlingen. De leerkracht zal de leerlingen (evenals de leerling de leerkracht)
echter
gereïficeerd benaderen: eenmaal een leerling tot een bepaald type
wordt gerekend, zal
hij altijd vanuit dit standpunt benaderd worden (Verhoeven, 1998: 59-60).
Hierboven werd reeds vermeld dat het verborgen curriculum (cf.
supra: 1.1.2) een
uitdrukking vormt van wat belangrijk geacht wordt binnen bepaalde dominante
groepen, met name de middenklassen. De kinderen van de middenklasgezinnen
zullen
dan ook al in het gezin zelf geconfronteerd worden met deze waarden. Voor
andere
kinderen, bijvoorbeeld deze uit de arbeidersklasse, verloopt de socialisatie
op school
echter anders dan in het gezin, waardoor ze hier meer problemen mee ondervinden.
Het is voor hen moeilijker om te begrijpen wat verwacht wordt en zich aan
te passen
aan het beeld van de goede leerling (Verhoeven, 1998: 64-67).
Ook illegale verblijvers zijn niet altijd vertrouwd met de vaardigheden
en attitudes die
worden doorgegeven op school. Een leerkracht kan dan bijvoorbeeld denken
dat een
kind van een illegale verblijver niet mee wil werken, maar dat in feite
het kind niet
begrijpt wat hem opgedragen wordt, hoe hij de opdracht moet aanpakken of
hoe hij
zich moet gedragen. Als dit dan een aantal keren voorvalt, zal de leerkracht
dit kind
als een moeilijke leerling beschouwen, wat op zijn beurt een invloed heeft
op het
lesgeven zelf: de leerkracht zal bijvoorbeeld minder geduld met het kind
hebben.
§3: Besluit
In dit hoofdstuk werd zowel vanuit de invalshoek van de illegale
verblijvers zelf als
vanuit de invalshoek van de scholen nagegaan waar de oorzaken van een aantal
problemen in
het onderwijs aan kinderen van illegale verblijvers liggen.
Van de kant van de illegale verblijvers zal het ontbreken van een aantal
basisrechten, zoals het
recht op arbeid en het recht op een uitkering, invloed hebben op het inkomen
van de illegale
verblijvers. Een ontoereikend inkomen kan problemen opleveren om de kinderen
naar school
te sturen, in die zin dat de ouders de schoolrekeningen niet kunnen betalen
en de scholen dus
zelf moeten tussenkomen. Ook kunnen de ouders zich niet hetzelfde –dure-
schoolmateriaal
veroorloven als (gemiddelde) Belgische ouders.
De illegale verblijvers zijn bovendien, net als erkende vluchtelingen,
inwijkelingen die niet
vertrouwd zijn met onze taal, onze cultuur en ons onderwijssysteem. Dit
creëert een hele
reeks van problemen gaande van een moeilijke communicatie tussen het onderwijzend
personeel enerzijds en de ouders en hun kinderen anderzijds, tot uiteenlopende
verwachtingen
met betrekking tot de rol van de school en van de ouders.
De illegale verblijvers kennen tenslotte een zekere mate van onzekerheid
als gevolg van hun
verblijfssituatie. Dit kan de ouders beïnvloeden in de beslissing
om hun kinderen naar school
te sturen, maar kan ook van invloed zijn op de motivatie van de kinderen.
Bovendien kan het
zijn dat sommige illegale verblijvers niet op de hoogte zijn van de mogelijkheid
om hun
kinderen onderwijs te laten volgen.
Vanuit het standpunt van de scholen spelen eveneens een aantal factoren,
die kunnen leiden
tot problemen bij een evenredige spreiding van kinderen van illegale verblijvers
over alle
scholen en die invloed kunnen hebben op het niveau van het onderwijs voor
de kinderen van
de illegale verblijvers.
Ten eerste heersen er in een maatschappij een aantal opvattingen over
de mate waarin
personen recht hebben op een dienst, zoals het onderwijs. Sommigen van deze
waarden, het
gedrag en de houding van de persoon en de noodzakelijkheid en dringendheid
van de hulp
zullen variëren van gezin tot gezin. De sociale waarde zal in de groep
van de illegale
verblijvers echter weinig veranderen, aangezien de maatschappelijke positie
van de illegale
verblijvers in het algemeen laag is.
Ten tweede worden organisaties die diensten verlenen, zoals scholen, geconfronteerd
met een
aantal structurele kenmerken, die een optimale dienstverlening aan alle
(potentiële) cliënten
onmogelijk maakt. Daarenboven is de regelgeving betreffende de spreiding
van kinderen van
illegale verblijvers en de voorzieningen voor de opvang van deze kinderen
soms onvoldoende
en soms te streng vastgelegd. Dit maakt dat het onderwijzend personeel niet
altijd in staat is
om de meest geschikte maatregelen te treffen in een bepaalde situatie, waardoor
de kwaliteit
van het onderwijs voor kinderen van illegale verblijvers daalt. De kenmerken
van de
schoolorganisatie en een regelgeving die onvoldoende is aangepast aan de
situatie zorgen
ervoor dat het onderwijzend personeel bepaalde oplossingen (de strategieën)
ontwikkelt om
het onderwijs voor (een beperkt aantal) kinderen van illegale verblijvers
toch te kunnen
realiseren. Het onderwijs verloopt dan wel niet onder ideale omstandigheden
of kan niet
georganiseerd worden voor alle kinderen van illegale verblijvers die het
wensen.
Tenslotte speelt ook het beeld van de "goede leerling" dat leerkrachten
erop nahouden een rol.
Het feit dat kinderen van illegale verblijvers in een ander schoolsysteem
zijn gesocialiseerd en
veelal met een bepaalde achterstand aan het onderwijs beginnen, zal maken
dat het voor
kinderen van illegale verblijvers moeilijker is om aan dit beeld te beantwoorden.
Dit kan een
negatieve invloed hebben op de bereidheid van de leerkrachten om voor de
kinderen van
illegale verblijvers de nodige extra inspanningen te leveren.
Het hoofdstuk geeft dus een (hypothetisch) overzicht van de problemen
die verwacht kunnen
worden in de opvang van kinderen van illegale verblijvers en legt uit hoe
deze verklaard
kunnen worden. In het vierde hoofdstuk worden vervolgens de concrete onderzoekgegevens
voorgesteld, die vanuit het hierboven voorgestelde kader kunnen geïnterpreteerd
worden. Er
zal in hoofdstuk vier dan ook worden aangegeven wanneer er elementen, die
hierboven
beschreven werden, terugkomen in de praktijk.
Hoofdstuk 4: Het onderzoek naar de problemen in de opvang van kinderen
van illegale verblijvers in het onderwijs. De resultaten en de analyse
Uit de verwerking van de kwalitatieve interviews komen een aantal problemen
duidelijk naar voor in verband met het onderwijs voor kinderen van illegale
verblijvers. Wat
opvalt is dat de situaties waar kinderen van illegale verblijvers in verkeren
bijna altijd "multi-
problem"-situaties zijn. Het illegaal verblijf creëert op zichzelf
slechts in geringe mate een
probleemsituatie. Echter, de gevolgen van het illegaal verblijf, zoals geen
of een heel beperkt
inkomen, brengen wel moeilijkheden mee. Daarenboven zijn illegale verblijvers
ook
vreemdelingen die niet vertrouwd zijn met onze taal, onze cultuur of ons
onderwijssysteem
wat nog extra hindernissen meebrengt. Een groot aantal van de problemen,
die men
tegenkomt bij het school lopen van kinderen van illegale verblijvers, komt
men ook tegen bij
kansarme Belgische kinderen of bij migranten en legale vluchtelingen.
De hindernissen die opduiken bij het volgen van onderwijs door kinderen
van illegale
verblijvers zijn niet alleen schoolse problemen. De scholen worden eveneens
geconfronteerd
met een aantal moeilijkheden inherent aan de situatie van het illegaal verblijf,
zoals het feit
dat de school voor de illegale verblijvers vaak het enige contactpunt met
de maatschappij is,
zodat de school soms wordt ingeschakeld om hulp te bieden. Verder wordt
niet altijd rekening
gehouden met de indeling schoolse versus niet-schoolse problemen.
De problemen die hierna beschreven worden, zullen zich niet bij elk kind
van illegale
verblijvers stellen of althans niet in even sterke mate. Zo is bijvoorbeeld
de hinder die het
leren van een nieuwe taal met zich meebrengt sterk afhankelijk van de intelligentie,
taalgevoeligheid, leeftijd, … van het kind. Ook de problemen waar de scholen
mee kampen
hangen sterk af van het aantal kinderen van illegale verblijvers die de
school opvangt en van
de situatie waarin de school zich aanvankelijk al bevond. Een school waar
voornamelijk
kansarme kinderen school lopen, zal het financieel moeilijker hebben om
bijkomend ook nog
de illegale verblijvers te onderwijzen en te ondersteunen. Hier zal nog
dieper op ingegaan
worden bij de verdere bespreking.
In de analyse wordt een indeling van de problemen gevolgd, die zoveel
mogelijk
overeenkomt met de indeling in hoofdstuk drie. Toch zullen er een aantal
aanpassingen en
uitbreidingen nodig zijn. Zo is er een groep van problemen die specifiek
veroorzaakt worden
door het illegale verblijf en die moeilijk bij een andere groep te plaatsen
zijn. Deze zullen hier
dan ook in een aparte categorie geplaatst worden. Een tweede wijziging
betreft een aantal
moeilijkheden die bij een eerste voorstelling van de problemen nog niet
waren vermeld: het
gaat hier om problemen die scholen ondervinden bij de opvang van, vooral
een grote groep,
illegale verblijvers. Er kunnen immers problemen optreden op het vlak van
werkingsmiddelen, inzetten van een aantal voorzieningen, personeel, …
Meer bepaald gaat
het hier over moeilijkheden die ontstaan omdat er ofwel een te strenge regelgeving
bestaat,
die niet is afgestemd op de reële situatie in sommige scholen ofwel
omdat er een gebrek is aan
regelgeving en voorzieningen waardoor de scholen en het onderwijzend personeel
niet
voorbereid zijn op het lesgeven aan kinderen van illegale verblijvers. Deze
groep van
problematische elementen zal verder benoemd worden als problemen met betrekking
tot de
overheid. Er wordt nu eerst ingegaan op de problemen die het illegaal verblijf
rechtstreeks
met zich meebrengt. Verder zullen ook de twee invalshoeken, school versus
illegale
verblijvers, niet altijd strikt worden aangehouden, omdat dit soms voor
teveel overlappingen
zou zorgen.
§1: Problemen met betrekking tot het illegaal verblijf
Het feit dat zij illegaal verblijven heeft een aantal rechtstreekse gevolgen
voor het
school lopen van de kinderen van illegale verblijvers. Het heeft hoofdzakelijk
een invloed op
het gedrag van de illegale verblijvers en hun kinderen ten opzichte van
de school, wat
volgende bijkomende moeilijkheden voor het volgen van onderwijs met zich
meebrengt.
1.1 Onduidelijkheid over de eigen verblijfssituatie
De verblijfssituatie in België is niet altijd even duidelijk voor
de illegale verblijvers.
Ze worden met papieren geconfronteerd, die ze zelf niet begrijpen en waar
ze de
gevolgen voor hun situatie niet van kennen. Het naar school sturen van hun
kinderen
wordt soms door de illegaal verblijvende ouders belangrijk geacht als bewijs
van
integratie voor een eventuele regularisatie. De scholen moeten de illegale
verblijvers
dan duidelijk maken dat het school laten volgen van hun kinderen, volgens
het
akkoord gesloten tussen de Minister van Binnenlandse Zaken en de Vlaamse
Minister
van onderwijs, geen aanleiding kan zijn tot een eventuele regularisatie
of zelfs maar
verlenging van het verblijf .
D(irecteur of directrice): "Hè, dus, ja, zij weten ook niet altijd
ook niet altijd wat
er staat, hè, want het is Frans of Nederlands op die papieren, dat
staat er niet in
hun taal op, hè. Uiteraard. …Want een ambtenaar van hier kan geen
Kosovaars
gaan schrijven…" (Interview 6)
D: "Euh, maar, dat je de mensen wel moet duidelijk maken dat de inschrijving
niet mag misbruikt worden, bij manier van spreken, maar voor de rest, ja,
nee, wij
hebben daar ook geen moment over, dat is niet van nu moeten we efkens gaan
beraadslagen en gaat dat wel kunnen?" (Interview 10)
D: "Ik denk soms dat ze… meer om, om de nodige papieren te hebben om
te
blijven, dat de school daar een dankbaar instrument voor is, om te kunnen
bewijzen dat ze school lopen, ja, dan schrijf ik een papier inderdaad, dat
ze hier
school gelopen hebben. Ik heb dat trouwens nog vorige week gedaan en dan
is dat
één van de elementen die toch een rol spelen in … in hun vraag
naar euh
legalisering. Ik denk dat dat de reden is dat dat tweede gezin dan toch
ook
gekomen is." (Interview 13)
1.2 De onzekerheid/angst in geval van een illegaal verblijf
De ouders kennen angst om opgepakt of om uitgewezen te worden. De ouders
zullen
dus vermijden om in contact te komen met officiële instanties en zullen
trachten te
vermijden dat informatie betreffende hun verblijfplaats bekend raakt. Daarom
geven
ze soms onvolledige of verkeerde informatie aan de school. Deze angst kan
zelfs zover
leiden dat de ouders hun kinderen van school halen en onderduiken. Al hoeft
een
verhuis niet per se te betekenen, dat een gezin is ondergedoken. Vaak deelt
het
onderwijzend personeel die bezorgdheid van de illegaal verblijvende ouders.
Eén
directielid stelde ronduit de vraag naar wat er gebeurde met de informatie
over de
inschrijving van kinderen van illegale verblijvers, die de school moet
doorgegeven aan
de verificateurs om de leerplicht te controleren en subsidies te verkrijgen.
Deze
persoon vreesde dat de informatie wel eens misbruikt kon worden.
D: "Euh, voor ons niet, maar ik wil wel zeggen, dat is nu gelukkig euh…
geweken
dat, dat gevaar, maar zij hebben eigenlijk een tijd geleden, vorig jaar
ergens bericht
gekregen dat zij het land moesten verlaten. Nu, is daar een advocaat bijgekomen
en
zo een geluk bij een ongeluk heeft hij toen juist dat auto-ongeluk gehad
en … was
er uiteraard een reden dat hij niet zomaar het land kon uitgezet worden."…
"Er is
in de loop van vorig schooljaar nog wel is ne keer in contact gekomen met
de
politie in die zin dat, … hij toen met een aantal vrienden van de blok,
want er waar
er geen van het school bij, dacht ik, euh, die hadden ergens een klein brandje
gesticht." … "Oei, hij zou toch echt op zijn tellen moeten passen, want
van het
moment dat mensen die al uitgewezen zijn met de politie in contact komen,
ja,
…"(Interview 11)
D: "Nu, bij de twee illegaaltjes, zoals ze zeggen, ben ik nooit geweest.
Die hebben
dus een tijdje in het gastgezin gewoond, die zijn wel verhuisd, dus ik,
die zijn wel
alleen gaan wonen, maar de papa heeft het adres niet willen doorgeven."
(Interview
10)
D: "Van sommige kinderen … de situatie waar we weten dat die mensen bang
zijn om opgepakt te worden,… als die dan ineens verdwijnen, dan zijn ze
misschien wel opgepakt… . Er zijn er ook die terug naar hun land gaan, omdat
ze
uitgewezen zijn en het echt niet meer durven om hier te blijven. Dan worden
heel
dikwijls de kinderen teruggestuurd en blijven de ouders hier" (Interview
2)
I(nterviewer): "Hebt u dat ooit ergens gemeld van dat u daar eigenlijk,
niet zeggen
dat u het daar niet mee eens was, maar dat u daar schrik voor had van dat
de
rijksregisternummers zouden…"
D: "Ik heb daar al wel met collega's over gesproken op directievergaderingen.
Maar
dat melden… aan wie moet ge dat melden?"
I: "Geen idee…"
D: "Weigeren kun je niet, want dan hebt ge kans dat ge uw subsidies niet
meer
krijgt, dus…. Da's een probleem, hè" (Interview 3)
1.3 Wantrouwen ten aanzien van de school
Sterk samenhangend met de onzekerheid, die een illegaal verblijf met
zich meebrengt,
is het wantrouwen dat ouders aanvankelijk hebben ten aanzien van de school.
DE
school wordt immers ook aanzien als een officiële instantie en men
zal niet zo
gemakkelijk de school in vertrouwen nemen. Het gebeurt soms dat de illegale
verblijvers geen adres opgeven, maar enkel een GSM-nummer ofwel dat men
de
school tracht te controleren om zekerheid te hebben dat er wel echt op de
kinderen
gepast wordt. Het wantrouwen ten aanzien van de school neemt bijna altijd
sterk af na
verloop van tijd, als blijkt dat de school geen melding maakt van het illegaal
verblijf
bij politie of rijkswacht. Bovendien bewijst het schoolpersoneel na verloop
van tijd
zijn loyaliteit door extra inspanningen voor de illegale verblijvers te
leveren. Een
ander teken van wantrouwen is dat de illegale verblijvers vaak niet melden
dat ze
reeds gedurende langere tijd in België zijn en dat hun kinderen reeds
ergens anders
school gelopen hebben. De redenen hiervoor kunnen heel uiteenlopend zijn.
Soms zijn
de illegale verblijvers verhuisd zonder hun rekeningen te betalen of omdat
er zich
andere problemen stelden. Vaak willen ze gewoon niet dat de vroegere school
weet
waar ze naar toe zijn getrokken.
D: "Wat hij in het begin (de papa) ook heel veel deed, hè, dat
was zo … in, in de
loop van de dag eens komen kijken en dan zette hij zich daar… tijdens de
middagpauze bijvoorbeeld of zo, … dat hij door had dat het om 10 na 10 speeltijd
was, dat hij toch tot hier kwam. En dan ging, dan zette hij zich neer op
de bank en
dan kwam hij eens wat kijken" (Interview 10)
D: "Die hebben meestal een GSM en… ja, die veranderen van GSM als dat
er
reclame…-acties zijn, oh, dat is en dat is elke keer nen andere nummer,
euh
proberen om die terug te vinden. Trouwens GSM-nummers kun je nergens
opsnorren in nen boek of zoiets. Ook al, het is een keer voorgevallen dat
we een
verkeerd adres hadden doorgekregen en dat ze dan in dezelfde … straat en
zelfs in
hetzelfde appartementsgebouw woonden, maar op een andere verdieping en zo
van die dingen" (Interview 11)
D: "Ik heb die angst nog maar bij één ervaren en dat is
hier bij die Braziliaan,
maar hmm, ik vind dat heel raar, want zijn situatie zo ook, hè, allée,
ja, hij had nu
gemakkelijk kunnen een dossier indienen (voor de regularisatie van zijn
situatie),
hij heeft dat toch niet gedaan, dus, ik weet niet, maar ik heb zo het gevoel
dat daar
nog wel wat andere dingen, euh, tussenzitten, bij die'e man. Die'e
is drie keer
geweest vooraleer hij zijn kind liet inschrijven, want die was nu opgeschreven
in
een privé-school, maar hij kon dat niet betalen. En nu is 'm naar
hier gekomen,
heeft hij euh… gevraagd, wordt dat ergens doorgespeeld?" (Interview 5)
D: "Ze zijn bang om contact te maken met de school, ze hebben schrik dat
wij,
euh, aan politiediensten gaan meedelen dat ze illegaal zouden…. En dat duurt
wel
een tijd voor ze, voor ze beseffen dat dat niet zo is. Dat wij hier zijn
om hen te
helpen."(Interview 1)
D: "Ik heb dat niet, hè. Wat wel is uitzonderlijk gebeurd, dat
er hier iemand kwam
van een andere Stedelijke School en dat de uitleg nogal raar was en dat
ik naar die
collega gebeld heb en die zei me dan en dat was dan in…, ah, stuurt die
maar
terug, want dat en dat en dat en dat…" (Interview 6)
1.4 Gebrek aan officiële contactpunten
Als de illegaal verblijvende ouders voldoende vertrouwen hebben in de
school, zullen
ze ook geregeld naar de school stappen met hun problemen. Sommigen zien
de school
als laatste redmiddel na allerhande andere kanalen te hebben uitgeprobeerd;
anderen
stappen sneller naar de school toe. De school wordt vaak ingeschakeld om
problemen
met officiële instanties uit de weg te ruimen, zoals administratieve
problemen
oplossen, brieven vertalen, helpen in het verkrijgen van medische verzorging,…
Het
zijn vaak zaken die Belgen zonder hulp zouden oplossen, maar die omwille
van de taal
of het illegaal verblijf door deze mensen nauwelijks zelf afgehandeld kunnen
worden.
Ze doen daarom een beroep op de school die dan als tussenpersoon dient.
Het
personeel van de school treedt dan duidelijk op als contactambtenaar. De
scholen
zeggen nooit dat ze weigeren hulp te verlenen, doch er is wel een verschil
te bemerken
in de mate waarin hulp wordt verleend. Sommige scholen wachten totdat de
illegale
verblijvers zelf met een probleem naar hun toe stappen, andere scholen zullen
speciale
contactmomenten organiseren om de drempel voor onder andere illegale verblijvers
te
verlagen.
De scholen die zich sterker bewust zijn van hun hulpverlenende functie,
zijn in de
meeste gevallen scholen die een groter aantal kinderen van illegale verblijvers
opvangen of de scholen die dit al gedurende een langere periode doen.
De tijd kan
misschien ook een factor zijn die een rol speelt in de mate waarop de school
zich als
contactpunt voor de illegale verblijvers zal ontwikkelen. Zoals hierboven
werd
aangehaald, hangt dit ook af van de ouders van de illegale verblijvers en
het
vertrouwen dat ze stellen in de school: als zij nooit met hun problemen
naar de school
stappen kan deze ook niet optreden als contactambtenaar.
D: "Heel dikwijls ook komen die, als ze dan toch via de school binnenkomen
en
ze leggen een beetje goed contact, dan euh ben je de tussenpersoon voor
heel veel
dingen, dan, ja dan gaan ze je wel beschouwen als hulpverlener en ze gaan
heel
dikwijls beroep doen op die hulp. En je probeert dat ook te doen,
maar dat is
enorm tijdrovend"(Interview 2)
D: "Maar, maar sommigen zullen denken van, oh, we zijn ingeschreven in
een
school en het is dan in orde. En dan merk je natuurlijk, als je dan ook
papieren,
dan staan ze daar…, kunnen ze het niet ingevuld krijgen. Het is al voorgevallen
dat ik ze daarbij geholpen heb, maar meestal vinden zij toch wel hunne weg
en
hun kanalen, die hebben hun eigen communicatiekanalen, denk ik van, van
zelfde
nationaliteiten, zelfde gebied waar ze vandaan komen" (Interview 7)
D: "Ja, zoveel mogelijk, hè. Ik moet dat beperken. Ja, nu met die
regularisatiepapieren moest ik wel, hè, maar ik tracht dat zoveel
mogelijk te doen
door bijvoorbeeld een permanentie in de school, ik heb dus één
dag in de week,
één morgen, waar er een interculturele medewerker Turks en
één interculturele
werker Arabisch zit. En, waar dus de mensen en zowel ook de leerkrachten,
vragen naar kunnen stellen die beantwoord worden via telefoon of huisbezoeken
en zo verder. En ook die mensen moeten dikwijls… meegaan voor SIS-kaarten,
euh voor naar het gemeentehuis of het districtshuis en zo verder" (Interview
4)
1.5 Demotivatie bij de kinderen
De kinderen van illegale verblijvers moeten, als ze toekomen in ons land,
een nieuwe
taal leren en wennen aan een ander cultuur en een ander onderwijssysteem.
Dit op zich
is al een proces dat soms moeizaam verloopt en veel motivatie en extra inspanningen
van het kind vereist. Daarenboven worden de kinderen van illegale verblijvers,
als ze
ouder worden, zich meer en meer bewust van het uitzichtloze van hun situatie.
Het kan
dan ook zijn dat ze de moed opgeven om nog te studeren. Het kan ook zijn
dat één
bepaald feit, bijvoorbeeld een bevel om het land te verlaten, aanleiding
geeft tot
ontmoediging. Dit geldt echter zeker niet voor alle kinderen van illegale
verblijvers: er
zijn er ook die elke kans grijpen om onderwijs te volgen en die juist zeer
gemotiveerd
zijn. Ook de houding van de directie ten aanzien van de situatie van illegaal
verblijf
kan sterk verschillen. Sommige directieleden zijn ervan overtuigd dat ook
de kinderen
van illegale verblijvers hier iets van hun leven kunnen maken. Andere directies
vrezen
dat ze de kinderen valse hoop geven door hen voor te houden dat er voor
hen
mogelijkheden in deze maatschappij bestaan. In het onderwijs wordt namelijk
nauwelijks een onderscheid gemaakt tussen de illegaal verblijvende kinderen
en de
legaal verblijvende kinderen of ruimer tussen de Belgen en de allochtonen.
Eenmaal
dat de leerlingen echter uit het onderwijs stappen worden ze harder met
deze realiteit
geconfronteerd.
Deze school ving een illegaal in ons land verblijvend Slovaaks meisje
op in het
vijfde leerjaar. Haar gezin had gepoogd om via de regularisatiecampagne
legaal
hier te kunnen verblijven. Dit is mislukt met als gevolg dat het kind helemaal
niet
meer naar school komt. (Interview 9, dit gedeelte van het gesprek
werd niet
uitgetypt, omdat de cassetteopname te slecht was)
D: "Mmm, ge komt daar nogal verschillende mensen tegen, ofwel willen
die echt
vooruit en knokken die om … om het hoofd boven water te houden en die
geraken er uiteindelijk, ofwel vallen die van de ene miserie in de
ander. Dat zijn
zo de twee uitersten, maar dat komt heel vaak voor" (Interview 7)
D: "Die zijn nu… ATN… nog net, die vallen er nog net in, ik denk dat die
nu
ongeveer een jaar hier zijn en die nog, ja, die doen het toch echt heel
goed in de
klas, die zit in het vierde leerjaar en dat zal wellicht… een, een flinke
leerling
worden."
I: "Ja. Dus, u hebt geen problemen van motivatie van zowel de ouders als
de
kinderen, die ouders zijn veel betrokken met die kinderen?"
D: "Veel meer dan de doelgroepleerlingen, veel grotere motivatie van de
leerlingen" (Interview 5)
D: "Doe ik nu wel goed van die, die mensen een behaaglijk gevoel te geven,
van
die kinderen een gevoel van veiligheid te geven, terwijl de toekomst voor
hen er
zeker niet rooskleurig uitziet. Nu, mensen stellen hoop in onze school en
is die
wel terecht die hoop, wat zijn, wat is nu eigenlijk dat toekomstbeeld dat
wij gaan
krijgen?" (Interview 4)
1.6 Uitbuiting
Illegale verblijvers zijn vaak het slachtoffer van uitbuiting omwille
van hun precaire
situatie en het ontbreken van mogelijkheden om te reageren. De illegale
verblijvers
krijgen heel vaak te maken met maffia, zoals mensensmokkelaars of huisjesmelkers,
maar ook met advocaten, die het niet goed met hun voorhebben. Dit probleem
zal vaak
geen rechtstreekse gevolgen hebben op het onderwijs voor de kinderen van
illegale
verblijvers, maar bijvoorbeeld wel op de financiële situatie van de
illegale verblijvers.
Onrechtstreeks beïnvloedt dit probleem dus ook de onderwijskansen van
de kinderen
van illegale verblijvers. Zo verhuizen illegale verblijvers vaak, indien
ze betere
huisvestiging vinden, waardoor de kinderen van school moeten veranderen.
De slechte
huisvestiging kan soms ook gezondheidsproblemen met zich meebrengen. Wat
de
juiste gevolgen zijn van deze uitbuiting, daar hadden de directies, zelf
weinig zicht op,
maar feit is wel dat uitbuiting een regelmatig voorkomend probleem vormt
voor
illegale verblijvers.
D: "Dus, die krijgen papieren van wat dan ook via advocaten die daar zijn,
die
daar hmm, serieus hun centjes aan verdienen, moet ik zeggen, die vragen
wel
bijvoorbeeld dat proces, en die komen allemaal bij mij voor die papieren
dus in te
vullen" (Interview 4)
D: "Heel dikwijls is het gewoon, euh, de buurt, euh, eigenlijk zitten
we nog in de
stationsbuurt, het centraal station. Eum… aan de overkant van de Belgiëlei,
niet
zo zeer hier, maar aan de overkant van de Belgiëlei, zijn zeer veel
huizen, laat ons
zeggen, bijna krotwoningen, waarvan de Joodse Gemeenschap eigenaar is… en
daar wordt, euh…, ja, die mensen worden ook uitgebuit, hè. Men verhuurt
per
matras…" (Interview 2)
D: "Ja, en dan een ander probleem zal ook dan wel zijn, de huisjesmelkers,
hè.
Hè, want onlangs is er ergens iemand veroordeeld, omdat die.. zo
prijzen vroeg
om zoveel mensen, per persoon verhuurde die dan, hè, dezelfde ruimte"
(Interview 6)
§2: Financiële en materiële problemen
De financiële en materiële problemen vormen in de eerste plaats
een hinderpaal om de
kinderen van de illegale verblijvers naar school te kunnen sturen. Ze hebben
niet direct
invloed op het leerproces of op de integratie in de school. Maar onrechtstreeks
kunnen de
financiële en materiële achterstand van het gezin wel bijkomende
moeilijkheden veroorzaken:
zo kan de integratie in de school bemoeilijkt worden doordat kinderen van
illegale verblijvers
zich bepaalde zaken niet kunnen veroorloven. Verder zal het steeds vermeld
worden indien
een financieel of materieel gebrek gevolgen zal meebrengen voor de integratie
in de
schoolgemeenschap of gevolgen heeft voor het studeren zelf.
2.1 Het inkomen van illegale verblijvers en de schoolkosten
In hoofdstuk 3 werd aangegeven dat de illegale verblijvers geen recht
hebben op een
arbeidsvergunning in ons land en dat een OCMW niet verplicht is om materiële
of
financiële steun te verlenen, behalve als het gaat om dringende medische
hulpverlening. Toch blijken een aantal illegale verblijvers wel steun van
de OCMW's
te ontvangen of sturen de illegale verblijvers de school, voor het betalen
van de
rekening, door naar een OCMW. Wat meer voorkomt, is dat de ouders een inkomen
halen uit "zwartwerk". Als een gezin steun krijgt van een OCMW of men heeft
een
inkomen uit onwettelijke arbeid, dan zijn de illegale verblijvers meestal
in staat om
een sober, maar menswaardig leven te leiden. De financiële problemen
die zich dan
stellen zijn vaak acuut van aard en komen aan de oppervlakte wanneer het
inkomen uit
arbeid om één of andere reden verloren gaat. De illegale verblijvers
kunnen in zo'n
geval geen beroep doen op een sociaal vangnet. Als de illegale verblijvers
in zo'n
situatie van acute geldnood verkeren en naar de school stappen, is dit omdat
ze geen
andere uitweg meer zien. Scholen kunnen echter maar weinig aan zulke situaties
veranderen, al proberen ze wel de ergste wantoestanden te voorkomen, door
bijvoorbeeld collectes te organiseren, boterhammen aan kinderen geven,…
D: "Je moet eens zien in welke gebouwen, omstandigheden dat die leven,
… je
moet eens kinderen en… die je 's zaterdag s en 's zondags opbellen uit nood
om
te zeggen dat de verwarming al 'k-weet-niet hoe lang niet gaat, terwijl
het vriest
en zo verder. Dat je dan zegt, oké, dan ga je er naar toe, naar de
school en dan zet
je de verwarming van de school op dat die eventjes warm kunnen krijgen
en zo
verder" (Interview 4)
D: "In sommige gevallen proberen wij te beperken, gewoon uit compassie,
uit
medelijden doen wij een omhaling soms. Wij… ik, men kan niet alle zorgen
van
de wereld op u laden, hè. Dus,… maar soms is het zo schrijnend dat
we zeggen,
oké, we leggen bij, de leerkrachten of ikzelf, wij leggen bijeen
en euh, we zorgen
dat iets kan. Dat is niet voor uitstappen, hè, dat is echt dus, voor
eten…"
(Interview 4)
D: "Bij sommige illegalen hebt u dan financiële problemen,… die
soms plots
opduiken, omdat zij dus geen financieel vangnet hebben, het OCMW komt niet
tussen"(Interview 1)
D: "Zolang er geen problemen zijn, gaat alles goed, maar als er een acuut
financieel probleem is en die mensen zitten in nood en die komen bij u
aankloppen, dan … dan heb je weinig mogelijkheden om te doen, hè…
. Soms is
de school dan de laatste redmiddel en dan doen wij al het mogelijke" (Interview
1)
Een andere situatie doet zich voor bij een chronisch gebrek aan financiële
middelen.
Voornamelijk in de periode kort na het toekomen in België hebben de
meeste illegale
verblijvers geen enkele vorm van inkomen. Alhoewel voor een aantal gezinnen
zal dit
constant gebrek aan middelen blijven voortduren. Ondanks het uitgangspunt
dat
onderwijs in België gratis is, komen er toch een heleboel extra kosten
bij als kinderen
naar school gaan. Het onderwijs van hun kinderen is bovendien geen prioriteit
voor
deze mensen. De meeste kosten voor het onderwijs kunnen zij dan ook niet
betalen.
De scholen zorgen er dan op één of andere manier wel voor
dat de illegale verblijvers
geen schoolrekeningen hoeven te betalen of proberen de kosten zo laag mogelijk
te
houden. Ook worden andere belangrijke, maar niet-verplichte activiteiten
vaak
grotendeels door de school zelf gefinancierd, bijvoorbeeld uitstappen of
bosklassen.
De meeste benodigdheden zoals schrijfgerief of een uniform worden eveneens
door de
school voorzien. Echter, voor minder belangrijke bijkomende faciliteiten,
zoals
schoolmelk of schooltijdschriften, komen de meeste scholen niet meer tussen.
De
redenering die de meeste scholen volgen is, dat men de kinderen van illegale
verblijvers wil laten meegenieten van de activiteiten georganiseerd in
en door de
school. Tegelijkertijd wil men erover waken dat de kinderen door anderen
niet
aanvaard worden, omdat ze zich bepaalde materiële zaken niet kunnen
veroorloven.
De meeste scholen stellen wel een grens aan hun financiële tussenkomst.
Als een
bepaalde uitgave niet verplicht is of als de integratie van de kinderen
van de illegale
verblijvers in de klas en de school niet bemoeilijkt wordt door niet-deelname,
dan
zullen de scholen deze kosten meestal niet meer vergoeden. De scholen van
alle
onderwijsnetten in Antwerpen kunnen voor het betalen van de uitgaven voor
illegale
verblijvers beroep doen op een Sociaal Fonds. Het Sociaal Fonds dat door
de stad
Antwerpen wordt gefinancierd, komt onder andere tussen in de kosten voor
uitstappen
of bosklassen. Voor sommige scholen is het heel moeilijk om deze financiële
tussenkomsten zelf nog te dragen. Vooral scholen die vrij veel kinderen
van illegale
verblijvers opvangen of die in het algemeen een kansarme populatie opvangen,
kunnen
niet dezelfde financiële inspanningen leveren. Het komt zelfs voor
dat de school
ouders bepaalde klusjes in de school laat opknappen, zodat de illegale
verblijvers op
deze manier de schoolkosten kunnen vergoeden. Zo wordt ook rekening gehouden
met
de waardigheid van de illegale verblijvers.
D: "Euh… zeg, wat dat wel is bijvoorbeeld, euh, er zijn ook een aantal
zaken die
ouders niet moeten betalen, waar ze vrij in zijn… of waar ze zich niet op
moeten
abonneren, of abonneren is geen verplichting, euh, dan denk ik bijvoorbeeld
aan
drankjes. De kinderen hier kunnen drank op school kopen, maar ouders zijn
dat
niet verplicht, ze mogen even goed drankjes van thuis meebrengen, zolang
dat
geen frisdranken zijn, zoals cola en zo. Euh, nu zijn er een aantal ouders
die al
een gans jaar bestellen op school, maar het nooit betalen. Dus, hebben wij
vanaf
nu wel gezegd van, ja, dan wordt daar geen rekening meer mee gehouden en
de
kinderen drinken geen… nemen geen drank meer van het school (Interview 11)
D: "… En voor het financiële is er nen tussenkomst vanuit de Stad
Antwerpen."
I:" Sociaal Fonds?"
D: "Sociaal Fonds, ja…" (Interview 3)
D: "Neen, nee wij geven huistaakklassen voor 2, 3, vooral 2, 3, 4."… "Vijf
en zes
was in de school zelf, door een leerkracht van vijf en zes, euh maar ineens
stopt
men daar de betalingen voor. Dus, da's gestopt. Nu hebben we juist op de
algemene vergadering gesteld dat we dat dan maar uit… een onbestaande zwarte
kas te betalen. Dus, we betalen dat zelf, want ik kan toch moeilijk aan
leerlingen
om 30 fr. gaan vragen om die leerkracht te betalen, ik kan toch ook moeilijk
eisen
dat die leerkracht dat gratis gaat doen. Euh,…. Ik vind dat dus niet… eerlijk
dat
men aan sommige kinderen dan 30 fr. vraagt …. en andere kinderen kunnen
dat
dan niet betalen, dat kan niet."… "Dus betalen wij dat zelf, maar dat kan
ik niet
volhouden, hè, dat is net zoals de zwemlessen, die betalen wij ook
zelf, dat is niet
vol te houden, hè" (Interview 4)
D: "Als ge kinderen niet, euh wilt, zeker in een kleinere school als de
onze, niet
direct de stempel wilt geven van, van ze zijn anders dan de andere, dan
probeert
ge ze dus ook …euh ook te laten genieten van schoolmelk."
I: "Ja."
D: "Ah, ja, maar dat moet op één of andere manier betaald
geraken, hè. … Dus,
euh… nu als ge een school hebt… als die, die van ons… waar het … als het
publiek het sowieso niet al te breed heeft….Euh, ge moet niet denken dat
wij een
sociale kas hebben of zo, hè" (Interview 9)
D: "En die mensen komen hier aan, helemaal zonder middelen, hm. Euh,
wij zijn
dan een uniformschool, hè, daar begint het al, hè. Euh, ze
moeten al een uniform
hebben en zo verder. … De coördinator van de school heeft nu een systeem
uitgewerkt zodanig dat ze wat tweedehandsmateriaal kan geven. En, euh,…
met
de Kosovaren… hebben wij een regeling uitgewerkt, dat zij, dus de vaders
die
werken voor de school. Dat wordt omgezet in, in uren en dat is dan afbetaling
van
de leerlingenrekening. Zij doen dus klusjes voor de school en hun kinderen
kunnen hier dan gratis op school zijn" (Interview 5)
De scholen hoeven de onderwijskosten van kinderen van illegale verblijvers
niet
alleen te dragen, aangezien ze voor inkomsten bijna altijd kunnen rekenen
op anderen.
Concreter gezegd, er is vaak hulp van ouders van Belgische kinderen of van
verenigingen die zich onder andere inzetten voor illegale verblijvers. Ouders
trekken
zich vaak het lot van één gezin aan en trachten dit gezin
dan financieel en materieel op
weg te helpen. Deze situatie komt voornamelijk voor in scholen die relatief
weinig
illegale verblijvers opvangen en die in de meer welvarende buitenwijken
van
Antwerpen gelegen zijn. Sociale verenigingen daarentegen lijken zich meer
te richten
op scholen in kansarmere buurten. Deze verenigingen staan meestal in voor
meerdere
kinderen van illegale verblijvers. Bovendien zijn de scholen op de hoogte
van het
bestaan van een aantal verenigingen die zich inzetten voor kansarme en ook
voor
illegale verblijvers beschikbaar zijn. Meestal gaat het om het verstrekken
van heel
goedkope (of gratis) tweedehandskledij of maaltijden.
D: "Welke afspraak hadden we in het begin gemaakt, omdat de ouders dus
geen
inkomsten hadden en uiteindelijk toch afhingen van dat gastgezin… Daar zit
dat
gastgezin mee voor een groot deel tussen, denk ik, die zo eigenlijk, ja,
naar alles
en nog wat mee die weg kunnen wijzen." (Interview 10)
D: "De andere kinderen, die… vallen als begeleiding bij die Lutherse
pastor en
het is zijn gemeenschap of zijn parochie, ik weet niet hoe men dat noemt,
die de
kosten betaalt" (Interview 5)
D: "Wij kunnen via een aantal organisaties binnen het Stedelijk Onderwijs,
euh,
steun organiseren. Een stuk financiële steun, wij sturen, hen naar
Kledingwerk,
dus wanneer de winterkledij niet voldoende is voor de kinderen, kunnen wij
voor
nieuwe winterkleren zorgen" (Interview 1)
Een bijkomend probleem van het in armoede leven is dat de kinderen zelf
soms
moeten gaan bedelen of gaan werken om de nodige inkomsten te verwerven.
Met als
gevolg dat ze de school beschouwen als een plaats om uit te rusten, waardoor
ze niet
veel van de lessen opsteken. Of ze stelen het lesmateriaal dat ze van de
school krijgen,
gewoon om het voor zichzelf te hebben. Zo'n gedrag is niet eigen aan het
illegaal
verblijf, maar aan het feit dat de kinderen in armoede leven.
D: "'t Is moeilijk die mensen van alle dingen, middelen, die … om dus
inkomsten
te hebben, hè, dan krijg je … kinderen die is bloemetjes gaan
verkopen."
I: Ja.
D: "Hè, je hebt vanalles, en die dus… ook bij de school, die eigenlijk
hier in de
school komen uitrusten." … "Ook stelen…, maar dat is een… maar dat is niet
eigen aan de groep van de illegalen, dat is gewoon eigen aan armoede. Maar
omdat zij bij de armsten zijn, krijg je dat dus, … Bon, pennen pikken, kleurtjes
pikken om, om te hebben natuurlijk" (Interview 9)
D: "We weten ook dat twee van die kinderen bedelen in het weekend, maar
niet in
de omgeving van de school" (Interview 12)
2.2 Gezondheidszorg
Een probleem dat zowel veroorzaakt wordt door het illegaal verblijf als
door de
financiële situatie van deze personen is het gebrek aan medische verzorging.
In het
geval van ziekte of ongeval kunnen de illegale verblijvers geen beroep doen
op een
mutualiteit om tussen te komen in de onkosten. Het is voor hen onmogelijk
zich aan te
sluiten bij een ziekenfonds, tenzij men zich heeft aangesloten gedurende
de periode
dat asiel werd aangevraagd en men dus nog niet uitgewezen was. Enkel dan
kan de
aansluiting bij een mutualiteit nog doorlopen tijdens de periode van illegaal
verblijf
(Devillé, 1997: 9). Tenzij het gaat om dringende medische hulpverlening
moeten ook
de OCMW's niet tussenkomen. De illegale verblijvers zullen dus zelf alle
kosten
moeten betalen. Indien een ongeval zich op school voordoet, worden de medische
kosten terugbetaald door de schoolverzekering. In andere gevallen zal men
de illegale
verblijvers doorsturen naar bijvoorbeeld Artsen zonder Grenzen of wordt
het Medisch
Schooltoezicht ingeschakeld.
D: "Wat ook heel veel problemen geeft, dat is juist, dat is als die kinderen…
euh
ziek worden,… of een ongevalletje hebben. Nu kunnen wij dat regelen via
de
schoolverzekering, enzovoort. Euh, ik stuur die mensen dan gewoonlijk ook
naar
Artsen zonder Grenzen, als die zich moeten laten behandelen, maar dat geeft
dikwijls toch wel problemen. Eum,… ze kunnen niet naar de dokter, da's ook
natuurlijk een beetje het financiële. … Medisch schooltoezicht schakelen
we al
eens in. Euh… de schooltandarts, ja, de tandarts van de Stad Antwerpen,
… ook
van het medisch schooltoezicht, hè. Dat biedt al eens oplossingen"(Interview
2)
D: "Dat is dan een regeling met het ziekenhuis, dan gaan we dus wel naar
een,
naar een OCMW-ziekenhuis… dat is ietske gemakkelijker en dan word er wel
een
regeling getroffen met de verzekering in de mate van het mogelijke en anders
is
het de school die stilletjes wat bijpast, … dat gaat ook, dat gaat toch
niet over
zoveel geld."(Interview 7)
Het gevaar bestaat ook dat de kinderen van illegale verblijvers, die
niet
afkomstig zijn uit West-Europa, bepaalde ziektes, zoals TBC met zich
meebrengen die hier uitgeroeid zijn. Bij een gebrekkige verzorging bestaat
dan
de kans dat zij andere kinderen besmetten.
D: "Er zullen nog wel problemen zijn, ja, kleding, rond hygiëne,
euh medische
zorgen. … Kinderen komen vaak naar school met ziektes, dus is het ook zo
bijvoorbeeld, dat is een groeiend risico, in onze Westerse maatschappij
en dus dan
spreek ik van West-Europa. Dat is bijvoorbeeld TBC op bepaalde plaatsen…
kunnen krijgen Joegoslavië en verder naar het Oostblok, daar is dat
nog wel een
serieus probleem, maar bij ons is de controle op TBC afgeschaft" (Interview
9)
2.1 Mobiliteit en verloop
De illegale verblijvers zijn omwille van hun beperkte financiële
mogelijkheden niet zo
mobiel als anderen. Zij moeten zich tevreden stellen met de huisvestiging
die ze
kunnen betalen, wat vaak betekent dat ze allen in kansarme buurten terechtkunnen.
De
illegale verblijvers vestigen zich niet alleen in deze achtergestelde wijken,
omdat ze
geen hoge huishuur kunnen betalen, maar ook omdat ze het slachtoffer zijn
van
huisjesmelkers. Daarenboven beschikken ze slechts zelden over een eigen
vervoersmiddel en is het openbaar vervoer voor hen een dure aangelegenheid.
Als de
illegale verblijvers hun kinderen school willen laten lopen, zijn ze dus
aangewezen op
de dichtstbijzijnde school. De illegale verblijvers die in kansarme buurten
wonen,
zullen hun kinderen dan naar de school in deze wijk sturen. Het overgrote
deel van de
kinderen van illegale verblijvers zijn geconcentreerd in een aantal
(concentratie)scholen, die zich in achtergestelde wijken lokaliseren. Deze
scholen
trekken sowieso al een vrij arm publiek aan. Dit betekent dat ze niet dezelfde
faciliteiten ter beschikking kunnen stellen van de kinderen als de gemiddelde
school,
wat niet echt bevorderlijk is voor de studiesituatie van de illegale verblijvers,
die
bovendien al van bij de aanvang een achterstand hebben ten aanzien van andere
kinderen (cf. infra: §3). Bovendien dienen deze scholen grote groepen
anderstalige
kinderen in de klas op te nemen, wat niet eenvoudig is, zonder het lesniveau
naar
beneden te halen. Op dit probleem wordt verder nog ingegaan.
De beperkte mobiliteit van de illegale verblijvers en de daaruit volgende
onmogelijkheid om voor een andere school te kiezen, samen met het feit dat
ze vaak
geconcentreerd leven in een aantal buurten, zorgen ervoor dat het merendeel
van de
kinderen van de illegale verblijvers die school lopen in een beperkt aantal
scholen
terechtkomt. Voor deze scholen brengt dit een extra financiële belasting
met zich mee,
omdat de illegale verblijvers vaak de schoolkosten niet zelf kunnen betalen
(cf. supra:
2.1). Dit kan ook afgeleid worden uit de gegevens die weergegeven worden
in bijlage
1. Er zijn slechts vijf scholen die meer dan tien illegale verblijvers opvangen.
Twee
van deze scholen zijn gesitueerd in de stationsbuurt van Antwerpen, één
in
Antwerpen-Noord, een vierde school bevindt zich nog in de stationsbuurt
van
Antwerpen op de grens met Borgerhout en de laatste van deze vijf scholen
bevindt
zich in Berchem. Elk van deze vijf scholen bevindt zich dus in min of meer
kansarme
buurten.
De overheid steunt te veel op de goodwill van de directies en de leerkrachten
om
in die opvang te voorzien (bijvoorbeeld: de opvang van deze kinderen die
geschrapt zijn voor subsidies). Maar daar kan de overheid niet blijven op
rekenen:
de scholen (zeker in Antwerpen-Noord) zijn immers niet in staat om nog veel
meer kinderen van illegale verblijvers op te vangen (in deze school is al
meer dan
20% van de leerlingen illegaal in ons land) en zelfs al willen ze dit wel,
er heerst
een tekort aan personeel om deze extra leerlingen op te vangen. Als gevolg
daarvan zullen meer en meer scholen in de buurt deze kinderen weigeren
(Interview 9, dit deel van het gesprek werd niet uitgetikt omwille van de
slechte
kwaliteit van de cassetteopname)
D: "Ja, wij hebben de discussie gehad met … de kabinetsleden van de vorige
onderwijsminister. … Die zeiden: "geen ATN's in een concentratieschool.
ATN-
klassen moeten gespreid worden…zoveel mogelijk uit elkaar, mensen moeten..."
Als argument haalden die aan: mensen die duizenden kilometer gereisd hebben,
om in een stad te komen… als Antwerpen, die zullen toch wel den tram kunnen
pakken, zeker voor een paar kilometer om naar 't Kiel of zo te rijden. En
dat is
dus niet waar, want … die mensen zijn niet mobiel, die hebben geen auto,
die
hebben geen geld voor nen tram, meestal… Dus die zijn echt wel gebonden
aan
de buurt" (Interview 2)
De beperkte mobiliteit van deze mensen leidt nog tot een ander probleem:
illegale
verblijvers verhuizen meer dan normaal. Hiervoor bestaan meerdere redenen.
Zo kan
het zijn dat ze na verloop van tijd een betere of goedkopere huisvestiging
vinden of dat
ze omwille van bepaalde problemen verdwijnen of onderduiken. Zelfs als ze
alleen
maar naar een ander stadsdeel verhuizen, bestaat voor die mensen meestal
de
mogelijkheid niet om hun kinderen naar dezelfde school te blijven sturen.
Dit verloop
van kinderen van illegale verblijvers kan een aantal nadelige gevolgen hebben.
Ten
eerste voor de kinderen zelf: het kan zijn dat hun slaagkansen dalen door
telkens
opnieuw van school te veranderen, al hoeft dit niet steeds het geval te
zijn. Ten tweede
heeft dit ook een effect op de motivatie van de leerkrachten. Anderstalige
kinderen
vergen immers extra inspanningen van de leerkrachten. Als deze dan na verloop
van
tijd vertrekken, en vooral als dit zich meermaals voordoet, kan de leerkracht
dat
ervaren als verloren moeite, omdat ze nooit de resultaten van hun werk te
zien zullen
krijgen. Het vrij grote verloop van kinderen van illegale verblijvers, vergeleken
met de
Belgische kinderen, kan dus niet alleen een negatief effect op de schoolresultaten
van
de kinderen hebben, maar het kan ook demotiverend werken ten aanzien van
leerkrachten, die dan een volgende keer minder inspanningen zullen leveren.
D: "… Het feit dat ze zeer dikwijls maar even verblijven in de buurt en
in de
school… Dat ze dikwijls verdwijnen zonder iets te verwittigen, zonder adres
achter te laten, dat je er het raden naar hebt… Dat is één
van die grote problemen"
(Interview 2)
D: "Aan de hand van de cijfers zien we van het moment dat een kind hier
6 jaar
is, of dat nu Nederlands spreekt of niet, dat heeft heel veel kans, dat
heeft veel
kans, meer kans, gemiddeld meer kans om zijn diploma te halen. Het is alleen
als
je van school gaat veranderen, dat de problemen beginnen" (Interview 1)
I: "Heeft dat ook effect op, ja, krijgt u soms ook kinderen toe die van
een andere
school komen en heeft dat dan effect op die hun studieprestaties? Dat die
van de
één school naar de andere worden gesleurd?"
D: "Dat is moeilijk te meten, hè, goh, als dat een beetje van dezelfde
soort school
is, dan sluit dat wel aan, denk ik" (Interview 7)
D: "Wij denken ook wel dat, euh, wij zijn dan op zoek gegaan naar zijn
schoolverleden en bleek dat die elk jaar van school veranderde, wat natuurlijk
maakt dat die, ja, waarschijnlijk met een enorme frustratie had en zich
nergens
thuis voelde en juist daarom… zich ook altijd, zich achter opgesteld voelde
en zo
agressief begon te reageren" (Interview 11)
D: "Maar, allée, als ze (de leerkrachten) dan het gevoel hebben
van god, ja, die
zijn hier welkom en we zullen ons best doen, dat zeggen wij dus ook en dat
proberen wij ook te doen, hè. Euh, … dat wordt wel gewaardeerd, maar
aan de
andere kant het is heel vaak zo, door dat plots verdwijnen, zie je dus ook
bij
leerkrachten vaak zo de reactie 'ziet ge ze, we hebben er zoveel voor gedaan
en ze
zijn weg'"(Interview 7).
D: "Eén van de problemen, vind ik, de duur dat ze hier zijn wel.
We hebben er
ook in november 3 binnengekregen, die hier drie weken geweest zijn en ineens
verdwijnen. Dus, je steekt er wel tijd, de leerkrachten vinden dat vooral
erg, je
steekt er tijd en energie in en … ja die zijn, ze zijn weg" (Interview 12)
2.2 Studieruimte en huistaakklassen
Kinderen van illegale verblijvers hebben vaak thuis geen ruimte om rustig
hun
huiswerk te maken. Dit is mogelijk het gevolg van de huisvestiging en beperkte
inkomsten. Soms is er geen grote tafel voor handen om het huiswerk op te
maken of is
er geen rustige studieruimte voor handen. Het kan echter ook het gevolg
zijn van een
cultureel verschil. Migranten, vooral afkomstig van het Afrikaanse continent,
zijn
vaak gewoon met velen in een kleine ruimte te leven. Het gebrek aan rustige
studieruimte stelt zich dus niet alleen bij illegale verblijvers, maar ook
bij andere
migranten. De kinderen in het eerste leerjaar krijgen vaak geen huiswerk
mee, maar de
oudere kinderen krijgen wel te maken met dit probleem.
D: "Ik weet wel bijvoorbeeld dat, … zij inderdaad thuis geen grote tafel
hebben,
waarop hij zijn werk kan maken. … Maar, … ik heb toch nog nooit gehoord
dat
het werk niet in orde zou zijn" (Interview 11)
D: "Nee, dat denk ik niet. Ze wonen daar … klein behuisd op de bovenste
verdieping. Ik ben in de… keuken annex woonkamer geweest, maar dat is niet
groot. Ik weet niks van slaapkamers zijn, maar ik veronderstel dat
er één of twee
slaapkamers zijn en ik denk dus niet dat er een ruimte is waar de kinderen
hun
huiswerk kunnen maken…" (Interview 13)
De scholen kennen dit probleem en trachten er elk op zijn manier een oplossing
voor
te vinden. Er zijn scholen die geen huiswerk meegeven of die niet optreden
als het
huiswerk niet gemaakt werd. Andere scholen proberen om via huistaakklassen,
georganiseerd door de school of in samenwerking met een vereniging, een
oplossing
te bieden aan dit probleem. Gedurende deze naschoolse opvang worden de kinderen
begeleid bij het maken van hun huiswerk, soms zelfs door de ATN-leerkracht
zelf, die
toch het dichtst bij de kinderen staat.
D: "…, die krijgen geen huiswerk. We zullen zo eens een kleinigheid meegeven
om te doen, euh… of een puzzeltje meegeven, maar echt het gewone huiswerk
kunnen zij nog niet aan" (Interview 12)
D: "Nu natuurlijk wordt er hier heel, heel tolerant mee rondgegaan, als
dat kind
zijn huiswerk niet, niet kan maken of ja, dan wordt dat achteraf in de school
gewoon er mee geholpen, hè" (Interview 10)
D: "Dat is drie keer op de week, hoor, dus na school, van half vier tot
half vijf, dat
de kinderen kunnen najblijven om hun huiswerk onder begeleiding van een
leerkracht te maken en lessen te verwerken. Dat is eigenlijk alleen voor
vijfde en
zesde, omdat in de lagere klasjes het huiswerk beperkt is tot lezen"
(Interview 3)
D: "Ja, maar dat is dan een beetje ondervangen omdat dus de leerkracht
ATN's
die organiseert hier ook de nabewaking."
I: "Ja."
D: "En zij gaat natuurlijk haar eigen leerlingskes van haar onthaalklas,
zorgen dat
die zeker hun huiswerk goed gemaakt hebben voor ze naar huis gaan" (Interview
5)
§3: Sociale en culturele problemen
Onder deze noemer vallen een hele reeks problemen die de integratie van
zowel de
kinderen als de illegaal verblijvende ouders in de klas, de school en meer
algemeen in de
schoolgemeenschap bemoeilijken. Bovendien wordt hierdoor het volgen van
de lessen sterk
bemoeilijkt. De grootste hinderpaal is natuurlijk de taal, maar daarnaast
zijn er nog andere
problemen veroorzaakt door ruimere culturele verschillen. Deze problemen
worden ook
besproken, maar worden geplaatst bij de actoren die het sterkst met een
bepaald probleem
geconfronteerd worden: de school, de ouders of de kinderen. Vanzelfsprekend
stellen dezelfde
problemen zich ook bij de opvang van kinderen van legale vluchtelingen en
van de ATN's in
het algemeen. Toch is dit een belangrijk facet van de problemen die zich
stellen in de opvang
van kinderen van illegale verblijvers, zodat ze uitvoerig behandeld worden.
3.1 De taal
De illegale verblijvers spreken slechts heel uitzonderlijk Nederlands
als ze toekomen
in ons land. Een aantal van de ouders zal wel in beperkte mate het Engels,
Frans of
Duits beheersen, maar vaak schiet hun kennis van deze talen te kort om de
communicatie vlot te laten verlopen. Dus wordt van de scholen de nodige
creativiteit
vereist om toch contact te leggen met de ouders en de kinderen. Voor de
communicatie met de kinderen zijn bijna altijd bepaalde faciliteiten voorzien,
namelijk
extra lesuren Nederlands in het kader van het onthaalonderwijs voor ATN's,
in het
onderwijsvoorrangsbeleid voor migranten of in de zorgverbreding. Zelfs indien
deze
faciliteiten niet voorzien zijn in een school, kan er wel worden teruggevallen
op een
taaklerares die de nodige aandacht aan de anderstalige kinderen besteedt.
Ook in de
communicatie met de ouders hebben de scholen een aantal mogelijkheden tot
hun
beschikking om de taalbarrière te overbruggen, zoals tolken, kinderen
of ouders die
vertalen, gebarentaal, pictogrammen, woordenboeken, … Aan de meeste van
deze
mogelijkheden zijn echter nadelen verbonden (cf. infra).
De scholen uit Antwerpen kunnen een beroep doen op de tolken uit een
tolkencentrum. Er zijn tolken aanwezig voor de meest voorkomende talen,
bijvoorbeeld Kosovaars, Russisch, maar ook Turks en Marokkaans, maar niet
voor alle
talen. Een tolk kan wel ingeschakeld worden voor de noodzakelijke communicatie
met
de ouders, maar is natuurlijk niet permanent aanwezig. Een groter nadeel
is dat de
illegale verblijvers soms bezwaar maken tegen het gebruik van een tolk.
Indien de tolk
afkomstig is uit het thuisland van de illegale verblijvers, is het mogelijk
dat zij de tolk
beschouwen als een vertegenwoordiger van het officiële gezag waarvoor
zij gevlucht
zijn. Dit probleem blijkt zich niet vaak te stellen, maar het kan wel beletten
dat de
scholen de tolken kunnen inschakelen om met de ouders te communiceren. Af
en toe
kunnen de scholen rekenen op sociale organisaties, die vertalers onder
hun
medewerkers hebben.
Het inschakelen van tolken uit het tolkencentrum kan soms meer problemen
veroorzaken dan dat er worden opgelost. Het is namelijk zo dat de illegale
verblijvers (afhankelijk van persoon tot persoon) het vaak niet zo nauw
nemen
met de gemaakte afspraken en dus niet komen opdagen als ze een afspraak
met de
tolk hebben. Een bijkomend probleem is dat deze illegale verblijvers de
tolken
soms zien als de vertegenwoordigers van het gezag uit hun land van herkomst,
waar ze nu net voor gevlucht zijn (Interview 9, dit deel van het gesprek
is
uitgetikt op basis van de nota's omwille van de slechte kwaliteit
van de
cassetteopname)
D: "Ja, zoveel mogelijk, hè. Ik moet dat beperken. Ja, nu met die
regularisatiepapieren moest ik wel, hè, maar ik tracht dat zoveel
mogelijk te doen
door bijvoorbeeld een permanentie in de school, ik heb dus één
dag in de week,
één morgen, waar er een interculturele medewerker Turks en
één interculturele
werker Arabisch zit. En, waar dus de mensen en zowel ook de leerkrachten,
…
vragen naar kunnen stellen, die beantwoord worden via telefoon of huisbezoeken
en zo verder" (Interview 4)
D: "Hè, dus, je richt dan ouderavonden in … met zoveel mogelijk interculturele
medewerkers…, maar ik kan dat dus doen bijvoorbeeld voor de Turkse
Gemeenschap, voor de Arabische Gemeenschap is dat zelfs gepland en daar
komt
men altijd naar toe, maar voor de anderen, de … Nigeriaantjes, de Kosovaren,
de
Joegoslaven, noem maar op, … de Albanezen, die vallen eigenlijk uit de boot"
(Interview 4)
Een andere manier om met de ouders in contact te treden is door andere
tussenpersonen in te schakelen. Deze personen zijn dan meestal de eigen
kinderen,
andere schoolkinderen of andere ouders, die wel voldoende Nederlands praten.
Echter,
in bepaalde culturen wordt de hiërarchie in het gezin doorbroken, als
men de eigen
kinderen inschakelt om te vertalen. Als de eigen kinderen zelf onvoldoende
Nederlands praten, vragen de scholen soms aan andere schoolkinderen of ouders
van
kinderen die dezelfde taal spreken, om te vertalen. Toch doen de scholen
niet steeds
een beroep hierop, om de privacy van de illegaal verblijvende ouders niet
te schenden.
Als directies of leerkrachten gevoelige zaken met de ouders te bespreken
hebben over
een kind, dan hebben ze daar liever geen andere kinderen bij. De andere
vertaalmogelijkheden, pictogrammen, gebaren en woordenboeken, geven de scholen
slechts de kans om ruwweg een aantal onderwerpen aan te raken.
I: "Zijn er soms echt ouders waar u…? Die niet meer kunnen… waar het
echt
bijna onmogelijk is om ze te begrijpen?"
D: "Ja, dan proberen we gebruik te maken van … pictogrammen. …Ik heb het
hier niet staan, maar wij hebben zo'n euh pictogrammenboek, waar ge toch
wel…
. En dan … heb ik ook zo een aantal van die reiswoordenboekjes in allerlei
talen.
Want wij nemen één woord, want dan kan je het nog niet zeggen
dikwijls, hè,
want je moet eens proberen om Pools te praten. Dat kan ik niet uitspreken,
dus
dan laat je dat woord zien, dat vertaald woord en die woordenlijsten en
ge
probeert daar oplossingen aan te vinden"(Interview 2)
D: "Ja, goed. Euh, … we maken ook dankbaar gebruik van kinderen die tolken.
… We hebben een paar schitterende … tolken onder onze kinderen, maar dat
is
het probleem dat die kinderen heel dikwijls last hebben thuis, omdat dan
de
hiërarchie binnen het gezin doorbroken wordt".
I: "Ja."
D: "Zij worden gebruikt als tolk en zijn daar belangrijk, maar thuis worden
die
dan terug op hun plaats als kind gezet en dat geeft wel eens conflicten
thuis"(Interview 2)
D: "We maken ook gebruik van andere ouders om te tolken, wat soms moeilijk
is,
omdat … wanneer een kind echt problemen heeft, dat het niet altijd prettig
is voor
een ouder om dat van een andere ouder te horen" (Interview 2)
D: "… kunnen onderling ook als tolk… . Zo hadden wij, ik denk vorige
week, een
inschrijving van een Russisch kind. … Waren veertien dagen hier, een kleuter.
Die mensen waren veertien dagen hier. Wij verstonden daar geen woord van
uiteraard, … wij zijn gewoon op de speelplaats één
van onze Russische kinderen
gaan halen en die heeft, die is dus voor ons getolkt. Het kind is opgeschreven
en
die was heel fier, want die heeft dat dus allemaal kunnen regelen met ons"
(Interview 5)
Met geen enkele van deze hulpmiddelen zullen alle taalproblemen uit de
weg geruimd
kunnen worden. Het vraagt dus van de scholen veel meer tijd en moeite om
ook deze
ouders bij de school te betrekken. Bovendien is het bijzonder moeilijk om
juiste
informatie van deze mensen te verkrijgen. De namen van leerlingen worden
als gevolg
van de taalbarrière vaak fout gespeld, wat later problemen kan geven
voor de
erkenning als regelmatige leerling.
D: "Het voornaamste probleem en daar hebben we het al over gehad en dat
is de
communicatie… Je moet in een ander taal communiceren, die mensen praten
geen
Nederlands. In het beste geval verloopt het in het Engels of in het
Frans…met
van hun niveau van Frans of Engels. Bon, een voorbeeld geven: een Belg
inschrijven dat is op 10 minuten, een kwartier gedaan, dan is alle administratie
gebeurd, alle voorlichting gegeven en dan kunt ge zelfs nog een stuk van
de
school laten zien. Een illegaal inschrijven of een Anderstalige Nieuwkomer,
want
dan loopt het gelijk, dat duurt soms 2 à 3 uur voor de mensen begrepen
hebben
waarover het allemaal gaat. Daar kruipt veel meer tijd in. Ook communicatie
in
de klas, mensen begrijpen, … nota's niet…" (Interview 1)
D: "Euh, met… wat het inschrijven betreft, is het soms moeilijk, want
ik moet
elke inschrijving staven met een officieel papier, … waarop de naam en de
geboortedatum van de kinderen voorkomt…. Heel dikwijls zijn dat gewoon de
papieren waarmee de mensen uitgewezen zijn of de papieren van … Brussel,
dat
ze, dus, wachten op erkenning. Da's 't enige dat die zowat hebben. Gelukkig,
aanvaardt de verificateur dat, maar we hebben dat al heel dikwijls gemerkt
dat op
die papieren ook heel dikwijls fouten staan. Afrikanen, bijvoorbeeld, die
kiezen
hun eigen naam, … die veranderen dan ook al eens van naam, die hebben ook
geen vaste geboortedatum…" (Interview 2)
D: "… die hebben bijvoorbeeld papier, die is geboren in 1989 … en wij moeten
altijd nen datum invullen. Dus… wordt er gewoonlijk gezegd 1 januari of
dat is
zo de typische… . Maar, … eigenlijk rond subsidies, als ge die papieren,
als ge
helemaal geen papieren hebt, moet je kunnen bewijzen dat je… inspanningen
geleverd hebt om aan die papieren te geraken. En dan denk ik dat het een
klein
beetje van de verificateur afhangt, of die dat probleem begrijpt of niet."
I: "Ja."
D: "En … ik moet zeggen, wij hebben daar eigenlijk geen, geen echte problemen
mee."… "Maar juiste schrijfwijze van namen, dat komt nu ook weer naar voor,
hè
(ze spreekt nu over de regularisatiecampagne voor illegale verblijvers).
Ze
komen zeggen van ik ben in dat jaar hier naar school geweest, je gaat dat
opzoeken, je vindt daar wel namen, maar hebben die ineens officiële
papieren
waarop die voornaam helemaal anders is of de geboortedatum is anders en…
dan
weet ge, ja …" (Interview 2)
3.2 De school
1)Het bepalen van het studieniveau en het integreren in de klas
De taal en de cultuur stellen scholen voor heel wat moeilijkheden die ze
dienen op te
lossen. Het personeel van de scholen die zulke kinderen opvangen, moet dus
meer
moeite doen om de kinderen te doen aansluiten in de klas en om de ouders
op de
hoogte te houden.
D: "Maar, allée, als ze (de leerkrachten) dan het gevoel hebben
van god, die zijn
hier welkom en, en we zullen ons best doen, dat zeggen wij dus ook en dat
proberen wij ook te doen, hè. Euh, … dat wordt wel gewaardeerd, maar
aan de
andere kant het is heel vaak zo, door dat plots verdwijnen, zie je dus ook
bij
leerkrachten vaak zo de reactie "ziet ge ze, we hebben er zoveel voor gedaan
en
ze zijn weg", hè, maar je kan dat niet afmeten, je mag dat
ook niet afmeten
tegenover mekaar. Eum, het is niet omdat je veel voor iemand doet, … dat
je dat
allemaal terugkrijgt op één of andere manier, hè" (Interview
7)
De eerste moeilijkheid doet zich al voor bij het bepalen van het studiejaar
waar men
het kind zal plaatsen. Er moet met verschillende factoren rekening gehouden
worden.
Ten eerste komt niet elk onderwijssysteem overeen met het Belgische
onderwijsmodel. Er zijn bijvoorbeeld landen waar de lagere school zeven
leerjaren
kent of waar men vroeger met het leerproces start, maar het meest voorkomende
verschil is een andere volgorde in het aanbieden van de leerstof. Daarenboven
zijn er
leerlingen die een ander schrift of leesrichting hebben aangeleerd, wat
die kinderen
dan opnieuw dient afgeleerd te worden. Het gebruik van talige testen voor
het bepalen
van het intelligentie- of studieniveau is dus uitgesloten. Ook niet-talige
testen zijn
sterk cultuurgebonden en komen dus ook niet altijd in aanmerking.
D: "… Nu blijkt het, want zij, … zat daar in de zesde klas, maar dan die
goeie
Poolse, die ik daar zei van jaren terug, die heeft daar dan mee gesproken
en die
heeft dat uitgelegd in haar klas, hè, en ook … aan hare meester dat
in Polen de
lagere school zeven leerjaren telt, hmm, hè. Dus, die andere die
heeft dat
uitgelegd en dan hebben wij onder, samen zo gezegd "ah ja, maar ja, mevrouw"
zeggen de kinderen dan "dan zit ze nu eigenlijk heel goed, want dan zit
ze nu in
het vijfde" (Interview 5)
Een eveneens groot probleem is het bepalen van het studieniveau. Aanvankelijk
steunde de school hiervoor op IQ-testen. Deze bleken helemaal niet geschikt
om
het studieniveau te bepalen, aangezien een zeer groot deel van deze testen
steeds
talig is, wat anderstaligen dus niet kunnen oplossen en zelfs het niet-talige
gedeelte is te sterk cultuurgericht (zoals bijvoorbeeld een puzzel oplossen).
Het
blijkt echter dat het bijna onmogelijk is om te bepalen wat iemands studieniveau
is. Men moet dus zowat gokken om iemand in een bepaalde klas te plaatsen.
Men
heeft namelijk ook een tijd gebruik gemaakt van "rekentesten" om het niveau
te
bepalen, totdat echter bleek dat de volgorde van wiskunde aan te leren niet
altijd
overeenkwam met onze Belgische volgorde (Interview 9, dit gedeelte van
het
interview werd uitgetikt op basis van de nota's omwille van de slechte kwaliteit
van de cassette-opname).
Eenmaal het studieniveau bepaald, zullen ongeveer alle scholen de regel
volgen van de
leerling een jaartje lager te plaatsen dan het niveau dat hij haalt. Dit
wordt gedaan om
het kind gedurende het eerste jaar de kans te geven zich aan te passen aan
de nieuwe
omgeving en om de taal te leren. Bovendien is het ook voor de leerkrachten
gemakkelijker als zij zich in het begin enkel te hoeven concentreren op
de taal. De
scholen kiezen hier dus duidelijk voor het creëren van een veilig gevoel
bij de
kinderen, voor directe leerresultaten. De integratie wordt nog bevorderd
via een aantal
niet-talige activiteiten, zoals tekenen, wiskunde, sport. Op één
school gaat men deze
talenten van de anderstalige kinderen extra in de verf zetten, zodat zij
zich ook
gewaardeerd en aanvaard voelen. Het contact met de andere schoolkinderen
is daarin
een heel belangrijk element, eerst en vooral om aansluiting te vinden bij
de
schoolgemeenschap, maar ook om het Nederlands gemakkelijker aan te leren.
Vooral
bij oudere leerlingen zal de integratie en het Nederlands leren moeilijker
verlopen. Een
kind dat in het eerste leerjaar toekomt, heeft immers weinig of geen achterstand
vergeleken met zijn klasgenoten, aangezien pas in het eerste jaar gestart
wordt met het
leerproces. Een oudere leerling daarentegen dient een groter achterstand
op te halen.
I: "Dus, … dat is dan een vorm van integratie, dat is de wiskunde?"
D: "Dat is de eerste aanknoping, een ander aanknoping is activiteiten
lichamelijke opvoeding, activiteiten beeldende vorming, waar zij aan meedoen
en
waar zij net zo goeie resultaten of net zo mooie halen. Waardoor ze … Daardoor
krijg je meer sociale integratie, spelen ze samen, … en dat geeft ook een
heel
groot effect op de taalontwikkeling, van het moment dat kinderen met elkaar
beginnen praten in het Nederlands dan zie je dat de woordenschat
heel snel
omhoog gaat. …. Dus wanneer een bepaalde nationaliteit in een groepje bij
elkaar
gaat staan, dan, dan, heb je minder, minder leerresultaat dan wanneer ze
zich gaan
mengen met de andere leerlingen. We hebben ongeveer 30% Marokkaanse
kinderen hier op school, waarvan er 25% hier geboren zijn, ja, dus dat zijn
perfect
Nederlandstalige kinderen: 't is niet omdat die bruin zien, dat die geen
Nederlands kunnen" (Interview 1)
D: "Euh, als dat … jonge kinderen zijn van 5 of 6 jaar, ja dan, … Ik heb
daar een
beetje, … wij hebben dat afgesproken in het team: als er nu… kinderen komen
die normaal dus in het eerste jaar moeten…"
I: "Ja."
D: "… en die komen in de loop van het jaar binnen, want dat is dus, die
komen
niet in september binnen, die komen gewoon… in de loop van het jaar komen
die
binnen, bijvoorbeeld, dan zet ik die sowieso bij de kleuters".
I: "Ja".
D: "En ik… maak daar zelfs geen, ik leg dat aan die mensen uit, … waarom
ik dat
doe. Zijn zij niet akkoord, dan moeten zij een andere school kiezen. Dus,
ik zet
die in de kleuters, waarom? Omdat, die kinderen is eventjes wat, wat veiligheid
kunnen ondervinden en gewoon op een spelende manier taal gaan ondervinden,
een soort taalbad gaan krijgen" (Interview 4)
D: "Wat ik ook wel doe en daardoor zijn de titularissen rustiger, ik
plaats meestal,
de ATN een jaar te laag. Met opzet"
I: "En, … zoals met dat illegaal kindje dat nu in het zesde zit, hebt u
dat ook
gedaan?"
D: "Ik plaats die een jaar te laag en ik zeg dan aan de titularis, zeg,
kijk ge hoeft u
niks of niks aan te trekken van de leerstof, zorg dat het kind zich goed
voelt, dat
ze zich begint te integreren en eigenlijk heeft ze niks anders te leren
dan de taal
bij u en dat zal ze dan zelf wel opnemen. En dan zijn eigenlijk de mensen
rustiger
…"
I: "Ja".
D: "En dan weten ze pas volgend schooljaar gaan we beginnen aan het
leerproces" (Interview 2)
D: "Wat ik gehoord heb en ik vond dat wel heel positief, dat kind van
Kazakstan
kan bijzonder goed viool spelen en ze laten die geregeld, … een stukje spelen
in
de refter."
I: "Ja."
D: "…Want, maar ja, dat is geen probleem, hè, dat is een positief
punt. Euh, ja,
muziek is communicatie zonder taal, hè."
I: "En, … dan wordt dat ook gewaardeerd?"
D: "Ja, ja, er zijn nog twee kinderen in de onthaalklas, heb ik gehoord,
die
bijzonder talent hebben voor tekenen en nu is juffrouw An … daarmee bezig
via
tolken en de ouders om ze naar de tekenacademie te kunnen laten
gaan…"(Interview 5)
D: "Tja, toen dat ik die'e jongen toekreeg en ik bezag die, ja, normaal
moest die
in het vijfde zitten. Dat is, maar in het vijfde zou hij zeker niet mee
kunnen. Dus
heb ik gedacht, ik zal 'm een leerjaar lager zetten omwille van het feit
dat dat toch
bij zijn leeftijdgenoten is, ongeveer, … want, ik moet er wel bijzeggen
we hebben
twee vestigingsplaatsen, dus hier in dit gebouw zitten de kleutertjes, het
1ste, 2de
en 3de studiejaar en dus in die andere vestigingsplaats zitten dus 4, 5
en 6."
I: Ja.
D: "Moesten nu 4, 5 en 6 ook hier gezeten hebben, dan had ik misschien
beslist
van 'm in een derde te zetten."
I: "Ja."
D: "Hè, euh in het eerste dat vond ik, dat gaat nog voor zo'n dropje,
maar zo'nne
bonk dat gaat niet" … "En de juffrouw die was daar eerst niet zo opgetogen
mee,
wat dat begrijpelijk is, want … dat moet een verrassing zijn, omwille van
het feit
dat ge het ten eerste niet verwacht, die staan daar ineens en ten tweede
ge hebt
daar ook niks voor klaar … om daarmee te starten. Dus, ge begint
dus eigenlijk
van totaal niks, … ge kunt daar niet mee converseren, hè, de juffrouw
kan in het
Engels of in het Frans wat, maar dat verstaan ze ook niet. Euh, dus dat
was de
eerste week wel een beetje… ja, … hoe moet ik het zeggen, een beetje, zo
wat
wrijving, ja, dat ze zie, "ja, wat moet ik daar mee doen", maar dat is overgegaan
dankzij de taakjuffrouw die dan toch wat richtlijnen heeft kunnen geven
van 'laat
'm eerst een week acclimatiseren in de klas en dan zal ik eens stilletjes
aan… om
te helpen lezen …'" (Interview 13)
I: "En het kind gaat dan af en toe naar het eerste om … te leren lezen,
alles aan te
leren…?"
D: "Ja…"
I: "… schrijven?"
D: "Ja, als die, … maar pas op 't is niet dagelijks, dat is … een paar
uren op de
week, hè, dan die uren … dat die naar de Taakklas kan gaan en voorts
in de klas
zelf, hè, de titularis is daar ook mee bezig, hè."(Interview
13)
2) Analfabetisme
Nog moeilijker wordt het als de kinderen volledig ongeletterd zijn. Men
probeert dan
de kinderen zoveel mogelijk in het eerste leerjaar te plaatsen, maar als
dit door een
aantal elementen, zoals hun gestalte, bemoeilijkt wordt dan laat men ze
toch bij hun
eigen leeftijdgenoten aansluiten. Soms beslist men dan om het kind, na verloop
van
tijd, toch een aantal uren in de week in het eerste leerjaar les te laten
volgen. Niet
alleen bij kinderen stelt zich het probleem van analfabetisme, het kan zijn
dat ook de
ouders nooit hebben leren lezen of schrijven. Dit bemoeilijkt dan nog eens
extra het
integratieproces: de ouders kunnen geen documenten ondertekenen, tenzij
met een
kruisje, ze spreken zelfs niet een beetje Engels of Frans, brieven vanuit
de school uit
zijn onverstaanbaar. Een ander nadeel wanneer de ouders analfabeet zijnen
bijgevolg
nooit naar school zijn geweest, is dat ze geen zicht hebben op hoe een school
werkt,
aan welke regels ze zich dienen te houden en wat ze kunnen verwachten van
de school
(cf. infra: 3.4).
D: "Hè, euh in het eerste dat vond ik dat gaat nog voor zo'n dropje,
maar zo'n
bonk dat gaat niet" (Interview 13)
D: "… Wat niveau heeft die klas, dat weet je niet. En dan nu de laatste
tijd een
bijkomend probleem, heb je een aantal kinderen vooral uit … Ex-Joegoslavië
die
analfabeet zijn op 10, 11 jarige leeftijd, die nog nooit naar school zijn
geweest…"
I: "En dat zijn dan kinderen van oudere leeftijd… dus…"
D: "Ja, ja, die niet binnenkomen in een eerste of tweede klasje, maar die
dan wel
in ander … het eerste leerjaar terechtkomen"(Interview 2)
D: "Nu, bij die twee (de kinderen van de illegale verblijvers) hebben
we gezegd,
dat was eigenlijk … de vraag van de ouders en de gastvrouw die daar bij
was van
aangezien zij nog … praktisch nooit naar school zijn geweest ook geen sch…
kleuterschool kennen, … ze kennen niks, waarom ze dan niet in het eerste
en
omdat ze dan klein waren en, ah ja, hè, nog nooit op een bank hadden
moeten
zitten, hebben wij eigenlijk beslist… Wij geven advies, het zijn de ouders
die
beslissen, want hadden zij gezegd van nee, ze moeten naar het tweede, dan
hadden ze naar het tweede gegaan, hè. … Ook die andere ouders, als
die echt
zeggen van, nee, het zesde leerjaar, dan gaan ze ook naar het zesde" (Interview
10)
D: "Zij weten ook blijkbaar via een OCMW dat hun kinderen naar school
moeten
gaan, want ze komen dus papier vragen, … dat de kinderen naar school gaan.
…
We hebben hier nu ontdekt dat de kleuterschool ook briefjes gemaakt … met
…
pictogrammen op feitelijk, hè. Dus, als er iemand ziek is of zo,
om de taalbarrière
te overbruggen, hebben we dat dan op die manier gedaan" (Interview 12)
3) Integratie in de reguliere klas
De scholen laten de anderstalige kinderen zich gedurende het eerste jaar
vooral
concentreren op het aanleren van de Nederlandse taal. Om die redenen worden
ze een
jaar lager geplaatst dan hun eigenlijke niveau, krijgen ze extra uren Nederlands,
bijvoorbeeld in de ATN-klas en laat men deze kinderen soms zelfs gedurende
een paar
uren per week aansluiten bij het eerste leerjaar. Dit wil niet zeggen dat
de leerkrachten
niet pogen om de uren die de kinderen in de reguliere klas doorbrengen,
zinvol te laten
verlopen. Men wil voorkomen dat de anderstalige kinderen helemaal niets
van de les
begrijpen en daardoor interesse verliezen. Men probeert dus aangepaste activiteiten
voor deze kinderen te vinden. De computer blijkt hiervoor een dankbaar instrument
voor te zijn. Toch vereist dit enige aanpassing en differentiatie in de
wijze van
lesgeven door de leerkracht. Een aantal scholen pleiten daarom om een
klasdoorbrekende werking. Het werken in niveaugroepen zou zeker voor de
anderstalige kinderen positief uitvallen. Het wordt dan bijvoorbeeld mogelijk
om
leerlingen voor wiskunde in een hogere niveaugroep te plaatsen dan voor
Nederlands,
wat in de gewone klas niet kan. Enkele scholen proberen naast de ATN-klas,
waar de
kinderen meestal qua leeftijd gegroepeerd zijn, ook een aantal andere werkvormen
uit,
die meer gericht zijn op het groeperen van leerlingen op basis van hun studieprestaties.
Deze manier van werken zou er voor zorgen dat de anderstalige kinderen steeds
in een
groep terechtkomen, waar ze wel kunnen volgen en ze bijgevolg meer
meepikken van
de les.
D: "In de eigen klas volgen ze veel activiteiten."
I: "En hoe wordt dat daar opgelost van… ?"
D: "… wisselend: soms krijgen ze een andere opdracht, soms helpen de andere
kinderen iets. … We hebben computer in de klas, die wordt dan ook wel eens
ingeschakeld om een oefening op hun niveau … te zetten, zo hebben we nu
in het
vierde iemand die via computer en via dan extra oefeningen toch al telt
tot, optelt
tot 100, hè. Aftrekken tot 20 kan doen, maar die zit feitelijk in
het vierde leerjaar,
die zit dus…, maar die blijft wel in de eigen klas, hè, buiten …
die paar uren in de
week dat die naar de ATN's gaat en dan is het vooral rond woordenschat dat
er
gewerkt wordt" (Interview 12)
D: "…is niet hetzelfde. Meestal met het taalprobleem, zitten ze natuurlijk
ook bij
de ATN's, maar komen toch ook terecht in de klassen, dus… leerkrachten moeten
nog meer gaan differentiëren. …En niet alle leerkrachten zijn
al…voldoende…opgeleid eigenlijk om met die cultuurverschillen te kunnen
omgaan" (Interview 2)
D: "Hm, die komen binnen, er is een gesprek met de ouders, ik probeer
uit te
vissen, ja, van waar kom je en welk leerjaar? Als dat hier in België
geweest is, is
dat iets gemakkelijker. Is dat in het buitenland is dat natuurlijk wel wat
moeilijker, omdat je dan… zeker niet goed weet wat het niveau is. Je hebt
dan
ook geen, geen gegevens op papier, … daarom… vraag ik aan de taakleraar
om,
om wat testen te doen, wat objectieve toetsen te doen. Zodanig dat we een
beetje
kunnen bepalen, heel vaak is dan wiskunde natuurlijk dat veel beter is,
altijd
trouwens is de wiskunde beter dan taal. Dan wordt die in een leerjaar geplaatst,
dat kan dan niet het leerjaar zijn van zijne leeftijd of van hare leeftijd,
maar…
ietsje lager om dus… ja, … een beetje een taal gewoon te worden en dan krijgt
die wel wiskunde op het niveau van een hoger leerjaar" (Interview 7)
D: "Wij hebben bijvoorbeeld ook klasdoorbrekende werkvormen. … Ik zeg
maar
iets, derde kleuterklas samen met eerste leerjaar of op een ander moment
eerste en
tweede leerjaar. Zij doen daar "Hoekenwerking", dat is een werkvorm waarbij
je
de kans krijgt om sterk te differentiëren … Daar is steeds een "Taalhoek"
bij,
voor taalzwakke kinderen en die Taalhoek wordt dan ingericht door juffrouw
An
van de ATN's en zij heeft dan die kinderen tussen, die zes van haar, die
dan in die
bewuste klassen zitten, in één en twee, maar zij neemt daar
dan andere
taalzwakke kinderen bij. Ziet ge? Dus, zij gaat niet al, zij gaat dus ook
dikwijls
haar vreemdelingskes klasintern ondersteunen" (Interview 5)
Het is voor de scholen al een hele inspanning om een groep van anderstalige
kinderen
te trachten te integreren in de schoolgemeenschap. Het wordt nog moeilijker
als het
gaat om een groep anderstalige kinderen die dezelfde nationaliteit hebben
of die
dezelfde taal spreken. De kinderen zijn in dat geval niet aangewezen op
het leren van
het Nederlands om met andere kinderen te kunnen communiceren. Het gevolg
is dan
ook dat hun kennis van het Nederlands nauwelijks of geen vorderingen maakt.
Ook bij
broers en zussen kan dit probleem opduiken. Scholen trachten dus zoveel
mogelijk de
kinderen van eenzelfde nationaliteit te spreiden over verschillende klassen.
Niet alle
scholen beschikken over de mogelijkheid om kinderen te spreiden, aangezien
de groep
van anderstalige kinderen die dezelfde moedertaal hebben soms te groot
is of omdat de
school geen parallelklassen van een zelfde jaar inricht. Daarom verkiezen
de scholen
om anderstalige kinderen op te nemen die elkaars taal niet spreken. Dit
kan niet altijd
gerealiseerd worden, aangezien de scholen meestal geen kinderen mogen weigeren
.
Als de kinderen verschillende talen spreken, lost het probleem zich op doordat
de
kinderen zijn aangewezen op een gemeenschappelijke taal om te communiceren,
het
Nederlands.
D: "Dat taalbad is dan ook nog tussen haakjes, met al die verschillende
nationaliteiten, met een overheersende groep Turken en dus…"
I: "Ja."
D: "… dat taalbad wordt dan meestal een Turks taalbad…"
D: "De laatste jaren, ik heb het daarstraks ook al eventjes aangegeven,
is er ook
een voordeel met de taal, bijvoorbeeld, als… in het begin waren het allemaal
Turken bijna 90%, nu is het nog maar 75% naar 70% toe, zodat die Turken,
die
altijd gekapseld zaten in hun eigen taal…"
I: "Ja".
D: "… dat die nu niet meer kunnen, om met hun vriendjes te praten, de Kosovo's,
de Albanezen, de Nigeriaantjes … en zo verder, moeten die nu één
gemeenschappelijke taal gaan aannemen en dat is dus het Nederlands,
…"(Interview 4, het gaat hier om een school waar in het lager onderwijs
ongeveer 95% allochtonen worden opgevangen)
I: "Maar gaat dat om die zo Nederlands aan te leren?"
D: "Ja, daar valt die niet zo op, hè, voor een leerkracht, want als
je daar een grote
groep anderstaligen hebt, dan … is het ook al wel moeilijker om, … vooral
als ze
zich beginnen te groeperen, hè. Als jij in een klas ene Pool hebt
en ene Rus, ja,
Polen en Russen verstaan elkaar nog al is, en ene Portugees en ene Afrikaan
en
aantal Belgen en ene Marokkaan en ene Turk, dan zullen die allemaal samen
Nederlands moeten spreken of ze gaan mekaar niet verstaan."
I: "Ja"
D: "Van den ogenblik dat je een concentratie, een groepje hebt…"
I: "…van bepaalde kinderen."
D: "…die gaan samen spelen, dat is logisch, en dan hoor je in zo'n klas
wel eens
een groepje dat wat meer Pools spreekt. En, we spreken dan af "de juf moet
jullie
ook kunnen verstaan", maar ja… wat zou je zelf doen als je daar in een…
groep
zit waar je niemand verstaat en je ontdekt er twee die je wel verstaat…"
I: "Ja…"
D: "… dan ga je daar bij hangen, hè" (Interview 2)
D: …"Daardoor krijg je meer sociale integratie, spelen ze samen, … en
dat geeft
ook een heel groot effect op de taalontwikkeling, van het moment dat kinderen
met elkaar beginnen praten in het Nederlands dan zie je dat
de woordenschat
heel snel omhoog gaat … Dus wanneer een bepaalde nationaliteit in een groepje
bij elkaar gaat staan, dan heb je minder leerresultaat dan wanneer ze zich
gaan
mengen met de andere leerlingen" (Interview 1)
D: "Want dat is ook belangrijk, hè, het één kind
neemt gemakkelijk taal op, het
ander niet, hè. Maar de Albanezen, da's een tweeling en da's dus…
dat ge dan
een bijkomend probleem, hè. Want dat weten we al, ook in de kleuterschool
is dat
zo, tweelingen, … die zijn a a-priori, hebben die hun eigen brabbeltaaltje
als
kleuters" (Interview 6)
4) Integratie in de schoolgemeenschap
Een laatste probleem stelt zich momenteel meer in Antwerpen dan in andere
gemeenten. Er worden immers steeds meer asielcentra gevestigd in de buurt
van
Antwerpen. Bovendien verblijven heel veel asielzoekers, die eigenlijk aan
een ander
OCMW zijn toegewezen toch in Antwerpen. Dit zorgt tijdelijk voor een grote
toestroom van anderstaligen en krijgen de scholen meer en meer aanvragen
om ATN's
in de school op te nemen. Bijkomend is dan nog dat de kinderen zelden of
nooit het
Nederlands beheersen. Zolang het slechts om een aantal leerlingen gaat,
aanvaarden de
Belgische ouders de komst van de kinderen over het algemeen wel. Indien
er op korte
tijd een groot aantal kinderen toekomt, vormt dit niet alleen een probleem
om deze
kinderen in te passen in de klas. Zeker in scholen die oorspronkelijk slechts
een (vrij)
laag percentage aan allochtone kinderen opvangen, zullen de Belgische ouders
niet
altijd even positief reageren op de komst van de anderstalige kinderen.
Om de
Belgische ouders niet af te schrikken proberen scholen een rem te zetten
op het aantal
allochtone, maar ook op het aantal anderstalige kinderen, dat in hun school
wordt
opgenomen. Toch zal de grens die gelegd wordt sterk verschillen afhankelijk
van de
buurt waarin de school gelegen is en het percentage aan allochtonen die
men voorheen
opving. De ouders zullen niet altijd laten blijken dat ze niet opgezet zijn
met de gang
van zaken in de school, maar ze kunnen wel (onbewust) hun kinderen opzetten
tegen
de anderstalige kinderen. De anderstaligen zullen het nog moeilijker krijgen
om zich
in te passen in de school als ze door de andere kinderen als buitenstaanders
beschouwd
worden. Dit effect kan nog versterkt worden doordat de anderstalige kinderen
elke
week de klas verlaten om extra taallessen Nederlands te volgen. Dit is
zeker niet altijd
het geval, maar doet zich toch af en toe voor.
I: "Euh, die grote instroom, is dat door de Kosovaren … die tijdelijk hier
zijn?"
D: "Nee, dat is omdat men de asielcentra hier plant."
I: "Ah…"
D: "De mensen verblijven in "Hoog Boom" (?) een tijdje en dan zoeken die…
Dan worden die ofwel uitgewezen ofwel toegewezen aan een OCMW, maar die
mensen zijn vrij om een woning te zoeken."
I: "Ja."
D: "Euh, hoe ze eraan geraken, weet ik niet, maar de meeste mensen vestigen
zich
in Antwerpen-Noord of in Borgerhout en nu ook in Berchem, duidelijk gedeelte
van Berchem. Dat kan zijn, omdat de huizen goedkoper zijn, dat kan zijn
omdat
ze daar naartoe gedirigeerd worden, … We weten wel dat heel veel,
dikwijls de
huishuur wordt betaald door OCMW's die verspreid worden over België"
(Interview 1)
D: "Door welke OCMW's, hè en als ik nu zeg, dat één
van hen vanuit Limburg
komt officieel, OCMW en één van de anderen van een randgemeente
van Brussel,
hm, dan is het duidelijk: "stuurt ze maar naar Antwerpen". En hier naast
de school
zijn zo een rij woningen en dat is een verhuur…, een immobiliënkantoor
en die
verhuurt systematisch aan OCMW's. Dus, wat krijg je nu? Min of meer een
getto,
hiernaast, hè"
I: "Ja."
D: "Waar dat die allemaal bijeen zitten, hè, en dat is ook niet
bevorderlijk, denk
ik, … voor eventuele integratie" (Interview 6)
D: "Ik zet daar ook … ik zet daar ook ne rem op. Dus, ik heb met het team
afgesproken, … twee… totaal anderstaligen in mijn klassen… om de leefbaarheid
van de pedagogie…"
I: "Ja."
D: "… dus te handhaven, … gewoon. Ik weiger nooit kleuters. Lagere school
dus
wel. … Die mensen situeer ik dan naar andere scholen, waar er speciale opvang
is
voor specifiek ATN's" (Interview 4, deze school vangt in het lager onderwijs
bijna alleen allochtone kinderen op)
I: "Dus u beperkt het aantal kinderen van illegale verblijvers of algemeen
het
aantal anderstaligen in het klasje, zodat daar gericht op kan gewerkt worden,
ook
een beetje voor de ouders, dat die niet direct zoveel kinderen in één
keer bij
krijgen…"
D: "Ik heb in … ik heb er zes, ik heb in alle leerjaren, euh in het derde
is er geen,
nee, want we hebben die verplaatst naar het tweede in het begin van het
jaar, in
het tweede zijn er twee en voor de rest zijn er in alle leerjaren één"
(Interview 5,
deze school vangt ten aanzien van de ganse populatie bijna 20% allochtonen
op)
D: Dat wel. De anderen leerlingen zo een beetje, hè, ja, als ze
er iets willen over
zeggen. Bijvoorbeeld nu, over laatst was een pakje chips gevonden, hè,
en
blijkbaar hadden de kinderen in de taalbadklas van juffrouw Fien zeker dat
gekregen en … ze hadden dat dan gevonden en echt zo van "ik denk dat dat
van
één van de Kosovaartjes is"."
I: "Ja."
D: "Hè, dus, en dan zeg ik zo is van "zeg, maar die hebben ook een
naam, hè, ge
kent toch diene naam, want ze zit bij u in de klas" (Interview 10)
I: "En het zijn niet zo zeer de kinderen die er problemen, het is soms
meer
reacties van de ouders?"
D: "Ja, en als er al eens een kind problemen maakt, want we hebben er wel
eentje
zitten, … twee hier in het zesde leerjaar, dan komt die gewoon, ja, met
de taal van
zijn ouders naar school, dat we dat horen."
I: "Wat bedoelt u daarmee?"
D: "… Ja, dat die mensen hier niet horen, dat die ons werk afpakken, allée
van die
zaken, hè. Hoepel op of ga terug naar uw land, maar dat is 't, dat
is, hoe moet is
het zeggen, hetgeen een kind thuis hoort, dat zal het dan ook zeggen binnen
de
school, hè. Maar ik zeg het, dat zijn er één of twee…
" (Interview 12)
3.3 De kinderen
Kinderen van illegale verblijvers, die in ons land toekomen en het Nederlands
niet
beheersen, zullen zich moeten inspannen om de taal- en cultuurkloof te overbruggen.
Dit zal gemakkelijker te realiseren zijn als de kinderen op jonge leeftijd
toekomen,
reeds ervaring hebben met het naar school gaan, intelligent en taalgevoelig
zijn en niet
omringd worden door anderstaligen met dezelfde moedertaal, zoals andere
schoolkinderen, maar ook ouders en familie. Het zal voor anderstalige kinderen
moeilijk zijn om het Nederlands te leren, als ze daar alleen maar in de
klas mee
geconfronteerd worden en ze na de lessen terug overschakelen op hun moedertaal.
Het
is belangrijk dat ook de ouders inspanningen leveren om het Nederlands te
leren en
hun kinderen stimuleren om te oefenen. Naast de voorzieningen voor ATN's
en voor
migranten, zullen de scholen dus ook trachten het contact met andere Belgische
kinderen te stimuleren. Zo zullen de kinderen immers spelenderwijs heel
wat opsteken
van de taal. De scholen gaan bovendien de kinderen aanmoedigen om
Nederlandstalige boeken te lezen en naar de Vlaamse televisie te kijken
om zo hun
woordenschat uit te breiden.
D: "Als de kinderen al onderwijs genoten hebben, is dat in een andere
onderwijstaal gebeurd, … die wij niet kennen" (Interview 9).
D: "Dat is de eerste aanknoping, een ander aanknoping is activiteiten
lichamelijke opvoeding, activiteiten beeldende vorming, waar zij aan meedoen
en
waar zij net zo goeie resultaten of net zo mooie halen. … Daardoor krijg
je meer
sociale integratie, spelen ze samen, … en dat geeft ook een heel groot effect
op de
taalontwikkeling, van het moment dat kinderen met elkaar beginnen praten
in het
Nederlands dan zie je dat de woordenschat heel snel omhoog gaat" (Interview
1)
D: "… en dat zou, buiten de uren in de klas natuurlijk, ja. Hè,
en de contacten met
de andere kinderen, maar thuis praten die geen Nederlands. … Die nemen ook
geen Nederlands … op, vermoed ik. Hè, want bijvoorbeeld, ik heb het
terug over
de Nigeriaan, ik denk aan de Mun (Naam) hier, een Marokkaan, daar zeg ik
als ik
rapport heb, lees jij nog? Hè, want die kunnen dat wat en al, maar
als die lezen, ja,
dan gaan ze ook mee. Dat gaat die van thuis uit niet meekrijgen, hè.
Daar zeg ik
zelfs tegen, kijk jij nog TV?" (Interview 6)
Het Nederlands leren heeft voornamelijk als doel om het de kinderen mogelijk
te
maken om te integreren in de school en in onze maatschappij. Het heeft echter
ook een
tweede doel. Zolang de kinderen geen of onvoldoende Nederlands begrijpen,
zullen ze
ook de instructietaal van de leerkrachten niet begrijpen en de klascommunicatie
niet
kunnen volgen. Hierdoor zal de inhoud van de lessen aan hen voorbijgaan
zonder dat
ze er iets van opsteken. De kinderen zullen dus ook het Nederlands moeten
leren om
nadien in staat te zijn om de andere lessen te volgen en iets bij te leren.
Indien dit niet
het geval is bestaat bovendien de kans dat de kinderen de lessen zinloos
achten en
helemaal geen moeite zullen doen om nog aan te sluiten.
D: "Al spelende gaat, het is vooral belangrijk is de schooltaal, hè.
Dus als zij, als
zij al de schooltaal begrijpen, zijn zij al heel veel vooruit. Nu
daar is al...
onderzoek over gebeurd. Ik denk aan, aan het Steunpunt Nederlands in Leuven,
ik
denk met professor Koen Jaspaert (?), die dat vooral dan voor … taal aan...
allochtonen en zo gedaan heeft, maar dus schooltaal is enorm belangrijk.
Als een
kind niet begrijpt wat de instructies zijn, ja, dan zit dat dus vast. Dan
lukt het
langs geen kanten. En ik denk dat dat een belangrijke stap is en de rest
komt dan
wel. ... Ouders staan daar ook wel voor open, kinderen mogen al eens komen
spelen met mekaar. Ik denk dat die dingen wel vlug vrij vlot... loslopen"
(Interview 7)
D: "Ja, ik tracht zo goed mogelijk, en het ganse team, van die kinderen
zo snel
mogelijk op peil te … krijgen. Zo, op peil is dat ze... de instructietaal
van een
school beginnen te kennen en zo verder. En dan kunnen ze het volgend jaar
naar
het eerste" (Interview 4)
De kinderen van illegale verblijvers moeten niet enkel een andere taal
leren. Ze komen
ook uit een andere cultuur en onderwijssysteem, als ze al naar school zijn
geweest. Het
schrift en de schrijfrichting komen niet altijd overeen met ons geschrift.
Het komt er
dus op aan de kinderen deze andere vaardigheden aan te leren, zodat ze zich
kunnen
aanpassen aan onze levenswijze. In de lesonderwerpen zal ook een verschil
opduiken:
kinderen zullen nooit de Belgische geschiedenis of aardrijkskunde gekregen
hebben,
maar de geschiedenis en aardrijkskunde van hun eigen land. Een zeldzame
keer kan
een kind zelfs lijden aan een "cultuurshock", zodat het zich niets meer
herinnert van
wat het vroeger reeds geleerd heeft. De culturele aanpassingsproblemen
zullen
afnemen naarmate het kind beter geschoold is en uit een vergelijkbare cultuur
komt.
De scholen zullen echter altijd het taalverschil als belangrijker ervaren
dan het
cultuurverschil, alhoewel dit toch ook niet mag onderschat worden.
In het algemeen ondervindt de directeur dat diegenen die afkomstig zijn
uit
stedelijke gebieden vaak meer schoolervaring hebben en meer gewend zijn
om
naar school te gaan dan diegenen die afkomstig zijn van het platteland (Interview
9, dit deel van het gesprek werd uitgetikt op basis van de nota's omwille
van de
slechte kwaliteit van de opname)
In de school is het ook al eens voorgevallen dat er een leerling te kampen
had met
een cultuurshock. Dan weten die leerlingen niets meer over dingen die ze
vroeger
(op school) geleerd hebben, met als gevolg dat deze te laag geplaatst worden
en
het leren maar moeizaam gaat. Op een bepaald moment valt hen echter wel
terug
te binnen wat ze vroeger geleerd hebben (Interview 9, dit deel van het
gesprek
werd uitgetikt op basis van de nota's omwille van de slechte kwaliteit van
de
opname)
I: "Euh, geeft het problemen bij het volgen van de lessen, bijvoorbeeld
dat ze uit
een ander schoolsysteem komen of een ander cultuur? Geeft dat problemen…?"
D: "Ja… ik denk dat de meeste problemen zijn … dat ze niet alles begrijpen
en…
dat vooral. Euh… nu kan ik mij inbeelden dat ze in... Oezbekistan of ik
weet niet
waar ergens wel nen hele andere euh aardrijkskunde zullen krijgen en nen
hele
andere geschiedenis…" (Interview 10)
Ten laatste kan het school lopen van de kinderen van illegale verblijvers
er voor
zorgen dat de kinderen al gauw beter geïntegreerd geraken en vlotter
Nederlands
spreken dan hun ouders. De ouders zullen hun kinderen dan inschakelen in
hun
contacten met de school, maar ook met andere officiële instanties of
sociale
organisaties. Omgekeerd zullen ook de scholen de kinderen gebruiken om te
kunnen
communiceren met de ouders. Dit laatste kan als gevolg hebben dat de ouders
het
gevoel krijgen dat de hiërarchie in het gezin wordt doorbroken. Als
de ouders op de
taalkennis van hun kinderen beroep doen als ze naar officiële instanties
stappen, kan
het zijn dat ze daarvoor hun kinderen tijdens de lessen laten wegblijven.
D: "Dat toch ook nog heel belangrijk is, dat een bijkomend probleem naar
het
onderwijs toe is dat eens dat de kinderen een beetje geïntegreerd geraken
in de
school dat je dan weer het … probleem krijgt dat de ouders dat ook maar
al te
goed voelen en gemakkelijk de kinderen gaan gebruiken… om vanalles en nog
wat, bij hun contacten met … met de maatschappij"(Interview 9)
D: "Ja, goed. … We maken ook dankbaar gebruik van kinderen die tolken.
…
We hebben een paar schitterende kinde…, tolken onder onze kinderen, maar
dat
is het probleem dat die kinderen heel dikwijls last hebben thuis, omdat
dan de
hiërarchie binnen het gezin doorbroken wordt."
I: "Ja."
D: "Zij worden gebruikt als tolk en zijn daar belangrijk, maar thuis worden
die
dan terug op hun plaats als kind gezet en dat geeft wel eens conflicten
thuis"
(Interview 2)
Uiteindelijk blijkt de taalkloof vaak onoverbrugbaar, vooral voor kinderen
die op
latere leeftijd toekomen en als gevolg hiervan komen de kinderen van illegale
verblijvers na de doorstroming naar het secundair onderwijs meer dan Belgische
kinderen in het beroepsonderwijs terecht.
D: "Ik heb u gezegd dat, het opent de poort om daarna te beginnen (in
het SO
wordt bedoeld), maar we zien wel heel veel kinderen, dat zijn dan vooral
de
kinderen die op oudere leeftijd instromen, 10, 11, 12 jaar die worden meestal
opgevangen in de richting 1B en hun traject ziet er dan enigszins anders
uit. Na
1B kunnen ze naar beroepsonderwijs of kunnen ze terug naar richting 1A".
I: "En blijven ze dan meestal in het beroepsonderwijs?"
D: "Na beroepsonderwijs kan je niet naar boven …"
I: "Ja, maar beginnen ze dan terug in 1A of. Hebt u daar enig zicht op?"
D: "Ik heb er geen echt zicht op, wat ik hoor, want dat geluk hebben we
hier dat
we hier in de school een middenschool hebben, dat de meeste kinderen vanuit
1B
naar beroepsonderwijs gaan" (Interview 1)
I: "Die kinderen als die... op latere leeftijd toekomen, in de hogere schooljaren
en
… en u zet die bijvoorbeeld een jaar lager, om wat Nederlands te leren.
Maar dan
na een zesde hebben die gedaan, hebben die dan problemen met hun overgang
naar het secundair?"
D: "Ja, ja, die krijgen dan ook geen getuigschrift basisonderwijs, die
krijgen dan
wel een attest en die moeten dan trachten via het B-jaar in het humaniora
of naar
beroeps, hè. Die zijn natuurlijk serieus … gehinderd in hun ontwikkeling,
ook al
zijn die misschien intelligent, maar op die korte tijd, zeker als ze wat
ouder zijn,
… dat is dus wel een groter probleem. Als ze jong binnenkomen, dan gaat
dat vrij
vlot" (Interview 7)
3.4 De ouders
1) Integratie van de ouders
Een laatste groep personen die aan de lijve de integratiemoeilijkheden ondervindt,
zijn
de ouders. Zij hebben vaak hun hele leven doorgebracht in een ander land
met een
andere cultuur en een andere taal. Voor hen zal de aanpassing nog moeilijker
zijn dan
voor de kinderen. Meestal zijn het dan ook de ouders die meer vasthouden
aan hun
cultuur en hun moedertaal. Het is voor hen meestal ook moeilijker om de
taal te leren,
aangezien zij minder mogelijkheden hebben om nog onderwijs te volgen, zoals
hun
kinderen. Zeker als de illegaal verblijvende ouders zelf ongeschoold zijn
en hun
kinderen krijgen hier de kans om onderwijs te volgen, zal de integratiekloof
tussen de
kinderen en de ouders vergroten. Deze situatie stelt zich bijvoorbeeld dikwijls
in het
geval van de Rom-zigeuners, waarvan de meeste ouders nauwelijks kunnen lezen
of
schrijven in de eigen moedertaal en zelfs niet kunnen rekenen. Het is dan
ook ten
aanzien van de ouders dat de meeste scholen zich kritisch opstellen. Er
wordt van hun
kant immers ook een inspanning verwacht om te integreren. Daarom verwijzen
een
aantal scholen de ouders die geen Nederlands kunnen door naar taalcursussen
voor
volwassenen. Dit wil niet zeggen dat er geen ouders zijn die wel moeite
doen:
sommige ouders oefenen de taal samen met hun kinderen door mee hun huiswerk
te
maken of volgen op regelmatige basis een taalcursus. Eenmaal bewezen is
dat de
ouders moeite doen om Nederlands te leren zullen de scholen ook opener staan
tegenover hen. Wat echter een probleem vormt, is dat ouders vaak pas Nederlands
zullen beginnen leren, als ze enige zekerheid hebben dat ze zullen blijven.
Zolang niet
vaststaat dat ze blijven, hechten de illegale verblijvers immers meer belang
aan de
kennis van het Engels en het Frans.
D: "En dat vind ik eigenlijk erg, ik vraag verschillende keren aan die
mensen van
"volgt u een cursus? Want, er zijn cursussen die u kan volgen in LTC (?),
die zijn
niet overdreven duur ", maar ze hebben altijd wel een reden om ze niet te
volgen.
En er zijn een aantal ander ouders waarvan ik zeg: 'chapeau', want na een
jaar
spreken die Nederlands. Overlaatst komt er een mama uitleg vragen over een
brief, die begint in het Nederlands, ik dacht, ja, ik zal sewwes wel in
het Frans
moeten overschakelen, heel dat gesprek is in het Nederlands verlopen en
ik heb
haar daarna gezegd "amai, dat is knap". Ja, zij volgt twee uur, euh,
twee dagen
Nederlands per week. Vorig jaar sprak die geen woord Nederlands."
I: "Mm."
D: "Ik vind dat prachtig. Dus, ja, in die zin vind ik dat dat wel van twee
kanten
moet komen, als ze spreken van integratie" (Interview 11)
D : "Als je afkomt bij een ATN, met logopedie en met extra oefeningen
en ze
moeten die mee naar huis nemen, dan ervaren wij dat die ouders mee die
oefeningen…"
I: "Ja."
D: "… doen, om zo snel mogelijk die taal te kunnen"(Interview 5)
D: "Wat ik probeer, hè, maar dat lukt niet altijd, ik geef hun
ne gids mee van het
Stedelijk onderwijs, waar dat er dus cursussen bestaan, dat is wel in het
centrum
van Antwerpen, maar voor de ouders. … Een snelcursus Nederlands, omdat
ik er
vanuit ga, als die ouders gemotiveerd geraken om dat te doen en… zelf
Nederlands proberen op te nemen, al is dat een minimum aan woordenschat,
hè.
Dat is altijd winst."
I: "Voor de kinderen dan?"
D: "Ja en voor henzelf ook, … want dan hebben zij een… aantal begrippen
toch
die zij gaan op nemen en daar het zijn mensen, hè, die dat regelmatig,
die
snelcursus, die hebben op een zes weken of zoiets, kennen... Ik heb het
gelezen
hoor, maar ja, ik weet nu niet, als ge wilt, … Dat probeer ik, maar ik slaag
daar
niet altijd in natuurlijk, hè, ik kan niet met hen naar daar gaan,
hè" (Interview 6)
D: "Ja. Ze blijven dikwijls, hè. … Het belangrijkste is de communicatie...
Het is
pas als de ouders hier een tijdje zijn en inspanningen doen om Nederlands
te
leren, dat de communicatie verbetert" (Interview 1)
2) Ouderwerking
Naast de moeilijke communicatie tussen de illegaal verblijvende ouders
en de school,
omdat ze geen gemeenschappelijk taal spreken, wordt het zo bijvoorbeeld
onmogelijk
gemaakt om een oudervereniging op poten te zetten. Deze voorwaarde wordt
echter
aan de scholen gesteld om extra uren voor onderwijsvoorrangsbeleid voor
migranten
of voor zorgverbreding te verkrijgen. Ouders die echter niets begrijpen
van
oudervergaderingen zullen niet blijven opdagen. Als het dan om een grote
groep
Nederlandsonkundige ouders gaat, wordt het voor de school een heel moeilijke
opdracht om een ouderwerking te realiseren. Vaak kunnen ook niet voor alle
talen
tolken gevonden worden.
I: "Oudercontact of als er …"
D: "Ze komen weinig tot daar, maar dat is … ook bij legale anderstaligen.
Het is
heel frustrerend om als je in een groepsgesprek zit en je hoort daar niks
van, je
kan niks, … je begrijpt daar niks van en je kan niets inbrengen, dat is
heel
frustrerend, en die mensen gaan dan gewoon niet meer terugkomen... Op een
individueel gesprek: it's good, it's bad, veel meer kan daar dus niet gezegd
worden. Als er iets zou kunnen gebeuren om het onderwijsproces bij te sturen,
dan heb je niet de mogelijkheid om dat klaar en duidelijk uit te leggen.
Ook
dikwijls met "tolking" is dat heel moeilijk" (Interview 1)
D: "Ja, we lossen ook wat op met SOA, Schoolopbouwwerk Antwerpen, … we
hebben daar een contract mee en de bedoeling is de betrokkenheid van de
ouders… met betrekking tot onderwijs te verhogen."
I: "En hoe gaat dat concreet te werk?"
D: "Activiteiten organiseren waarbij de ouders naar school komen en contact
hebben met de leerkrachten, …"
I: "En is dat dan concreet voor …?"
D: "Openklasdagen…"
I: "Voor alle leerlingen?"
D: "Er worden voornamelijk de leerlingen … allée, de ouders van leerlingen
aangezocht waarvan we weten dat ze moeilijk naar school te krijgen zijn."
I: "En onder andere die groep…?"
D: "Onder andere die groep, ja. En daar is dan tolking bij, … in de mate
van het
mogelijke. Afhankelijk van die tolking zie je dus ook wel welke ouders komen,
zeker, omdat Schoolopbouwwerk iets is dat vanuit de migrantenwerking ook
vertrok, is dat iets dat Turkse tolking, Marokkaanse tolking, bij ons vooral
Marokkaanse tolking. En je ziet dus de Marokkaanse mensen, de
migrantenmensen, die komen naar school" (Interview 1)
D: "Veel. Er zijn er nog, hè, bijvoorbeeld om een aanwendingsplan
te maken,
moet je een contract afsluiten met een schoolopbouwwerk. … Eén van
de punten
die je moet bereiken na een aantal jaren, is een oudervereniging. Nu moet
mij
eens vertellen hoe ik in die omstandigheden aan een oudervereniging ga
geraken"(Interview 4)
3) Opvolging van de kinderen en communicatie met de school
Het is voor de ouders, zolang ze het Nederlands niet beheersen, bijna niet
mogelijk
om het huiswerk van hun kinderen op te volgen en rapporten of andere evaluaties
te
begrijpen. Terwijl het merendeel van de ouders hun kinderen, zeker in het
lager
onderwijs, kunnen bijstaan als ze moeilijkheden met een bepaald onderwerp
kennen,
zijn illegale verblijvers daar vaak niet toe in staat en wordt het helemaal
een
onmogelijke opdracht als ze zelf ongeletterd zijn. Ook het lezen van de
brieven van de
school, gaat vaak niet, met als gevolg dat de scholen soms moeten wachten
op de
antwoorden van de ouders.
D: "En dan, ja, zij volgen wel die les, ja … zij kunnen niet alles meenemen,
hè.
Dus... wat geeft problemen: een rapport opstellen bijvoorbeeld. Een...
vooral dan
in vijf en zes een toets geschiedenis, ja, dat kan je van zo'n kind niet
afnemen, hè.
De juf stelt dan wel wat vragen, maar … dat rapport ziet er eigenlijk niet
uit zoals
bij een ander kind … Een aantal ouders zijn toch wel geïnteresseerd
en komen
naar die contactavonden, dan zorgen wij dus dat de juf van de anderstaligen
er is
en ze hebben zelf, de laatste keer hadden zij een tolk bij, die dus een
beetje kon
vertalen, naar hen toe" (Interview 10)
D: " ... Dat voel je, dat voel je, vooral bijvoorbeeld in de instructie,
bijvoorbeeld,
ik geef een voorbeeld … van lezen, … afhankelijk (?) lezen, normaal wordt
er
thuis met de ouders wat geoefend, dat kan dus niet, hè. Het opvolgen
van een
aantal taken, als die kinderen er zelf niet voor zorgen, is dat vaak een
…
probleem, want dan … Het is ook moeilijker voor die mensen om te begrijpen
wat daar staat en ze kunnen het ook niet uitgelegd krijgen. Het is een
andere taal,
hè, het is een ander systeem" (Interview 7)
4) Cultuurverschillen en verschillende verwachtingen
Niet alleen de taal vormt voor de ouders een hindernis. De culturele verschillen
worden door de ouders sterker ervaren dan door de kinderen en ze hebben
er dan ook
meer moeite mee. Vanuit hun cultuur hebben de illegale verblijvers vaak
heel andere
verwachtingen ten aanzien van een school en de opvoeding door de school.
De
Arabische culturen kennen, volgens de directieleden, bijvoorbeeld een veel
striktere
scheiding tussen de opvoeding door de school en het gezin. Het gezin heeft
volgens
hun opvatting geen opvoedende functie, in die zin dat de ouders mee betrokken
worden in het onderwijs voor hun kinderen. Ook de Joodse Gemeenschap heeft
een
andere kijk op het opvoedingsproces: volgens hun geloof en opvattingen moet
het
leesproces reeds in de kleuterschool beginnen. Scholen zijn niet zo geneigd
om
vroeger dan het eerste leerjaar te starten met het leren lezen en schrijven.
Er kunnen
zich dus op allerlei vlakken wrijvingen voor doen, omdat de ouders een andere
beeld
en verwachtingen hebben van het onderwijs. Er zijn bijvoorbeeld ook vele
culturen
waar het niet toegelaten is dat jongens en meisjes samen gaan zwemmen.
D: "Zij eisten dat bij de kinderen van de eerste kleuterklas, dat daar
het lesproces
zou beginnen. Dat de kinderen in de kleuterschool leerden lezen. Waarom
eisten
ze dat? Omdat kinderen in hun cultuur in die Joodse boeken moeten lezen.
Zij
moeten die gebeden oplezen vanaf de leeftijd van 3 à 4 jaar. En de
vader is
verplicht, om dat te leren en dus het zijn ook de vaders die hier staan
aan te
dringen, het zijn niet de moeders, de vader krijgt die opdracht vanuit zijn
…"
I: "Geloof?"
D: "…vanuit zijn religieuze overtuiging en die komt dan aandringen dat wij
dat
doen. Ik zeg "neen, leren lezen begint bij ons in het 1ste leerjaar" en
er zijn daar, er
is daar een voorbereiding op het lezen in de kleuterklas, maar eerder beginnen
wij
daar niet aan. En waarom niet? Omdat, wij er vanuit wetenschappelijke literatuur
van overtuigd zijn dat dit de gevoelige leeftijd, de beste leeftijd is
om kinderen te
leren lezen. Er is dan ook maar één mogelijkheid en dat is
hun kinderen van
school te halen en naar een privé-school te brengen, die dat dan
wel doet…"
(Interview 1)
D: "Ze komen uit een ander schoolsysteem of uit geen schoolsysteem. …
Thuis
hebben zij, de meeste van die culturen: 'dat is voor de school'. Dat is
hun cultuur.
De opvoeding van hun kinderen ligt bij de school en niet bij thuis …" (Interview
4)
Maar niet enkel de verwachtingen ten aanzien van de school kunnen verschillen,
ook
de ruimere cultuurverschillen kunnen een invloed hebben op het onderwijsgebeuren.
Zuiderse culturen hebben een heel ander besef van tijd en kennen nauwelijks
stress.
Het valt illegale verblijvers, die aan een heel ander tempo leven, zich
dan ook moeilijk
om zich te aan te passen aan het stipte uurrooster van een Belgische school.
Ook het
tijdig verkrijgen van de nodige documenten van deze mensen is niet zo'n
eenvoudige
opdracht. Ook begrijpen de ouders niet altijd dat kinderen niet zomaar van
school weg
kunnen blijven, voor een feest, een bezoek aan familie in het thuisland,...
D: "Wat ik wel opmerk, want we hebben in de klas,... maar die draaien
mee hoor,
twee die van Afrikaanse afkomst zijn en die ouders hebben wel een andere
mentaliteit. Ik ben nu zelf al in Afrika geweest en dat is 'ja, dat komt
hier wel in
orde, hoor' … Dat komt allemaal, den tijd gaat wel voort... en die hebben
daar
geen stress" (Interview 6)
D: "Om papieren terug te krijgen, als er papieren moeten ingevuld worden,
dat
duurt natuurlijk lang. De mensen begrijpen het niet, weten niet wat ze er
mee
moeten aanvangen. Dus, dan gebeurt het dat wij zelf in de auto springen,
als dat
iets dringend is. Ja, … bijvoorbeeld papieren voor Brussel en dat wij gewoon
naar
huis rijden en gaan vragen om het samen in te vullen en te laten tekenen.
… Ze
betalen de kilometer zo goed (ironisch). Hetgeen dat de kinderen meebrengen,
is
dat om in te vullen of om te lezen of is dat om weg te gooien? Voor hen
is dat
heel moeilijk … En na een paar maanden als de kinderen al een beetje Nederlands
verstaan, dan kunt ge dat beter uitleggen, maar nu is dat wel een beetje
een
probleem" (Interview 3)
D: "Wij hebben in het begin als ze hier waren, zijn ze ook 'ns een tijd
afwezig
geweest, maar dan is de vader me wel komen vertellen dat ze naar een
Zigeunerfeest moesten in Oostende (de kinderen van illegale verblijvers
die in
deze school worden opgevangen zijn allemaal Kosovaarse zigeuners). Ja, dat
was
dan voor ons dan zo een beetje de vraag, dat is de springplank naar Engeland,
misschien ziet ge ze niet meer terug, maar uiteindelijk zijn ze na veertien
dagen
toch weer ben ons terug en dan kon hij toch wel, ja, moeizaam vertellen
van feest.
En dus daar was werkelijk een feest geweest" (Interview 13)
D: "Ik heb ooit zo iemand bij mij gehad … had nooit eten meer bij 's middags,
…
en dan was het verhaal van die dat het eerst opstond het eerst eten had,
ze waren
met veel thuis en wie dat laatst opstond, had geen boterhammen meer" (Interview
7)
D: "Ja, bij de Zuid-Amerikanen was eigenlijk de grootste moeilijkheid,
de
maaltijd 's middags... Zij waren niet gewend van middags te eten.
Het begon
eigenlijk al 's morgens, zij namen 's morgens een heel uitgebreide maaltijd
en…
dan waren zij veel te laat op school. Dan 's middags.. aten zij normaal
niet en dan
wilden zij ook blijven buiten spelen, terwijl heel onze school erop gericht
is om 's
middags in de refter te gaan, hè. Nu dat heeft wel wat moeilijkheden
gegeven.
Hebben wij ook een tolk ingeschakeld om met de mama te praten dat hier wel
anders moest. In het begin hebben wij getolereerd dat ze in de refter zaten,
zonder
te eten. Hè, maar, we eisten wel dat de kinderen mee binnengingen,
want anders
waren ze alleen op de speelplaats, zonder toezicht, dat konden we echt
niet
tolereren. En, maar dan na een tijd en met de nodige gesprekken met de moeder...
gaf zij op den duur ook wel iets mee om te eten en nu zijn die eigenlijk
helemaal
geïntegreerd. … Echt geen probleem meer" (Interview 5)
De scholen brengen wel zoveel mogelijk begrip op voor deze culturele verschillen.
Slechts uitzonderlijk worden deze problemen op de spits gedreven. In het
algemeen
laat men gedurende een periode de problemen rusten, om de mensen de tijd
te geven
zich aan te passen. Daarna zal men proberen om de ouders op de problemen
te wijzen.
Het komt weinig voor dat de ouders niet aanvaarden wat de school vraagt.
Indien dit
toch het geval is, besluiten ze meestal een andere school te zoeken, die
beter
beantwoordt aan hun sociale en culturele verwachtingen.
D: "De Joodse mensen die eisen dat de zwarte kinderen van school gingen
of die,
ja die hebben dan natuurlijk de omgekeerde oplossing moeten nemen."
I: "Zij vertrekken, als zij er problemen mee hebben?"
D: "Als ik zeg van "neen, we halen geen joodse, euh zwarte kinderen van
school", dan staan zij met hun rug tegen de muur en dan moeten zij zelf
de
beslissing nemen om weg te gaan. We hebben een aantal conflicten,
conflictjes…" (Interview 1)
I: "Ja, … na een tijd die kleine … problemen, zoals … dat die kinderen
elk jaar
een maand naar het buitenland gaan, dat meisjes of jongens niet mee mogen
op
bos- of zeeklassen gaan. … Hoe pakt u dat aan? Laat u dat eigenlijk
een beetje
betijen of... ?"
D: "Het eerste jaar laten we dat zo, tegen het tweede jaar dan… is men al
een
beetje meer ingeburgerd en dan proberen wij dat nog eens te doen, een gesprek
met de ouders daarover te hebben. Soms lukt dat de tweede keer, soms lukt
dat
pas de derde keer, dat hangt een beetje van de mensen af en… van verschillende
factoren, hoe groot de kinderen zijn, of dat ze al veel vriendinnetjes hebben,
dat
hangt van al van die dingen af. … Hoe streng bij hen het culturele overheerst"
(Interview 3)
§4: Informatieproblemen en problemen met betrekking tot de overheid
De problemen die hier verder besproken worden, zijn allemaal ten laste
van de scholen
en niet onmiddellijk van de illegale verblijvers zelf. Het gaat hier over
problemen die scholen
ondervinden als ze illegale verblijvers willen opvangen. Meer bepaald kunnen
hier drie types
van problemen onderscheiden worden.
Ten eerste zijn er de informatieproblemen. Het gaat hier over de onwetendheid
van zowel
scholen als overheid met betrekking tot de opvang van kinderen van illegale
verblijvers en de
voor handen zijnde faciliteiten.
Ten tweede zijn er ook problemen die rijzen doordat de overheid op een
bepaald vlak
onvoldoende voorzieningen heeft uitgebouwd, te weinig middelen ter beschikking
stelt of
omdat er een gebrek aan regelgeving is.
Tenslotte ontstaan er ook problemen door een te strenge regelgeving in
een aantal situaties.
De overheid legt soms te veel voorwaarden op aan de scholen om tot bepaalde
voorzieningen
toegang te verkrijgen.
De laatste twee types van problemen zijn soms het gevolg van een tekort
respectievelijk een
teveel aan discretionaire ruimte voor de scholen die kinderen van illegale
verblijvers
opvangen. Dit kan dan op zijn beurt gevolgen hebben voor de illegale verblijvers.
Bij een
gebrek aan middelen of personeel zal men in de scholen een aantal strategieën
hanteren om de
vraag van de illegale verblijvers te verminderen. Daarbij zal soms rekening
gehouden worden
met een aantal kenmerken van de illegale verblijvers. Hier wordt echter
uitvoeriger op
ingegaan in de laatste paragraaf (§5) van het hoofdstuk.
4.1 Informatieproblemen
1) Onwetenheid over de mogelijkheid van het inschrijven van kinderen van
illegale
verblijvers
Onwetendheid op het vlak van de wettelijkheid van het inschrijven van kinderen
van
illegale verblijvers en over de bestaande faciliteiten komt betrekkelijk
weinig voor. De
reden daarvoor is dat alle ondervraagde scholen kinderen van illegale verblijvers
opvangen. Indien ze aanvankelijk niet op de hoogte waren van de regelgeving
en de
faciliteiten voor ATN's, dan zijn ze zich in ieder geval gaan informeren
toen ze voor
de eerste maal geconfronteerd werden met illegale verblijvers die hun kinderen
in de
school wilden laten inschrijven. Geen enkel directie kon dus zeggen dat
ze nu niet op
de hoogte waren van de regelgeving, al was dat in het verleden voor sommige
anders.
Er waren wel degelijk scholen waar nog moest nagaan worden of men de kinderen
van
illegale verblijvers mocht inschrijven op school en die dus de omzendbrief
van 1983
hieromtrent niet kenden. Als men op de hoogte was van het recht op onderwijs
voor
kinderen van illegale verblijvers, dan bleken er ook geen misverstanden
te bestaan
over het recht op subsidies voor deze kinderen en de mogelijkheid om een
diploma of
een attest te geven voor deze kinderen.
Eén school meldde wel het geval van een illegaal verblijvend kind
dat zij probeerden
door te sturen naar het bijzonder onderwijs. Ondanks de onderhandelingen
van een
commissielid als tussenpersoon, werd het kind niet ingeschreven in de school
voor
bijzonder onderwijs. De school van het bijzonder onderwijs argumenteerde
dat
kinderen van illegale verblijvers niet konden ingeschreven worden bij hen,
aangezien
zij werken met een aanwendingsplan per kind.
I: "U had al gezegd van in het begin, de eerste keer dat u illegale kindjes
in het
zesde leerjaar had,... dat u ook niet goed wist dat u het kind mocht inschrijven?"
D: Ja, ik wist dat werkelijk niet.
I: Dus, ondanks,... maar dat is al een tijdje geleden?
D: Ja … nu ondertussen is dat allemaal duidelijk, dat was lang voor de
non-
discriminatiewet."
I: "Ja".
D: "Voor de non-discriminatiecode, ondertussen, ja, ge hebt hier mijne dossier
gezien. Alle papieren die hier komen, het gaat bijna allemaal over de non-
discriminatie. Ondertussen hebben wij daar allemaal veel meer weet van,
dat was
dus zeven, acht jaar terug wist ik absoluut niet. 'oei, oei, kunt ge nu
zo'n kind wel
opschrijven?'".
I: "En, was er dan ook gebrek aan informatie of men wel subsidies voor de
kinderen kon krijgen, diploma's voor hen? Hebt u daar … als u één
keer…"
D: Ik moet zeggen dat mij dat niet heb afgevraagd, want ik heb de dienst
Katholiek Onderwijs opgebeld, uit de Otto Venusstraat (?), DKO, Dienst
Katholiek onderwijs. Dat is hier in Antwerpen de Dienst voor het Basisonderwijs,
hè. En daar hebben ze mij dus geantwoord: 'ja, u mag dat zonder
meer
inschrijven dat kind, omdat de rechten van het kind zijn.'"
I: "Ja."
D: Hè, ieder mens heeft recht op onderwijs. En vermits dat dat het
antwoord was
heb ik dat kind gewoon opgeschreven en heb ik die meegeteld voor het
lestijdenpakket en alles" (Interview 5)
I: "Vanuit welke overwegingen hebt u dan, samen met de directeur uiteraard,
besloten om die kinderen in te schrijven?"
D:" … Eigenlijk is dat gewoon spontaan van 'natuurlijk gaan wij die inschrijven'.
Natuurlijk, omdat wij ook wel ergens eens iets hadden gelezen dat je als
school
niet moet weigeren." (Interview 10)
D: "Wel in die zin eigenlijk, dat is geen… . Het is zo dat wij, nadat
die jongen
hier een jaar was en dat er eigenlijk... erge gedragproblemen waren geconstateerd,
werd enorm agressief."
I: "Ja."
D: "Heel snel, het minste dat er iets niet ging, ging hij op de vuist en
dat was, is
een hele sterke jongen, dus we moesten die met een aantal leerkrachten kalm
proberen te krijgen. En toen hebben wij overwogen in samenspraak met het
PMS
om die te laten verwijzen naar een… type 3-school voor karaktergestoorde
kinderen. (bijzonder lager onderwijs – voor leerlingen met emotionele
stoornissen). En, daar kregen wij gewoon te horen,... dat ze hem niet konden
opnamen, omdat hij illegaal was. Dat dus eigenlijk nogal raar is, want
illegale
kinderen hebben recht op onderwijs…"
I: "Mm."
D: "Wij moeten ze opvangen in het gewoon onderwijs en wij hebben uiteindelijk
voor karaktergestoorde kinderen heel weinig mogelijkheden hebben om … die
verder te helpen, waar een B-school zei 'ja, wij kunnen daar geen
aanwendingsplan voor opstellen en wij kunnen die niet opnemen'" (Interview
11)
2) Onwetendheid over de bestaande voorzieningen
Met betrekking tot de voorzieningen bestaat er minder duidelijkheid. Alle
scholen
kennen wel het onthaalonderwijs voor ATN's en als de scholen ervoor in aanmerking
komen, wordt er ook gebruik gemaakt van de voorzieningen onderwijsvoorrang
voor
migranten en zorgverbreding. Scholen die reeds geruime tijd een grote groep
kinderen
van illegale verblijvers opvangen, hebben daarenboven vaak een heel netwerk
aan
contacten met sociale verenigingen en andere organisaties opgebouwd. Zij
weten dus
vrij goed waar ze met bepaalde problemen terechtkunnen en wie ze kunnen
aanspreken om iets te bekomen. Andere scholen hebben ofwel weinig nood aan
zulke
organisaties, ofwel zijn ze niet op de hoogte van hun bestaan. Zo blijken
niet alle
scholen te weten dat er bijscholingsmogelijkheden bestaan voor het onderwijzend
personeel dat ATN's opvangt. Het vraagt soms wel wat tijd vooraleer de directies
in
het versnipperd en ongecoördineerd aanbod van voorzieningen de weg
vinden. Op dit
vlak bestaat er dus wel degelijk een gebrek aan informatie en doorzichtigheid
ten
aanzien van de scholen.
D: "Voedselbanken … ja, al die dingen, alle sociale… vangnetten voor die
mensen, alle organisaties. Ik heb een beetje mijn eigen sociale kaart… van
waar
je terechtkan bij een hoop problemen. … Dus die organisaties zoals Het Huis,
Payoke, die dingen allemaal, die schakelen we ook wel in (Interview 2)
I: "Zijn … er faciliteiten, steun vanuit de nationale overheid of
vanuit de
Vlaamse Gemeenschap?"
D: "Buiten het mogen inrichten van uw… klassen, anderstalige nieuwkomers,
niet
echt, nee."
I: "Dus, het is vooral de stedelijke…?"
D: "Dus, voor al de problemen, is het vooral euh, ja, nogal netgebonden,
waarschijnlijk, hè. … En als school veel zelf uitzoeken… naar die
andere
organisaties toe" (Interview 2)
D: "Integratiecentrum, lokale integratiecentra. Schoolopbouwwerken, meestal
twee. Al die verenigingen die moeten nu ook aanwendingsplannen maken en
dat
is allemaal papier, papier, papier."
I: "Ja."
D: "En al die informatie, die vertrekt vanuit die school. Die school moet
die dus
telkens geven, om hulp te krijgen van die mensen. Als ik vergader met al
de
externen waar ik mee samenwerk, zit daar 20 man aan tafel en ik heb 9
leerkrachten."
I: "Dus, da's… vooral te verspreid en te ongecoördineerd?"
D: "Ja, te ongecoördineerd, hè" (Interview 4)
D: "Hier hetzelfde … de mensen staan in het begin zowat met vraagtekens
'god,
wat begin ik ermee?' en alleman probeert op zichzelf zo een beetje… daaraan
te
werken. Misschien moeten wij nu ook moeite doen, dat er ergens kanalen zijn,
omdat te horen,... dat zeg ik niet." (Interview 12)
D: "Nee, ik weet het eigenlijk niet, want het was eigenlijk de eerste
keer dat ik
daarmee geconfronteerd werd. Het was voor mij dan ook een verrassing dat
die
hier stonden. Maar, de juffrouw die heeft dan wel gezocht, dan uit wanhoop
zo'n
beetje wel van "wat moet ik daarmee aanvangen?" en dan toch ergens
terechtgekomen, maar dan weet ik ook niet juist waar. Maar dat is dan eigenlijk
ook een ondersteuning die, ja, die ergens niet heel concreet is. Ik geloof
niet dat
ze er echt iets aan gehad heeft." (Interview 13)
3) Administratieve moeilijkheden
Scholen geven aan dat verificateurs van de inspectie tegenwoordig slechts
heel
uitzonderlijk moeilijkheden maken over de inschrijving van kinderen van
illegale
verblijvers. Alleen als de informatie die door illegale verblijvers gegeven
werd
onvolledig of foutief is, kunnen er een aantal problemen ontstaan. De scholen
zijn
immers verplicht gebruik te maken van de papieren waarover illegale verblijvers
beschikken. Vaak zijn dit alleen de uitwijzingspapieren, waar echter regelmatig
fouten
op terug te vinden zijn. De school moet echter deze gegevens gebruiken.
Dit kan dan
leiden tot administratieve problemen bij de inschrijving of tot moeilijkheden
bij de
overgang tussen het lager en het secundair onderwijs. Het gebrek aan informatie
aan
de kant van de inspectiediensten blijkt tegenwoordig bijna volledig van
de baan te
zijn. Een aantal jaren geleden daarentegen bleken een aantal scholen nog
last te
hebben gehad om kinderen van illegale verblijvers in te schrijven. Hier
blijkt dus
duidelijk vooruitgang te zijn geboekt.
D: "Ja, vroeger hadden we er administratief ook problemen mee, dan maakte
men
zich, allée de controlediensten, die drongen dan aan op officiële
documenten,
maar dat was vrij vlug dat men daar tot een akkoord is gekomen. Wij kunnen
ook
kinderen inschrijven zonder officiële documenten."
I: "... Nu is dat dus …"
D: "Dat is in orde, da's van de baan" (Interview 1)
D: "Wat het inschrijven betreft, is het soms moeilijk, want ik moet elke
inschrijving staven met een officieel papier, waarop de naam en de
geboortedatum van de kinderen voorkomt…. Heel dikwijls zijn dat gewoon de
papieren waarmee de mensen uitgewezen zijn of de papieren van … Brussel,
dat
ze, dus, wachten op erkenning. Da's 't enige dat die zowat hebben. Gelukkig,
…
aanvaardt de verificateur dat, maar we hebben dat al heel dikwijls gemerkt
dat op
die papieren ook heel dikwijls fouten staan. Afrikanen, bijvoorbeeld, die
kiezen
hun eigen naam, … die veranderen dan ook al eens van naam, die hebben ook
geen vaste geboortedatum…"
I: "Ja…"
D: "… die hebben bijvoorbeeld een papier, die is geboren in 1989 … en wij
moeten altijd nen datum invullen. Dus, …"
I: "Ja."
D: "... wordt er gewoonlijk gezegd 1 januari of dat is zo de typische… .
Maar, …
eigenlijk rond subsidies, als je die papieren, als je helemaal geen papieren
hebt,
moet je kunnen bewijzen dat je… inspanningen geleverd hebt om aan die
papieren te geraken. En dan denk ik dat het een klein beetje van de verificateur
afhangt, of die dat probleem begrijpt of niet"(Interview 2)
Leeftijd van de kinderen bepalen is vaak een groot probleem, zeker als
ze
afkomstig zijn van verder afgelegen gebieden (voor de Europese landen vormt
dit
niet zo'n probleem). Als deze illegale verblijvers (of ook erkende vluchtelingen)
een asielaanvraag hebben gedaan, dan moeten de scholen de geboortedatum
aanvaarden die op de asielaanvraag of op uitwijzingspapieren wordt vermeld,
al
weet men heel zeker dat het geboortejaar niet kan kloppen. Een lagere school
kan
daar nog wat soepeler in zijn dan een secundaire school. De directeur gaf
het
voorbeeld van een Assyrisch kind dat volgens zijn papieren nog geen 12 jaar
was,
terwijl dit kind al duidelijk een oudere puber was. Aangezien het kind volgens
zijn papieren nog geen 12 jaar was, bestond er dus geen mogelijkheid om
hem in
het secundair onderwijs in te schrijven. (Interview 9, gesprek uitgetikt
op basis
van nota's omwille van de slechte kwaliteit van de cassetteopname)
4.2 Een tekort aan voorzieningen en regelgeving
1) Opleiding van de leerkrachten en didactisch materiaal
Een veel voorkomende klacht geuit door de scholen is dat de leerkrachten
niet
voorbereid zijn op de opvang van kinderen van illegale verblijvers. Vooral
de
klasleerkrachten, die zowel aandacht moeten hebben voor de Nederlandstalige
als de
anderstalige kinderen, terwijl ze ook niet-talige activiteiten moet aanleren,
hebben
daar behoorlijk wat moeite mee. In hun opleiding is nooit aandacht geschonken
aan de
aanwezigheid van Nederlandsonkundig kinderen in de klas. Het vergt van de
meeste
leerkrachten dan ook meer moeite om voor zulke klassen te staan. De
concentratiescholen klagen dus geregeld over het personeelstekort: pas afgestudeerden
zijn namelijk meer geneigd om te kiezen voor gekende werksituaties. De kritiek
ten
aanzien van de onderwijsopleiding is dan ook dat deze nog steeds voorbereidt
op
klassen met enkel blanke en Nederlandstalige kinderen, terwijl de realiteit
veel
gediversifieerder is. Niet alleen nieuwe leerkrachten in scholen met veel
ATN's, maar
ook de leerkrachten die reeds langer in het onderwijs staan en die voor
de eerste maal
met een ATN te maken krijgen, worden met dit probleem geconfronteerd. Ze
moeten
hun manier van lesgeven ineens aanpassen, zonder dat ze hier op voorbereid
zijn.
D: "Waarschijnlijk komt dat zo... . Ik weet vandaag nog (?) de anekdote
te
vertellen van een... directeur die zei, we zijn samen een les aan
het bijwonen van
een hogeschoolstudent en... die leerkracht ziet daar in die voorbereiding
het
woord ICO staan en die vraagt: 'wat is ICO?'".
I: "Intercultureel Onderwijs..."
D: "Dat is Intercultureel Onderwijs... . Als een docent in een hogeschool,
als je...
niet weet wat ICO is,... dan kan je ook moeilijk aannemen dat die mensen
die
studenten kunnen voorbereiden op kinderen die uit verschillende culturen
komen.
Het woord aanwendingsplan zullen we dan maar niet gebruiken zeker tegen
die
mensen. Dus de studenten die wij krijgen, allée de afgestudeerden
die wij krijgen,
dat zijn mensen die gewoon zijn om te werken met Belgische kinderen. Als
die
dan voor... dergelijke situaties worden gezet, waarbij 80% van die
kinderen…"(Interview 1)
D: "Ik denk dat het vooral het grote probleem is voor leerkrachten om
zich aan te
passen… aan al die verschillende dingen die op hen afkomen. … Het lesgeven
zoals voorheen…"
I: "Ja?"
D: "…is niet hetzelfde. Meestal met het taalprobleem, zitten ze natuurlijk
ook bij
de ATN's, maar komen toch ook terecht in de klassen, dus leerkrachten moeten
nog meer gaan differentiëren. …En niet alle leerkrachten zijn al…voldoende
…
opgeleid eigenlijk om met die cultuurverschillen te kunnen omgaan" (Interview
2)
D: "Maar eer je dat, dus bijvoorbeeld in mijn soort van school,... dat
kan niet
meer. Of dat daar nu een dt-fout in staat of dat nu… (?), als dat kind maar
durft
schrijven, als dat kind maar durft spreken, als ze maar naar elkaar luisteren.
Die
klik, dat doen we, dankzij dat SIF of zijn we dat aan het bereiken, we zijn
er nog
niet, maar we zijn dat aan het bereiken… . Eigenaardig genoeg, dat de
normalisten en dat is ook nog een probleem, dat dus op 't ogenblik de vorming
in
de normaalscholen en dat is vooral, want ik heb ze allebei, ik heb dus ook
stagairs
zowel van Karel de Grote-hogeschool als van de pedagogische hogeschool van
Antwerpen… (de directeur spreekt hiervoor normaalscholen van twee
verschillende netten)."
I: "Ja."
D: "Dan zie ik dat die mensen nog altijd, eigenlijk het waanbeeld voor
ogen
krijgen dat er geen allochtonen zijn" (Interview 4)
Het probleem is niet alleen een gebrek aan leerkrachten die bereid zijn
om ook aan
anderstalige kinderen les te geven. De leerkrachten die met zulke kinderen
moeten
werken en die weinig ervaring kunnen putten uit hun opleiding, kunnen ook
niet
terugvallen op een goed uitgebouwde didactiek. Er zijn wel een aantal werkboeken
voorhanden, gericht op het aanleren van het Nederlands aan anderstalige
kinderen,
namelijk "Joker" en "Goochelen met woorden". In de ATN-klassen wordt vaak
gebruik gemaakt van deze hulpmiddelen. Dit is dan ook het enige materiaal
dat door
de directies gekend is om mee te werken. De werkboeken worden over het algemeen
heel positief geëvalueerd. Er worden ook vormingsdagen gegeven aan
leerkrachten die
les geven aan ATN's. Deze vormingsdagen worden wel geapprecieerd, alhoewel
af en
toe de opmerking valt dat men deze activiteiten wel met goede bedoelingen
organiseert, maar dat de begeleiding er wel te wensen overlaat. Een andere
klacht is
dat er geen didactisch materiaal bestaat om de kinderen de taal spelenderwijs
aan te
leren, zoals puzzels aangepast aan de leefwereld van lagere-schoolkinderen.
Maar
vooral voor de lessen in de reguliere klas, is er onvoldoende materiaal
voor handen.
De leerkrachten van de gewone klas moeten hun aandacht spreiden over alle
kinderen,
waarbij de anderstalige kinderen, zeker in de beginperiode, niet het niveau
halen van
de rest van de klasgroep. Het wordt nog een zwaardere opgave voor de leerkrachten
indien het over meerdere anderstalige kinderen gaat. De leerkrachten hebben
het
moeilijk om te communiceren met deze kinderen en toch moeten ze proberen
te
voorkomen dat de ATN's volkomen gedesinteresseerd geraken.
D: "Wij krijgen van de begeleiding uit wel informatie naar gerichte activiteiten
naar de school, maar dus de begeleiding heeft werkmappen uitgewerkt … (?)
We
doen ook een twee, drie keer in het jaar een namiddag om ervaringen uit
te
wisselen tussen mensen die anderstaligen in de klas hebben. Dan ben ik wel
over
anderstaligen bezig, niet meer over illegalen …" (Interview 12)
I: "En zoals die ATN-klas, vindt u dat een effectieve oplossing om die hun
taalproblemen bij te werken of… u zei al van misschien zou het beter zijn
om
algemeen... "
D: "Het is een ondersteuning, maar feitelijk zijn het 8 lestijden op de
week, dus
het is, ja, we hebben daar ook iemand, allée die werkt enorm hard,
ik wil daar dus
niets van zeggen, maar we hebben dus een kleuterleidster aangetrokken om
dat te
doen ook. Die moet dus, ja, van nul beginnen die heeft daar weinig of geen
ervaring mee om dat op te bouwen. Dus, moest daar ergens mensen zijn...
ja, die
knowhow hebben. ... We kopen dat nieuw die boek "Goochelen met woorden",
maar zij moet die ook inwerken, daar mee werken" (Interview 12)
D: "Aan materiaal… kan ook niet, er kan onmogelijk een methode ontwikkeld
worden waar al die problemen in het opvangen van die personen onderschreven
zijn, de ene heeft wel schoolervaring en kent al een paar woorden Nederlands,
de
ene heeft totaal geen schoolervaring, kent niks Nederlands en dan... (?)
De ene is
al 12 jaar als 'm hier binnenkomt en heeft totaal geen schoolervaring,...
de andere
die komt hier binnen als kleuter zonder schoolervaring … Allemaal een enorm
verschil, hè, voor dat kind ook, voor ons ook … naar werkwijze… Maar
er is dus
eigenlijk niks, al hetgeen dat je doet... Er zijn hulpmiddelen, hè,
Joker,...
Goochelen met Woorden, dus die twee dingen, te denken, maar dat is specifiek
naar taal toe. Voor de rest is er de... inventiviteit van de leerkracht
om …(?) die
het een beetje moet doen en… niet alleen van de leerkracht die kinderen
apart
opvangt, maar je hebt ook hier … de benoeming in de omzendbrieven,
de
leerkracht van de reguliere klas" (Interview 9)
De directeur zou graag meer specifiek materiaal voor zulke kinderen ontwikkeld
zien, zoals kleuterschoolmateriaal met een lagere schoolinvulling (naar
hun
leefwereld toe, bijvoorbeeld puzzels met thema's die zij herkennen). Dit
bestaat
immers wel voor het aanleren van taal bij volwassenen, maar niet voor lagere
schoolkinderen (Interview 9, dit deel van het gesprek werd uitgetikt op
basis van
de nota's omwille van de slechte kwaliteit van de cassetteopname)
D: "Het enige probleem dat ik zie en dat is niet bij illegalen alleen…
wij hebben
hier op school lang genoeg een probleem gehad: 'hoe blijven wij die kinderen
opvangen?'"
I: "Ja."
D: "Al die anderstalige kinderen, want... het beleid zegt, die moeten geïntegreerd
worden en die moeten 12 uur in de reguliere klas en die mogen 12 uur in
de
onthaalklas. Die onthaalklas, dat vind ik, een … een knap idee, dat schijnt
hier
eigenlijk goed te lopen, de kinderen zijn er enorm enthousiast over, leren
ook vrij
snel … zich behelpen in het Nederlands. … Anderzijds in de gewone reguliere
klas de lessen volgen is zo goed als onmogelijk. Zeker de kinderen die …
in het
vijfde en het zesde zitten. Onze ATN's zitten in het, verspreid over het
eerste, …
het vijfde en het zesde leerjaar … Kinderen in het eerste kunnen al veel
vlugger
mee aan pikken bij de lees- en rekenlesjes" (Interview 11)
2) De spreiding van ATN's en kinderen van illegale verblijvers
Een andere belangrijke vraag naar de overheid toe gaat over het aanpassen
van de
regelgeving betreffende de ATN's. Vele scholen vragen het invoeren van een
verplichting om per school een aantal ATN's op te vangen. Deze vraag komt
vooral
van scholen die veel kinderen van illegale verblijvers opvangen, maar ook
van scholen
die de waarde van een multiculturele samenleving verkiezen boven een segregatie
van
de autochtonen en de allochtonen. De belangrijkste reden waarom deze vraag
naar de
overheid gericht wordt, is dat de scholen ervaren dat het non-discriminatiepact
op
subtiele wijze geschonden wordt door een aantal scholen. Hierdoor komen
de illegale
verblijvers bijna steeds terecht in dezelfde scholen: in Antwerpen en deelgemeenten
nemen namelijk maar 26 van de 112 gecontacteerde scholen kinderen van illegale
verblijvers op. Scholen die geen kinderen van illegale verblijvers of allochtonen
in het
algemeen wensen op te vangen, kunnen onder andere hoge schoolkosten opleggen,
die
de ouders niet kunnen betalen, zodat ze verplicht worden om een andere
school te
zoeken. In het vrij onderwijs schrappen scholen kinderen soms, omdat ze
niet kunnen
beantwoorden aan een aantal voorwaarden uit het schoolreglement. Er werd
in een
interview het voorbeeld gegeven van een kind dat uit een school geweerd
werd, omdat
het niet mee op bosklassen ging. Zulke scholen nemen uiteindelijk misschien
wel een
aantal allochtone kinderen op, maar door de hoge kosten die aan de ouders
worden
opgelegd, zullen het alleen de beter begoeden zijn die hier terechtkomen.
Doordat bepaalde scholen, al dan niet expliciet, kinderen weigeren en
er dus slechts
een beperkt aantal scholen ATN's opvangen, dreigen er geen scholen meer
gevonden
te worden om nieuwe ATN's op te vangen. Een groot deel van de directies
zei immers
dat in zijn school de grens van het aantal ATN's dat kan worden opgevangen
bereikt
was of toch dichtbij kwam. Bovendien neemt de instroom van ATN's in Antwerpen
en
deelgemeenten toe (cf. supra: 3.2). Er wordt gevreesd dat illegale verblijvers
binnenkort geen school meer vinden om hun kinderen naar toe te sturen.
Dit probleem
houdt ook verband met de beperkte mobiliteit die illegale verblijvers kennen
(cf.
supra: 2.3). Het heeft weinig nut dat er in sommige deelgemeenten nog wel
een aantal
scholen bereid zijn en in staat zijn om ATN's op te vangen, als het voor
deze mensen
onmogelijk is om de school dagelijks te bereiken. . De situatie zou nog
nijpender zijn
in het secundair onderwijs dan in het lager onderwijs, omdat het aantal
ATN-klassen
daar beperkter is.
D: "… dan beginnen doorschuiven. En er zijn er een aantal die daar een
uniformvoorwaarde aangekoppeld hebben, als je dan 12.000 fr. voor een uniform
moet betalen 'ja je mag binnen, hoor, maar je moet wel 12.000 fr. voor een
uniform betalen en je bent verplicht om op bosklassen te gaan, dat 5000
fr. kost'.
Da's drempelverlagend (ironisch). Dus men heeft daar een zekere
maatschappelijke selectie doorgevoerd, … met het gevolg dat het beoogde
doel,
een echte spreiding over alle scholen, niet bereikt is. Dat heeft dan niks
met
illegalen te maken, maar …"(Interview 1)
D: "In het officieel onderwijs: wij moeten alle kinderen aannemen en de
ouders
tekenen het schoolreglement voor gezien. In het vrij onderwijs tekent men
voor
akkoord. Men kan daar passages inzetten en op basis van die passages zeggen
'kijk, u handelt niet conform het schoolreglement, u gaat er uit'. Ik heb
hier
mensen over de vloer gekregen die eruit gegooid werden in een katholieke
school,
omdat zijn niet mee op bosklassen gingen. In het schoolreglement staat in
dat de
kinderen mee op bosklassen gaan: 'u doet dat niet, volgend jaar schrijf
ik u niet
meer in'. Ze worden dus niet uitgegooid, maar ze worden onder druk gezet
om
van school te veranderen" (Interview 1)
D: "Want daar is 't, in het SO is het dramatisch…"
I: "Dat is…?"
D: "Het SO heeft heel weinig onthaalklassen en de meeste kinderen die nu
zich
aandienen die worden overal geweigerd, die kunnen er niet meer bij" (Interview
1)
D: "Maar 't is een groot probleem dat de scholen vol zitten, dat er geen
leerkrachten zijn, … plus nog niet alle scholen vangen ATN's op, dus…"
I: "Mmm… en speelt dan bijvoorbeeld bij die ouders het probleem dat die,
waarschijnlijk weinig mobiel zijn, een beetje gebonden zijn aan hun buurt?"
D: "Ja, wij hebben de discussie gehad met … de kabinetsleden van de vorige
onderwijsminister. ... Die zegden van geen ATN's in een concentratieschool.
...
ATN-klassen moeten gespreid worden … zoveel mogelijk uit elkaar, mensen
moeten … Als argument haalden die aan: 'mensen die duizenden kilometer
gereisd hebben, om in een stad te komen… als Antwerpen, die zullen toch
wel
den tram kunnen pakken, zeker voor een paar kilometer om naar 't Kiel of
zo te
rijden.' En dat is dus niet waar, want … die mensen zijn niet mobiel, die
hebben
gene auto, die hebben geen geld voor de tram, meestal…, dus die zijn echt
wel
gebonden aan de buurt" (Interview 2)
D: "Maar ik vind persoonlijk en ik heb dat reeds gezegd, … binnen het
Katholiek
Onderwijs aan de vicaris, dat die verplichting…"
I: "Ja."
D: "… zou moeten opgelegd worden aan alle scholen, … want ik vind het een
enorme meerwaarde voor uw school en voor uw kinderen in de opvoeding, hè.
Dat hoort eigenlijk in hun opvoeding nu in het jaar 2000, dat ze daar mee
leren
omgaan…ze gaan dat moeten kunnen…"
I: "Ja, ja."
D: "… als ze volwassen zijn, in onze maatschappij van nu. Dus ze moeten
dat ook
geleerd krijgen. Maar, in beperkte mate, dus ik ben niet bereid om er meer
in mijn
school op te nemen, … want dan gaat het niet goed meer lopen. "
I: "Iedereen moet…?"
D: "Maar als alle scholen de verplichting krijgen, dan zal dat niet nodig
zijn."
I: "Dus, het is beter te spreiden?"
D: "Ja … Dat is ook veel beter voor de integratie, hè" (Interview
5)
D: "Wat ik ook een groot probleem vind, hè, dat is dat men… beleidsmatig.
Die
OCMW's en dat is dan typisch voor Antwerpen natuurlijk. Van-weet-ik-waar,
want ik weet van waar dat die mensen komen, hè."
I: "Ja."
D: "Door welke OCMW's en als ik nu zeg, dat één van hen vanuit
Limburg komt
officieel, OCMW en één van de anderen van een randgemeente
van Brussel, dan
is het duidelijk, stuurt ze maar naar Antwerpen. En hier naast de school
zijn zo
een rij woningen en dat is een verhuur…, een immobiliënkantoor en die
verhuurt
systematisch aan OCMW's. Dus, wat krijg je nu? Min of meer een getto,
hiernaast, hè."
I: "Ja."
D: "Waar dat die allemaal bijeen zitten en dat is ook niet bevorderlijk,
denk ik,
voor eventuele integratie … En dat is natuurlijk altijd de vraag: moeten
ze
integreren of moeten ze een aparte groep vormen, hè, zoals in de
Verenigde
Staten van Amerika. In New York hebt ge Chinatown en Little … Italy, dat
verschijnsel, hè. Persoonlijk denk ik voor die mensen dat het beter
is dat ze
integreren" (Interview 6)
D: "Wij gaan volgend jaar proberen van de mensen te suggereren, maar
het
probleem is dat iedereen in de buurt hier hetzelfde doet, want iedereen
zit… in
hetzelfde schuitje, hè. Dat is een serieus probleem. … Komt
er nog bij dat het
Katholiek onderwijs …meestal duur is voor de ouders, dat daar inschrijvingsgeld
gevraagd wordt, dat daar voor de boeken moet betaald worden en dat die mensen
zeer snel weten dat zij dat niet kunnen betalen en dat zij dan sowieso naar
hier
komen. En als je dan zegt, 'ja, wij zitten al vrij vol, zou je niet eerst
hiernaast
gaan vragen?' dat je dan direct het antwoord krijgt, 'neen, dat is te duur,
dat
kunnen wij niet betalen'" (Interview 3)
3) Het onthaalonderwijs voor ATN's
Het onthaalonderwijs voor ATN's wordt in het algemeen vrij gunstig geëvalueerd,
al
zijn er hier en daar nog verbeteringen wenselijk. Vergeleken met de periode
voor het
onthaalonderwijs en andere bijkomende voorzieningen, zoals de zorgverbreding
en het
onderwijsvoorrangsbeleid, is de situatie al veel verbeterd. Het merendeel
van de
scholen evalueert de voorziene steun voor de opvang van ATN's dan ook als
voldoende, soms zelfs als royaal. Voor een aantal scholen zijn de middelen
die ter
beschikking worden gesteld echter nog onvoldoende. De scholen die een achtergesteld
publiek, waaronder meestal een grote groep aan anderstaligen, opvangen,
krijgen
dezelfde middelen als andere scholen. Nochtans hebben deze kinderen meer
nood aan
financiële ondersteuning en aan bijkomende begeleiding door de school.
Een school
die een welvarender publiek aantrekt, heeft vaak meer mogelijkheden om op
zulke
situaties in te spelen. Het gebrek aan middelen wordt nog versterkt door
de beperking
die de scholen worden opgelegd in het inzetten van de middelen en door de
versnippering tussen de beschikbare middelen en voorzieningen (cf. infra:
4.3).
D: "Vanuit de Vlaamse Gemeenschap komt er een zeer sterke ondersteuning,
hè,
voor vier kinderen krijg je 8/24sten, effectief 10 lestijden, dat is niet
niks en dan
krijg je daarbij, om het nodige materiaal te kopen … Dat is een organiek
ambt, hè,
dat is een volledig organiek ambt, dus dat zijn uren waar je wel niet in
vast mag
benoemen, dat niet, maar voor de rest wordt die betaald van het departement
en
al."
I: "Ja... U zei iets van het materiaal?"
D: "En voor materiaal krijg je in de maand juni van het lopende schooljaar,
5000
fr. per leerling. … Dus die twee nieuwe, dus normaal heb ik 20.000 fr.,
maar die
twee nieuwe die er nu bijkomen, verhoudingsgewijs zou daar nog een betaling
voor… dus daar kan je al heel wat materiaal voor kopen, hè" (Interview
5)
D: "Afhankelijk ook van de noden van de kinderen, sommige kinderen hebben
minder nodig, sommige kinderen meer. Ook … het verschil tussen de middelen
die je krijgt uit het tijdelijk werk en middelen die je krijgt uit die aanvullende
projecten… als dat in één pakket zit, als je daar meer aanwendingsvrijheid
hebt
om in te spelen op de situatie, dat is een enorm voordeel. Als je flexibel
mag
omgaan met die middelen, dan … gaat de stedelijke school er op
vooruit"(Interview 1)
D: "Financiële problemen … Ja wat, niet alleen de illegalen,
maar ook de ganse
bevolking is arm. En… door hun … sociaal milieu waar ze in vertoeven, zijn
die
enorm arm. Dus, een uitstap, … die plan ik niet (?). Hier, het stedelijk
onderwijs
is gratis, maar er werden toch dingen gevraagd, zoals een uitstap, … dat
was het
175 fr., melk ja, middagstudie en zo verder, dat moet wel betaald worden.
Er
moet alleen maar de prijs betaald worden van de grondstoffen eigenlijk…"
I: "Ja."
D: … maar dat is voor veel mensen, die dan drie, vier kinderen hebben te
veel en
moet ik dus bijspringen via allerlei Sociale Kassen. Sociale Kassen, als
dat zo
voortgaat, die leeg gaan geraken" (Interview 4)
D: "Dat is dus weer heel subjectief, wat ik nu zeg, hè. Ik krijg
de indruk, dat men
concentratiescholen tracht…"
I: "Aan de kant te zetten?"
D: "Aan de kant te zetten. Bijvoorbeeld, in deze school is het nog nooit
mislukt,
heb ik dus altijd mijn OV-uren gehad, maar 't is hier om, ik heb hier ocharme
negen uurtjes. Ja, oké, die negen uurtjes, voor die paar doelgroepleerlingetjes
dat
hier (nu gaat het om een kleuterschool met een gemengd publiek) zijn, …
ja, oké,
dat is niet slecht, maar ik heb die daar (in de lagere school met bijna
alleen
allochtone leerlingen) veel meer nodig" (Interview 4)
Buiten de steun voor de ATN's, komen de illegale verblijvers ook in aanmerking
voor de gewone onderwijssubsidies als ze regelmatig naar school komen.
Het
probleem bij de steun voor ATN's is dat deze slechts beschikbaar is voor
één jaar,
daarna kunnen die leerlingen in deze school wel extra opgevangen worden
door
de OV-uren. Echter, bijna elke leerling in deze school is een OV-leerling,
waardoor deze kinderen toch niet voldoende aandacht kan geschonken worden
om hun achterstand (owv de taal en het andere (of geen) schoolsysteem) (snel)
weg te werken. Het bemoeilijkt hun situatie nog eens extra (Interview 9,
dit deel
van het gesprek werd uitgetikt op basis van de nota's omwille van de slechte
cassetteopname)
4) De communicatie tussen de scholen
Om de opvang van de ATN's beter te organiseren, ontbreekt de nodige communicatie
tussen de scholen, vooral over de verschillende onderwijsnetten heen. En
als er al
structurele communicatie is voorzien, gaat deze veelal moeizaam. De ouders
van een
kind dat naar een school van een ander net overstapt, zijn indien er zich
in de vorige
school problemen voordeden, niet zo geneigd om alle informatie door te geven
aan de
nieuwe school. In Antwerpen-Noord zijn er reeds afspraken gemaakt tussen
de
scholen om het onderling te melden, indien er kinderen van school verdwenen
zijn
zonder mee te delen waar ze naar toe trokken. De nodige informatie over
deze
kinderen wordt rechtstreeks uitgewisseld tussen de scholen, in plaats van
langs de
officiële weg, via de PMS'en (nu reeds behorend tot het CLB) van de
verschillende
netten, de informatie door te geven. Volgens de scholen van Antwerpen-Noord
duurt
dit immers veel te lang en brengt het teveel papierwerk met zich mee. Eén
groot
nadeel van dit systeem is dat het slechts om een geografisch beperkt gebied
gaat.
Een andere school vermeldde dat zij met de scholen van hetzelfde net,
die in
Antwerpen-Linkeroever gevestigd zijn, afgesproken hebben om een bepaald
aantal
ATN's op te vangen en als dit aantal bereikt wordt, nieuwe kinderen onderling
door te
verwijzen. Dit overleg werd dus beperkt tot de scholen van eenzelfde onderwijsnet.
Slechts twee scholen maakten melding van een meer structurele vorm van
overleg, die
reeds tot positieve resultaten had geleid. Het gaat over het overleg tussen
de scholen
van de verschillende netten in de Onderwijsraad van Antwerpen en meer specifiek
in
de Commissie ATN's. Via dit overleg zijn er al een aantal scholen toe aangezet
om
(meer) ATN's op te vangen. Bovendien kunnen de scholen van Antwerpen langs
deze
weg collectief optreden naar de Minister van Onderwijs toe. Dit structureel
overleg
dient echter nog beter uitgebouwd te worden, zodat een efficiënter
organisatie van het
onthaalonderwijs voor ATN's bereikt kan worden.
D: "Projecten of taallessen worden hier niet samen georganiseerd, maar
we
hebben hier wel met de 3 katholieke scholen een afspraak gemaakt dat … we
allemaal bereid zijn om ATN's op te nemen. … Mijn collega in de …straat
heeft
er momenteel 14 of 15, nu eigenlijk oorspronkelijk was gezegd, iedereen
neemt er
zeven. … Dat ging dan nog om Kosovaarse vluchtelingen, maar …" (Interview
11)
D: "We hebben ook een werkgroep, een commissie van de Antwerpse
Onderwijsraad, en wij adviseren de Antwerpse Onderwijsraad. Uiteraard,
(onverstaanbaar) de Antwerpse Onderwijsraad de problemen niet meer kan
opvangen, dan gaan zij met hun eisenbundels naar het Departement Onderwijs,
naar het kabinet van Onderwijs. En op die manier, signaleren wij, registreren
wij
problemen en … zoeken wij hulp" (Interview 1)
D: " De onderwijsraad is overleg tussen de verschillende netten. Euh,
drie jaar
geleden, dan … moet ik efkens zien dat ik niks verkeerd zeg… . Maar er was
geen enkele vrije school die ATN's opnam… . Nu is dat veranderd."
I: "Is dat…?"
D: "Door met mekaar te overleggen, heeft iedereen zicht op de problematiek
gekregen en zijn de scholen beginnen op te nemen en zijn er een groot aantal
vrije
scholen die dus nu ook ATN's opnemen en die dus ook roepen om die
omkadering, om… (?). Dat allemaal door overleg met elkaar daar is over…,
maar
momenteel is er een... (protocollogisch?) punt" (Interview 1)
In Antwerpen-Noord (waar deze school gelegen is) is er een
samenwerkingsverbond gesloten tussen alle scholen dat inhoudt dat als kinderen
van school veranderen er contact met de oude school zal worden opgenomen
en
de gegevens worden doorgespeeld, ook tussen scholen van verschillende netten.
Er bestaat wel een officieel kanaal langs dewelke deze gegevens moeten
worden
doorgegeven, met name via het PMS, maar als er dan gegevens tussen de netten
moet worden uitgewisseld dan moet de informatie eerst van (bvb.) een katholieke
school naar een het katholieke PMS worden doorgegeven, die bezorgt de
informatie dan aan het stedelijke PMS, dat dan uiteindelijk de informatie
aan de
nieuwe stedelijke school kan doorgeven. De scholen van Antwerpen-Noord
vonden dit een te grote administratieve rompslomp en het rechtstreeks doorgeven
van de informatie tussen scholen blijkt wel te werken. Daarenboven geven
de
scholen elkaar aan het begin van het schooljaar door welke kinderen van
hun
school verdwenen zijn en waarvan men dus niet weet waar ze terecht zijn
gekomen. Het grootste probleem van deze samenwerking is, is dat het om
een
zeer beperkt geografisch terrein gaat en kinderen vaak nog buiten dit terrein
verhuizen. (Interview 9, dit deel van het gesprek is uitgetikt op basis
van de
nota's omwille van de slechte cassetteopname)
4.3 Een teveel aan voorzieningen en regelgeving
1) Een gebrek aan coördinatie en samenhang in de voorzieningen van
de overheid
De directies zijn niet zozeer van mening dat er een algemeen tekort aan
middelen is,
wat in sommige situaties wel het geval is (cf. supra: 4.2), maar waar ze
het wel over
eens zijn is dat het beleid en de middelen inzake onthaalonderwijs voor
ATN's,
onderwijsvoorrangsbeleid voor migranten en zorgverbreding onvoldoende
gecoördineerd zijn. Deze stelsels bestaan naast elkaar: de subsidies
voor elk van deze
voorzieningen dienen apart aangevraagd te worden samen met een aanwendingsplan,
waarin aan andere eisen moet worden voldaan. Voor elke voorziening bestaan
er
verschillende inspecties die moeten controleren of de middelen op een juiste
wijze
worden besteed.
De scholen moeten deze aanwendingsplannen een jaar op voorhand opstellen,
maar op
dat ogenblik kunnen ze nog niet zeker zijn van de samenstelling van hun
schoolbevolking. Er is dus niet zozeer een tekort aan middelen, tenzij in
een aantal
specifieke situaties van scholen die een kansarme populatie opvangen, maar
de
scholen moeten veel administratieve inspanningen leveren om aan deze middelen
te
komen. Dit leidt ertoe dat de scholen zullen dus kiezen voor de voorzieningen,
waarvan ze het zekerst zijn dat ze hen zullen toegewezen worden en voor
deze die de
meeste subsidies zullen opleveren. Dit wil dus zeggen dat scholen die de
middelen het
meest nodig hebben, namelijk scholen die een populatie opvangen die bijna
volledig
bestaat uit kansarme Belgen, allochtone doelgroepleerlingen en ATN's, een
deel van
de middelen laat liggen, omdat ze niet zeker zijn dat ze deze zullen krijgen
en het dus
nauwelijks de moeite is om daarvoor inspanningen te leveren. Deze scholen
benutten
niet ten volle van de beschikbare middelen, terwijl hun schoolpopulatie
reeds uit
achtergestelde groepen bestaat.
De scholen wensen dus een coherenter subsidiëringstelsel. Er worden
door de directies
voorstellen gedaan om leerlingen die beantwoorden aan de definitie van
een
doelgroepleerling uit het onderwijsvoorrangsbeleid of uit de zorgverbreding
of een
ATN's is, een groter gewicht toe te kennen voor de berekening van de subsidies.
Doelgroepleerlingen of ATN's zouden bijvoorbeeld een waarde van anderhalf
kunnen
krijgen, terwijl een gewone Belgische leerling slechts de waarde één
toegekend krijgt.
De scholen zouden daardoor heel wat minder administratief werk moeten afhandelen,
op voorhand geen schatting moeten maken van hun populatie en kunnen hun
subsidies
voor de doelgroepleerlingen en ATN's laten vaststellen op dezelfde datum
als de
algemene omkaderingsmiddelen worden vastgesteld, namelijk 1 februari. Zeker
voor
de scholen met veel ATN's en andere doelgroepleerlingen zou dit een serieuze
vereenvoudiging betekenen. Tegelijkertijd pleiten de scholen ook voor eenduidige
en
gemakkelijk hanteerbare criteria voor de bepaling van wat doelgroepleerlingen
zijn.
D: "Een andere piste die we gaan voorstellen, dat is … leerlingen te wegen
afhankelijk van een aantal criteria, die er trouwens nu ook zijn. Die criteria
te
gaan laten doorwegen, mee te bereken in het reguliere pakket. Wat administratief
een vereenvoudiging zou zijn en wat qua werking naar meer eenvormigheid
gaat
leiden tussen scholen."
I: "En welke criteria zijn dat dan?"
D: "… Criteria kunnen zijn van minder dan één jaar in België
of minder dan twee
jaar in België of buitenland geboren uiteraard met…"
I: "… "
D: "Het gaat ook niet op van, van een Belgisch kind van Belgische ouders
dat
toevallig in het buitenland geboren is en om dat dan die criteria te geven.
Neemt
dan nog die twee bijkomende criteria: waar is de grootmoeder geboren? Welke
nationaliteit heeft de grootmoeder?"
I: "Ja."
D: "Dan ben je zeker dat het om een buitenlands kind gaat… Dus via deze
criteria
tot weging over te gaan. Dan moet men dat natuurlijk vanuit de andere
problematiek, zorg voor de kansarmen, moeten die criteria er ook ingewerkt
worden, maar dat is dan de zorg voor scholen die met kansarmen werken, …
met
Belgische kansarmen werken. We zouden misschien een verschil kunnen maken
tussen kinderen, die instromen na hun geboorte en kinderen die hier geboren
zijn,
in Antwerpen vanuit migrantenouders. Dat zal allemaal … moeten
…uitgediscussieerd worden omdat beter zal zijn dan de huidige meting om
omkadering toe te staan …" (Interview 1)"
D: "En er zit daar criterium opleiding in: tot welke leeftijd heeft de moeder
onderwijs gevolgd? Maar dat is niet te controleren. Als een moeder zegt:
'ik ben
tot mijn 19 jaar naar school geweest in mijn land". Ah, dan zijn dat geen
migrantenkinderen en dan zijn dat geen OV-leerlingen'
(Onderwijsvoorrangleerlingen)
I: "Ja…"
D: "Dat zijn geen migrantenkinderen, dat zijn geen OV-leerlingen. Dus dat
is een
zeer … moeilijk te controleren … voorwaarde" (Interview 1)
I: "Ook de nationale overheid. … Vindt u dat de steun, zowel financieel
als
andere dat u daarvan krijgt … of dat die voldoende is en … effectief, zo…?"
D: "Goh, … zoals alles in België, … is het grote probleem dat die administratieve
molen daarbij toch weer zodanig groot is. Langs de andere kant neem ik aan
dat
er… een soort van controle moet zijn. Ik denk dat je, dat je heel goed moet
weten
waar je terechtkan…" (Interview 2)
D: "Ja, er zijn problemen die dus door externe factoren worden bepaald,
zoals
bijvoorbeeld de regelgeving, de wetgeving, die… voor mijn soort van school
eigenlijk… een lachertje is, bijvoorbeeld, kijk, ik kan OVB- uren,
OV, ik weet
niet of u dat kent, onderwijsvoorrangsbeleid of ik kan ATN's aanvragen."
I: "Ja."
D: "Maar daar moet ik een keuze tussen maken, want als ik dus kies voor
ATN's,
dan kan ik die niet rekenen voor mijn OV-uren…"
I: "Ja."
D: "Van mijn OV-uren ben ik praktisch zeker, van mijn ATN's, dat zijn...
daar
ben ik niet zeker van, want die worden geplaatst per drie scholen of per
vier
scholen wordt er ergens een … les gegeven…" (Interview 4)
D: "Omdat ik daar zeker van ben…. Nog een bijkomend probleem is, dan over
die OV, daar moet ik dus elk jaar of alle twee jaren een… plan voor indienen
en
concentratiescholen, tot hier toe, als ik nu Minister Van Der Poortere (de
Vlaamse
Minister van Onderwijs Marleen Van der Poortere) hoor zou het veranderen,
worden concentratiescholen daar systematisch eigenlijk uitgehouden. Die
indruk
krijg ik"(Interview 4)
D: Ja en wij moeten meer werken. Als ik een aanwendingsplan moet maken,
voor
die uren te krijgen, dat is een enorm groot aanwendingsplan, daar moet over
nagedacht worden, daar is heel veel werk aan. Ik zeg niet dat dat niet nuttig
is,
maar… dus het risico dat ik het niet ga krijgen, is dan ook nog groot. …
In feite
zou scholen, zoals.. bij mij, die toch 99% … (?) zou sowieso aan een
gunstiger…"
I: "Ja?"
D: "…telklimaat moeten zijn. Zodat ik niet moet overal moet bedelen en
contracten moet maken met allerhande organisaties om mijn school leefbaar
te
houden"(Interview 4)
D: "Nog een probleem, ja, als je het dan toch vraagt. … Kijk, hoeveel inspecties
heb ik nu? Hoeveel bazen eigenlijk? … Ontelbaar en als ik nu eens wist of
dat die
nu eens allemaal hetzelfde zeiden en hetzelfde eisten, dan zou dat aangenaam
zijn, maar dat doen ze dus niet. Dus, dat is dus als een skiër die
aan het
slalommen is…"
I: "Ja."
D: "… Die eist dat en als ge datzelfde zegt tegen de andere, die zegt 'ja
maar, dat
kan niet'. Dus, ik heb de gewone kantonale inspectie, ik heb de inspectie
van het
Stedelijk Onderwijs zelf, ik heb OV-inspecties, dat wordt, dat zijn altijd
andere
mensen … en die eisen allemaal papieren en statistieken en verslagen en…"
(Interview 4)
Men krijgt voor de ATN's wel extra geld, maar de subsidies worden steeds
pas
het jaar erna uitbetaald. Dit creëert een extra last voor de school
(Interview 9, dit
deel van het gesprek werd uitgetikt op basis van de nota's omwille van de
slechte
kwaliteit van de cassetteopname).
2) Een gebrek aan coördinatie en samenhang in het aanbod van welzijnsorganisaties
Deze ongecoördineerdheid geldt niet enkel voor de voorzieningen van
de overheid.
Ook het aanbod van andere welzijnsorganisaties wordt niet gecoördineerd.
De scholen
doen bijvoorbeeld een beroep op deze om interculturele medewerkers voor
een aantal
activiteiten te kunnen inschakelen. Om van deze diensten gebruik te kunnen
maken,
moeten de scholen opnieuw een aantal (administratieve) inspanningen leveren,
wat
weer een extra belasting voor de leerkrachten en directies vormt. Bovendien
is niet
elke school op de hoogte van het bestaan van zulke voorzieningen en dienen
de
directies dus nogal wat tijd en werk te investeren in het zoeken naar de
nodige
faciliteiten om het onderwijs voor kinderen van illegale verblijvers te
vergemakkelijken en te optimaliseren.
D: "Veel … scholen, concentratiescholen dat zijn… om te overleven, hebben
die
zovele groeperingen nodig. Ik noem dat soms oneerbiedig "parasieten". Dat
zijn
allemaal groepjes met aan het hoofd, sorry dat ik het zeg, een universitair
of twee
universitairen, die… zichzelf nuttig … Die wel goede ideeën hebben
en die zich
dus … nuttig willen maken. En wat doen die allemaal, die zeggen allemaal
'ja,
wij zitten met een probleem, … wij gaan de beginsituatie moeten vragen'
en waar
ligt die beginsituatie? Ah, de school? 'Maak eens een beginsituatie, school'.
Dus,
die school doet dat. Waarom? Die denkt, ik krijg eindelijk hulp van iemand,
maar
die groepen zijn zo talrijk aan het worden…"
I: "Ja."
D: "… en zo ongecoördineerd, wat die dat allemaal doen."
I: "Ja."
D: "Wat dus een enorme, nog is ballast is op een school, die al belast is"
(Interview 4)
D: "Hier hetzelfde … de mensen staan in het begin zowat met vraagtekens
'god,
wat begin ik ermee?' en alleman probeert op zichzelf zo een beetje… daaraan
te
werken. Misschien moeten wij nu ook moeite doen, dat er ergens kanalen zijn,
omdat te horen, dat zeg ik niet. … Ik heb nog wel niet met die gratis …
(?) naar
een klasgroep gericht, dat is …(?)" (Interview 12)
3) De duur van de opvang in de onthaalklassen
De evaluatie van het ATN-programma door de lagere schooldirecties mag dan
bijna
altijd positief zijn, er is één element waar bijna algemeen
ontevredenheid over heerst:
de toegestane duur van de opvang van ATN's in de onthaalklassen. Eén
directeur
stelde het zo: de onthaalklassen voor ATN's zijn afgestemd op de opvang
van "Hong
Kong-chinezen". Dit wil zeggen dat de overheid er in de voorzieningen voor
ATN's
teveel vanuit gaat dat de kinderen die toekomen in de Vlaamse klassen, afkomstig
zijn
uit een Westerse cultuur, reeds school hebben gevolgd vanaf de leeftijd
van ongeveer
zes jaar en een taal en schrift beheersen die weliswaar niet hetzelfde zijn
als het
Nederlands, maar er in elk geval sterk bij aanleunt. Dit beeld sluit echter
zelden aan
bij de realiteit. Kinderen die één jaar hebben doorgebracht
in de ATN-klas zijn bijna
nooit in staat om vanaf dan de lessen in de reguliere klas zonder bijkomende
ondersteuning te kunnen volgen. Het onthaalonderwijs voor ATN's zou dus
moeten
kunnen uitgebreid worden tot een tweede jaar, indien een kind na één
jaar nog
onvoldoende kennis van het Nederlands heeft. Nu bestaat die mogelijkheid
reeds,
maar het wordt slechts uitzonderlijk toegelaten en er moet door de scholen
wederom
extra inspanningen voor geleverd worden. Er is dus nood aan een flexibelere
regeling
om het verblijf in de ATN-klas te kunnen verlengen.
Tenslotte zijn een aantal scholen van mening dat men te weinig vrijheid
heeft om de
extra middelen die verkregen worden voor de opvang van ATN's, allochtone
kansarme kinderen en Belgische kansarme kinderen, in te zetten. De overheid
heeft te
streng vastgelegd voor welke doeleinden deze middelen moeten ingezet worden,
in
plaats van de scholen zelf te laten bepalen waar ze de meeste nood aan hebben.
I: "Oké. U hebt al gezegd, die programma's voor anderstaligen,
die
onthaalklassen … dat die juffrouw daar wel heel goed is om effectief wel
die
achterstand…"
D: "Alles staat of valt met de leerkracht ATN's."
I: "Maar de problemen…?"
D: "Als je daar een leerkrachtje in hebt, … van ik zal nu maar zeggen, die
eigenlijk die uurtjes neemt, omdat ze anders geen werk heeft…"
I: "Ja."
D: "Maar die daar helemaal geen interesse voor heeft, dan heb je dat beter
in uw
school niet. Dat is mijn gedacht daarvan."
I: "Maar nu is dat zeer effectief?"
D: "Nu is dat heel effectief moet ik zeggen" (Interview 5)
D: "Als er problemen zijn naar de school toe, dan zijn dat eigenlijk vooral
taalproblemen. Het feit dat die kinderen geen andere taal spreken,
dat we die
uiteindelijk moeten opvangen. Zolang dat die in de onthaalklas terechtkunnen
komen, krijgen die eigenlijk een opvang, kunnen die eigenlijk Nederlands
leren,
maar van het moment dat die eigenlijk al een jaar Nederlandstalig onderwijs
gehad hebben, kunnen ze daar niet meer in terecht en hebben we toch al
gemerkt
dat dat Nederlands nog niet voldoende is om in een gewoon klasgroep … te
functioneren. Nu dat geldt eigenlijk in het algemeen voor alle allochtone
kinderen…" (Interview 13)
D: "Ja, maar dat gaat niet, dat is maar één jaar, want
ik moet anders ATN's
hebben, want dan worden het doelgroepleerlingen, maar van de
doelgroepleerlingen mag de mama maar tot 18 jaar naar school geweest zijn
of
niet tot 18 jaar naar school geweest zijn, de grootmoeder moet een andere
taal
hebben dus, maar voor dan zijn het uren … onderwijsvoorrang…"
I: "Onderwijsvoorrang…"
D: "Hè, maar dan moet ge aan minstens 10% geraken, geloof ik, want
ik moet
hier nu naar mijn … (?) omkijken, omdat ik dat niet, omdat ik dat niet heb,
hè."
I: "Ja, ja."
D: "En ik kom niet aan 10%."
I: "En vindt u dat jaartje genoeg of zou u graag hebben van…toch beter twee?"
D: "Ja, dat zou … toch zeker twee jaar" (Interview 6)
De problematiek van de opvang van kinderen van illegale verblijvers in
het
onderwijs wordt door de overheid sterk onderschat. Men gaat er van uit
dat al
deze illegale verblijvers "Hong Kong-Chinezen" zijn. Dit wil zeggen dat
ze wel
een andere taal en cultuur hebben, maar dat ze toch uit een Westers milieu
afkomstig zijn, goed geschoold zijn, een andere Germaanse taal (het Engels)
reeds als tweede taal kennen en ook rijk genoeg zijn om hier in alles te
voorzien.
Zulke mensen zijn inderdaad vrij gemakkelijk te integreren, maar dit beeld
is veel
te eenzijdig. De voorstellen en visies van de overheid zijn dan ook nog
steeds op
dit beeld geënt (Interview 9, dit deel van het gesprek werd uitgetikt
op basis van
de nota's omwille van de slechte kwaliteit van de cassetteopname)
Buiten de steun voor de ATN's, komen de illegale verblijvers ook in aanmerking
voor de gewone onderwijssubsidies als ze regelmatig naar school komen.
Het
probleem bij de steun voor ATN's is dat deze slechts beschikbaar is voor
één jaar
(Interview 9, dit deel van het gesprek werd uitgetikt op basis van de nota's
omwille van de slechte kwaliteit van de cassetteopname)
Men krijgt als school dus wel een behoorlijk bedrag voor extra leermiddelen
voor
de ATN's, maar er is te weinig specifiek materiaal ter beschikking. Ook
is er geen
volledige duidelijkheid over waarvoor deze middelen mogen worden ingezet,
kunnen ze bijvoorbeeld ook gebruikt worden om een uitstap te maken om de
omgeving te verkennen? (Interview 9, dit deel van het gesprek werd uitgetikt
op
basis van de nota's omwille van de slechte kwaliteit van de cassetteopname)
§5: Invloedrijke factoren in het onderwijs voor kinderen van illegale verblijvers
Nadat in de vier voorafgaande paragrafen de onderzoekgegevens werden
voorgesteld,
worden in deze paragraaf deze gegevens in verband gebracht met de meer
theoretische
beschouwing uit hoofdstuk drie. Deze paragraaf heeft dan ook de bedoeling
om na te gaan in
hoeverre de theoretische voorstelling uit het derde hoofdstuk overeenkomt
met de praktijk.
Sommige elementen uit hoofdstuk drie, zoals bijvoorbeeld de financiële
moeilijkheden van
illegale verblijvers voor het bekostigen van het onderwijs voor hun kinderen,
zijn al volledig
besproken. Andere elementen zijn echter niet zo duidelijk terug te vinden,
omdat ze onder
andere te verspreid staan. Er wordt dan ook hoofdzakelijk aandacht besteed
aan de
organisatiekenmerken van de scholen, de strategieën van de leerkrachten,
de discretionaire
ruimte en het verborgen curriculum, aangezien deze elementen in de vorige
paragrafen nog
niet werden aangehaald.
5.1 De organisatiekenmerken in het onderwijs en de strategieën van
de scholen
1) De relevante organisatiekenmerken van scholen
De scholen kampen ten eerste vaak met het probleem van overvraging. Deze
overvraging is zowel kwantitatief als kwalitatief van aard. De scholen
krijgen vaak
meer aanvragen van illegale verblijvers om hun kinderen op te vangen dan
ze
aankunnen. Een aantal scholen, met name diegene die een kansarme schoolbevolking
opvangen, hebben daarenboven een tekort aan werkingsmiddelen om de kinderen
alle
kansen voor hun ontwikkeling te bieden. Daarnaast zijn er ook illegale
verblijvers, die
zich tot het onderwijzend personeel richten voor allerhande niet-schoolse
problemen,
die eigenlijk ook niet tot het "takenpakket" van de school behoren.
Bovendien worden de scholen eens ze beginnen met de opvang van kinderen
van
illegale verblijvers vaak aangesproken door andere illegale verblijvers
of door de
mensen van het "Centraal Meldpunt voor ATN's" met de vraag om nog andere
anderstalige kinderen op te vangen. Het is ook zo dat illegaal verblijvende
ouders, die
ondervinden dat de school hen eenmaal heeft kunnen helpen in een bepaalde
situatie,
de volgende keer waarschijnlijk opnieuw naar de school zullen stappen voor
hulp. De
vraag naar de diensten van de school neemt dus na verloop van tijd veelal
toe.
De scholen dienen ook een aantal afwegingen te maken in de doelstellingen
betreffende de opvang van kinderen van illegale verblijvers. Ze moeten een
keuze
maken tussen het opvangen van een beperkt aantal kinderen van illegale verblijvers,
die gemakkelijk in de klas kunnen geïntegreerd worden en intensief
kunnen begeleid
worden of het opvangen van zoveel mogelijk kinderen om deze allemaal de
mogelijkheid te geven om onderwijs te kunnen volgen. Er zijn natuurlijk
nog andere
factoren die hier een rol spelen, zoals het feit dat vele scholen in principe
geen
kinderen mogen weigeren (cf. voetnoot 17). Ook is de mogelijkheid om anderstalige
kinderen in een klas op te nemen sowieso begrensd: het moet nog mogelijk
zijn voor
de leerkracht om les te geven. Een andere afweging die de scholen maken
is deze
tussen hun onderwijsgerichte taken en hulpverlenende activiteiten voor
illegale
verblijvers. De meeste scholen proberen in de mate van het mogelijke de
illegale
verblijvers die met een vraag voor hulp naar de school stappen verder te
helpen, maar
op een bepaald moment dient deze hulp toch beperkt te worden.
Op het vlak van de prestatiemeting heerst er ook steeds meer onduidelijkheid.
De
meeste ouders zijn nog steeds van oordeel dat "concentratiescholen" een
minder hoge
kwaliteit leveren dan "witte scholen" in termen van slaagpercentages en
doorstroming
naar het ASO in het secundair onderwijs. De scholen die anderstalige kinderen
opnemen hebben een andere visie. Zij hebben meer aandacht voor het feit
dat de
kinderen evolueren, taal opnemen en vorderingen maken. Het zijn niet zozeer
de
periodieke evaluaties die belangrijk zijn, maar het (gehele) proces dat
het kind
doormaakt. Deze scholen zijn ervan overtuigd dat de anderstalige, maar ook
de
kansarme kinderen een andere aanpak behoeven, maar deze omschakeling qua
lesgeven en evalueren is nog niet gemaakt in de lerarenopleiding. Er bestaan
dus
momenteel verschillende visies qua kwaliteits- en dus ook prestatiemeting
naast
elkaar.
Een laatste kenmerk is dat de scholen te maken krijgen met een niet-vrijwillig
publiek,
zowel van de kant van de kinderen als van de ouders. De kinderen hebben
niet veel
inspraak in het al dan niet naar school komen, ook als ze totaal gedemotiveerd
zijn
omwille van hun "uitzichtloze" situatie of omwille van de leerachterstand
die ze
hebben ten aanzien van de andere kinderen. Maar ook de illegaal verblijvende
ouders
hebben vaak niet veel mogelijkheden in de keuze van een school voor hun
kinderen.
Ten eerste zijn de illegale verblijvers meestal niet zo mobiel, zodat ze
zich in hun
keuze beperkt zien tot de scholen die in de buurt gelegen zijn. Ten tweede
zijn er nog
steeds scholen die geen kinderen van illegale verblijvers opvangen (cf.
supra: hfst 2,
§2), maar er zijn ook scholen die reeds een groot aantal kinderen van
illegale
verblijvers opvangen en nieuw toegekomenen dan ook trachten door te sturen.
Hierdoor worden de keuzemogelijkheden van de ouders nog verder beperkt.
Ook als
hulpverlenende instantie is de school één van de enige mogelijkheden
die ook
openstaat voor illegale verblijvers.
2)De strategieën van de scholen
De scholen zullen gebruik maken van verschillende methoden om de vraag
naar
onderwijs door illegaal verblijvende ouders te beperken. De meeste scholen
mogen
geen kinderen van illegale verblijvers als gevolg van het non-discriminatiepact
(cf.
voetnoot 17). De besproken strategieën zullen dus aangewend worden
om op
impliciete wijze kinderen van illegale verblijvers te weigeren of indien
dit niet
mogelijk is, om het aantal ATN's te beperken.
Een aantal scholen, deze gelegen in de buitenwijken van Antwerpen, leggen
door hun
ligging, onvrijwillig reeds vrij hoge kosten op aan de illegale verblijvers.
Als men er
vanuit gaat dat het overgrote deel van de illegale verblijvers verblijven
in de armere
buurten van Antwerpen-stad, dan is het begrijpelijk dat de ouders hun kinderen
niet de
ganse afstand kunnen laten afleggen tot aan een school in een deelgemeente.
Andere scholen leggen meer financiële kosten op aan de illegaal verblijvende
ouders.
De ouders kunnen het zelden opbrengen om uniformen, dure uitstappen of
bos- en
zeeklassen te betalen, … Alhoewel de geïnterviewde scholen allemaal
stellen dat zij
pogingen doen om de kosten voor de illegale verblijvers zo laag mogelijk
te houden,
zullen er toch verschillen blijven bestaan. Voor de scholen die geen kinderen
van
illegale verblijvers op te vangen, zal dit een veelgebruikte methode zijn
om te
voorkomen dat zulke kinderen bij hen ingeschreven worden.
Op het vlak van de dienstverlening naar de illegaal verblijvende ouders
toe, zal de
mate waarin de ouders op de school als contactambtenaar beroep doen mee
bepaald
worden door de drempel die de school creëert. Een aantal scholen zal
deze drempel zo
laag mogelijk proberen te houden door tolken of interculturele medewerkers
in te
schakelen, door contactmomenten te organiseren, door de ATN-leerkracht bij
de
communicatie met de ouders te betrekken, …
Een tweede vorm van rantsoenering, ongelijkheid in de behandeling scheppen,
komt
ook af en toe voor. Een veel gebruikte methode is bijvoorbeeld om kinderen
door te
sturen, indien de directie van mening is dat het aantal anderstalige kinderen
dat de
school kan opvangen reeds overschreden is. De kinderen van illegale verblijvers
eisen
immers meer aandacht van de leerkracht (taal) en de directie op dan Belgische
kinderen. Ook vermelden sommige directieleden dat ze liever bepaalde nationaliteiten
inschrijven, omdat ze daar in het algemeen goede ervaringen mee hebben.
Toch is dit
zelden een criterium om kinderen van illegale verblijvers te weigeren.
Een derde strategie, die men tegenkomt, wordt voornamelijk gebruikt door
de
leerkrachten. Ze kunnen hun job zo herdefiniëren dat ze zichzelf als
niet opgeleid of
niet bekwaam beschouwen om naast Nederlandstalige kinderen ook anderstalige
kinderen met daarenboven een bepaalde schoolachterstand op te vangen in
hun klas.
Deze reactie komt vaak voor bij een eerste confrontatie met kinderen van
illegale
verblijvers, maar als er teveel anderstalige kinderen in één
klas terechtkomen kunnen
de leerkrachten ook van dit argument gebruik maken om hun ontevredenheid
te uiten.
Een strategie, die men kan herkennen in het argument van een school uit
het bijzonder
onderwijs, namelijk dat men in het bijzonder onderwijs niet in staat is
om kinderen
van illegale verblijvers op te vangen, omdat men voor elk kind een aanwendingsplan
moet opstellen, is de strategie van het op private basis aanpassen van de
reikwijdte
van zijn gezag.
Een vorm van mentale verkleining van de cliëntengroep doet zich
soms ook voor. Een
aantal scholen zijn enkel bereid om de kinderen van illegale verblijvers
op te vangen,
die in dezelfde buurt wonen als waar de school gelegen is. Ze weigeren bijvoorbeeld
kinderen die een grotere afstand af moeten leggen op basis van het argument
dat deze
kinderen een school in de eigen buurt kunnen vinden. Dit is echter niet
altijd het geval:
er zijn immers nog altijd scholen die geen kinderen van illegale verblijvers
willen
opvangen en daarnaast zijn er ook scholen die er nog moeilijk nieuwe anderstalige
kinderen kunnen bijnemen.
Een vijfde strategie die door de leerkrachten en de directies wel eens
gebruikt wordt is
het onderverdelen van de groep illegale verblijvers op basis van de vooruitgang
die
men maakt. Niet alleen de kinderen worden geëvalueerd op de vooruitgang
van hun
taalkennis en op de integratie in de schoolgemeenschap, ook de ouders worden
geëvalueerd. Zo zal men een positievere houding aannemen ten aanzien
van de ouders
die Nederlands spreken, hun kinderen helpen bij het schoolwerk en van kinderen
die
niet alleen met hun land- of streekgenoten blijven omgaan. De mate van integratie
kan
een belangrijk element zijn in de hulp die illegaal verblijvende ouders
en kinderen
krijgen van het onderwijzend personeel.
Tenslotte komt het af en toe ook voor dat de directies de kinderen of
de ouders zelf
verantwoordelijk stellen voor de geringe vorderingen met de taal. Men beschouwt
het
kind bijvoorbeeld als niet zo intelligent, niet taalgevoelig of men gaat
er vanuit dat het
kind niet genoeg Nederlands spreekt en schrijft. De ouders krijgen soms
het verwijt
van slechte wil te zijn, als ze om één of andere reden geen
taalcursussen volgen.
3) De discretionaire ruimte in de voorzieningen voor de opvang van kinderen
van
illegale verblijvers
Enerzijds is het onthaalonderwijs voor ATN's aan te strenge voorwaarden
onderworpen om ten volle effectief te kunnen zijn. De scholen mogen
het onderwijs
voor ATN's niet aanpassen aan de omstandigheden. Vooral de beperking van
de duur
van het onthaalonderwijs voor ATN's tot één jaar, maar ook
de strikte regels met
betrekking tot het inzetten van de middelen, worden als te streng ervaren.
Een ander facet van de regelgeving waar een teveel aan regels de efficiënte
uitvoering
van programma's bemoeilijkt, is in de aanvraag voor middelen in het kader
van het
onderwijsvoorrangsbeleid voor migranten, de zorgverbreding, het onthaalonderwijs
voor ATN's en andere voorzieningen vanuit sociale en welzijnsorganisaties.
Zo is
bijvoorbeeld de voorwaarde voor het verkrijgen van lesuren onderwijsvoorrangsbeleid
en zorgverbreding dat er een ouderwerking wordt opgebouwd, voor sommige
scholen
onrealistisch. Deze scholen omzeilen deze voorwaarde dan ook zoveel mogelijk.
Deze
faciliteiten zijn bovendien onvoldoende gecoördineerd. De gevolgen
daarvan zijn dat
de scholen een heleboel overbodig werk moeten verrichten voor de aanvraag
van en de
controle op de toegewezen middelen. Bovendien moeten de scholen aan bepaalde
onrealistische eisen voldoen alvorens ze de middelen verkrijgen. Ze moeten
bijvoorbeeld steeds op voorhand een aanwendingsplan opstellen, dat ze moeten
opstellen op basis van hun beeld van de toekomstige populatie en toekomstige
noden
van de schoolpopulatie. Op al deze vlakken zou een versoepeling en vereenvoudiging
van de regelgeving wenselijk zijn.
Anderzijds is er in het beleid een te grote discretionaire ruimte voor
het aannemen en
weigeren van kinderen van illegale verblijvers. De overheid steunt hiervoor
op de non-
discriminatiecode, die echter niet alle wantoestanden uitsluit. Een aantal
van de
scholen die reeds kinderen van illegale verblijvers opnemen, wensen dan
ook de
verplichting om in elke school een beperkt aantal kinderen van illegale
verblijvers op
te vangen.
Daarenboven moet ook het bijzonder onderwijs verplicht worden om kinderen
van
illegale verblijvers op te vangen, als ze daadwerkelijk niet (meer) kunnen
opgevangen
worden in het gewone basisonderwijs. Blijkbaar zijn er immers een aantal
scholen in
het bijzonder onderwijs, die zich verschuilen achter het argument dat in
het bijzonder
onderwijs met een aanwendingsplan voor elk kind wordt gewerkt om te voorkomen
dat ze kinderen van illegale verblijvers moeten opvangen. Ook in dit geval
zou de
situatie moeten uitgeklaard worden via een duidelijkere wetgeving.
Een tweede aspect waar de overheid de regelgeving dient te verstrengen
en aan te
passen heeft betrekking op de definiëring van doelgroepleerlingen in
de verschillende
voorzieningen die open staan voor anderstalige kinderen en kinderen met
een
leerachterstand, waaronder illegale verblijvers. In de definitie zitten
een aantal niet
volledig objectieve criteria, zoals de leeftijd tot dewelke de moeder naar
school is
geweest. Scholen kunnen dit criterium gebruiken om middelen te bekomen waar
ze
eigenlijk geen recht op hebben en die andere scholen misschien meer nodig
hebben.
Op bepaalde vlakken zou een aanvulling op de reeds bestaande regels in
verband met
de opvang van kinderen van illegale verblijvers en de spreiding van
doelgroepleerlingen dus aangewezen zijn. Anders zullen de doelstellingen
hier niet
bereikt worden, aangezien sommige scholen de afspraken proberen te ontwijken.
In
het geval van de voorzieningen (en de extra middelen) voor de opvang van
kinderen
van illegale verblijvers dient de regelgeving daarentegen soepeler te worden
om de
scholen de kans te geven aan de noden van elk kind tegemoet te komen.
5.2 Invloedrijke cliëntkenmerken in de hulpverlening aan illegale verblijvers
Twee kenmerken van de cliënt blijken weinig invloed te hebben op
de hulpverlening
van de scholen aan illegale verblijvers: de urgentie en de sociale waarde.
De rol van de
sociale waarde kwam nauwelijks aan bod aangezien het onderzoek enkel gericht
was
op de groep van de illegale verblijvers. Deze groep heeft slechts een lage
sociale
waarde, maar er zal slechts weinig variatie zijn binnen de groep. Wel moet
opgemerkt
worden dat de scholen, maar vooral de Belgische ouders in de meeste gevallen
vrij
positief staan ten opzichte van de Kosovaarse oorlogsvluchtelingen , alhoewel
het
zeker niet de enige groep van illegale verblijvers is, die kan rekenen
op steun van de
ouders. Een groep illegale verblijvers waar de ouders en de buurtgemeenschap
soms
meer afwijzend tegenover staan zijn de Rom-zigeuners.
Ook urgentie als cliëntkenmerk speelt nauwelijks een rol in de dienstverlening
door
het onderwijs. Het komt wel naar boven in niet-schoolse hulpverlening.
Als de illegale
verblijvers kampen met acute financiële problemen en ze niet meer in
hun
levensonderhoud kunnen voorzien, dan blijkt de urgentie van het probleem
wel een rol
te spelen. In de meest schrijnende gevallen doen de scholen extra inspanningen
om de
illegale verblijvers te helpen door ze bijvoorbeeld naar bepaalde
liefdadigheidsinstellingen door te sturen. Dit komt ongeveer overeen met
de
vaststelling van Engbersen dat de contactambtenaren het meest geneigd zijn
om in te
grijpen als de situaties dringend zijn, maar nog niet hopeloos.
De andere cliëntkenmerken, houding en gedrag, hebben een grotere
invloed op de
ingesteldheid van het onderwijzend personeel ten aanzien van de illegale
verblijvers.
Het is hoofdzakelijk de wil tot integreren en tot het leren van de taal
die een
belangrijke rol speelt. Directies zijn meestal meer geneigd om tegemoet
te komen aan
de hulpvragen van en meer inspanningen te leveren voor ouders die bijvoorbeeld
proberen Nederlands te spreken. Ook van de kinderen wordt verwacht dat ze
zoveel
mogelijk proberen om thuis en op de speelplaats de taal te oefenen. Bovendien
wordt
het ook geapprecieerd als de ouders inspanningen doen om in de mate van
het
mogelijke de schoolkosten trachten te betalen, zorg dragen voor materiaal
dat ter
beschikking wordt gesteld, hun kinderen op tijd naar school brengen, … In
de
beginperiode wordt afwijkend gedrag vaak nog getolereerd, maar als na verloop
van
tijd de illegale verblijvers zich niet aanpassen, zullen de scholen ook
minder
toeschietelijk reageren.
Een laatste element komt ook naar voren als een invloedrijke factor, alhoewel
de
scholen slechts één bepaalde houding van de kant van de illegale
verblijvers als
storend vermelden. De houding die het meeste wrevel opwekt bij de scholen
is een
agressieve houding vanwege sommige illegale verblijvers. De directies zullen
ouders
die eisen dat hun kinderen op de school ingeschreven worden, die eisen
dat hun
kinderen samen in de klas zitten of die willen dat de schoolregels aan hun
situatie
worden aangepast, meestal afwijzen. Zulk gedrag wordt niet geapprecieerd
en
getolereerd. Ook als een school weet heeft van de negatieve reputatie van
een illegaal
verblijvend gezin, zullen ze niet zo geneigd zijn om deze kinderen aan te
nemen. Ook
agressief gedrag van de kinderen, bijvoorbeeld tegen andere kinderen op
de
speelplaats, zal een invloed hebben op de bereidwilligheid van de scholen
om te
helpen.
5.3 Het verborgen curriculum als storende factor in de integratie van illegale
verblijvers
Het verborgen curriculum blijkt vooral een rol te spelen in de verwachtingen
van de
ouders ten aanzien van de school. De cultuurverschillen geven ook aanleiding
tot
andere verwachtingen van de ouders ten aanzien van de school. De Arabische
cultuur
gaat er bijvoorbeeld van uit dat de opvoeding bij de school ligt en kent
dus geen
gedeelde verantwoordelijkheid qua opvoeding tussen de ouders en de school.
Het
probleem wordt nog groter als de ouders ongeschoold zijn. De illegaal verblijvende
ouders hebben dan helemaal geen inzicht in de werking van een schoolsysteem
en
zullen dus ook de verwachtingen van de school ten opzichte van hen en de
kinderen
niet kennen. Zij zullen niet begrijpen wat van hen verwacht wordt en zullen
dan ook
niet inspelen op deze verwachtingen. Dit kan dan leiden tot misverstanden
tussen het
personeel en de ouders.
Ook de kinderen kunnen de nadelen ondervinden van gesocialiseerd te zijn
in een
andere cultuur. Vooral het schrift, de uitspraak en de schrijf- of leesrichting
blijken
nogal eens problemen op te leveren. Er zijn kinderen die afkomstig zijn
uit landen
waar nog lijfstraffen worden gebruikt, of die nooit in gemengde klassen
hebben
gezeten. De kinderen zullen dus moeten wennen aan het nieuwe onderwijssysteem.
Het probleem bij de kinderen is net als bij de volwassenen het grootst als
ze voorheen
nooit naar school zijn geweest. Sommige kinderen, die op oudere leeftijd
toekomen,
hebben nog nooit op een schoolbank gezeten en hebben geen besef van wat
school is.
De kinderen zullen dus eerst moeten begrijpen wat de leerkrachten en de
andere
kinderen juist van hen verwachten.
§6: Besluit
In dit hoofdstuk werden de problemen die uit de interviews naar
boven kwamen, op
uitvoerige wijze voorgesteld en besproken aan de hand van de context van
de problemen,
zoals voorgesteld in hoofdstuk drie. In de laatste paragraaf werd voor een
aantal elementen
het verband gelegd tussen de theorie uit hoofdstuk drie en de onderzoeksgegevens
die werden
voorgesteld. Er wordt hier bij wijze van besluit een overzicht gegeven van
de belangrijkste
resultaten van het onderzoek:
? De situatie van illegaal verblijf brengt onzekerheid met zich mee,
zowel voor de ouders,
de kinderen als de scholen. De ouders wantrouwen soms (meestal in de beginperiode)
de
schooldirecties wat hen ertoe aanzet om hen verkeerde of onvolledige informatie
door te
geven. De kinderen kunnen ontmoedigd worden door hun situatie van illegaal
verblijf en
het dus opgeven om nog verder school te lopen, al is dit zeker niet altijd
het geval. De
scholen worden vaak geconfronteerd met situaties van uitbuiting of met hulpvragen
voor
medische verzorging, winterkleren, … van de illegaal verblijvende ouders.
Eén van de
enige mogelijkheden voor de ouders is zich tot het schoolpersoneel te wenden,
aangezien
andere contactpunten vaak niet openstaan voor hen.
? Het is opvallend dat scholen, die bereid zijn om zeer ver te gaan in
hun (niet-schoolse)
hulpverlenende functie ten aanzien van de illegale verblijvers, vaak een
vrij grote groep
kinderen van illegale verblijvers (en allochtonen in het algemeen) opvangen
of reeds een
lange traditie hebben in de opvang van deze kinderen.
? Een zeer groot probleem in de opvang van kinderen van illegale verblijvers
is dat vele
illegaal verblijvende ouders over onvoldoende financiële middelen beschikken
om hun
kinderen naar school te sturen. Scholen proberen zoveel mogelijk de kosten
van het
onderwijs voor kinderen van illegale verblijvers zelf te dragen, alhoewel
er (grote)
verschillen bestaan tussen de scholen onderling in de mate waarin ze bereid
zijn om bij te
dragen. Ook doen de scholen veelal een beroep op allerhande verenigingen
(bvb.
geloofsgemeenschap, kledinghulp), op sociale voorzieningen (bvb. Sociaal
Fonds) of op
gastgezinnen, die dan een deel van de kosten dragen of in bepaalde behoeften
voorzien.
? Het is dan ook evident dat een kind van een illegale verblijver meestal
niet over hetzelfde
schoolmateriaal als een Belgisch kind kan beschikken en dat het thuis dikwijls
geen
rustige studieruimte heeft. Daarom richten vele scholen huistaakklassen
in. Hier krijgen
de kinderen van illegale verblijvers ook extra begeleiding om hun initiële
achterstand bij
te werken.
? De financiële moeilijkheden van een grote groep van illegale verblijvers
brengen ook met
zich mee dat de scholen worden ingeschakeld voor het zoeken van een oplossing
voor de
(terug)betaling van medische kosten.
? Een gevolg van de beperkte financiële mogelijkheden van de illegale
verblijvers, is dat ze
vaak in kansarme wijken wonen. Doordat de illegale verblijvers bovendien
niet erg
mobiel zijn, zijn de scholen waar ze hun kinderen naar toe sturen, scholen
die in het
algemeen een kansarme bevolking opvangen. Dit betekent dat deze scholen
niet dezelfde
inspanningen kunnen leveren als scholen die een "rijker" publiek opvangen.
Het komt er
dus op neer dat de kinderen van illegale verblijvers niet dezelfde kansen
kunnen geboden
worden. Bovendien verhuizen illegale verblijvers regelmatig, waarbij de
kinderen meestal
ook van school veranderen. Dit veelvuldig veranderen vergroot soms de schoolse
achterstand die de kinderen van de illegale verblijvers bijna altijd kennen.
? De taal vormt één van de grootste struikelblokken in
het onderwijs voor kinderen van
illegale verblijvers. De meeste scholen kunnen wel gebruik maken van de
voorzieningen
voor onder andere ATN's. De taal is vooral een probleem bij kinderen die
hier pas op
oudere leeftijd aan de school beginnen. Voor de kinderen van de illegale
verblijvers is het
hierdoor in de beginperiode bijna onmogelijk om de lessen in reguliere
klas te volgen. De
scholen proberen de kinderen toch zoveel mogelijk zinvolle activiteiten
aan te bieden
door onder andere gebruik te maken van de computer of klasdoorbrekende
werkvormen.
? Ook in de communicatie met de ouders is de taal een belangrijke hindernis.
De scholen
maken gebruik van een hele reeks hulpmiddelen, zoals zakwoordenboeken,
pictogrammen, het inschakelen van tussenpersonen of tolken, … om te kunnen
communiceren met de ouders. Elk van de oplossingen heeft echter ook een
aantal nadelen.
? Voor de scholen is het zeer moeilijk om het studieniveau van de kinderen
van illegale
verblijvers te bepalen wanneer ze nog geen school gevolgd hebben in België.
Immers, het
de leerstof kan in het land van herkomst sterk verschillen van de
leerstof in België.
Bovendien wordt de leerstof niet altijd in dezelfde volgorde aangeboden.
Het komt zelfs
regelmatig voor dat een kind van oudere leeftijd voordien nog geen onderwijs
gevolgd
heeft. Omwille van de taalbarrière kan er moeilijk gecommuniceerd
worden en zelfs niet-
talige testen blijken dikwijls te cultuurgebonden om een juist beeld te
geven van het
niveau van de leerling.
? Als het niveau van de leerling bepaald is, zullen de meeste scholen
beslissen om de
leerling een jaar lager te plaatsen. Dit wordt gedaan met de bedoeling de
leerling de kans
te geven zich een jaar te concentreren op de taal. Een groter probleem vormen
de
leerlingen die op oudere leeftijd toekomen en nog nooit school hebben gelopen.
Eigenlijk
zouden deze leerlingen in het eerste leerjaar moeten geplaatst worden om
te leren lezen,
schrijven en rekenen, maar dit is omwille van hun leeftijd en gestalte niet
altijd mogelijk.
? De scholen ervaren het als een probleem als ze een groep ATN's moeten
opvangen die
onder mekaar dezelfde taal spreken, aangezien hun kennis van het Nederlands
dan niet of
nauwelijks vooruit zal gaan.
? Ook de reactie van de ouders op de komst van kinderen van illegale
verblijvers en ATN's
in het algemeen is niet altijd positief. De ouders zullen vooral negatief
reageren wanneer
er verschillende nieuwe anderstalige kinderen tegelijkertijd (of in een
korte periode)
toekomen of als de groep te groot wordt om de lessen in de reguliere klas
nog vlot te laten
verlopen. De groep ATN's wordt in Antwerpen en aantal deelgemeenten echter
steeds
groter, aangezien veel asielcentra in de buurt van Antwerpen zijn gevestigd
en de
spreiding van de asielzoekers beperkt blijft tot een financiële spreiding.
Dit doet vanuit de
scholen de vraag rijzen naar een verplichte opvang van een beperkt aantal
ATN's voor
elke school in Antwerpen en deelgemeenten.
? De integratie van de kinderen in de schoolgemeenschap wordt in de eerste
plaats bereikt
via niet-talige klasactiviteiten, bvb. wiskunde, tekenen, muziek, … maar
ook door het
gebruik van het Nederlands buiten de klas te stimuleren. Dit kan onder andere
door het
contact tussen de ATN's en de Belgische kinderen aan te moedigen, door de
ouders thuis
extra oefeningen met de kinderen te laten maken of door kinderen Nederlandstalige
boeken te laten lezen of TV te laten kijken.
? De kinderen van illegale verblijvers moeten niet alleen een nieuwe taal
leren. Voor
sommigen kent het Nederlands bovendien een ander schrift of een andere leesrichting.
In
vele gevallen moeten ze zich ook aanpassen aan een nieuw schoolsysteem en
de
onderwerpen die ze in hun thuisland aangeboden krijgen, komen ook niet altijd
overeen
met het lasaanbod in ons land.
? De illegaal verblijvende ouders ondervinden vaak meer aanpassingsmoeilijkheden
dan
hun kinderen en hebben het ook vaak moeilijker met het leren van de taal.
Als hun
kinderen het Nederlands beginnen te beheersen, zullen de ouders hun kinderen
vaak
inschakelen om te vertalen, waardoor ze soms van school wegblijven. Ook
is het voor de
ouders onmogelijk om hun kinderen bij hun studie te begeleiden of met de
leerkrachten te
overleggen bij studieproblemen als ze de taal niet kennen.
? Op de ouders hebben cultuurverschillen vaak een grotere invloed. Ze
zijn opgegroeid in
een andere cultuur en daardoor hebben ze andere verwachtingen ten aanzien
van de
school. De scholen proberen daar zoveel mogelijk begrip voor op te brengen,
maar
kunnen onmogelijk aan alle verwachtingen van de ouders voldoen.
? De scholen die op dit moment kinderen van illegale verblijvers opvangen,
zijn allemaal
bekend met het feit dat het recht op onderwijs ook geldt voor kinderen van
illegale
verblijvers. Wel maakte één school melding van de weigering
door een school van het
bijzonder onderwijs, om een kind van een illegale verblijver in te schrijven.
Ook hebben
de scholen nu nog nauwelijks problemen met het bekomen van de subsidies
voor de
illegaal verblijvende leerlingen en weten ze ook dat voor hen diploma's
mogen uitgereikt
worden.
? De scholen hebben het soms wel moeilijk met zicht te krijgen op het
geheel van
voorzieningen dat bestaat om de illegale verblijvers op te vangen, zowel
op het vlak van
het onderwijs, als op het vlak van de hulpverlening voor dringendere behoeften
(bvb.
winterkledij, gezondheidszorg, voedsel, …)
? Bij de inschrijving van kinderen van illegale verblijvers duiken er
af en toe problemen op
met gegevens die verkeerd vermeld staan op de papieren van de illegale verblijvers.
Scholen zijn dan verplicht deze gegevens te gebruiken, zelf als ze bijna
zeker weten dat ze
verkeerd zijn.
? De opleiding van de leerkrachten bereidt hen niet voor op de opvang
van (meerdere)
ATN's, zeker niet in de reguliere klas, waar meer dan alleen taal dient
aangeleerd te
worden. Ook vragen de directies dat er een betere begeleiding zou komen
voor de
leerkrachten die ATN's in hun klas hebben en dat er meer didactisch materiaal
ter
beschikking zou gesteld worden.
? De voorzieningen voor de ATN's en de bijkomende faciliteiten (zoals
de zorgverbreding
en het onderwijsvoorrangsbeleid voor migranten) worden door de scholen over
het
algemeen als zeer positief ervaren. Toch zullen scholen die in het algemeen
een
achtergesteld publiek opvangen, vergeleken met de andere scholen, soms nog
een tekort
aan middelen hebben. Ook is de regelgeving met betrekking tot de duur van
de opvang in
de ATN-klas en in verband met de verplichting tot het realiseren van een
ouderwerking in
ruil voor de middelen in het kader van de zorgverbreding en het
onderwijsvoorrangsbeleid, te streng. Als de scholen vrijer zouden zijn om
hun middelen
in te zetten, zou dit misschien tot gunstigere resultaten kunnen leiden.
Ook met betrekking
tot de aanwendingsplannen, de inspecties, de criteria om in aanmerking te
komen voor de
voorzieningen pleiten de scholen voor meer eenvormigheid en minder administratieve
lasten.
? Om de spreiding van de kinderen van illegale verblijvers te realiseren,
zou er
communicatie tussen de scholen moeten zijn. Een structurele communicatie
bestaat
(voorlopig) niet, tenzij het via de PMS-centra (tegenwoordig behorend tot
het CLB) van
de verschillende netten gebeurt. Wel ziet men dat sommige scholen lokale
afspraken
maken om informatie door te geven, om een bepaald aantal ATN's op te vangen,
om de
kinderen naar elkaar door te verwijzen, … Het gaat hier echter bijna altijd
om geografisch
beperkte gebieden.
? Net zoals in de voorzieningen van de overheid, is in het aanbod van
verschillende
welzijnsorganisaties, waar vooral concentratiescholen een beroep op doen
om aan een
aantal specifieke behoeften van (kinderen van) illegale verblijvers te voldoen,
de
coördinatie en het overzicht zoek. Als scholen op deze organisaties
een beroep willen
doen, bvb. voor het inschakelen van interculturele medewerkers, zal dit
veel bijkomend
papierwerk met zich meebrengen.
? Het beleid van de overheid inzake de ATN's is onrealistisch in die zin
dat het gebaseerd is
op het beeld van de "verwesterde vreemdeling" die nauwelijks aanpassings-
en
taalproblemen kent.
De problemen die hier werden voorgesteld, kunnen in twee grote groepen
opgedeeld worden.
Ten eerste zijn er de problemen die verband houden met de (tot nu toe) onvoldoende
spreiding van de kinderen van illegale verblijvers over de verschillende
scholen en de
problemen rond de (soms subtiele) weigering om deze kinderen in te schrijven
door sommige
scholen. Dit maakt dat een beperkt aantal scholen een (te) grote groep
van kinderen van
illegale verblijvers moet opvangen. Het non-discriminatiepact blijkt in
de praktijk geen
afdoende oplossing te bieden voor deze problemen. De beperkte spreiding
van de illegale
verblijvers heeft twee grote gevolgen. Ten eerste een financieel gevolg:
de scholen waar de
meeste illegale verblijvers terechtkomen vangen al een kansarm publiek op
en de illegale
verblijvers zijn meestal ook niet in staat om de schoolrekeningen te betalen.
Ten tweede
worden de scholen geconfronteerd met zeer veel hulpvragen die niet strikt
verbonden zijn met
het onderwijs en waar de school als contact- of tussenpersoon moet
optreden.
Een tweede groep van problemen houdt verband met de kwaliteit van het
onderwijs. Het feit
dat kinderen van illegale verblijvers en hun ouders bijna altijd anderstalig
zijn (althans in de
beginperiode) en dat ze uit een andere cultuur en uit een ander schoolsysteem
komen,
bemoeilijkt de opvang van de kinderen. De overheid tracht hierop in te
spelen door extra
middelen ter beschikking te stellen om bijvoorbeeld onthaalklassen in te
richten. Toch lossen
deze extra middelen en voorzieningen niet alle problemen op, integendeel,
soms zorgen ze
voor een (administratieve) overbelasting van de scholen en voor bijkomende
moeilijkheden.
In het laatste en afsluitende hoofdstuk worden de algemene conclusies
uit het onderzoek
voorgesteld. In de eerste paragraaf wordt er echter nog ingegaan op een
gegeven dat ook naar
voor kwam uit het onderzoek, maar geen echt probleem vormt: de diversiteit
binnen de groep
van de illegale verblijvers. De leefsituatie van de illegale verblijvers
bepaalt immers mee
welke kansen een kind van een illegale verblijver krijgt op het vlak van
onderwijs.
Hoofdstuk 5: Conclusies
In een eerste paragraaf worden de onderlinge verschillen tussen de illegale
verblijvers
benadrukt door de voorstelling van de twee uitersten in de groep van de
illegale verblijvers,
die heel verschillende integratiemogelijkheden in deze maatschappij zullen
kennen. Dit wordt
gedaan om de verscheidenheid in de groep van de illegale verblijvers te
benadrukken en te
voorkomen dat de indruk gewekt wordt dat de onderzoeksresultaten te snel
veralgemeend
mogen worden naar alle illegale verblijvers. Ook zal deze bespreking het
belang van de
gezinssituatie op de onderwijskansen van de kinderen van illegale verblijvers
verduidelijken
en aangeven welke illegale verblijvers meer problemen in het onderwijs kennen
en welke
groepen minder moeilijkheden kennen en dus meer slaagkansen hebben.
In de tweede paragraaf wordt het onderzoek samenvattend beschreven en
de algemene
conclusies uit het onderzoek weergegeven.
§1: De heterogene groep van de illegale verblijvers
In deze paragraaf wordt expliciet ingegaan op de soms heel verschillende
situatie van
de illegale verblijvers. De beginsituatie zal immers in grote mate mee bepalend
zijn voor de
onderwijskansen van de kinderen van de illegale verblijvers. Omdat
de realiteit te complex is
om weer te geven, worden hier twee types geschetst, die naar voor kwamen
in het onderzoek
en die de extreme uitersten vormen in de groep van de illegale verblijvers.
Een eerste type, de meest bevoordeelde illegale verblijvers, kan beschreven
worden aan de
hand van het beeld van een rijke Joodse diamanthandelaar. Er wordt hier
geen uitspraak
gedaan over de hele Joodse geloofsgemeenschap, wel wordt uitgegaan van het
beeld van een
gezin, dat de religieuze traditie nog belijdt en tot de religieuze gemeenschap
van de Joden
behoort. Alhoewel deze Joodse handelaars hier illegaal verblijven beschikken
zij meestal wel
een toeristenvisum dat zij na drie maanden telkens opnieuw laten verlengen.
De angst om het
land uitgezet te worden, is bij hen dan waarschijnlijk miniem. Een arbeidsvergunning
daarentegen hebben ook zij niet. Financiële problemen doen zich bij
deze groep echter
nauwelijks voor. Ze beschikken niet over een sociaal vangnet, maar de opbrengsten
van
diamanthandel zijn ruim voldoende om in het levensonderhoud te voorzien.
Deze (Joodse)
diamanthandelaars verhuizen ook wanneer zij op een andere plaats betere
vooruitzichten
hebben. De ouders, maar de kinderen, beheersen meestal ook het Engels, zodat
de
taalproblemen geminimaliseerd wordt. Bovendien kunnen de Joodse illegale
verblijvers in
België en zeker in Antwerpen terugvallen op een hechte Joodse gemeenschap.
De Joodse
gemeenschap heeft een gemeenschappelijke taal, het Jiddisch, zodat er in
de communicatie
met andere Joden geen taalproblemen zijn. Bovendien kunnen Joden die toekomen
in België
steunen op andere Joden die reeds ingeburgerd zijn en hen wegwijs kunnen
maken.
Het grootste probleem wordt gevormd door de cultuur. Het Joodse geloof
legt aan zijn
volgelingen heel wat regels op die niet overeenstemmen met de leefregels
in onze Westerse
cultuur. Ook op het vlak van het onderwijs kunnen er nogal wat verschillen
gevonden worden.
De Joodse ouders wensen niet dan hun kinderen in gemengde klassen zitten,
en hun kinderen
moeten van hun derde of vierde jaar leren lezen. Deze Joodse ouders willen
ook niet dat hun
kinderen les volgen samen met niet-blanke kinderen. Echter, indien de ouders
de regels
opgelegd door de school niet kunnen aanvaarden, dan bestaat voor hen de
mogelijkheid om
hun kinderen naar een Joodse privé-school te sturen. De Joodse diamanthandelaars
kunnen
het zich financieel veroorloven om deze maatregel te nemen.
De Joodse kinderen van illegale verblijvers, die zich in zulke situatie
bevinden, zullen weinig
aanpassingsproblemen kennen en de taalproblemen zullen relatief beperkt
zijn. De ouders
kunnen ook al de schoolkosten betalen en ze kunnen dus een min of meer vrij
een school
kiezen. De onzekerheid die andere illegale verblijvers vaak kennen, wordt
door hen veel
minder sterk ervaren. De integratie in de Joodse gemeenschap zal nauwelijks
een probleem
vormen en bovendien kan men voor steun en hulp op de Joodse gemeenschap
rekenen.
De groep die zich aan het andere uiterste bevindt van de groep van de
illegale verblijvers, zijn
de Rom-zigeuners. De Rom-zigeuners bezetten de meest benadeelde positie
binnen het geheel
van de illegale verblijvers. Deze illegale verblijvers beschikken meestal
over heel beperkte
bestaansmiddelen. Als gevolg hiervan laat de huisvesting en de (winter)kledij
te wensen over.
Omwille van een gebrek aan financiële middelen, vestigen de Rom-zigeuners
zich dan ook
meestal in armoedige en kansarme buurten. Voor het betalen van de schoolkosten
van de
kinderen of van taalcursussen van de ouders zijn er al helemaal geen middelen
voor handen.
De ouders hebben daarenboven slechts zelden school gevolgd en kennen meestal
geen tweede
taal. Ze kunnen zich dus niet of nauwelijks verstaanbaar maken. Ook de kinderen
hebben
meestal nog geen school gelopen. Bovendien kunnen de ouders niet helpen
om de
schoolachterstand voor hun kinderen weg te werken, aangezien ze zelf geen
Nederlands
spreken en ze zelf nooit school hebben gelopen. Bovendien worden de Rom-zigeuners
door
de andere buurt- of wijkbewoners niet zo positief onthaald. Dit heeft onder
andere te maken
met de andere opvattingen met betrekking tot hygiëne en properheid
die de zigeuners er op en
houden. Deze groep van illegale verblijvers staat heel argwanend ten opzichte
van elke vorm
van officieel gezag. Immers, zigeuners zijn slechts in heel weinig landen
of streken welkom.
Ze zijn een bevolkingsgroep die vaak verstoten wordt en naar heel arme gebieden
wordt
verbannen. Soms worden ze zelf vervolgd. Door hun negatieve ervaringen met
officiële
instanties is dit een groep die de contacten met officiële instanties
zoveel mogelijk zal
vermijden en een grote onzekerheid met betrekking tot hun verblijf in België
kennen. Een
grote groep van de uitgewezen illegale verblijvers zijn immers Rom-zigeuners.
Tenslotte zijn
de Rom-zigeuners een groep van illegale verblijvers die veel verhuizen,
ook naar het
buitenland. Het steeds opnieuw verhuizen zal een negatieve invloed hebben
op de
schoolachterstand van de kinderen. Zij hebben nauwelijks de tijd om de taal
aan te leren of te
wennen aan de nieuwe situatie.
De Joodse diamanthandelaars zullen dus in een heel andere situatie verkeren
dan de Rom-
zigeuners. In het geval van de Joodse diamanthandelaars wordt het grootste
probleem
gevormd door het verschil in cultuur en taal. De Rom-zigeuners daarentegen
kennen nog
meer problemen dan enkel de taal- en integratieproblemen. Zij hebben ook
financiële
problemen en ze worden sterker geconfronteerd met de onzekerheid van een
illegaal verblijf.
De leefsituatie van de kinderen van illegale verblijvers bepaalt dus in
meer of mindere mate
hun slaagkansen in het onderwijs.
§2: Algemeen besluit
Het recht op onderwijs geldt in België voor alle kinderen,
ook voor illegaal
verblijvende kinderen. Dit betekent echter niet dat de illegale verblijvers
ten volle van dit
recht gebruik kunnen maken. Het hierboven beschreven onderzoek had als
doelstelling na te
gegaan welke factoren een negatieve invloed hebben op de onderwijskansen
voor kinderen
van illegale verblijvers en welke de grootste problemen zijn in het onderwijs
voor deze
kinderen. Hiertoe werden 12 diepte-interviews afgenomen bij directies van
lagere scholen, die
gevestigd zijn in Antwerpen en deelgemeenten.
Vooreerst was het nodig een algemeen beeld van de situatie in de stad
Antwerpen en haar
deelgemeenten te geven. Het bleek dat ongeveer één op vijf
scholen kinderen van illegale
verblijvers opvangen. De spreiding van de kinderen van illegale verblijvers
over de scholen
van de verschillende onderwijsnetten blijkt ongeveer evenredig te zijn,
de geografische
spreiding daarentegen helemaal niet. De illegale verblijvers blijken zeer
vaak gehuisvest te
zijn in achtergestelde wijken (cf. hfst 2; §2).
Zowel aan de kant van de illegale verblijvers als aan de kant van de scholen
zijn er
verschillende factoren werkzaam die de maatschappelijk achtergestelde situatie
van de
illegale verblijvers kunnen verklaren en die een aantal problemen veroorzaken
bij de
implementatie van het recht op onderwijs voor kinderen van illegale verblijvers
(cf. hfst 3). In
het onderzoek werd aandacht besteed aan de factoren vanuit beide zijden
die een negatieve
invloed hebben op de onderwijskansen voor kinderen van illegale verblijvers.
Er werd in het
onderzoek nagegaan in hoeverre deze factoren ook werkelijk een rol spelen
in de praktijk.
Er werd reeds vermeld dat de problemen in verband met het onderwijs voor
kinderen van
illegale verblijvers in twee grote groepen kunnen onderverdeeld worden.
Ten eerste zijn er de
problemen die verband houden met de (tot nu toe) onvoldoende spreiding van
de kinderen
van illegale verblijvers over de verschillende scholen en de problemen rond
de (soms
subtiele) weigering om deze kinderen in te schrijven door sommige scholen.
Hieronder vallen
eerst en vooral de problemen rond het "omzeilen" van het non-discriminatiepact.
In de
praktijk blijkt namelijk dat het non-discriminatiepact niet de gewenste
spreiding bereikt en
soms zelf tegenovergestelde effecten heeft. Er kan gesteld worden dat de
spreiding van
kinderen van illegale verblijvers over alle scholen bemoeilijkt wordt door
een onvolkomen
regelgeving. De scholen die weigeren kinderen van illegale verblijvers op
te vangen, zullen
deze kinderen meestal niet expliciet weigeren in te schrijven, maar zullen
gebruik maken van
een aantal strategieën om te vermijden dat de illegaal verblijvende
ouders hun kinderen in de
school zouden inschrijven (cf. hfst 4; §5).
Een onvoldoende spreiding over de scholen heeft bovendien financiële
gevolgen voor de
scholen die wel (een grote groep) kinderen van illegale verblijvers opvangen.
Dit is het
gevolg van een combinatie van verschillende factoren. Ten eerste hebben
de meeste illegale
verblijvers slechts een heel beperkt inkomen wat hen niet de mogelijkheid
geeft om de
schoolrekeningen te betalen. Ze vestigen zich als gevolg van hun beperkte
financiële
mogelijkheden vaak in achtergestelde buurten. Daarenboven zijn de illegale
verblijvers
weinig mobiel en sturen ze hun kinderen dus naar een school die in de buurt
gelegen is. Deze
scholen vangen in het algemeen reeds een kansarm publiek op. Zulke scholen
zullen het dus
moeilijk hebben om de nodige financiële inspanningen te doen om zelf
de schoolkosten van
de kinderen van illegale verblijvers te betalen.
Een ander probleem, dat ook volgt uit de concentratie van kinderen van
illegale verblijvers in
een beperkt aantal scholen, is de overbevraging van de scholen op het vlak
van
hulpverlening. De illegale verblijvers zijn voor hun contacten met de overheid
vaak
aangewezen op het schoolpersoneel, maar ook voor financiële, materiële
en
communicatieproblemen worden de scholen ingeschakeld. Dit betekent dat
de scholen een
groot deel van hun tijd in niet-schoolse zaken moeten investeren. Het gedrag
en de houding
van voornamelijk de illegaal verblijvende ouders, zullen de mate dat de
leerkrachten en de
directie bereid zijn om deze extra inspanningen voor de illegale verblijvers
te leveren, mee
beïnvloeden.
Scholen die kinderen van illegale verblijvers onderwijs geven worden vaak
geconfronteerd
met een groter aantal ATN's dan wenselijk. Als een school veel kinderen
van illegale
verblijvers opvangt, rijzen er immers een aantal problemen. Een vlot verloop
van het
klasgebeuren wordt bemoeilijkt en zowel de directie en de leerkrachten zullen
bijkomend
belast worden. Dit brengt ons bij een tweede groep van problemen, die verband
houden met
de kwaliteit van het onderwijs voor kinderen van illegale verblijvers.
Het feit dat kinderen van illegale verblijvers en hun ouders bijna altijd
anderstalig zijn
(althans in de beginperiode) en dat ze uit een andere cultuur en uit een
ander schoolsysteem
komen, bemoeilijkt de opvang van de kinderen, zeker als een school een grote
groep
Nederlandsonkundige kinderen dient op te vangen. Dit kan op zijn beurt het
niveau van het
onderwijs voor de kinderen van illegale verblijvers beïnvloeden.
Een kind van een illegale verblijver kampt bijna altijd met een bepaalde
leerachterstand.
Bovendien is het voor de klasleerkracht moeilijk om met deze kinderen te
communiceren. De
opleiding van de leerkrachten vormt bovendien nauwelijks een voorbereiding
op zulke
situaties, wat maakt dat zij het vaak moeilijk hebben met de komst van ATN's.
Ook is het
voor hen een hele uitdaging om de kinderen op een zinvolle manier de uren
in de reguliere
klas te laten doorbrengen. Kinderen van illegale verblijvers vragen dus
bijkomende
inspanningen van de klasleerkracht.
De overheid tracht hierop in te spelen door extra middelen ter beschikking
te stellen om
bijvoorbeeld onthaalklassen in te richten. Toch lossen deze extra middelen
en voorzieningen
niet alle problemen op, integendeel, soms zorgen ze voor een (administratieve)
overbelasting
van de scholen en voor bijkomende moeilijkheden. Ook moet de scholen soms
meer vrijheid
gelaten worden om de middelen in te zetten waar zij het nodig achten.
Tenslotte kan het onderwijs voor kinderen van illegale verblijvers ook
bemoeilijkt worden
doordat de ouders er een andere visie op onderwijs op nahouden. Dit kan
heel verschillende
gevolgen hebben: het kan zijn dat de kinderen van thuis uit geen begeleiding
bij hun huiswerk
krijgen, dat ze niet aan alle activiteiten mogen deelnemen of dat ze zelfs
van school moet
veranderen. Ook de kinderen dienen te wennen aan een nieuw schoolsysteem
en een andere
taal wat hen een bijkomende achterstand ten aanzien van Belgische kinderen
geeft.
In het algemeen kan men stellen dat de opvang van kinderen van illegale
verblijvers vooral
problematisch is voor scholen die sowieso een kansarm publiek opvangen (voor
wie dit
nogmaals een extra belasting vormt) en indien het kinderen betreft die pas
op oudere leeftijd
in ons land toekomen.
Ook de gezinssituatie (cf. hfst5; §1), en dan voornamelijk het inkomen
van de ouders en de
bereidheid van de ouders om zich hier te integreren, spelen een rol in
de onderwijskansen van
de kinderen van illegale verblijvers.
De voorzieningen vanuit de overheid, maar ook vanuit de verschillende
sociale organisaties,
worden over het algemeen gunstig geëvalueerd. Ze komen in grote mate
tegemoet aan de
noden van de scholen, wat reeds een vooruitgang is, alhoewel dat er op bepaalde
punten nog
verbetering mogelijk en wenselijk is.
De moeilijkheden bij de opvang van kinderen van illegale verblijvers in
het onderwijs (de
onzekerheid die een illegaal verblijf met zich meebrengt, de eventuele daaruit
voorkomende
demotivatie en het gebrek aan een "sociaal vangnet" uitgezonderd) zijn niet
echt ongekend.
De kinderen van illegale verblijvers worden immers geconfronteerd met een
combinatie van
problemen van kansarmoede en van migrant-zijn, waardoor ze zich zullen moeten
aanpassen
aan een nieuwe cultuur, een onbekend schoolsysteem en een ongekende taal.
Een aspect dat niet in het onderzoek werd opgenomen, maar dat wel interessant
is voor verder
onderzoek naar de onderwijskansen van kinderen van illegale verblijvers,
zijn de factoren die
beletten dat kinderen illegale verblijvers school lopen.
*
*
*
Literatuurlijst
1. Beel, V. (2000). België is nog lang geen paradijs.
De Standaard, 5.
2. Berghman, J. (1986). De onzichtbare sociale zekerheid (deel
C). Deventer: Kluwer.
3. Billiet, J. (1990). Methoden en Technieken van het sociaal-wetenschappelijk
onderzoek:
ontwerp en dataverzameling. Leuven/ Amersfoort: Acco.
4. Bn, P. (2 oktober 1996). Onkelinx finance les illégaux.
Le Soir.
5. Daeren, L. De Gryse. P. & I. Poppe (1996). De asielprocedure.
Brussel: OCIV vzw.
6. De Craene, B. (1993). Vreemdelingen: haat of liefde? Over
vluchtelingen, asielzoekers
en andere migranten. Antwerpen: Standaard Uitgeverij.
7. De Stoop, C. (1994a). Eelt op de ziel. Knack, (7), 26-29.
8. De Stoop, C. (1994b). Johan Leman: het laatste taboe. Mogen
Sociale rechten geofferd
worden op het altaar van de strijd tegen illegalen? Knack, (7), 28-29.
9. Devillé, A. (1997). Documentlozen in Vlaanderen:
rechten en plichten en
(on)mogelijkheden (niet) geregeld bij wet. s.l.: s.e.
10. Devillé, A. &. G. Knockaert (1998). Vluchtelingenonthaal:
recente evoluties en
knelpunten. Tijdschrift Voor Welzijnswerk, (213), 46-54.
11. Engbersen, G. (1990). Culturen van Bijstandverlening. G.
Engbersen. Publieke
Bijstandsgeheimen. Het ontstaan van een onderklasse in Nederland. (pp.
148-195).
Leiden/Antwerpen: Stenfert Kroese.
12. Falter, R. (29&30 januari 2000). West-Europa tussen
vestiging en smeltkroes-
Immigratiestroom verdwijnt niet maar is constant. De Standaard, 3.
13. Goossens, P. (1999). Lakmoesproef in het mijnenveld. Knack,
(9), 28-29.
14. Kuppens, E. (1999). Niets is zo gemakkelijk als je kind
inschrijven op school -
discriminatie van kinderen op school. s.l.: s.e.
15. Lammertyn, F. (1996). Belgen en vreemdelingen. F. Lammertyn.
Samenleving: Feiten
en Problemen, boek 1. (Vol. 1). Leuven: Acco.
16. Lammertyn, F. (1995). Over Hulpverlening en Uitsluiting.
Leuven: Departement
Sociologie.
17. Leman, J. (red). (1999). Moedertaalonderwijs bij allochtonen.
Geïntegreerd onderwijs in
eigen taal en cultuur. Leuven: Acco.
18. Lipsky, M. (1980). Street Level Bureaucracy. Dilemmas of
the individual in public
services. New York: Russell Sage Foundation.
19. Maso & Smaling. (1998). Analyse. Maso & Smaling
Kwalitatief Onderzoek: Praktijk en
Theorie (pp. 87-95). Boom/Amsterdam.
20. Maso & Smaling. (1998). Analyse. Maso & Smaling
Kwalitatief Onderzoek: Praktijk en
Theorie (pp. 117-124). Boom/Amsterdam.
21. Ministère de l'éducation, de la recherche
et de la formation. (1994). Lettre de Circulaire:
inscription des élèves soumis à l'obligation scolaire
en séjour illégal. Bruxelles: s.e.
22. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. (1999d). Omzendbrief:
zorgverbreding in het
basisonderwijs. Maatregelen voor de schooljaren 2000-2001 en 2001-2002.
Brussel:
s.e.
23. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap departement onderwijs.
(1999a).
Omzendbrief: het recht op onderwijs voor kinderen zonder wettige verblijfsvergunning.
Brussel: s.e.
24. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap departement Onderwijs.
(1983). Omzendbrief:
inschrijving van de leerlingen in onderwijsinrichtingen. Brussel: s.e.
25. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap departement onderwijs.
(1999c).
Omzendbrief: onderwijsbeleid voor migranten: maatregelen voor de schooljaren
2000-
2001 en 2001-2002. Brussel: s.e.
26. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap departement onderwijs.
(1999b).
Omzendbrief: onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers. Brussel: s.e.
27. OCIV. (1997). Onderwijs en Opleidingen. XXX. Vluchtelingenonthaal
in de praktijk
(juridische wegwijzer) (pp. 103-105). Brussel: OCIV vzw.
28. Peeters, S. (1997). Onderzoeksrapport: het basisrecht onderwijs
voor kinderen van
ouders zonder verblijfspapieren. Brussel: Steunpunt Begeleiders Uitgeprocedeerden.
29. Ramakers, J. (1995). De Asielzoekers. Leuven: Davidsfonds.
30. Steunpunt Mensen zonder papieren. (1996). Het Recht op
Onderwijs voor kinderen van
ouders zonder verblijfspapieren. Brussel: s.e.
31. Steunpunt Mensen zonder papieren. (1997). Recht op Onderwijs
voor kinderen en
jongeren zonder wettig verblijf. Nota ter voorbereiding van de vergadering
van 10 juli
1997 van de ambtelijke werkgroep mensen zonder papieren. Brussel: s.e.
32. Van der Veen, R. (1998). Beheersbaarheid en responsiviteit.
Over regels en het gebruik
van discretionaire ruimte. Teulings C., Van der Veen R. & W. Trommel.
Dilemma's van
de Sociale Zekerheid. Een analyse van 10 jaar herziening van het stelsel
van Sociale
Zekerheid (pp. 219-242). 's Gravenhage: VUGA Uitgeverij.
33. Van Gils, J. (1999). Het internationale verdrag inzake de Rechten
van het Kind en de
pedagogie(k). E. Verhellen, J. Van Gils, H. Annoot & V. Van Achter.
Rechten van het
kind in en door het onderwijs. Leuven/Amersfoort: Acco.
34. VdB, K. (14 juli 1994). Kinderen van Illegalen op de schoolbanken.
De Morgen, 4.
35. Verhoest, F. (25&26 september 1999a). Geen open grenzen,
maar ook geen burcht. De
Standaard, 5.
36. Verhoest, F. (27 september 1999b). Vandaag opnieuw gedwongen
uitwijzigingen. Het
Nieuwsblad, 4.
37. Verhoeven, J. C. (1998). Sociologische analyse van het
curriculum. Verhoeven, J.C. &.
I. Beuselinck. Organisatie en Processen op school (pp. 40-81). Leuven: K.U.Leuven:
Departement Sociologie.
38. XXX. (1996). Koninklijk Besluit betreffende de dringende
medische hulp die door de
OCMW's wordt verstrekt aan de vreemdelingen die onwettig in het Rijk verblijven.
Belgisch Staatsblad, 32518-32519.
Bijlagen
Bijlage 1. Brief voor de directies van de lagere scholen met betrekking
tot de opvang van
kinderen van illegale verblijvers in hun scholen
Eva Gijsegom
Leuven, 21 oktober '99.
Kouterstraat 5
3040 Huldenberg
Geachte,
Ik ben studente Sociologie aan de Katholieke Universiteit van Leuven
en ik contacteer u in
verband met mijn eindverhandeling. Mijn eindverhandeling handelt over de
kansen die kinderen van
illegale verblijvers krijgen en de moeilijkheden die ze ondervinden in het
volgen van (lager)
onderwijs. Het onderzoek is beperkt tot de stad Antwerpen en zijn deelgemeenten
en daarom
contacteer ik alle scholen die tot deze regio behoren.
In mijn onderzoek wou ik via de lagere scholen nagaan of er zich specifieke
problemen stellen
voor het volgen van onderwijs door kinderen van illegale verblijvers. In
eerste instantie zou u mij
kunnen helpen door het antwoordstrookje bijgevoegd bij de brief ingevuld
terug te sturen. Het is voor
mij immers belangrijk een eerste beeld te krijgen over het aantal school
lopende kinderen van illegale
verblijvers en de spreiding over de verschillende scholen van deze kinderen.
Ook indien