JONGE ASIELZOEKERS

WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA) - STARTPAGINA - AGENDA - OVERZICHT ( A-J - K-Z ) - NIEUW -

jaartal - nieuw - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - Z
allochtonen, armoede, bahá'íbijbeluitleg, bijbel en koran, boeddhisme, christendom, extreemrechts, fundamentalisme, globalisering en antiglobalisering, interlevensbeschouwelijke dialoog, islam, jodendom , levensbeschouwing, levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , migratie, racisme, samenleving, sikhisme, tewerkstelling van allochtonen, vluchtelingen en asielzoekers, vrijzinnigheid , witte scholen, multiculturele scholen en concentratiescholen
,
Onder de aandacht : andersgelovigen en het katholiek onderwijs , asielcentra , Damiaanactie , Egidiusgemeenschap , islamonderricht op katholieke scholen , islamitische scholen , Hasselt , Kiewit , Limburgs Platform Vluchtelingen , moskeeën , Philips , Verenigde Protestantse Kerk in België te Hasselt ,
DAGELIJKS NIEUWS: 2002.11 , 2002.12 , 2003.01.A , 2003.01.B , 2003.02.A , 2003.02.B ,
Meer info : Arseen De Kesel, Waterleliestraat 29 , 3500 Hasselt. Tel.: 011/72 06 67 , Email: arseen.de.kesel@pandora.be . Website : wederkerigheid (diversiteit) ,

vluchtelingen, asielzoekers, mensen zonder papieren
vluchtelingen en asielzoekers, de nieuwsbrieven van de Limburgse cel vluchtelingenwerk: januari 2001, februari 2001, maart 2001, april 2001, mei 2001, juni 2001, juli 2001, augustus 2001, augustus extra 2001, september 2001, oktober 2001, november 2001, december 2001, (met bijlagen) 2001; januari 2002, februari 2001, maart 2002, april 2002, mei 2002, juni 2002, juli 2002, augustus 2002, augustus extra 2002, september 2002, oktober 2002, november 2002, december 2002, (met bijlagen) 2002; .   Limburgs Platform Vluchtelingen, bisschop Paul Schruers,  vicaris Jan Boonen en de kerk (de paus, het Vaticaan, bisschoppen...) over vluchtelingen, Contactenbrochure 2000 School zonder racisme Limburg, indrukken bij het bezoek aan het asielcentrum van Bevingen, jonge asielzoekers,

Een heel inhoudrijke webpagina is kinderen op de vlucht (  http://www.kleinkasteeltje.be/nl/kinderen/kinderen%20op%20de%20vlucht.htm ) van de website Klein Kasteeltje  (Klein Kasteeltje : 9e Linielaan 27, 1000 Brussel  , tel: 02/250.05.11 - fax: 02/250.04.82 -e-mail: kleinkasteeltje@ skynet.be , website :  http://www.kleinkasteeltje.be/ ).

- De Standaard, 2003.02.03 Tweeduizend niet-begeleide minderjarigen in ons land
- De Standaard van donderdag 23 augustus 2001 meldt dat het Platform Kinderen op de Vlucht pleit voor een voogd
- De opvang van niet-begeleide asielzoekers in 't Huis te Aalst
- In: Tertio van 20 juni 2001, blz.19 schrijft Rita Kuijpers het artikel: "Steeds meer minderjarige asielzoekers kloppen hier aan"
- Vluchtelingen welkom in de Brugsepoort.
- Links 
- De Standaard, 2003.02.03 Tweeduizend niet-begeleide minderjarigen in ons land

 BRUSSEL -- Er zijn ongeveer tweeduizend niet-begeleide minderjarigen in ons land, maar niemand is helemaal zeker over het aantal. Dat probleem moet dringend worden verholpen, zegt senatrice Meryem Kaçar (Agalev). De werkgroep rechten van het kind van de Senaat doet vandaag nog meer aanbevelingen voor deze kwetsbare doelgroep.
Vreemdelingenzaken schat dat er honderd niet-begeleide minderjarigen per maand binnenkomen, of vier per dag. De Vlaamse Gemeenschap had er in het jaar 2000 560 geregistreerd, de Franstalige Gemeenschap 1.476. Daarenboven heeft Child Focus 550 dossiers van niet-begeleide minderjarigen die als vermist zijn opgegeven.

Slechts een derde vraagt asiel in ons land. Zij zouden bij de behandeling van hun dossier voorrang moeten krijgen op volwassenen, zegt Kaçar. Omdat de asielaanvragers een bevoegdheid zijn van de federale overheid en de niet-asielaanvragers onder de gemeenschappen vallen, is het probleem complex. ,,Des te meer reden om de voogdijregeling voor niet-begeleide minderjarigen, die al is goedgekeurd, ook te doen uitvoeren.''

Er zijn nog altijd te weinig gespecialiseerde opvangcentra. In gesloten centra voor mensen zonder papieren verblijven niet-begeleide minderjarigen tussen de volwassenen. Ze zouden, net als in open centra, aparte afdelingen moeten krijgen.

Er moet overleg komen tussen de parketten en eenvormigheid in hun aanpak. Kaçar: ,,De procureur van Brugge zegt dat de politiediensten van de kust illegale minderjarigen meteen weer laten lopen. Ze gaan ervan uit dat die toch onderweg zijn naar Engeland. Het parket van Brussel wijst hen een opvangplaats toe, zoals het hoort.''

De wetgever moet een zo betrouwbaar mogelijke methode ontwikkelen om de leeftijd van minderjarigen te bepalen. En ze moet duidelijkheid scheppen over de toepassing ervan. ,,Nu werkt men met twee maten en twee gewichten. Wijst de botscan uit dat ze meerderjarig zijn, dan neemt Vreemdelingenzaken dat voor waar aan. Als de botscan twijfel zaait, is hij ineens niet meer doorslaggevend.''
Kaçar wil ook voorstellen om de kosten voor DNA-onderzoek, die verwantschap kunnen bewijzen, door de overheid te laten vergoeden, als de aanvragers inderdaad verwant blijken te zijn.

Terug ,
De Standaard van donderdag 23 augustus 2001 meldt dat het Platform Kinderen op de Vlucht pleit voor een voogd en een duidelijk statuut voor de niet-begeleide minderjarige vluchtelingen. Volgens het Platform kan het geenszins dat ze in gesloten centra terechtkomen. Elk jaar komen er zowat 2000 niet-begeleide minderjarige vluchtelingen in België. Niet-begeleide minderjarigen opsluiten kan niet - Van onze redactrice Alexandra De Laet

BRUSSEL — Elk jaar komen in ons Iand zowat 2.000 niet-begeleide minderjarige vluchtelingen aan. Om hen beter te kunnen opvangen, pleit het Platform Kinderen op de Vlucht voor een voogd en een duidelijk statuut. Die jongeren opsluiten in een gesloten centrum kan in elk geval niet, vindt het Platform.

De ministeries vau Binnenlandse Zaken, Welzijn en Maatschappelijke Integratie overleggen over de opvang van niet-begeleide minnderjarige asielzoekers. Hen onderbrengen in gesloten centra is één van de mogelijkheden die op tafel liggen. Wat het uiteindelijk wordt, moet dit najaar duidelijk worden. Het Platform Kinderen op de Vlucht pleit voor open centra met gespecialiseerd personeel. De groep bestaat uit een tachtigtal organisaties die met niet-begeleide mindeijarigen werken. Onder meer de Liga voor Mensenrechten en Mentor Escale, dat zelfstandig wonen begeleidt, zijn vertegenwoordigd in het Platform.
François Casier van die laatste organisatie spreekt in naam van het Platform: ,,Het argument van de overheid dat je minderjarigen
in gesloten centra moet opvangen om hen te beschermen, geen steek. Slechts een kleine een andere oplossing  minderheid wordt slachtoffer van  netwerken en mensenhandel. De  meesten hebben geen speciale bescherming nodig, wel verblijfsze kerheid, medische en sociale zor gen en onderwijs?
Het Platform vraagt dat er snel  werk wordt gemaakt van een voogdijregeling. Daarvoor is al een wetsontwerp opgesteld dat volgens het Platform ,,verleidelijk is, maar ergens in een Iade ligt. Een onafhankelijke voogd zou ervoor kunnen zorgen dat de belangen van het kind op de eerste plaats komen, als hij of zij tenminste de kans krijgt het vertrouwen van het kind te winnen. En dat kan alleen als er een adempauze wordt ingelast, vindt het Platform.
Casier: ,,Je moet de tijd nemen om na te gaan wat die jongeren hier brengt en wat hun doelstellingen zijn. Dan pas kan je beslissen
welke weg er moeten worden bewandeld: een asielprocedure of  een andere oplossing.

Zie: “KINDEREN OP DE DOOL” Voorstelling van de 24 projecten die in het kader van de tweede oproep geselecteerd werden.  Periode 2000-2001: http://www.google.com/search?q=cache:gwTioJeItn8:interpress.asp.euronet.be/Societe/fondation/Listeprojnl.htm+Mentor+Escale&hl=nl&lr=lang_nl

Terug naar het begin van de pagina


In: Tertio van 20 juni 2001, blz.19 schrijft Rita Kuijpers het artikel: "Steeds meer minderjarige asielzoekers kloppen hier aan"
 
Protestants Sociaal Centrum 

Tetty Rooze , Lange Stuivenbergstraat 54-56 , B - 2060 Antwerpen . tel:  ++  32 (3) 235 34 05 . fax: ++  32 (3) 272 20 85 . e-mail: prosocc@yucom.be .

Het PSC staat vermeld bij een reeks organisaties die met vluchtelingen bezig zijn:     http://www.picum.org/OrgBelgium.htm#BELGIUM ( ICUM = Platform for International Cooperation on Undocumented Migrants: http://www.picum.org/ )
 
"Donderdag is voor mij kleinkinderen-dag en woensdag vrijwilligers-dag." (Mia Monden)

53 jaar , Gepensioneerde leerkracht , Werkt vrijwillig op Protestants sociaal centrum  , Doet de huiswerkklassen

“Ik ben blij dat ik de ervaring die ik op school opdeed, in deze huistaakklassen terugvind. Ik doe dit vrijwilligerswerk al 4 jaar. Ik ben altijd met jonge mensen bezig geweest. Ik heb nu ook veel contacten met mijn oude leerlingen. Ik voel me goed in de wereld van jonge mensen. Ik geef ook graag les. En waarom niet voor de vluchtelingenkinderen? Ik heb veel ervaring, ik kan goed met jongeren omgaan en ik wil nog wat werken. Het leukste is: je geeft niet alleen les, maar je leert ook hun achtergronden kennen. Het verrijkt je leven: mensen in andere omstandigheden kennen. Eerst beginnen we met huiswerk dan praten wij.”

Samir  is gevlucht uit Afghanistan.
Hij was 18 jaar toen hij naar de huistaakklassen kwam: slank gebouwd,  zwarte droevige ogen,  vriendelijk, beleefd en een beetje verlegen. Hij was enkele maanden in België en sprak heel klein beetje Engels. Tijdens de lessen was hij heel aandachtig en probeerde hij opdrachten en de taken die hij op school gekregen had onder de knie te krijgen. Hij vertelde mij later: “Ik voelde me toen als een tweejarig kind dat nog moet opgroeien en leren spreken.”  Na een aantal maanden, les na  les, toen hij me beter leerde kennen, vertelde hij over Afghanistan : over de oorlog, mensen die gedwongen werden om tegen elkaar te vechten, over zijn vlucht, over de eerste stappen in België, eerste vriendschap, eerste ruzie… 

Het praten is soms belangrijker dan huiswerk maken: problemen thuis, met ouders, met vriend…. "je bent hun peetvader, peetmoeder en biechtvader."  Ze hebben een luisterend oor nodig. Het is gemakkelijk met iemand te praten die erbuiten staat.
 Soms begreep ik hen niet, niet omdat ze vreemdeling zijn maar omdat jongeren helemaal andere opvattingen hebben dan wij. Je bent met heleboel dingen niet akkoord. Maar je kan je mening niet opdringen. Mensen leren door te doen en fouten te maken, "vallen, om te leren opstaan."Als je open en niet oordelend voor de jongeren staat dan komen ze naar jou toe met hun problemen. Ik geef hen geen oplossing. Ik help hen door naar hen te luisteren en aan te moedigen. "Je zult er doorheen gaan zoals ik en veel anderen". 

Mia Monden
30/11/00

“Je wereldbeeld wordt aardig door elkaar geschud” (Lut Degerickx)

Leeftijd: ?
Opvoedster
Werkt vrijwillig op het Protestants sociaal centrum
Begeleidt mee asielzoekers, vluchtelingen en mensen zonder papieren

Ik werk als vrijwilligster op het Protestants Sociaal Centrum  in Antwerpen Noord. 

In het vluchtelingenwerk kan vluchten niet meer, volgens mij. Zeker in tijden dat het beleid de subsidiekraan langzaam maar zeker dichtdraait en de noodzaak om enthousiaste, gemotiveerde vrijwilligers te zoeken en te vinden groter wordt. 

Stel je voor: je moet  je vertrouwde omgeving verlaten om je overlevingskansen te garanderen. Je komt aan in een vreemde wereld; reeds aan de grens van deze wereld word je op verbale en non-verbale manier duidelijk gemaakt dat je niet welkom bent. Dat je verhaal met een korrel zout genomen wordt. Je hoort een vreemde taal. Je ziet vreemde gedragingen die je probeert te interpreteren. Je wordt overspoeld met een aantal nieuwe structuren, regels, wetten. Waar is het bos en waar zijn de bomen? 

Na lange omzwervingen kom je toevallig terecht bij een vluchtelingendienst waar je dan een vrijwilliger tegenkomt, waar je na maanden een warme glimlach, een teken van erkenning krijgt. Iemand die met jou toch probeert  orde in de chaos te scheppen en te werken aan een aantal toekomstmogelijkheden, hoe onzeker die ook mogen zijn. Want de eindbeslissing over je lot in deze vreemde wereld ligt in handen van anderen. 

Deze mensen leven voortdurend een dubbel leven. Enerzijds is er de sterke motivatie om een nieuw leven op te bouwen, taalcursussen te volgen, werk te zoeken…
Anderzijds kan dit toekomstperspectief van de ene op de andere dag met de grond gelijk gemaakt worden als er na jaren een negatieve beslissing over je lot genomen wordt. Het is voor de vrijwilliger moeilijk om mensen in zo’n situatie aan te moedigen, zonder valse hoop te scheppen.

Wat motiveert haar om vrijwilligerswerk te doen? Op die vraag kregen we van Lut volgende antwoorden:

- Je wereldbeeld wordt aardig door elkaar geschud, door dat je in contact komt  met heel wat situaties waarin  mensen leven en overleven.
- Je leert dat er toch HEEL VEEL ONTERECHTE stereotiepen bestaan omtrent vluchtelingen en mensen zonder papieren. En dat de realiteit 
van de vluchteling VEEL COMPLEXER in elkaar zit dan ons door de media wordt voorgeschoteld. 
- JE LEERT  OPBOKSEN TEGEN STRUCTUREN, VOLHOUDEN!! 
- Je   wordt   een v e r t r o u w e n s p e r s o o n. Voor   deze   mensen   in    hun  moeilijke   lange     w e g.
- Je leert andere culturen kennen, denkwijzen, gedragingen
- Met een team  in de organisatie ga je er samen  tegenaan
- En nog veel kleuren en geuren die dit soort engagement met zich meebrengt…

Lut Degerickx
30/11/00

Tetty Rooze (In het artikel vertelt Tetty Rooze heel wat over haar leven.), echtgenote van de Nederlandse dominee Rooze, runt het Protestants Sociaal Centrum in de Antwerpse Stuivenbergwijk.
Zij is lid van van CHURCHES COMMISSION FOR MIGRANTS IN EUROPE (CCME) ( http://ourworld.compuserve.com/homepages/npce/ORGE-CCM.HTM.)

In het Protestants Sociaal Centrum (PSC) in Antwerpen coördineert Tetty Rooze (49) de hulpverlening rond individuele begeleiding van asielzoekers, vluchtelingen en mensen zonder papieren. Ze is daar meer dan voltijds mee bezig.

Ik ben geboren in Friesland. Kom uit een uitgesproken calvinistisch gezin met vijf kinderen. Ik was de oudste en enige dochter. Opkomen voor rechtvaardigheid zat er van jongs af bij mij diep ingebakken. Als 16-jarige was ik al lid van Amnesty International.
Ik volgde een opleiding tot godsdienstleerkracht en stond een tijdlang in het onderwijs, gaf les aan migranten- en vluchtelingen-kinderen. Toen al boeiden en intrigeerden hun verhalen me.
Ik leerde een Vlaamse dominee kennen. We trouwden en vestigden ons in Noord-Brabant, in de eerste gemeente van mijn man. In 1978 verhuisden we naar Mechelen. Als Friese was het een tijdje wennen om me in Vlaanderen thuis te voelen. Maar via de kerk bouwde ik toch stilaan een mooie vrienden— en kennissenkring uit. Vanuit de kerk werd toen een beroep op mij gedaan voor de migrantenwerking. En zo is het eigenlijk begonnen.
In 1986 werd mijn man tot dominee in De Brabantse Olijfberg in Antwerpen aangesteld. Nog datzelfde jaar draaide ik mee in de permanenties in het Protestants Sociaal Centrum. Het PSC werd op initiatief van de protestantse kerken in en rond Antwerpen aan het eind van de jaren ‘70 opgericht. In het begin richtte de werking zich in eerste instantie op ‘kansarme’ Belgen uit de buurt. Door de jaren heen breidde de doelgroep zich echter gevoelig uit. Dat kwam omdat andere buurtbewoners, onder wie ook asielzoekers, vluchtelingen en mensen zonder papieren, een beroep deden op het centrum. Het PSC groeide bijgevolg uit tot een activiteitencentrum met een gevarieerd aanbod.

Momenteel coördineer ik die specifieke hulpverlening rond de individuele begeleiding van asielzoekers, vluchtelingen en mensen zonder papieren. De jongste jaren komen steeds meer minderjarige asielzoekers naar ons toe. Ze zijn gevlucht zonder hun ouders en hun specifieke situatie vraagt extra aandacht en ondersteuning op juridisch, sociaal-psychologisch en educatief vlak.
Naast de sociale opvang speelt vooral de opvolging van de asielprocedure een belangrijke rol in de individuele begeleiding
van deze jongeren. De beslissing over de asielaanvraag bepaalt immers meestal of een minderjarige na zijn l8de al dan niet in België mag blijven. We maken hun dossier op en begeleiden hen in de procedure. Voor die individuele hulpverlening kan ik op 15 vrijwilligers rekenen. Sommigen onder hen komen trouwens zelf uit de doelgroep.
Als iemand weinig kans maakt op erkenning, gaan we samen na of een terugkeer naar de familie in het land van herkomst een alternatief kan zijn. Dat veronderstelt een groot wederzijds vertrouwen. Want voor veel jongeren is het allesbehalve gemakkelijk om over bepaalde pijnlijke gebeurtenissen uit het verleden te praten.

In dit soort werk waar alles draait rond schrijnende verhalen, zijn teleurstellingen onvermijdelijk. Met die gevoelens van onmacht en met dat negatieve in onze samenleving moet je leren omgaan. Hoewel het moeilijk te verteren blijft als je merkt dat jongeren onderuitgaan, dat ze met zelfmoordplannen rondlopen, dat asielzoekers toch worden uitgewezen hoewel je intensief aan hun dossiers hebt gewerkt en op ander nieuws had gehoopt.
Wat niet wegneemt dat hier in het Centrum ook heuglijke dingen gebeuren. Vanmorgen nog ontvingen we een brief van iemand die ons schreef dat hij ‘geregulariseerd’ is. Met zo’n goed bericht leert iedereen in dit huis mee. Je trekt je er met z’n allen enorm aan op. De collegialiteit is hier hartverwarmend. Ik ervaar dit als erg belangrijk en ondersteunend. Mooi meegenomen is ook dat we in Antwerpen als PSC prima samenwerken met instanties die vanuit het bisdom met dezelfde problemen bezig zijn. Aan de basis is de oecumene gelukkig springlevend.

Of ik mijn werk ‘s avonds aan de kapstok hang? Nee. De werkomstandigheden zijn zo ingrijpend dat ik eigenlijk meer dan voltijds in het PSC aan slag ben. En wanneer ik ‘s avonds thuiskom, werk ik vaak dringende dossiers verder af. Vergeet niet dat het dikwijls om zaken gaat die prompt moeten worden afgehandeld.
Een strikte scheiding tussen werk en privé-leven, hoeft daarom voor mij niet. Ik weet het, op dat vlak ben ik allesbehalve een moderne vrouw. Wel leg ik, als ik thuis ben, andere prioriteiten. We hebben vier kinderen tussen 16 en 24 jaar, drie zonen, één dochter. Onze jongste twee kinderen komen uit India. De kinderen zijn oud genoeg om te beseffen welk soort werk hun ouders doen. En ze staan daar volledig achter. Bovendien is — ook vanwege de taak van mijn man — sociale inzet sowieso dagelijkse gesprekskost. Toch probeer ik een goed evenwicht te vinden tussen mijn gezins- en mijn werkleven. Het moet inderdaad voor iedereen ‘aanvaardbaar’ blijven.
Soms doe ik een poging om een beetje tijd voor mezelf uit te trekken. Maar wat stel ik vast? Dat ik dan bijvoorbeeld een boek lees dat ergens wel iets met mijn werk en met mijn inzet te maken heeft. Zo zie je maar.

De tijd dat een domineese enkel het verlengde van haar man hoorde te zijn, is voorbij. Vrouwen van dominees bouwen tegenwoordig hun eigen leven uit. Zelf voel ik me evenwel sterk betrokken bij de zending van mijn man. De Brabantse Olijfberg is een ontmoetingsplaats voor mensen van allerlei nationaliteiten. Geen sprake van ook maar een schijntje racisme. Voor mij is de gemeente bijgevolg een bijkomende ‘oefenplaats’ voor mijn engagement binnen het PSC.
Zo was ik onlangs ziek en een tijdje buiten strijd. De verleiding om nog een poosje uit te zieken was groot. Maar na de kerkdienst werd ik alweer met een nieuw dossier geconfronteerd en met de vraag om hulp. Het verlangen naar uitzieken was op slag verdwenen. Je gaat er dan meteen weer tegenaan. Rechtvaardigheid, vrede, barmhartigheid, warmhartigheid. Ze zijn nu eenmaal mijn invalshoeken naar het leven.”

Terug naar het begin van de pagina



LINKS

OPVANGVOORZIENINGEN VOOR BUITENLANDSE NIET-BEGELEIDE MINDERJARIGEN -   Visietekst goedgekeurd door de ICEM-werkgroep Opvangbeleid op 26 juni ‘00: http://www.google.com/search?q=cache:Qrg3xT5kjK8:users.skynet.be/vlaamsminderhedencentrum/opvangminderjarigen.htm+vluchtelingenkinderen+(Belgi%EB)&hl=nl

Terug naar het begin van de pagina


 
't Huis, Paul Nijs, Spaarzaamheidstraat 29, B – 9300 Aalst
tel: ++ 32 (0) 53  70 99 79
fax:++ 32 (0) 53  77 75 21
E-mail: vzw-t-huis@skynet.be
(1999? De niet-begeleide minderjarigen: www.antiracisme.be/nl/rapporten/mensenhandel/2001/05-mens01.pdf  )

Ontstaan van 't HUIS in Aalst

In 1998 besliste de Vlaamse Gemeenschap om middelen vrij te maken voor de opvang van buitenlandse niet-begeleide mindeijarigen.
Binnenkort opent in Aalst T HUIS, het eerste onthaal- en opvangcentrum voor buitenlandse niet-begeleide mindeijarigen, dat zal gesubsidieerd worden door de Vlaamse Gemeenschap en door het Provinciebestuur van Oost-Vlaanderen. Het zal in een eerste fase de gelegenheid bieden om een 15-tal minderjarigen op te vangen.

T HUIS zal openstaan voor buitenlandse minderjarigen die niet vergezeld zijn door een van beide ouders of een wettelijke voogd en voor wie een aangepaste opvang aangewezen is. De opvang van niet-begeleide minderjarigen die  zich nog in de asielprocedure bevinden blijft de opdracht van de federale overheid. Mindeijarigen die uitgeprocedeerd  zijn maar om een of andere reden niet terug kunnen gebracht worden naar hun land van herkomst kunnen ppk opgevangen worden in T HUIS.

Het project zal ook ondersteund worden door het departement ontwikkelingssamenwerking en geniet eeninitiële steun van het Impulsfonds voor het Migrantenbeleid.

Mede door dit initiatief wordt de impasse doorbroken waarin het overleg tussen de gemeenschappen en de federale overheid beland was omtrent de opvang van de buitenlandse niet-begeleide minderjarigen.

Voor een deel naar analogie met de formule van tijdelijke verblijfsvergunningen voor slachtoffers van mensenhandel heeft het Bureau Opsporingen van de Dienst Vreemdelingenzaken een verblijfsregeling uitgewerkt voor deze minderjarigen die door de Algemene Directie goedgekeurd werd.

In het bijzonder voor de minderjarigen die zich hier helemaal alleen in ons land bevinden biedt deze regeling een houvast. Bovendien schept dit een duidelijker kader voor de organisaties die instaan voor de opvang van deze  minderjarigen. Het laat toe een pedagogisch project met deze jongeren duidelijker te plannen.

In deze verblijfsregeling wordt ook bepaald hoe naar gelang van de concrete situatie en na een bepaalde tijd een regularisatieprocedure kan aangevat worden. Deze regeling kan wellicht verder vorm krijgen in de toekomst, ook voor minderjarigen die op een of andere manier begeleid waren bij hun komst naar België.
---------------------------------------------------------
De Standaard, maandag 8 mei 2000 - Interview van Isa Van Dorsselaer met Paul Nijs. Eén jaar 't Huis voor kinderen zonder papieren. En wat als ze groot zijn?
Twee van de veertig kinderen zonder papieren die het voorbije jaar onderdak vonden in 't Huis, zijn naar huis teruggekeerd. De meesten willen blijven. Maar wat als ze achttien worden en hun verblijfspapier vervalt? Paul Nijs van 't Huis wil dat Binnenlandse Zaken sneller weet wat er met de gasten zal gebeuren.

Het oude Sint-Anna-klooster aan het Ezelsplein in Aalst ligt er op zaterdagmiddag bijna verlaten bij. Een Ghanees meisje hangt loom rond op haar kamer, de muziek loei-hard. In de living tokkelt een Russisch jongetje als een gek op de computer. De andere bewoners van t Huis zijn op stap in de stad of gaan voetballen.
Als het van de Vlaamse minister voor Welzijn, Mieke Vogels, afhangt, zouden ze die vrijheid niet hebben. De minister wil een gesloten centrum voor de kind-vluchtelingen waar ze verblijven tot er een oplossing is voor hun situatie. Alleen zo, vindt ze, kan de overheid de jongeren beschermen tegen pooiers die aan de poorten van de centra rekruteren.
,,Onzin, zegt Pau1 Nijs, directeur van 't Huis, dat zondag precies één jaar geopend is. Het doorgangshuis vangt permanent vijftien jongeren op die via mensenhandel of -smokkel, prostitutie of soms op eigen houtje in België zijn beland. Ze worden doorverwezen door de jeugdrechter of Bijzondere Jeugdzorg en wachten er op een definitieve oplossing. t Huis wordt mee gefinancierd door de Vlaamse gerneenschap. ,,Deze meisjes zijn van dag één in België in de prostitutie beland, niet gerekruteerd achteraf. De groep die moet worden beschermd, is zeer klein. En het grote risico zit niet bij de pooiers. Die maken voor onze deur,af en toe toertjes met de auto. Maar als de politie wat extra patrouilleert, haken ze snel af. Het risico zit bij de meisjes zelf die proberen terug te keren naar het milieu."
"Maar daarom moet je hen geen maanden opsluiten. Nu gaan ze ook soms naar een gesloten jeugdinstelling, maar dan slechts voor een paar dagen. Daar kunnen ze geen contact zoeken rnet hun pooier. Als ze daarna naar hier kornen, krijgen ze de eerste weken weinig ruimte. Als ze al buiten mogen, is het onder begeleiding en in de buurt. Als een test. We praten veel met hen om te weten of ze geen contact zoeken. Het werkt: sinds december hebben we geen weglopers.
,,Eén groot centrum, zoals Vogels voorstelt, zou het deze meisjes moeilijker maken. Meisjes die zich uit het milieu hebben losgemaakt, leven er samen met meisjes die er net uit zijn. En ze zullen sanienleven, lang. Minister Vogels denkt ook dat het verblijf van korte duur zal zijn. Maar vier rnaanden is een minimum. Bij ons gaat het zelfs om vijf tot zes maanden.
,,De jongeren hebben a1 twee maanden nodig om tot rust te komen en samen met de begeleiders uit te maken wat ze willen. Dan nog twee maanden om de oplossing uit te werken. Pleeggezin, jeugdinstelling, begeleid zelfstandig wonen: het is zo eenvoudig niet. De sector zit eivol. En de oplossing ligt in opvang, want slechts enkelen keren vrijwillig terug naar het land van herkomst.
Nijs kende het probleem van de niet-begeleide minderjarigen uit zijn werk rond de mensenhandel bij het Centrurn voor gelijkheid van kansen. Toch werd hij verrast door de realiteit die de regels van t Huis wel eens inhaalt. Zijn blik glijdt naar de Russische jongen op de computer.
,,Hij is elf en arriveerde met zijn vader. Hij is dus begeleid en geen klant voor ons. Hij werd hier geplaatst toen zijn vader in een gesloten centrum zat. De man doolt nu rond met een bevel om het grondgebied te verlaten. Gezinshereniging is zeèr belangrijk. Maar stuur ik dat kind zomaar mee de illegaliteit in?
Als ze in Aalst komen, willen vele jongeren gewoon naar huis. ,,Ze zijn dièp ontgoocheld. Maar die drang verdwijnt als ze hier even zijn. Vaak spoort hun familie hen aan om deze kans te grijpen. Slechts twee zijn het voorbije jaar teruggekeerd.
,,De terugkeer voorbereiden duurt even. We moeten zeker zijn dat het veilig is. A1s het kind in het land van herkomst gevaar loopt om weer in dezelfde situatie te verzeilen, proberen we het te overtuigen om even hier te blijven.
Sommige jongeren zou Nijs wel willen terugsturen. ,,Tot voor kort leefde hier een A1banese jongen van zestien. Hij verpestte de boel en zocht de criminaliteit op. Mijn personeel kwarn met schrik werken. Sturen we hem dan niet beter terug naar zijn familie, van wie de sociale controle misschien zwaarder weegt?
De meeste bewoners van t Huis vragen geen politiek asiel. Ze hebben voorlopige verblijfspapieren tot ze athttien worden. Nijs praat met de administratie van Binnenlandse Zaken om sneller te weten waar zijn gasten aan toe zijn. ,,Moeten ze terug? Kunnen ze blijven? Onder welke vorrn? Kunnen ze worden erkend als slachtoffer van mensenhandel? Dat is belangrijk om weten als je samen met de jongere een oplossing zoekt voor zijn situatie.
Nijs zou t Huis willen uitbreiden tot 25 plaatsen. Hij heeft meer personeel nodig en meer middelen voor vooronderzoek en contacten met ngo's in landen van herkomst. ,,Maar het plan voor het kinderkamp heeft alles stilgelegd.

---------------------------------------------------------
’T HUIS ZOEKT EEN LOGISTIEK MEDEWERKER

’t Huis, een opvangcentrum voor buitenlandse niet-begeleide minderjarigen, zoekt een logistiek medewerker. Taken omvatten oa. het verzorgen van de keuken in het opvangcentrum, met actieve medewerking van de jongeren, bevoorrading van het opvangcentrum inzake voeding en onderhoud, opvolging van de onderhoud- en schoonmaaktaken.
Het betreft een halftijdse betrekking, loon volgens de CAO van de Bijzondere Jeugdbijstand. Allochtonen worden vriendelijk verzocht te solliciteren. De indiensttreding gebeurt zo spoedig mogelijk.
Kandidaturen tegen 28 februari 2001 t.a.v. Paul Nijs, via vzw-t-huis@skynet.be, of adres: Spaarzaamheidsstraat 29, 9300 Aalst, tel. 053/70.99.79, fax. 053/77.75.21
-------------------------------------------------
Bijlage 1: De niet-begeleide minderjarigen Verslag van de vzw 'T HUIS (2001) http://www.antiracisme.be/nl/rapporten/mensenhandel/2001/05-mens01.pdf )

1. Opzet

'T HUIS is een opvangcentrum voor buitenlandse niet-begeleide minderjarigen. Het gaat hierbij om jongeren die geen asielaanvraag indienen. Het zijn minderjarigen die slachtoffer zijn van mensenhandel, mensensmokkel, in ons land transiteren naar Engeland, onderweg zijn in het kader van een gezinshereniging zonder de vereiste documenten, jongeren zonder papieren, op de dool… 'T HUIS biedt crisisopvang aan buitenlandse minderjarigen en zoekt, samen met de jongeren, naar een duurzame oplossing.
De belangen van de minderjarige, zoals die vastgelegd zijn in de internationale verdragen omtrent de rechten van de kinderen, vormen hierbij een fundamentele leidraad. Een duurzame oplossing kan inhouden dat de minderjarige vrijwillig terugkeert en dat 'T HUIS hen, nadat onderzocht is of deze terugkeer in veilige omstandigheden kan gebeuren en dat er garanties zijn voor een toekomst in het land van herkomst, hierin begeleidt en dit mogelijk maakt als erkende partner van de Internationale Organisatie voor Migratie. Een duurzame oplossing betekent meestal dat wij de jongeren begeleiden en oriënteren in hun traject in ons land dat doorloopt tot aan de leeftijd van hun meerderjarigheid of met relatieve zekerheid zal uitmonden in een definitief verblijf in België.
In de periode van de eerste opvang in 'T HUIS wordt, na de noodzakelijke rustperiode, heel veel aandacht besteed aan opleiding en het leren samenleven in de nieuwe samenleving waarin de jongeren aangeland zijn. Nagenoeg alle jongeren krijgen de kans in een onthaalklas de Nederlandse taal aan te leren. Een kwalitatieve eerste opvang die uitmondt in een doorstroming naar een duurzamere opvang en begeleiding
duurt doorgaans 6 à 8 maanden. De verdere opvang gebeurt in pleeggezinnen, andere residentiële voorzieningen en onder de vorm van begeleid zelfstandig wonen. Het samen opvangen van jongeren van heel uiteenlopende culturen en met verschillende problematieken, stelt
geen problemen, integendeel.

2. Mensenhandel - Kinderhandel

Van bij de oprichting heeft 'T HUIS er uitdrukkelijk voor gekozen om zich toe te leggen op de opvang van slachtoffers van mensenhandel.
Bij het opstarten van 'T HUIS werden een aantal mensen betrokken die actief waren of nog zijn in de strijd tegen de mensenhandel en de opvang van de slachtoffers. Er is een nauwe samenwerking ontwikkeld met Pag-asa, Payoke en Sürya. Er werden afspraken gemaakt met de gemeenschapsinstelling "De Sande" in Beernem waar sommige jonge slachtoffers van vrouwenhandel om veiligheidsredenen een eerste opvang krijgen in een voor de buitenwereld enigszins afgesloten kader. In gezamenlijk overleg, en voor zover er geen capaciteitsproblemen zijn, wordt deze eerste opvang in de gesloten gemeenschapsinstelling zo kort mogelijk gehouden.
In de steden Brussel en Antwerpen, die geregeld geconfronteerd worden met het fenomeen kinderhandel, werden goede contacten uitgebouwd met de gerechtelijke instanties die verantwoordelijk zijn voor de veilige opvang van de slachtoffers en het voeren van de strafonderzoeken. Ook met de politiediensten die belast zijn met de strijd tegen de mensenhandel in Antwerpen, Brussel, Zaventem enz. werden contacten gelegd die geleid hebben tot een bijzonder goede samenwerking. In functie van de veiligheid van de slachtoffers werd er een goede samenwerking ontwikkeld met de politiediensten in Aalst waarbij wij kunnen rekenen op een heel alert optreden wanneer er risicosituaties zijn. Het is en illusie te denken dat ons opvangcentrum niet gekend zou zijn door de milieus van de mensenhandel en de mensensmokkel. Er werd dan ook voldoende geïnvesteerd in de veiligheidsaspecten.

3. Enkele cijfergegevens

'T HUIS biedt in principe plaats aan 15 minderjarigen. Tussen 9 juni 1999 en 10 april 2001 werden 90 minderjarigen opgevangen. In het totaal ging het om een 25-tal nationaliteiten. Negenentwintig jongeren waren volgens ons slachtoffer van mensenhandel, waaronder 19 meisjes met het oog op exploitatie in de prostitutie. Zes van deze meisjes waren afkomstig van Afrika en dertien van Oost-Europa. Het jongste slachtoffer was 14 jaar oud. In bijna de helft van de gevallen werd er gebruik gemaakt van de asielprocedure, waarbij doorgaans valse gegevens omtrent de leeftijd opgegeven werden, om de minderjarigen een "legaal" verblijf te verlenen en in de prostitutie te plaatsen. Op enkele uitzonderingen na werden al deze meisjes aangetroffen in Antwerpen en Brussel. Enkele meisjes werden onderschept met handelaars op de luchthaven van Zaventem. Enkele van deze meisjes keerden terug naar hun land van herkomst in oost-Europa. Sommigen verdwenen na enige tijd uit 'T HUIS. Eén verdwijning moeten we beschouwen als onrustwekkend. In een drietal dossiers werden al veroordelingen voor mensenhandel uitgesproken en in verscheidene andere werden aanhoudingen verricht. De andere situaties van mensenhandel betreffen een 5-tal jongeren uit China en een paar situaties van economische exploitatie in de horecasector.
Een aanzienlijk deel (30) van de jongeren die opgevangen werden in 'T HUIS waren betrokken bij mensensmokkel richting Engeland. De overgrote meerderheid van deze jongeren trok verder en van enkelen onder hen weten wij dat zij het gehaald hebben om Londen te bereiken.
Voor deze jongeren bieden wij telkens opnieuw opvang ook al weten wij dat de kans dat ze zullen blijven gering is omdat familieleden en "assisterende" smokkelaars de jongeren onder druk zetten om verder te trekken. Hun verblijf in 'T HUIS is dan ook veelal van korte duur.
De opvang van deze jongeren is heel arbeidsintensief en 'T HUIS staat telkens weer opnieuw voor de uitdaging om een evenwicht te vinden tussen de vragen van de jongeren en het aanbod van smokkelaars dat heel veel risico's inhoudt. De opvang van deze laatste jongeren, meestal van Albanië, Afghanistan enz, is meestal korter dan en maand.
Als we deze groep even buiten beschouwing laten en dieper inzoomen op de werking kunnen we uiteraard vaststellen dat bijna 40% van ons begeleidingswerk te maken heeft met slachtoffers van mensenhandel, nagenoeg allemaal met zekerheid minderjarigen.

4. Knelpunten

4.1. Kinderhandel

In de wet van 13 april 1995 ter bestrijding van de mensenhandel heeft de wetgever uitdrukkelijk de bedoeling gehad de mensenhandel met minderjarigen strenger te bestraffen dan feiten die gepleegd worden ten aanzien van meerderjarigen. Bovendien heeft de wetgever de bedoeling gehad alle betrokkenen die op een of andere manier profijt hebben bij deze misdrijven financieel hard aan te pakken. Op het terrein is daar volgens ons onvoldoende van te merken. We kunnen vaststellen dat bij bepaalde vitrine-eigenaars in Antwerpen systematisch minderjarigen aangetroffen worden maar dat deze panden niet verzegeld of verbeurd verklaard worden. In de strafdossiers blijven deze
eigenaars, die minstens door onzorgvuldigheid medeplichtig zijn, bijna systematisch buiten schot.
Een arrest van het Hof van Cassatie heeft nochtans duidelijkheid geschapen omtrent het "abnormaal profijt" dat kan gerealiseerd worden door medeplichtigen aan mensenhandel en vrouwenhandel, dus ook de vitrine-eigenaars. Het optreden tegen deze betrokkenen blijft echter zeer ondermaats. Eigenaars krijgen van de overheid eigenlijk het signaal dat het verhuren van vitrines waarin minderjarigen plaatsnemen in hun hoofde ongestraft blijft.

4.2. Misbruik van de asielprocedure

We moeten vaststellen dat ongeveer de helft van de meisjes die in de prostitutie geëxploiteerd worden voorzien worden van verblijfsdocumenten in het kader van een asielaanvraag. Het is een oud zeer dat in Antwerpen vrouwen ongehinderd in de vitrine kunnen geplaatst worden als zij over dergelijke verblijfsdocumenten beschikken. Nochtans is de activiteit van deze meisjes in de vitrines totaal illegaal.

Het blijft een raadsel waarom daar geen eind aan gesteld wordt. De nieuwe opvangformule voor asielzoekers biedt ook geen aanvullende oplossing voor dit probleem. Alleenstaande asielzoeksters die door mensenhandelaars naar België gebracht werden komen zelden of nooit aan
in de asielcentra en belanden meteen in de prostitutie. Minderjarigen die zich aanmelden als meerderjarigen in de asielprocedure worden pas geconfronteerd met een leeftijdsonderzoek als ze aangetroffen worden in de prostitutie en de betrokkenen die de controle verrichten, op
het zicht, vragen hebben bij de leeftijd van de persoon die gecontroleerd wordt. Wij menen dat de overheid dringend maatregelen moet nemen om dit oneigenlijk gebruik van de asielprocedure voor misdadige doeleinden met minderjarigen zoveel als mogelijk in te dijken.

4.3. Leeftijdsbepaling

Zoals hierboven aangegeven wordt er regelmatig geknoeid met de leeftijden van minderjarigen die in de prostitutie geëxploiteerd worden. Een botscan van de pols is lang niet altijd nauwkeurig. Toch biedt het in een aantal gevallen aan de jeugdrechters een basis om een beschermende maatregel te nemen ten gunste van de minderjarige en aan de pooiers te onttrekken. Het gaat in dit domein zeker niet op de jongere zomaar het
voordeel van de twijfel te gunnen als zij, veelal onder druk van het milieu, volhouden dat ze meerderjarig zijn. Uit onze eigen ervaringen, een aanzienlijk aandeel van de minderjarige slachtoff ers van vrouwenhandel werden bij ons ondergebracht na een botscan, kunnen wij vaststellen dat de maatregelen die ten aanzien van de jongeren genomen worden nagenoeg altijd in hun voordeel uitvallen en dat zij de kansen grijpen om uit het prostitutiemilieu te stappen en een andere toekomst uit te bouwen. Sommigen onder hen waren wellicht toch meerderjarig en enkelen daarvan hebben ons opvang- en hulpverleningsaanbod uit eigen wil verlaten. Toch verdient het aanbeveling om de medische wereld, met steun
van de overheid, uit te nodigen om de technieken voor leeftijdsbepaling te verfijnen en bijvoorbeeld enkele ziekenhuizen te stimuleren om zich in deze materie te specialiseren.

4.4. Betoelaging 

Tot op heden wordt 'T HUIS gefinancierd als een voorziening binnen de bijzondere jeugdbijstand. Om de werking minimaal rond te krijgen hebben wij echter 1 begeleider meer in dienst moeten nemen dan voorzien in het subsidiëringskader. Volgens berekeningen van de administratie hadden wij minstens 2,5 voltijdse medewerkers meer in dienst moeten kunnen nemen om met een aanvaardbare werkdruk te kunnen functioneren. De aard van de doelgroep vraagt ook meer uitgaven dan voorzien in de betoelaging via de dagvergoeding.
Wij menen dat 'T HUIS z'n sporen als pilootproject verdiend heeft en kwaliteitswerk biedt aan een zeer kwetsbare groep. Als de overheid niet zeer spoedig bijkomende middelen voorziet zal 'T HUIS genoodzaakt zijn om af te bouwen, teneinde het financieel structureel tekort weg te werken. Nog meer niet-begeleide minderjarigen en slachtoffers van kinderhandel zullen dan geen aangepaste opvang vinden….
--------------------------------------
AALST 13/06/2001  (BELGA) = "Het lot van de niet-begeleide buitenlandse minderjarigen is uit de aandacht geraakt van het beleid, de publieke opinie en de media". Er moet dan ook meer geld komen voor de opvang van die kinderen.

De vzw Minor Ndako kreeg reeds steun van het Impulsfonds voor investeringen, en verwacht binnenkort antwoord van het Kabinet Vogels voor de ondersteuning van de werking (waarvoor een erkenning voor een capaciteit van 15 tot 16 is aangevraagd). Men wil operationeel zijn tegen oktober 2001, ten laatste
begin 2002.

Dat zeggen 't Huis Aalst, Joba Antwerpen, Minor-Ndako Brussel, het Vlaams Welzijnsverbond, Pluralistisch Platform Jeugdzorg, de federatie voor Pleegzorg en de comités voor Bijzondere Jeugdbijstand van Antwerpen en Brussel.
De organisaties eisen dat bij de opmaak van de begroting 2002 door de Vlaamse regering meer middelen worden vrijgemaakt. Zo wordt minstens 100 miljoen gevraagd voor de werking van Joba, 't Huis en Minor-Ndako. Die verenigingen staan in voor de opvang van alleenstaande minderjarige vluchtelingen en slachtoffers van kinderhandel en kindersmokkel.
Woensdagmiddag verstuurden zij een brief, symbolisch op de bus gedaan door een minderjarige vluchteling, naar minister-president Patrick Dewael en de leden van zijn Vlaamse regering. De verschillende organisaties trekken aan de noodrem. Omdat er nu ook bij de controle van de begroting geen middelen werden vrijgemaakt komt hun werking in het gedrang.
"Joba Antwerpen kan niet uitbreiden, 't Huis Aalst stevent af op een faillissement en Minor-Ndako kan niet van start gaan. Er zijn dringend middelen nodig om de jongeren op te vangen. Er worden nu reeds minderjarigen aan hun lot overgelaten omdat er geen plaatsen vrij zijn om hen opvang te bieden en nog steeds worden minderjarigen opgesloten in Merksplas bij gebrek aan alternatieven, niettegenstaande de belofte van de regering dat deze praktijk zou stopgezet worden op 1 januari 2001", stelt Paul Nijs, directeur van 't Huis.
Volgens Nijs verloopt de opvang van minderjarigen niet steeds correct. "Vannacht werd in Oostende een Roemeense jongen gevonden die bij gebrek aan opvang opgesloten werd in een politiecel. Die jongen wordt nu in de loop van de dag naar Aalst overgebracht maar heeft nog niets anders dan politie-agenten gezien", aldus Paul Nijs./.MVS/DRJ (lrt)
------------------------------------------------------
Knack 23 juni 2001, 't Huis is te klein . Ondanks beloften van de regering worden in Merksplas nog altijd minderjarigen opgesloten. Het gebrek aan opvang blijft op nationale en internationale kritiek stuiten.

Vorige week zat er weer een veertienjarige jongen uit Kosovo in Merksplas opgesloten. 'Ze bellen ons wel om hem over te nemen, maar we zitten vol', zegt Paul Nijs van het opvangcentrum 't Huis in Aalst. 'Er zijn dringend bijkomende middelen nodig om niet-begeleide buitenlandse minderjarigen op te vangen. Maar bij de begrotingscontrole van de Vlaamse Gemeenschap werden de gevraagde fondsen onlangs weer geweigerd. Daardoor stevent 't Huis af op een faillissement en komen andere centra niet van de grond. Wij weten dat er minderjarigen op straat aan hun lot overgelaten worden omdat er geen opvang mogelijk is. Anderen worden nog steeds in Merksplas opgesloten, niettegenstaande de belofte van de regering dat deze praktijk zou worden stopgezet op 1 januari 2001'.

In een net afgewerkt rapport van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) weerklinkt dezelfde kritiek: het ontbreken van een coherent beleid en een schromelijk tekort aan gespecialiseerde opvang, waardoor minderjarigen nog altijd opgesloten worden. De IOM verbaast zich erover dat ruim vijftig procent van de niet-begeleide minderjarige asielzoekers in België meisjes zijn, terwijl het in andere landen gemiddeld voor tweederde om jongens gaat. Dat zou komen omdat België een favoriete bestemming blijft om jonge meisjes in de prostitutie te loodsen.
De leeftijd van buitenlandse prostituees blijft dalen. Vooral Albanese bendes zouden hier met handel in minderjarigen bedrijvig zijn. De IOM vraagt ook bijzondere aandacht voor het hoge aantal 'verdwijningen met onbekende bestemming' uit Belgische asiel- en opvangcentra.
Het opvangcentrum 't Huis is volgens het IOM-rapport wél een voorbeeld van een goed draaiend centrum dat in het belang van het kind werkt. Directeur Paul Nijs zal het graag lezen. Net twee jaar geleden begon hij in een leegstaand klooster in Aalst met een kleinschalig project om aan vijftien jongeren crisis- en oriëntatiebegeleiding te geven. Een paar weken later, tijdens de zomervakantie, liep 't Huis al vol. Sindsdien werd een honderdtal jongeren opgevangen van wel vijfentwintig nationaliteiten. Een aanzienlijk deel was betrokken bij mensensmokkel naar Engeland. Ongeveer eenderde was slachtoffer van echte mensenhandel. De jongste klant was veertien jaar oud. Paul Nijs: 'Wat wij niet begrijpen, is dat bij sommige vitrine-eigenaars in Antwerpen systematisch minderjarigen aangetroffen zijn, maar dat die panden toch niet verbeurd verklaard werden'.
Zoals ook de IOM signaleert, is er een groot gebrek aan coördinatie tussen de verschillende Belgische bevoegdheidsniveaus. Alleenstaande minderjarige asielzoekers moeten naar de gewone asielcentra (al dan niet in een speciale afdeling) en vallen ten laste van de federale overheid. Die federale overheid wil zich niets aantrekken van de andere categorieën van niet-begeleide minderjarigen, die door de Vlaamse overheid moeten worden opgevangen. Zij vallen in feite onder de bijzondere jeugdzorg, net als Belgische minderjarigen. Het is ook in dat kader dat 't Huis als een proefproject is opgestart. Om de werking rond te krijgen, moest 't Huis echter meer begeleiders in dienst nemen dan voorzien was. Paul Nijs: 'Als de Vlaamse overheid geen middelen wil geven, zal 't Huis zijn capaciteit moeten afbouwen, om zo de financiële tekorten weg te werken. Dan zullen nog minder kinderen en jongeren kunnen worden opgevangen...'
De werking van diensten zoals 't Huis in Aalst, Joba in Antwerpen en Minor-Ndako in Brussel wordt fundamenteel bedreigd als de Vlaamse regering de bijkomende kredieten blijft weigeren. Veel beleidsmensen bewijzen graag lippendienst aan het Verdrag van de Rechten van het Kind, maar dan wel met de hand op de knip.

Terug naar het begin van de pagina



Voorstelling van de opvangcentra voor niet begeleide vreemde minderjarigen in België http://www.kleinkasteeltje.be/nl/kinderen/voorstelling%20centra.htm

Aangezien de vermenigvuldiging van de centra die niet begeleide vreemde minderjarigen opvangen in België en de uitgedrukte wil vanwege deze centra elkaar te ontmoeten, heeft de besturingsgroep van het beginselprogramma "Kinderen op de vlucht" een vergadering op 10 april in het Klein kasteeltje (C.A.D.E.) georganiseerd. Daar werden alle voornoemde opvangcentra uitgenodigd. Deze ontmoeting strekte ertoe kennis te maken met de andere opvangcentra, elkaars praktijken te wisselen, over terugkerende problemen waarmee deze opvangcentra geconfronteerd zijn te discussiëren.
Teneinde deze vergadering voor te bereiden, werd er aan iedereen gevraagd zijn opvangcentrum voor te stellen. Hierna volgt een synthese van de voorstelling:

 I. De Dienst S’ACC’ADOS van het opvangcentrum voor vluchtelingen te Florennes

           De dienst " S’Acc’Ados " (Service d’Accompagnement pour adolescents) hangt af van het opvangcentrum
           voor vluchtelingen dat op 23 december 1992 van start is gegaan. Het centrum is voorzien voor een
           opvang van 350 mensen, terwijl de dienst " S’Acc’Ados " over 32 plaatsen beschikt voor jongens en voor
           enkele meisjes van 14 tot 18 jaar voor een opvang van een termijn van 1 dag tot 1 jaar.

           Twee maatschappelijke werksters, een groep van 6 werknemers van het centrum en vrijwilligers zorgen
           voor de omkadering van de jongeren en het organiseren van activiteiten ’s avonds en gedurende het
           weekend.

           De maatschappelijke opvolging van de asielprocedure, het onderwijs, het leven in het centrum, het
           welzijn van de jongeren, ...is verzekerd. Het centrum zorgt ervoor dat elke jongere een advocaat heeft.
           Een interne medewerking wordt verzekerd met alle diensten van het centrum om het dagelijks leven te
           verbeteren (aanpassing aan de tijdsrooster, geneeskundige en psychosociale opvolging, ...). Bovendien
           bestaat er in de dienst een externe medewerking met de advocaten, de OCMW’s, de VZW’s, de
           maatschappelijke diensten, de scholen, de eigenaars, de administraties (DVZ, CGVA,...).

           Het onderwijs wordt georganiseerd met de maatschappelijke werkster en er wordt rekening gehouden met
           de wens en het schoolverleden van de minderjarige, eveneens met de mogelijkheden van de vijf
           scholen waarmee de dienst werkt.
           Twee scholen hebben klassen opgericht bestemd voor het OKAN-onderwijs (Onthaalklas voor
           Anderstalige Nieuwkomers) et een soortgelijk project is aan de gang in bepaalde scholen van Florennes.

           Sport – en culturele activiteiten zijn georganiseerd en een project van integratie van de jongeren met de
           jeugd van Florennes is aan de gang met de AMO van Florennes.

           De jongeren mogen het centrum verlaten (maximum 3 dagen) om bij vrienden te gaan, mits de
           toestemming van hun maatschappelijke werkster en op voorwaarde dat zij hun gegevens achterlaten .
           Geen enkele voogdijschap wordt georganiseerd.
           Het tolken wordt verzekerd door residenten waarin de jongeren vertrouwen hebben of door een
           tolkendienst.

           Met de goedkeuring van de directie, organiseert de sociale dienst het zelfstandig gaan wonen van de
           minderjarige. Soms wordt er rekening gehouden met het advies van het OCMW. In geval van afstand van
           het OCMW, probeert de dienst de opvolging van de jongere ter plaatste te organiseren via verschillende
           sociale diensten.

           Sinds oktober 1999, hebben een twintigtal jongeren het centrum verlaten zonder enig adres achter te
           laten: er werd een advies van verdwijning aan de gemeentepolitie verstuurd.

           Om een betere dagelijkse begeleiding van de jongeren te verzekeren, zijn bepaalde projecten aan de
           gang: reorganisatie van de kamers van de jongeren, oprichting van een ontspanningskamer, oprichting
           van een werkgroep met de werknemers van het centrum. Een ander project, "projet MiNaMo " genaamd,
           in medewerking met de AMO " Jeunes 2000 " is aan de gang. De bedoeling daarvan is : "zich openen
           tot elke minderjarige van alle oorsprong, op zoek gaan naar andere modaliteiten van ontmoeting en
           medewerking door namelijk "ontmoetingsperioden" tussen de jongeren, de verschillende
           maatschappelijke werkers en de plaatselijke politici op te richten. Zich samen situeren in een pedagogie
           van nieuwe projecten, de menselijke interactie, de interculturalisatie, de sociale integratie, ...
           bevorderen teneinde de verschillende vormen van uitsluitingen, van raciale spanningen, ... te
           verminderen".

           Het gebrek aan bijzondere reglementering voor niet begeleide vreemde minderjarigen maakt het werk
           moeilijker, zowel in het kader van de asielprocedure, als op het niveau van het OCMW, van de opvang,
           de omkadering, ...Aangezien het gebrek aan budget, wordt bovendien de dienst verplicht zijn werk te
           organiseren op basis van de goede wil van zijn werknemers en van de bevoegde autoriteiten.

           Bijgevolg, menen ze dat het fundamenteel is dat de opvang van de niet begeleide minderjarigen zo
           vlug mogelijk geregeld wordt en eveneens aangepast wordt aan hun noodwendigheden.
           · Maatschappelijke werksters van de Dienst " S’Acc’Ados " :
           Muriel Motte et Murielle Toussaint
           Service " S’Acc’Ados " Centre d’Accueil pour Réfugiés;
           Rue de Rohan Chabot, 120; 5620 Florennes
           Tél. 071/68.11.44.-45; Fax : 071/68.11.05
           e-mail : saccados@yahoo.fr

II. Opvangcentrum voor Vluchtelingen te Rixensart

           Dit federaal opvangcentrum is op 1 april 1997 van start gegaan. Het is voorzien voor 160 mensen (doel:
           210 bewoners bereiken voor 2001).
           De niet begeleide minderjarigen maken ongeveer 10 à 15 % uit van de opgevangen personen. 63
           mensen werden sinds de opening van het centrum opgevangen voor een gemiddelde termijn van 5
           maanden (van enkele uren tot enkele jaren).
           Er bestaat geen wettelijke officiële voogdijschap.

           De sociale, juridische en schoolopvolging wordt verzekerd door een maatschappelijke medewerker die
           zich bezig houdt met de opvang van de minderjarige, zijn dagelijkse problemen, de opvolging van de
           procedure, de schoolkeuzevoorlichting...
           Medewerkingen vinden plaats met advocaten (niet systematisch), met externe sociale diensten (Mentor,
           Exil, Caritas, Convivial, solidarité socialiste,…), met vertalingsdiensten, ...
           Talrijke sport - en socioculturele activiteiten worden georganiseerd. Het zelfstanfig gaan wonen van de
           jongere wordt georganiseerd door de OCMW’s of VZW’s, zoals Mentor of Exil.

           Het aantal verdwijningen van niet begeleide vreemde minderjarigen bereikt 30 %. De verdwenen
           worden onmiddellijk verklaard bij de politiediensten, zelfs als er een bevel om het grondgebied te
           verlaten hangend is.

           Een project van een bijzondere geïntegreerde dienst is aan de gang. Deze dienst zal de volgende
           bevoegdheden groeperen: sociaal, school, sociocultureel, recreatief, ...
           · Contactpersoon:
           Thierry Bonamis : 02/ 655.10.24.
           Centre d’accueil pour réfugiés de Rixensart
           Rue du Plagniau, 1; 1330 Rixensart
           Tél : 02/655.10.20; Fax : 02/0652.34.69

 III. Opvangcentrum voor Vluchtelingen te Bevingen

           Het federaal opvangcentrum Bevingen dat op 23 december 1998 van start is gegaan, is voorzien voor
           een opvang van 350 mensen. Het opvangcentrum is opgedeeld in drie leefgroepen die telkens over vier
           personeelsleden beschikken. Een van die leefgroepen richt zich op de opvang van families en de niet
           begeleide minderjarigen. Er worden in totaal 90 mensen opgevangen, waarvan 15 niet begeleide
           minderjarigen.

           Er wordt geen voogdijschap in het centrum georganiseerd.
           Aangezien de niet begeleide minderjarigen diegenen zijn die het langst in het centrum verblijven, is er
           veel belang gehecht aan de omkadering, aan de begeleiding op school en aan de
           buitenschoolsactiviteiten .

           De opvolging van de asielprocedure wordt verzekerd door een advocaat die de minderjarige in het
           centrum ontmoet.

           De niet begeleide minderjarige blijft in het opvangcentrum, ongeacht of de uiteindelijke beslissing over
           de asielaanvraag positief of negatief uitvalt. Heeft de niet begeleide minderjarige een negatieve
           beslissing bekomen, dan wordt hij niet uit het land gezet vanuit het belang van het kind.
           Bekomt hij een positieve beslissing, dan is hij nog niet noodzakelijk voldoende zelfstandig van instelling
           om op eigen houtje een appartement te betrekken. Dientengevolge is de periode gedurende dewelke
           een minderjarige verblijft in het opvangcentrum niet afhankelijk van de snelheid van de asielprocedure,
           toch eerder van zijn gedrag, zijn leeftijd, de snelheid waarmee zij een alternatief voor het
           opvangcentrum kunnen vinden. Het zoeken naar een pleeggezin en opvang in een jongerencentrum zijn
           andere mogelijkheden naast het zelfstandig gaan wonen.

           Een opvolging van de minderjarigen die zelfstandig gaan wonen is op dit ogenblik niet voorzien
           aangezien het gebrek aan personeel. Zij hopen in de toekomst wel meer personeel te bekomen alsook
           een infrastructuur gericht op minderjarigen zodat de begeleiding gedurende het verblijf intenser kan
           gebeuren, en waardoor ook de begeleiding van zelfstandig wonen van start zou kunnen gaan.
           Er verdwijnen weinig niet begeleide minderjarigen die asiel hebben aangevraagd.

           Contactpersoon : Bruno Dotremont en Ingrid Declunder : 011.69.75.22
           Opvangcentrum voor Vluchtelingen Bevingen
           Montenakenweg, 145; 3800 Bevingen
           Tel : 011.69.75.00; Fax : 011.69.75.76

 IV. De C.A.D.E. van het opvangcentrum voor Vluchtelingen van het Klein Kasteeltje

           De C.A.D.E. (Centre pour Adolescents en exil " centrum voor jongeren op de vlucht ") is op 26 juni 2000
           van start gegaan en is voorzien van 40 plaatsen voor minderjarige niet begeleide asielaanvragers :
           zowel jongens als meisjes van 15 tot 18 jaar voor een gemiddelde duur van 8 maanden. Om een
           gepaste kader aan deze jongeren aan te bieden, heet het klein kasteeltje een deel van het gebouw
           gerenoveerd. De inrichting van het gebouw is voorzien om een " eenheid van leven ", totaal
           onafhankelijk van de andere gebouwen van het klein kasteeltje, te waarborgen. De jongeren beschikken
           over een ruime living, een eetkamer, een onafhankelijke keuken en een ruimte voor het wassen en het
           strijken. De slaapkamers (6 kamers voor jongens en 4 kamers voor meisjes) zijn onderverdeeld in 4
           gescheiden ruimten en zijn uitgerust van een toilet en een douche. Een eigen ontspannings – en
           ontmoetingskamer wordt eveneens voorzien in de hoofddeel van het klein kasteeltje.

           De specifieke begeleiding wordt verzekerd door twee maatschappelijke werkers en 8 pedagogen onder de
           coördinatie van een dienstdirecteur. De maatschappelijke werkers richten hun werk tot de individuele
           begeleiding (procedure, OCMW, advocaat, …) en de pedagogen richten hun werk tot het groepwerk
           teneinde het gezamenlijk leven te harmoniseren. Ieder bewoner beschikt, als referentiepersoon, over een
           maatschappelijke werker en over een pedagoog. Dit maakt een meer gerichte begeleiding en een
           identificeerbare aanknopingspunt in andere materies zoals de school, de medische opvang, de
           psychologische begeleiding, de asielprocedure, het onderwijs, … mogelijk.

           De begeleiding is eveneens ertoe gericht de vaardigheden en de persoonlijke capaciteiten van de
           minderjarige te ontdekken en te ontwikkelen ; " wat weet ik al ? Wat wil ik leren ? wat moet ik leren ? ".
           Daardoor kan elke mens de culturele grenzen oversteken en kan de minderjarige beschikken over al
           hetgeen hij nodig heeft om in onze cultuur zich te kunnen ontplooien, zonder daardoor zijn eigen
           identiteit te moeten verliezen of verwerpen.

           In de onzekerheid van de uitgang van de asielprocedure leven is een zware beproeving. De
           begeleidingsploeg is onafhankelijk van de personen die de eindbeslissing nemen. De begeleiding
           bestaat erin de minderjarige in de loop van de procedure te begeleiden.

           Een pedagoge werd voltijds tewerkgesteld voor de schoolsbegeleiding. Haar taak bestaat erin een school
           te vinden voor de minderjarige, contact opnemen met die school, de minderjarige inschrijven,
           maandelijkse evaluaties opstellen, de verantwoorde en onverantwoorde afwezigheden controleren, het
           materiaal beheren, …De C.A.D.E. werkt samen met 22 scholen van het " Brussels Hoofdstedelijk gewest ",
           waarvan 3 nederlandstalige scholen.

           De maatschappelijke werker van referentie verzekert de opvolging van de juridische stappen die door een
           " pro deo advocaat " uitgevoerd werd.
           Een bijzondere aandacht wordt besteed aan de organisatie van het zelfstandig wonen van de jongeren.
           De dienst gaat binnenkort gemeenschappelijke criteria instellen voor de jongeren die zelfstandig wensen
           te wonen. Het is essentieel voor de dienst dat de minderjarige bekwaam wordt om bepaalde specifieke
           taken alleen te vervullen, zoals de lichaamshygiëne, het koken, het onderhoud (wassen, klussen…), het
           lezen van berichten om een appartement te vinden, het ondernemen van officiële stappen (openen van
           de rekeningen, inschrijving bij de gemeente, …), het leren van de waarde van het geld, …
           De pedagogen van de CADE proberen culturele en sportactiviteiten met de dienst "animatie" van het
           klein kasteeltje te organiseren.
           Geen enkele voogdijschap wordt georganiseerd.
           Sinds de opening van de CADE, zijn 14 jongeren verdwenen zonder adres achter te laten, wat 18 % van
           de verdwijningen uitmaakt. Telkens werden verdwijningsverklaringen neergelegd. Het rythme van deze
           verdwijningen vermindert sinds januari 2001. Er waren ongeveer 2 verdwijningen per maand. Op de dag
           van vandaag is er maar 1 per maand.
           Verantwoordelijke van d CADE :
           Laetitia Van Osta : 02.250.05.19
           De CADE; Opvangcentrum van het Klein kasteektje; Negende Linielaan 27; 1000 Brussel

V. Opvangcentrum voor Vluchtelingen te Sungy

           Het federaal centrum te Suny is in december 1999 van start gegaan en is actueel voorzien voor een
           opvang van 75 mensen.

           Er bestaat geen specifieke dienst of bijzondere structuur voor niet begeleide minderjarigen. Toch werd
           een takenschool opgericht, die verzekerd wordt door de diensten " animatie en sociaal " van het centrum.

           Er bestaat een project van organisatie van voogdijschap over deze jongeren.
           Tot nu toe heeft het centrum 6 niet begeleide minderjarigen van verschillende nationaliteiten
           opgevangen. Drie van de 6 verblijven nog in het centrum.

           Het onderwijs gebeurt onmiddellijk na hun aankomst in het centrum in een school van de streek. Deze
           school vangen de leerlingen volgens hun leeftijd op in de "Onthaaklas voor Anderstalige Nieuwkomers"
           of in derde professioneel.

           De jongeren hebben geen enkele activiteit buiten het centrum, behalve diegenen door de school
           georganiseerd (voetbal, excursies, …)

           Er bestaat geen vertalingdienst in het centrum. Bepaalde asielaanvragers dienen soms als tolken.
           De sociale dienst : Carole Duterme en malory Evrard; Opvangcentrum voor vluchtelingen; te Suny; Voie de
           Bohan, 245; 5550 Suny
           Tel : 061.50.81.24; Fax : 061.50.00.97

 VI. Opvangcentrum voor Vluchtelingen te Morlanwelz

           Het federaal opvangcentrum te Motlanwelz is in januari 2001 van start gegaan.
           Er bestaat geen specifieke opvangdienst voor niet begeleide minderjarigen. Niettegenstaande
           coördineren twee begeleiders het schooltijd van deze minderjarigen en het leven in het centrum en zij
           organiseren eveneens minstens een keer per week een specifieke activiteit met de associatieve
           organisaties van Morlanwelz.

           Sinds de opening van het centrum werden 17 minderjarigen tussen 16 en 18 jaar opgevangen.
           Iedere minderjarige wordt geholpen in het kader van de procedure door een maatschappelijke werker
           van het centrum en bij gebreke daarvan, door een advocaat. De maatschappelijke werker houdt zich
           bezig met het contacteren en het organiseren van de contacten met andere diensten en personen buiten
           het centrum.

           Het onderwijs van deze jongeren gebeurt in de scholen van de streek van het centrum die spijtig genoeg
           geen tolken bezitten (het centrum evenmin).
           Sinds de opening van het centrum zijn 3 minderjarigen op de 17 verdwenen.

           Zij beschikken over geen gepaste structuur teneinde het zelfstandig gaan wonen van de minderjarige te
           organiseren.
           De sociale dienst heeft er spijt van dat er structuur en personeel ter beschikking gesteld van het centrum
           ontbreekt om de niet begeleide minderjarige op een aanvaardbare manier in het centrum zelf en in het
           zelfstandig gaan wonen om te kaderen.

           Zij hebben ook administratieve problemen wat betreft de gelijksteling met belgische diploma’s, eveneens
           met de mogelijkheid OKAN-onderwijs te vinden.

           Contactpersoon van de sociale dienst : Dontaine; Opvangcentrum voor Vluchtelingen te Morlanwelz
           Chaussée de Mariemont, 92; 7140 Lorlanwelz
           Tel : 064.23.40; Fax : 064.23.96.52

VII. Opvangcentrum voor Vluchtelingen te Jodoigne

           Het federaal centrum te Jodoigne zal haar deuren openen in de loop van de maand mei 2001 en zal
           voorzien worden voor een opvang van ongeveer 100 mensen teneinde geleidelijk 350 plaatsen te
           bereiken.

           Tot nu toe wordt er geen speecifieke dienst voorzien voor de omkadering van niet begeleide van
           minderjarigen. De kinderen van kandidaten-vluchtelingen zullen georiënteerd worden naar verschillende
           scholen van de streek van Jodoigne.
           Iedere resident zal de mogelijkheid hebben aan activiteiten buiten het centrum deel te nemen (sport-en
           culturele activiteiten).

           Het centrum zal over en sociale, geneeskundige en animatie dienst beschikken, eveneens over een
           winkelvereniging.
           De sociale dienst : Dominique Goffin, jennifer Mabbot, Aslan Igrek
           Opvangcentrum voor vluchtelingen te Jodoigne; Ch. de Hannut, 141; 1370 Jodoigne; Tel : 010.68.18.91

VIII. Opvangcentrum voor Vluchtelingen te Bovigny

           Het federaal centrum te Bovigny zal haar deuren openen in de loop van de maand mei of juni 2001. Het
           is voorzien voor een opvang van 200 mensen om te beginnen teneinde voor eind 2001 een
           opvangcapaciteit van 600 mensen te bereiken.

           De sociale dienst : Sandrine Ballaux, Nathalie Calay, Véronique Quiriny
           Opvangcentrum voor vluchtelingen te Bovigny; Chemin de Courtil
           6671 Bovigny; Fax : 080.42.09.35

 IX. Opvangcentrum voor vluchtelingen te Arendonk

           Het federaal centrum te Arendonk zal binnenkort haar deuren openen. Momenteel zitten zij nog in de
           opstartfase. In de eerste fase zullen er 170 mensen opgevangen worden, in de tweede, 600.
           Er zal een aparte blok in het opvangcentrum voor niet begeleide minderjarigen voorzien worden en een
           aparte dienst zal georganiseerd worden.

           Contactpersoon : Hedwig Van Roost, Tine Vervisch : 0497/05.29.95
           Opvangcentrum voor vluchtelingen te Arendonk; Grens, 77
           2370 Arendonk; Tel en fax : 014.67.25.27

X. opvangcentrum voor vluchtelingen van de Rode Kruis-Vlaanderen te Deinze

           Het opvangcentrum van Deinze is van start gegaan in januari 1991. Het vangt 16 niet begeleide
           minderjarigen op een totaal van 55 bewoners op. Het gaat hier om jongeren tussen 16 en 18 jaar.
           Daarnaast worden in het centrum gezinnen en " oudere " (+ 35 jaar) alleenstaande opgevangen die met
           de minderjarigen samenleven. Er werd voor deze optie gekozen omdat de aanwezigheid van oudere
           alleenstaande mannen een gunstig effect hebben op de jongeren (stabiliteit, brug met hun eigen
           cultuur, gezagsfiguur).

           De omkadering wordt verzekerd door 5 begeleiders gedurende de dag.
           De begeleiders van de Rode Kruis proberen vanuit hun neutrale positie het vertrouwen te winnen van de
           niet begeleide minderjarigen (wat zeer tijdrovend is).

           De individuele begeleider heeft minstens éénmaal per week contact met de asielzoeker om hem te
           helpen in de verschillende aspecten van zijn leven : functioneren binnen het centrum, de groep, op
           school, vrijetijdsbesteding, toekomstperspectief en situering t.o.v. zijn verleden. De voornaamste
           doelstelling is van de jongere de nodige verantwoordelijkheidszin aan te leren om samen gaandeweg te
           kijken wat de best mogelijke oplossing is voor de toekomst : dit kan gaan van een eventuele terugkeer
           naar het land van herkomst of zelfstandig gaan wonen of voorlopig in het centrum verblijven.

           De nodige tijd en aandacht wordt besteed aan familiale banden met, indien nodig, behulp van externe
           organisaties. Als hij geen contact meer heeft met zijn familie kan de dienst Tracing van de Rode kruis
           ingeschakeld worden.

           De jongeren zijn ertoe gehouden het huishoudelijk reglement te respecteren dat bestaat voor alle
           asielzoekers. Rond een aantal punten is er een specifieke invulling voor niet begeleide minderjarigen :
           afwezigheden en bezoeken aan vrienden of familieleden worden eerst met de individuele opvolger
           besproken die al dan niet de toestemming geeft. Er wordt steeds gevraagd om een naam, adres en
           telefoonnummer achter te laten van waar zij naar toe gaan. De minderjarige krijgt tijdens de
           schooldagen geen toestemming om elders te slapen.
           In geval van verdwijning wordt de politie op de hoogte gebracht.

           De individuele begeleider besteedt veel tijd aan het uitleggen van de asielprocedure en de hele
           procedure wordt van zeer nabij opgevolgd (bijvoorbeeld begeleiding om naar het interview te gaan).
           Indien nodig zal een pro deo advocaat ingeschakeld worden.

           Een aantal minderjarigen gaan naar het OKAN-onderwijs, dat voor die groep is die na een jaar intensief
           Nederlands, een kans maken om door te stromen naar het reguliere onderwijs.

           Toch was er een duidelijke behoefte om te gaan zoeken naar een alternatief systeem voor het
           OKAN-onderwijs om diverse redenen :

                - bepaalde minderjarigen verblijven korte tijd in het centrum : er was dus nood aan op
                korte termijn praktische invulling van het Nederlands.
                - Er werd ook vastgesteld dat en voltijds onderwijssysteem voor een jongere die maar
                nog weinig onderwijs genoten heeft vaak te belastend is.
                - Een aantal jongeren kunnen omwille van hun leeftijd na een jaar OKAN niet meer
                doorstromen naar het reguliere onderwijs.
                - Er was ook nood aan het kunnen aanbieden van vaardigheden die de
                zelfredzaamheid hier kunnen verhogen maar die ook een meerwaarde betekenen bij
                een terugkeer naar het land van herkomst.

           Er werd een samenwerking opgestart met het Centrum voor levensvorming in Gent. Dit centrum richt
           deeltijds onderwijs in voor anderstaligen. Het vormingspakket van 15 lesuren per week omvat algemene
           vorming, technische vorming en atelierwerking.
           De schoolopvolging wordt georganiseerd door vrijwilligers. Daarnaast is er een wekelijks communicatie
           tussen schoolverantwoordelijke in het centrum en begeleiders van OKAN om een goede opvolging
           tussen de jongere en het schoolgaan mogelijk te maken. Verschillende individuele en collectieve
           activiteiten worden georganiseerd tijdens de vakantieperiodes en in het weekend.

           Elke jongere moet zorgen voor het onderhoud van zijn eigen kamer. Tijdens de week volgen de families
           en alleenstaanden de huishoudelijke klussen op in het centrum. Tijdens het weekend is dit uitsluitend
           voorbehouden aan de jongeren die op die manier het bedrag van hun zakgeld kunnen verhogen.

           Zij stellen vast dat vele jongeren van het centrum verdwijnen. Van de 27 niet begeleide minderjarigen
           die werden opgevangen in 1999 vertrekken 16 opnieuw binnen de 3 maanden.
           Vele jongeren zonder regulier statuut vragen het asiel aan omdat er geen alternatief is.

           Contactpersoon : Hilde Van Gastel (verantwoordelijke)
           Rode Kruis-Vlaanderen; Chaussée de Vleurgat, 98; 1050 Brussel
           Tel : 02.645.44.11; Fax : 02.646.04.41

 XI. Mentor-Escale

           De VZW mentor-Escale werd op 3 oktober 1997 opgericht met als doel de niet begeleide jongeren op de
           vlucht die zelfstandig gaan wonen te helpen op een autonome en verantwoordelijke manier de zorg op
           zichzelf te nemen gedurende hun verblijf hier in België. De VZW heeft ook als doel een sociaal steunnet
           op te richten, en projecten te ontwikkelen teneinde hun ontplooing te begunstigen.

           De VZW werd erkend, gemandateerd en gesubsidieerd door het Ministerie voor sociale integratie en
           geniet van het publiek en privaat mecenaat.

           De omkadering van de jongeren wordt verzekerd door professionele psychologen, maatschappelijke
           werkers, pedagogen en door vrijwilligers.

           Om de hulp te kunnen genieten van de VZW, moet de jongere :

                - minder dan 18 jaar zijn of meer indien hij minderjarigen in de zijlinie ten laste heeft
                - in België verblijven zonder ouders of wettelijk verantwoordelijke persoon
                - wensen en in staat zijn om zelfstandig te gaan wonen
                - recht hebben op sociale steun of over voldoende middelen beschikken om zelfstandig
                te gaan wonen
                - een levensvormingsproject ontwikkelen of wensen het te doen
                - zich aansluiten bij hun omkaderingssysteem

           Actieprincipes
           De actie is preventief, pluridisciplinair en ontvoogdend : zij wekt levensvoorwaarden op die gunstig zijn
           voor de ontplooing van de jongere teneinde de deliquentie, de drugs de prostitutie te vermijden. Zij
           verwaarloost geen enkele luik van het leven van de jongere en helpt de jongere geleidelijk aan de zorg
           op zichzelf te nemen.

           Werkmodel

                1) eerste onderhoud: voorstelling van de instelling, haar werking en zich te kunnen
                vergewissen dat de voorwaarden vervuld zijn
                2) tweede onderhoud: om zich te vergewissen dat de jongere de werking van het Huis
                goed begrepen heeft en hulp bieden voor het op zoek gaan van een appartement
                3) de psycho-sociale en psychologische begeleiding opvolging kan starten. Het wordt
                gebaseerd op verschillende ontmoetingen per week.
                4) Het contract tussen de jongere en het Huis wordt geformaliseerd op het einde van de
                maand, in aanwezigheid van de directeur.
                5) Regelmatige evaluaties
                6) Einde van de begeleiding wanneer de jongere voldoende zelfstandig is of wanneer
                het werkkader van het Huis de jongere niet meer past. In alle gevallen worden er
                bemiddelaars aan de jongere voorgesteld

           Omkadering voorgesteld aan de jongere

                1) een individuele begeleiding aangepast aan elke jongere in functie van zijn graad
                van zelfstandigheid, van zijn administratieve situatie en van zijn noodwendigheden
                (opzoeking en beheer van een huivesting, asielprocedure, oriëntatie en
                schoolopvolging, geldbeheer, psychologische opvolging, …).
                2) In de mate van het mogelijke en indien de jongere het wenst, wordt hij in contact
                gesteld met een belgische peter of meter, voor een morele steun, niet financieel.
                3) Collectieve pedagogische activiteiten (keukenateliers, thematische spraakgroepen,
                schoolsteun, leren van informatica, …).

           Contactpersoon : François Casier, Directeur; Mentor-Escale; Rue Souiveraine, 19; 1050 Brussel
           Tel : 02.505.32.32; Fax : 02.505.32.39
           E-mail : mentorescale@brutele.be

Terug naar het begin van de pagina


ALGEMENE INLEIDING 1
HOOFDSTUK 1: DE ILLEGALE VERBLIJVERS EN HET RECHT OP ONDERWIJS
 4
§1: Het Asielbeleid 5
1.1 De Conventie van Genève 5
1.2 Het Asielbeleid in België 5
1.3 De illegale verblijvers 8
§2: Het recht op onderwijs voor illegale verblijvers 9
2.1 Het Recht op Onderwijs 10
1) Het akkoord in Vlaanderen 10
2) Subsidies in Vlaanderen en Wallonië 12
3) Diploma 12
4) Onderwijs voor volwassenen 12
2.2.  Het belang van onderwijs voor niet-legale kinderen 13
§3: Faciliteiten ter beschikking voor de opvang van illegale verblijvers 14
3.1 Het Non-discrimatiepact 14
3.2 Anderstalige Nieuwkomers 15
3.3 Onderwijsvoorrangsbeleid voor migranten 16
3.4 Zorgverbreding 17
§4: Besluit 18
HOOFDSTUK 2: EEN VERKENNING VAN HET ONDERZOEKSVELD EN DE
ONDERZOEKSOPZET 19
§1: Afbakening van de populatie 19
§2: De onderzoekseenheden 20
§3: De kwalitatieve interviews 26
3.1 De keuze voor diepte-interviews 26
3.2 De keuze voor het interviewen van de directies 27
3.3 De keuze van de scholen 28
3.4 De analyse van de data 29
§4: Besluit 30
HOOFDSTUK 3: EEN SOCIOLOGISCHE BESCHRIJVING VAN DE PROBLEMEN
IN DE OPVANG VAN KINDEREN VAN ILLEGALE VERBLIJVERS IN HET
ONDERWIJS 31
§1: De illegale verblijvers 32
1.1 De rechten van de illegale verblijvers 32
1)Het recht op onderwijs en het recht op dringende medische dienstverlening 32
2) Belemmeringen in het dagelijks bestaan ten gevolge van niet-toegekende rechten 33
3)Financiële en materiële problemen 34
1.2 Sociale en Culturele verschillen 35
1) De problemen 35
2)Verklaring van problemen: het (verborgen) curriculum 36
1.3 Informatieproblemen bij de illegaal verblijvende ouders 37
§2: De scholen 38
2.1 De maatschappij 39
2.2 De organisatiekenmerken 41
1)Dilemma's van de contactambtenaren 41
2)Discretionaire ruimte 43
3)Strategieën van de contactambtenaren 46
2.3 De professionele visie van het onderwijzend personeel 49
§3: Besluit 50
HOOFDSTUK 4: HET ONDERZOEK NAAR DE PROBLEMEN IN DE OPVANG
VAN KINDEREN VAN ILLEGALE VERBLIJVERS IN HET ONDERWIJS. DE
RESULTATEN EN DE ANALYSE 52
§1: Problemen met betrekking tot het illegaal verblijf 53
1.1 Onduidelijkheid over de eigen verblijfssituatie 53
1.2 De onzekerheid/angst in geval van een illegaal verblijf 54
1.3 Wantrouwen ten aanzien van de school 55
1.4 Gebrek aan officiële contactpunten 56
1.5 Demotivatie bij de kinderen 57
1.6 Uitbuiting 58
§2: Financiële en materiële problemen 58
2.1 Het inkomen van illegale verblijvers en de schoolkosten 59
2.2 Gezondheidszorg 62
2.1 Mobiliteit en verloop 63
2.2 Studieruimte en huistaakklassen 65
§3: Sociale en culturele problemen 66
3.1 De taal 67
3.2 De school 70
1)Het bepalen van het studieniveau en het integreren in de klas 70
2) Analfabetisme 73
3) Integratie in de reguliere klas 73
4) Integratie in de schoolgemeenschap 76
3.3 De kinderen 78
3.4 De ouders 81
1) Integratie van de ouders 81
2) Ouderwerking 82
3) Opvolging van de kinderen en communicatie met de school 83
4) Cultuurverschillen en verschillende verwachtingen 84
§4: Informatieproblemen en problemen met betrekking tot de overheid 86
4.1 Informatieproblemen 87
1) Onwetenheid over de mogelijkheid van het inschrijven van kinderen van illegale verblijvers 87
2) Onwetendheid over de bestaande voorzieningen 88
3) Administratieve moeilijkheden 89
4.2 Een tekort aan voorzieningen en regelgeving 90
1) Opleiding van de leerkrachten en didactisch materiaal 90
2) De spreiding van ATN's en kinderen van illegale verblijvers 93
3) Het onthaalonderwijs voor ATN's 95
4) De communicatie tussen de scholen 97
4.3 Een teveel aan voorzieningen en regelgeving 98
1) Een gebrek aan coördinatie en samenhang in de voorzieningen van de overheid 98
2) Een gebrek aan coördinatie en samenhang in het aanbod van welzijnsorganisaties 101
3) De duur van de opvang in de onthaalklassen 101
§5: Invloedrijke factoren in het onderwijs voor kinderen van illegale verblijvers 103
5.1 De organisatiekenmerken in het onderwijs en de strategieën van de scholen 103
1) De relevante organisatiekenmerken van scholen 103
2)De strategieën van de scholen 105
3) De discretionaire ruimte in de voorzieningen voor de opvang van kinderen van illegale verblijvers 107
5.2 Invloedrijke cliëntkenmerken in de hulpverlening aan illegale verblijvers 108
5.3 Het verborgen curriculum als storende factor in de integratie van illegale verblijvers 109
§6: Besluit 110
HOOFDSTUK 5: CONCLUSIES 115
§1: De heterogene groep van de illegale verblijvers 115
§2: Algemeen besluit 117
LITERATUURLIJST I
BIJLAGEN IV
Bijlage 1. Brief voor de directies van de lagere scholen met betrekking tot de opvang van kinderen van
illegale verblijvers in hun scholen IV
Bijlage 2. Overzicht van de respons van de lagere scholen in de schriftelijke en telefonische bevraging VI
Bijlage 3. De vragenlijst en topiclijst voor de kwalitatieve interviews XIV

Algemene Inleiding

Een aantal gebeurtenissen hebben sinds vorig jaar het thema van de illegale verblijvers
volop in de media-aandacht geplaatst. Allereerst was er de dood van de uitgewezen
vluchtelinge Semira Adamu, die stierf toen ze zich verzette tegen haar uitwijzing. De
daaropvolgende verontwaardiging, zowel onder de Belgische bevolking als bij de illegale
verblijvers zelf was groot en dit mondde uit in het Kerkasiel, het Schoolasiel, … : de mensen
zonder papieren gingen uit protest tegen het Belgische asielbeleid in groep verblijven in de
kerken. Later volgden ook scholen, universiteiten en vele verenigingen. Tegelijkertijd met dit
"asiel" werd het debat aangezwengeld over het uitwijzingsbeleid, het asielbeleid en het non-
migratiebeleid in België. Het protest leidde  tot een (tijdelijke) "verzachting" van het
uitwijzingsbeleid, wat  onder andere inhield dat de gedwongen uitwijzingen (tijdelijk) werden
opgeschort.
 
Toen in 1999 de paars-groene regering Verhofstadt aantrad, was één van de prioriteiten van
de regering de hervorming van het asielbeleid. De nieuwe Minister van Binnenlandse Zaken,
Antoine Duquesne maakte er snel werk van. Het werd een beleid gesteund op twee pijlers:
een permissieve pijler vooral bestaand uit een eenmalige regularisatiecampagne en een
repressieve pijler (Beel, 1999: 5; Goossens, 1999: 28–29; Verhoest, 1999a: 5). Deze
hervormingen vormen de voorlopig laatste reeks van gebeurtenissen die de aandacht
vestigden op de illegale verblijvers in ons land.

Toch zijn de problemen van deze groep niet verdwenen met de afsluiting van de
regularisatiecampagne. De regularisatiecampagne bleek minder mensen aan te trekken dan
verwacht en hoeveel er uiteindelijk zullen worden erkend is ook nog giswerk. Lang niet alle
illegale verblijvers zullen zich echter aangemeld hebben, waardoor ze ook nu nog buiten de
statistieken vallen. Feit is echter dat als de Europese Unie in de toekomst verder uitbreidt naar
Oost-Europa er een grote groep van illegale verblijvers hier op slag wettelijk zullen
verblijven, want binnen de Europese Unie heerst de regel van vrij verkeer van personen
(Falter, 2000: 3). Men tracht de immigratie naar het rijke (West-)Europa tegen te houden en
diegenen die toch binnen geraken, worden bijna alle rechten onthouden. Dit betekent dat men
over een aantal jaar, wanneer landen, zoals bijvoorbeeld Polen, bij de Europese Unie
aansluiten en hun inwoners volwaardige EU-onderdanen worden, voor het feit zal staan dat
men deze groep moet erkennen en integreren in onze samenleving. Maar dit zijn zorgen voor
later.

Ook nu al kampen deze illegaal in ons land verblijvende personen met een aantal problemen.
Eén ervan, de mogelijkheid om hun kinderen in ons land onderwijs te laten volgen, wordt hier
verder besproken. Juister, de moeilijkheden die de illegale verblijvers en de scholen
ondervinden, indien de kinderen van illegale verblijvers hun "recht op onderwijs"  wordt
erkend. Het is dan ook de opzet van dit onderzoek om de problemen die zich voordoen als
illegale verblijvers hun kinderen wensen naar school te sturen in kaart te brengen. Ook wordt
aangegeven welke oplossing de scholen gezocht hebben voor de verschillende problemen die
rijzen en waar onoplosbare knelpunten blijven bestaan. Ook kan er binnen de groep van de
illegale verblijvers nog eens een groot verschil waargenomen worden in de integratie- en
slaagkansen voor de kinderen afhankelijk van de culturele, sociale en financiële achtergrond
van de ouders. Er wordt eveneens gepoogd om deze problemen vanuit een theoretisch
standpunt te duiden.
 
Het onderzoek zoals het in dit werk werd neergeschreven kent de volgende opbouw. In het
eerste hoofdstuk worden twee elementen nader belicht die onontbeerlijk zijn voor een
duidelijk en juist begrip van de problematiek. Ten eerste wordt geprobeerd om zo precies
mogelijk aan te geven welke personen illegaal in ons land verblijven. Ten tweede wordt het
recht op onderwijs, zoals dit in België en meer specifiek in Vlaanderen vorm krijgt, uitgelegd.
Hierbij worden ook de faciliteiten, waarvan de scholen kunnen gebruik maken voor de
opvang van de kinderen van illegale verblijvers te organiseren, besproken. Tenslotte wordt er
kort ingegaan op een aantal elementen, die het belang van het onderwijs voor kinderen van
illegale verblijvers voor zowel de kinderen, hun ouders als de samenleving, illustreren.

In het tweede hoofdstuk worden een aantal methodologische keuzes aangegeven in verband
met het onderzoek naar de scholen die kinderen van illegale verblijvers opvangen, de selectie
van de scholen en de gebruikte interviewtechniek. De uiteindelijk genomen beslissingen
worden verantwoord. Ook wordt er een voorstelling gemaakt van de onderzoekspopulatie. Er
worden gegevens voorgesteld betreffende het aantal scholen dat kinderen van illegale
verblijvers opvangt in Antwerpen en deelgemeenten, betreffende de spreiding van deze
scholen over de verschillende onderwijsnetten en over de deelgemeenten en stadsgedeelten en
betreffende het aantal kinderen van illegale verblijvers dat (ongeveer) in deze scholen wordt
opgevangen.

Het derde hoofdstuk geeft een sociologische beschouwing van de moeilijkheden die opduiken
in de opvang van kinderen van illegale verblijvers in het (gewone) lagere onderwijs. Hierbij
wordt zowel de situatie van de illegale verblijvers als van de scholen toegelicht om de
oorzaken van de moeilijkheden in de opvang van de kinderen van de illegale verblijvers te
verduidelijken. De oorzaken die in dit hoofdstuk worden weergegeven, vormen het
vertrekpunt voor het onderzoek waarvan de resultaten in hoofdstuk vier beschreven worden.

In het vierde hoofdstuk worden de problemen zoals de geïnterviewde directies ze ervaren,
uitvoerig beschreven en geïllustreerd met interviewfragmenten. Na de beschrijving werd
nagegaan in hoeverre de problemen in de praktijk overeenkwamen met de theoretische
voorstelling van de problemen uit hoofdstuk drie. Bij wijze van besluit werden de
belangrijkste onderzoeksresultaten opgesomd.

Het vijfde hoofdstuk geeft de conclusies van het onderzoek weer. Ten eerste worden twee
extreme types van illegale verblijvers beschreven om de variatie binnen de groep van de
illegale verblijvers te benadrukken en te voorkomen dat de indruk gewekt wordt dat de
problemen die in hoofdstuk vier beschreven worden, zomaar veralgemeend mogen worden
naar de hele groep van de illegale verblijvers. Ten tweede wordt er een korte samenvatting
van het onderzoek gegeven en als laatste worden de algemene conclusies behandeld.
 

Hoofdstuk 1: De illegale verblijvers en het recht op onderwijs

 
Ons land heeft niet altijd zijn grenzen afgesloten voor immigranten. Integendeel, tot in
het begin van de jaren '70 was het een noodzaak voor de Westerse economie om zogenaamde
gastarbeiders op te nemen. Om aan de vraag vanuit het Belgische bedrijfsleven te voldoen
ging de overheid arbeiders uit andere landen aantrekken. Als dusdanig kende ons land in de
jaren '50, '60 en '70 een aantal migratiegolven van goedkope arbeidskrachten. Een eerste
migratiegolf kwam in de jaren '50 op gang vanuit Italië. In de jaren '60 en '70 ging de
Belgische overheid vooral gastarbeiders werven in Turkije en een aantal Maghreblanden en
dan voornamelijk Marokko (Lammertyn, 1996: 1-4).
 
In 1974 werd er echter beslist een migratiestop in te voeren: de zogenaamde zéro-
immigratieregel. Het zou nu nog slechts mogelijk zijn naar West-Europa te immigreren in een
bepaald aantal uitzonderingssituaties. De grenzen werden gesloten en de enige mogelijkheid
om "Fort Europa" nog binnen te geraken was via de asielprocedure. Sinds de jaren '80 leidt
dit tot een toenemend aantal asielaanvragen, immers de asielprocedure wordt door velen
"misbruikt" om toegang te verkrijgen tot onze welvaart. Zo steeg het aantal asielaanvragen in
België spectaculair van slechts 3693 aanvragen in 1984, naar 12.964 reeds in 1990 tot 26.882
in 1993 . Vooral sinds de jaren '90 kent het aantal asielaanvragen een explosieve groei.
Daarentegen blijft het absoluut aantal erkende vluchtelingen gedurende al die jaren ongeveer
gelijk: zo werden er in 1983, 1235 als vluchteling erkend, in 1990 waren dit er slechts 660 en
in 1993 waren het er 1028. Als men dus rekening houdt met het feit dat het aantal aanvragen
zeer sterk steeg, blijkt dus dat het percentage van erkenningen sterk daalt (Ramakers, 1999: 9-
10; 44; 48).
 
De asielprocedure is de enige overgebleven wettelijke weg om in de landen van de Europese
Unie te immigreren, maar deze is ontworpen om alleen de vluchtelingen die aan een aantal
voorwaarden voldoen, toe te laten. Voor diegenen die niet aan deze voorwaarden kunnen
voldoen is de enige uitweg te kiezen voor een illegaal verblijf met alle risico's en beperkingen
die dit met zich meebrengt. In de volgende paragraaf zal de asielprocedure, de enige
overgebleven component van het Europese migratiebeleid, nader worden bekeken evenals de
gevolgen die dit beleid met zich meebrengt voor de personen die niet aan deze voorwaarden
kunnen voldoen.

§1: Het Asielbeleid
1.1 De Conventie van Genève

Reeds in 1948 werd in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens het
recht op de bescherming van de vluchteling uitdrukkelijk opgenomen. Het recht op de
bescherming van de vluchteling krijgt een concrete invulling in de Conventie van
Genève in 1951. Het begrip vluchteling wordt bepaald als "een persoon die zich buiten
zijn land van herkomst bevindt en die de bescherming van dat land niet meer kan of
wil inroepen, omdat hij een gegronde vrees voor vervolging koestert omwille van zijn
ras, zijn religie, zijn nationaliteit, zijn politieke overtuiging of zijn behoren tot een
bepaalde sociale groep". Deze definitie heeft niet altijd tot een eenduidige interpretatie
en toepassing geleid, vooral het element "een gegronde vrees tot vervolging" blijkt
niet zo eenvormig geïnterpreteerd te worden. In de Conventie van Genève is bepaald
dat het uiteindelijk het land is waar men bescherming zoekt dat het laatste woord heeft
over het al dan niet erkennen van de vluchtelingenstatus en waar dus de interpretatie
van het element "gegronde vrees tot vervolging" van belang is.  Daarenboven is in de
Conventie van Genève eveneens bepaald dat de vluchtelingenstatus een persoonlijke
status is, wat dus wil zeggen dat elk geval afzonderlijk behandeld en onderzocht moet
worden. Voor familieleden van een erkende vluchteling houdt dit dus in dat ook zij
asiel moeten aanvragen en deze wordt niet automatisch toegekend louter omdat de
asielaanvraag van het familielid is ontvankelijk verklaard. 119 landen, waaronder
België, hebben deze conventie ondertekend (Daeren, De Gryse & Poppe, 1996: 3-4;
Ramakers, 1995: 19-21).
1.2 Het Asielbeleid in België

Zonder in detail in te gaan op de asielprocedure die vluchtelingen moeten volgen,
wordt er hier toch even stilgestaan bij een aantal accenten van het Belgische
asielbeleid. Deze hebben immers ook een invloed op het al dan niet erkennen van
vluchtelingen. Zo kan een duidelijker beeld geschetst worden van de personen die wél
worden toegelaten in ons land.
De Conventie van Genève geeft vier elementen aan waaraan een persoon moet
voldoen om als vluchteling erkend te worden. Bij elk van deze elementen kan de
(Belgische) overheid eigen accenten leggen en zodoende de elementen gedeeltelijk
zelf invullen.  Het gaat meer bepaald om de volgende nuances:
- De vluchteling moet zich buiten het land van herkomst bevinden. In een aantal
gevallen kan men echter ook beschouwd worden als "vluchteling ter plaatse". Dit
is het geval als men zijn land zonder vrees heeft verlaten (bvb. voor een
studieverblijf), maar men niet kan terugkeren, omdat de omstandigheden
gedurende zijn verblijf in België zodanig zijn veranderd of omdat men in het land
van herkomst dreigt vervolgd te worden omwille van zijn (politieke) activiteiten in
ons land.
- De vluchteling moet een gegronde vrees voor vervolging koesteren. Een
"gegronde vrees tot vervolging" wordt gedefinieerd als de "angst die men voelde
in het land waaruit men gevlucht is, omwille van doorstane ervaringen of van
dreigend gevaar". De (vrees voor) vervolging waarvoor men gevlucht is, kan
daarbij zowel uitgaan van de overheid als van een andere groep. Het komt er voor
de vluchteling op aan zelf voldoende en concrete aanwijzingen te geven om aan te
tonen dat er werkelijk een gevaar bestond voor vervolging. Er kunnen
verschillende redenen van vervolging zijn. De vijf redenen die opgesomd zijn in de
Conventie van Genève zijn: ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging en
het behoren tot een sociale groep.
- De vluchteling kan of wil de bescherming van het land van herkomst niet inroepen.
Het is dus zo dat de overheid van het land waaruit men gevlucht is, zelf niet de
nodige bescherming kan bieden. Ofwel weigert men deze bescherming in te
roepen, omdat men vreest voor vervolging door de overheid van zijn herkomstland
zelf (Daeren e.a, 1996: 4).

Vooral het element van de "gegronde vrees tot vervolging" laat na een iets meer
concrete invulling door de overheid nog altijd ruimte voor interpretatie.
 
Daarnaast zijn er nog een aantal andere omstandigheden, die maken dat er iemand tot
het Belgische grondgebied wordt toegelaten, eventueel op tijdelijke basis.
Een eerste zulke situatie doet zich voor bij "de opschorting van het bevel om het
grondgebied te verlaten". Dit kan zich voordoen indien iemand die zich in een bepaald
stadium van de asielprocedure bevindt of wiens asielaanvraag is afgewezen, een
vrijwillige repatriëring aanvraagt bij de "International Organisation for Migration"
(IOM) en de overheid van het land van herkomst weigert om de nodige documenten af
te leveren die vereist zijn voor een terugkeer naar dit land. De Belgische overheid kan
dan beslissen om het bevel om het grondgebied te verlaten tijdelijk op te schorten
(Daeren, e.a., 1996: 21-24).

Een tweede situatie waarbij men toch tijdelijk in België mag blijven doet zich voor
indien men bij het Commissariaat-Generaal van de Vluchtelingen en Staatlozen een
beroep heeft aangetekend tegen een onontvankelijkheidsbeslissing en die afgewezen
werd. In sommige gevallen kan het Commissariaat-Generaal aan deze
onontvankelijkheidsbeslissing immers een "niet-terugleidingsclausule" toevoegen. Dit
houdt in dat de asielaanvraag niet wordt erkend, maar het Commissariaat-Generaal
ervan uitgaat dat men op dat ogenblik niet naar zijn land van herkomst worden
gestuurd omwille van de situatie daar (Daeren e.a, 1996: 24).

In een derde geval kan men, als zijn asielaanvraag verworpen is, een aanvraag tot
verblijf om humanitaire redenen indienen. Op deze aanvraag tot verblijf om
humanitaire redenen kan bijvoorbeeld een beroep gedaan worden in het geval dat de
aanvrager ernstig ziek is. Deze aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf,
gebaseerd op artikel 9, § 3 van de vreemdelingenwet, moet ingediend worden bij de
burgemeester van zijn woonplaats, die het verzoek doorstuurt naar de Minister van
Binnenlandse Zaken die de beslissing moet nemen. Deze aanvraag moet zeker twee
aspecten omvatten: enerzijds moet het bewijs geleverd worden dat men goed
geïntegreerd is in België en anderzijds moet men verantwoorden waarom deze
aanvraag niet vanuit het buitenland kon ingediend worden . Als de Minister van
Binnenlandse Zaken op de aanvraag ingaat, verkrijgt men een voorlopige
verblijfsvergunning van een half of één jaar, die verlengd kan worden (Daeren e.a,
1996: 24-25).

Een vierde geval, waarbij men niet direct overgaat tot een verwijdering van het
grondgebied komt voor als men tijdens de asielprocedure trouwt met een Belg(ische).
Het is echter niet zo dat indien men als illegale verblijver gedurende de periode van
zijn asielaanvraag huwt met een Belg(ische), men niet meer het land kan uitgezet
worden. Wel is de Minister van Binnenlandse Zaken verplicht te motiveren waarom er
geen rekening wordt gehouden met de wijziging in de huwelijksstaat als er tot een
verwijderingsmaatregel wordt bevolen. Bovendien heeft de overheid ook het recht om
op te treden tegen zogenaamde "schijnhuwelijken" .

Een laatste mogelijkheid om toch in België te verblijven is gecreëerd met de invoering
van het "ontheemdenstatuut". Dit statuut werd in België ingevoerd op vraag van de
"United Nations High Commissionary for Refugees" (UNCHR). Deze oproep kwam
er naar aanleiding van de oorlog die was uitgebroken in ex-Joegoslavië. Men vreesde
immers dat de grote stroom vluchtelingen uit dit gebied de asielprocedure onder te
grote druk zou zetten, zodat het systeem zou ineenklappen. Er was echter ook een
tweede reden: als de landen die de Conventie van Genève ondertekend hadden, de
definitie van een vluchteling strikt zouden interpreteren, zou er in vele gevallen
immers geen sprake zijn van een individuele vervolging, wat zouden lijden tot de
afwijzing van deze asielzoekers. Om deze afwijzingen te voorkomen riep de UNHCR
op om vluchtelingen uit ex-Joegoslavië tenminste een tijdelijke bescherming aan te
bieden. België voerde daarom het "ontheemdenstatuut" in dat zondermeer werd
toegekend aan Joegoslaven uit het oorlogsgebied Bosnië-Herzegovina voor een
verlengbare periode van zes maanden (Ramakers, 1995: 21-23). Recentelijk werd
dezelfde mogelijkheid gecreëerd voor vluchtelingen uit Kosovo met het zogenaamde
B-statuut.

Tenslotte dient hier nog een laatste groep personen vermeld te worden: "de
staatlozen".  Het Verdrag van New York betreffende de staatlozen (1954) definieert
een staatloze als "een persoon die door geen enkele staat krachtens diens wetgeving
als onderdaan wordt beschouwd". Indien men als staatloze erkend wordt, betekent dit
niet dat men automatisch een verblijfsvergunning krijgt. Een staatloze zal een
aanvraag  voor een permanente verblijfsvergunning veelal moeten baseren op het art 9
lid 3 van de vreemdelingenwet, dus een aanvraag doen op basis van humanitaire
redenen . Een eenduidige regeling voor deze mensen ontbreekt dus in België. Het
blijkt immers dat zulke mensen veel moeite moeten doen om als staatloze erkend te
worden en zelfs als ze erkend worden, verkrijgen ze niet sowieso een
verblijfsvergunning (Devillé, 1997: 38).

Alle personen die geen onderdaan zijn van een EU-lidstaat en niet aan één van de
bovengenoemde voorwaarden voldoen, zullen dus geen toegang krijgen tot ons land.
Al diegenen die dan toch nog wensen te immigreren naar het "rijke Westen" zullen
dus hun toevlucht moeten nemen tot het illegaal verblijf. Zij vormen dan ook de groep
van de illegale verblijvers.
1.3 De illegale verblijvers

Op basis van de hierboven opgesomde categorieën personen die wel toegelaten
worden, zou het vrij eenvoudig moeten zijn om via eliminatie van de legale
categorieën van vluchtelingen te komen tot de groepen die illegaal in ons land
verblijven: de clandestienen.

Ook hier kunnen een aantal groepen onderscheiden worden. Zo zijn er personen die
uitgeprocedeerd zijn. Zij hebben dus alle mogelijke fasen van de asielprocedure
doorlopen en zijn uiteindelijk niet als vluchteling erkend. Zij kunnen dan onderduiken
om te voorkomen dat ze teruggestuurd worden naar hun land van herkomst.  Anderen
vestigen zich in ons land zonder ooit asiel aan te vragen en zonder dus een poging te
doen om hun situatie te legaliseren. Vaak zijn dit mensen die ons land binnengeraken
met behulp van mensensmokkelaars. Een andere groep keert nooit terug naar zijn land
van herkomst na het verlopen van een wettelijke verblijfsvergunning waarmee men
legaal het land is binnengekomen, zoals onder andere een werkvisum, een visum voor
een studieverblijf, een toeristenvisum,… (Falter, 2000: 3). Dit zijn groepen waarvan
het illegaal verblijf vaststaat.

Maar dan nog is de situatie niet altijd eenduidig. Er is een grijze zone waarneembaar
tussen het legaal verblijven in ons land en het illegaal verblijven. Immers, in welke
categorie plaats je bijvoorbeeld Joodse diamanthandelaars , die er in slagen om telkens
opnieuw hun (reis)paspoort naar Israël op te sturen en het tijdig in orde te krijgen, om
alzo in België als "toerist" te kunnen verblijven?

Of de personen die "door omstandigheden buiten hun wil" niet naar hun land van
herkomst kunnen terugkeren, omdat hun land weigert de nodige papieren af te leveren
(cf. supra: 1.2). Er bestaat voor deze groep mensen in België niet de mogelijkheid om
een tijdelijke verblijfsvergunning te bekomen. Hun bevel tot uitwijzing blijft gelden en
hun recht op steun vervalt. Het komt ook voor dat deze mensen worden opgepakt en
geplaatst in een gesloten centra. Zij verblijven legaal, noch illegaal in België,
aangezien ze geen (tijdelijke) verblijfsvergunning verkrijgen, maar ook niet in kunnen
terugkeren naar hun land van herkomst of een buurland en dus gedwongen zijn om
hier te blijven (Devillé & Knockaert.: 5-6).

Daarnaast is er een groep die ervan uitgaat dat men in orde is met zijn
verblijfsvergunning, maar waar dit eigenlijk niet het geval is. De asielaanvragers
spreken immers bijna altijd een andere taal en zijn niet vertrouwd met de procedure en
de documenten die ze ontvangen (Daeren e.a., 1996: 26)

Over hoeveel mensen het in ons land zou gaan, daar bestaan enkel grove schattingen
over, die daarenboven nogal eens variëren. In het boek "Vreemdelingen: haat of
liefde?" wordt het aantal illegale verblijvers volgens de auteur door Justitie in 1993
geschat op een 70.000 à 100.000 tal (De Craene, 1993: 14). Een jaar later, in 1994
schat het Steunpunt Begeleiders Uitgeprocedeerden hun aantal op 150.000 (De Stoop,
1994b: 28). Bij de voorstelling van het nieuwe asielbeleid vorig jaar schatte de
Minister van Binnenlandse Zaken, Antoine Duquesne echter dat er een 50.000 à
75.000 mensen zonder papieren in België verblijven (Verhoest, 1999b: 4).

§2: Het recht op onderwijs voor illegale verblijvers

Personen die niet-legaal in ons land verblijven worden van een aantal basisrechten
uitgesloten. Uiteraard heeft dit vergaande gevolgen voor hun levensituatie (cf. infra: hfst 3,
§1). De rechten waarvan de illegale verblijvers niet worden uitgesloten zijn het recht op
dringende medische hulpverlening en het recht op onderwijs. In deze paragraaf wordt ten
eerste het recht op onderwijs zoals dit in de Vlaamse Gemeenschap vorm krijgt, uitgewerkt.
Vervolgens wordt het belang van het recht op onderwijs voor kinderen van illegale verblijvers
voor de verschillende betrokken partijen aangehaald.
2.1 Het Recht op Onderwijs

Ondanks dat de Belgische regering het recht op onderwijs heeft ingeschreven in de
Belgische Grondwet  en daarenboven een aantal Internationale verdragen  heeft
ondertekend die het recht op onderwijs als een basisrecht voor elk kind erkennen, werd
dit recht in België pas in 1994 formeel erkend voor kinderen van illegale verblijvers,
alhoewel er ook geen wet was die een verbod bevatte om kinderen zonder geldige
verblijfspapieren in een school in te schrijven (Steunpunt mensen zonder papieren,
1997: 1). Er waren dan ook al een aantal scholen die kinderen van illegale verblijvers
hadden ingeschreven alvorens daar enig wettelijk kader voor bestond (De Stoop,
1994a: 26).
1) Het akkoord in Vlaanderen
In juli 1994 kwamen de toenmalige Minister van Binnenlandse Zaken, Louis Tobback
en de Vlaamse Minister van Onderwijs, Luc Van den Bossche tot een akkoord dat van
dan af de toegang tot het onderwijs voor kinderen van illegale verblijvers in
Vlaanderen mogelijk maakte. Het akkoord kwam er als een reactie op een
artikelenreeks van Chris De Stoop in het weekblad Knack waarin de leefsituatie van
de illegale verblijvers werd geschetst. Het uitgangspunt dat geleid heeft tot deze
beslissing is dat het recht op onderwijs geen territoriaal gebonden recht is, maar een
sociaal recht dat automatisch wordt toegekend in hoofde van het individu. Hieruit
volgt dan dat scholen kinderen van illegale verblijvers in hun school mogen
inschrijven. Meer concreet omvat het akkoord drie luiken:
- Ten eerste wordt het recht op onderwijs beschouwd als een sociaal recht dat
automatisch in hoofde van het individu wordt toegekend, wat dus impliceert dat
scholen kinderen van illegale verblijvers mogen inschrijven. Voorwaarde is wel
dat de directie aan de ouders moet duidelijk maken dat het school lopen van één
van de kinderen geen argument is voor een eventuele regularisering van het
verblijfsstatuut, noch om hen langer in het land te laten blijven.
- Ten tweede wordt de normale signaleerfunctie voor het onderwijs opgeheven. In
principe kan immers een directielid of een leerkracht beschouwd worden als een
ambtenaar van de staat en volgens het Wetboek van Strafvordering is elke
ambtenaar verplicht een misdaad of een wanbedrijf te melden aan de Procureur des
Konings . Volgens art. 75 van de vreemdelingenwet wordt een illegaal verblijf als
een wanbedrijf beschouwd en bijgevolg zou een directielid verplicht zijn te melden
dat kinderen van illegale verblijvers zijn ingeschreven in de school. Het niet
naleven van deze meldingsplicht kan immers leiden tot disciplinaire sancties. Deze
meldingsplicht wordt in het akkoord dus opgeheven, wat dus inhoudt dat de
directies en het onderwijzend personeel de illegale verblijfstoestand niet meer
hoeven te signaleren.
- Ten derde wordt het niet aanvaardbaar geacht dat de politie komt controleren aan
de schoolpoort en dus werd afgesproken dat dit niet zal voorkomen.

Deze afspraken werden echter niet in een wet gegoten: wel werd er een omzendbrief
naar alle directies en verificateurs gestuurd, waarin de eis naar identiteitspapieren bij
inschrijvingen wordt genuanceerd: "zo bij de inschrijving bedoelde bewijsstukken niet
kunnen voorgelegd worden, dient de schooldirectie maximale inspanningen te leveren
om fictieve inschrijvingen te vermijden". (De Stoop, 1994a: 26-29; Ministerie van de
Vlaamse Gemeenschap departement onderwijs, 1983: 34; Vdb, 1994: 4; Steunpunt
mensen zonder papieren, 1997: 1-2).

Het bleek echter al gauw dat de situatie nog niet volledig was uitgeklaard. De
omzendbrief die de regeling met betrekking tot het inschrijven van illegale verblijvers
bevatte, was  in feite een aangepaste versie van een omzendbrief uit 1983 betreffende
de inschrijving van leerlingen in onderwijsinrichtingen. Aan deze omzendbrief werd
enkel een alinea toegevoegd waarin vermeld werd dat directies "maximale
inspanningen moesten leveren om fictieve inschrijvingen te vermijden". Er werd dus
geen melding gemaakt van het bereikt akkoord. Bovendien werd deze omzendbrief
verzonden in de zomervakantie van 1994, waardoor deze ontsnapte aan de aandacht
van nogal wat directies (Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, 1983: 34;
Steunpunt mensen zonder papieren, 1997: 2).

Om de onduidelijke situatie te verhelpen, werden later nog andere omzendbrieven
verzonden met een gelijklopende inhoud als de rondzendbrief uit 1983. De meest
recente omzendbrief betreffende inschrijving van kinderen van illegale verblijvers in
het basisonderwijs dateert van 1999. Dit schrijven is bovendien veel duidelijker dan de
eerste omzendbrief uit 1983, zodat veronderstelt mag worden dat nu elk schoolhoofd
op de hoogte is van het recht op onderwijs voor illegale verblijvers (Ministerie van de
Vlaamse Gemeenschap departement onderwijs, 1999a: 1-3).

Ook besloot de Vlaamse minister van Onderwijs geen bijkomende maatregelen te
treffen om te voorkomen dat kinderen van illegale verblijvers geweigerd zouden
worden in de scholen. De minister was van mening dat twee reeds bestaande
regelingen voldoende zouden moeten zijn om het weigeren van kinderen van illegale
verblijvers tegen te gaan en het mogelijk zouden moeten maken deze kinderen vlot in
de scholen te integreren, met name het non-discriminatiepact en de faciliteiten voor
Anderstalige Nieuwkomers (cf. infra: §3)(De Stoop, 1994a: 27).
2) Subsidies in Vlaanderen en Wallonië
Ook in Wallonië mogen kinderen van illegale verblijvers ingeschreven worden in de
scholen. In augustus 1994, als reactie op het akkoord tussen de Minister van
Binnenlandse Zaken en de Vlaamse Minister van Onderwijs, stuurde men in de
Franstalige Gemeenschap een gelijkaardige omzendbrief naar de scholen (Ministère de
Communauté française département de l'éducation, de la recherche et de formation,
1994: 1-2). Eén groot verschil bestond er echter wel tussen beide landsgedeelten: in
Vlaanderen kwamen ook de illegale verblijvers die als regelmatige leerling
ingeschreven stonden in aanmerking voor subsidies, zowel in het lagere als in het
secundaire onderwijs. Hierdoor kwamen echter een aantal Franstalige scholen, die een
groot aantal illegale verblijvers opvingen, in financiële moeilijkheden. Daarop besliste
de Waalse Minister van Onderwijs om het onderwijs voor kinderen van illegale
verblijvers vanaf het schooljaar 1996-1997 ook te subsidiëren. Later zou ook een
regeling worden uitgewerkt voor het secundair onderwijs (Bn, 1996; Steunpunt
mensen zonder papieren, 1997: 2-3).
3) Diploma
Het illegale verblijf op zich is geen reden om niet in aanmerking te komen voor een
diploma. Om een diploma uitgereikt te krijgen moet men voldoen aan twee
voorwaarden: men moet ingeschreven zijn als regelmatige leerling en men moet
geslaagd zijn. Het zijn de schooldirecties zelf die bevoegd zijn om de diploma's uit te
reiken, maar als aan deze twee voorwaarden voldaan is, heeft een kind van een illegale
verblijver ook "recht op een diploma"(Peeters, 1996: 24-25; Steunpunt Mensen zonder
Papieren, 1996: 13; Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap departement onderwijs,
1999a).
4) Onderwijs voor volwassenen
Het is ook voor volwassen illegale verblijvers mogelijk om onderwijs te volgen. Het
aanbod aan mogelijkheden is echter zeer verscheiden en versnipperd. Eén
mogelijkheid voor hen is het volgen van schriftelijk of afstandsonderwijs, dat
georganiseerd wordt door het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. De
inschrijving is gratis, maar de illegale verblijvers zullen wel het Nederlands voldoende
moeten beheersen om aan dit onderwijs deel te kunnen nemen (Devillé, 1997: 20;
OCIV, 1997:104-105).
2.2.  Het belang van onderwijs voor niet-legale kinderen

Ondanks de problemen die het onderwijs voor kinderen van illegale kinderen
misschien oplevert (en die in de verdere hoofdstukken besproken worden), mag het
belang van het onderwijs voor deze kinderen niet onderschat worden. Doch niet alleen
de kinderen van de illegale verblijvers hebben er belang bij school te kunnen lopen, er
kunnen nog twee andere  partijen worden onderscheiden die elk belang hebben bij het
feit dat illegale kinderen onderwijs kunnen volgen: hun ouders en onze maatschappij.

Ten eerste zijn er de kinderen en de jongeren zelf die belang hechten aan hun
opleiding.  Het onderwijs draagt immers, samen met onder andere het gezin, bij tot de
ontplooiing van een aantal eigenschappen zoals zingevingsvermogen, sociale
vaardigheden, eigenwaarde, … die belangrijk zijn voor de "veerkrachtige"
ontwikkeling van jongeren (Van Gils, 1999: 67-82). Uit een onderzoek van het
Steunpunt Mensen zonder Papieren naar het onderwijs voor illegale verblijvers bleek
dat vooral jongere kinderen (d.i. die nog naar de lagere school gaan) zeer gemotiveerd
zijn en bovendien vlotter geïntegreerd worden in de klas. Naarmate ze ouder worden
daalt de motivatie, omdat de jongeren het uitzichtloze van de situatie van hun ouders
beginnen in te zien. Toch blijken ze meer gemotiveerd te zijn als ze school lopen in
een technische of beroepsrichting. De motivatie lijkt eveneens hoger te liggen als ze
meer aangemoedigd worden of meer begeleiding ontvangen (bvb. in een onthaalklas
of begeleiding vanuit één of andere organisatie). Hun slaagkansen blijken echter aan
de lage kant te liggen, wat voornamelijk te wijten is aan taal- en andere
schoolachterstand die weggewerkt dient te worden (Peeters, 1996: 23-24).

Vanuit het standpunt van de ouders bekeken, blijkt het belang dat zij hechten aan
onderwijs samen te hangen met het genoten opleidingsniveau van de ouders zelf.
Ouders met een hogere opleidingsgraad hechten meer belang aan het feit dat hun
kinderen school lopen, terwijl ouders met een eerder lagere opleidingsgraad dit van
eerder ondergeschikt belang vinden. Er zijn echter nog bijkomende redenen waarom
ouders hun kinderen naar school sturen: om te voorkomen dat ze rondhangen op straat
of om te voorkomen dat ze thuis rondhangen waar minder materieel comfort is en
waar hun ouders zich zorgen maken over hun toekomst.  Bovendien kennen vele
ouders angst om hun kinderen naar school te sturen. Ondanks de bepalingen in het
drie-puntenakkoord dat gesloten werd tussen de Minister van Binnenlandse Zaken en
de Minister van Onderwijs, maar dat nooit in een decreet is vastgelegd, vertrouwen
vele ouders de situatie niet (Peeters, 1996: 27-28). De scholen kunnen bovendien voor
de ouders een aanspreekpunt vormen in hun contact met de gemeenschap.

Een laatste partij waarvoor deze mogelijkheid tot onderwijs van groot belang is, maar
die vaak over het hoofd gezien wordt, is voor de maatschappij zelf.  Het onderwijs is,
naast o.a. ook het contact met de hulporganisaties, één van de weinige schakels die de
maatschappij verbindt met de clandestiene verblijvers. Johan Leman, directeur van het
Centrum van Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding, spreekt in een artikel van
Knack zelfs over een parallelle (onder)samenleving die zich al ontwikkeld heeft (De
Stoop, 1994b: 28-29). Zo kan een "zwarte arbeidsmarkt" een bedreiging vormen voor
heel wat "ongeschoolde arbeiders", aangezien de illegalen veel goedkoper werken. Het
ondermijnt ook het stelsel van de sociale zekerheid aangezien deze mensen geen
sociale bijdragen betalen. Zij kunnen zelf ook niet genieten van enige uitkering of
bescherming wat grove wanpraktijken toelaat. Het is voor de samenleving dan ook
belangrijk in contact te blijven met deze 'wereld'. Daarenboven wordt door het
organiseren van onderwijs voor kinderen van illegale verblijvers voorkomen dat deze
kinderen op straat terechtkomen. Op die wijze kan dan kleine criminaliteit, en op
langere termijn misschien grote criminaliteit, tegengegaan worden, wat de veiligheid
in onze maatschappij alleen maar ten goede kan komen (De Stoop, 1994b:27). Naast
het vermijden van de kleine criminaliteit kan met de opvang van de kinderen van
illegale verblijvers indirect een tweede doel bereikt worden: als men via het onderwijs
voorkomt dat deze kinderen op straat rondhangen, zal ook de negatieve beeldvorming
rond allochtonen in de publieke opinie mogelijkerwijs afnemen, wat alleen maar een
positieve invloed kan vormen voor hun integratie.

Er werd reeds vermeld dat de Vlaams Minister van onderwijs het niet nodig achtte om
bijkomende faciliteiten ter beschikking te stellen om ten eerste te voorkomen dat kinderen van
illegale verblijvers geweigerd werden in scholen en ten tweede om de opvang van de kinderen
van illegale verblijvers te vergemakkelijken (cf. supra: 2.2). Hij doet hier wel beroep op twee
reeds bestaande maatregelen: het non-discriminatiepact en het onthaalonderwijs voor
anderstalige nieuwkomers. Hoewel dit de regelingen zijn waarin de meeste kinderen van
illegale verblijvers terechtkomen, wordt er door sommige scholen eveneens beroep gedaan op
een aantal andere maatregelen: het onderwijsvoorrangsbeleid voor migranten en de
zorgverbreding. Deze vier regelingen worden in de volgende paragraaf kort voorgesteld.

§3: Faciliteiten ter beschikking voor de opvang van illegale verblijvers
3.1 Het Non-discrimatiepact

In 1993 is er een gemeenschappelijke verklaring van de verschillende onderwijsnetten
en de Minister van Onderwijs voorgesteld. Zij vormt de basistekst voor het non-
discriminatiebeleid in het onderwijs. De verklaring omvat de volgende aspecten:
bepalingen en afspraken over het toelatingsbeleid, de uitwerking van één non-
discriminatiecode voor alle scholen en de aanduiding van verantwoordelijken die
moeten toezien op een vlugge en adequate behandeling van discriminatie en racisme.
Met dit non-discriminatiepact willen twee belangrijke doelstellingen bereikt worden.
Ten eerste wil men een meer evenredige aanwezigheid bereiken van
doelgroepleerlingen in scholen en gemeenten met veel allochtonen om zo de vorming
van concentratiescholen te vermijden. Met het begrip doelgroepleerlingen duidt men
op kinderen met een grootmoeder aan moederszijde die niet in België geboren is of die
noch de Belgische noch de Nederlandse nationaliteit heeft én waarvan de moeder niet
tot haar achttiende jaar naar school is geweest. De tweede doelstelling van de non-
discriminatieverklaring is dat men een meer bewuste opstelling ten aanzien van
discriminatie op school wil bereiken. Deze algemene non-discriminatieverklaring
krijgt dan een meer concrete invulling op gemeentelijke basis waarbij een akkoord
gesloten wordt tussen de scholen van de verschillende netten, dat afhankelijk is van de
situatie in die gemeente. Normaalgezien moesten alle gemeenten en steden vanaf het
schooljaar 1994-1995 een spreidings- en non-discriminatieplan opgesteld hebben. Zo
is er in Antwerpen gekozen om een spreidingsbeleid te voeren: het is de bedoeling van
het akkoord in Antwerpen dat elke school minstens 20% allochtone leerlingen
inschrijft en dat concentratiescholen op hun beurt trachten hun percentage aan
allochtone leerlingen te doen dalen. (Leman, 1999: 137-138; Kuppens, 1998: 11
Peeters, 1996: 9-10; OCIV, 1997: 103-104).
3.2 Anderstalige Nieuwkomers

Het onderwijsbeleid voor migranten in Vlaanderen omvat een aantal componenten,
namelijk het Onderwijsvoorrangsbeleid, het Intercultureel onderwijs, het Onderwijs
Eigen Taal en Cultuur, de Non-discriminatieverklaring en het onthaalbeleid voor
Anderstalige Nieuwkomers. Het is deze laatste component die vooral wordt ingezet
om de opvang en de integratie van kinderen van illegale verblijvers te bevorderen
(Peeters, 1996: 9)

Als Anderstalige Nieuwkomers (ATN's) worden beschouwd kinderen die gelijktijdig
aan de volgende vijf voorwaarden voldoen:
- ze mogen niet de Belgische of de Nederlandse nationaliteit bezitten.
- ze mogen niet het Nederlands als moedertaal hebben
- ze moeten de onderwijstaal onvoldoende beheersen om met goed gevolg de lessen
te kunnen volgen.
- ze mogen niet in België of Nederland geboren zijn
- ze mogen nog geen volledig schooljaar onderwijs hebben gevolgd in een school
met het Nederlands als onderwijstaal.
Van deze laatste twee voorwaarden kan (uitzonderlijk) afgeweken worden. Het
onthaalonderwijs voor ATN's wordt ingericht om de taalvaardigheid Nederlands en de
sociale integratie van deze ATN's te bevorderen. Het onthaalonderwijs dient de
ATN's voor te bereiden op het instromen in het gewone onderwijs en dit na één jaar.
Tijdens dit jaar tracht men bij de ATN's de nodige vaardigheden te ontwikkelen om de
leerboodschappen die overgebracht worden in de gewone klas te begrijpen en om deel
te nemen aan het sociale verkeer in de klas en in de school. Deze vaardigheden moeten
de ATN's in staat stellen om zich te integreren in onze maatschappij en om deze
sociale integratie niet te belemmeren mag de ATN maximum twaalf lestijden
afgezonderd worden van zijn leerlingengroep.

Om deze lestijden voor ATN's te mogen organiseren moet een school minstens vier
ATN's opvangen en met uitzondering van de scholen in de steden Gent en Antwerpen,
mogen niet meer dan de helft van de leerlingen onderwijsvoorrangleerlingen zijn (cf.
infra: 3.3). Deze lestijden voor de opvang van ATN's kunnen alleen in het lager
onderwijs worden gefinancierd of gesubsidieerd. Een school bekomt twee aanvullende
lestijden per vestigingsplaats die het onthaalonderwijs aanbiedt en bijkomend
anderhalve lestijd per ATN (in groepen van vier ATN's  toegekend). Daarenboven
krijgen de scholen een toelage van 5000 frank per ingeschreven ATN (Ministerie van
de Vlaamse Gemeenschap, 1999b: 1-4).
3.3 Onderwijsvoorrangsbeleid voor migranten

Dit beleid werd in 1991 ontwikkeld door de Vlaamse regering met als doel de
onderwijsachterstand van migrantenkinderen weg te werken en de integratie te
bevorderen, waarbij men zich hoofdzakelijk richt op de kansarme migranten. Het
begrip "kansarme migranten" wordt gespecificeerd als migrantenkinderen die omwille
van hun etnische herkomst en omwille van sociale, culturele en economische
omstandigheden leer- en ontwikkelingsmoeilijkheden ervaren of het risico lopen in
een achterstandspositie te geraken. Zij hebben namelijk de minste
ontwikkelingskansen en de grootste nood aan bijkomende ondersteuning.

Scholen die migranten opvangen kunnen daarom rekenen op extra lestijden,
begeleiding en ondersteuning. Het is de bedoeling met behulp van deze middelen een
onderwijspraktijk uit te bouwen die rekening houdt met de taalachtergrond en de
culturele verscheidenheid van de leerlingen.

Scholen die in aanmerking komen voor deze extra lesuren en ondersteuning zijn
scholen die per vestigingsplaats minstens 20 leerlingen onderwijsvoorrang opvangen
of waar minstens 10 % van de leerlingen, leerling onderwijsvoorrang is. Een leerling
onderwijsvoorrang is een leerling die tegelijkertijd aan twee van de drie hierna
genoemde voorwaarden voldoet: de grootmoeder langs moederszijde is niet in België
geboren, zij bezit evenmin de Belgische of Nederlandse nationaliteit én de moeder
heeft ten hoogste tot het schooljaar waarin zij 18 jaar werd, onderwijs genoten. Als
deze scholen in aanmerking komen voor het onderwijsvoorrangsbeleid dan kunnen ze
extra lestijden bekomen als zij een aanvraag indienen, als hun aanwendingsplan wordt
goedgekeurd en als de inspectie een positief inspectieverslag heeft opgesteld van het
vorige werkingsjaar.

De extra lestijden moeten dan worden ingezet op de volgende vier domeinen: het
intercultureel onderwijs (ICO), taalvaardigheid Nederlands, preventie en remediëring
van ontwikkelings- of leerproblemen en betrokkenheid van de ouders. Optioneel kan
een school naast de lessen binnen deze verplichte actieterreinen ook een aantal uren
Onderwijs in eigen taal en cultuur (OETC), organiseren behoudens aan een aantal
voorwaarden voldaan wordt (Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, 1999c: 1-11).
3.4 Zorgverbreding

Sinds het schooljaar 1993-1994 worden door de Vlaamse regering ook projecten
zorgverbreding aangeboden in het kleuter-  en lager onderwijs met als doel een breder
continuüm aan onderwijszorgen voor leerbedreigde en kansarme kinderen tot stand te
brengen. Het is de bedoeling dat de zorgverbredingsinspanningen leiden tot een
preventief, begeleidend en remediërend proces met als uitgangspunt de hele
persoonlijkheid van het kind. Alzo zou er een onderwijspraktijk uitgebouwd moeten
worden die ook rekening houdt met de taalachtergrond en de sociale en culturele
verscheidenheid van de leerlingen, ook van de autochtone leerlingen.

De doelgroep van deze zorgverbreding zijn leerlingen die wel in het gewoon onderwijs
thuishoren, maar er onvoldoende van de gangbare aanpak gebruik maken. Gezien hun
kwetsbare positie moet er extra aandacht besteed worden aan kinderen uit kansarme
gezinnen. In de praktijk worden de leerlingen die in aanmerking komen voor de
zorgverbreding gedefinieerd als een leerling die aan één of meer van de volgende
voorwaarden voldoet: een leerling van wie de moeder het diploma secundair onderwijs
niet heeft behaald en/of die behoort tot een éénoudergezin en/of van wie beide ouders
werkloos zijn. Men gaat er op basis van wetenschappelijk onderzoek vanuit dat deze
achtergrondkenmerken van de kinderen samenhangen met ontwikkelings- en
leerproblemen.

Scholen die recht hebben op steun in het kader van de zorgverbreding zijn scholen
waar minstens 20 leerlingen  of 10 % van de schoolpopulatie behoren tot de doelgroep
van het zorgverbredingbeleid. Als die scholen dan een aanvraag indienen en hun
aanwendingsplan wordt goedgekeurd en de school heeft een positief inspectieverslag
voor het voorbije schooljaar gekregen, dan bekomt ze extra lestijden voor
zorgverbreding. Deze lestijden moeten wel besteed worden aan de volgende
actieterreinen: preventie en remediëring van ontwikkelings- en leerproblemen,
taalvaardigheid Nederlands, intercultureel onderwijs, socio-economische ontwikkeling
en betrokkenheid van ouders (Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, 1999d: 1-10).
§4: Besluit

In dit hoofdstuk werd eerst en vooral gepoogd duiding te geven bij het begrip "illegale
verblijvers" door deze groep mensen te vergelijken en te onderscheiden van legaal
verblijvende vluchtelingen en asielzoekers. Ondanks een uitvoerige beschrijving van de
groepen die wel als erkend vluchteling beschouwd worden, blijkt een situatie van illegaal
verblijf niet altijd even eenduidig vast te stellen.

Vervolgens werd het recht op onderwijs zoals het concreet gestalte krijgt, voorgesteld.
Daarmee samenhangend werden de faciliteiten besproken waarop scholen een beroep kunnen
doen om tegemoet te komen aan de noden van kinderen van illegale verblijvers op het vlak
van onderwijs. De scholen maken voor de opvang van kinderen van illegale verblijvers ook
gebruik van voorzieningen die niet specifiek voor kinderen van illegale verblijvers werden
ontworpen, zoals voorzieningen voor kansarme allochtonen en Belgen. Ook het non-
discriminatiepact zoals dit in Antwerpen en deelgemeenten wordt toegepast werd besproken.
Er werd eveneens ingegaan op het belang van het openstellen van het onderwijs voor de
kinderen van illegale verblijvers voor alle betrokken partijen. Hierbij werd geprobeerd om
duidelijk te maken dat ook de samenleving er baat bij heeft om het onderwijs voor kinderen
van illegale verblijvers te optimaliseren, zodat zoveel mogelijk kinderen van illegale
verblijvers opgevangen worden in het onderwijs en ze bovendien reële kansen krijgen om een
diploma te halen.

In dit hoofdstuk werd dus het algemene kader waarbinnen het onderzoek plaatsvindt,
voorgesteld. In het volgende hoofdstuk zal er worden ingegaan op een aantal
methodologische aspecten van het onderzoek.
 

Hoofdstuk 2: Een verkenning van het onderzoeksveld en de
onderzoeksopzet
 

Het onderzoek heeft als doel de problemen in kaart te brengen die zich voordoen
indien de illegale verblijvers het recht op onderwijs ook echt in de praktijk trachten te
brengen. Aangezien er geen gegevens voor handen zijn over welke scholen in Vlaanderen
kinderen  van illegale verblijvers opvangen, moest dus in een eerste fase nagegaan worden
welke scholen in de populatie wel kinderen van illegale verblijvers opvangen en welke niet.
De onderzoekseenheden zijn dus de scholen die kinderen van illegale verblijvers opvangen.
Vervolgens moet uit de populatie van scholen die kinderen van illegale verblijvers opvangen
een selectie gemaakt worden. Ook de keuze voor kwalitatieve interviews wordt besproken.
§1: Afbakening van de populatie

Een eerste afbakening was de beperking van het onderzoeksveld tot de stad Antwerpen
en haar deelgemeenten. De keuze voor Antwerpen werd genomen vanuit het oogpunt dat
Antwerpen de grootste Nederlandstalige stad is in Vlaanderen. Men kan immers
veronderstellen dat het overgrote deel van de  mensen zonder wettige verblijfspapieren vooral
in grootsteden verblijft. Het is namelijk zo dat ze gemakkelijker anoniem kunnen verblijven in
een grootstad. Daarnaast wonen in de grootsteden vaak ook grote groepen (legaal
verblijvende) migranten.  Het blijkt uit gesprekken met hulpverleners van organisaties die
werken met migranten, dat mensen zonder geldige verblijfspapieren veelal in de buurt van
mensen met dezelfde nationaliteit gaan wonen en dat er echte "clans" gevormd worden die
soms ook instaan voor financiële steun aan hun illegale landgenoten  (Falter, 2000: 3). In een
stad als Antwerpen zou er dus niet alleen een groot aantal scholen zijn die kinderen van
illegale verblijvers opvangen, de problemen zijn in een aantal scholen, meer bepaald in de
concentratiescholen, ook prangender omwille van het hogere aandeel van de kinderen van
illegale verblijvers. De keuze voor Antwerpen lag dus nogal voor de hand.

Een tweede beperking in het onderzoeksdomein werd gemaakt door het besluit zich alleen te
richten op de lagere scholen. Deze werd ingegeven vanuit de volgende overwegingen. De
lagere scholen hebben als voordeel ten opzichte van de kleuterscholen, dat vanaf het eerste
leerjaar wordt begonnen met het werkelijke leerproces. Studie- en taalproblemen zullen hier
dan vermoedelijk ook sneller naar boven komen. Daarenboven is het kleuteronderwijs in
België niet verplicht en aangezien de illegale verblijvers vaak met financiële problemen
kampen (cf. infra: hfst 3, 1.1.3), bestaat de kans dat ze zullen proberen om hun kinderen
eerder naar het lager onderwijs te sturen dan het kleuteronderwijs te laten volgen. Naderhand
bleek deze keuze trouwens irrelevant aangezien de ondervraagde directies ook de leiding
hadden over kleuterscholen, waardoor ze dus ook over het kleuteronderwijs uitspraak konden
doen.

Van groter belang was de uitsluiting van de secundaire scholen. Deze beslissing werd
genomen, omdat het in het secundair onderwijs de gangbare praktijk is dat de meeste vakken
door verschillende leerkrachten worden gegeven. Dit in tegenstelling met de lagere school
waar er één leerkracht, de klasleerkracht, instaat voor het merendeel van de vakken. Daarbij
komt nog dat de lagere scholen vaak kleiner zijn en meer verspreid zijn. Ook worden kinderen
uit de lagere school nog meer afgehaald van de school dan in het secundair onderwijs. Dit
alles zou het contact tussen de illegaal verblijvende ouders en hun kinderen enerzijds en de
leerkrachten en de directie anderzijds moeten bevorderen. Op basis hiervan kan worden
aangenomen dat men in een lagere scholen misschien beter op de hoogte is van de problemen
die kinderen op school, maar ook in hun thuissituatie ondervinden en die een negatieve
invloed uitoefenen op hun schoolprestaties. Bovendien zullen ouders waarschijnlijk sneller
naar de directie en leerkrachten stappen als het contact beter is.

Bovenstaande redenen hebben tot gevolg dat besloten werd het onderzoek te richten op lagere
scholen. Bijgevolg wordt de populatie gevormd door alle lagere scholen op het grondgebied
van de stad Antwerpen en haar deelgemeenten, die kinderen van illegale verblijvers
opvangen. Het gaat hier om de deelgemeenten Deurne, Borgerhout, Merksem, Ekeren,
Berchem, Wilrijk en Hoboken. De volledige lijst met scholen van Antwerpen en zijn
deelgemeenten werd verkregen op basis van een lijst, die afkomstig is van het Ministerie van
de Vlaamse Gemeenschap departement onderwijs, waarin alle lagere scholen uit de Vlaamse
Gemeenschap per provincie zijn opgenomen. Op basis van de postcodes (nagevraagd bij de
post) werden alle scholen van Antwerpen en deelgemeenten uit de lijst gehaald. Het gaat in
totaal om 122 lagere scholen. Deze 122 scholen vormen bijgevolg mijn steekproefkader
(Billiet, 1990:120)
 
§2: De onderzoekseenheden

Er moest vervolgens worden nagegaan hoeveel en welke lagere scholen precies
kinderen van illegale verblijvers opvingen. Dus werd een brief (cf. bijlage 1) gestuurd naar
alle directies van alle lagere scholen in Antwerpen en deelgemeenten met de vraag of ze dit
schooljaar al dan niet kinderen van illegale verblijvers opvingen of dat ze vermoeden dat in
hun school kinderen van illegale verblijvers zijn ingeschreven. Ook werd gevraagd naar de
leerjaren (eventueel kleuterklassen) in dewelke deze kinderen dan les volgen. Er werd uit de
eerste volledige lijst van alle scholen dus nog geen verdere selectie gemaakt.

Na het verzenden van de brief, werden de scholen waar na een drietal weken nog geen
antwoord was van ontvangen nogmaals gecontacteerd dit maal telefonisch. De scholen die
nog niet geantwoord hadden werden tot drie maal toe opgebeld. Indien na drie pogingen de
directeur of directrice nog niet bereikbaar was, werden de pogingen gestaakt, ook omdat dit
uiteindelijk om nog slechts een miniem percentage van de scholen ging.

Bij de telefonische bevraging werd door enkele scholen geweigerd te antwoorden voordat er
een (schriftelijke) toestemming was van de Stedelijke Inspectie van de stad Antwerpen. Voor
de stedelijke scholen geldt blijkbaar dat men niet meewerkt aan enquêtes, vragenlijsten,
onderzoeken, … alvorens er toestemming is van de Stedelijke Inspectie. Dit vooral om een
toevloed aan bevragingen van de scholen te voorkomen. Opvallend is wel dat lang niet alle
scholen van het stedelijk net zich aan deze regel leken te houden en dus wel antwoordden
voor er toestemming was van de stedelijke inspectie. Toen dit eenmaal geweten was, werd er
dan ook een brief gestuurd om de toelating te vragen aan de Stedelijke Inspectie van de stad
Antwerpen, omdat het waarschijnlijk om scholen ging die wel kinderen van illegale
verblijvers opvangen, maar die zulke informatie niet wensten mee te delen. De brief kreeg een
positief gevolg van de Stedelijke Inspectie, maar dan wel op voorwaarde dat de anonimiteit
van de scholen werd gewaarborgd.

Uiteindelijk leverde het schriftelijk en het telefonische contact de volgende responsresultaten
op :
?   Van de 122 scholen werden er na de schriftelijke en drie telefonische pogingen 6 scholen
     van de 122 niet bereikt. Het gaat om 4,9 % van de scholen waar dus geen enkel contact
     mee is geweest.
Van die zes scholen is er 1 school die eind juni 1999 gesloten is.
 In totaal is er dus met 116 van de 121 scholen op het grondgebied van de stad Antwerpen
en deelgemeenten wel contact opgenomen (cf. infra: tabel 1).

? Van de 116 wel gecontacteerde scholen waren er 7 die, in eerste instantie, weigerden mee
te werken. Het gaat hier opnieuw om 4,9 % van alle scholen. Van die zeven scholen,
antwoordden er vier dat ze afhingen van de stad en dat ze zulke informatie niet konden
mee delen zonder toestemming van de Stedelijke Inspectie. Eén directeur meldde
bovendien dat hij zo'n delicate informatie niet langs de telefoon wenste mee te delen. Hij
wenste een persoonlijk contact en het bewijs dat ik een studente was die een eindwerk
maakte. De twee andere scholen die weigerden, wilden niet meewerken, omdat ze al
genoeg enquêtes moesten invullen.

Alhoewel het slechts om een beperkt aantal scholen gaat, meer bepaald vier, die niet
wilden of konden meewerken om dat ze onder de stad Antwerpen ressorteren, werd toch
besloten om alsnog de toestemming van de Stedelijke Inspectie van de stad Antwerpen
aan te vragen. Deze beslissing werd genomen, omdat de scholen die weigerden soms wel
te kennen gaven dat er kinderen van illegale verblijvers in hun school les volgden, maar
dat ze verder geen antwoord konden geven.

Vervolgens werd de eerste brief, samen met een kopie van de toestemming van de
Stedelijk Inspectie, opnieuw verzonden naar de scholen die tot nu toe niet hadden kunnen
meewerken. Ook deze brief leverde nog resultaat op, namelijk drie van de vier scholen
reageerden deze keer wel en twee van deze scholen bleken ook nog kinderen van illegale
verblijvers op te vangen (cf. infra: tabel 1).

? De totale non-respons bestond dus uit vijf scholen (en één school die gesloten is) die
helemaal niet bereikt werden en vier scholen die weigerden te antwoorden. Dit is een non-
respons van 7,4 %. Het gaat hier zowel om scholen van het katholieke net, als van het
stedelijke net en het gemeenschapsonderwijs. Bovendien zijn deze scholen verspreid over
Antwerpen en de verschillende deelgemeenten. Omwille van het zeer lage percentage aan
non-respons en het feit dat de weigeringen niet geconcentreerd zijn in één bepaalde buurt
noch onderwijsnet werd geen verder non-responsonderzoek gedaan.

? Het percentage scholen dat reageerde op de brief was 44% van alle scholen die bereikt
werden. Aldus was het percentage scholen waarvan telefonisch een reactie werd bekomen
56 %.

? Van de uiteindelijk 112 gecontacteerde scholen antwoordden er 26 dat ze één of meerdere
(vermoedelijke) kinderen van illegale verblijvers opvingen. Dit wil dus zeggen dat 23,2%
van de gecontacteerde scholen in Antwerpen en deelgemeenten kinderen van illegale
verblijvers opvangen. Op het totale aantal scholen (inclusief de scholen die weigerden om
mee te werken of die niet bereikt werden) is dus van 21,5% van de scholen geweten dat ze
kinderen van illegale verblijvers opnemen. Het aantal opgevangen kinderen van mensen
die illegaal in ons land verblijven varieerde van één kind tot enkele tientallen. Er worden
zowel kinderen opgevangen in de kleuterklassen als in alle jaren van het lager onderwijs.
Deze 26 scholen waar wel kinderen van illegale verblijvers worden opgevangen vormen
dus het steekproefkader waar een aantal scholen uit geselecteerd werden voor een
interview (cf. infra: 3.3)(Billiet, 1990: 120).

? De 26 scholen die wel kinderen van illegale verblijvers opvingen waren als volgt verdeeld
over de verschillende netten: 15 scholen behoorden tot het vrije onderwijs, 8 scholen
behoorden tot het stedelijke net en tenslotte vingen er nog 3 scholen uit het
gemeenschapsonderwijs kinderen van illegale verblijvers op. Opvallend is dat van de 8
gemeenschapsscholen in Antwerpen en  deelgemeenten er 3 wel kinderen van illegale
verblijvers opvangen. Daarentegen is er nauwelijks verschil tussen het vrij en het stedelijk
onderwijs in het percentage scholen dat wel kinderen van illegale verblijvers opvangt: dit
zijn namelijk 15 van de in totaal 70  scholen van het vrij onderwijs (= 21.4 %) tegenover 8
van de 42 scholen van het stedelijk onderwijs (= 19%) (cf. infra: tabel 2 en grafiek 1).

? Bovendien werden in bijna alle stadsgedeelten  van Antwerpen en in bijna alle
deelgemeenten kinderen van illegale verblijvers opgevangen. Uitzonderingen, waar geen
enkele school kinderen van illegale verblijvers opving, zijn: Antwerpen 3, Antwerpen 4
(Berendrecht) en Ekeren. Toch bleken de scholen die wel kinderen van illegale verblijvers
opvingen vooral geconcentreerd in Antwerpen 1 (de stationsbuurt), Borgerhout en
Berchem (cf. infra: tabel 3).

Een groter probleem vormt het aantal kinderen van illegale verblijvers. De directies konden
meestal van een aantal kinderen met zekerheid zeggen dat ze illegaal verbleven, maar er werd
bijna even vaak een "vermoedelijk aantal" vermeld. Hierdoor is het dus mogelijk dat er nog
een groter aantal kinderen van illegale verblijvers school loopt in Antwerpen en
deelgemeenten, maar dat dit niet bekend is bij de directies.

Er moet hier nog bij vermeld worden dat tijdens de telefonische contacten is gebleken dat,
alhoewel het om een zeer klein aantal ging, er nog steeds directies van scholen zijn die ervan
overtuigd zijn, dat het niet is toegelaten om kinderen van illegale verblijvers op te vangen en
ze benadrukten dan ook dat ze zeker geen kinderen van mensen zonder geldige
verblijfspapieren opvingen.

Er waren daarentegen andere scholen die wel kinderen van mensen zonder geldige
verblijfspapieren opvingen, maar die zeer bezorgd waren dat het meewerken aan het
onderzoek risicovol zou zijn voor de kinderen die ze opvingen of voor hun ouders, ondanks
het feit dat de namen van de kinderen niet gevraagd werden en de anonimiteit gegarandeerd
werd. De scholen die deze twijfels uitten, konden daarna meestal wel overgehaald worden om
mee te werken, met uitzondering van het hierboven vermelde geval waarin de directeur een
persoonlijk contact eiste.

Later, in de fase van de interviews, bleek ook een enkele keer dat de ondervraagde
directieleden andere scholen vermeldden die ook kinderen van illegale verblijvers zouden
opvangen, maar die mij geantwoord hadden dat ze er geen opvingen. Het zou nu wel kunnen
dat die op het moment dat ze antwoordden geen kinderen van illegale verblijvers opvingen,
maar dat er later in het jaar wel zulke kinderen toekwamen. Toch zou het ook kunnen dat de
scholen verzwegen dat ze kinderen van illegale verblijvers opvingen.
 

De belangrijkste van de hierboven vermelde resultaten worden met behulp van tabellen en
grafieken weergegeven.
 

Tabel 1: Gecontacteerde scholen: respons

Wel contact
Geen contact

112
5

(weigering) 4
(gesloten) 1
Totaal
116
6

Tabel 1 geeft een overzicht van de mate waarin de lagere scholen van Antwerpen en
deelgemeenten bereikt zijn door de schriftelijke en telefonische bevraging. In totaal hebben
dus 112 van de in totaal 121 scholen antwoord gegeven op de vraag of ze al dan niet illegale
verblijvers opvingen.
 
Tabel 2: Opvang van kinderen van illegale verblijvers naar
onderwijsnet

Freq
Wel (A)
Niet (B)
A/ A+B (%)
Vrij Onderwijs
15
55
21,4%
Stedelijk Onderwijs
8
34
19%
Gemeenschaps-
Onderwijs
3
5
37,5%
Tehuis

1
 

Totaal

26 ( 21,5 %)

95 (78,5 %)

121
 

Als de kolom A van Tabel 2 alleen beschouwd wordt, krijgt men het volgende beeld,
voorgesteld in grafiek 1:

Grafiek 1 geeft aan dat de meerderheid van de scholen die wel kinderen van illegale
verblijvers opvangen tot het vrij onderwijs behoren. Wel mag deze grafiek niet losgezien
worden van tabel 2. In Tabel 2 wordt duidelijk getoond dat het vrij onderwijs in Antwerpen
en deelgemeenten een groter aantal vestigingen heeft dan het stedelijk en het
gemeenschapsonderwijs. Toch weerleggen de tabel en de grafiek gedeeltelijk de kritiek van
het stedelijk en het gemeenschapsonderwijs, als zou het vrij onderwijs zoveel mogelijk
kinderen van illegale verblijvers doorsturen. Hier wordt natuurlijk geen rekening gehouden
met het aantal kinderen van illegale verblijvers die de scholen opvangen, maar als men de
derde kolom uit tabel 2 bekijkt, valt op dat het aandeel van de scholen in het vrij onderwijs
die wel illegaal verblijvende kinderen opvangen, groter is dan hetzelfde aandeel voor scholen
van het stedelijk onderwijs dat.

Tenslotte wordt in tabel 3 de geografische spreiding van de scholen weergegeven. Er wordt
eveneens het totaal aantal scholen in elke deelgemeente of stadsdeel bijvermeld, zodat een
meer genuanceerd beeld wordt bekomen.

Tabel 3: Scholen die kinderen van illegale verblijvers opvangen naar stadsdeel en
deelgemeente

Aantal scholen dat illegaal
verblijvende kinderen
opvangt
Totaal aantal
scholen

Percentage
per  gebied
(%)
Antwerpen 1(station)
6
29
20,7
Antwerpen 2
1
4
25
Antwerpen 3
0
3
0
Antwerpen 4
0
4
0
Antwerpen 5 (linkeroever)
2
6
33,3
Antwerpen 6 (Noord)
3
8
37,5
Deurne
1
19
5,3
Borgerhout
3
9
33,3
Merksem
2
8
25
Ekeren
0
8
0
Berchem
5
7
71,4
Wilrijk
2
8
25
Hoboken
1
8
12,5
 

26

121

21,5
 
 

§3: De kwalitatieve interviews

 In deze paragraaf worden een aantal methodologische keuzes verantwoord met
betrekking tot de gebruikte interviewtechniek, de selectie van de scholen en de
personeelsleden die ondervraagd zouden worden.
3.1 De keuze voor diepte-interviews

Er werd besloten om in het onderzoek gebruik te maken van de kwalitatieve methode
van bevragen. Hiertoe werd besloten, omdat er op voorhand nog maar weinig
materiaal beschikbaar was over de problemen die zich voordoen als men kinderen van
illegale verblijvers opvangt in zijn school. Bovendien kwam deze informatie vrij
eenzijdig van hulpverleners (ook het onderzoek van het Steunpunt mensen zonder
papieren was vooral gericht op hulpverleners). Door beroep te doen op diepte-
interviews krijgen de respondenten meer kansen om nieuwe elementen, die nog niet
gekend waren aan te brengen. Daarenboven wordt het onderwerp van de illegale
verblijvers door sommige respondenten als vrij gevoelige materie beschouwd: een
minder gestructureerd interview is dan te verkiezen boven een postenquête of
gestandaardiseerd interview om de nodige informatie te bekomen. Bovendien zou de
onderzoekspopulatie, die slechts uit 26 scholen bestond sowieso onvoldoende zijn
voor een kwantitatieve verwerking.

Er werd gekozen voor een halfgestructureerd interview, waarbij de probleemstellingen
werden vastgelegd in een topiclijst. De probleemstellingen waren gebaseerd op de
informatie uit de gesprekken met de hulpverleners en het onderzoek door het
Steunpunt Mensen zonder Papieren (cf. infra: hfst 3, § 1). De topiclijst bestond uit drie
onderdelen. In het eerste onderdeel werd gepeild naar de problemen die de scholen
ervaren in de opvang van de kinderen van illegale verblijvers. In een tweede deel werd
gepeild naar de oplossingen die ze voor de problemen zochten en de hulp die ze hier
eventueel ontvangen van de overheid of van de andere scholen. Een laatste onderdeel
ging na vanuit welke visie de scholen deze kinderen opnamen en wat hun schoolbeleid
ten aanzien van kinderen van illegale verblijvers was. In elk van de onderdelen werd
ook ruimte gelaten aan de respondenten om naast de reeds vermelde topics nieuwe
elementen aan te brengen. Als deze elementen van belang waren, werden deze voor
een volgend interview mee opgenomen in de topiclijst. Het interview werd ingeleid
door een aantal vragen die de interviewer een beter beeld over de situatie van de
school moesten verschaffen .
 
 

De interviews werden geregistreerd op cassette en die nadien uitgetypt. Deze methode
werd gekozen, omdat er op deze manier de minste informatie verloren gaat. Ondanks
de gevoeligheid van het onderwerp verbood geen enkele van de respondenten om het
interview op cassette op te nemen. Wel werd steeds aan de respondenten gezegd, dat
indien ze het verkozen dat de cassetterecorder werd uitgeschakeld op een bepaald
ogenblik in het gesprek, ze dit steeds mochten vragen. Van deze mogelijkheid werd
meermaals gebruik gemaakt. De reconstructie van deze delen van het gesprek
gebeurde dan op basis van notities. Eén enkele keer was de kwaliteit van het
opgenomen interview zo slecht dat een groot deel van het verslag van het interview
werd gemaakt op basis van de nota's van het gesprek.
3.2 De keuze voor het interviewen van de directies

De interviews vonden plaats bij de directeurs en de directrices van de lagere scholen,
aangezien er van uitgegaan werd dat zij goed geplaatst zijn om een oordeel te vellen
over de problemen die zich stellen bij het volgen van onderwijs door kinderen van
illegale verblijvers. De directeurs en directrices staan weliswaar (meestal) niet zo dicht
bij de kinderen als de klasleerkrachten. Daarentegen is het wel de directie die de
kinderen inschrijft (of tenminste op de hoogte is van de inschrijvingen in de school en
er mee over beslist) en dus beslist over het al dan niet opvangen van kinderen van
illegale verblijvers. Als een school meerdere kinderen van illegale verblijvers opvangt,
hebben zij ook een beter beeld over de totale groep van kinderen van illegale
verblijvers, dan de individuele leerkrachten en kunnen zij met behulp van hun
administratie beter nagaan welke ingeschreven kinderen (vermoedelijk) illegaal in ons
land verblijven. Tevens is het in de eerste plaats de directie die geconfronteerd wordt
met de regelgeving betreffende het onderwijs en die dus op de hoogte zou moeten zijn
van het onderwijsakkoord tussen de Minister van Binnenlandse Zaken en de Minister
van de Vlaamse Gemeenschap bevoegd voor Onderwijs dat in 1994 werd afgesloten
en van de omzendbrieven die de scholen hiervan op de hoogte stellen (cf. supra: hfst 1,
§2, 2.1). Tenslotte zal het de directie zijn die verantwoordelijk is voor een aantal
beslissingen die betrekking hebben op het volgen van onderwijs door kinderen van
illegale verblijvers, zoals het al dan niet vrijstellen van de kosten voor een aantal
activiteiten, het proberen te spreiden van de opvang van kinderen van illegale
verblijvers, … Om de bovengenoemde redenen werd besloten de diepte-interviews af
te nemen bij de directeurs en directrices van de lagere scholen.

Men kan de directie van scholen die wél kinderen van illegale verblijvers opvangen
beschouwen als een groep van  deskundigen/experten op het vlak van de
onderwijsproblemen bij de kinderen van illegale verblijvers. De keuze voor de
directeurs en directrices die wel kinderen van illegale verblijvers in hun school
opvangen, is dan een type van natuurlijke of theoretische steekproeven, namelijk een
weloverwogen doelgerichte steekproef. Er wordt immers van uitgegaan dat de
directies geschikte onderzoekseenheden zijn die in staat zijn om relevante informatie
over het onderzoeksonderwerp te verschaffen (Billiet, 1990: 139-140).
3.3 De keuze van de scholen

Bij de selectie van de scholen werd met een aantal elementen rekening gehouden. Het
eerste en belangrijkste aspect van de keuze was het aantal kinderen van illegale
verblijvers dat werd opgevangen in de leerjaren (de kleuterklassen werden buiten
beschouwing gelaten). Na uitsluiting van de scholen die enkel illegale verblijvers in de
kleuterklassen opvingen, werden de 19 overblijvende scholen onderverdeeld in drie
groepen. De eerste groep was de groep van scholen die een groot aantal kinderen van
illegale verblijvers opvangen: de minimumgrens was 10 leerlingen. Aangezien slechts
vijf scholen in deze groep vielen en één directie van een school weigerde om nog
verder mee te werken wegens tijdgebrek, werden de directies van de vier
overblijvende scholen allemaal geïnterviewd. Een tweede groep scholen waren de
scholen die in totaal minimum vijf (vermoedelijke) kinderen van illegale verblijvers
opvangen. In deze groep zaten aanvankelijk vier scholen. De bedoeling was de
directies van elk van deze scholen te interviewen: echter één directielid wou wel
meewerken, maar kon zich niet vrijmaken voor de Paasvakantie (in 2000). Omwille
van het tijdsgebrek dat dit zou veroorzaken werd deze school niet opgenomen. Er
bleven in deze groep dus drie scholen over, die allen opnieuw werden bevraagd. De
laatste groep scholen omvatte in totaal nog tien scholen. Het ging om scholen die in de
kleuter- en lagere school samen minder dan vijf kinderen van illegale verblijvers
opvingen. Vaak ging het om scholen die maar één kind van illegale verblijvers
opvingen of slechts de kinderen uit één gezin. Uit deze scholen werden er vervolgens
vijf gekozen. Bij deze laatste selectie werd er voor gezorgd dat scholen uit alle netten
en uit zoveel mogelijk deelgemeenten of stadsgedeelten vertegenwoordigd waren.

In totaal werden dus twaalf interviews afgenomen. De eerste indeling van de scholen
op basis van het aantal illegale verblijvers dat ze opvingen, werd gedaan met als
uitgangspunt dat het voor een school een heel verschil zou uitmaken als ze slechts één
kind van illegale verblijvers opving of enkele tientallen. Vooral de financiële bijstand
voor deze mensen en de mogelijkheid tot integratie van (een groep) anderstaligen in de
school zal sterk variëren afhankelijk van het aantal kinderen van illegale verblijvers
dat men opvangt. De andere keuzes in de selectie werden gemaakt om zo'n
verscheiden mogelijk beeld te kunnen opbouwen over de moeilijkheden die gepaard
gaan met de opvang van kinderen van illegale verblijvers (Billiet, 1990: 118-119).
 

3.4 De analyse van de data

Voor het verzamelen van de data  (cf. supra: 3.1) en het analyseren van de data  werd
gesteund op de werkwijze voorgesteld door Maso en Smaling (1998: 87-95; 1998:
117-124).
 
 Elk interview werd woordelijk uitgetikt, tenzij de kwaliteit van de cassette-opname dit
niet toeliet, dan werd er gewerkt met de informatie uit de nota's die gemaakt werden
tijdens het gesprek. Deze uitgetypte versies van de interviews vormden de basis voor
de analyse. Er werd bij de analyse vertrokken van de subthema's die ook de basis
vormden voor de topiclijst van de interviews (cf. bijlage 3), alhoewel er wel wat
wijzigingen werden aangebracht.

Er waren dus vier hoofdthema's, die gespecificeerd werden in een aantal subthema's.
De vier hoofdthema's zijn: financiële en materiële problemen, sociale en culturele
problemen (met inbegrip van de taalproblemen), problemen naar de overheid toe en de
elementen die een rol spelen in de beslissing van scholen om kinderen van illegale
verblijvers op te vangen. Elk hoofdthema werd geconcretiseerd in een aantal
subthema's en kreeg een aparte kleur toegewezen, terwijl de subthema's een aparte
code kregen. De subthema's werden soms binnen een bepaald hoofdthema nog eens
gegroepeerd al naargelang het een probleem was dat zich voornamelijk stelde voor het
personeel van de scholen, de ouders of de kinderen.  De subthema's vormen telkens
een deelaspect van het hoofdthema. Zo werden de taalproblemen binnen de groep van
de sociale en de culturele problemen opgesplitst naar communicatieproblemen met de
ouders, communicatieproblemen met de kinderen en de nadelen van de oplossingen
die de scholen uitwerken voor deze taalproblemen. De subthema's kunnen worden
teruggevonden in de verschillende onderwerpen die in elke paragraaf worden
uitgewerkt in hoofdstuk vier.

 Bij het analyseren van de interviews werd met kleuren en codes in de kantlijn
aangeduid tot welk hoofdthema, respectievelijk subthema het stuk tekst behoorde.
Nadien werd er op aparte steekkaarten (waarbij elk subthema een eigen steekkaart
had) vermeld in welk interview, op welke pagina en op welk gedeelte van de bladzijde
tekstfragmenten over het subthema's (een lijst die in de loop van de analyse werden
aangevuld) kon worden teruggevonden. De lijst van de subthema's vormde de basis
voor de beschrijving van de onderzoeksresultaten.
 
 

§4: Besluit
 
Het hoofdstuk vangt aan met een voorstelling van de populatie en de
onderzoekseenheden. Hierbij werd met een aantal argumenten aangegeven waarom het
onderzoek beperkt werd tot de lagere scholen van de stad Antwerpen en de deelgemeenten.

Om de populatie af te bakenen moest een beroep gedaan worden op de medewerking van de
scholen om na te gaan welke scholen precies kinderen van illegale verblijvers opvangen. De
scholen bleken niet altijd op de hoogte te zijn van het illegaal verblijf van hun leerlingen. Een
volledig juist beeld van het aantal kinderen van illegale verblijvers die in de scholen
opgevangen worden, kan dan ook niet gegeven worden. In de tweede paragraaf wordt aan de
hand van concreet cijfermateriaal toch geprobeerd om de situatie in Antwerpen met
betrekking tot de opvang van kinderen van illegale verblijvers voor te stellen.
? Ten eerste blijkt dat nog altijd niet alle scholen op de hoogte zijn van het feit dat het recht
op onderwijs ook geldt voor kinderen van illegale verblijvers.
? Ook komt het merendeel van de kinderen van illegale verblijvers terecht in een beperkt
aantal scholen. In totaal vangen slechts 26 scholen van de 112 bereikte scholen kinderen
van illegale verblijvers op. Bovendien zijn er verschillende scholen die slechts één kind of
de kinderen uit één gezin opvangen.
? De scholen die wel kinderen van illegale verblijvers opvangen behoren tot alle
onderwijsnetten. Toch valt het op dat het gemeenschapsonderwijs, waartoe slechts een
beperkt aantal scholen behoort, het grootste aandeel heeft van scholen die wel kinderen
van illegale verblijvers opvangen.
? De scholen die wel kinderen van illegale verblijvers opvangen, blijken niet (evenredig)
verspreid te zijn over het ganse grondgebied van de stad Antwerpen en deelgemeenten. De
gebieden waar meerdere scholen kinderen van illegale verblijvers opvangen, blijken
overeen te komen met de armere wijken of met wijken waar veel allochtonen gevestigd
zijn.

Tenslotte worden in de derde paragraaf een aantal methodologische keuzes verduidelijkt en
verantwoord. Het gaat om het type van interview, het diepte-interview, dat werd afgenomen,
de criteria voor de selectie van de scholen en de beslissing om de directies van de scholen te
bevragen. Ook wordt de werkwijze, zoals die voor de informatieverzameling en in de analyse
werd gebruikt, toegelicht. Alvorens in te gaan op het kwalitatief onderzoek, worden in het
volgende hoofdstuk de problemen in verband met de opvang van kinderen van illegale
verblijvers in hun context geplaatst, om zo te duiden waar de problemen hun oorsprong
vinden en hoe ze verklaard kunnen worden vanuit een sociologisch visie.
 

Hoofdstuk 3: Een sociologische beschrijving van de problemen in de opvang
van kinderen van illegale verblijvers in het onderwijs
 

 In dit hoofdstuk zal een voorstelling gemaakt worden van de problemen die gepaard
gaan met het inrichten van onderwijs voor kinderen van illegale verblijvers vanuit een
sociologische invalshoek. De situatie van de illegaal verblijvende ouders en kinderen evenals
de positie van de directie en het onderwijzend personeel zullen invloed hebben op de kwaliteit
van de opvang en op het aantal kinderen van illegale verblijvers dat wordt opgevangen. De
problemen kunnen dus zowel ontstaan vanuit elementen die situatie van de illegale verblijvers
bepalen als vanuit factoren die de situatie van de school zowel als de positie van het
onderwijzend personeel beïnvloeden. De factoren die hierin een rol spelen, zijn zeer
verschillend voor de illegale verblijvers en de directies. Daarom zullen zij apart behandeld
worden.

De problematiek van de illegale verblijvers en meer specifiek, de onderwijskansen voor
kinderen van illegale verblijvers is er één waar tot op heden nog maar weinig onderzoek rond
verricht werd. Om een beeld te verkrijgen van de problemen die een rol kunnen spelen bij het
volgen van onderwijs door kinderen van illegale verblijvers kan een beroep gedaan worden op
ervaring van medewerkers van organisaties  die zich inzetten voor de illegale verblijvers.
Deze mensen hebben vaak een goed zicht op het geheel van de problemen waar de groep van
de illegale verblijvers mee kampt. Ook het ontbreken van een aantal basisrechten heeft een
invloed op hun situatie. De situatie van de illegaal verblijvende ouders en hun kinderen wordt
dus hoofdzakelijk exploratief en beschrijvend weergegeven.

In het geval van de schooldirecties en het onderwijzend personeel zullen andere factoren een
rol spelen. Meer bepaald kan men hier drie groepen van determinanten onderscheiden die de
relatie illegale verblijvers-directie bepalen vanuit het standpunt van de scholen, met name de
maatschappij waarin het onderwijssysteem en de scholen functioneren, de
organisatiekenmerken van de school (en eventueel het onderwijsnet en andere
samenwerkingsverbanden waaronder de school ressorteert) en de professionele visie van het
onderwijzend personeel.

Deze twee invalshoeken schetsen samen een beeld van de knelpunten in de opvang van de
kinderen van illegale verblijvers in het onderwijs. Dit beeld wordt later (cf. hfst 4) getoetst aan
de problemen, zoals deze ervaren worden door de directies zelf.
 
 

§1: De illegale verblijvers

 De paragraaf kent twee grote onderdelen. Een eerste deel beschrijft de problemen die
ontstaan, doordat het de illegale verblijvers aan een aantal basisrechten ontbreekt. Een illegale
verblijver kan zich immers niet op dezelfde rechten beroepen als een Belg. Daardoor is er een
fundamenteel verschil in de beginsituatie tussen de Belgen en legaal verblijvende
vreemdelingen enerzijds en de illegale verblijvers anderzijds. Het tweede deel beschrijft een
aantal andere problemen die opduiken wanneer kinderen van illegale verblijvers onderwijs
volgen. Het zijn de problemen zoals die ervaren worden door medewerkers van
hulporganisaties  die zich inzetten voor illegale verblijvers of door een aantal illegaal
verblijvende ouders (en de begeleiders van deze gezinnen) zelf. De ervaringen van de ouders
zijn geput uit een onderzoek uitgevoerd door het Steunpunt Mensen zonder Papieren. Dit
onderzoek is echter beperkt tot illegaal verblijvende ouders die door het steunpunt zelf
begeleidt worden. De problemen, door deze mensen aangehaald, zijn soms een rechtstreeks
gevolg van het niet kunnen uitoefenen van een aantal rechten. Aangezien deze problemen ook
in het eerste deel aan bod komen, zullen deze niet herhaald worden. In het tweede deel (1.2)
worden dus enkel nieuwe elementen vermeld.
1.1 De rechten van de illegale verblijvers

Er zal kort  worden ingegaan op de twee enige rechten die in België wel uitdrukkelijk
aan de illegale verblijvers zijn toegekend. De uitoefening van één van deze rechten,
met name het recht op onderwijs wordt sterk bemoeilijkt door het niet beschikken over
een aantal andere rechten. Het andere aan illegale verblijvers toegekende recht is het
recht op dringende medische dienstverlening. De rechten, die de illegale verblijvers
worden onthouden en die als dusdanig een relevante oorzaak vormen voor een aantal
moeilijkheden op het vlak van het onderwijs van kinderen van illegale verblijvers,
worden in een volgende stap besproken. De moeilijkheden die kunnen ontstaan op het
vlak van het onderwijs als gevolg van het ontbreken van deze rechten worden daarna
verder uitgewerkt.
1)Het recht op onderwijs en het recht op dringende medische dienstverlening
Zoals hierboven reeds beschreven werd, hebben illegale verblijvers en voornamelijk
hun kinderen in België de mogelijkheid om onderwijs te volgen. Er zijn een aantal
maatregelen genomen, zodat de scholen ondersteuning krijgen bij de opvang van
kinderen van illegale verblijvers en er werden een aantal afspraken gemaakt, opdat de
onzekerheid die zou kunnen ontstaan als gevolg van het zich bekendmaken als een
illegale verblijver ten aanzien van de scholen voor de ouders wordt geminimaliseerd
(cf. supra: hfst 1, § 2&3).

Het tweede recht dat de illegale verblijvers niet wordt onthouden, is het recht op
dringende medische hulpverlening. Een OCMW is niet verplicht om steun bieden aan
illegale verblijvers, behalve in één welbepaald geval: de dringende medische
hulpverlening. Een OCMW is verplicht de kosten bij een dringende medische
tussenkomst te dragen of terug te betalen. Een exacte omschrijving van het begrip
"dringende medische hulpverlening" wordt echter nergens gegeven. Wel kan er van
uitgegaan worden dat het begrip vrij ruim mag geïnterpreteerd worden. In een
Koninklijk Besluit (12/12/'96) is immers bepaald dat zowel preventieve als curatieve
medische hulp onder dit begrip kunnen vallen. Daarenboven kan deze hulp eveneens
ambulant als residentieel verstrekt worden (Devillé, 1997: 10; Belgisch Staatsblad,
1996: 32.518-32.519).

In datzelfde Koninklijk Besluit wordt de vertrouwelijkheid van de gegevens die
vermeld zijn op de medische getuigschriften gewaarborgd. Het KB stelt immers dat
deze gegevens enkel mogen gebruikt worden voor de (terug)betaling van de medische
kosten en dat de informatie niet mag worden doorgegeven aan de Dienst
Vreemdelingenzaken noch aan de politie (Devillé, 1997: 10; Belgisch Staatsblad,
1996: 32.518-32.519).
2) Belemmeringen in het dagelijks bestaan ten gevolge van niet-toegekende rechten
De illegale verblijvers lopen eerst en vooral het risico van elk moment aangehouden te
worden en in afwachting van een gedwongen repatriëring naar het herkomstland
opgesloten te worden (Daeren e.a., 1996: 26). Dit creëert een zeer onzekere situatie
voor diegenen die toch illegaal in ons land verblijven, maar er is meer: het is voor deze
mensen meestal zeer moeilijk om in hun levensonderhoud te voorzien, aangezien de
twee geëigende kanalen om aan inkomsten te geraken, arbeid enerzijds en uitkeringen
of steun anderzijds, voor hen zijn afgesloten.

Ten eerste mogen mensen zonder een verblijfsvergunning in België niet aangeworven
worden in België voor formele arbeid, met andere woorden ze mogen hier niet werken
(Daeren e.a., 1996: 26). Het is vreemdelingen, die geen onderdaan zijn van een andere
EU-lidstaat, niet toegelaten in België te werken, tenzij de werkgever voor deze
werknemer een arbeidsvergunning heeft. Op basis van deze arbeidsvergunning wordt
dan aan de werknemer een arbeidskaart uitgereikt. Zulke (geldige) arbeidskaart bezit
een illegale verblijver echter niet. Immers als de illegale verblijver nog een geldige
arbeidskaart bezit, uit de periode toen hij nog legaal verbleef, dan vervalt deze. Een
persoon die hier illegaal verblijft kan in principe ook geen arbeidskaart bekomen
hetgeen tot gevolg heeft dat het voor de illegale verblijver ook niet mogelijk om als
zelfstandige een inkomen te verdienen. Volgens de Belgische wet moeten
vreemdelingen die als zelfstandige willen werken in ons land aan twee voorwaarden
voldoen: men moet in het bezit zijn van een beroepskaart en van verblijfsdocumenten.
Aan geen van beiden kan de illegale verblijver voldoen (Devillé, 1997: 15-16).

Illegale verblijvers komen ook niet in aanmerking voor een uitkering van het OCMW,
noch hebben zij recht op materiële steun, tenzij het gaat om de betaling van dringende
medische verzorging (cf. infra). Nochtans is het volgens art. 77 van de
vreemdelingenwet niet verboden om "hulp of bijstand te verlenen aan een vreemdeling
uit louter humanitaire overwegingen" en is het een OCMW dus wel toegestaan om
steun toe te kennen aan illegale verblijvers. Deze steun moet dan wel door het OCMW
zelf gedragen worden, aangezien deze niet terugbetaald wordt door het Ministerie van
Volksgezondheid (Daeren e.a., 1996: 26) (Devillé, 1997: 4-5).

Omdat mensen zonder papieren hier niet formeel kunnen te werk gesteld worden en
niet in aanmerking komen voor OCMW-steun moeten zij bijgevolg vaak hun toevlucht
nemen tot het informele arbeidscircuit, het "zwartwerk". Daardoor gaan een aantal
beschermingsmaatregelen voor de werknemer verloren, zoals het minimumloon of de
arbeidsduurbeperking. Toch gelden voor de illegaal verblijvende werknemers dezelfde
algemene rechten en plichten als voor een legale werknemer. Zo hebben ook zij recht
op een gezonde en veilige arbeidsplaats of kunnen zij in het geval van een
arbeidsongeval een beroep doen op het Fonds voor Arbeidsongevallen. Omwille van
hun status als illegale verblijver kunnen zij deze rechten in de praktijk nauwelijks
afdwingen, wat leidt tot heel wat misbruiken (Daeren e.a., 1996: 26; Devillé, 1997:
16).
3)Financiële en materiële problemen
Het feit dat illegale verblijvers niet mogen of kunnen werken en ook geen recht op een
uitkering hebben en meestal geen andere vorm van financiële of materiële steun
kunnen genieten, maakt het voor hen niet altijd eenvoudig om een inkomen te
verwerven. Dit schept problemen bij het betalen van schoolrekeningen. Het onderwijs
in België is –in theorie- weliswaar gratis, maar toch brengt het school laten lopen van
een kind  vaak kosten met zich mee. Zo berekende Bond Zonder Naam dat het al gauw
600 à 1000 fr. per maand kost om één kind naar school te sturen in het stedelijk
onderwijs. Medewerkers van de organisaties die zich inzetten voor de illegale
verblijvers merken allemaal op dat de kosten in het officiële onderwijs in het algemeen
wel lager liggen dan in het vrij onderwijs De rekeningen, die door de ouders moeten
betaald worden, dienen voor bijvoorbeeld turnkleding, buitenschoolse uitstappen en
activiteiten, drankjes, vervoer van en naar de school, middagbewaking, … Veelal
kunnen de illegaal verblijvende ouders deze extra kosten niet kunnen betalen en
aangezien het onderwijs geen primaire behoefte vormt en dus vaak geen prioriteit is,
wordt al gauw besloten hun kinderen niet deel te laten nemen aan deze activiteiten.
Daarnaast is het ook mogelijk dat de (meestal) oudere kinderen, die er genoeg van
hebben om elke keer te laten merken dat ze geen geld hebben, beginnen te spijbelen.

Materiële problemen, die eigenlijk grotendeels een gevolg zijn van financiële
problemen, zijn er de oorzaak van dat de kinderen niet dezelfde begeleiding krijgen als
een doorsnee Belgisch kind. Omdat de ouders hier geen school gelopen hebben of
misschien geen of weinig onderwijs gevolgd hebben en ze meestal ook de taal niet
spreken, kunnen ze hun kinderen nauwelijks of niet begeleiden bij hun schoolwerk.
Hier komt dus nog bij dat deze families meestal zeer krap behuisd zijn. De kinderen
hebben dan weinig of geen plaats om ongestoord (ook zonder lawaai) hun huiswerk te
maken of hun lessen te leren. Daarenboven wordt zal het voor de illegaal verblijvende
ouders vaak moeilijk zijn om hetzelfde schoolmateriaal voor hun kinderen te kopen of
om dezelfde middelen aan onderwijs te spenderen als in een gemiddeld Belgisch gezin
gebeurd.
1.2 Sociale en Culturele verschillen
1) De problemen
Een ander gegeven dat het school lopen voor kinderen van illegale verblijvers
aanzienlijk bemoeilijkt is het feit dat de illegale verblijvers afkomstig zijn uit een
andere (meestal niet-westerse) cultuur, ze een andere moedertaal hebben en ze dus
meestal weinig of geen notie van het Nederlands hebben. Daarenboven zijn de ouders
en soms ook de kinderen opgegroeid in een samenleving die op meerdere punten
verschilt van de Belgische en meer algemeen de Westerse samenleving. Zo ontstaan er
een aantal problemen van sociale en culturele aard bij de opvang van kinderen van
illegale verblijvers.

Een eerste cluster van moeilijkheden, de sociale problemen, hebben betrekking op de
inschakeling van de kinderen van illegale verblijvers in het schoolgebeuren wanneer
ze toekomen in ons land. Een eerste element dat reeds verschilt voor een illegaal
verblijvend kind ten opzichte van een Belgisch kind is het bepalen van het jaar waarin
men deze kinderen zal invoegen. Een illegaal kind zal namelijk niet altijd toekomen
een leeftijd dat het in het kleuteronderwijs of in het eerste leerjaar kan worden
opgevangen. Hier spelen een aantal factoren een rol. Zo is er de taalbeheersing:
kinderen van illegale verblijvers beheersen niet of onvoldoende het Nederlands om te
kunnen volgen in de klas. Daarvoor wordt door de overheid een oplossing geboden,
die erin bestaat dat er onthaalklassen voor anderstalige nieuwkomers kunnen ingericht
worden. Verder spelen er nog andere factoren een rol: alhoewel de kinderen de taal
niet spreken zal men moeten bepalen welk niveau zij in hun vorige school reeds
hebben om te bepalen in welk jaar (klas) zij best kunnen invoegen. Een laatste factor
die hierbij een rol speelt is dat de kinderen niet enkel toekomen aan het begin van het
schooljaar, waardoor ze dan samen met de andere klasgenoten het schooljaar zouden
kunnen aanvangen, maar ze arriveren vaak in het midden van een schooljaar, wat nog
eens een bijkomende moeilijkheid creëert om hen te integreren in de klas.

Een andere groep van problemen, de aanpassings- en integratieproblemen, zijn eerder
van culturele aard. Uiteraard vormt de taal hier de belangrijkste hindernis, maar er zijn
nog andere elementen die een rol spelen. Zo komt men soms uit een gans ander
onderwijssysteem en bovendien zal het wereldbeeld dat via het onderwijs wordt
doorgegeven niet altijd overeenkomen met wat men kent uit zijn land van herkomst.
De illegaal in ons land verblijvende kinderen worden natuurlijk ook als vreemdelingen
beschouwd, waardoor ze net als andere allochtonen met het fenomeen van racisme
geconfronteerd kunnen worden.
2)Verklaring van problemen: het (verborgen) curriculum
De integratie in de schoolgemeenschap van zowel de ouders als de kinderen wordt
vooral bemoeilijkt door de taal, maar er zijn ook andere mechanismen werkzaam, die
de inpassing bemoeilijken en vertragen.

De kinderen van de illegale verblijvers, die nieuw toekomen in de klas, kennen een
grote handicap aangezien ze de taal niet kennen. Vooral als de kinderen reeds ouder
zijn, wordt dit probleem groter. In een eerste leerjaar moeten ook Belgische kinderen
de taal nog leren en wordt nog veel met beeldmateriaal gewerkt, maar naarmate men
ouder wordt, steunt het onderwijs meer en meer op de taal als voornaamste
communicatiemiddel. Daarnaast kunnen er nog andere problemen rijzen, omdat
illegale verblijvers andere omgangsvormen kennen, andere waarden en normen
hanteren. Op het gebied van onderwijs kan het zijn dat de ouders andere
verwachtingen hebben ten aanzien van de school en dat de kinderen reeds binnen een
ander schoolsysteem gesocialiseerd zijn.

De kinderen van illegale verblijvers kennen vaak nog extra aanpassingsmoeilijkheden,
omdat in de school en in de klas een aantal processen werkzaam zijn die hen
bijkomend benadelen. Eén van deze processen houdt in dat er naast het gekende,
expliciete curriculum ook altijd een impliciet of verborgen leerplan wordt
meegegeven. Het verborgen curriculum heeft betrekking op wat onbedoeld door het
schoolsysteem of in het bijzonder door leerkrachten aan leerlingen wordt geleerd
(Verhoeven, 1998: 54).

In een school wordt door de overdracht van een formeel curriculum ook onbewust  een
gehele reeks van keninhouden, vaardigheden en attitudes overgedragen. Het doel van
zowel het formele als van het verborgen curriculum is hetzelfde: het ondersteunen van
de vlot functionerende maatschappij volgens vastgelegde principes. In die zin vervult
het verborgen curriculum een ideologische functie. Het verborgen curriculum draagt
dus bij tot de legitimatie van de machtspositie van bepaalde groepen en van de
maatschappijorganisatie in het algemeen. Zo worden bijvoorbeeld meer uren besteed
aan die vakken die men maatschappelijk relevant vindt of wordt een ASO-richting
hoger aangeschreven dan een BSO-richting, aangezien de aangeleerde kennis van het
ASO sociaal meer gewaardeerd wordt dan de handvaardigheden van het BSO. De
socialisatie door het onderwijs, die reeds begint bij het kleuteronderwijs, via het
alledaagse klasgedrag is dus een effectief middel voor de (re)productie van de
maatschappelijk aanvaarde kennis en waarden (cf. infra: hfst 3, 2.3)(Verhoeven, 1998:
55-63).

Aangezien men echter over een "verborgen curriculum" spreekt, zal het voor mensen
die afkomstig zijn uit een andere cultuur en samenleving of die niet vertrouwd zijn met
de heersende "middenklassencultuur", niet altijd even duidelijk zijn welke de
verwachtingen ten aanzien van hen zijn en welke verwachtingen zij mogen hebben
over het onderwijs.
1.3 Informatieproblemen bij de illegaal verblijvende ouders

Een moeilijkheid die rechtstreeks samenhangt met het illegaal verblijf is een zekere
mate van onzekerheid die hiermee gepaard gaat. De Minister van Binnenlandse Zaken
en de Minister van Onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap zijn wel
overeengekomen in hun akkoord dat de scholen geen meldingsplicht wanneer zij een
illegaal kind inschrijven en dat de politie geen controles zal uitvoeren aan de
schoolpoorten (cf. supra: hfst 3, 1.2), toch hebben nog zeer vele illegale ouders angst
om hun kinderen naar school te sturen, want elk keer wanneer ze zich op straat
begeven vrezen zij opgepakt te worden.  De ouders worden immers niet beschermd
door deze overeenkomst. Vermoedelijk zijn de illegale verblijvers niet altijd op de
hoogte van het feit dat de scholen geen meldingsplicht kennen en zal die onzekerheid
misschien een extra hindernis vormen bij het inschrijven van een kind van een illegale
verblijver.

Men heeft tevens helemaal geen zicht op het aandeel van de illegale verblijvers dat
zijn kind(eren) naar school stuurt. Er kan dan ook niet nagegaan worden in welke mate
de groep van de illegale verblijvers wiens kinderen geen onderwijs volgen op de
hoogte is van deze mogelijkheid. Op deze vraag wordt verder niet ingegaan, aangezien
het onderzoek gericht is op de kinderen van illegale verblijvers die wel school lopen.
Toch mag niet uit het oog verloren worden dat waarschijnlijk een aanzienlijk deel van
de groep van illegale verblijvers niet op de hoogte is van het feit dat het recht op
onderwijs ook voor hen en hun kinderen geldt.
 

§2: De scholen

De verblijfssituatie van de illegale verblijvers en de daaruit volgende moeilijkheden in het
voorzien in het levensonderhoud en daar nog bijkomend het feit dat deze mensen niet gekend
zijn met onze taal en cultuur, zijn niet de enige factoren die een invloed hebben op (de
kwaliteit van) het onderwijs voor kinderen van illegale verblijvers. Immers ook de
schoolorganisatie en het onderwijzend personeel creëren vaak onbewust hindernissen, die het
onderwijs voor de kinderen van illegale verblijvers belemmeren.

In deze paragraaf wordt drie groepen van factoren besproken, die enerzijds het denken en het
handelen van het onderwijzend personeel en van de directie bepalen en anderzijds een invloed
hebben op de organisatiestructuur, de middelen die ter beschikking zijn en dus uiteindelijk op
de mogelijkheden die een school heeft om kinderen van illegale verblijvers op te vangen.
Deze drie groepen van factoren zijn de samenleving, waarin het onderwijzend personeel is
gesocialiseerd, maar de illegale verblijvers (meestal) niet, de organisatie van het onderwijs en
meer specifiek de kenmerken van de organisatie die een gemakkelijke opvang van (grote
groepen van) kinderen van illegale verblijvers belemmeren en tenslotte de professionele visie
van het onderwijzend personeel, die de illegale verblijvers onbewust kan achterstellen.

Het personeel van scholen heeft een functie van dienstverlening ten aanzien van de bevolking,
ook ten aanzien van de groep van de illegale verblijvers: met name het aanbieden van
onderwijs. Bovendien staat het in rechtstreeks contact met de burgers die van de dienst
gebruik maken, in dit geval de ouders en de kinderen. Leerkrachten en directies vallen dus
onder de beschrijving van "contactambtenaren" of "streetlevelbureaucraten" , zoals deze
door de Amerikaanse socioloog Lipsky wordt uitgewerkt. Voor de illegale verblijvers zijn
leerkrachten vaak de enige (of één van de weinige) contactambtenaren, waar zij
terechtkunnen. Omwille van hun situatie van illegaal verblijf zijn ze immers van een aantal
rechten uitgesloten. Dit beperkt eveneens hun mogelijkheden om gebruik te maken van
diensten, die aan de burgers van een land worden aangeboden. Zo kunnen zij sowieso niet
terecht bij de politie, omdat deze hen kan uitwijzen. Ook OCMW's zijn niet verplicht om hen
verder te helpen, behalve wanneer het om dringende medische hulpverlening gaat. Blijft dus
het onderwijs als één van de enige wettelijke voorziene instanties of contactpunten waar de
illegale verblijvers terechtkunnen, indien ze problemen ondervinden met of hulp nodig
hebben van de overheid (Lammertyn, 1995: 3-4).

Aangezien deze streetlevelbureaucraten het beleid in feite realiseren door de wijze waarop ze
het uitvoeren, is het van belang om na te gaan welke factoren de uitvoering beïnvloeden. Hun
beslissingen hebben immers een directe invloed op de hulp die de cliënten (niet) ontvangen.
De relatie tussen de directie en de leerkrachten enerzijds en de illegaal verblijvende ouders
anderzijds wordt in de eerste plaats mede bepaald door een aantal denkbeelden die heersen in
een maatschappij. Dit wordt in het eerste punt uitgelegd.
2.1 De maatschappij

Op het maatschappelijke niveau zullen twee grote groepen van determinanten,
culturele en structurele factoren, mee verantwoordelijk zijn voor de uiteindelijke
vormgeving van het sociaal beleid. Als de cultuur en de structuur een invloed hebben
op het sociaal beleid, dan kunnen deze determinanten ook een (gedeeltelijke)
verklaring zijn voor de keuzes die genomen worden en die als dusdanig bepaalde
groepen bevoordelen ten opzichte van anderen en die bepalen welke vorm maatregelen
krijgen. Culturele determinanten zijn bijvoorbeeld heersende ideologieën, waarden,
rechtsgronden, … (Berghman, 1986: 24-27).

Ook in de toekenning van bepaalde diensten worden de contactambtenaren door deze
culturele determinanten beïnvloed. De contactambtenaren laten zich in hun
beslissingen namelijk leiden door bepaalde (vrij) algemeen verspreide waardepatronen
over de verdienstelijkheid en het recht van de cliënt op een bepaalde dienst. Dit geheel
van waarden groepeert Engbersen (1990, 166-173) in de beschrijving van zijn
"cliënttypologieën".

Ondanks het feit dat contactambtenaren steeds benadrukken dat cliënten stuk voor stuk
uniek zijn, om zo hun beslissingsvrijheid te rechtvaardigen, gaan ze in de behandeling
van de hulpvraag toch steeds uit van een aantal vaste categorieën van cliënten. Deze
"reductie" van de cliënt tot een bepaalde categorie gebeurt dan wederom om de
beperkingen (cf. infra: 2.2.2) waarmee de hulpverleners geconfronteerd worden te
ontwijken. De typologieën zijn dus voor de contactambtenaren een oplossing om de
beperkte middelen op een zo optimaal mogelijke manier te verdelen. De kenmerken
volgens dewelke de indeling gebeurt, zijn dus een rechtvaardiging voor de
verschillende wijzen waarop de cliënten uit de diverse categorieën benaderd worden.
Er zijn een viertal kenmerken volgens dewelke de cliënten ingedeeld worden: de
urgentie, de houding, het gedrag en de sociale waarde van de cliënt. Een cliënt die op
elk van deze elementen hoog gewaardeerd wordt, zal beantwoorden aan het beeld van
de "ideale cliënt". Als een ideale cliënt beschouwt men immers een cliënt die de
werkzaamheden van de contactambtenaar vergemakkelijkt, die geschikt is voor
professionele behandeling en die de hulpverlener een zekere voldoening geeft voor
zijn inzet en werk. De kinderen van illegale verblijvers zullen op vele punten
(ongewild) niet beantwoorden aan dit beeld. Zo wordt er van de leerkracht extra
inspanningen geëist ten aanzien van deze kinderen, omdat ze de taal niet spreken,
andere dingen geleerd hebben, de ouders de schoolprestaties van de kinderen niet
kunnen opvolgen, men moeilijk met de ouders kan communiceren, enz… De
kenmerken volgens dewelke de contactambtenaren hun cliënten categoriseren en de
gevolgen voor de behandeling van deze cliënten worden nu verder uitgewerkt.

De vier kenmerken van Engbersen zullen ook variëren binnen de groep van de illegale
verblijvers, naargelang de particuliere situatie van het gezin.  Zo zal de urgentie van
het ingrijpen, de houding en het gedrag van de illegale verblijver sterk verschillen
tussen de gezinnen onderling. Dit kan mee de verklaring vormen voor het feit dat de
inzet en de bereidwilligheid van het onderwijzend personeel afhangen van de mate
waarin de illegale verblijvers zich een "gepaste" houding en gedrag aanmeten.

Contactambtenaren blijken het meest efficiënt te handelen in een situatie waarin hun
ingrijpen dringend vereist is, maar nog wel een positief effect kan hebben. Niet-
dringende gevallen vereisen immers geen onmiddellijk optreden en wat de
zogenaamde "hopeloze gevallen" betreft, verkiezen de contactambtenaren geen
kostbare tijd (en middelen) te investeren, zodat hun aandacht kan gefocust worden op
de middengroepen die snel geholpen dienen te worden en waarvoor niet al teveel tijd
moet uitgetrokken worden (Engbersen, 1990: 167-168).

Ook de mate waarin de illegale verblijvers een gepaste houding als cliënt aannemen,
heeft een effect op de kwaliteit van de dienstverlening. Dit zijn cliënten, die naar de
mening van de contactambtenaren, respect hebben voor de professionele status van de
hulpverlener en de contactambtenaren het gevoel geven dat zij een belangrijke rol
kunnen spelen in het opnieuw op weg helpen van de cliënt. Bovendien zijn deze
cliënten open, bescheiden, niet agressief en niet eisend. Cliënten die daarenboven
kunnen aantonen dat ze werkelijk geprobeerd hebben om zelf tot een oplossing te
komen of die zich bescheiden opstellen en niet proberen het onderste uit de kan te
halen, kunnen op meer begrip en bijgevolg ook op meer hulp van de contactambtenaar
rekenen (Engbersen, 1990: 168-171).

Als voorbeeld kan hier gegeven worden, dat directies en leerkrachten meer
inspanningen zullen leveren voor illegale verblijvers die net als hun kinderen de taal
proberen te leren, zich proberen te integreren en die zich aanpassen aan het
schoolreglement, dan voor illegaal verblijvende ouders en kinderen, die nauwelijks
vordering maken met de taal, nooit op tijd op school zijn, enkel omgaan met hun land-
of streekgenoten, …

De laatste waarde die Engbersen vernoemt en die de hulpverleners aanwenden in het
stellen van de noodzakelijke prioriteiten is de "sociale waarde" van de cliënt. Deze
sociale waarde is een afspiegeling van dominante maatschappelijke voorkeuren,
waardoor sommige mensen meer waard worden geacht dan andere mensen. Zo wordt
bijvoorbeeld de mate waarin een cliënt een "sociaal krediet" heeft opgebouwd, iets
betekend heeft in de maatschappij, vertaald in zijn sociale waarde (Engbersen, 1990:
172).

In deze sociale hiërarchie nemen allochtonen slechts een lage plaats in. De illegale
verblijvers, die hier dan eigenlijk niet eens zouden mogen zijn, zullen dus niet direct
beschouwd worden als diegenen die het eerst geholpen moeten worden. Zo kunnen
scholen besluiten om kinderen van illegale verblijver te weigeren, om de reden dat
anders de andere, Belgische leerlingen dreigen weg te blijven. Het aanzien van de
school daalt  namelijk naarmate het percentage allochtonen stijgt. De "sociale waarde"
is dus een factor die nauwelijks zal variëren binnen de groep van illegale verblijvers,
aangezien ze zich allemaal (ongeveer) in dezelfde maatschappelijke positie bevinden.
Er wordt dus verwacht dat in het onderzoek vooral de urgentie, de houding en het
gedrag van illegale verblijvers de beoordeling en welwillendheid van de leerkrachten
en de directie zal bepalen, aangezien de sociale waarde binnen de groep van de illegale
verblijvers vrij stabiel zal zijn.
2.2 De organisatiekenmerken
1)Dilemma's van de contactambtenaren
Niet alleen de waarden die op een zeker ogenblik domineren in een maatschappij,
zullen invloed uitoefenen op de (kwaliteit van de) dienstverlening, in dit geval op het
onderwijs voor kinderen van illegale verblijvers. De organisatie, meer specifiek de
schoolorganisatie, waarbinnen de leerkrachten en de directies moeten functioneren en
de structurele kenmerken van deze organisatie, zoals het aantal leerlingen, de
werkingsmiddelen, het didactische materiaal, … zullen een nog grotere invloed
hebben op de mate waarin het personeel in staat is om aan de specifieke
onderwijsbehoeften van de kinderen van illegale verblijvers te voldoen.

De Amerikaanse socioloog, Lipsky (1980: 27-71), besteedt zeer veel aandacht aan de
omgeving waarin contactambtenaren dienen te werken, aangezien de omgeving mee
de probleemoplossing door deze contactambtenaren conditioneert. De hulpverleners
staan immers in directe interactie met hun cliënt en ze kennen een vrij grote mate van
beslissingvrijheid in de uitoefening van hun job. Lipsky onderscheidt een aantal
typische organisatorische kenmerken die de beslissingen van de hulpverleners mee
beïnvloeden. Enkele van deze factoren, die ook van toepassing zijn in het onderwijs,
zijn de volgende:

Ten eerste zijn de werkingsmiddelen die ter beschikking gesteld worden gewoonlijk
onaangepast aan de taken die de contactambtenaren moeten vervullen. Ze hebben te
maken met een zware "case-load". Als leerkrachten bijvoorbeeld aan heel grote
klassen moeten lesgeven, zullen ze niet meer in staat zijn om voldoende aandacht aan
elk kind afzonderlijk te geven. Als gevolg van deze zware case-load, zal hun tijd om
beslissingen te nemen of informatie in te winnen ook inkorten, wat de kwaliteit van
hun werk kan beïnvloeden. Een leerkracht zal in een grote klas ook meer van zijn tijd
moeten spenderen aan orde en rust in de klas te houden, wat dan weer ten koste gaat
van de leeractiviteiten.

Een tweede organisatorisch kenmerk houdt eveneens verband met het hierboven
vermelde chronisch tekort aan werkingsmiddelen. De vraag naar diensten heeft
namelijk steeds de neiging om mee te stijgen, naarmate het aanbod toeneemt. De
vraag naar een dienst heeft de neiging om toe te nemen over een bepaalde periode: niet
alleen kwalitatief, maar ook kwantitatief. Niet alleen het aantal cliënten dat van een
dienst gebruik maakt zal stijgen (kwantitatief), de cliënten die van een dienst gebruik
maken, zullen ook altijd meer gaan eisen van die dienst (kwalitatief). De vraag wordt
dus niet enkel bepaald door een werkelijke behoefte, maar eveneens door de
gepercipieerde verkrijgbaarheid van de dienst. Deze evolutie is duidelijk terug te
vinden in het onderwijs. Het is zo dat scholen die kinderen van illegale verblijvers
opvangen, vaak geconfronteerd worden met een "toevloed" van illegaal verblijvende
ouders die hun kind ook in de school willen inschrijven. De scholen kunnen echter
niet ongelimiteerd niet-Nederlandstalige kinderen met bovendien (meestal) een
bepaalde leerachterstand, in eenzelfde klas blijven opvangen.

Ten derde wordt de omgeving waarin de contactambtenaren werken vaak gekenmerkt
door ambigue of tegenstrijdige doelstellingen. Hoe onduidelijker de doelen zijn, hoe
minder de contactambtenaren geleid worden door de doelstellingen en hoe meer ze op
zichzelf aangewezen zijn. Lipsky stelt dat de conflicten in de doelstellingen kunnen
ontstaan op drie terreinen. Er kan namelijk een conflict ontstaan tussen bepaalde
cliëntgeoriënteerde en meer algemene, sociale doelstellingen. Wat een dienst doet in
het belang van de cliënt, kan soms in tegenspraak zijn met wat de maatschappij
verwacht van deze dienst. Zo kan bijvoorbeeld in het onderwijs een leerkracht een
afweging moeten maken tussen onderwijs gericht op de individuele prestatie of gericht
op het bijbrengen van een aantal algemene waarden, zoals discipline, sociale
vaardigheden, …
Verder kan er een conflict rijzen tussen de doelstelling gericht op de cliënt en de
doelstellingen van de organisatie zelf. De aandacht voor de cliënt wordt vaak beperkt
door organisatorische doelstellingen. Zo wordt het doel, de cliënt helpen, soms
tegengewerkt door de eisen ten aanzien van de dienst om het budget niet te
overschrijden of een voldoende aantal cliënten te bedienen. Als voorbeeld kan men
geven dat als de klassen al goed bevolkt zijn, er soms gekozen zal moeten worden
tussen alle kinderen opnemen die zich aanbieden of een aantal kinderen doorsturen,
om de kwaliteit van het onderwijs in niet in gevaar te brengen.
Tenslotte kan er zich ook een tegenstrijdigheid voordoen tussen de doelstellingen die
bereikt moeten worden en de rolverwachtingen ten aanzien van de contactambtenaar.
Deze tegenstrijdigheid ontvouwt zich in meerdere dimensies. Eén mogelijke dimensie
waarin het conflict zich stelt, is dat de contactambtenaar niet alleen de doelstellingen
zal trachten te bereiken, hij zal eveneens de verwachtingen van het publiek ervaren.
Indien hij aan beiden wil voldoen, kan er een rolconflict ontstaan. Zo kunnen
bijvoorbeeld ouders van een school verwachten dat hun kinderen vooral een aantal
schoolse vaardigheden worden aangeleerd, terwijl andere ouders eerder verwachten
dat de nadruk gelegd wordt op het aanleren van sociale of communicatieve
vaardigheden.

Een vierde kenmerk van de organisatie waarin contactambtenaren werken is dat er
nauwelijks een consensus is over wat adequate prestaties zijn en bovendien rijzen er
vaak problemen omtrent het meten van deze prestaties. Toch zullen organisaties de
prestaties van hun contactambtenaren trachten te meten, waarbij dan onvermijdelijk
een aantal problemen opduiken. Zo zullen de maatstaven vaak slecht zijdelings
gerelateerd zijn met de te meten doelstellingen. Ook zijn de resultaten die gemeten
worden niet altijd even eenduidig te interpreteren. Bovendien wordt vaak van
"surrogaatmaatstaven"  gebruik gemaakt. Dit zijn vooral gemakkelijk kwantificeerbare
maatstaven. Deze maatstaven worden dan de leidraad voor de toekomstige prestaties,
terwijl ze niet juist de te bereiken doelstellingen meten.

Een laatste kenmerk van de organisatiestructuur waarin contactambtenaren werken  en
dat door Lammertyn (1995: 5-6) vermeld wordt, is dat het publiek waarmee de
contactambtenaren te maken krijgen bijna altijd een niet-vrijwillig publiek is. Het is
bijvoorbeeld vrij evident dat niet elke leerling even vrijwillig in de klas zit. Zelfs als
het niet om "dwangmatige voorzieningen" gaat, hoeft een cliënt nog niet vrijwillig op
een dienst beroep te doen. Immers, de burgers wenden zich vaak tot diensten, omdat
ze deze niet elders kunnen verkrijgen. Omdat cliënten die zeer afhankelijk zijn van een
bepaalde dienst, niet gemakkelijk zullen afhaken, kunnen de contactambtenaren de
kosten om van hun dienst gebruik te maken voor de cliënten vrij hoog leggen, zonder
dat de hulpverleners er zelf nadelen van ondervinden.

 Hierboven werden een aantal kenmerken van de organisatie opgesomd die
beperkingen stellen aan de mogelijkheden van de contactambtenaren om de
doeleinden van de organisatie te bereiken en tegelijkertijd de cliënten zo goed
mogelijk te helpen. De contactambtenaren zullen dus veelal afwegingen moeten
maken tussen het belang van de cliënt en de doelstellingen van de organisatie, terwijl
ze eveneens de rechtsregels dienen te respecteren en ze slechts een beperkt budget ter
beschikking hebben.
2)Discretionaire ruimte
De beperkingen in het handelen van de contactambtenaren zijn niet alleen het gevolg
van de organisatiekenmerken. Het feit dat de contactambtenaren, in dit geval de
directies, uitvoerders zijn van het door de overheid opgestelde beleid, speelt eveneens
een rol. De overheid die een beleid in de praktijk wil omzetten, zal namelijk
noodzakelijkerwijs regels moeten uitvaardigen die het beleid concreet uitvoerbaar te
maken. Bewust of onbewust laat de overheid dan een zekere mate van
beslissingsvrijheid in de invulling en uitvoering van de regelgeving. Deze
beslissingsvrijheid wordt door Van der Veen (1998: 219-242) benoemd als de
"discretionaire ruimte". Hoe groter de discretionaire ruimte, hoe belangrijker de rol
van de uitvoerders van het beleid  wordt. De mate waarin de uitvoerders van het beleid
de regels hanteren conform de doelstellingen van de wetgever, zal in aanzienlijke mate
de toepassing van het beleid in de praktijk bepalen. Gevolg hiervan is dat ook de
behandeling van cliënten van sociale diensten in bepaalde mate afhankelijk is van de
wijze waarop de uitvoeders van het beleid de regels interpreteren en toepassen. Tot het
begrip "sociale dienst" wordt ook de "dienstverlening" die door het onderwijs
verstrekt wordt, gerekend. Voor de illegale verblijvers zullen de scholen immers meer
doen dan hun kinderen onderwijs geven (wat op zich al als een dienst kan beschouwd
worden), maar bovendien vormen de scholen één van de weinige contactpunten met de
reguliere maatschappij.

Een zekere mate van discretionaire ruimte op het vlak van het sociaal beleid is bijna
onvermijdelijk. Als men er dus vanuit kan gaan dat er een zekere mate van
discretionaire ruimte bestaat bij de uitvoering van beleid, dan kunnen er twee
problemen rijzen.

Een eerste probleem betreft de omvang van de discretionaire ruimte. Er kan dan de
vraag gesteld worden naar de factoren die de omvang van de discretionaire ruimte
bepalen. Vervolgens kan men zich ook afvragen of de discretionaire ruimte in die
omvang nog beheersbaar is (Van der Veen, 1998: 219-220). Hier moet immers een
afweging gemaakt worden in het dilemma rechtsgelijkheid versus discretionaire
ruimte of "responsiviteit". Het is namelijk zo dat sociaal beleid vaak niet efficiënt kan
worden toegepast zonder dat aan de uitvoeringsambtenaar een bepaalde
beoordelingsruimte wordt gelaten. Deze beoordelingsruimte kan men ook omschrijven
met de term responsiviteit. Responsiviteit duidt op de mogelijkheid die een
(uitvoerend) ambtenaar heeft om binnen bepaalde grenzen naar eigen oordeel in te
spelen op de door hem waargenomen omstandigheden. De overheid zal zich voor het
dilemma van de responsiviteit versus de rechtsgelijkheid geplaatst zien. Enerzijds zal
de overheid de discretionaire ruimte voor de uitvoeringsambtenaren trachten te
beperken om zo het risico van willekeur in de uitvoering te vermijden, anderzijds zal
men deze discretionaire ruimte niet helemaal kunnen wegwerken als men het beleid
nog op een effectieve manier wil laten uitvoeren. De overheid zal dus een zeker
evenwicht moeten trachten te vinden tussen de twee polen.

 Een tweede probleem dat ook opduikt is hoe er met deze discretionaire ruimte wordt
omgegaan. De uitvoerders zullen deze ruimte namelijk op een bepaalde manier
invullen. De vraag is dan welke factoren bepalend zijn voor de wijze waarop deze
invulling gebeurt en wat de gevolgen zijn van bepaalde invullingen.

Eerst zal echter nog concreter worden uitgewerkt in welke mate er discretionaire
ruimte is gecreëerd op het vlak van de opvang van kinderen van illegale verblijvers en
welke gevolgen dit met zich mee kan brengen  . Immers, het onderwijs is ook een
beleidsdomein waar regelgeving moet toegepast en uitgevoerd worden. De
regelgeving die van belang is met betrekking tot de opvang van de kinderen van
illegale verblijvers betreft het akkoord, gesloten tussen de Minister van Binnenlandse
Zaken en de Vlaamse Minister van onderwijs, dat het onderwijs voor kinderen van
illegale verblijvers toelaat (cf. supra: hfst 1, 2.3.1), de regelgeving over de faciliteiten
voor de opvang van kinderen van illegale verblijvers die wettelijk voorzien zijn en de
afspraken in het kader van de non-discriminatieovereenkomst (cf. supra: hfst 1, §3).

In verband met het dilemma tussen de rechtsgelijkheid versus responsiviteit, kan er
opgemerkt worden dat de regelgeving met betrekking tot het organiseren van de ATN-
klassen vrij strikt is. Zo mag een ATN slechts één jaar onthaalonderwijs voor ATN's
volgen. Dit jaar kan echter onvoldoende zijn voor minder intelligente kinderen of voor
kinderen die op oudere leeftijd toekomen en dus een grotere achterstand moeten
ophalen. Er bestaat dan geen verder mogelijkheden om hen opnieuw zulk een jaar te
laten volgen . Na dat ene jaar in de ATN-klas is er geen regeling meer voorzien voor
de opvang van deze ATN's en meer specifiek, de kinderen van illegale verblijvers. Er
wordt verondersteld dat ze nu meekunnen in de reguliere klas, wat niet altijd het geval
is. Sommige scholen kunnen dan beroep doen op een aantal andere faciliteiten, zoals
zorgverbreding of onderwijsvoorrangsbeleid; andere scholen die niet aan de
voorwaarden voldoen voor de faciliteiten, moeten echter "improviseren".
Daarenboven is er slechts de mogelijkheid om onthaalklassen in te richten, indien men
minimum vier ATN's opvangt. Scholen die minder dan vier ATN's opvangen, kunnen
voor het onthaalonderwijs wel terecht bij andere scholen, van hetzelfde onderwijsnet,
die wel onthaalklassen organiseren, maar omwille van de verplaatsing (voor een
beperkt aantal kinderen slechts) wordt deze mogelijkheid niet altijd benut. Zo kunnen
een aantal ATN's dus geen beroep doen op de faciliteiten die voor hen voorzien zijn.

De kinderen van illegale verblijvers worden, bij hun aankomst in de school, meestal
opgevangen in de ATN-klassen. Zo krijgen ze op een intensievere manier Nederlands
aangeleerd dan in de reguliere klas. Voor het onderwijs in deze klassen stelt zich ook
een probleem dat een gevolg is van de onvolkomen regelgeving. Er bestaan wel een
aantal hulpmiddelen om het Nederlands aan kinderen aan te leren en men is wettelijk
verplicht om een aanwendingsplan voor elke ATN op te stellen, maar toch ontbreken
er concrete richtlijnen over hoe deze onderwijsvorm er dient uit te zien. Bovendien
wordt er in de opleiding voor leerkrachten nauwelijks of geen aandacht geschonken
aan de opvang van anderstaligen in de klas. Leerkrachten die dan in zulke situatie
terechtkomen, zijn daar dan ook niet steeds op voorbereid. Daarenboven is er geen of
nauwelijks opleiding of vorming voorzien voor de leerkrachten lesgeven in ATN-
klassen geven. Zij zullen dus zelf, op basis van het beschikbare didactische materiaal,
inhoud moeten geven aan het onthaalonderwijs voor ATN's.

Tenslotte ontbreken soms afdoende afspraken en regelgeving in verband met het Non-
discriminatiepact. Concentratiescholen (met meer dan 50 % doelgroepleerlingen)
worden geacht om het aantal doelgroepleerlingen in hun school te doen dalen, door
deze leerlingen door te verwijzen naar andere scholen. Toch zien concentratiescholen
zich vaak genoodzaakt om doelgroepleerlingen, maar ook kinderen van illegale
verblijvers te blijven opvangen, omdat ze in andere scholen niet worden opgenomen.
De concentratiescholen zijn soms verplicht zo te handelen, aangezien andere scholen
slechts doelgroepleerlingen opnemen tot aan de (verplichte) drempel van 20% en
vervolgens de kinderen doorschuiven naar andere scholen. Ook de kinderen van
illegale verblijvers worden vaak doorverwezen met de verklaring dat de school
voldoende (of teveel) allochtone kinderen opvangt.
Ook worden in sommige gevallen de criteria om als doelgroepleerling erkend te
worden, niet even streng geëerbiedigd. Het criterium dat de moeder niet tot haar
achttiende jaar onderwijs gevolgd mag hebben, blijkt soms achterwege gelaten te
worden om het vereiste percentage te bereiken. Dit maakt dat één van de doelen van
het Non-discriminatiepact, een meer evenredige spreiding van de doelgroepleerlingen,
niet bereikt wordt. Meer strikte regels en betere criteria zouden de uitvoering van de
non-discriminatieovereenkomst en dus ook de opvang van kinderen van illegale
verblijvers ten goede komen.

De regelgeving met betrekking tot de opvang van kinderen van illegale verblijvers laat
dus op een aantal vlakken grote leemten, die de scholen zelf dienen in te vullen. Als
men er dan rekening mee houdt dat niet elke school over dezelfde mogelijkheden
beschikt om dit onderwijs voor kinderen van illegale verblijvers te organiseren, dan
wordt het duidelijk dat sommige kinderen hierdoor benadeeld zullen worden.
3)Strategieën van de contactambtenaren
De organisatiekenmerken en de discretionaire ruimte leiden ertoe dat het onderwijzend
personeel niet de mogelijkheid heeft om alle kinderen van illegale verblijvers in
optimale omstandigheden op te vangen en te begeleiden.

Lipsky beschrijft een aantal strategieën die streetlevelbureaucraten ontwikkelen om
met de beperkingen en ambiguïteiten om te gaan en om hun job te kunnen uitvoeren
(Lammertyn, 1995: 6-10). Deze routines of strategieën van de contactambtenaren
kunnen in drie grote groepen ingedeeld worden, die op hun beurt opnieuw een aantal
strategieën omvatten: de rantsoenering van de hulpverlening, de aanpassing van het
werkconcept en de aanpassing van hun opvatting over de cliënten van hun diensten.
Het onderwijzend personeel dat niet in staat is om alle kinderen van illegale
verblijvers op te vangen en ze tegelijkertijd in de beste omstandigheden les te laten
volgen, zal eveneens een aantal van deze strategieën gebruiken om de werkdruk te
verlichten.

De eerste groep van strategieën, de rantsoenering van de hulpverlening, houdt in dat
de contactambtenaren trachten de toegang en de vraag tot de dienst te beperken door
de cliënten met bepaalde kosten te confronteren of door ongelijkheid in de
behandeling van cliënten te scheppen. De eerste strategie is er namelijk op gericht de
vraag te beperken om zo de beschikbare goederen optimaal te benutten. De vraag
wordt beperkt door de cliënten op verschillende manieren geldelijke en temporele
kosten op te leggen of de cliënten de nodige informatie te weerhouden. Bovendien kan
ook een standaardisering van het werk de vraag beperken, doordat de hulpverlener
afstandelijk kan reageren op de vraag van de cliënt. Deze vorm van strategieën kan je
bijvoorbeeld terugvinden bij de inschrijving van kinderen van illegale verblijvers.
Sommige scholen proberen de kosten van het onderwijs zo hoog te leggen,
bijvoorbeeld door een uniform te verplichten of door te verplichten dat kinderen mee
op uitstap gaan, zodat vermeden wordt dat illegale verblijvers hun kinderen
inschrijven in de school. Zo kunnen scholen bijvoorbeeld ook proberen het recht op
onderwijs aan illegaal verblijvende ouders zoveel mogelijk te verzwijgen, waardoor
deze geen gebruik zullen maken van de "dienst".

De ongelijkheid in de behandeling komt erop neer dat de contactambtenaren de
cliënten onderverdelen in een aantal groepen of klassen aan wie de diensten en
goederen in verschillende mate gealloceerd worden. De allocatie van de diensten
gebeurt volgens een aantal technieken, zoals het afromen van de "beste" cliënten, zich
laten leiden door zijn voorkeuren of door sociale waarden over de verdienstelijkheid
van de cliënt. In het geval van de kinderen van illegale verblijvers die nieuw toekomen
in het land zal men misschien meer geneigd zijn om jongere kinderen in zijn school op
te nemen aangezien zij sneller zullen aansluiten bij hun leeftijdsgenoten of sneller de
taal zullen opnemen, aangezien ze minder achterstand moeten ophalen.

Een tweede routine die men kan ontwikkelen om de doelstellingen van de organisatie
te doen overeenstemmen met de werkelijke mogelijkheden, is dat men het
werkconcept zo zal herdefiniëren, zodat dit beter overeenkomt met de mogelijkheden
van de dienst. Ook in deze vorm kan men een aantal verschillende strategieën
onderscheiden. Zo kunnen streetlevelbureaucraten ten eerste op een feitelijke of op een
psychologische manier uit hun werk stappen.

Een andere mogelijkheid is dat ze de opvattingen over hun werk zodanig aanpassen,
zodat er slechts een beperkt aantal mogelijkheden overblijven om de cliënt van dienst
te zijn.

 Het is ook mogelijk dat de contactambtenaren zich zodanig gaan specialiseren dat ze
een aantal (belangrijke) basisvaardigheden verliezen.

Een vierde strategie bestaat erin een beroep te doen op de professionele of
beroepsideologie om te vermijden dat men persoonlijk aansprakelijk gesteld wordt.

Tenslotte kunnen de contactambtenaren de reikwijdte van hun gezag op private basis
aanpassen door te ontkennen dat ze over enige mate van beslissingsvrijheid
beschikken om op deze manier de eigen verantwoordelijkheid te beperken.

In de opvang van de kinderen van illegale verblijvers blijken deze strategieën in het
algemeen weinig voor te komen. De strategie van de leerkrachten om te ontkennen dat
men opgeleid is om les te geven aan kinderen van illegale verblijvers, die wel af en toe
voorkomt, kan hiertoe gerekend worden.

Een laatste geheel van strategieën bestaat er in om de eigen opvattingen over het
cliënteel zodanig te wijzigen, dat men toch aan de doelstellingen kan voldoen. Ook
hier kunnen wederom verschillende vormen onderscheiden worden. Een eerste
werkwijze bestaat in het mentaal verkleinen van de cliëntengroep. De voorkeuren van
de hulpverlener leiden ertoe dat de cliënten, die volgens de hulpverlener nog wel in
aanmerking komen voor de dienst, op een doeltreffend een flexibele wijze geholpen
worden. Bovendien zal dit deel van zijn cliënteel zo gekozen zijn dat de
contactambtenaar bevestigd wordt in zijn capaciteiten en in zijn opvattingen over zijn
job.

Een tweede modaliteit is dan dat de cliëntengroep op basis van een aantal
mechanismen wordt onderverdeeld en dat men vervolgens deze onderverdeling zal
rationaliseren. Zo kan in de school de aandacht van de leerkracht bijvoorbeeld vooral
toegespitst zijn op deze kinderen van illegale verblijvers waarbij men wel vooruitgang
merkt en die snel aansluiten bij de klasgroep, terwijl leerlingen die wat achterblijven
"opgegeven" worden.

Een laatste strategie ligt in het lokaliseren van de verantwoordelijkheid voor de
problemen bij de cliënten zelf. Zo kan een leerkracht een anderstalige nieuwkomer er
(in stilte) van beschuldigen dat hij niet genoeg moeite doet om de taal te leren, terwijl
het probleem misschien eigenlijk bij de leerkracht zelf ligt. De leerkracht kan
ongemotiveerd lesgeven of onvoldoende uitleg geven, zodat het voor het kind moeilijk
wordt om de taal aan te leren.
2.3 De professionele visie van het onderwijzend personeel

De leerkrachten willen hun inspanningen en zichzelf als "goede" leerkracht graag
bevestigd  zien. Niet alle leerlingen zullen echter even goed beantwoorden aan de
verwachtingen van de leerkracht. Dit heeft dus ook effect op de relatie tussen de
leerling, in dit geval een kind van een illegale verblijver en de leerkracht, en kan
verklaard worden aan de hand van het (gereïficeerd) beeld van de "goede" leerling dat
de leerkrachten hanteren.

De relatie tussen leerkrachten en leerlingen wordt beïnvloed door de wijze waarop de
leerlingen zich zullen opstellen ten opzichte van het curriculum. Eggleston beschrijft
een "goede leerling" dan ook als een leerling die hard werkt, beloningen van de
leerkrachten nastreeft, enkel samenwerkt als het hem opgedragen wordt en bekwaam
is om goede antwoorden te geven, terwijl hij wel zijn ongelijk toegeeft indien hij het
niet kan. Een "slechte leerling" beantwoordt dan aan de volgende, tegengestelde
kenmerken: verveeld gedrag, frustratie, onkunde, … Natuurlijk zijn dit slechts de twee
uitersten, toch zullen de leerlingen zich socialiseren in één van de twee types van
leerlingen. De leerkracht zal de leerlingen (evenals de leerling de leerkracht) echter
gereïficeerd benaderen: eenmaal een leerling tot een bepaald type wordt gerekend, zal
hij altijd vanuit dit standpunt benaderd worden (Verhoeven, 1998: 59-60).

 Hierboven werd reeds vermeld dat het verborgen curriculum (cf. supra: 1.1.2) een
uitdrukking vormt van wat belangrijk geacht wordt binnen bepaalde dominante
groepen, met name de middenklassen. De kinderen van de middenklasgezinnen zullen
dan ook al in het gezin zelf geconfronteerd worden met deze waarden. Voor andere
kinderen, bijvoorbeeld deze uit de arbeidersklasse, verloopt de socialisatie op school
echter anders dan in het gezin, waardoor ze hier meer problemen mee ondervinden.
Het is voor hen moeilijker om te begrijpen wat verwacht wordt en zich aan te passen
aan het beeld van de goede leerling (Verhoeven, 1998: 64-67).

Ook illegale verblijvers zijn niet altijd vertrouwd met de vaardigheden en attitudes die
worden doorgegeven op school. Een leerkracht kan dan bijvoorbeeld denken dat een
kind van een illegale verblijver niet mee wil werken, maar dat in feite het kind niet
begrijpt wat hem opgedragen wordt, hoe hij de opdracht moet aanpakken of hoe hij
zich moet gedragen. Als dit dan een aantal keren voorvalt, zal de leerkracht dit kind
als een moeilijke leerling beschouwen, wat op zijn beurt een invloed heeft op het
lesgeven zelf: de leerkracht zal bijvoorbeeld minder geduld met het kind hebben.
§3: Besluit

 In dit hoofdstuk werd zowel vanuit de invalshoek van de illegale verblijvers zelf als
vanuit de invalshoek van de scholen nagegaan waar de oorzaken van een aantal problemen in
het onderwijs aan kinderen van illegale verblijvers liggen.

Van de kant van de illegale verblijvers zal het ontbreken van een aantal basisrechten, zoals het
recht op arbeid en het recht op een uitkering, invloed hebben op het inkomen van de illegale
verblijvers. Een ontoereikend inkomen kan problemen opleveren om de kinderen naar school
te sturen, in die zin dat de ouders de schoolrekeningen niet kunnen betalen en de scholen dus
zelf moeten tussenkomen. Ook kunnen de ouders zich niet hetzelfde –dure- schoolmateriaal
veroorloven als (gemiddelde) Belgische ouders.

De illegale verblijvers zijn bovendien, net als erkende vluchtelingen, inwijkelingen die niet
vertrouwd zijn met onze taal, onze cultuur en ons onderwijssysteem. Dit creëert een hele
reeks van problemen gaande van een moeilijke communicatie tussen het onderwijzend
personeel enerzijds en de ouders en hun kinderen anderzijds, tot uiteenlopende verwachtingen
met betrekking tot de rol van de school en van de ouders.

De illegale verblijvers kennen tenslotte een zekere mate van onzekerheid als gevolg van hun
verblijfssituatie. Dit kan de ouders beïnvloeden in de beslissing om hun kinderen naar school
te sturen, maar kan ook van invloed zijn op de motivatie van de kinderen. Bovendien kan het
zijn dat sommige illegale verblijvers niet op de hoogte zijn van de mogelijkheid om hun
kinderen onderwijs te laten volgen.

Vanuit het standpunt van de scholen spelen eveneens een aantal factoren, die kunnen leiden
tot problemen bij een evenredige spreiding van kinderen van illegale verblijvers over alle
scholen en die invloed kunnen hebben op het niveau van het onderwijs voor de kinderen van
de illegale verblijvers.

Ten eerste heersen er in een maatschappij een aantal opvattingen over de mate waarin
personen recht hebben op een dienst, zoals het onderwijs. Sommigen van deze waarden, het
gedrag en de houding van de persoon en de noodzakelijkheid en dringendheid van de hulp
zullen variëren van gezin tot gezin. De sociale waarde zal in de groep van de illegale
verblijvers echter weinig veranderen, aangezien de maatschappelijke positie van de illegale
verblijvers in het algemeen laag is.

Ten tweede worden organisaties die diensten verlenen, zoals scholen, geconfronteerd met een
aantal structurele kenmerken, die een optimale dienstverlening aan alle (potentiële) cliënten
onmogelijk maakt. Daarenboven is de regelgeving betreffende de spreiding van kinderen van
illegale verblijvers en de voorzieningen voor de opvang van deze kinderen soms onvoldoende
en soms te streng vastgelegd. Dit maakt dat het onderwijzend personeel niet altijd in staat is
om de meest geschikte maatregelen te treffen in een bepaalde situatie, waardoor de kwaliteit
van het onderwijs voor kinderen van illegale verblijvers daalt. De kenmerken van de
schoolorganisatie en een regelgeving die onvoldoende is aangepast aan de situatie zorgen
ervoor dat het onderwijzend personeel bepaalde oplossingen (de strategieën) ontwikkelt om
het onderwijs voor (een beperkt aantal) kinderen van illegale verblijvers toch te kunnen
realiseren. Het onderwijs verloopt dan wel niet onder ideale omstandigheden of kan niet
georganiseerd worden voor alle kinderen van illegale verblijvers die het wensen.

Tenslotte speelt ook het beeld van de "goede leerling" dat leerkrachten erop nahouden een rol.
Het feit dat kinderen van illegale verblijvers in een ander schoolsysteem zijn gesocialiseerd en
veelal met een bepaalde achterstand aan het onderwijs beginnen, zal maken dat het voor
kinderen van illegale verblijvers moeilijker is om aan dit beeld te beantwoorden. Dit kan een
negatieve invloed hebben op de bereidheid van de leerkrachten om voor de kinderen van
illegale verblijvers de nodige extra inspanningen te leveren.

Het hoofdstuk geeft dus een (hypothetisch) overzicht van de problemen die verwacht kunnen
worden in de opvang van kinderen van illegale verblijvers en legt uit hoe deze verklaard
kunnen worden. In het vierde hoofdstuk worden vervolgens de concrete onderzoekgegevens
voorgesteld, die vanuit het hierboven voorgestelde kader kunnen geïnterpreteerd worden. Er
zal in hoofdstuk vier dan ook worden aangegeven wanneer er elementen, die hierboven
beschreven werden, terugkomen in de praktijk.
 

Hoofdstuk 4: Het onderzoek naar de problemen in de opvang van kinderen
van illegale verblijvers in het onderwijs. De resultaten en de analyse
 

Uit de verwerking van de kwalitatieve interviews komen een aantal problemen
duidelijk naar voor in verband met het onderwijs voor kinderen van illegale verblijvers. Wat
opvalt is dat de situaties waar kinderen van illegale verblijvers in verkeren bijna altijd "multi-
problem"-situaties zijn. Het illegaal verblijf creëert op zichzelf slechts in geringe mate een
probleemsituatie. Echter, de gevolgen van het illegaal verblijf, zoals geen of een heel beperkt
inkomen, brengen wel moeilijkheden mee. Daarenboven zijn illegale verblijvers ook
vreemdelingen die niet vertrouwd zijn met onze taal, onze cultuur of ons onderwijssysteem
wat nog extra hindernissen meebrengt. Een groot aantal van de problemen, die men
tegenkomt bij het school lopen van kinderen van illegale verblijvers, komt men ook tegen bij
kansarme Belgische kinderen of bij migranten en legale vluchtelingen.

De hindernissen die opduiken bij het volgen van onderwijs door kinderen van illegale
verblijvers zijn niet alleen schoolse problemen. De scholen worden eveneens geconfronteerd
met een aantal moeilijkheden inherent aan de situatie van het illegaal verblijf, zoals het feit
dat de school voor de illegale verblijvers vaak het enige contactpunt met de maatschappij is,
zodat de school soms wordt ingeschakeld om hulp te bieden. Verder wordt niet altijd rekening
gehouden met de indeling schoolse versus niet-schoolse problemen.

De problemen die hierna beschreven worden, zullen zich niet bij elk kind van illegale
verblijvers stellen of althans niet in even sterke mate. Zo is bijvoorbeeld de hinder die het
leren van een nieuwe taal met zich meebrengt sterk afhankelijk van de intelligentie,
taalgevoeligheid, leeftijd, … van het kind. Ook de problemen waar de scholen mee kampen
hangen sterk af van het aantal kinderen van illegale verblijvers die de school opvangt en van
de situatie waarin de school zich aanvankelijk al bevond. Een school waar voornamelijk
kansarme kinderen school lopen, zal het financieel moeilijker hebben om bijkomend ook nog
de illegale verblijvers te onderwijzen en te ondersteunen. Hier zal nog dieper op ingegaan
worden bij de verdere bespreking.

In de analyse wordt een indeling van de problemen gevolgd, die zoveel mogelijk
overeenkomt met de indeling in hoofdstuk drie. Toch zullen er een aantal aanpassingen en
uitbreidingen nodig zijn. Zo is er een groep van problemen die specifiek veroorzaakt worden
door het illegale verblijf en die moeilijk bij een andere groep te plaatsen zijn. Deze zullen hier
dan ook in een aparte categorie geplaatst worden. Een tweede wijziging betreft een aantal
moeilijkheden die bij een eerste voorstelling van de problemen nog niet waren vermeld: het
gaat hier om problemen die scholen ondervinden bij de opvang van, vooral een grote groep,
illegale verblijvers. Er kunnen immers problemen optreden op het vlak van
werkingsmiddelen, inzetten van een aantal voorzieningen, personeel, …  Meer bepaald gaat
het hier over moeilijkheden die ontstaan omdat er ofwel een te strenge regelgeving bestaat,
die niet is afgestemd op de reële situatie in sommige scholen ofwel omdat er een gebrek is aan
regelgeving en voorzieningen waardoor de scholen en het onderwijzend personeel niet
voorbereid zijn op het lesgeven aan kinderen van illegale verblijvers. Deze groep van
problematische elementen zal verder benoemd worden als problemen met betrekking tot de
overheid. Er wordt nu eerst ingegaan op de problemen die het illegaal verblijf rechtstreeks
met zich meebrengt. Verder zullen ook de twee invalshoeken, school versus illegale
verblijvers, niet altijd strikt worden aangehouden, omdat dit soms voor teveel overlappingen
zou zorgen.

§1: Problemen met betrekking tot het illegaal verblijf

Het feit dat zij illegaal verblijven heeft een aantal rechtstreekse gevolgen voor het
school lopen van  de kinderen van illegale verblijvers. Het heeft hoofdzakelijk een invloed op
het gedrag van de illegale verblijvers en hun kinderen ten opzichte van de school, wat
volgende bijkomende moeilijkheden voor het volgen van onderwijs met zich meebrengt.
1.1 Onduidelijkheid over de eigen verblijfssituatie

De verblijfssituatie in België is niet altijd even duidelijk voor de illegale verblijvers.
Ze worden met papieren geconfronteerd, die ze zelf niet begrijpen en waar ze de
gevolgen voor hun situatie niet van kennen. Het naar school sturen van hun kinderen
wordt soms door de illegaal verblijvende ouders belangrijk geacht als bewijs van
integratie voor een eventuele regularisatie. De scholen moeten de illegale verblijvers
dan duidelijk maken dat het school laten volgen van hun kinderen, volgens het
akkoord gesloten tussen de Minister van Binnenlandse Zaken en de Vlaamse Minister
van onderwijs, geen aanleiding kan zijn tot een eventuele regularisatie of zelfs maar
verlenging van het verblijf .
 

D(irecteur of directrice): "Hè, dus, ja, zij weten ook niet altijd ook niet altijd wat
er staat, hè, want het is Frans of Nederlands op die papieren, dat staat er niet in
hun taal op, hè. Uiteraard. …Want een ambtenaar van hier kan geen Kosovaars
gaan schrijven…" (Interview 6)

D: "Euh, maar, dat je de mensen wel moet duidelijk maken dat de inschrijving
niet mag misbruikt worden, bij manier van spreken, maar voor de rest, ja, nee, wij
hebben daar ook geen moment over, dat is niet van nu moeten we efkens gaan
beraadslagen en gaat dat wel kunnen?" (Interview 10)

D: "Ik denk soms dat ze… meer om, om de nodige papieren te hebben om te
blijven, dat de school daar een dankbaar instrument voor is, om te kunnen
bewijzen dat ze school lopen, ja, dan schrijf ik een papier inderdaad, dat ze hier
school gelopen hebben. Ik heb dat trouwens nog vorige week gedaan en dan is dat
één van de elementen die toch een rol spelen in … in hun vraag naar euh
legalisering. Ik denk dat dat de reden is dat dat tweede gezin dan toch ook
gekomen is." (Interview 13)
1.2 De onzekerheid/angst in geval van een illegaal verblijf

De ouders kennen angst om opgepakt of om uitgewezen te worden. De ouders zullen
dus vermijden om in contact te komen met officiële instanties en zullen trachten te
vermijden dat informatie betreffende hun verblijfplaats bekend raakt. Daarom geven
ze soms onvolledige of verkeerde informatie aan de school. Deze angst kan zelfs zover
leiden dat de ouders hun kinderen van school halen en onderduiken. Al hoeft een
verhuis niet per se te betekenen, dat een gezin is ondergedoken. Vaak deelt het
onderwijzend personeel die bezorgdheid van de illegaal verblijvende ouders. Eén
directielid stelde ronduit de vraag naar wat er gebeurde met de informatie over de
inschrijving van kinderen van illegale verblijvers, die de school moet doorgegeven aan
de verificateurs om de leerplicht te controleren en subsidies te verkrijgen. Deze
persoon vreesde dat de informatie wel eens misbruikt kon worden.

D: "Euh, voor ons niet, maar ik wil wel zeggen, dat is nu gelukkig euh… geweken
dat, dat gevaar, maar zij hebben eigenlijk een tijd geleden, vorig jaar ergens bericht
gekregen dat zij het land moesten verlaten. Nu, is daar een advocaat bijgekomen en
zo een geluk bij een ongeluk heeft hij toen juist dat auto-ongeluk gehad en … was
er uiteraard een reden dat hij niet zomaar het land kon uitgezet worden."…  "Er is
in de loop van vorig schooljaar nog wel is ne keer in contact gekomen met de
politie in die zin dat, … hij toen met een aantal vrienden van de blok, want er waar
er geen van het school bij, dacht ik, euh, die hadden ergens een klein brandje
gesticht." … "Oei, hij zou toch echt op zijn tellen moeten passen, want van het
moment dat mensen die al uitgewezen zijn met de politie in contact komen, ja,
…"(Interview 11)

D: "Nu, bij de twee illegaaltjes, zoals ze zeggen, ben ik nooit geweest. Die hebben
dus een tijdje in het gastgezin gewoond, die zijn wel verhuisd, dus ik, die zijn wel
alleen gaan wonen, maar de papa heeft het adres niet willen doorgeven." (Interview
10)

D: "Van sommige kinderen … de situatie waar we weten dat die mensen bang
zijn om opgepakt te worden,… als die dan ineens verdwijnen, dan zijn ze
misschien wel opgepakt… . Er zijn er ook die terug naar hun land gaan, omdat ze
uitgewezen zijn en het echt niet meer durven om hier te blijven. Dan worden heel
dikwijls de kinderen teruggestuurd en blijven de ouders hier" (Interview 2)

I(nterviewer): "Hebt u dat ooit ergens gemeld van dat u daar eigenlijk, niet zeggen
dat u het daar niet mee eens was, maar dat u daar schrik voor had van dat de
rijksregisternummers zouden…"
D: "Ik heb daar al wel met collega's over gesproken op directievergaderingen. Maar
dat melden… aan wie moet ge dat melden?"
I: "Geen idee…"
D: "Weigeren kun je niet, want dan hebt ge kans dat ge uw subsidies niet meer
krijgt, dus…. Da's een probleem, hè" (Interview 3)
1.3 Wantrouwen ten aanzien van de school

Sterk samenhangend met de onzekerheid, die een illegaal verblijf met zich meebrengt,
is het wantrouwen dat ouders aanvankelijk hebben ten aanzien van de school. DE
school wordt immers ook aanzien als een officiële instantie en men zal niet zo
gemakkelijk de school in vertrouwen nemen. Het gebeurt soms dat de illegale
verblijvers geen adres opgeven, maar enkel een GSM-nummer ofwel dat men de
school tracht te controleren om zekerheid te hebben dat er wel echt op de kinderen
gepast wordt. Het wantrouwen ten aanzien van de school neemt bijna altijd sterk af na
verloop van tijd, als blijkt dat de school geen melding maakt van het illegaal verblijf
bij politie of rijkswacht. Bovendien bewijst het schoolpersoneel na verloop van tijd
zijn loyaliteit door extra inspanningen voor de illegale verblijvers te leveren. Een
ander teken van wantrouwen is dat de illegale verblijvers vaak niet melden dat ze
reeds gedurende langere tijd in België zijn en dat hun kinderen reeds ergens anders
school gelopen hebben. De redenen hiervoor kunnen heel uiteenlopend zijn. Soms zijn
de illegale verblijvers verhuisd zonder hun rekeningen te betalen of omdat er zich
andere problemen stelden. Vaak willen ze gewoon niet dat de vroegere school weet
waar ze naar toe zijn getrokken.

D: "Wat hij in het begin (de papa) ook heel veel deed, hè, dat was zo … in, in de
loop van de dag eens komen kijken en dan zette hij zich daar… tijdens de
middagpauze bijvoorbeeld of zo, … dat hij door had dat het om 10 na 10 speeltijd
was, dat hij toch tot hier kwam. En dan ging, dan zette hij zich neer op de bank en
dan kwam hij eens wat kijken" (Interview 10)

D: "Die hebben meestal een GSM en… ja, die veranderen van GSM als dat er
reclame…-acties zijn, oh, dat is en dat is elke keer nen andere nummer, euh
proberen om die terug te vinden. Trouwens GSM-nummers kun je nergens
opsnorren in nen boek of zoiets. Ook al, het is een keer voorgevallen dat we een
verkeerd adres hadden doorgekregen en dat ze dan in dezelfde … straat en zelfs in
hetzelfde appartementsgebouw woonden, maar op een andere verdieping en zo
van die dingen"  (Interview 11)

D: "Ik heb die angst nog maar bij één ervaren en dat is hier bij die Braziliaan,
maar hmm, ik vind dat heel raar, want zijn situatie zo ook, hè, allée, ja, hij had nu
gemakkelijk kunnen een dossier indienen (voor de regularisatie van zijn situatie),
hij heeft dat toch niet gedaan, dus, ik weet niet, maar ik heb zo het gevoel dat daar
nog wel wat andere dingen, euh, tussenzitten, bij die'e man.  Die'e is drie keer
geweest vooraleer hij zijn kind liet inschrijven, want die was nu opgeschreven in
een privé-school, maar hij kon dat niet betalen. En nu is 'm naar hier gekomen,
heeft hij euh… gevraagd, wordt dat ergens doorgespeeld?" (Interview 5)

D: "Ze zijn bang om contact te maken met de school, ze hebben schrik dat wij,
euh, aan politiediensten gaan meedelen dat ze illegaal zouden…. En dat duurt wel
een tijd voor ze, voor ze beseffen dat dat niet zo is. Dat wij hier zijn om hen te
helpen."(Interview 1)
 
 

D: "Ik heb dat niet, hè. Wat wel is uitzonderlijk gebeurd, dat er hier iemand kwam
van een andere Stedelijke School en dat de uitleg nogal raar was en dat ik naar die
collega gebeld heb en die zei me dan en dat was dan in…, ah, stuurt die maar
terug, want dat en dat en dat en dat…" (Interview 6)
1.4 Gebrek aan officiële contactpunten

Als de illegaal verblijvende ouders voldoende vertrouwen hebben in de school, zullen
ze ook geregeld naar de school stappen met hun problemen. Sommigen zien de school
als laatste redmiddel na allerhande andere kanalen te hebben uitgeprobeerd; anderen
stappen sneller naar de school toe. De school wordt vaak ingeschakeld om problemen
met officiële instanties uit de weg te ruimen, zoals administratieve problemen
oplossen, brieven vertalen, helpen in het verkrijgen van medische verzorging,… Het
zijn vaak zaken die Belgen zonder hulp zouden oplossen, maar die omwille van de taal
of het illegaal verblijf door deze mensen nauwelijks zelf afgehandeld kunnen worden.
Ze doen daarom een beroep op de school die dan als tussenpersoon dient. Het
personeel van de school treedt dan duidelijk op als contactambtenaar. De scholen
zeggen nooit dat ze weigeren hulp te verlenen, doch er is wel een verschil te bemerken
in de mate waarin hulp wordt verleend. Sommige scholen wachten totdat de illegale
verblijvers zelf met een probleem naar hun toe stappen, andere scholen zullen speciale
contactmomenten organiseren om de drempel voor onder andere illegale verblijvers te
verlagen.

De scholen die zich sterker bewust zijn van hun hulpverlenende functie, zijn in de
meeste gevallen scholen die een groter aantal kinderen van illegale verblijvers
opvangen of de scholen die dit  al gedurende een langere periode doen. De tijd kan
misschien ook een factor zijn die een rol speelt in de mate waarop de school zich als
contactpunt voor de illegale verblijvers zal ontwikkelen. Zoals hierboven werd
aangehaald, hangt dit ook af van de ouders van de illegale verblijvers en het
vertrouwen dat ze stellen in de school: als zij nooit met hun problemen naar de school
stappen kan deze ook niet optreden als contactambtenaar.

D: "Heel dikwijls ook komen die, als ze dan toch via de school binnenkomen en
ze leggen een beetje goed contact, dan euh ben je de tussenpersoon voor heel veel
dingen, dan, ja dan gaan ze je wel beschouwen als hulpverlener en ze gaan heel
dikwijls beroep doen op die hulp.  En je probeert dat ook te doen, maar dat is
enorm tijdrovend"(Interview 2)

D: "Maar, maar sommigen zullen denken van, oh, we zijn ingeschreven in een
school en het is dan in orde. En dan merk je natuurlijk, als je dan ook papieren,
dan staan ze daar…, kunnen ze het niet ingevuld krijgen. Het is al voorgevallen
dat ik ze daarbij geholpen heb, maar meestal vinden zij toch wel hunne weg en
hun kanalen, die hebben hun eigen communicatiekanalen, denk ik van, van zelfde
nationaliteiten, zelfde gebied waar ze vandaan komen" (Interview 7)
 
 

D: "Ja, zoveel mogelijk, hè. Ik moet dat beperken. Ja, nu met die
regularisatiepapieren moest ik wel, hè, maar ik tracht dat zoveel mogelijk te doen
door bijvoorbeeld een permanentie in de school, ik heb dus één dag in de week,
één morgen, waar er een interculturele medewerker Turks en één interculturele
werker Arabisch zit. En, waar dus de mensen en zowel ook de leerkrachten,
vragen naar kunnen stellen die beantwoord worden via telefoon of huisbezoeken
en zo verder.  En ook die mensen moeten dikwijls… meegaan voor SIS-kaarten,
euh voor naar het gemeentehuis of het districtshuis en zo verder" (Interview 4)
1.5 Demotivatie bij de kinderen

De kinderen van illegale verblijvers moeten, als ze toekomen in ons land, een nieuwe
taal leren en wennen aan een ander cultuur en een ander onderwijssysteem. Dit op zich
is al een proces dat soms moeizaam verloopt en veel motivatie en extra inspanningen
van het kind vereist. Daarenboven worden de kinderen van illegale verblijvers, als ze
ouder worden, zich meer en meer bewust van het uitzichtloze van hun situatie. Het kan
dan ook zijn dat ze de moed opgeven om nog te studeren. Het kan ook zijn dat één
bepaald feit, bijvoorbeeld een bevel om het land te verlaten, aanleiding geeft tot
ontmoediging. Dit geldt echter zeker niet voor alle kinderen van illegale verblijvers: er
zijn er ook die elke kans grijpen om onderwijs te volgen en die juist zeer gemotiveerd
zijn. Ook de houding van de directie ten aanzien van de situatie van illegaal verblijf
kan sterk verschillen. Sommige directieleden zijn ervan overtuigd dat ook de kinderen
van illegale verblijvers hier iets van hun leven kunnen maken. Andere directies vrezen
dat ze de kinderen valse hoop geven door hen voor te houden dat er voor hen
mogelijkheden in deze maatschappij bestaan. In het onderwijs wordt namelijk
nauwelijks een onderscheid gemaakt tussen de illegaal verblijvende kinderen en de
legaal verblijvende kinderen of ruimer tussen de Belgen en de allochtonen. Eenmaal
dat de leerlingen echter uit het onderwijs stappen worden ze harder met deze realiteit
geconfronteerd.

Deze school ving een illegaal in ons land verblijvend Slovaaks meisje op in het
vijfde leerjaar. Haar gezin had gepoogd om via de regularisatiecampagne legaal
hier te kunnen verblijven. Dit is mislukt met als gevolg dat het kind helemaal niet
meer naar school komt. (Interview 9,  dit gedeelte van het gesprek werd niet
uitgetypt, omdat de cassetteopname te slecht was)

D: "Mmm, ge komt daar nogal verschillende mensen tegen, ofwel willen die echt
vooruit en knokken die om … om het hoofd boven water te houden en die
geraken  er uiteindelijk, ofwel vallen die van de ene miserie in de ander. Dat zijn
zo de twee uitersten, maar dat komt heel vaak voor" (Interview 7)

D: "Die zijn nu… ATN… nog net, die vallen er nog net in, ik denk dat die nu
ongeveer een jaar hier zijn en die nog, ja, die doen het toch echt heel goed in de
klas, die zit in het vierde leerjaar en dat zal wellicht… een, een flinke leerling
worden."
I: "Ja. Dus, u hebt geen problemen van motivatie van zowel de ouders als de
kinderen, die ouders zijn veel betrokken met die kinderen?"
D: "Veel meer dan de doelgroepleerlingen, veel grotere motivatie van de
leerlingen" (Interview 5)

D: "Doe ik nu wel goed van die, die mensen een behaaglijk gevoel te geven, van
die kinderen een gevoel van veiligheid te geven, terwijl de toekomst voor hen er
zeker niet rooskleurig uitziet. Nu, mensen stellen hoop in onze school en is die
wel terecht die hoop, wat zijn, wat is nu eigenlijk dat toekomstbeeld dat wij gaan
krijgen?" (Interview 4)
1.6 Uitbuiting

Illegale verblijvers zijn vaak het slachtoffer van uitbuiting omwille van hun precaire
situatie en het ontbreken van mogelijkheden om te reageren. De illegale verblijvers
krijgen heel vaak te maken met maffia, zoals mensensmokkelaars of huisjesmelkers,
maar ook met advocaten, die het niet goed met hun voorhebben. Dit probleem zal vaak
geen rechtstreekse gevolgen hebben op het onderwijs voor de kinderen van illegale
verblijvers, maar bijvoorbeeld wel op de financiële situatie van de illegale verblijvers.
Onrechtstreeks beïnvloedt dit probleem dus ook de onderwijskansen van de kinderen
van illegale verblijvers. Zo verhuizen illegale verblijvers vaak, indien ze betere
huisvestiging vinden, waardoor de kinderen van school moeten veranderen. De slechte
huisvestiging kan soms ook gezondheidsproblemen met zich meebrengen. Wat de
juiste gevolgen zijn van deze uitbuiting, daar hadden de directies, zelf weinig zicht op,
maar feit is wel dat uitbuiting een regelmatig voorkomend probleem vormt voor
illegale verblijvers.

D: "Dus, die krijgen papieren van wat dan ook via advocaten die daar zijn, die
daar hmm, serieus hun centjes aan verdienen, moet ik zeggen, die vragen wel
bijvoorbeeld dat proces, en die komen allemaal bij mij voor die papieren dus in te
vullen" (Interview 4)

D: "Heel dikwijls is het gewoon, euh, de buurt, euh, eigenlijk zitten we nog in de
stationsbuurt, het centraal station. Eum… aan de overkant van de Belgiëlei, niet
zo zeer hier, maar aan de overkant van de Belgiëlei, zijn zeer veel huizen, laat ons
zeggen, bijna krotwoningen, waarvan de Joodse Gemeenschap eigenaar is… en
daar wordt, euh…, ja, die mensen worden ook uitgebuit, hè. Men verhuurt  per
matras…" (Interview 2)

D: "Ja, en dan een ander probleem zal ook dan wel zijn, de huisjesmelkers, hè.
Hè, want onlangs is er ergens iemand veroordeeld, omdat die.. zo prijzen vroeg
om zoveel mensen, per persoon verhuurde die dan, hè, dezelfde ruimte"
(Interview 6)
§2: Financiële en materiële problemen

De financiële en materiële problemen vormen in de eerste plaats een hinderpaal om de
kinderen van de illegale verblijvers naar school te kunnen sturen. Ze hebben niet direct
invloed op het leerproces of op de integratie in de school. Maar onrechtstreeks kunnen de
financiële en materiële achterstand van het gezin wel bijkomende moeilijkheden veroorzaken:
zo kan de integratie in de school bemoeilijkt worden doordat kinderen van illegale verblijvers
zich bepaalde zaken niet kunnen veroorloven. Verder zal het steeds vermeld worden indien
een financieel of materieel gebrek gevolgen zal meebrengen voor de integratie in de
schoolgemeenschap of gevolgen heeft voor het studeren zelf.
2.1 Het inkomen van illegale verblijvers en de schoolkosten

In hoofdstuk 3 werd aangegeven dat de illegale verblijvers geen recht hebben op een
arbeidsvergunning in ons land en dat een OCMW niet verplicht is om materiële of
financiële steun te verlenen, behalve als het gaat om dringende medische
hulpverlening. Toch blijken een aantal illegale verblijvers wel steun van de OCMW's
te ontvangen of sturen de illegale verblijvers de school, voor het betalen van de
rekening, door naar een OCMW. Wat meer voorkomt, is dat de ouders een inkomen
halen uit "zwartwerk". Als een gezin steun krijgt van een OCMW of men heeft een
inkomen uit onwettelijke arbeid, dan zijn de illegale verblijvers meestal in staat om
een sober, maar menswaardig leven te leiden. De financiële problemen die zich dan
stellen zijn vaak acuut van aard en komen aan de oppervlakte wanneer het inkomen uit
arbeid om één of andere reden verloren gaat. De illegale verblijvers kunnen in zo'n
geval geen beroep doen op een sociaal vangnet. Als de illegale verblijvers in zo'n
situatie van acute geldnood verkeren en naar de school stappen, is dit omdat ze geen
andere uitweg meer zien. Scholen kunnen echter maar weinig aan zulke situaties
veranderen, al proberen ze wel de ergste wantoestanden te voorkomen, door
bijvoorbeeld collectes te organiseren, boterhammen aan kinderen geven,…

D: "Je moet eens zien in welke gebouwen, omstandigheden dat die leven, … je
moet eens kinderen en… die je 's zaterdag s en 's zondags opbellen uit nood om
te zeggen dat de verwarming al 'k-weet-niet hoe lang niet gaat, terwijl het vriest
en zo verder. Dat je dan zegt, oké, dan ga je er naar toe, naar de school en dan zet
je de verwarming van de school op dat die eventjes warm kunnen krijgen en zo
verder" (Interview 4)
D: "In sommige gevallen proberen wij te beperken, gewoon uit compassie, uit
medelijden doen wij een omhaling soms. Wij… ik, men kan niet alle zorgen van
de wereld op u laden, hè. Dus,… maar soms is het zo schrijnend dat we zeggen,
oké, we leggen bij, de leerkrachten of ikzelf, wij leggen bijeen en euh, we zorgen
dat iets kan. Dat is niet voor uitstappen, hè, dat is echt dus, voor eten…"
(Interview 4)

D: "Bij sommige illegalen hebt u dan financiële problemen,… die soms plots
opduiken, omdat zij dus geen financieel vangnet hebben, het OCMW komt niet
tussen"(Interview 1)
D: "Zolang er geen problemen zijn, gaat alles goed, maar als er een acuut
financieel probleem is en die mensen zitten in nood en die komen bij u
aankloppen, dan … dan heb je weinig mogelijkheden om te doen, hè… . Soms is
de school dan de laatste redmiddel en dan doen wij al het mogelijke" (Interview
1)

Een andere situatie doet zich voor bij een chronisch gebrek aan financiële middelen.
Voornamelijk in de periode kort na het toekomen in België hebben de meeste illegale
verblijvers geen enkele vorm van inkomen. Alhoewel voor een aantal gezinnen zal dit
constant gebrek aan middelen blijven voortduren. Ondanks het uitgangspunt dat
onderwijs in België gratis is, komen er toch een heleboel extra kosten bij als kinderen
naar school gaan. Het onderwijs van hun kinderen is bovendien geen prioriteit voor
deze mensen. De meeste kosten voor het onderwijs kunnen zij dan ook niet betalen.
De scholen zorgen er dan op één of andere manier wel voor dat de illegale verblijvers
geen schoolrekeningen hoeven te betalen of proberen de kosten zo laag mogelijk te
houden. Ook worden andere belangrijke, maar niet-verplichte activiteiten vaak
grotendeels door de school zelf gefinancierd, bijvoorbeeld uitstappen of bosklassen.
De meeste benodigdheden zoals schrijfgerief of een uniform worden eveneens door de
school voorzien. Echter, voor minder belangrijke bijkomende faciliteiten, zoals
schoolmelk of schooltijdschriften, komen de meeste scholen niet meer tussen. De
redenering die de meeste scholen volgen is, dat men de kinderen van illegale
verblijvers wil laten meegenieten van de activiteiten georganiseerd in en door de
school. Tegelijkertijd wil men erover waken dat de kinderen door anderen niet
aanvaard worden, omdat ze zich bepaalde materiële zaken niet kunnen veroorloven.
De meeste scholen stellen wel een grens aan hun financiële tussenkomst. Als een
bepaalde uitgave niet verplicht is of als de integratie van de kinderen van de illegale
verblijvers in de klas en de school niet bemoeilijkt wordt door niet-deelname, dan
zullen de scholen deze kosten meestal niet meer vergoeden. De scholen van alle
onderwijsnetten in Antwerpen kunnen voor het betalen van de uitgaven voor illegale
verblijvers beroep doen op een Sociaal Fonds. Het Sociaal Fonds dat door de stad
Antwerpen wordt gefinancierd, komt onder andere tussen in de kosten voor uitstappen
of bosklassen. Voor sommige scholen is het heel moeilijk om deze financiële
tussenkomsten zelf nog te dragen. Vooral scholen die vrij veel kinderen van illegale
verblijvers opvangen of die in het algemeen een kansarme populatie opvangen, kunnen
niet dezelfde financiële inspanningen leveren. Het komt zelfs voor dat de school
ouders bepaalde klusjes in de school laat opknappen, zodat de illegale verblijvers op
deze manier de schoolkosten kunnen vergoeden. Zo wordt ook rekening gehouden met
de waardigheid van de illegale verblijvers.

D: "Euh… zeg, wat dat wel is bijvoorbeeld, euh, er zijn ook een aantal zaken die
ouders niet moeten betalen, waar ze vrij in zijn… of waar ze zich niet op moeten
abonneren, of abonneren is geen verplichting, euh, dan denk ik bijvoorbeeld aan
drankjes. De kinderen hier kunnen drank op school kopen, maar ouders zijn dat
niet verplicht, ze mogen even goed drankjes van thuis meebrengen, zolang dat
geen frisdranken zijn, zoals cola en zo. Euh, nu zijn er een aantal ouders die al
een gans jaar bestellen op school, maar het nooit betalen. Dus, hebben wij vanaf
nu wel gezegd van, ja, dan wordt daar geen rekening meer mee gehouden en de
kinderen drinken geen… nemen geen drank meer van het school (Interview 11)

D: "… En voor het financiële is er nen tussenkomst vanuit de Stad Antwerpen."
 I:" Sociaal Fonds?"
D: "Sociaal Fonds, ja…" (Interview 3)
 
 

D: "Neen, nee wij geven huistaakklassen voor 2, 3, vooral 2, 3, 4."… "Vijf en zes
was in de school zelf, door een leerkracht van vijf en zes, euh maar ineens stopt
men daar de betalingen voor. Dus, da's gestopt. Nu hebben we juist op de
algemene vergadering gesteld dat we dat dan maar uit… een onbestaande zwarte
kas te betalen. Dus, we betalen dat zelf, want ik kan toch moeilijk aan leerlingen
om 30 fr. gaan vragen om die leerkracht te betalen, ik kan toch ook moeilijk eisen
dat die leerkracht dat gratis gaat doen. Euh,…. Ik vind dat dus niet… eerlijk dat
men aan sommige kinderen dan 30 fr. vraagt …. en andere kinderen kunnen dat
dan niet betalen, dat kan niet."… "Dus betalen wij dat zelf, maar dat kan ik niet
volhouden, hè, dat is net zoals de zwemlessen, die betalen wij ook zelf, dat is niet
vol te houden, hè" (Interview 4)

D: "Als ge kinderen niet, euh wilt, zeker in een kleinere school als de onze, niet
direct de stempel wilt geven van, van ze zijn anders dan de andere, dan probeert
ge ze dus ook …euh ook te laten genieten van schoolmelk."
I: "Ja."
D: "Ah, ja, maar dat moet op één of andere manier betaald geraken, hè. … Dus,
euh… nu als ge een school hebt… als die, die van ons… waar het … als het
publiek het sowieso niet al te breed heeft….Euh, ge moet niet denken dat wij een
sociale kas hebben of zo, hè" (Interview 9)

D: "En die mensen komen hier aan, helemaal zonder middelen, hm. Euh, wij zijn
dan een uniformschool, hè, daar begint het al, hè. Euh, ze moeten al een uniform
hebben en zo verder. … De coördinator van de school heeft nu een systeem
uitgewerkt zodanig dat ze wat tweedehandsmateriaal kan geven. En, euh,… met
de Kosovaren… hebben wij een regeling uitgewerkt, dat zij, dus de vaders die
werken voor de school. Dat wordt omgezet in, in uren en dat is dan afbetaling van
de leerlingenrekening. Zij doen dus klusjes voor de school en hun kinderen
kunnen hier dan gratis op school zijn" (Interview 5)

De scholen hoeven de onderwijskosten van kinderen van illegale verblijvers niet
alleen te dragen, aangezien ze voor inkomsten bijna altijd kunnen rekenen op anderen.
Concreter gezegd, er is vaak hulp van ouders van Belgische kinderen of van
verenigingen die zich onder andere inzetten voor illegale verblijvers. Ouders trekken
zich vaak het lot van één gezin aan en trachten dit gezin dan financieel en materieel op
weg te helpen. Deze situatie komt voornamelijk voor in scholen die relatief weinig
illegale verblijvers opvangen en die in de meer welvarende buitenwijken van
Antwerpen gelegen zijn. Sociale verenigingen daarentegen lijken zich meer te richten
op scholen in kansarmere buurten. Deze verenigingen staan meestal in voor meerdere
kinderen van illegale verblijvers. Bovendien zijn de scholen op de hoogte van het
bestaan van een aantal verenigingen die zich inzetten voor kansarme en ook voor
illegale verblijvers beschikbaar zijn. Meestal gaat het om het verstrekken van heel
goedkope (of gratis) tweedehandskledij of maaltijden.

D: "Welke afspraak hadden we in het begin gemaakt, omdat de ouders dus geen
inkomsten hadden en uiteindelijk toch afhingen van dat gastgezin… Daar zit dat
gastgezin mee voor een groot deel tussen, denk ik, die zo eigenlijk, ja, naar alles
en nog wat mee die weg kunnen wijzen." (Interview 10)

D: "De andere kinderen, die… vallen als begeleiding  bij die Lutherse pastor en
het is zijn gemeenschap of zijn parochie, ik weet niet hoe men dat noemt, die de
kosten betaalt" (Interview 5)

D: "Wij kunnen via een aantal organisaties binnen het Stedelijk Onderwijs, euh,
steun organiseren. Een stuk financiële steun, wij sturen, hen naar Kledingwerk,
dus wanneer de winterkledij niet voldoende is voor de kinderen, kunnen wij voor
nieuwe winterkleren zorgen" (Interview 1)

Een bijkomend probleem van het in armoede leven is dat de kinderen zelf soms
moeten gaan bedelen of gaan werken om de nodige inkomsten te verwerven. Met als
gevolg dat ze de school beschouwen als een plaats om uit te rusten, waardoor ze niet
veel van de lessen opsteken. Of ze stelen het lesmateriaal dat ze van de school krijgen,
gewoon om het voor zichzelf te hebben. Zo'n gedrag is niet eigen aan het illegaal
verblijf, maar aan het feit dat de kinderen in armoede leven.

D: "'t Is moeilijk die mensen van alle dingen, middelen, die … om dus inkomsten
te hebben, hè, dan krijg je …  kinderen die is bloemetjes gaan verkopen."
I: Ja.
D: "Hè, je hebt vanalles, en die dus… ook bij de school, die eigenlijk hier in de
school komen uitrusten." … "Ook stelen…, maar dat is een… maar dat is niet
eigen aan de groep van de illegalen, dat is gewoon eigen aan armoede. Maar
omdat zij bij de armsten zijn, krijg je dat dus, … Bon, pennen pikken, kleurtjes
pikken om, om te hebben natuurlijk"  (Interview 9)

D: "We weten ook dat twee van die kinderen bedelen in het weekend, maar niet in
de omgeving van de school" (Interview 12)
2.2 Gezondheidszorg

Een probleem dat zowel veroorzaakt wordt door het illegaal verblijf als door de
financiële situatie van deze personen is het gebrek aan medische verzorging. In het
geval van ziekte of ongeval kunnen de illegale verblijvers geen beroep doen op een
mutualiteit om tussen te komen in de onkosten. Het is voor hen onmogelijk zich aan te
sluiten bij een ziekenfonds, tenzij men zich heeft aangesloten gedurende de periode
dat asiel werd aangevraagd en men dus nog niet uitgewezen was. Enkel dan kan de
aansluiting bij een mutualiteit nog doorlopen tijdens de periode van illegaal verblijf
(Devillé, 1997: 9). Tenzij het gaat om dringende medische hulpverlening moeten ook
de OCMW's niet tussenkomen. De illegale verblijvers zullen dus zelf alle kosten
moeten betalen. Indien een ongeval zich op school voordoet, worden de medische
kosten terugbetaald door de schoolverzekering. In andere gevallen zal men de illegale
verblijvers doorsturen naar bijvoorbeeld Artsen zonder Grenzen of wordt het Medisch
Schooltoezicht ingeschakeld.

D: "Wat ook heel veel problemen geeft, dat is juist, dat is als die kinderen… euh
ziek worden,… of een ongevalletje hebben. Nu kunnen wij dat regelen via de
schoolverzekering, enzovoort. Euh, ik stuur die mensen dan gewoonlijk ook naar
Artsen zonder Grenzen, als die zich moeten laten behandelen, maar dat geeft
dikwijls toch wel problemen. Eum,… ze kunnen niet naar de dokter, da's ook
natuurlijk een beetje het financiële. … Medisch schooltoezicht schakelen we al
eens in. Euh… de schooltandarts, ja, de tandarts van de Stad Antwerpen, … ook
van het medisch schooltoezicht, hè. Dat biedt al eens oplossingen"(Interview 2)

D: "Dat is dan een regeling met het ziekenhuis, dan gaan we dus wel naar een,
naar een OCMW-ziekenhuis… dat is ietske gemakkelijker en dan word er wel een
regeling getroffen met de verzekering in de mate van het mogelijke en anders is
het de school die stilletjes wat bijpast, … dat gaat ook, dat gaat toch niet over
zoveel geld."(Interview 7)

Het gevaar bestaat ook dat de kinderen van illegale verblijvers, die niet
afkomstig zijn uit West-Europa, bepaalde ziektes, zoals TBC met zich
meebrengen die hier uitgeroeid zijn. Bij een gebrekkige verzorging bestaat dan
de kans dat zij andere kinderen besmetten.

D: "Er zullen nog wel problemen zijn, ja, kleding, rond hygiëne, euh medische
zorgen. … Kinderen komen vaak naar school met ziektes, dus is het ook zo
bijvoorbeeld, dat is een groeiend risico, in onze Westerse maatschappij en dus dan
spreek ik van West-Europa. Dat is bijvoorbeeld TBC op bepaalde plaatsen…
kunnen krijgen Joegoslavië en verder naar het Oostblok, daar is dat nog wel een
serieus probleem, maar bij ons is de controle op TBC afgeschaft" (Interview 9)
2.1 Mobiliteit en verloop

De illegale verblijvers zijn omwille van hun beperkte financiële mogelijkheden niet zo
mobiel als anderen. Zij moeten zich tevreden stellen met de huisvestiging die ze
kunnen betalen, wat vaak betekent dat ze allen in kansarme buurten terechtkunnen. De
illegale verblijvers vestigen zich niet alleen in deze achtergestelde wijken, omdat ze
geen hoge huishuur kunnen betalen, maar ook omdat ze het slachtoffer zijn van
huisjesmelkers. Daarenboven beschikken ze slechts zelden over een eigen
vervoersmiddel en is het openbaar vervoer voor hen een dure aangelegenheid. Als de
illegale verblijvers hun kinderen school willen laten lopen, zijn ze dus aangewezen op
de dichtstbijzijnde school. De illegale verblijvers die in kansarme buurten wonen,
zullen hun kinderen dan naar de school in deze wijk sturen. Het overgrote deel van de
kinderen van illegale verblijvers zijn geconcentreerd in een aantal
(concentratie)scholen, die zich in achtergestelde wijken lokaliseren. Deze scholen
trekken sowieso al een vrij arm publiek aan. Dit betekent dat ze niet dezelfde
faciliteiten ter beschikking kunnen stellen van de kinderen als de gemiddelde school,
wat niet echt bevorderlijk is voor de studiesituatie van de illegale verblijvers, die
bovendien al van bij de aanvang een achterstand hebben ten aanzien van andere
kinderen (cf. infra: §3). Bovendien dienen deze scholen grote groepen anderstalige
kinderen in de klas op te nemen, wat niet eenvoudig is, zonder het lesniveau naar
beneden te halen. Op dit probleem wordt verder nog ingegaan.

De beperkte mobiliteit van de illegale verblijvers en de daaruit volgende
onmogelijkheid om voor een andere school te kiezen, samen met het feit dat ze vaak
geconcentreerd leven in een aantal buurten, zorgen ervoor dat het merendeel van de
kinderen van de illegale verblijvers die school lopen in een beperkt aantal scholen
terechtkomt. Voor deze scholen brengt dit een extra financiële belasting met zich mee,
omdat de illegale verblijvers vaak de schoolkosten niet zelf kunnen betalen (cf. supra:
2.1). Dit kan ook afgeleid worden uit de gegevens die weergegeven worden in bijlage
1. Er zijn slechts vijf scholen die meer dan tien illegale verblijvers opvangen. Twee
van deze scholen zijn gesitueerd in de stationsbuurt van Antwerpen, één in
Antwerpen-Noord, een vierde school bevindt zich nog in de stationsbuurt van
Antwerpen op de grens met Borgerhout en de laatste van deze vijf scholen bevindt
zich in Berchem. Elk van deze vijf scholen bevindt zich dus in min of meer kansarme
buurten.

De overheid steunt te veel op de goodwill van de directies en de leerkrachten om
in die opvang te voorzien (bijvoorbeeld: de opvang van deze kinderen die
geschrapt zijn voor subsidies). Maar daar kan de overheid niet blijven op rekenen:
de scholen (zeker in Antwerpen-Noord) zijn immers niet in staat om nog veel
meer kinderen van illegale verblijvers op te vangen (in deze school is al meer dan
20% van de leerlingen illegaal in ons land) en zelfs al willen ze dit wel, er heerst
een tekort aan personeel om deze extra leerlingen op te vangen. Als gevolg
daarvan zullen meer en meer scholen in de buurt deze kinderen weigeren
(Interview 9, dit deel van het gesprek werd niet uitgetikt omwille van de slechte
kwaliteit van de cassetteopname)

D: "Ja, wij hebben de discussie gehad met … de kabinetsleden van de vorige
onderwijsminister. … Die zeiden: "geen ATN's in een concentratieschool. ATN-
klassen moeten gespreid worden…zoveel mogelijk uit elkaar, mensen moeten..."
Als argument haalden die aan: mensen die duizenden kilometer gereisd hebben,
om in een stad te komen… als Antwerpen, die zullen toch wel den tram kunnen
pakken, zeker voor een paar kilometer om naar 't Kiel of zo te rijden. En dat is
dus niet waar, want … die mensen zijn niet mobiel, die hebben geen auto, die
hebben geen geld voor nen tram, meestal… Dus die zijn echt wel gebonden aan
de buurt" (Interview 2)

De beperkte mobiliteit van deze mensen leidt nog tot een ander probleem: illegale
verblijvers verhuizen meer dan normaal. Hiervoor bestaan meerdere redenen. Zo kan
het zijn dat ze na verloop van tijd een betere of goedkopere huisvestiging vinden of dat
ze omwille van bepaalde problemen verdwijnen of onderduiken. Zelfs als ze alleen
maar naar een ander stadsdeel verhuizen, bestaat voor die mensen meestal de
mogelijkheid niet om hun kinderen naar dezelfde school te blijven sturen. Dit verloop
van kinderen van illegale verblijvers kan een aantal nadelige gevolgen hebben. Ten
eerste voor de kinderen zelf: het kan zijn dat hun slaagkansen dalen door telkens
opnieuw van school te veranderen, al hoeft dit niet steeds het geval te zijn. Ten tweede
heeft dit ook een effect op de motivatie van de leerkrachten. Anderstalige kinderen
vergen immers extra inspanningen van de leerkrachten. Als deze dan na verloop van
tijd vertrekken, en vooral als dit zich meermaals voordoet, kan de leerkracht dat
ervaren als verloren moeite, omdat ze nooit de resultaten van hun werk te zien zullen
krijgen. Het vrij grote verloop van kinderen van illegale verblijvers, vergeleken met de
Belgische kinderen, kan dus niet alleen een negatief effect op de schoolresultaten van
de kinderen hebben, maar het kan ook demotiverend werken ten aanzien van
leerkrachten, die dan een volgende keer minder inspanningen zullen leveren.

D: "… Het feit dat ze zeer dikwijls maar even verblijven in de buurt en in de
school… Dat ze dikwijls verdwijnen zonder iets te verwittigen, zonder adres
achter te laten, dat je er het raden naar hebt… Dat is één van die grote problemen"
(Interview 2)

D: "Aan de hand van de cijfers zien we van het moment dat een kind hier 6 jaar
is, of dat nu Nederlands spreekt of niet, dat heeft heel veel kans, dat heeft veel
kans, meer kans, gemiddeld meer kans om zijn diploma te halen. Het is alleen als
je van school gaat veranderen, dat de problemen beginnen" (Interview 1)

I: "Heeft dat ook effect op, ja, krijgt u soms ook kinderen toe die van een andere
school komen en heeft dat dan effect op die hun studieprestaties? Dat die van de
één school naar de andere worden gesleurd?"
D: "Dat is moeilijk te meten, hè, goh, als dat een beetje van dezelfde soort school
is, dan sluit dat wel aan, denk ik" (Interview 7)

D: "Wij denken ook wel dat, euh, wij zijn dan op zoek gegaan naar zijn
schoolverleden en bleek dat die elk jaar van school veranderde, wat natuurlijk
maakt dat die, ja, waarschijnlijk met een enorme frustratie had en zich nergens
thuis voelde en juist daarom… zich ook altijd, zich achter opgesteld voelde en zo
agressief begon te reageren" (Interview 11)

D: "Maar, allée, als ze (de leerkrachten) dan het gevoel hebben van god, ja, die
zijn hier welkom en we zullen ons best doen, dat zeggen wij dus ook en dat
proberen wij ook te doen, hè. Euh, … dat wordt wel gewaardeerd, maar aan de
andere kant het is heel vaak zo, door dat plots verdwijnen, zie je dus ook bij
leerkrachten vaak zo de reactie 'ziet ge ze, we hebben er zoveel voor gedaan en ze
zijn weg'"(Interview 7).

D: "Eén van de problemen, vind ik, de duur dat ze hier zijn wel. We hebben er
ook in november 3 binnengekregen, die hier drie weken geweest zijn en ineens
verdwijnen. Dus, je steekt er wel tijd, de leerkrachten vinden dat vooral erg, je
steekt er tijd en energie in en … ja die zijn, ze zijn weg" (Interview 12)
2.2 Studieruimte en huistaakklassen

Kinderen van illegale verblijvers hebben vaak thuis geen ruimte om rustig hun
huiswerk te maken. Dit is mogelijk het gevolg van de huisvestiging en beperkte
inkomsten. Soms is er geen grote tafel voor handen om het huiswerk op te maken of is
er geen rustige studieruimte voor handen. Het kan echter ook het gevolg zijn van een
cultureel verschil. Migranten, vooral afkomstig van het Afrikaanse continent, zijn
vaak gewoon met velen in een kleine ruimte te leven. Het gebrek aan rustige
studieruimte stelt zich dus niet alleen bij illegale verblijvers, maar ook bij andere
migranten. De kinderen in het eerste leerjaar krijgen vaak geen huiswerk mee, maar de
oudere kinderen krijgen wel te maken met dit probleem.

D: "Ik weet wel bijvoorbeeld dat, … zij inderdaad thuis geen grote tafel hebben,
waarop hij zijn werk kan maken. … Maar, …  ik heb toch nog nooit gehoord dat
het werk niet in orde zou zijn" (Interview 11)

D: "Nee, dat denk ik niet. Ze wonen daar … klein behuisd op de bovenste
verdieping. Ik ben in de… keuken annex woonkamer geweest, maar dat is niet
groot.  Ik weet niks van slaapkamers zijn, maar ik veronderstel dat er één of twee
slaapkamers zijn en ik denk dus niet dat er een ruimte is waar de kinderen hun
huiswerk kunnen maken…" (Interview 13)

De scholen kennen dit probleem en trachten er elk op zijn manier een oplossing voor
te vinden. Er zijn scholen die geen huiswerk meegeven of die niet optreden als het
huiswerk niet gemaakt werd. Andere scholen proberen om via huistaakklassen,
georganiseerd door de school of in samenwerking met een vereniging, een oplossing
te bieden aan dit probleem. Gedurende deze naschoolse opvang worden de kinderen
begeleid bij het maken van hun huiswerk, soms zelfs door de ATN-leerkracht zelf, die
toch het dichtst bij de kinderen staat.

D: "…, die krijgen geen huiswerk. We zullen zo eens een kleinigheid meegeven
om te doen, euh… of een puzzeltje meegeven, maar echt het gewone huiswerk
kunnen zij nog niet aan" (Interview 12)

D: "Nu natuurlijk wordt er hier heel, heel tolerant mee rondgegaan, als dat kind
zijn huiswerk niet, niet kan maken of ja, dan wordt dat achteraf in de school
gewoon er mee geholpen, hè" (Interview 10)

D: "Dat is drie keer op de week, hoor, dus na school, van half vier tot half vijf, dat
de kinderen kunnen najblijven om hun huiswerk onder begeleiding van een
leerkracht te maken en lessen te verwerken. Dat is eigenlijk alleen voor vijfde en
zesde, omdat in de lagere  klasjes het huiswerk beperkt is tot lezen" (Interview 3)

D: "Ja, maar dat is dan een beetje ondervangen omdat dus de leerkracht ATN's
die organiseert hier ook de nabewaking."
I: "Ja."
D: "En zij gaat natuurlijk haar eigen leerlingskes van haar onthaalklas, zorgen dat
die zeker hun huiswerk goed gemaakt hebben voor ze naar huis gaan" (Interview
5)
§3: Sociale en culturele problemen

Onder deze noemer vallen een hele reeks problemen die de integratie van zowel de
kinderen als de illegaal verblijvende ouders in de klas, de school en meer algemeen in de
schoolgemeenschap bemoeilijken. Bovendien wordt hierdoor het volgen van de lessen sterk
bemoeilijkt. De grootste hinderpaal is natuurlijk de taal, maar daarnaast zijn er nog andere
problemen veroorzaakt door ruimere culturele verschillen. Deze problemen worden ook
besproken, maar worden geplaatst bij de actoren die het sterkst met een bepaald probleem
geconfronteerd worden: de school, de ouders of de kinderen. Vanzelfsprekend stellen dezelfde
problemen zich ook bij de opvang van kinderen van legale vluchtelingen en van de ATN's in
het algemeen. Toch is dit een belangrijk facet van de problemen die zich stellen in de opvang
van kinderen van illegale verblijvers, zodat ze uitvoerig behandeld worden.
3.1 De taal

De illegale verblijvers spreken slechts heel uitzonderlijk Nederlands als ze toekomen
in ons land. Een aantal van de ouders zal wel in beperkte mate het Engels, Frans of
Duits beheersen, maar vaak schiet hun kennis van deze talen te kort om de
communicatie vlot te laten verlopen. Dus wordt van de scholen de nodige creativiteit
vereist om toch contact te leggen met de ouders en de kinderen. Voor de
communicatie met de kinderen zijn bijna altijd bepaalde faciliteiten voorzien, namelijk
extra lesuren Nederlands in het kader van het onthaalonderwijs voor ATN's, in het
onderwijsvoorrangsbeleid voor migranten of in de zorgverbreding. Zelfs indien deze
faciliteiten niet voorzien zijn in een school, kan er wel worden teruggevallen op een
taaklerares die de nodige aandacht aan de anderstalige kinderen besteedt. Ook in de
communicatie met de ouders hebben de scholen een aantal mogelijkheden tot hun
beschikking om de taalbarrière te overbruggen, zoals tolken, kinderen of ouders die
vertalen, gebarentaal, pictogrammen, woordenboeken, … Aan de meeste van deze
mogelijkheden zijn echter nadelen verbonden (cf. infra).

De scholen uit Antwerpen kunnen een beroep doen op de tolken uit een
tolkencentrum. Er zijn tolken aanwezig voor de meest voorkomende talen,
bijvoorbeeld Kosovaars, Russisch, maar ook Turks en Marokkaans, maar niet voor alle
talen. Een tolk kan wel ingeschakeld worden voor de noodzakelijke communicatie met
de ouders, maar is natuurlijk niet permanent aanwezig. Een groter nadeel is dat de
illegale verblijvers soms bezwaar maken tegen het gebruik van een tolk. Indien de tolk
afkomstig is uit het thuisland van de illegale verblijvers, is het mogelijk dat zij de tolk
beschouwen als een vertegenwoordiger van het officiële gezag waarvoor zij gevlucht
zijn. Dit probleem blijkt zich niet vaak te stellen, maar het kan wel beletten dat de
scholen de tolken kunnen inschakelen om met de ouders te communiceren. Af en toe
kunnen de scholen rekenen op sociale organisaties, die vertalers onder hun
medewerkers hebben.

Het inschakelen van tolken uit het tolkencentrum kan soms meer problemen
veroorzaken dan dat er worden opgelost. Het is namelijk zo dat de illegale
verblijvers (afhankelijk van persoon tot persoon) het vaak niet zo nauw nemen
met de gemaakte afspraken en dus niet komen opdagen als ze een afspraak met de
tolk hebben. Een bijkomend probleem is dat deze illegale verblijvers de tolken
soms zien als de vertegenwoordigers van het gezag uit hun land van herkomst,
waar ze nu net voor gevlucht zijn (Interview 9,  dit deel van het gesprek is
uitgetikt op basis van de nota's omwille  van de slechte kwaliteit van de
cassetteopname)

D: "Ja, zoveel mogelijk, hè. Ik moet dat beperken. Ja, nu met die
regularisatiepapieren moest ik wel, hè, maar ik tracht dat zoveel mogelijk te doen
door bijvoorbeeld een permanentie in de school, ik heb dus één dag in de week,
één morgen, waar er een interculturele medewerker Turks en één interculturele
werker Arabisch zit. En, waar dus de mensen en zowel ook de leerkrachten, …
vragen naar kunnen stellen, die beantwoord worden via telefoon of huisbezoeken
en zo verder" (Interview 4)
D: "Hè, dus, je richt dan ouderavonden in … met zoveel mogelijk interculturele
medewerkers…, maar ik kan dat dus doen bijvoorbeeld voor de Turkse
Gemeenschap, voor de Arabische Gemeenschap is dat zelfs gepland en daar komt
men altijd naar toe, maar voor de anderen, de … Nigeriaantjes, de Kosovaren, de
Joegoslaven, noem maar op, … de Albanezen, die vallen eigenlijk uit de boot"
(Interview 4)

Een andere manier om met de ouders in contact te treden is door andere
tussenpersonen in te schakelen. Deze personen zijn dan meestal de eigen kinderen,
andere schoolkinderen of andere ouders, die wel voldoende Nederlands praten. Echter,
in bepaalde culturen wordt de hiërarchie in het gezin doorbroken, als men de eigen
kinderen inschakelt om te vertalen. Als de eigen kinderen zelf onvoldoende
Nederlands praten, vragen de scholen soms aan andere schoolkinderen of ouders van
kinderen die dezelfde taal spreken, om te vertalen. Toch doen de scholen niet steeds
een beroep hierop, om de privacy van de illegaal verblijvende ouders niet te schenden.
Als directies of leerkrachten gevoelige zaken met de ouders te bespreken hebben over
een kind, dan hebben ze daar liever geen andere kinderen bij. De andere
vertaalmogelijkheden, pictogrammen, gebaren en woordenboeken, geven de scholen
slechts de kans om ruwweg een aantal onderwerpen aan te raken.

I: "Zijn er soms echt ouders waar u…? Die niet meer kunnen… waar het echt
bijna onmogelijk is om ze te begrijpen?"
D: "Ja, dan proberen we gebruik te maken van … pictogrammen. …Ik heb het
hier niet staan, maar wij hebben zo'n euh pictogrammenboek, waar ge toch wel…
. En dan … heb ik ook zo een aantal van die reiswoordenboekjes in allerlei talen.
Want wij nemen één woord, want dan kan je het nog niet zeggen dikwijls, hè,
want je moet eens proberen om Pools te praten. Dat kan ik niet uitspreken, dus
dan laat je dat woord zien, dat vertaald woord en die woordenlijsten en ge
probeert daar oplossingen aan te vinden"(Interview 2)
D: "Ja, goed. Euh, … we maken ook dankbaar gebruik van kinderen die tolken.
… We hebben een paar schitterende … tolken onder onze kinderen, maar dat is
het probleem dat die kinderen heel dikwijls last hebben thuis, omdat dan de
hiërarchie binnen het gezin doorbroken wordt".
I: "Ja."
D: "Zij worden gebruikt als tolk en zijn daar belangrijk, maar thuis worden die
dan terug op hun plaats als kind gezet en dat geeft wel eens conflicten
thuis"(Interview 2)
D: "We maken ook gebruik van andere ouders om te tolken, wat soms moeilijk is,
omdat … wanneer een kind echt problemen heeft, dat het niet altijd prettig is voor
een ouder om dat van een andere ouder te horen" (Interview 2)

D: "… kunnen onderling ook als tolk… . Zo hadden wij, ik denk vorige week, een
inschrijving van een Russisch kind. … Waren veertien dagen hier, een kleuter.
Die mensen waren veertien dagen hier. Wij verstonden daar geen woord van
uiteraard, …  wij zijn gewoon op de speelplaats één van onze Russische kinderen
gaan halen en die heeft, die is dus voor ons getolkt. Het kind is opgeschreven en
die was heel fier, want die heeft dat dus allemaal kunnen regelen met ons"
(Interview 5)

Met geen enkele van deze hulpmiddelen zullen alle taalproblemen uit de weg geruimd
kunnen worden. Het vraagt dus van de scholen veel meer tijd en moeite om ook deze
ouders bij de school te betrekken. Bovendien is het bijzonder moeilijk om juiste
informatie van deze mensen te verkrijgen. De namen van leerlingen worden als gevolg
van de taalbarrière vaak fout gespeld, wat later problemen kan geven voor de
erkenning als regelmatige leerling.

D: "Het voornaamste probleem en daar hebben we het al over gehad en dat is de
communicatie… Je moet in een ander taal communiceren, die mensen praten geen
Nederlands. In het  beste geval verloopt het in het Engels of in het Frans…met
van hun niveau van Frans of Engels. Bon, een voorbeeld geven: een Belg
inschrijven dat is op 10 minuten, een kwartier gedaan, dan is alle administratie
gebeurd, alle voorlichting gegeven en dan kunt ge zelfs nog een stuk van de
school laten zien. Een illegaal inschrijven of een Anderstalige Nieuwkomer, want
dan loopt het gelijk, dat duurt soms 2 à 3 uur voor de mensen begrepen hebben
waarover het allemaal gaat. Daar kruipt veel meer tijd in. Ook communicatie in
de klas, mensen begrijpen, …  nota's niet…" (Interview 1)

D: "Euh, met… wat het inschrijven betreft, is het soms moeilijk, want ik moet
elke inschrijving staven met een officieel papier, … waarop de naam en de
geboortedatum van de kinderen voorkomt…. Heel dikwijls zijn dat gewoon de
papieren waarmee de mensen uitgewezen zijn of de papieren van … Brussel, dat
ze, dus, wachten op erkenning. Da's 't enige dat die zowat hebben. Gelukkig,
aanvaardt de verificateur dat, maar we hebben dat al heel dikwijls gemerkt dat op
die papieren ook heel dikwijls fouten staan. Afrikanen, bijvoorbeeld, die kiezen
hun eigen naam, … die veranderen dan ook al eens van naam, die hebben ook
geen vaste geboortedatum…" (Interview 2)
D: "… die hebben bijvoorbeeld papier, die is geboren in 1989 … en wij moeten
altijd nen datum invullen. Dus… wordt er gewoonlijk gezegd 1 januari of  dat is
zo de typische… . Maar, … eigenlijk rond subsidies, als ge die papieren, als ge
helemaal geen papieren hebt, moet je kunnen bewijzen dat je… inspanningen
geleverd hebt om aan die papieren te geraken. En dan denk ik dat het een klein
beetje van de verificateur afhangt, of die dat probleem begrijpt of niet."
I: "Ja."
D: "En … ik moet zeggen, wij hebben daar eigenlijk geen, geen echte problemen
mee."… "Maar juiste schrijfwijze van namen, dat komt nu ook weer naar voor, hè
(ze spreekt nu over de regularisatiecampagne voor illegale verblijvers). Ze
komen zeggen van ik ben in dat jaar hier naar school geweest, je gaat dat
opzoeken, je vindt daar wel namen, maar hebben die ineens officiële papieren
waarop die voornaam helemaal anders is of de geboortedatum is anders en… dan
weet ge, ja …" (Interview 2)
3.2 De school
1)Het bepalen van het studieniveau en het integreren in de klas
De taal en de cultuur stellen scholen voor heel wat moeilijkheden die ze dienen op te
lossen. Het personeel van de scholen die zulke kinderen opvangen, moet dus meer
moeite doen om de kinderen te doen aansluiten in de klas en om de ouders op de
hoogte te houden.

D: "Maar, allée, als ze (de leerkrachten) dan het gevoel hebben van god, die zijn
hier welkom en, en we zullen ons best doen, dat zeggen wij dus ook en dat
proberen wij ook te doen, hè. Euh, … dat wordt wel gewaardeerd, maar aan de
andere kant het is heel vaak zo, door dat plots verdwijnen, zie je dus ook bij
leerkrachten vaak zo de reactie "ziet ge ze, we hebben er zoveel voor gedaan en
ze zijn  weg", hè, maar je kan dat niet afmeten, je mag dat ook niet afmeten
tegenover mekaar. Eum, het is niet omdat je veel voor iemand doet, … dat je dat
allemaal terugkrijgt op één of andere manier, hè" (Interview 7)

De eerste moeilijkheid doet zich al voor bij het bepalen van het studiejaar waar men
het kind zal plaatsen. Er moet met verschillende factoren rekening gehouden worden.
Ten eerste komt niet elk onderwijssysteem overeen met het Belgische
onderwijsmodel. Er zijn bijvoorbeeld landen waar de lagere school zeven leerjaren
kent of waar men vroeger met het leerproces start, maar het meest voorkomende
verschil is een andere volgorde in het aanbieden van de leerstof. Daarenboven zijn er
leerlingen die een ander schrift of leesrichting hebben aangeleerd, wat die kinderen
dan opnieuw dient afgeleerd te worden. Het gebruik van talige testen voor het bepalen
van het intelligentie- of studieniveau is dus uitgesloten. Ook niet-talige testen zijn
sterk cultuurgebonden en komen dus ook niet altijd in aanmerking.

D: "… Nu blijkt het, want zij, … zat daar in de zesde klas, maar dan die goeie
Poolse, die ik daar zei van jaren terug, die heeft daar dan mee gesproken en die
heeft dat uitgelegd in haar klas, hè, en ook … aan hare meester dat in Polen de
lagere school zeven leerjaren telt, hmm, hè. Dus, die andere die heeft dat
uitgelegd en dan hebben wij onder, samen zo gezegd "ah ja, maar ja, mevrouw"
zeggen de kinderen dan "dan zit ze nu eigenlijk heel goed, want dan zit ze nu in
het vijfde" (Interview 5)

Een eveneens groot probleem is het bepalen van het studieniveau. Aanvankelijk
steunde de school hiervoor op IQ-testen. Deze bleken helemaal niet geschikt om
het studieniveau te bepalen, aangezien een zeer groot deel van deze testen steeds
talig is, wat anderstaligen dus niet kunnen oplossen en zelfs het niet-talige
gedeelte is te sterk cultuurgericht (zoals bijvoorbeeld een puzzel oplossen).  Het
blijkt echter dat het bijna onmogelijk is om te bepalen wat iemands studieniveau
is. Men moet dus zowat gokken om iemand in een bepaalde klas te plaatsen. Men
heeft namelijk ook een tijd gebruik gemaakt van "rekentesten" om het niveau te
bepalen, totdat echter bleek dat de volgorde van wiskunde aan te leren niet altijd
overeenkwam met onze Belgische volgorde (Interview 9, dit gedeelte van het
interview werd uitgetikt op basis van de nota's omwille van de slechte kwaliteit
van de cassette-opname).

Eenmaal het studieniveau bepaald, zullen ongeveer alle scholen de regel volgen van de
leerling een jaartje lager te plaatsen dan het niveau dat hij haalt. Dit wordt gedaan om
het kind gedurende het eerste jaar de kans te geven zich aan te passen aan de nieuwe
omgeving en om de taal te leren. Bovendien is het ook voor de leerkrachten
gemakkelijker als zij zich in het begin enkel te hoeven concentreren op de taal. De
scholen kiezen hier dus duidelijk voor het creëren van een veilig gevoel bij de
kinderen, voor directe leerresultaten. De integratie wordt nog bevorderd via een aantal
niet-talige activiteiten, zoals tekenen, wiskunde, sport. Op één school gaat men deze
talenten van de anderstalige kinderen extra in de verf zetten, zodat zij zich ook
gewaardeerd en aanvaard voelen. Het contact met de andere schoolkinderen is daarin
een heel belangrijk element, eerst en vooral om aansluiting te vinden bij de
schoolgemeenschap, maar ook om het Nederlands gemakkelijker aan te leren. Vooral
bij oudere leerlingen zal de integratie en het Nederlands leren moeilijker verlopen. Een
kind dat in het eerste leerjaar toekomt, heeft immers weinig of geen achterstand
vergeleken met zijn klasgenoten, aangezien pas in het eerste jaar gestart wordt met het
leerproces. Een oudere leerling daarentegen dient een groter achterstand op te halen.

I: "Dus, … dat is dan een vorm van integratie, dat is de wiskunde?"
D:  "Dat is de eerste aanknoping, een ander aanknoping is activiteiten
lichamelijke opvoeding, activiteiten beeldende vorming, waar zij aan meedoen en
waar zij net zo goeie resultaten of net zo mooie halen. Waardoor ze … Daardoor
krijg je meer sociale integratie, spelen ze samen, … en dat geeft ook een heel
groot effect op de taalontwikkeling, van het moment dat kinderen met elkaar
beginnen praten in  het  Nederlands dan zie je dat de woordenschat heel snel
omhoog gaat. …. Dus wanneer een bepaalde nationaliteit in een groepje bij elkaar
gaat staan, dan, dan, heb je minder, minder leerresultaat dan wanneer ze zich gaan
mengen met de andere leerlingen. We hebben ongeveer 30% Marokkaanse
kinderen hier op school, waarvan er 25% hier geboren zijn, ja, dus dat zijn perfect
Nederlandstalige kinderen: 't is niet omdat die bruin zien, dat die geen
Nederlands kunnen" (Interview 1)

D: "Euh, als dat … jonge kinderen zijn van 5 of 6 jaar, ja dan, … Ik heb daar een
beetje, … wij hebben dat afgesproken in het team: als er nu… kinderen komen
die normaal dus in het eerste jaar moeten…"
I: "Ja."
D: "… en die komen in de loop van het jaar binnen, want dat is dus, die komen
niet in september binnen, die komen gewoon… in de loop van het jaar komen die
binnen, bijvoorbeeld, dan zet ik die sowieso bij de kleuters".
I: "Ja".
D: "En ik… maak daar zelfs geen, ik leg dat aan die mensen uit, … waarom ik dat
doe. Zijn zij niet akkoord, dan moeten zij een andere school kiezen. Dus, ik zet
die in de kleuters, waarom? Omdat, die kinderen is eventjes wat, wat veiligheid
kunnen ondervinden en gewoon op een spelende manier taal gaan ondervinden,
een soort taalbad gaan krijgen" (Interview 4)

D: "Wat ik ook wel doe en daardoor zijn de titularissen rustiger, ik plaats meestal,
de ATN een jaar te laag. Met opzet"
I: "En, … zoals met dat illegaal kindje dat nu in het zesde zit, hebt u dat ook
gedaan?"
D: "Ik plaats die een jaar te laag en ik zeg dan aan de titularis, zeg, kijk ge hoeft u
niks of niks aan te trekken van de leerstof, zorg dat het kind zich goed voelt, dat
ze zich begint te integreren en eigenlijk heeft ze niks anders te leren dan de taal
bij u en dat zal ze dan zelf wel opnemen. En dan zijn eigenlijk de mensen rustiger
…"
I: "Ja".
D: "En dan weten ze pas volgend schooljaar gaan we beginnen aan het
leerproces" (Interview 2)

D: "Wat ik gehoord heb en ik vond dat wel heel positief, dat kind van Kazakstan
kan bijzonder goed viool spelen en ze laten die geregeld, … een stukje spelen in
de refter."
I: "Ja."
D: "…Want, maar ja, dat is geen probleem, hè, dat is een positief punt. Euh, ja,
muziek is communicatie zonder taal, hè."
I: "En, … dan wordt dat ook gewaardeerd?"
D: "Ja, ja, er zijn nog twee kinderen in de onthaalklas, heb ik gehoord, die
bijzonder talent hebben voor tekenen en nu is juffrouw An … daarmee bezig via
tolken en de ouders om ze naar de tekenacademie te kunnen laten
gaan…"(Interview 5)

D: "Tja, toen dat ik die'e jongen toekreeg en ik bezag die, ja, normaal moest die
in het vijfde zitten. Dat is, maar in het vijfde zou hij zeker niet mee kunnen. Dus
heb ik gedacht, ik zal 'm een leerjaar lager zetten omwille van het feit dat dat toch
bij zijn leeftijdgenoten is, ongeveer, … want, ik moet er wel bijzeggen we hebben
twee vestigingsplaatsen, dus hier in dit gebouw zitten de kleutertjes, het 1ste, 2de
en 3de studiejaar en dus in die andere vestigingsplaats zitten dus 4, 5 en 6."
I: Ja.
D: "Moesten nu 4, 5 en 6 ook hier gezeten hebben, dan had ik misschien beslist
van 'm in een derde te zetten."
I: "Ja."
D: "Hè, euh in het eerste dat vond ik, dat gaat nog voor zo'n dropje, maar zo'nne
bonk dat gaat niet" … "En de juffrouw die was daar eerst niet zo opgetogen mee,
wat dat begrijpelijk is, want … dat moet een verrassing zijn, omwille van het feit
dat ge het ten eerste niet verwacht, die staan daar ineens en ten tweede ge hebt
daar ook niks voor klaar  …  om daarmee te starten. Dus, ge begint dus eigenlijk
van totaal niks, … ge kunt daar niet mee converseren, hè, de juffrouw kan in het
Engels of in het Frans wat, maar dat verstaan ze ook niet. Euh, dus dat was de
eerste week wel een beetje… ja, … hoe moet ik het zeggen, een beetje, zo wat
wrijving, ja, dat ze zie, "ja, wat moet ik daar mee doen", maar dat is overgegaan
dankzij de taakjuffrouw die dan toch wat richtlijnen heeft kunnen geven van 'laat
'm eerst een week acclimatiseren in de klas en dan zal ik eens stilletjes aan… om
te helpen lezen …'" (Interview 13)

I: "En het kind gaat dan af en toe naar het eerste om … te leren lezen, alles aan te
leren…?"
D: "Ja…"
I: "… schrijven?"
D: "Ja, als die, … maar pas op 't is niet dagelijks, dat is … een paar uren op de
week, hè, dan die uren … dat die naar de Taakklas kan gaan en voorts in de klas
zelf, hè, de titularis is daar ook mee bezig, hè."(Interview 13)

2) Analfabetisme
Nog moeilijker wordt het als de kinderen volledig ongeletterd zijn. Men probeert dan
de kinderen zoveel mogelijk in het eerste leerjaar te plaatsen, maar als dit door een
aantal elementen, zoals hun gestalte, bemoeilijkt wordt dan laat men ze toch bij hun
eigen leeftijdgenoten aansluiten. Soms beslist men dan om het kind, na verloop van
tijd, toch een aantal uren in de week in het eerste leerjaar les te laten volgen. Niet
alleen bij kinderen stelt zich het probleem van analfabetisme, het kan zijn dat ook de
ouders nooit hebben leren lezen of schrijven. Dit bemoeilijkt dan nog eens extra het
integratieproces: de ouders kunnen geen documenten ondertekenen, tenzij met een
kruisje, ze spreken zelfs niet een beetje Engels of Frans, brieven vanuit de school uit
zijn onverstaanbaar. Een ander nadeel wanneer de ouders analfabeet zijnen bijgevolg
nooit naar school zijn geweest, is dat ze geen zicht hebben op hoe een school werkt,
aan welke regels ze zich dienen te houden en wat ze kunnen verwachten van de school
(cf. infra: 3.4).

D: "Hè, euh in het eerste dat vond ik dat gaat nog voor zo'n dropje, maar zo'n
bonk dat gaat niet" (Interview 13)

D: "… Wat niveau heeft die klas, dat weet je niet. En dan nu de laatste tijd een
bijkomend probleem, heb je een aantal kinderen vooral uit … Ex-Joegoslavië die
analfabeet zijn op 10, 11 jarige leeftijd, die nog nooit naar school zijn geweest…"
I: "En dat zijn dan kinderen van oudere leeftijd… dus…"
D: "Ja, ja, die niet binnenkomen in een eerste of tweede klasje, maar die dan wel
in ander … het eerste leerjaar terechtkomen"(Interview 2)

D: "Nu, bij die twee (de kinderen van de illegale verblijvers) hebben we gezegd,
dat was eigenlijk … de vraag van de ouders en de gastvrouw die daar bij was van
aangezien zij nog … praktisch nooit naar school zijn geweest ook geen sch…
kleuterschool kennen, … ze kennen niks, waarom ze dan niet in het eerste en
omdat ze dan klein waren en, ah ja, hè, nog nooit op een bank hadden moeten
zitten, hebben wij eigenlijk beslist… Wij geven advies, het zijn de ouders die
beslissen, want hadden zij gezegd van nee, ze moeten naar het tweede, dan
hadden ze naar het tweede gegaan, hè. … Ook die andere ouders, als die echt
zeggen van, nee, het zesde leerjaar, dan gaan ze ook naar het zesde" (Interview
10)

D: "Zij weten ook blijkbaar via een OCMW dat hun kinderen naar school moeten
gaan, want ze komen dus papier vragen, … dat de kinderen naar school gaan. …
We hebben hier nu ontdekt dat de kleuterschool ook briefjes gemaakt … met …
pictogrammen op feitelijk, hè. Dus, als er iemand ziek is of zo, om de taalbarrière
te overbruggen, hebben we dat dan op die manier gedaan" (Interview 12)
3) Integratie in de reguliere klas
De scholen laten de anderstalige kinderen zich gedurende het eerste jaar vooral
concentreren op het aanleren van de Nederlandse taal. Om die redenen worden ze een
jaar lager geplaatst dan hun eigenlijke niveau, krijgen ze extra uren Nederlands,
bijvoorbeeld in de ATN-klas en laat men deze kinderen soms zelfs gedurende een paar
uren per week aansluiten bij het eerste leerjaar. Dit wil niet zeggen dat de leerkrachten
niet pogen om de uren die de kinderen in de reguliere klas doorbrengen, zinvol te laten
verlopen. Men wil voorkomen dat de anderstalige kinderen helemaal niets van de les
begrijpen en daardoor interesse verliezen. Men probeert dus aangepaste activiteiten
voor deze kinderen te vinden. De computer blijkt hiervoor een dankbaar instrument
voor te zijn. Toch vereist dit enige aanpassing en differentiatie in de wijze van
lesgeven door de leerkracht. Een aantal scholen pleiten daarom om een
klasdoorbrekende werking. Het werken in niveaugroepen zou zeker voor de
anderstalige kinderen positief uitvallen. Het wordt dan bijvoorbeeld mogelijk om
leerlingen voor wiskunde in een hogere niveaugroep te plaatsen dan voor Nederlands,
wat in de gewone klas niet kan. Enkele scholen proberen naast de ATN-klas, waar de
kinderen meestal qua leeftijd gegroepeerd zijn, ook een aantal andere werkvormen uit,
die meer gericht zijn op het groeperen van leerlingen op basis van hun studieprestaties.
Deze manier van werken zou er voor zorgen dat de anderstalige kinderen steeds in een
groep terechtkomen, waar ze wel kunnen volgen en ze bijgevolg meer  meepikken van
de les.

D: "In de eigen klas volgen ze veel activiteiten."
I: "En hoe wordt dat daar opgelost van… ?"
D: "… wisselend: soms krijgen ze een andere opdracht, soms helpen de andere
kinderen iets. … We hebben computer in de klas, die wordt dan ook wel eens
ingeschakeld om een oefening op hun niveau … te zetten, zo hebben we nu in het
vierde iemand die via computer en via dan extra oefeningen toch al telt tot, optelt
tot 100, hè. Aftrekken tot 20 kan doen, maar die zit feitelijk in het vierde leerjaar,
die zit dus…, maar die blijft wel in de eigen klas, hè, buiten … die paar uren in de
week dat die naar de ATN's gaat en dan is het vooral rond woordenschat dat er
gewerkt wordt" (Interview 12)

D: "…is niet hetzelfde. Meestal met het taalprobleem, zitten ze natuurlijk ook bij
de ATN's, maar komen toch ook terecht in de klassen, dus… leerkrachten moeten
nog meer gaan differentiëren. …En niet alle leerkrachten zijn
al…voldoende…opgeleid eigenlijk om met die cultuurverschillen te kunnen
omgaan" (Interview 2)

D: "Hm, die komen binnen, er is een gesprek met de ouders, ik probeer uit te
vissen, ja, van waar kom je en welk leerjaar? Als dat hier in België geweest is, is
dat iets gemakkelijker. Is dat in het buitenland is dat natuurlijk wel wat
moeilijker, omdat je dan… zeker niet goed weet wat het niveau is. Je hebt dan
ook geen, geen gegevens op papier, … daarom… vraag ik aan de taakleraar om,
om wat testen te doen, wat objectieve toetsen te doen. Zodanig dat we een beetje
kunnen bepalen, heel vaak is dan wiskunde natuurlijk dat veel beter is, altijd
trouwens is de wiskunde beter dan taal. Dan wordt die in een leerjaar geplaatst,
dat kan dan niet het leerjaar zijn van zijne leeftijd of van hare leeftijd, maar…
ietsje lager om dus… ja, … een beetje een taal gewoon te worden en dan krijgt
die wel wiskunde op het niveau van een hoger leerjaar" (Interview 7)

D: "Wij hebben bijvoorbeeld ook klasdoorbrekende werkvormen. … Ik zeg maar
iets, derde kleuterklas samen met eerste leerjaar of op een ander moment eerste en
tweede leerjaar. Zij doen daar "Hoekenwerking", dat is een werkvorm waarbij je
de kans krijgt om sterk te differentiëren … Daar is steeds een "Taalhoek" bij,
voor taalzwakke kinderen en die Taalhoek wordt dan ingericht door juffrouw An
van de ATN's en zij heeft dan die kinderen tussen, die zes van haar, die dan in die
bewuste klassen zitten, in één en twee, maar zij neemt daar dan andere
taalzwakke kinderen bij. Ziet ge? Dus, zij gaat niet al, zij gaat dus ook dikwijls
haar vreemdelingskes klasintern ondersteunen" (Interview 5)

Het is voor de scholen al een hele inspanning om een groep van anderstalige kinderen
te trachten te integreren in de schoolgemeenschap. Het wordt nog moeilijker als het
gaat om een groep anderstalige kinderen die dezelfde nationaliteit hebben of die
dezelfde taal spreken. De kinderen zijn in dat geval niet aangewezen op het leren van
het Nederlands om met andere kinderen te kunnen communiceren. Het gevolg is dan
ook dat hun kennis van het Nederlands nauwelijks of geen vorderingen maakt. Ook bij
broers en zussen kan dit probleem opduiken. Scholen trachten dus zoveel mogelijk de
kinderen van eenzelfde nationaliteit te spreiden over verschillende klassen. Niet alle
scholen beschikken over de mogelijkheid om kinderen te spreiden, aangezien de groep
van anderstalige kinderen die dezelfde moedertaal hebben soms te groot is of omdat de
school geen parallelklassen van een zelfde jaar inricht. Daarom verkiezen de scholen
om anderstalige kinderen op te nemen die elkaars taal niet spreken. Dit kan niet altijd
gerealiseerd worden, aangezien de scholen meestal geen kinderen mogen weigeren .
Als de kinderen verschillende talen spreken, lost het probleem zich op doordat de
kinderen zijn aangewezen op een gemeenschappelijke taal om te communiceren, het
Nederlands.

D: "Dat taalbad is dan ook nog tussen haakjes, met al die verschillende
nationaliteiten, met een overheersende groep Turken en dus…"
I: "Ja."
D: "… dat taalbad wordt dan meestal een Turks taalbad…"
D: "De laatste jaren, ik heb het daarstraks ook al eventjes aangegeven, is er ook
een voordeel met de taal, bijvoorbeeld, als… in het begin waren het allemaal
Turken bijna 90%, nu is het nog maar 75% naar 70% toe, zodat die Turken, die
altijd gekapseld zaten in hun eigen taal…"
I: "Ja".
D: "… dat die nu niet meer kunnen, om met hun vriendjes te praten, de Kosovo's,
de Albanezen, de Nigeriaantjes … en zo verder, moeten die nu één
gemeenschappelijke taal gaan aannemen en dat is dus het Nederlands,
…"(Interview 4, het gaat hier om een school waar in het lager onderwijs
ongeveer 95% allochtonen worden opgevangen)

I: "Maar gaat dat om die zo Nederlands aan te leren?"
D: "Ja, daar valt die niet zo op, hè, voor een leerkracht, want als je daar een grote
groep anderstaligen hebt, dan … is het ook al wel moeilijker om, … vooral als ze
zich beginnen te groeperen, hè. Als jij in een klas ene Pool hebt en ene Rus, ja,
Polen en Russen verstaan elkaar nog al is, en ene Portugees en ene Afrikaan en
aantal Belgen en ene Marokkaan en ene Turk, dan zullen die allemaal samen
Nederlands moeten spreken of ze gaan mekaar niet verstaan."
I: "Ja"
D: "Van den ogenblik dat je een concentratie, een groepje hebt…"
I: "…van bepaalde kinderen."
D: "…die gaan samen spelen, dat is logisch, en dan hoor je in zo'n klas wel eens
een groepje dat wat meer Pools spreekt. En, we spreken dan af "de juf moet jullie
ook kunnen verstaan", maar ja… wat zou je zelf doen als je daar in een… groep
zit waar je niemand verstaat en je ontdekt er twee die je wel verstaat…"
I: "Ja…"
D: "… dan ga je daar bij hangen, hè" (Interview 2)

D: …"Daardoor krijg je meer sociale integratie, spelen ze samen, … en dat geeft
ook een heel groot effect op de taalontwikkeling, van het moment dat kinderen
met elkaar beginnen praten in  het  Nederlands dan zie je dat de woordenschat
heel snel omhoog gaat … Dus wanneer een bepaalde nationaliteit in een groepje
bij elkaar gaat staan, dan heb je minder leerresultaat dan wanneer ze zich gaan
mengen met de andere leerlingen" (Interview 1)

D: "Want dat is ook belangrijk, hè, het één kind neemt gemakkelijk taal op, het
ander niet, hè. Maar de Albanezen, da's een tweeling en da's dus… dat ge dan
een bijkomend probleem, hè. Want dat weten we al, ook in de kleuterschool is dat
zo, tweelingen, … die zijn a a-priori, hebben die hun eigen brabbeltaaltje als
kleuters" (Interview 6)
4) Integratie in de schoolgemeenschap
Een laatste probleem stelt zich momenteel meer in Antwerpen dan in andere
gemeenten. Er worden immers steeds meer asielcentra gevestigd in de buurt van
Antwerpen. Bovendien verblijven heel veel asielzoekers, die eigenlijk aan een ander
OCMW zijn toegewezen toch in Antwerpen. Dit zorgt tijdelijk voor een grote
toestroom van anderstaligen en krijgen de scholen meer en meer aanvragen om ATN's
in de school op te nemen. Bijkomend is dan nog dat de kinderen zelden of nooit het
Nederlands beheersen. Zolang het slechts om een aantal leerlingen gaat, aanvaarden de
Belgische ouders de komst van de kinderen over het algemeen wel. Indien er op korte
tijd een groot aantal kinderen toekomt, vormt dit niet alleen een probleem om deze
kinderen in te passen in de klas. Zeker in scholen die oorspronkelijk slechts een (vrij)
laag percentage aan allochtone kinderen opvangen, zullen de Belgische ouders niet
altijd even positief reageren op de komst van de anderstalige kinderen. Om de
Belgische ouders niet af te schrikken proberen scholen een rem te zetten op het aantal
allochtone, maar ook op het aantal anderstalige kinderen, dat in hun school wordt
opgenomen. Toch zal de grens die gelegd wordt sterk verschillen afhankelijk van de
buurt waarin de school gelegen is en het percentage aan allochtonen die men voorheen
opving. De ouders zullen niet altijd laten blijken dat ze niet opgezet zijn met de gang
van zaken in de school, maar ze kunnen wel (onbewust) hun kinderen opzetten tegen
de anderstalige kinderen. De anderstaligen zullen het nog moeilijker krijgen om zich
in te passen in de school als ze door de andere kinderen als buitenstaanders beschouwd
worden. Dit effect kan nog versterkt worden doordat de anderstalige kinderen elke
week de klas verlaten om extra taallessen Nederlands te volgen. Dit is zeker niet altijd
het geval, maar doet zich toch af en toe voor.
I: "Euh, die grote instroom, is dat door de Kosovaren … die tijdelijk hier zijn?"
D: "Nee, dat is omdat men de asielcentra hier plant."
I: "Ah…"
D: "De mensen verblijven in "Hoog Boom" (?) een tijdje en dan zoeken die…
Dan worden die ofwel uitgewezen ofwel toegewezen aan een OCMW, maar die
mensen zijn vrij om een woning te zoeken."
I: "Ja."
D: "Euh, hoe ze eraan geraken, weet ik niet, maar de meeste mensen vestigen zich
in Antwerpen-Noord of in Borgerhout en nu ook in Berchem, duidelijk gedeelte
van Berchem. Dat kan zijn, omdat de huizen goedkoper zijn, dat kan zijn omdat
ze daar naartoe gedirigeerd worden, …  We weten wel dat heel veel, dikwijls de
huishuur wordt betaald door OCMW's die verspreid worden over België"
(Interview 1)

D: "Door welke OCMW's, hè en als ik nu zeg, dat één van hen vanuit Limburg
komt officieel, OCMW en één van de anderen van een randgemeente van Brussel,
hm, dan is het duidelijk: "stuurt ze maar naar Antwerpen". En hier naast de school
zijn zo een rij woningen en dat is een verhuur…, een immobiliënkantoor en die
verhuurt systematisch aan OCMW's. Dus, wat krijg je nu? Min of meer een getto,
hiernaast, hè"
I: "Ja."
D: "Waar dat die allemaal bijeen zitten, hè, en dat is ook niet bevorderlijk, denk
ik, … voor eventuele integratie" (Interview 6)

D: "Ik zet daar ook … ik zet daar ook ne rem op. Dus, ik heb met het team
afgesproken, … twee… totaal anderstaligen in mijn klassen… om de leefbaarheid
van de pedagogie…"
I: "Ja."
D: "… dus te handhaven, … gewoon. Ik weiger nooit kleuters. Lagere school dus
wel. … Die mensen situeer ik dan naar andere scholen, waar er speciale opvang is
voor specifiek ATN's" (Interview 4, deze school vangt in het lager onderwijs
bijna alleen allochtone kinderen op)

I: "Dus u beperkt het aantal kinderen van illegale verblijvers of algemeen het
aantal anderstaligen in het klasje, zodat daar gericht op kan gewerkt worden, ook
een beetje voor de ouders, dat die niet direct zoveel kinderen in één keer bij
krijgen…"
D: "Ik heb in … ik heb er zes, ik heb in alle leerjaren, euh in het derde is er geen,
nee, want we hebben die verplaatst naar het tweede in het begin van het jaar, in
het tweede zijn er twee en voor de rest zijn er in alle leerjaren één" (Interview 5,
deze school vangt ten aanzien van de ganse populatie bijna 20% allochtonen op)

D: Dat wel. De anderen leerlingen zo een beetje, hè, ja, als ze er iets willen over
zeggen. Bijvoorbeeld nu, over laatst was een pakje chips gevonden, hè, en
blijkbaar hadden de kinderen in de taalbadklas van juffrouw Fien zeker dat
gekregen en … ze hadden dat dan gevonden en echt zo van "ik denk dat dat van
één van de Kosovaartjes is"."
I: "Ja."
D: "Hè, dus, en dan zeg ik zo is van "zeg, maar die hebben ook een naam, hè, ge
kent toch diene naam, want ze zit bij u in de klas" (Interview 10)

I: "En het zijn niet zo zeer de kinderen die er problemen, het is soms meer
reacties van de ouders?"
D: "Ja, en als er al eens een kind problemen maakt, want we hebben er wel eentje
zitten, … twee hier in het zesde leerjaar, dan komt die gewoon, ja, met de taal van
zijn ouders naar school, dat we dat horen."
I: "Wat bedoelt u daarmee?"
D: "… Ja, dat die mensen hier niet horen, dat die ons werk afpakken, allée van die
zaken, hè. Hoepel op of ga terug naar uw land, maar dat is 't, dat is, hoe moet is
het zeggen, hetgeen een kind thuis hoort, dat zal het dan ook zeggen binnen de
school, hè. Maar ik zeg het, dat zijn er één of twee… " (Interview 12)
3.3 De kinderen

Kinderen van illegale verblijvers, die in ons land toekomen en het Nederlands niet
beheersen, zullen zich moeten inspannen om de taal- en cultuurkloof te overbruggen.
Dit zal gemakkelijker te realiseren zijn als de kinderen op jonge leeftijd toekomen,
reeds ervaring hebben met het naar school gaan, intelligent en taalgevoelig zijn en niet
omringd worden door anderstaligen met dezelfde moedertaal, zoals andere
schoolkinderen, maar ook ouders en familie. Het zal voor anderstalige kinderen
moeilijk zijn om het Nederlands te leren, als ze daar alleen maar in de klas mee
geconfronteerd worden en ze na de lessen terug overschakelen op hun moedertaal. Het
is belangrijk dat ook de ouders inspanningen leveren om het Nederlands te leren en
hun kinderen stimuleren om te oefenen. Naast de voorzieningen voor ATN's en voor
migranten, zullen de scholen dus ook trachten het contact met andere Belgische
kinderen te stimuleren. Zo zullen de kinderen immers spelenderwijs heel wat opsteken
van de taal. De scholen gaan bovendien de kinderen aanmoedigen om
Nederlandstalige boeken te lezen en naar de Vlaamse televisie te kijken om zo hun
woordenschat uit te breiden.

D: "Als de kinderen al onderwijs genoten hebben, is dat in een andere
onderwijstaal gebeurd, … die wij niet kennen" (Interview 9).

D:  "Dat is de eerste aanknoping, een ander aanknoping is activiteiten
lichamelijke opvoeding, activiteiten beeldende vorming, waar zij aan meedoen en
waar zij net zo goeie resultaten of net zo mooie halen. … Daardoor krijg je meer
sociale integratie, spelen ze samen, … en dat geeft ook een heel groot effect op de
taalontwikkeling, van het moment dat kinderen met elkaar beginnen praten in  het
Nederlands dan zie je dat de woordenschat heel snel omhoog gaat" (Interview 1)

D: "… en dat zou, buiten de uren in de klas natuurlijk, ja. Hè, en de contacten met
de andere kinderen, maar thuis praten die geen Nederlands. … Die nemen ook
geen Nederlands … op, vermoed ik. Hè, want bijvoorbeeld, ik heb het terug over
de Nigeriaan, ik denk aan de Mun (Naam) hier, een Marokkaan, daar zeg ik als ik
rapport heb, lees jij nog? Hè, want die kunnen dat wat en al, maar als die lezen, ja,
dan gaan ze ook mee. Dat gaat die van thuis uit niet meekrijgen, hè. Daar zeg ik
zelfs tegen, kijk jij nog TV?" (Interview 6)

Het Nederlands leren heeft voornamelijk als doel om het de kinderen mogelijk te
maken om te integreren in de school en in onze maatschappij. Het heeft echter ook een
tweede doel. Zolang de kinderen geen of onvoldoende Nederlands begrijpen, zullen ze
ook de instructietaal van de leerkrachten niet begrijpen en de klascommunicatie niet
kunnen volgen. Hierdoor zal de inhoud van de lessen aan hen voorbijgaan zonder dat
ze er iets van opsteken. De kinderen zullen dus ook het Nederlands moeten leren om
nadien in staat te zijn om de andere lessen te volgen en iets bij te leren. Indien dit niet
het geval is bestaat bovendien de kans dat de kinderen de lessen zinloos achten en
helemaal geen moeite zullen doen om nog aan te sluiten.

D: "Al spelende gaat, het is vooral belangrijk is de schooltaal, hè. Dus als zij, als
zij al de  schooltaal begrijpen, zijn zij al heel veel vooruit. Nu daar is al...
onderzoek over gebeurd. Ik denk aan, aan het Steunpunt Nederlands in Leuven, ik
denk met professor Koen Jaspaert (?), die dat vooral dan voor … taal aan...
allochtonen en zo gedaan heeft, maar dus schooltaal is enorm belangrijk. Als een
kind niet begrijpt wat de instructies zijn, ja, dan zit dat dus vast. Dan lukt het
langs geen kanten. En ik denk dat dat een belangrijke stap is en de rest komt dan
wel. ... Ouders staan daar ook wel voor open, kinderen mogen al eens komen
spelen met mekaar. Ik denk dat die dingen wel vlug vrij vlot... loslopen"
(Interview 7)

D: "Ja, ik tracht zo goed mogelijk, en het ganse team, van die kinderen zo snel
mogelijk op peil te … krijgen. Zo, op peil is dat ze... de instructietaal van een
school beginnen te kennen en zo verder. En dan kunnen ze het volgend jaar naar
het eerste" (Interview 4)

De kinderen van illegale verblijvers moeten niet enkel een andere taal leren. Ze komen
ook uit een andere cultuur en onderwijssysteem, als ze al naar school zijn geweest. Het
schrift en de schrijfrichting komen niet altijd overeen met ons geschrift.  Het komt er
dus op aan de kinderen deze andere vaardigheden aan te leren, zodat ze zich kunnen
aanpassen aan onze levenswijze. In de lesonderwerpen zal ook een verschil opduiken:
kinderen zullen nooit de Belgische geschiedenis of aardrijkskunde gekregen hebben,
maar de geschiedenis en aardrijkskunde van hun eigen land. Een zeldzame keer kan
een kind zelfs lijden aan een "cultuurshock", zodat het zich niets meer herinnert van
wat het vroeger reeds geleerd heeft. De culturele aanpassingsproblemen zullen
afnemen naarmate het kind beter geschoold is en uit een vergelijkbare cultuur komt.
De scholen zullen echter altijd het taalverschil als belangrijker ervaren dan het
cultuurverschil, alhoewel dit toch ook niet mag onderschat worden.

In het algemeen ondervindt de directeur dat diegenen die afkomstig zijn uit
stedelijke gebieden vaak meer schoolervaring hebben en meer gewend zijn om
naar school te gaan dan diegenen die afkomstig zijn van het platteland (Interview
9, dit deel van het gesprek werd uitgetikt op basis van de nota's omwille van de
slechte kwaliteit van de opname)
In de school is het ook al eens voorgevallen dat er een leerling te kampen had met
een cultuurshock. Dan weten die leerlingen niets meer over dingen die ze vroeger
(op school) geleerd hebben, met als gevolg dat deze te laag geplaatst worden en
het leren maar moeizaam gaat. Op een bepaald moment valt hen echter wel terug
te binnen wat ze vroeger geleerd hebben (Interview 9, dit deel van het gesprek
werd uitgetikt op basis van de nota's omwille van de slechte kwaliteit van de
opname)

I: "Euh, geeft het problemen bij het volgen van de lessen, bijvoorbeeld dat ze uit
een ander schoolsysteem komen of een ander cultuur? Geeft dat problemen…?"
D: "Ja… ik denk dat de meeste problemen zijn … dat ze niet alles begrijpen en…
dat vooral. Euh… nu kan ik mij inbeelden dat ze in... Oezbekistan of ik weet niet
waar ergens wel nen hele andere euh aardrijkskunde zullen krijgen en nen hele
andere geschiedenis…" (Interview 10)

Ten laatste kan het school lopen van de kinderen van illegale verblijvers er voor
zorgen dat de kinderen al gauw beter geïntegreerd geraken en vlotter Nederlands
spreken dan hun ouders. De ouders zullen hun kinderen dan inschakelen in hun
contacten met de school, maar ook met andere officiële instanties of sociale
organisaties. Omgekeerd zullen ook de scholen de kinderen gebruiken om te kunnen
communiceren met de ouders. Dit laatste kan als gevolg hebben dat de ouders het
gevoel krijgen dat de hiërarchie in het gezin wordt doorbroken. Als de ouders op de
taalkennis van hun kinderen beroep doen als ze naar officiële instanties stappen, kan
het zijn dat ze daarvoor hun kinderen tijdens de lessen laten wegblijven.

D: "Dat toch ook nog heel belangrijk is, dat een bijkomend probleem naar het
onderwijs toe is dat eens dat de kinderen een beetje geïntegreerd geraken in de
school dat je dan weer het … probleem krijgt dat de ouders dat ook maar al te
goed voelen en gemakkelijk de kinderen gaan gebruiken… om vanalles en nog
wat, bij hun contacten met … met de maatschappij"(Interview 9)

D: "Ja, goed.  … We maken ook dankbaar gebruik van kinderen die tolken. …
We hebben een paar schitterende kinde…, tolken onder onze kinderen, maar dat
is het probleem dat die kinderen heel dikwijls last hebben thuis, omdat dan de
hiërarchie binnen het gezin doorbroken wordt."
I: "Ja."
D: "Zij worden gebruikt als tolk en zijn daar belangrijk, maar thuis worden die
dan terug op hun plaats als kind gezet en dat geeft wel eens conflicten thuis"
(Interview 2)

Uiteindelijk blijkt de taalkloof vaak onoverbrugbaar, vooral voor kinderen die op
latere leeftijd toekomen en als gevolg hiervan komen de kinderen van illegale
verblijvers na de doorstroming naar het secundair onderwijs meer dan Belgische
kinderen in het beroepsonderwijs terecht.

D: "Ik heb u gezegd dat, het opent de poort om daarna te beginnen (in het SO
wordt bedoeld), maar we zien wel heel veel kinderen, dat zijn dan vooral de
kinderen die op oudere leeftijd instromen, 10, 11, 12 jaar die worden meestal
opgevangen in de richting 1B en hun traject ziet er dan enigszins anders uit. Na
1B kunnen ze naar beroepsonderwijs of kunnen ze terug naar richting 1A".
I: "En blijven ze dan meestal in het beroepsonderwijs?"
D: "Na beroepsonderwijs kan je niet naar boven …"
I: "Ja, maar beginnen ze dan terug in 1A of. Hebt u daar enig zicht op?"
D: "Ik heb er geen echt zicht op, wat ik hoor, want dat geluk hebben we hier dat
we hier in de school een middenschool hebben, dat de meeste kinderen vanuit 1B
naar beroepsonderwijs gaan" (Interview 1)
I: "Die kinderen als die... op latere leeftijd toekomen, in de hogere schooljaren en
… en u zet die bijvoorbeeld een jaar lager, om wat Nederlands te leren. Maar dan
na een zesde hebben die gedaan, hebben die dan problemen met hun overgang
naar het secundair?"
D: "Ja, ja, die krijgen dan ook geen getuigschrift basisonderwijs, die krijgen dan
wel een attest en die moeten dan trachten via het B-jaar in het humaniora of naar
beroeps, hè. Die zijn natuurlijk serieus … gehinderd in hun ontwikkeling, ook al
zijn die misschien intelligent, maar op die korte tijd, zeker als ze wat ouder zijn,
… dat is dus wel een groter probleem. Als ze jong binnenkomen, dan gaat dat vrij
vlot" (Interview 7)
3.4 De ouders
1) Integratie van de ouders
Een laatste groep personen die aan de lijve de integratiemoeilijkheden ondervindt, zijn
de ouders. Zij hebben vaak hun hele leven doorgebracht in een ander land met een
andere cultuur en een andere taal. Voor hen zal de aanpassing nog moeilijker zijn dan
voor de kinderen. Meestal zijn het dan ook de ouders die meer vasthouden aan hun
cultuur en hun moedertaal. Het is voor hen meestal ook moeilijker om de taal te leren,
aangezien zij minder mogelijkheden hebben om nog onderwijs te volgen, zoals hun
kinderen. Zeker als de illegaal verblijvende ouders zelf ongeschoold zijn en hun
kinderen krijgen hier de kans om onderwijs te volgen, zal de integratiekloof tussen de
kinderen en de ouders vergroten. Deze situatie stelt zich bijvoorbeeld dikwijls in het
geval van de Rom-zigeuners, waarvan de meeste ouders nauwelijks kunnen lezen of
schrijven in de eigen moedertaal en zelfs niet kunnen rekenen. Het is dan ook ten
aanzien van de ouders dat de meeste scholen zich kritisch opstellen. Er wordt van hun
kant immers ook een inspanning verwacht om te integreren. Daarom verwijzen een
aantal scholen de ouders die geen Nederlands kunnen door naar taalcursussen voor
volwassenen. Dit wil niet zeggen dat er geen ouders zijn die wel moeite doen:
sommige ouders oefenen de taal samen met hun kinderen door mee hun huiswerk te
maken of volgen op regelmatige basis een taalcursus. Eenmaal bewezen is dat de
ouders moeite doen om Nederlands te leren zullen de scholen ook opener staan
tegenover hen. Wat echter een probleem vormt, is dat ouders vaak pas Nederlands
zullen beginnen leren, als ze enige zekerheid hebben dat ze zullen blijven. Zolang niet
vaststaat dat ze blijven, hechten de illegale verblijvers immers meer belang aan de
kennis van het Engels en het Frans.

D: "En dat vind ik eigenlijk erg, ik vraag verschillende keren aan die mensen van
"volgt u een cursus? Want, er zijn cursussen die u kan volgen in LTC (?), die zijn
niet overdreven duur ", maar ze hebben altijd wel een reden om ze niet te volgen.
En er zijn een aantal ander ouders waarvan ik zeg: 'chapeau', want na een jaar
spreken die Nederlands. Overlaatst komt er een mama uitleg vragen over een
brief, die begint in het Nederlands, ik dacht, ja, ik zal sewwes wel in het Frans
moeten overschakelen, heel dat gesprek is in het Nederlands verlopen en ik heb
haar daarna gezegd "amai, dat is knap". Ja, zij volgt twee uur, euh,  twee dagen
Nederlands per week. Vorig jaar sprak die geen woord Nederlands."
I: "Mm."
D: "Ik vind dat prachtig. Dus, ja, in die zin vind ik dat dat wel van twee kanten
moet komen, als ze spreken van integratie" (Interview 11)

D : "Als je afkomt bij een ATN, met logopedie en met extra oefeningen en ze
moeten die mee naar huis nemen, dan ervaren wij dat die ouders mee die
oefeningen…"
I: "Ja."
D: "… doen, om zo snel mogelijk die taal te kunnen"(Interview 5)

D: "Wat ik probeer, hè, maar dat lukt niet altijd, ik geef hun ne gids mee van het
Stedelijk onderwijs, waar dat er dus cursussen bestaan, dat is wel in het centrum
van Antwerpen, maar voor de ouders. … Een snelcursus Nederlands, omdat ik er
vanuit ga, als die ouders gemotiveerd geraken om dat te doen en… zelf
Nederlands proberen op te nemen, al is dat een minimum aan woordenschat, hè.
Dat is altijd winst."
I: "Voor de kinderen dan?"
D: "Ja en voor henzelf ook, … want dan hebben zij een… aantal begrippen toch
die zij gaan op nemen en daar het zijn mensen, hè, die dat regelmatig, die
snelcursus, die hebben op een zes weken of zoiets, kennen... Ik heb het gelezen
hoor, maar ja, ik weet nu niet, als ge wilt, … Dat probeer ik, maar ik slaag daar
niet altijd in natuurlijk, hè, ik kan niet met hen naar daar gaan, hè" (Interview 6)

D: "Ja. Ze blijven dikwijls, hè. … Het belangrijkste is de communicatie... Het is
pas als de ouders hier een tijdje zijn en inspanningen doen om Nederlands te
leren, dat de communicatie verbetert" (Interview 1)

2) Ouderwerking
Naast de moeilijke communicatie tussen de illegaal verblijvende ouders en de school,
omdat ze geen gemeenschappelijk taal spreken, wordt het zo bijvoorbeeld onmogelijk
gemaakt om een oudervereniging op poten te zetten. Deze voorwaarde wordt echter
aan de scholen gesteld om extra uren voor onderwijsvoorrangsbeleid voor migranten
of voor zorgverbreding te verkrijgen. Ouders die echter niets begrijpen van
oudervergaderingen zullen niet blijven opdagen. Als het dan om een grote groep
Nederlandsonkundige ouders gaat, wordt het voor de school een heel moeilijke
opdracht om een ouderwerking te realiseren. Vaak kunnen ook niet voor alle talen
tolken gevonden worden.

I: "Oudercontact of  als er …"
D: "Ze komen weinig tot daar, maar dat is … ook bij legale anderstaligen. Het is
heel frustrerend om als je in een groepsgesprek zit en je hoort daar niks van, je
kan niks, … je begrijpt daar niks van en je kan niets inbrengen, dat is heel
frustrerend, en die mensen gaan dan gewoon niet meer terugkomen... Op een
individueel gesprek: it's good, it's bad, veel meer kan daar dus niet gezegd
worden. Als er iets zou kunnen gebeuren om het onderwijsproces bij te sturen,
dan heb je niet de mogelijkheid om dat klaar en duidelijk uit te leggen. Ook
dikwijls met "tolking" is dat heel moeilijk" (Interview 1)
D: "Ja, we lossen ook wat op met SOA, Schoolopbouwwerk Antwerpen, … we
hebben daar een contract mee en de bedoeling is de betrokkenheid van de
ouders… met betrekking tot onderwijs te verhogen."
I: "En hoe gaat dat concreet te werk?"
D: "Activiteiten organiseren waarbij de ouders naar school komen en contact
hebben met de leerkrachten, …"
I: "En is dat dan concreet voor …?"
D: "Openklasdagen…"
I: "Voor alle leerlingen?"
D: "Er worden voornamelijk de leerlingen … allée, de ouders van leerlingen
aangezocht waarvan we weten dat ze moeilijk naar school te krijgen zijn."
I: "En onder andere die groep…?"
D: "Onder andere die groep, ja. En daar is dan tolking bij, … in de mate van het
mogelijke. Afhankelijk van die tolking zie je dus ook wel welke ouders komen,
zeker, omdat Schoolopbouwwerk iets is dat vanuit de migrantenwerking ook
vertrok, is dat iets dat Turkse tolking, Marokkaanse tolking, bij ons vooral
Marokkaanse tolking. En je ziet dus de Marokkaanse mensen, de
migrantenmensen, die komen naar school" (Interview 1)

D: "Veel. Er zijn er nog, hè, bijvoorbeeld om een aanwendingsplan te maken,
moet je een contract afsluiten met een schoolopbouwwerk. … Eén van de punten
die je moet bereiken na een aantal jaren, is een oudervereniging. Nu moet mij
eens vertellen hoe ik in die omstandigheden aan een oudervereniging ga
geraken"(Interview 4)
3) Opvolging van de kinderen en communicatie met de school
Het is voor de ouders, zolang ze het Nederlands niet beheersen, bijna niet mogelijk
om het huiswerk van hun kinderen op te volgen en rapporten of andere evaluaties te
begrijpen. Terwijl het merendeel van de ouders hun kinderen, zeker in het lager
onderwijs, kunnen bijstaan als ze moeilijkheden met een bepaald onderwerp kennen,
zijn illegale verblijvers daar vaak niet toe in staat en wordt het helemaal een
onmogelijke opdracht als ze zelf ongeletterd zijn. Ook het lezen van de brieven van de
school, gaat vaak niet, met als gevolg dat de scholen soms moeten wachten op de
antwoorden van de ouders.

D: "En dan, ja, zij volgen wel die les, ja … zij kunnen niet alles meenemen, hè.
Dus... wat geeft problemen: een rapport opstellen bijvoorbeeld. Een... vooral dan
in vijf en zes een toets geschiedenis, ja, dat kan je van zo'n kind niet afnemen, hè.
De juf stelt dan wel wat vragen, maar … dat rapport ziet er eigenlijk niet uit zoals
bij een ander kind … Een aantal ouders zijn toch wel geïnteresseerd en komen
naar die contactavonden, dan zorgen wij dus dat de juf van de anderstaligen er is
en ze hebben zelf, de laatste keer hadden zij een tolk bij, die dus een beetje kon
vertalen,  naar hen toe" (Interview 10)

D: " ... Dat voel je, dat voel je, vooral bijvoorbeeld in de instructie, bijvoorbeeld,
ik geef een voorbeeld … van lezen, … afhankelijk (?) lezen, normaal wordt er
thuis met de ouders wat geoefend, dat kan dus niet, hè. Het opvolgen van een
aantal taken, als die kinderen er zelf niet voor zorgen, is dat vaak een …
probleem, want dan … Het is ook moeilijker voor die mensen om  te begrijpen
wat daar staat en ze kunnen het ook niet uitgelegd krijgen. Het is een andere taal,
hè, het is een ander systeem" (Interview 7)
 

4) Cultuurverschillen en verschillende verwachtingen
Niet alleen de taal vormt voor de ouders een hindernis. De culturele verschillen
worden door de ouders sterker ervaren dan door de kinderen en ze hebben er dan ook
meer moeite mee. Vanuit hun cultuur hebben de illegale verblijvers vaak heel andere
verwachtingen ten aanzien van een school en de opvoeding door de school. De
Arabische culturen kennen, volgens de directieleden, bijvoorbeeld een veel striktere
scheiding tussen de opvoeding door de school en het gezin. Het gezin heeft volgens
hun opvatting geen opvoedende functie, in die zin dat de ouders mee betrokken
worden in het onderwijs voor hun kinderen. Ook de Joodse Gemeenschap heeft een
andere kijk op het opvoedingsproces: volgens hun geloof en opvattingen moet het
leesproces reeds in de kleuterschool beginnen. Scholen zijn niet zo geneigd om
vroeger dan het eerste leerjaar te starten met het leren lezen en schrijven. Er kunnen
zich dus op allerlei vlakken wrijvingen voor doen, omdat de ouders een andere beeld
en verwachtingen hebben van het onderwijs. Er zijn bijvoorbeeld ook vele culturen
waar het niet toegelaten is dat jongens en meisjes samen gaan zwemmen.

D: "Zij eisten dat bij de kinderen van de eerste kleuterklas, dat daar het lesproces
zou beginnen. Dat de kinderen in de kleuterschool leerden lezen. Waarom eisten
ze dat? Omdat kinderen in hun cultuur in die Joodse boeken moeten lezen. Zij
moeten die gebeden oplezen vanaf de leeftijd van 3 à 4 jaar. En de vader is
verplicht, om dat te leren en dus het zijn ook de vaders die hier staan aan te
dringen, het zijn niet de moeders, de vader krijgt die opdracht vanuit zijn …"
I: "Geloof?"
D: "…vanuit zijn religieuze overtuiging en die komt dan aandringen dat wij dat
doen. Ik zeg "neen, leren lezen begint bij ons in het 1ste leerjaar" en er zijn daar, er
is daar een voorbereiding op het lezen in de kleuterklas, maar eerder beginnen wij
daar niet aan. En waarom niet? Omdat, wij er vanuit wetenschappelijke literatuur
van overtuigd zijn dat dit de gevoelige leeftijd, de beste leeftijd is om kinderen te
leren lezen. Er is dan ook maar één mogelijkheid en dat is hun kinderen van
school te halen en naar een privé-school te brengen, die dat dan wel doet…"
(Interview 1)

D: "Ze komen uit een ander schoolsysteem of uit geen schoolsysteem. … Thuis
hebben zij, de meeste van die culturen: 'dat is voor de school'. Dat is hun cultuur.
De opvoeding van hun kinderen ligt bij de school en niet bij thuis …" (Interview
4)
 
Maar niet enkel de verwachtingen ten aanzien van de school kunnen verschillen, ook
de ruimere cultuurverschillen kunnen een invloed hebben op het onderwijsgebeuren.
Zuiderse culturen hebben een heel ander besef van tijd en kennen nauwelijks stress.
Het valt illegale verblijvers, die aan een heel ander tempo leven, zich dan ook moeilijk
om zich te aan te passen aan het stipte uurrooster van een Belgische school. Ook het
tijdig verkrijgen van de nodige documenten van deze mensen is niet zo'n eenvoudige
opdracht. Ook begrijpen de ouders niet altijd dat kinderen niet zomaar van school weg
kunnen blijven, voor een feest, een bezoek aan familie in het thuisland,...

D: "Wat ik wel opmerk, want we hebben in de klas,... maar die draaien mee hoor,
twee die van Afrikaanse afkomst zijn en die ouders hebben wel een andere
mentaliteit. Ik ben nu zelf al in Afrika geweest en dat is 'ja, dat komt hier wel in
orde, hoor' … Dat komt allemaal, den tijd gaat wel voort... en die hebben daar
geen stress" (Interview 6)

D: "Om papieren terug te krijgen, als er papieren moeten ingevuld worden, dat
duurt natuurlijk lang. De mensen begrijpen het niet, weten niet wat ze er mee
moeten aanvangen. Dus, dan gebeurt het dat wij zelf in de auto springen, als dat
iets dringend is. Ja, … bijvoorbeeld papieren voor Brussel en dat wij gewoon naar
huis rijden en gaan vragen om het samen in te vullen en te laten tekenen. … Ze
betalen de kilometer zo goed (ironisch). Hetgeen dat de kinderen meebrengen, is
dat om in te vullen of om te lezen of is dat om weg te gooien? Voor hen is dat
heel moeilijk … En na een paar maanden als de kinderen al een beetje Nederlands
verstaan, dan kunt ge dat beter uitleggen, maar nu is dat wel een beetje een
probleem" (Interview 3)

D: "Wij hebben in het begin als ze hier waren, zijn ze ook 'ns een tijd afwezig
geweest, maar dan is de vader me wel komen vertellen dat ze naar een
Zigeunerfeest moesten in Oostende (de kinderen van illegale verblijvers die in
deze school worden opgevangen zijn allemaal Kosovaarse zigeuners). Ja, dat was
dan voor ons dan zo een beetje de vraag, dat is de springplank naar Engeland,
misschien ziet ge ze niet meer terug, maar uiteindelijk zijn ze na veertien dagen
toch weer ben ons terug en dan kon hij toch wel, ja, moeizaam vertellen van feest.
En dus daar was werkelijk een feest geweest" (Interview 13)

D: "Ik heb ooit zo iemand bij mij gehad … had nooit eten meer bij 's middags, …
en dan was het verhaal van die dat het eerst opstond het eerst eten had, ze waren
met veel thuis en wie dat laatst opstond, had geen boterhammen meer" (Interview
7)

D: "Ja, bij de Zuid-Amerikanen was eigenlijk de grootste moeilijkheid, de
maaltijd 's middags... Zij waren niet gewend van  middags te eten. Het begon
eigenlijk al 's morgens, zij namen 's morgens een heel uitgebreide maaltijd en…
dan waren zij veel te laat op school. Dan 's middags.. aten zij normaal niet en dan
wilden zij ook blijven buiten spelen, terwijl heel onze school erop gericht is om 's
middags in de refter te gaan, hè. Nu dat heeft wel wat moeilijkheden gegeven.
Hebben wij ook een tolk ingeschakeld om met de mama te praten dat hier wel
anders moest. In het begin hebben wij getolereerd dat ze in de refter zaten, zonder
te eten. Hè, maar, we eisten wel dat de kinderen mee binnengingen, want anders
waren ze alleen op de speelplaats, zonder toezicht, dat konden we echt niet
tolereren. En, maar dan na een tijd en met de nodige gesprekken met de moeder...
gaf zij op den duur ook wel iets mee om te eten en nu zijn die eigenlijk helemaal
geïntegreerd. … Echt geen probleem meer" (Interview 5)

De scholen brengen wel zoveel mogelijk begrip op voor deze culturele verschillen.
Slechts uitzonderlijk worden deze problemen op de spits gedreven. In het algemeen
laat men gedurende een periode de problemen rusten, om de mensen de tijd te geven
zich aan te passen. Daarna zal men proberen om de ouders op de problemen te wijzen.
Het komt weinig voor dat de ouders niet aanvaarden wat de school vraagt. Indien dit
toch het geval is, besluiten ze meestal een andere school te zoeken, die beter
beantwoordt aan hun sociale en culturele verwachtingen.
D: "De Joodse mensen die eisen dat de zwarte kinderen van school gingen of die,
ja die hebben dan natuurlijk de omgekeerde oplossing moeten nemen."
I: "Zij vertrekken, als zij er problemen mee hebben?"
D: "Als ik zeg van "neen, we halen geen joodse, euh zwarte kinderen van
school", dan staan zij met hun rug tegen de muur en dan moeten zij zelf de
beslissing nemen om weg te gaan. We hebben een aantal conflicten,
conflictjes…" (Interview 1)

I: "Ja, … na een tijd die kleine … problemen, zoals … dat die kinderen elk jaar
een maand naar het buitenland gaan, dat meisjes of jongens niet mee mogen op
bos- of zeeklassen gaan.  … Hoe pakt u dat aan? Laat u dat eigenlijk een beetje
betijen of... ?"
D: "Het eerste jaar laten we dat zo, tegen het tweede jaar dan… is men al een
beetje meer ingeburgerd en dan proberen wij dat nog eens te doen, een gesprek
met de ouders daarover te hebben. Soms lukt dat de tweede keer, soms lukt dat
pas de derde keer, dat hangt een beetje van de mensen af en… van verschillende
factoren, hoe groot de kinderen zijn, of dat ze al veel vriendinnetjes hebben, dat
hangt van al van die dingen af. … Hoe streng bij hen het culturele overheerst"
(Interview 3)
§4: Informatieproblemen en problemen met betrekking tot de overheid

De problemen die hier verder besproken worden, zijn allemaal ten laste van de scholen
en niet onmiddellijk van de illegale verblijvers zelf. Het gaat hier over problemen die scholen
ondervinden als ze illegale verblijvers willen opvangen. Meer bepaald kunnen hier drie types
van problemen onderscheiden worden.

Ten eerste zijn er de informatieproblemen. Het gaat hier over de onwetendheid van zowel
scholen als overheid met betrekking tot de opvang van kinderen van illegale verblijvers en de
voor handen zijnde faciliteiten.

Ten tweede zijn er ook problemen die rijzen doordat de overheid op een bepaald vlak
onvoldoende voorzieningen heeft uitgebouwd, te weinig middelen ter beschikking stelt of
omdat er een gebrek aan regelgeving is.

Tenslotte ontstaan er ook problemen door een te strenge regelgeving in een aantal situaties.
De overheid legt soms te veel voorwaarden op aan de scholen om tot bepaalde voorzieningen
toegang te verkrijgen.

De laatste twee types van problemen zijn soms het gevolg van een tekort respectievelijk een
teveel aan discretionaire ruimte voor de scholen die kinderen van illegale verblijvers
opvangen. Dit kan dan op zijn beurt gevolgen hebben voor de illegale verblijvers. Bij een
gebrek aan middelen of personeel zal men in de scholen een aantal strategieën hanteren om de
vraag van de illegale verblijvers te verminderen. Daarbij zal soms rekening gehouden worden
met een aantal kenmerken van de illegale verblijvers. Hier wordt echter uitvoeriger op
ingegaan in de laatste paragraaf (§5) van het hoofdstuk.
4.1 Informatieproblemen
1) Onwetenheid over de mogelijkheid van het inschrijven van kinderen van illegale
verblijvers
Onwetendheid op het vlak van de wettelijkheid van het inschrijven van kinderen van
illegale verblijvers en over de bestaande faciliteiten komt betrekkelijk weinig voor. De
reden daarvoor is dat alle ondervraagde scholen kinderen van illegale verblijvers
opvangen. Indien ze aanvankelijk niet op de hoogte waren van de regelgeving en de
faciliteiten voor ATN's, dan zijn ze zich in ieder geval gaan informeren toen ze voor
de eerste maal geconfronteerd werden met illegale verblijvers die hun kinderen in de
school wilden laten inschrijven. Geen enkel directie kon dus zeggen dat ze nu niet op
de hoogte waren van de regelgeving, al was dat in het verleden voor sommige anders.
Er waren wel degelijk scholen waar nog moest nagaan worden of men de kinderen van
illegale verblijvers mocht inschrijven op school en die dus de omzendbrief van 1983
hieromtrent niet kenden. Als men op de hoogte was van het recht op onderwijs voor
kinderen van illegale verblijvers, dan bleken er ook geen misverstanden te bestaan
over het recht op subsidies voor deze kinderen en de mogelijkheid om een diploma of
een attest te geven voor deze kinderen.

Eén school meldde wel het geval van een illegaal verblijvend kind dat zij probeerden
door te sturen naar het bijzonder onderwijs. Ondanks de onderhandelingen van een
commissielid als tussenpersoon, werd het kind niet ingeschreven in de school voor
bijzonder onderwijs. De school van het bijzonder onderwijs argumenteerde dat
kinderen van illegale verblijvers niet konden ingeschreven worden bij hen, aangezien
zij werken met een aanwendingsplan per kind.

I: "U had al gezegd van in het begin, de eerste keer dat u illegale kindjes in het
zesde leerjaar had,... dat u ook niet goed wist dat u het kind mocht inschrijven?"
D: Ja, ik wist dat werkelijk niet.
I: Dus, ondanks,... maar dat is al een tijdje geleden?
D: Ja … nu ondertussen is dat allemaal duidelijk, dat was lang voor de non-
discriminatiewet."
I: "Ja".
D: "Voor de non-discriminatiecode, ondertussen, ja, ge hebt hier mijne dossier
gezien. Alle papieren die hier komen, het gaat bijna allemaal over de non-
discriminatie. Ondertussen hebben wij daar allemaal veel meer weet van, dat was
dus zeven, acht jaar terug wist ik absoluut niet. 'oei, oei, kunt ge nu zo'n kind wel
opschrijven?'".
I: "En, was er dan ook gebrek aan informatie of men wel subsidies voor de
kinderen kon krijgen, diploma's voor hen? Hebt u daar … als u één keer…"
D: Ik moet zeggen dat mij dat niet heb afgevraagd, want ik heb de dienst
Katholiek Onderwijs opgebeld, uit de Otto Venusstraat (?), DKO, Dienst
Katholiek onderwijs. Dat is hier in Antwerpen de Dienst voor het Basisonderwijs,
hè. En daar hebben ze mij dus geantwoord:  'ja, u mag dat zonder meer
inschrijven dat kind, omdat de rechten van het kind zijn.'"
I: "Ja."
D: Hè, ieder mens heeft recht op onderwijs. En vermits dat dat het antwoord was
heb ik dat kind gewoon opgeschreven en heb ik die meegeteld voor het
lestijdenpakket en alles" (Interview 5)

I: "Vanuit welke overwegingen hebt u dan, samen met de directeur uiteraard,
besloten om die kinderen in te schrijven?"
D:" … Eigenlijk is dat gewoon spontaan van 'natuurlijk gaan wij die inschrijven'.
Natuurlijk, omdat wij ook wel ergens eens iets hadden gelezen dat je als school
niet moet weigeren." (Interview 10)

D: "Wel in die zin eigenlijk, dat is geen… . Het is zo dat wij, nadat die jongen
hier een jaar was en dat er eigenlijk... erge gedragproblemen waren geconstateerd,
werd enorm agressief."
I: "Ja."
D: "Heel snel, het minste dat er iets niet ging, ging hij op de vuist en dat was, is
een hele sterke jongen, dus we moesten die met een aantal leerkrachten kalm
proberen te krijgen. En toen hebben wij overwogen in samenspraak met het PMS
om die te laten verwijzen naar een… type 3-school voor karaktergestoorde
kinderen. (bijzonder lager onderwijs – voor leerlingen met emotionele
stoornissen). En, daar kregen wij gewoon te horen,... dat ze hem niet konden
opnamen, omdat hij illegaal was. Dat dus eigenlijk nogal raar is, want illegale
kinderen hebben recht op onderwijs…"
I: "Mm."
D: "Wij moeten ze opvangen in het gewoon onderwijs en wij hebben uiteindelijk
voor karaktergestoorde kinderen heel weinig mogelijkheden hebben om … die
verder te helpen, waar een B-school zei 'ja, wij kunnen daar geen
aanwendingsplan voor opstellen en wij kunnen die niet opnemen'" (Interview 11)
2) Onwetendheid over de bestaande voorzieningen
Met betrekking tot de voorzieningen bestaat er minder duidelijkheid. Alle scholen
kennen wel het onthaalonderwijs voor ATN's en als de scholen ervoor in aanmerking
komen, wordt er ook gebruik gemaakt van de voorzieningen onderwijsvoorrang voor
migranten en zorgverbreding. Scholen die reeds geruime tijd een grote groep kinderen
van illegale verblijvers opvangen, hebben daarenboven vaak een heel netwerk aan
contacten met sociale verenigingen en andere organisaties opgebouwd. Zij weten dus
vrij goed waar ze met bepaalde problemen terechtkunnen en wie ze kunnen
aanspreken om iets te bekomen. Andere scholen hebben ofwel weinig nood aan zulke
organisaties, ofwel zijn ze niet op de hoogte van hun bestaan. Zo blijken niet alle
scholen te weten dat er bijscholingsmogelijkheden bestaan voor het onderwijzend
personeel dat ATN's opvangt. Het vraagt soms wel wat tijd vooraleer de directies in
het versnipperd en ongecoördineerd aanbod van voorzieningen de weg vinden. Op dit
vlak bestaat er dus wel degelijk een gebrek aan informatie en doorzichtigheid ten
aanzien van de scholen.

D: "Voedselbanken … ja, al die dingen, alle sociale… vangnetten voor die
mensen, alle organisaties. Ik heb een beetje mijn eigen sociale kaart… van waar
je terechtkan bij een hoop problemen. … Dus die organisaties zoals Het Huis,
Payoke, die dingen allemaal, die schakelen we ook wel in (Interview 2)
I: "Zijn …  er faciliteiten, steun vanuit de nationale overheid of vanuit de
Vlaamse Gemeenschap?"
D: "Buiten het mogen inrichten van uw… klassen, anderstalige nieuwkomers, niet
echt, nee."
I: "Dus, het is vooral de stedelijke…?"
D: "Dus, voor al de problemen, is het vooral euh, ja, nogal netgebonden,
waarschijnlijk, hè. … En als school veel zelf uitzoeken… naar die andere
organisaties toe" (Interview 2)

D: "Integratiecentrum, lokale integratiecentra. Schoolopbouwwerken, meestal
twee. Al die verenigingen die moeten nu ook aanwendingsplannen maken en dat
is allemaal papier, papier, papier."
I: "Ja."
D: "En al die informatie, die vertrekt vanuit die school. Die school moet die dus
telkens geven, om hulp te krijgen van die mensen. Als ik vergader met al de
externen waar ik mee samenwerk, zit daar 20 man aan tafel en ik heb 9
leerkrachten."
I: "Dus, da's… vooral te verspreid en te ongecoördineerd?"
D: "Ja, te ongecoördineerd, hè" (Interview 4)

D: "Hier hetzelfde … de mensen staan in het begin zowat met vraagtekens 'god,
wat begin ik ermee?' en alleman probeert op zichzelf zo een beetje… daaraan te
werken. Misschien moeten wij nu ook moeite doen, dat er ergens kanalen zijn,
omdat te horen,... dat zeg ik niet." (Interview 12)

D: "Nee, ik weet het eigenlijk niet, want het was eigenlijk de eerste keer dat ik
daarmee geconfronteerd werd. Het was voor mij dan ook een verrassing dat die
hier stonden. Maar, de juffrouw die heeft dan wel gezocht, dan uit wanhoop zo'n
beetje wel van "wat moet ik daarmee aanvangen?" en dan toch ergens
terechtgekomen, maar dan weet ik ook niet juist waar. Maar dat is dan eigenlijk
ook een ondersteuning die, ja, die ergens niet heel concreet is. Ik geloof niet dat
ze er echt  iets aan gehad heeft." (Interview 13)
3) Administratieve moeilijkheden
Scholen geven aan dat verificateurs van de inspectie tegenwoordig slechts heel
uitzonderlijk moeilijkheden maken over de inschrijving van kinderen van illegale
verblijvers. Alleen als de informatie die door illegale verblijvers gegeven werd
onvolledig of foutief is, kunnen er een aantal problemen ontstaan. De scholen zijn
immers verplicht gebruik te maken van de papieren waarover illegale verblijvers
beschikken. Vaak zijn dit alleen de uitwijzingspapieren, waar echter regelmatig fouten
op terug te vinden zijn. De school moet echter deze gegevens gebruiken. Dit kan dan
leiden tot administratieve problemen bij de inschrijving of tot moeilijkheden bij de
overgang tussen het lager en het secundair onderwijs. Het gebrek aan informatie aan
de kant van de inspectiediensten blijkt tegenwoordig bijna volledig van de baan te
zijn. Een aantal jaren geleden daarentegen bleken een aantal scholen nog last te
hebben gehad om kinderen van illegale verblijvers in te schrijven. Hier blijkt dus
duidelijk vooruitgang te zijn geboekt.

D: "Ja, vroeger hadden we er administratief ook problemen mee, dan maakte men
zich, allée de controlediensten, die drongen dan aan op officiële documenten,
maar dat was vrij vlug dat men daar tot een akkoord is gekomen. Wij kunnen ook
kinderen inschrijven zonder officiële documenten."
I:  "... Nu is dat dus …"
D: "Dat is in orde, da's van de baan" (Interview 1)

D: "Wat het inschrijven betreft, is het soms moeilijk, want ik moet elke
inschrijving staven met een officieel papier, waarop de naam en de
geboortedatum van de kinderen voorkomt…. Heel dikwijls zijn dat gewoon de
papieren waarmee de mensen uitgewezen zijn of de papieren van … Brussel, dat
ze, dus, wachten op erkenning. Da's 't enige dat die zowat hebben. Gelukkig, …
aanvaardt de verificateur dat, maar we hebben dat al heel dikwijls gemerkt dat op
die papieren ook heel dikwijls fouten staan. Afrikanen, bijvoorbeeld, die kiezen
hun eigen naam, … die veranderen dan ook al eens van naam, die hebben ook
geen vaste geboortedatum…"
I: "Ja…"
D: "… die hebben bijvoorbeeld een papier, die is geboren in 1989 … en wij
moeten altijd nen  datum invullen. Dus, …"
I: "Ja."
D: "... wordt er gewoonlijk gezegd 1 januari of dat is zo de typische… . Maar, …
eigenlijk rond subsidies, als je die papieren, als je helemaal geen papieren hebt,
moet je kunnen bewijzen dat je… inspanningen geleverd hebt om aan die
papieren te geraken. En dan denk ik dat het een klein beetje van de verificateur
afhangt, of die dat probleem begrijpt of niet"(Interview 2)

Leeftijd van de kinderen bepalen is vaak een groot probleem, zeker als ze
afkomstig zijn van verder afgelegen gebieden (voor de Europese landen vormt dit
niet zo'n probleem). Als deze illegale verblijvers (of ook erkende vluchtelingen)
een asielaanvraag hebben gedaan, dan moeten de scholen de geboortedatum
aanvaarden die op de asielaanvraag of op uitwijzingspapieren wordt vermeld, al
weet men heel zeker dat het geboortejaar niet kan kloppen. Een lagere school kan
daar nog wat soepeler in zijn dan een secundaire school. De directeur gaf het
voorbeeld van een Assyrisch kind dat volgens zijn papieren nog geen 12 jaar was,
terwijl dit kind al duidelijk een oudere puber was. Aangezien het kind volgens
zijn papieren nog geen 12 jaar was, bestond er dus geen mogelijkheid om hem in
het secundair onderwijs in te schrijven.  (Interview 9, gesprek uitgetikt op basis
van nota's omwille van de slechte kwaliteit van de cassetteopname)
4.2 Een tekort aan voorzieningen en regelgeving
1) Opleiding van de leerkrachten en didactisch materiaal
Een veel voorkomende klacht geuit door de scholen is dat de leerkrachten niet
voorbereid zijn op de opvang van kinderen van illegale verblijvers. Vooral de
klasleerkrachten, die zowel aandacht moeten hebben voor de Nederlandstalige als de
anderstalige kinderen, terwijl ze ook niet-talige activiteiten moet aanleren, hebben
daar behoorlijk wat moeite mee. In hun opleiding is nooit aandacht geschonken aan de
aanwezigheid van Nederlandsonkundig kinderen in de klas. Het vergt van de meeste
leerkrachten dan ook meer moeite om voor zulke klassen te staan. De
concentratiescholen klagen dus geregeld over het personeelstekort: pas afgestudeerden
zijn namelijk meer geneigd om te kiezen voor gekende werksituaties. De kritiek ten
aanzien van de onderwijsopleiding is dan ook dat deze nog steeds voorbereidt op
klassen met enkel blanke en Nederlandstalige kinderen, terwijl de realiteit veel
gediversifieerder is. Niet alleen nieuwe leerkrachten in scholen met veel ATN's, maar
ook de leerkrachten die reeds langer in het onderwijs staan en die voor de eerste maal
met een ATN te maken krijgen, worden met dit probleem geconfronteerd. Ze moeten
hun manier van lesgeven ineens aanpassen, zonder dat ze hier op voorbereid zijn.

D: "Waarschijnlijk komt dat zo... . Ik weet vandaag nog (?) de anekdote te
vertellen van een...  directeur die zei, we zijn samen een les aan het bijwonen van
een hogeschoolstudent en... die leerkracht ziet daar in die voorbereiding het
woord ICO staan en die vraagt: 'wat is ICO?'".
I: "Intercultureel Onderwijs..."
D: "Dat is Intercultureel Onderwijs... . Als een docent in een hogeschool, als je...
niet weet wat ICO is,... dan kan je ook moeilijk aannemen dat die mensen die
studenten kunnen voorbereiden op kinderen die uit verschillende culturen komen.
Het woord aanwendingsplan zullen we dan maar niet gebruiken zeker tegen die
mensen. Dus de studenten die wij krijgen, allée de afgestudeerden die wij krijgen,
dat zijn mensen die gewoon zijn om te werken met Belgische kinderen. Als die
dan voor... dergelijke situaties worden gezet, waarbij 80% van die
kinderen…"(Interview 1)

D: "Ik denk dat het vooral het grote probleem is voor leerkrachten om zich aan te
passen… aan al die verschillende dingen die op hen afkomen. … Het lesgeven
zoals voorheen…"
I: "Ja?"
D: "…is niet hetzelfde. Meestal met het taalprobleem, zitten ze natuurlijk ook bij
de ATN's, maar komen toch ook terecht in de klassen, dus leerkrachten moeten
nog meer gaan differentiëren. …En niet alle leerkrachten zijn al…voldoende …
opgeleid eigenlijk om met die cultuurverschillen te kunnen omgaan" (Interview 2)

D: "Maar eer je dat, dus bijvoorbeeld in mijn soort van school,... dat kan niet
meer. Of dat daar nu een dt-fout in staat of dat nu… (?), als dat kind maar durft
schrijven, als dat kind maar durft spreken, als ze maar naar elkaar luisteren. Die
klik, dat doen we, dankzij dat SIF of zijn we dat aan het bereiken, we zijn er nog
niet, maar we zijn dat aan het bereiken… . Eigenaardig genoeg, dat de
normalisten en dat is ook nog een probleem, dat dus op 't ogenblik de vorming in
de normaalscholen en dat is vooral, want ik heb ze allebei, ik heb dus ook stagairs
zowel van Karel de Grote-hogeschool als van de pedagogische hogeschool van
Antwerpen… (de directeur spreekt hiervoor normaalscholen van twee
verschillende netten)."
I: "Ja."
D: "Dan zie ik dat die mensen nog altijd, eigenlijk het waanbeeld voor ogen
krijgen dat er geen allochtonen zijn" (Interview 4)

Het probleem is niet alleen een gebrek aan leerkrachten die bereid zijn om ook aan
anderstalige kinderen les te geven. De leerkrachten die met zulke kinderen moeten
werken en die weinig ervaring kunnen putten uit hun opleiding, kunnen ook niet
terugvallen op een goed uitgebouwde didactiek. Er zijn wel een aantal werkboeken
voorhanden, gericht op het aanleren van het Nederlands aan anderstalige kinderen,
namelijk "Joker" en "Goochelen met woorden". In de ATN-klassen wordt vaak
gebruik gemaakt van deze hulpmiddelen. Dit is dan ook het enige materiaal dat door
de directies gekend is om mee te werken. De werkboeken worden over het algemeen
heel positief geëvalueerd. Er worden ook vormingsdagen gegeven aan leerkrachten die
les geven aan ATN's. Deze vormingsdagen worden wel geapprecieerd, alhoewel af en
toe de opmerking valt dat men deze activiteiten wel met goede bedoelingen
organiseert, maar dat de begeleiding er wel te wensen overlaat. Een andere  klacht is
dat er geen didactisch materiaal bestaat om de kinderen de taal spelenderwijs aan te
leren, zoals puzzels aangepast aan de leefwereld van lagere-schoolkinderen. Maar
vooral voor de lessen in de reguliere klas, is er onvoldoende materiaal voor handen.
De leerkrachten van de gewone klas moeten hun aandacht spreiden over alle kinderen,
waarbij de anderstalige kinderen, zeker in de beginperiode, niet het niveau halen van
de rest van de klasgroep. Het wordt nog een zwaardere opgave voor de leerkrachten
indien het over meerdere anderstalige kinderen gaat. De leerkrachten hebben het
moeilijk om te communiceren met deze kinderen en toch moeten ze proberen te
voorkomen dat de ATN's volkomen gedesinteresseerd geraken.

D: "Wij krijgen van de begeleiding uit wel informatie naar gerichte activiteiten
naar de school, maar dus de begeleiding heeft werkmappen uitgewerkt … (?)  We
doen ook een twee, drie keer in het jaar een namiddag om ervaringen uit te
wisselen tussen mensen die anderstaligen in de klas hebben. Dan ben ik wel over
anderstaligen bezig, niet meer over illegalen …" (Interview 12)
I: "En zoals die ATN-klas, vindt u dat een effectieve oplossing om die hun
taalproblemen bij te werken of… u zei al van misschien zou het beter zijn om
algemeen... "
D: "Het is een ondersteuning, maar feitelijk zijn het 8 lestijden op de week, dus
het is, ja, we hebben daar ook iemand, allée die werkt enorm hard, ik wil daar dus
niets van zeggen, maar we hebben dus een kleuterleidster aangetrokken om dat te
doen ook. Die moet dus, ja, van nul beginnen die heeft daar weinig of geen
ervaring mee om dat op te bouwen. Dus, moest daar ergens mensen zijn... ja, die
knowhow hebben. ... We kopen dat nieuw die boek "Goochelen met woorden",
maar zij moet die ook inwerken, daar mee werken" (Interview 12)
 
D: "Aan materiaal… kan ook niet, er kan onmogelijk een methode ontwikkeld
worden waar al die problemen in het opvangen van die personen onderschreven
zijn, de ene heeft wel schoolervaring en kent al een paar woorden Nederlands, de
ene heeft totaal geen schoolervaring, kent niks Nederlands en dan... (?) De ene is
al 12 jaar als 'm hier binnenkomt en heeft totaal geen schoolervaring,... de andere
die komt hier binnen als kleuter zonder schoolervaring … Allemaal een enorm
verschil, hè, voor dat kind ook, voor ons ook … naar werkwijze… Maar er is dus
eigenlijk niks, al hetgeen dat je doet... Er zijn hulpmiddelen, hè, Joker,...
Goochelen met Woorden, dus die twee dingen, te denken, maar dat is specifiek
naar taal toe. Voor de rest is er de... inventiviteit van de leerkracht om …(?) die
het een beetje moet doen en… niet alleen van de leerkracht die kinderen apart
opvangt, maar je hebt ook hier … de  benoeming in de omzendbrieven, de
leerkracht van de reguliere klas" (Interview 9)
De directeur zou graag meer specifiek materiaal voor zulke kinderen ontwikkeld
zien, zoals kleuterschoolmateriaal met een lagere schoolinvulling (naar hun
leefwereld toe, bijvoorbeeld puzzels met thema's die zij herkennen). Dit bestaat
immers wel voor het aanleren van taal bij volwassenen, maar niet voor lagere
schoolkinderen (Interview 9, dit deel van het gesprek werd uitgetikt op basis van
de nota's omwille van de slechte kwaliteit van de cassetteopname)

D: "Het enige probleem dat ik zie en dat is niet bij illegalen alleen… wij hebben
hier op school lang genoeg een probleem gehad: 'hoe blijven wij die kinderen
opvangen?'"
I: "Ja."
D: "Al die anderstalige kinderen, want... het beleid zegt, die moeten geïntegreerd
worden en die moeten 12 uur in de reguliere klas en die mogen 12 uur in de
onthaalklas. Die onthaalklas, dat vind ik, een … een knap idee, dat schijnt hier
eigenlijk goed te lopen, de kinderen zijn er enorm enthousiast over, leren ook vrij
snel … zich behelpen in het Nederlands. … Anderzijds in de gewone reguliere
klas de lessen volgen is zo goed als onmogelijk. Zeker de kinderen die … in het
vijfde en het zesde zitten. Onze ATN's zitten in het, verspreid over het eerste, …
het vijfde en het zesde leerjaar … Kinderen in het eerste kunnen al veel vlugger
mee aan pikken bij de lees- en rekenlesjes" (Interview 11)
2) De spreiding van ATN's en kinderen van illegale verblijvers
Een andere belangrijke vraag naar de overheid toe gaat over het aanpassen van de
regelgeving betreffende de ATN's. Vele scholen vragen het invoeren van een
verplichting om per school een aantal ATN's op te vangen. Deze vraag komt vooral
van scholen die veel kinderen van illegale verblijvers opvangen, maar ook van scholen
die de waarde van een multiculturele samenleving verkiezen boven een segregatie van
de autochtonen en de allochtonen. De belangrijkste reden waarom deze vraag naar de
overheid gericht wordt, is dat de scholen ervaren dat het non-discriminatiepact op
subtiele wijze geschonden wordt door een aantal scholen. Hierdoor komen de illegale
verblijvers bijna steeds terecht in dezelfde scholen: in Antwerpen en deelgemeenten
nemen namelijk maar 26 van de 112 gecontacteerde scholen kinderen van illegale
verblijvers op. Scholen die geen kinderen van illegale verblijvers of allochtonen in het
algemeen wensen op te vangen, kunnen onder andere hoge schoolkosten opleggen, die
de ouders niet kunnen betalen, zodat ze verplicht worden om een andere school te
zoeken. In het vrij onderwijs schrappen scholen kinderen soms, omdat ze niet kunnen
beantwoorden aan een aantal voorwaarden uit het schoolreglement. Er werd in een
interview het voorbeeld gegeven van een kind dat uit een school geweerd werd, omdat
het niet mee op bosklassen ging. Zulke scholen nemen uiteindelijk misschien wel een
aantal allochtone kinderen op, maar door de hoge kosten die aan de ouders worden
opgelegd, zullen het alleen de beter begoeden zijn die hier terechtkomen.

Doordat bepaalde scholen, al dan niet expliciet, kinderen weigeren en er dus slechts
een beperkt aantal scholen ATN's opvangen, dreigen er geen scholen meer gevonden
te worden om nieuwe ATN's op te vangen. Een groot deel van de directies zei immers
dat in zijn school de grens van het aantal ATN's dat kan worden opgevangen bereikt
was of toch dichtbij kwam. Bovendien neemt de instroom van ATN's in Antwerpen en
deelgemeenten toe (cf. supra: 3.2). Er wordt gevreesd dat illegale verblijvers
binnenkort geen school meer vinden om hun kinderen naar toe te sturen. Dit probleem
houdt ook verband met de beperkte mobiliteit die illegale verblijvers kennen (cf.
supra: 2.3). Het heeft weinig nut dat er in sommige deelgemeenten nog wel een aantal
scholen bereid zijn en in staat zijn om ATN's op te vangen, als het voor deze mensen
onmogelijk is om de school dagelijks te bereiken. . De situatie zou nog nijpender zijn
in het secundair onderwijs dan in het lager onderwijs, omdat het aantal ATN-klassen
daar beperkter is.

D: "… dan beginnen doorschuiven. En er zijn er een aantal die daar een
uniformvoorwaarde aangekoppeld hebben, als je dan 12.000 fr. voor een uniform
moet betalen 'ja je mag binnen, hoor, maar je moet wel 12.000 fr. voor een
uniform betalen en je bent verplicht om op bosklassen te gaan, dat 5000 fr. kost'.
Da's drempelverlagend (ironisch). Dus men heeft daar een zekere
maatschappelijke selectie doorgevoerd, … met het gevolg dat het beoogde doel,
een echte spreiding over alle scholen, niet bereikt is. Dat heeft dan niks met
illegalen te maken, maar …"(Interview 1)
D: "In het officieel onderwijs: wij moeten alle kinderen aannemen en de ouders
tekenen het schoolreglement voor gezien. In het vrij onderwijs tekent men voor
akkoord. Men kan daar passages inzetten en op basis van die passages zeggen
'kijk, u handelt niet conform het schoolreglement, u gaat er uit'. Ik heb hier
mensen over de vloer gekregen die eruit gegooid werden in een katholieke school,
omdat zijn niet mee op bosklassen gingen. In het schoolreglement staat in dat de
kinderen mee op bosklassen gaan: 'u doet dat niet, volgend jaar schrijf ik u niet
meer in'. Ze worden dus niet uitgegooid, maar ze worden onder druk gezet om
van school te veranderen" (Interview 1)
D: "Want daar is 't, in het SO is het dramatisch…"
I: "Dat is…?"
D: "Het SO heeft heel weinig onthaalklassen en de meeste kinderen die nu zich
aandienen die worden overal geweigerd, die kunnen er niet meer bij" (Interview
1)

D: "Maar 't is een groot probleem dat de scholen vol zitten, dat er geen
leerkrachten zijn, … plus nog niet alle scholen vangen ATN's op, dus…"
I: "Mmm… en speelt dan bijvoorbeeld bij die ouders het probleem dat die,
waarschijnlijk weinig mobiel zijn, een beetje gebonden zijn aan hun buurt?"
D: "Ja, wij hebben de discussie gehad met … de kabinetsleden van de vorige
onderwijsminister. ... Die zegden van geen ATN's in een concentratieschool. ...
ATN-klassen moeten gespreid worden … zoveel mogelijk uit elkaar, mensen
moeten … Als argument haalden die aan: 'mensen die duizenden kilometer
gereisd hebben, om in een stad te komen… als Antwerpen, die zullen toch wel
den tram kunnen pakken, zeker voor een paar kilometer om naar 't Kiel of zo te
rijden.' En dat is dus niet waar, want … die mensen zijn niet mobiel, die hebben
gene auto, die hebben geen geld voor de tram, meestal…, dus die zijn echt wel
gebonden aan de buurt" (Interview 2)

D: "Maar ik vind persoonlijk en ik heb dat reeds gezegd, … binnen het Katholiek
Onderwijs aan de vicaris, dat die verplichting…"
I: "Ja."
D: "… zou moeten opgelegd worden aan alle scholen, … want ik vind het een
enorme meerwaarde voor uw school en voor uw kinderen in de opvoeding, hè.
Dat hoort eigenlijk in hun opvoeding nu in het jaar 2000, dat ze daar mee leren
omgaan…ze gaan dat moeten kunnen…"
I: "Ja, ja."
D: "… als ze volwassen zijn, in onze maatschappij van nu. Dus ze moeten dat ook
geleerd krijgen. Maar, in beperkte mate, dus ik ben niet bereid om er meer in mijn
school op te nemen, … want dan gaat het niet goed meer lopen. "
I: "Iedereen moet…?"
D: "Maar als alle scholen de verplichting krijgen, dan zal dat niet nodig zijn."
I: "Dus, het is beter te spreiden?"
D: "Ja … Dat is ook veel beter voor de integratie, hè" (Interview 5)

D: "Wat ik ook een groot probleem vind, hè, dat is dat men… beleidsmatig. Die
OCMW's en dat is dan typisch voor Antwerpen natuurlijk. Van-weet-ik-waar,
want ik weet van waar dat die mensen komen, hè."
I: "Ja."
D: "Door welke OCMW's en als ik nu zeg, dat één van hen vanuit Limburg komt
officieel, OCMW en één van de anderen van een randgemeente van Brussel, dan
is het duidelijk, stuurt ze maar naar Antwerpen. En hier naast de school zijn zo
een rij woningen en dat is een verhuur…, een immobiliënkantoor en die verhuurt
systematisch aan OCMW's. Dus, wat krijg je nu? Min of meer een getto,
hiernaast, hè."
I: "Ja."
D: "Waar dat die allemaal bijeen zitten en dat is ook niet bevorderlijk, denk ik,
voor eventuele integratie … En dat is natuurlijk altijd de vraag: moeten ze
integreren of moeten ze een aparte groep vormen, hè, zoals in de Verenigde
Staten van Amerika. In New York hebt ge Chinatown en Little … Italy, dat
verschijnsel, hè. Persoonlijk denk ik voor die mensen dat het beter is dat ze
integreren" (Interview 6)

D: "Wij gaan volgend jaar proberen van de mensen te suggereren, maar het
probleem is dat iedereen in de buurt hier hetzelfde doet, want iedereen zit… in
hetzelfde schuitje, hè.  Dat is een serieus probleem. … Komt er nog bij dat het
Katholiek onderwijs …meestal duur is voor de ouders, dat daar inschrijvingsgeld
gevraagd wordt, dat daar voor de boeken moet betaald worden en dat die mensen
zeer snel weten dat zij dat niet kunnen betalen en dat zij dan sowieso naar hier
komen. En als je dan zegt, 'ja, wij zitten al vrij vol, zou je niet eerst hiernaast
gaan vragen?' dat je dan direct het antwoord krijgt, 'neen, dat is te duur, dat
kunnen wij niet betalen'" (Interview 3)
3) Het onthaalonderwijs voor ATN's
Het onthaalonderwijs voor ATN's wordt in het algemeen vrij gunstig geëvalueerd, al
zijn er hier en daar nog verbeteringen wenselijk. Vergeleken met de periode voor het
onthaalonderwijs en andere bijkomende voorzieningen, zoals de zorgverbreding en het
onderwijsvoorrangsbeleid, is de situatie al veel verbeterd. Het merendeel van de
scholen evalueert de voorziene steun voor de opvang van ATN's dan ook als
voldoende, soms zelfs als royaal. Voor een aantal scholen zijn de middelen die ter
beschikking worden gesteld echter nog onvoldoende. De scholen die een achtergesteld
publiek, waaronder meestal een grote groep aan anderstaligen, opvangen, krijgen
dezelfde middelen als andere scholen. Nochtans hebben deze kinderen meer nood aan
financiële ondersteuning en aan bijkomende begeleiding door de school. Een school
die een welvarender publiek aantrekt, heeft vaak meer mogelijkheden om op zulke
situaties in te spelen. Het gebrek aan middelen wordt nog versterkt door de beperking
die de scholen worden opgelegd in het inzetten van de middelen en door de
versnippering tussen de beschikbare middelen en voorzieningen (cf. infra: 4.3).
 
 

D: "Vanuit de Vlaamse Gemeenschap komt er een zeer sterke ondersteuning, hè,
voor vier kinderen krijg je 8/24sten, effectief 10 lestijden, dat is niet niks en dan
krijg je daarbij, om het nodige materiaal te kopen … Dat is een organiek ambt, hè,
dat is een volledig organiek ambt, dus dat zijn uren waar je wel niet in vast mag
benoemen, dat niet, maar voor de rest wordt die betaald van het departement en
al."
I: "Ja... U zei iets van het materiaal?"
D: "En voor materiaal krijg je in de maand juni van het lopende schooljaar, 5000
fr. per leerling. … Dus die twee nieuwe, dus normaal heb ik 20.000 fr., maar die
twee nieuwe die er nu bijkomen, verhoudingsgewijs zou daar nog een betaling
voor… dus daar kan je al heel wat materiaal voor kopen, hè" (Interview 5)

D: "Afhankelijk ook van de noden van de kinderen, sommige kinderen hebben
minder nodig, sommige kinderen meer. Ook … het verschil tussen de middelen
die je krijgt uit het tijdelijk werk en middelen die je krijgt uit die aanvullende
projecten… als dat in één pakket zit, als je daar meer aanwendingsvrijheid hebt
om in te spelen op de situatie, dat is een enorm voordeel. Als je flexibel mag
omgaan met die middelen, dan … gaat de stedelijke school er op
vooruit"(Interview 1)

D: "Financiële problemen … Ja wat,  niet alleen de illegalen, maar ook de ganse
bevolking is arm. En… door hun … sociaal milieu waar ze in vertoeven, zijn die
enorm arm. Dus, een uitstap, … die plan ik niet (?). Hier, het stedelijk onderwijs
is gratis, maar er werden toch dingen gevraagd, zoals een uitstap, … dat was het
175 fr., melk ja, middagstudie en zo verder, dat moet wel betaald worden. Er
moet alleen maar de prijs betaald worden van de grondstoffen eigenlijk…"
I: "Ja."
D: … maar dat is voor veel mensen, die dan drie, vier kinderen hebben te veel en
moet ik dus bijspringen via allerlei Sociale Kassen. Sociale Kassen, als dat zo
voortgaat, die leeg gaan geraken" (Interview 4)
D: "Dat is dus weer heel subjectief, wat ik nu zeg, hè. Ik krijg de indruk, dat men
concentratiescholen tracht…"
I: "Aan de kant te zetten?"
D: "Aan de kant te zetten. Bijvoorbeeld, in deze school is het nog nooit mislukt,
heb ik dus altijd mijn OV-uren gehad, maar 't is hier om, ik heb hier ocharme
negen uurtjes. Ja, oké, die negen uurtjes, voor die paar doelgroepleerlingetjes dat
hier (nu gaat het om een kleuterschool met een gemengd publiek) zijn, … ja, oké,
dat is niet slecht, maar ik heb die daar (in de lagere school met bijna alleen
allochtone leerlingen) veel meer nodig" (Interview 4)

Buiten de steun voor de ATN's, komen de illegale verblijvers ook in aanmerking
voor de gewone onderwijssubsidies als ze regelmatig naar school komen. Het
probleem bij de steun voor ATN's is dat deze slechts beschikbaar is voor één jaar,
daarna kunnen die leerlingen in deze school wel extra opgevangen worden door
de OV-uren. Echter, bijna elke leerling in deze school is een OV-leerling,
waardoor deze kinderen toch niet voldoende aandacht kan geschonken worden
om hun achterstand (owv de taal en het andere (of geen) schoolsysteem) (snel)
weg te werken. Het bemoeilijkt hun situatie nog eens extra (Interview 9,  dit deel
van het gesprek werd uitgetikt op basis van de nota's omwille van de slechte
cassetteopname)

4) De communicatie tussen de scholen
Om de opvang van de ATN's beter te organiseren, ontbreekt de nodige communicatie
tussen de scholen, vooral over de verschillende onderwijsnetten heen. En als er al
structurele communicatie is voorzien, gaat deze veelal moeizaam. De ouders van een
kind dat naar een school van een ander net overstapt, zijn indien er zich in de vorige
school problemen voordeden, niet zo geneigd om alle informatie door te geven aan de
nieuwe school. In Antwerpen-Noord zijn er reeds afspraken gemaakt tussen de
scholen om het onderling te melden, indien er kinderen van school verdwenen zijn
zonder mee te delen waar ze naar toe trokken. De nodige informatie over deze
kinderen wordt rechtstreeks uitgewisseld tussen de scholen, in plaats van langs de
officiële weg, via de PMS'en (nu reeds behorend tot het CLB) van de verschillende
netten, de informatie door te geven. Volgens de scholen van Antwerpen-Noord duurt
dit immers veel te lang en brengt het teveel papierwerk met zich mee. Eén groot
nadeel van dit systeem is dat het slechts om een geografisch beperkt gebied gaat.

Een andere school vermeldde dat zij met de scholen van hetzelfde net, die in
Antwerpen-Linkeroever gevestigd zijn, afgesproken hebben om een bepaald aantal
ATN's op te vangen en als dit aantal bereikt wordt, nieuwe kinderen onderling door te
verwijzen. Dit overleg werd dus beperkt tot de scholen van eenzelfde onderwijsnet.

Slechts twee scholen maakten melding van een meer structurele vorm van overleg, die
reeds tot positieve resultaten had geleid. Het gaat over het overleg tussen de scholen
van de verschillende netten in de Onderwijsraad van Antwerpen en meer specifiek in
de Commissie ATN's. Via dit overleg zijn er al een aantal scholen toe aangezet om
(meer) ATN's op te vangen. Bovendien kunnen de scholen van Antwerpen langs deze
weg collectief optreden naar de Minister van Onderwijs toe. Dit structureel overleg
dient echter nog beter uitgebouwd te worden, zodat een efficiënter organisatie van het
onthaalonderwijs voor ATN's bereikt kan worden.

D: "Projecten of taallessen worden hier niet samen georganiseerd, maar we
hebben hier wel met de 3 katholieke scholen een afspraak gemaakt dat … we
allemaal bereid zijn om ATN's op te nemen. … Mijn collega in de …straat heeft
er momenteel 14 of 15, nu eigenlijk oorspronkelijk was gezegd, iedereen neemt er
zeven. … Dat ging dan nog om Kosovaarse vluchtelingen, maar …" (Interview
11)

D: "We hebben ook een werkgroep, een commissie van de Antwerpse
Onderwijsraad, en wij adviseren de Antwerpse Onderwijsraad. Uiteraard,
(onverstaanbaar) de Antwerpse Onderwijsraad de problemen niet meer kan
opvangen, dan gaan zij met hun eisenbundels naar het Departement Onderwijs,
naar het kabinet van Onderwijs. En op die manier, signaleren wij, registreren wij
problemen en … zoeken wij hulp" (Interview 1)
 D: " De onderwijsraad is overleg tussen de verschillende netten. Euh, drie jaar
geleden, dan … moet ik efkens zien dat ik niks verkeerd zeg… . Maar er was
geen enkele vrije school die ATN's opnam… . Nu is dat veranderd."
I: "Is dat…?"
D: "Door met mekaar te overleggen, heeft iedereen zicht op de problematiek
gekregen en zijn de scholen beginnen op te nemen en zijn er een groot aantal vrije
scholen die dus nu ook ATN's opnemen en die dus ook roepen om die
omkadering, om… (?). Dat allemaal door overleg met elkaar daar is over…, maar
momenteel is er een... (protocollogisch?) punt" (Interview 1)

In Antwerpen-Noord (waar deze school gelegen is) is er een
samenwerkingsverbond gesloten tussen alle scholen dat inhoudt dat als kinderen
van school veranderen er contact met de oude school zal worden opgenomen en
de gegevens worden doorgespeeld, ook tussen scholen van verschillende netten.
Er bestaat wel een officieel kanaal langs dewelke deze gegevens moeten worden
doorgegeven, met name via het PMS, maar als er dan gegevens tussen de netten
moet worden uitgewisseld dan moet de informatie eerst van (bvb.) een katholieke
school naar een het katholieke PMS worden doorgegeven, die bezorgt de
informatie dan aan het stedelijke PMS, dat dan uiteindelijk de informatie aan de
nieuwe stedelijke school kan doorgeven. De scholen van Antwerpen-Noord
vonden dit een te grote administratieve rompslomp en het rechtstreeks doorgeven
van de informatie tussen scholen blijkt wel te werken. Daarenboven geven de
scholen elkaar aan het begin van het schooljaar door welke kinderen van hun
school verdwenen zijn en waarvan men dus niet weet waar ze terecht zijn
gekomen. Het grootste probleem van deze samenwerking is, is dat het om een
zeer beperkt geografisch terrein gaat en kinderen vaak nog buiten dit terrein
verhuizen. (Interview 9, dit deel van het gesprek is uitgetikt op basis van de
nota's omwille van de slechte cassetteopname)
4.3 Een teveel aan voorzieningen en regelgeving
1) Een gebrek aan coördinatie en samenhang in de voorzieningen van de overheid
De directies zijn niet zozeer van mening dat er een algemeen tekort aan middelen is,
wat in sommige situaties wel het geval is (cf. supra: 4.2), maar waar ze het wel over
eens zijn is dat het beleid en de middelen inzake onthaalonderwijs voor ATN's,
onderwijsvoorrangsbeleid voor migranten en zorgverbreding onvoldoende
gecoördineerd zijn. Deze stelsels bestaan naast elkaar: de subsidies voor elk van deze
voorzieningen dienen apart aangevraagd te worden samen met een aanwendingsplan,
waarin aan andere eisen moet worden voldaan. Voor elke voorziening bestaan er
verschillende inspecties die moeten controleren of de middelen op een juiste wijze
worden besteed.

De scholen moeten deze aanwendingsplannen een jaar op voorhand opstellen, maar op
dat ogenblik kunnen ze nog niet zeker zijn van de samenstelling van hun
schoolbevolking. Er is dus niet zozeer een tekort aan middelen, tenzij in een aantal
specifieke situaties van scholen die een kansarme populatie opvangen, maar de
scholen moeten veel administratieve inspanningen leveren om aan deze middelen te
komen. Dit leidt ertoe dat de scholen zullen dus kiezen voor de voorzieningen,
waarvan ze het zekerst zijn dat ze hen zullen toegewezen worden en voor deze die de
meeste subsidies zullen opleveren. Dit wil dus zeggen dat scholen die de middelen het
meest nodig hebben, namelijk scholen die een populatie opvangen die bijna volledig
bestaat uit kansarme Belgen, allochtone doelgroepleerlingen en ATN's, een deel van
de middelen laat liggen, omdat ze niet zeker zijn dat ze deze zullen krijgen en het dus
nauwelijks de moeite is om daarvoor inspanningen te leveren. Deze scholen benutten
niet ten volle van de beschikbare middelen, terwijl hun schoolpopulatie reeds uit
achtergestelde groepen bestaat.

De scholen wensen dus een coherenter subsidiëringstelsel. Er worden door de directies
voorstellen gedaan om leerlingen die beantwoorden aan de definitie van een
doelgroepleerling uit het onderwijsvoorrangsbeleid of uit de zorgverbreding of een
ATN's is, een groter gewicht toe te kennen voor de berekening van de subsidies.
Doelgroepleerlingen of ATN's zouden bijvoorbeeld een waarde van anderhalf kunnen
krijgen, terwijl een gewone Belgische leerling slechts de waarde één toegekend krijgt.
De scholen zouden daardoor heel wat minder administratief werk moeten afhandelen,
op voorhand geen schatting moeten maken van hun populatie en kunnen hun subsidies
voor de doelgroepleerlingen en ATN's laten vaststellen op dezelfde datum als de
algemene omkaderingsmiddelen worden vastgesteld, namelijk 1 februari. Zeker voor
de scholen met veel ATN's en andere doelgroepleerlingen zou dit een serieuze
vereenvoudiging betekenen. Tegelijkertijd pleiten de scholen ook voor eenduidige en
gemakkelijk hanteerbare criteria voor de bepaling van wat doelgroepleerlingen zijn.

D: "Een andere piste die we gaan voorstellen, dat is … leerlingen te wegen
afhankelijk van een aantal criteria, die er trouwens nu ook zijn. Die criteria te
gaan laten doorwegen, mee te bereken in het reguliere pakket. Wat administratief
een vereenvoudiging zou zijn en wat qua werking naar meer eenvormigheid gaat
leiden tussen scholen."
I: "En welke criteria zijn dat dan?"
D: "… Criteria kunnen zijn van minder dan één jaar in België of minder dan twee
jaar in België of buitenland geboren uiteraard met…"
I: "… "
D: "Het gaat ook niet op van, van een Belgisch kind van Belgische ouders dat
toevallig in het buitenland geboren is en om dat dan die criteria te geven. Neemt
dan nog die twee bijkomende criteria: waar is de grootmoeder geboren? Welke
nationaliteit heeft de grootmoeder?"
 I: "Ja."
D: "Dan ben je zeker dat het om een buitenlands kind gaat… Dus via deze criteria
tot weging over te gaan. Dan moet men dat natuurlijk vanuit de andere
problematiek, zorg voor de kansarmen, moeten die criteria er ook ingewerkt
worden, maar dat is dan de zorg voor scholen die met kansarmen werken, … met
Belgische kansarmen werken. We zouden misschien een verschil kunnen maken
tussen kinderen, die instromen na hun geboorte en kinderen die hier geboren zijn,
in Antwerpen vanuit migrantenouders. Dat zal allemaal … moeten
…uitgediscussieerd worden omdat beter zal zijn dan de huidige meting om
omkadering toe te staan …" (Interview 1)"
D: "En er zit daar criterium opleiding in: tot welke leeftijd heeft de moeder
onderwijs gevolgd? Maar dat is niet te controleren. Als een moeder zegt: 'ik ben
tot mijn 19 jaar naar school geweest in mijn land". Ah, dan zijn dat geen
migrantenkinderen en dan zijn dat geen OV-leerlingen'
(Onderwijsvoorrangleerlingen)
I: "Ja…"
D: "Dat zijn geen migrantenkinderen, dat zijn geen OV-leerlingen. Dus dat is een
zeer … moeilijk te controleren … voorwaarde" (Interview 1)

I: "Ook de nationale overheid. … Vindt u dat de steun, zowel financieel als
andere dat u daarvan krijgt … of dat die voldoende is en … effectief, zo…?"
D: "Goh, … zoals alles in België, … is het grote probleem dat die administratieve
molen daarbij toch weer zodanig groot is. Langs de andere kant neem ik aan dat
er… een soort van controle moet zijn. Ik denk dat je, dat je heel goed moet weten
waar je terechtkan…" (Interview 2)

D: "Ja, er zijn problemen die dus door externe factoren worden bepaald, zoals
bijvoorbeeld de regelgeving, de wetgeving, die… voor mijn soort van school
eigenlijk…  een lachertje is, bijvoorbeeld, kijk, ik kan OVB- uren, OV, ik weet
niet of u dat kent, onderwijsvoorrangsbeleid of ik kan ATN's aanvragen."
I:  "Ja."
D: "Maar daar moet ik een keuze tussen maken, want als ik dus kies voor ATN's,
dan kan ik die niet rekenen voor mijn OV-uren…"
I: "Ja."
D: "Van mijn OV-uren ben ik praktisch zeker, van mijn ATN's, dat zijn... daar
ben ik niet zeker van, want die worden geplaatst per drie scholen of per vier
scholen wordt er ergens een … les gegeven…" (Interview 4)
D: "Omdat ik daar zeker van ben…. Nog een bijkomend probleem is, dan over
die OV, daar moet ik dus elk jaar of alle twee jaren een… plan voor indienen en
concentratiescholen, tot hier toe, als ik nu Minister Van Der Poortere (de Vlaamse
Minister van Onderwijs Marleen Van der Poortere) hoor zou het veranderen,
worden concentratiescholen daar systematisch eigenlijk uitgehouden. Die indruk
krijg ik"(Interview 4)
D: Ja en wij moeten meer werken. Als ik een aanwendingsplan moet maken, voor
die uren te krijgen, dat is een enorm groot aanwendingsplan, daar moet over
nagedacht worden, daar is heel veel werk aan. Ik zeg niet dat dat niet nuttig is,
maar… dus het risico dat ik het niet ga krijgen, is dan ook nog groot. … In feite
zou scholen, zoals.. bij mij, die toch 99% … (?) zou sowieso aan een
gunstiger…"
I: "Ja?"
D: "…telklimaat moeten zijn. Zodat ik niet moet overal moet bedelen en
contracten moet maken met allerhande organisaties om mijn school leefbaar te
houden"(Interview 4)
D: "Nog een probleem, ja, als je het dan toch vraagt. … Kijk, hoeveel inspecties
heb ik nu? Hoeveel bazen eigenlijk? … Ontelbaar en als ik nu eens wist of dat die
nu eens allemaal hetzelfde zeiden en hetzelfde eisten, dan zou dat aangenaam
zijn, maar dat doen ze dus niet. Dus, dat is dus als een skiër die aan het
slalommen is…"
I: "Ja."
D: "… Die eist dat en als ge datzelfde zegt tegen de andere, die zegt 'ja maar, dat
kan niet'.  Dus, ik heb de gewone kantonale inspectie, ik heb de inspectie van het
Stedelijk Onderwijs zelf, ik heb OV-inspecties, dat wordt, dat zijn altijd andere
mensen … en die eisen allemaal papieren en statistieken en verslagen en…"
(Interview 4)

Men krijgt voor de ATN's wel extra geld, maar de subsidies worden steeds pas
het jaar erna uitbetaald. Dit creëert een extra last voor de school (Interview 9, dit
deel van het gesprek werd uitgetikt op basis van de nota's omwille van de slechte
kwaliteit van de cassetteopname).
2) Een gebrek aan coördinatie en samenhang in het aanbod van welzijnsorganisaties
Deze ongecoördineerdheid geldt niet enkel voor de voorzieningen van de overheid.
Ook het aanbod van andere welzijnsorganisaties wordt niet gecoördineerd. De scholen
doen bijvoorbeeld een beroep op deze om interculturele medewerkers voor een aantal
activiteiten te kunnen inschakelen. Om van deze diensten gebruik te kunnen maken,
moeten de scholen opnieuw een aantal (administratieve) inspanningen leveren, wat
weer een extra belasting voor de leerkrachten en directies vormt. Bovendien is niet
elke school op de hoogte van het bestaan van zulke voorzieningen en dienen de
directies dus nogal wat tijd en werk te investeren in het zoeken naar de nodige
faciliteiten om het onderwijs voor kinderen van illegale verblijvers te
vergemakkelijken en te optimaliseren.

D: "Veel … scholen, concentratiescholen dat zijn… om te overleven, hebben die
zovele groeperingen nodig. Ik noem dat soms oneerbiedig "parasieten". Dat zijn
allemaal groepjes met aan het hoofd, sorry dat ik het zeg, een universitair of twee
universitairen, die… zichzelf nuttig … Die wel goede ideeën hebben en die zich
dus … nuttig willen maken. En wat doen die allemaal, die zeggen allemaal 'ja,
wij zitten met een probleem, … wij gaan de beginsituatie moeten vragen' en waar
ligt die beginsituatie? Ah, de school? 'Maak eens een beginsituatie, school'. Dus,
die school doet dat. Waarom? Die denkt, ik krijg eindelijk hulp van iemand, maar
die groepen zijn zo talrijk aan het worden…"
I: "Ja."
D: "… en zo ongecoördineerd, wat die dat allemaal doen."
I: "Ja."
D: "Wat dus een enorme, nog is ballast is op een school, die al belast is"
(Interview 4)

D: "Hier hetzelfde … de mensen staan in het begin zowat met vraagtekens 'god,
wat begin ik ermee?' en alleman probeert op zichzelf zo een beetje… daaraan te
werken. Misschien moeten wij nu ook moeite doen, dat er ergens kanalen zijn,
omdat te horen, dat zeg ik niet. … Ik heb nog wel niet met die gratis … (?) naar
een klasgroep gericht, dat is …(?)" (Interview 12)
3) De duur van de opvang in de onthaalklassen
De evaluatie van het ATN-programma door de lagere schooldirecties mag dan bijna
altijd positief zijn, er is één element waar bijna algemeen ontevredenheid over heerst:
de toegestane duur van de opvang van ATN's in de onthaalklassen. Eén directeur
stelde het zo: de onthaalklassen voor ATN's zijn afgestemd op de opvang van "Hong
Kong-chinezen". Dit wil zeggen dat de overheid er in de voorzieningen voor ATN's
teveel vanuit gaat dat de kinderen die toekomen in de Vlaamse klassen, afkomstig zijn
uit een Westerse cultuur, reeds school hebben gevolgd vanaf de leeftijd van ongeveer
zes jaar en een taal en schrift beheersen die weliswaar niet hetzelfde zijn als het
Nederlands, maar er in elk geval sterk bij aanleunt. Dit beeld sluit echter zelden aan
bij de realiteit. Kinderen die één jaar hebben doorgebracht in de ATN-klas zijn bijna
nooit in staat om vanaf dan de lessen in de reguliere klas zonder bijkomende
ondersteuning te kunnen volgen. Het onthaalonderwijs voor ATN's zou dus moeten
kunnen uitgebreid worden tot een tweede jaar, indien een kind na één jaar nog
onvoldoende kennis van het Nederlands heeft. Nu bestaat die mogelijkheid reeds,
maar het wordt slechts uitzonderlijk toegelaten en er moet door de scholen wederom
extra inspanningen voor geleverd worden. Er is dus nood aan een flexibelere regeling
om het verblijf in de ATN-klas te kunnen verlengen.

Tenslotte zijn een aantal scholen van mening dat men te weinig vrijheid heeft om de
extra middelen die verkregen worden voor de opvang van ATN's, allochtone
kansarme kinderen en Belgische kansarme kinderen, in te zetten. De overheid heeft te
streng vastgelegd voor welke doeleinden deze middelen moeten ingezet worden, in
plaats van de scholen zelf te laten bepalen waar ze de meeste nood aan hebben.

I: "Oké. U hebt al gezegd, die programma's voor anderstaligen, die
onthaalklassen … dat die juffrouw daar wel heel goed is om effectief wel die
achterstand…"
D: "Alles staat of valt met de leerkracht ATN's."
I: "Maar de problemen…?"
D: "Als je daar een leerkrachtje in hebt, … van ik zal nu maar zeggen, die
eigenlijk die uurtjes neemt, omdat ze anders geen werk heeft…"
I: "Ja."
D: "Maar die daar helemaal geen interesse voor heeft, dan heb je dat beter in uw
school niet. Dat is mijn gedacht daarvan."
I: "Maar nu is dat zeer effectief?"
D: "Nu is dat heel effectief moet ik zeggen" (Interview 5)

D: "Als er problemen zijn naar de school toe, dan zijn dat eigenlijk vooral
taalproblemen.  Het feit dat die kinderen geen andere taal spreken, dat we die
uiteindelijk moeten opvangen. Zolang dat die in de onthaalklas terechtkunnen
komen, krijgen die eigenlijk een opvang, kunnen die eigenlijk Nederlands leren,
maar van het moment dat die eigenlijk al een jaar Nederlandstalig onderwijs
gehad hebben, kunnen ze daar niet meer in terecht en hebben we toch al gemerkt
dat dat Nederlands nog niet voldoende is om in een gewoon klasgroep … te
functioneren. Nu dat geldt eigenlijk in het algemeen voor alle allochtone
kinderen…" (Interview 13)

D: "Ja, maar dat gaat niet, dat is maar één jaar, want ik moet anders ATN's
hebben, want dan worden het doelgroepleerlingen, maar van de
doelgroepleerlingen mag de mama maar tot 18 jaar naar school geweest zijn of
niet tot 18 jaar naar school geweest zijn, de grootmoeder moet een andere taal
hebben dus, maar voor dan zijn het uren … onderwijsvoorrang…"
I: "Onderwijsvoorrang…"
D: "Hè, maar dan moet ge aan minstens 10% geraken, geloof ik, want ik moet
hier nu naar mijn … (?) omkijken, omdat ik dat niet, omdat ik dat niet heb, hè."
I: "Ja, ja."
D: "En ik kom niet aan 10%."
I: "En vindt u dat jaartje genoeg of zou u graag hebben van…toch beter twee?"
D: "Ja, dat zou … toch zeker twee jaar" (Interview 6)

De problematiek van de opvang van kinderen van illegale verblijvers in het
onderwijs wordt door de overheid sterk onderschat. Men gaat er van uit dat al
deze illegale verblijvers "Hong Kong-Chinezen" zijn. Dit wil zeggen dat ze wel
een andere taal en cultuur hebben, maar dat ze toch uit een Westers milieu
afkomstig zijn, goed geschoold zijn, een andere Germaanse taal (het Engels)
reeds als tweede taal kennen en ook rijk genoeg zijn om hier in alles te voorzien.
Zulke mensen zijn inderdaad vrij gemakkelijk te integreren, maar dit beeld is veel
te eenzijdig. De voorstellen en visies van de overheid zijn dan ook nog steeds op
dit beeld geënt (Interview 9, dit deel van het gesprek werd uitgetikt op basis van
de nota's omwille van de slechte kwaliteit van de cassetteopname)
Buiten de steun voor de ATN's, komen de illegale verblijvers ook in aanmerking
voor de gewone onderwijssubsidies als ze regelmatig naar school komen. Het
probleem bij de steun voor ATN's is dat deze slechts beschikbaar is voor één jaar
(Interview 9, dit deel van het gesprek werd uitgetikt op basis van de nota's
omwille van de slechte kwaliteit van de cassetteopname)
Men krijgt als school dus wel een behoorlijk bedrag voor extra leermiddelen voor
de ATN's, maar er is te weinig specifiek materiaal ter beschikking. Ook is er geen
volledige duidelijkheid over waarvoor deze middelen mogen worden ingezet,
kunnen ze bijvoorbeeld ook gebruikt worden om een uitstap te maken om de
omgeving te verkennen? (Interview 9, dit deel van het gesprek werd uitgetikt op
basis van de nota's omwille van de slechte kwaliteit van de cassetteopname)

§5: Invloedrijke factoren in het onderwijs voor kinderen van illegale verblijvers

 Nadat in de vier voorafgaande paragrafen de onderzoekgegevens werden voorgesteld,
worden in deze paragraaf deze gegevens in verband gebracht met de meer theoretische
beschouwing uit hoofdstuk drie. Deze paragraaf heeft dan ook de bedoeling om na te gaan in
hoeverre de theoretische voorstelling uit het derde hoofdstuk overeenkomt met de praktijk.
Sommige elementen uit hoofdstuk drie, zoals bijvoorbeeld de financiële moeilijkheden van
illegale verblijvers voor het bekostigen van het onderwijs voor hun kinderen, zijn al volledig
besproken. Andere elementen zijn echter niet zo duidelijk terug te vinden, omdat ze onder
andere te verspreid staan. Er wordt dan ook hoofdzakelijk aandacht besteed aan de
organisatiekenmerken van de scholen, de strategieën van de leerkrachten, de discretionaire
ruimte en het verborgen curriculum, aangezien deze elementen in de vorige paragrafen nog
niet werden aangehaald.
5.1 De organisatiekenmerken in het onderwijs en de strategieën van de scholen
1) De relevante organisatiekenmerken van scholen
De scholen kampen ten eerste vaak met het probleem van overvraging. Deze
overvraging is zowel kwantitatief als kwalitatief van aard. De scholen krijgen vaak
meer aanvragen van illegale verblijvers om hun kinderen op te vangen dan ze
aankunnen. Een aantal scholen, met name diegene die een kansarme schoolbevolking
opvangen, hebben daarenboven een tekort aan werkingsmiddelen om de kinderen alle
kansen voor hun ontwikkeling te bieden. Daarnaast zijn er ook illegale verblijvers, die
zich tot het onderwijzend personeel  richten voor allerhande niet-schoolse problemen,
die eigenlijk ook niet tot het "takenpakket" van de school behoren.

Bovendien worden de scholen eens ze beginnen met de opvang van kinderen van
illegale verblijvers vaak aangesproken door andere illegale verblijvers of door de
mensen van het "Centraal Meldpunt voor ATN's" met de vraag om nog andere
anderstalige kinderen op te vangen. Het is ook zo dat illegaal verblijvende ouders, die
ondervinden dat de school hen eenmaal heeft kunnen helpen in een bepaalde situatie,
de volgende keer waarschijnlijk opnieuw naar de school zullen stappen voor hulp. De
vraag naar de diensten van de school neemt dus na verloop van tijd veelal toe.

De scholen dienen ook een aantal afwegingen te maken in de doelstellingen
betreffende de opvang van kinderen van illegale verblijvers. Ze moeten een keuze
maken tussen het opvangen van een beperkt aantal kinderen van illegale verblijvers,
die gemakkelijk in de klas kunnen geïntegreerd worden en intensief kunnen begeleid
worden of het opvangen van zoveel mogelijk kinderen om deze allemaal de
mogelijkheid te geven om onderwijs te kunnen volgen. Er zijn natuurlijk nog andere
factoren die hier een rol spelen, zoals het feit dat vele scholen in principe geen
kinderen mogen weigeren (cf. voetnoot 17). Ook is de mogelijkheid om anderstalige
kinderen in een klas op te nemen sowieso begrensd: het moet nog mogelijk zijn voor
de leerkracht om les te geven. Een andere afweging die de scholen maken is deze
tussen hun onderwijsgerichte taken en hulpverlenende activiteiten voor illegale
verblijvers. De meeste scholen proberen in de mate van het mogelijke de illegale
verblijvers die met een vraag voor hulp naar de school stappen verder te helpen, maar
op een bepaald moment dient deze hulp toch beperkt te worden.

Op het vlak van de prestatiemeting heerst er ook steeds meer onduidelijkheid. De
meeste ouders zijn nog steeds van oordeel dat "concentratiescholen" een minder hoge
kwaliteit leveren dan "witte scholen" in termen van slaagpercentages en doorstroming
naar het ASO in het secundair onderwijs. De scholen die anderstalige kinderen
opnemen hebben een andere visie. Zij hebben meer aandacht voor het feit dat de
kinderen evolueren, taal opnemen en vorderingen maken. Het zijn niet zozeer de
periodieke evaluaties die belangrijk zijn, maar het (gehele) proces dat het kind
doormaakt. Deze scholen zijn ervan overtuigd dat de anderstalige, maar ook de
kansarme kinderen een andere aanpak behoeven, maar deze omschakeling qua
lesgeven en evalueren is nog niet gemaakt in de lerarenopleiding. Er bestaan dus
momenteel verschillende visies qua kwaliteits- en dus ook prestatiemeting naast
elkaar.

Een laatste kenmerk is dat de scholen te maken krijgen met een niet-vrijwillig publiek,
zowel van de kant van de kinderen als van de ouders. De kinderen hebben niet veel
inspraak in het al dan niet naar school komen, ook als ze totaal gedemotiveerd zijn
omwille van hun "uitzichtloze" situatie of omwille van de leerachterstand die ze
hebben ten aanzien van de andere kinderen. Maar ook de illegaal verblijvende ouders
hebben vaak niet veel mogelijkheden in de keuze van een school voor hun kinderen.
Ten eerste zijn de illegale verblijvers meestal niet zo mobiel, zodat ze zich in hun
keuze beperkt zien tot de scholen die in de buurt gelegen zijn. Ten tweede zijn er nog
steeds scholen die geen kinderen van illegale verblijvers opvangen (cf. supra: hfst 2,
§2), maar er zijn ook scholen die reeds een groot aantal kinderen van illegale
verblijvers opvangen en nieuw toegekomenen dan ook trachten door te sturen.
Hierdoor worden de keuzemogelijkheden van de ouders nog verder beperkt. Ook als
hulpverlenende instantie is de school één van de enige mogelijkheden die ook
openstaat voor illegale verblijvers.
2)De strategieën van de scholen
De scholen zullen gebruik maken van verschillende methoden om de vraag naar
onderwijs door illegaal verblijvende ouders te beperken. De meeste scholen mogen
geen kinderen van illegale verblijvers als gevolg van het non-discriminatiepact (cf.
voetnoot 17). De besproken strategieën zullen dus aangewend worden om op
impliciete wijze kinderen van illegale verblijvers te weigeren of indien dit niet
mogelijk is, om het aantal ATN's te beperken.

Een aantal scholen, deze gelegen in de buitenwijken van Antwerpen, leggen door hun
ligging, onvrijwillig reeds vrij hoge kosten op aan de illegale verblijvers. Als men er
vanuit gaat dat het overgrote deel van de illegale verblijvers verblijven in de armere
buurten van Antwerpen-stad, dan is het begrijpelijk dat de ouders hun kinderen niet de
ganse afstand kunnen laten afleggen tot aan een school in een deelgemeente.
Andere scholen leggen meer financiële kosten op aan de illegaal verblijvende ouders.
De ouders kunnen het zelden opbrengen om uniformen, dure uitstappen of bos- en
zeeklassen te betalen, … Alhoewel de geïnterviewde scholen allemaal stellen dat zij
pogingen doen om de kosten voor de illegale verblijvers zo laag mogelijk te houden,
zullen er toch verschillen blijven bestaan. Voor de scholen die geen kinderen van
illegale verblijvers op te vangen, zal dit een veelgebruikte methode zijn om te
voorkomen dat zulke kinderen bij hen ingeschreven worden.

Op het vlak van de dienstverlening naar de illegaal verblijvende ouders toe, zal de
mate waarin de ouders op de school als contactambtenaar beroep doen mee bepaald
worden door de drempel die de school creëert. Een aantal scholen zal deze drempel zo
laag mogelijk proberen te houden door tolken of interculturele medewerkers in te
schakelen, door contactmomenten te organiseren, door de ATN-leerkracht bij de
communicatie met de ouders te betrekken, …

Een tweede vorm van rantsoenering, ongelijkheid in de behandeling scheppen,  komt
ook af en toe voor. Een veel gebruikte methode is bijvoorbeeld om kinderen door te
sturen, indien de directie van mening is dat het aantal anderstalige kinderen dat de
school kan opvangen reeds overschreden is. De kinderen van illegale verblijvers eisen
immers meer aandacht van de leerkracht (taal) en de directie op dan Belgische
kinderen. Ook vermelden sommige directieleden dat ze liever bepaalde nationaliteiten
inschrijven, omdat ze daar in het algemeen goede ervaringen mee hebben. Toch is dit
zelden een criterium om kinderen van illegale verblijvers te weigeren.

Een derde strategie, die men tegenkomt, wordt voornamelijk gebruikt door de
leerkrachten. Ze kunnen hun job zo herdefiniëren dat ze zichzelf als niet opgeleid of
niet bekwaam beschouwen om naast Nederlandstalige kinderen ook anderstalige
kinderen met daarenboven een bepaalde schoolachterstand op te vangen in hun klas.
Deze reactie komt vaak voor bij een eerste confrontatie met kinderen van illegale
verblijvers, maar als er teveel anderstalige kinderen in één klas terechtkomen kunnen
de leerkrachten ook van dit argument gebruik maken om hun ontevredenheid te uiten.

Een strategie, die men kan herkennen in het argument van een school uit het bijzonder
onderwijs, namelijk dat men in het bijzonder onderwijs niet in staat is om kinderen
van illegale verblijvers op te vangen, omdat men voor elk kind een aanwendingsplan
moet opstellen, is de strategie van het op private basis aanpassen van de reikwijdte
van zijn gezag.

Een vorm van mentale verkleining van de cliëntengroep doet zich soms ook voor. Een
aantal scholen zijn enkel bereid om de kinderen van illegale verblijvers op te vangen,
die in dezelfde buurt wonen als waar de school gelegen is. Ze weigeren bijvoorbeeld
kinderen die een grotere afstand af moeten leggen op basis van het argument dat deze
kinderen een school in de eigen buurt kunnen vinden. Dit is echter niet altijd het geval:
er zijn immers nog altijd scholen die geen kinderen van illegale verblijvers willen
opvangen en daarnaast zijn er ook scholen die er nog moeilijk nieuwe anderstalige
kinderen kunnen bijnemen.

Een vijfde strategie die door de leerkrachten en de directies wel eens gebruikt wordt is
het onderverdelen van de groep illegale verblijvers op basis van de vooruitgang die
men maakt. Niet alleen de kinderen worden geëvalueerd op de vooruitgang van hun
taalkennis en op de integratie in de schoolgemeenschap, ook de ouders worden
geëvalueerd. Zo zal men een positievere houding aannemen ten aanzien van de ouders
die Nederlands spreken, hun kinderen helpen bij het schoolwerk en van kinderen die
niet alleen met hun land- of streekgenoten blijven omgaan. De mate van integratie kan
een belangrijk element zijn in de hulp die illegaal verblijvende ouders en kinderen
krijgen van het onderwijzend personeel.

Tenslotte komt het af en toe ook voor dat de directies de kinderen of de ouders zelf
verantwoordelijk stellen voor de geringe vorderingen met de taal. Men beschouwt het
kind bijvoorbeeld als niet zo intelligent, niet taalgevoelig of men gaat er vanuit dat het
kind niet genoeg Nederlands spreekt en schrijft. De ouders krijgen soms het verwijt
van slechte wil te zijn, als ze om één of andere reden geen taalcursussen volgen.

3) De discretionaire ruimte in de voorzieningen voor de opvang van kinderen van
illegale verblijvers
Enerzijds is het onthaalonderwijs voor ATN's aan te strenge voorwaarden
onderworpen om ten volle effectief te kunnen zijn.  De scholen mogen het onderwijs
voor ATN's niet aanpassen aan de omstandigheden. Vooral de beperking van de duur
van het onthaalonderwijs voor ATN's tot één jaar, maar ook de strikte regels met
betrekking tot het inzetten van de middelen, worden als te streng ervaren.

Een ander facet van de regelgeving waar een teveel aan regels de efficiënte uitvoering
van programma's bemoeilijkt, is in de aanvraag voor middelen in het kader van het
onderwijsvoorrangsbeleid voor migranten, de zorgverbreding, het onthaalonderwijs
voor ATN's en andere voorzieningen vanuit sociale en welzijnsorganisaties. Zo is
bijvoorbeeld de voorwaarde voor het verkrijgen van lesuren onderwijsvoorrangsbeleid
en zorgverbreding dat er een ouderwerking wordt opgebouwd, voor sommige scholen
onrealistisch. Deze scholen omzeilen deze voorwaarde dan ook zoveel mogelijk. Deze
faciliteiten zijn bovendien onvoldoende gecoördineerd. De gevolgen daarvan zijn dat
de scholen een heleboel overbodig werk moeten verrichten voor de aanvraag van en de
controle op de toegewezen middelen. Bovendien moeten de scholen aan bepaalde
onrealistische eisen voldoen alvorens ze de middelen verkrijgen. Ze moeten
bijvoorbeeld steeds op voorhand een aanwendingsplan opstellen, dat ze moeten
opstellen op basis van hun beeld van de toekomstige populatie en toekomstige noden
van de schoolpopulatie. Op al deze vlakken zou een versoepeling en vereenvoudiging
van de regelgeving wenselijk zijn.

Anderzijds is er in het beleid een te grote discretionaire ruimte voor het aannemen en
weigeren van kinderen van illegale verblijvers. De overheid steunt hiervoor op de non-
discriminatiecode, die echter niet alle wantoestanden uitsluit. Een aantal van de
scholen die reeds kinderen van illegale verblijvers opnemen, wensen dan ook de
verplichting om in elke school een beperkt aantal kinderen van illegale verblijvers op
te vangen.

Daarenboven moet ook het bijzonder onderwijs verplicht worden om kinderen van
illegale verblijvers op te vangen, als ze daadwerkelijk niet (meer) kunnen opgevangen
worden in het gewone basisonderwijs. Blijkbaar zijn er immers een aantal scholen in
het bijzonder onderwijs, die zich verschuilen achter het argument dat in het bijzonder
onderwijs met een aanwendingsplan voor elk kind wordt gewerkt om te voorkomen
dat ze kinderen van illegale verblijvers moeten opvangen. Ook in dit geval zou de
situatie moeten uitgeklaard worden via een duidelijkere wetgeving.

Een tweede aspect waar de overheid de regelgeving dient te verstrengen en aan te
passen heeft betrekking op de definiëring van doelgroepleerlingen in de verschillende
voorzieningen die open staan voor anderstalige kinderen en kinderen met een
leerachterstand, waaronder illegale verblijvers. In de definitie zitten een aantal niet
volledig objectieve criteria, zoals de leeftijd tot dewelke de moeder naar school is
geweest. Scholen kunnen dit criterium gebruiken om middelen te bekomen waar ze
eigenlijk geen recht op hebben en die andere scholen misschien meer nodig hebben.

Op bepaalde vlakken zou een aanvulling op de reeds bestaande regels in verband met
de opvang van kinderen van illegale verblijvers en de spreiding van
doelgroepleerlingen dus aangewezen zijn. Anders zullen de doelstellingen hier niet
bereikt worden, aangezien sommige scholen de afspraken proberen te ontwijken. In
het geval van de voorzieningen (en de extra middelen) voor de opvang van kinderen
van illegale verblijvers dient de regelgeving daarentegen soepeler te worden om de
scholen de kans te geven aan de noden van elk kind tegemoet te komen.
5.2 Invloedrijke cliëntkenmerken in de hulpverlening aan illegale verblijvers

Twee kenmerken van de cliënt blijken weinig invloed te hebben op de hulpverlening
van de scholen aan illegale verblijvers: de urgentie en de sociale waarde. De rol van de
sociale waarde kwam nauwelijks aan bod aangezien het onderzoek enkel gericht was
op de groep van de illegale verblijvers. Deze groep heeft slechts een lage sociale
waarde, maar er zal slechts weinig variatie zijn binnen de groep. Wel moet opgemerkt
worden dat de scholen, maar vooral de Belgische ouders in de meeste gevallen vrij
positief staan ten opzichte van de Kosovaarse oorlogsvluchtelingen , alhoewel het
zeker niet de enige groep van illegale verblijvers is, die kan rekenen op steun van de
ouders. Een groep illegale verblijvers waar de ouders en de buurtgemeenschap soms
meer afwijzend tegenover staan zijn de Rom-zigeuners.

Ook urgentie als cliëntkenmerk speelt nauwelijks een rol in de dienstverlening door
het onderwijs. Het komt wel naar boven in niet-schoolse hulpverlening. Als de illegale
verblijvers kampen met acute financiële problemen en ze niet meer in hun
levensonderhoud kunnen voorzien, dan blijkt de urgentie van het probleem wel een rol
te spelen. In de meest schrijnende gevallen doen de scholen extra inspanningen om de
illegale verblijvers te helpen door ze bijvoorbeeld naar bepaalde
liefdadigheidsinstellingen door te sturen. Dit komt ongeveer overeen met de
vaststelling van Engbersen dat de contactambtenaren het meest geneigd zijn om in te
grijpen als de situaties dringend zijn, maar nog niet hopeloos.

De andere cliëntkenmerken, houding en gedrag, hebben een grotere invloed op de
ingesteldheid van het onderwijzend personeel ten aanzien van de illegale verblijvers.
Het is hoofdzakelijk de wil tot integreren en tot het leren van de taal die een
belangrijke rol speelt. Directies zijn meestal meer geneigd om tegemoet te komen aan
de hulpvragen van en meer inspanningen te leveren voor ouders die bijvoorbeeld
proberen Nederlands te spreken. Ook van de kinderen wordt verwacht dat ze zoveel
mogelijk proberen om thuis en op de speelplaats de taal te oefenen. Bovendien wordt
het ook geapprecieerd als de ouders inspanningen doen om in de mate van het
mogelijke de schoolkosten trachten te betalen, zorg dragen voor materiaal dat ter
beschikking wordt gesteld, hun kinderen op tijd naar school brengen, … In de
beginperiode wordt afwijkend gedrag vaak nog getolereerd, maar als na verloop van
tijd de illegale verblijvers zich niet aanpassen, zullen de scholen ook minder
toeschietelijk reageren.

Een laatste element komt ook naar voren als een invloedrijke factor, alhoewel de
scholen slechts één bepaalde houding van de kant van de illegale verblijvers als
storend vermelden. De houding die het meeste wrevel opwekt bij de scholen is een
agressieve houding vanwege sommige illegale verblijvers. De directies zullen ouders
die eisen dat hun kinderen op de school ingeschreven worden, die eisen dat hun
kinderen samen in de klas zitten of die willen dat de schoolregels aan hun situatie
worden aangepast, meestal afwijzen. Zulk gedrag wordt niet geapprecieerd en
getolereerd. Ook als een school weet heeft van de negatieve reputatie van een illegaal
verblijvend gezin, zullen ze niet zo geneigd zijn om deze kinderen aan te nemen. Ook
agressief gedrag van de kinderen, bijvoorbeeld tegen andere kinderen op de
speelplaats, zal een invloed hebben op de bereidwilligheid van de scholen om te
helpen.
5.3 Het verborgen curriculum als storende factor in de integratie van illegale verblijvers

Het verborgen curriculum blijkt vooral een rol te spelen in de verwachtingen van de
ouders ten aanzien van de school. De cultuurverschillen geven ook aanleiding tot
andere verwachtingen van de ouders ten aanzien van de school. De Arabische cultuur
gaat er bijvoorbeeld van uit dat de opvoeding bij de school ligt en kent dus geen
gedeelde verantwoordelijkheid qua opvoeding tussen de ouders en de school. Het
probleem wordt nog groter als de ouders ongeschoold zijn. De illegaal verblijvende
ouders hebben dan helemaal geen inzicht in de werking van een schoolsysteem en
zullen dus ook de verwachtingen van de school ten opzichte van hen en de kinderen
niet kennen. Zij zullen niet begrijpen wat van hen verwacht wordt en zullen dan ook
niet inspelen op deze verwachtingen. Dit kan dan leiden tot misverstanden tussen het
personeel en de ouders.

Ook de kinderen kunnen de nadelen ondervinden van gesocialiseerd te zijn in een
andere cultuur. Vooral het schrift, de uitspraak en de schrijf- of leesrichting blijken
nogal eens problemen op te leveren. Er zijn kinderen die afkomstig zijn uit landen
waar nog lijfstraffen worden gebruikt, of die nooit in gemengde klassen hebben
gezeten. De kinderen zullen dus moeten wennen aan het nieuwe onderwijssysteem.
Het probleem bij de kinderen is net als bij de volwassenen het grootst als ze voorheen
nooit naar school zijn geweest. Sommige kinderen, die op oudere leeftijd toekomen,
hebben nog nooit op een schoolbank gezeten en hebben geen besef van wat school is.
De kinderen zullen dus eerst moeten begrijpen wat de leerkrachten en de andere
kinderen juist van hen verwachten.
§6: Besluit

 In dit hoofdstuk werden de problemen die uit de interviews naar boven kwamen, op
uitvoerige wijze voorgesteld en besproken aan de hand van de context van de problemen,
zoals voorgesteld in hoofdstuk drie. In de laatste paragraaf werd voor een aantal elementen
het verband gelegd tussen de theorie uit hoofdstuk drie en de onderzoeksgegevens die werden
voorgesteld. Er wordt hier bij wijze van besluit een overzicht gegeven van de belangrijkste
resultaten van het onderzoek:

? De situatie van illegaal verblijf brengt onzekerheid met zich mee, zowel voor de ouders,
de kinderen als de scholen. De ouders wantrouwen soms (meestal in de beginperiode) de
schooldirecties wat hen ertoe aanzet om hen verkeerde of onvolledige informatie door te
geven. De kinderen kunnen ontmoedigd worden door hun situatie van illegaal verblijf en
het dus opgeven om nog verder school te lopen, al is dit zeker niet altijd het geval. De
scholen worden vaak geconfronteerd met situaties van uitbuiting of met hulpvragen voor
medische verzorging, winterkleren, … van de illegaal verblijvende ouders. Eén van de
enige mogelijkheden voor de ouders is zich tot het schoolpersoneel te wenden, aangezien
andere contactpunten vaak niet openstaan voor hen.

? Het is opvallend dat scholen, die bereid zijn om zeer ver te gaan in hun (niet-schoolse)
hulpverlenende functie ten aanzien van de illegale verblijvers, vaak een vrij grote groep
kinderen van illegale verblijvers (en allochtonen in het algemeen) opvangen of reeds een
lange traditie hebben in de opvang van deze kinderen.

? Een zeer groot probleem in de opvang van kinderen van illegale verblijvers is dat vele
illegaal verblijvende ouders over onvoldoende financiële middelen beschikken om hun
kinderen naar school te sturen. Scholen proberen zoveel mogelijk de kosten van het
onderwijs voor kinderen van illegale verblijvers zelf te dragen, alhoewel er (grote)
verschillen bestaan tussen de scholen onderling in de mate waarin ze bereid zijn om bij te
dragen. Ook doen de scholen veelal een beroep op allerhande verenigingen (bvb.
geloofsgemeenschap, kledinghulp), op sociale voorzieningen (bvb. Sociaal Fonds) of op
gastgezinnen, die dan een deel van de kosten dragen of in bepaalde behoeften voorzien.

? Het is dan ook evident dat een kind van een illegale verblijver meestal niet over hetzelfde
schoolmateriaal als een Belgisch kind kan beschikken en dat het thuis dikwijls geen
rustige studieruimte heeft.  Daarom richten vele scholen huistaakklassen in. Hier krijgen
de kinderen van illegale verblijvers ook extra begeleiding om hun initiële achterstand bij
te werken.

? De financiële moeilijkheden van een grote groep van illegale verblijvers brengen ook met
zich mee dat de scholen worden ingeschakeld voor het zoeken van een oplossing voor de
(terug)betaling van medische kosten.

? Een gevolg van de beperkte financiële mogelijkheden van de illegale verblijvers, is dat ze
vaak in kansarme wijken wonen. Doordat de illegale verblijvers bovendien niet erg
mobiel zijn, zijn de scholen waar ze hun kinderen naar toe sturen, scholen die in het
algemeen een kansarme bevolking opvangen. Dit betekent dat deze scholen niet dezelfde
inspanningen kunnen leveren als scholen die een "rijker" publiek opvangen. Het komt er
dus op neer dat de kinderen van illegale verblijvers niet dezelfde kansen kunnen geboden
worden. Bovendien verhuizen illegale verblijvers regelmatig, waarbij de kinderen meestal
ook van school veranderen. Dit veelvuldig veranderen vergroot soms de schoolse
achterstand die de kinderen van de illegale verblijvers bijna altijd kennen.

? De taal vormt één van de grootste struikelblokken in het onderwijs voor kinderen van
illegale verblijvers. De meeste scholen kunnen wel gebruik maken van de voorzieningen
voor onder andere ATN's. De taal is vooral een probleem bij kinderen die hier pas op
oudere leeftijd aan de school beginnen. Voor de kinderen van de illegale verblijvers is het
hierdoor in de beginperiode bijna onmogelijk om de lessen in  reguliere klas te volgen. De
scholen proberen de kinderen toch zoveel mogelijk zinvolle activiteiten aan te bieden
door onder andere gebruik te maken van de computer of klasdoorbrekende werkvormen.

? Ook in de communicatie met de ouders is de taal een belangrijke hindernis. De scholen
maken gebruik van een hele reeks hulpmiddelen, zoals zakwoordenboeken,
pictogrammen, het inschakelen van tussenpersonen of tolken, … om te kunnen
communiceren met de ouders. Elk van de oplossingen heeft echter ook een aantal nadelen.

? Voor de scholen is het zeer moeilijk om het studieniveau van de kinderen van illegale
verblijvers te bepalen wanneer ze nog geen school gevolgd hebben in België. Immers, het
de leerstof kan in het land van herkomst  sterk verschillen van de leerstof in België.
Bovendien wordt de leerstof niet altijd in dezelfde volgorde aangeboden. Het komt zelfs
regelmatig voor dat een kind van oudere leeftijd voordien nog geen onderwijs gevolgd
heeft. Omwille van de taalbarrière kan er moeilijk gecommuniceerd worden en zelfs niet-
talige testen blijken dikwijls te cultuurgebonden om een juist beeld te geven van het
niveau van de leerling.

? Als het niveau van de leerling bepaald is, zullen de meeste scholen beslissen om de
leerling een jaar lager te plaatsen. Dit wordt gedaan met de bedoeling de leerling de kans
te geven zich een jaar te concentreren op de taal. Een groter probleem vormen de
leerlingen die op oudere leeftijd toekomen en nog nooit school hebben gelopen. Eigenlijk
zouden deze leerlingen in het eerste leerjaar moeten geplaatst worden om te leren lezen,
schrijven en rekenen, maar dit is omwille van hun leeftijd en gestalte niet altijd mogelijk.

? De scholen ervaren het als een probleem als ze een groep ATN's moeten opvangen die
onder mekaar dezelfde taal spreken, aangezien hun kennis van het Nederlands dan niet of
nauwelijks vooruit zal gaan.

? Ook de reactie van de ouders op de komst van kinderen van illegale verblijvers en ATN's
in het algemeen is niet altijd positief. De ouders zullen vooral negatief reageren wanneer
er verschillende nieuwe anderstalige kinderen tegelijkertijd (of in een korte periode)
toekomen of als de groep te groot wordt om de lessen in de reguliere klas nog vlot te laten
verlopen. De groep ATN's wordt in Antwerpen en aantal deelgemeenten echter steeds
groter, aangezien veel asielcentra in de buurt van Antwerpen zijn gevestigd en de
spreiding van de asielzoekers beperkt blijft tot een financiële spreiding. Dit doet vanuit de
scholen de vraag rijzen naar een verplichte opvang van een beperkt aantal ATN's voor
elke school in Antwerpen en deelgemeenten.

? De integratie van de kinderen in de schoolgemeenschap wordt in de eerste plaats bereikt
via niet-talige klasactiviteiten, bvb. wiskunde, tekenen, muziek, … maar ook door het
gebruik van het Nederlands buiten de klas te stimuleren. Dit kan onder andere door het
contact tussen de ATN's en de Belgische kinderen aan te moedigen, door de ouders thuis
extra oefeningen met de kinderen te laten maken of door kinderen Nederlandstalige
boeken te laten lezen of TV te laten kijken.

? De kinderen van illegale verblijvers moeten niet alleen een nieuwe taal leren. Voor
sommigen kent het Nederlands bovendien een ander schrift of een andere leesrichting. In
vele gevallen moeten ze zich ook aanpassen aan een nieuw schoolsysteem en de
onderwerpen die ze in hun thuisland aangeboden krijgen, komen ook niet altijd overeen
met het lasaanbod in ons land.

? De illegaal verblijvende ouders ondervinden vaak meer aanpassingsmoeilijkheden dan
hun kinderen en hebben het ook vaak moeilijker met het leren van de taal. Als hun
kinderen het Nederlands beginnen te beheersen, zullen de ouders hun kinderen vaak
inschakelen om te vertalen, waardoor ze soms van school wegblijven. Ook is het voor de
ouders onmogelijk om hun kinderen bij hun studie te begeleiden of met de leerkrachten te
overleggen bij studieproblemen als ze de taal niet kennen.

? Op de ouders hebben cultuurverschillen vaak een grotere invloed. Ze zijn opgegroeid in
een andere cultuur en daardoor hebben ze andere verwachtingen ten aanzien van de
school. De scholen proberen daar zoveel mogelijk begrip voor op te brengen, maar
kunnen onmogelijk aan alle verwachtingen van de ouders voldoen.

? De scholen die op dit moment kinderen van illegale verblijvers opvangen, zijn allemaal
bekend met het feit dat het recht op onderwijs ook geldt voor kinderen van illegale
verblijvers. Wel maakte één school melding van de weigering door een school van het
bijzonder onderwijs, om een kind van een illegale verblijver in te schrijven. Ook hebben
de scholen nu nog nauwelijks problemen met het bekomen van de subsidies voor de
illegaal verblijvende leerlingen en weten ze ook dat voor hen diploma's mogen uitgereikt
worden.

? De scholen hebben het soms wel moeilijk met zicht te krijgen op het geheel van
voorzieningen dat bestaat om de illegale verblijvers op te vangen, zowel op het vlak van
het onderwijs, als op het vlak van de hulpverlening voor dringendere behoeften (bvb.
winterkledij, gezondheidszorg, voedsel, …)

? Bij de inschrijving van kinderen van illegale verblijvers duiken er af en toe problemen op
met gegevens die verkeerd vermeld staan op de papieren van de illegale verblijvers.
Scholen zijn dan verplicht deze gegevens te gebruiken, zelf als ze bijna zeker weten dat ze
verkeerd zijn.

? De opleiding van de leerkrachten bereidt hen niet voor op de opvang van (meerdere)
ATN's, zeker niet in de reguliere klas, waar meer dan alleen taal dient aangeleerd te
worden. Ook vragen de directies dat er een betere begeleiding zou komen voor de
leerkrachten die ATN's in hun klas hebben en dat er meer didactisch materiaal ter
beschikking zou gesteld worden.

? De voorzieningen voor de ATN's en de bijkomende faciliteiten (zoals de zorgverbreding
en het onderwijsvoorrangsbeleid voor migranten) worden door de scholen over het
algemeen als zeer positief ervaren. Toch zullen scholen die in het algemeen een
achtergesteld publiek opvangen, vergeleken met de andere scholen, soms nog een tekort
aan middelen hebben. Ook is de regelgeving met betrekking tot de duur van de opvang in
de ATN-klas en in verband met de verplichting tot het realiseren van een ouderwerking in
ruil voor de middelen in het kader van de zorgverbreding en het
onderwijsvoorrangsbeleid, te streng. Als de scholen vrijer zouden zijn om hun middelen
in te zetten, zou dit misschien tot gunstigere resultaten kunnen leiden. Ook met betrekking
tot de aanwendingsplannen, de inspecties, de criteria om in aanmerking te komen voor de
voorzieningen pleiten de scholen voor meer eenvormigheid en minder administratieve
lasten.

? Om de spreiding van de kinderen van illegale verblijvers te realiseren, zou er
communicatie tussen de scholen moeten zijn. Een structurele communicatie bestaat
(voorlopig) niet, tenzij het via de PMS-centra (tegenwoordig behorend tot het CLB) van
de verschillende netten gebeurt. Wel ziet men dat sommige scholen lokale afspraken
maken om informatie door te geven, om een bepaald aantal ATN's op te vangen, om de
kinderen naar elkaar door te verwijzen, … Het gaat hier echter bijna altijd om geografisch
beperkte gebieden.

? Net zoals in de voorzieningen van de overheid, is in het aanbod van verschillende
welzijnsorganisaties, waar vooral concentratiescholen een beroep op doen om aan een
aantal specifieke behoeften van (kinderen van) illegale verblijvers te voldoen, de
coördinatie en het overzicht zoek. Als scholen op deze organisaties een beroep willen
doen, bvb. voor het inschakelen van interculturele medewerkers, zal dit veel bijkomend
papierwerk met zich meebrengen.

? Het beleid van de overheid inzake de ATN's is onrealistisch in die zin dat het gebaseerd is
op het beeld van de "verwesterde vreemdeling" die nauwelijks aanpassings- en
taalproblemen kent.

De problemen die hier werden voorgesteld, kunnen in twee grote groepen opgedeeld worden.
Ten eerste zijn er de problemen die verband houden met de (tot nu toe) onvoldoende
spreiding van de kinderen van illegale verblijvers over de verschillende scholen en de
problemen rond de (soms subtiele) weigering om deze kinderen in te schrijven door sommige
scholen. Dit maakt dat een beperkt aantal scholen een (te) grote groep van kinderen van
illegale verblijvers moet opvangen. Het non-discriminatiepact blijkt in de praktijk geen
afdoende oplossing te bieden voor deze problemen. De beperkte spreiding van de illegale
verblijvers heeft twee grote gevolgen. Ten eerste een financieel gevolg: de scholen waar de
meeste illegale verblijvers terechtkomen vangen al een kansarm publiek op en de illegale
verblijvers zijn meestal ook niet in staat om de schoolrekeningen te betalen. Ten tweede
worden de scholen geconfronteerd met zeer veel hulpvragen die niet strikt verbonden zijn met
het onderwijs en waar de school als  contact- of tussenpersoon moet optreden.

Een tweede groep van problemen houdt verband met de kwaliteit van het onderwijs. Het feit
dat kinderen van illegale verblijvers en hun ouders bijna altijd anderstalig zijn (althans in de
beginperiode) en dat ze uit een andere cultuur en uit een ander schoolsysteem komen,
bemoeilijkt de opvang van de kinderen. De overheid tracht hierop in te spelen door extra
middelen ter beschikking te stellen om bijvoorbeeld onthaalklassen in te richten. Toch lossen
deze extra middelen en voorzieningen niet alle problemen op, integendeel, soms zorgen ze
voor een (administratieve) overbelasting van de scholen en voor bijkomende moeilijkheden.

In het laatste en afsluitende hoofdstuk worden de algemene conclusies uit het onderzoek
voorgesteld. In de eerste paragraaf wordt er echter nog ingegaan op een gegeven dat ook naar
voor kwam uit het onderzoek, maar geen echt probleem vormt: de diversiteit binnen de groep
van de illegale verblijvers. De leefsituatie van de illegale verblijvers bepaalt immers mee
welke kansen een kind van een illegale verblijver krijgt op het vlak van onderwijs.
 
 

Hoofdstuk 5: Conclusies
 

In een eerste paragraaf worden de onderlinge verschillen tussen de illegale verblijvers
benadrukt door de voorstelling van de twee uitersten in de groep van de illegale verblijvers,
die heel verschillende integratiemogelijkheden in deze maatschappij zullen kennen. Dit wordt
gedaan om de verscheidenheid in de groep van de illegale verblijvers te benadrukken en te
voorkomen dat de indruk gewekt wordt dat de onderzoeksresultaten te snel veralgemeend
mogen worden naar alle illegale verblijvers. Ook zal deze bespreking het belang van de
gezinssituatie op de onderwijskansen van de kinderen van illegale verblijvers verduidelijken
en aangeven welke illegale verblijvers meer problemen in het onderwijs kennen en welke
groepen minder moeilijkheden kennen en dus meer slaagkansen hebben.

In de tweede paragraaf wordt het onderzoek samenvattend beschreven en de algemene
conclusies uit het onderzoek weergegeven.
§1: De heterogene groep van de illegale verblijvers

 In deze paragraaf wordt expliciet ingegaan op de soms heel verschillende situatie van
de illegale verblijvers. De beginsituatie zal immers in grote mate mee bepalend zijn voor de
onderwijskansen van de kinderen van de illegale verblijvers.  Omdat de realiteit te complex is
om weer te geven, worden hier twee types geschetst, die naar voor kwamen in het onderzoek
en die de extreme uitersten vormen in de groep van de illegale verblijvers.

Een eerste type, de meest bevoordeelde illegale verblijvers, kan beschreven worden aan de
hand van het beeld van een rijke Joodse diamanthandelaar. Er wordt hier geen uitspraak
gedaan over de hele Joodse geloofsgemeenschap, wel wordt uitgegaan van het beeld van een
gezin, dat de religieuze traditie nog belijdt en tot de religieuze gemeenschap van de Joden
behoort. Alhoewel deze Joodse handelaars hier illegaal verblijven beschikken zij meestal wel
een toeristenvisum dat zij na drie maanden telkens opnieuw laten verlengen. De angst om het
land uitgezet te worden, is bij hen dan waarschijnlijk miniem. Een arbeidsvergunning
daarentegen hebben ook zij niet. Financiële problemen doen zich bij deze groep echter
nauwelijks voor. Ze beschikken niet over een sociaal vangnet, maar de opbrengsten van
diamanthandel zijn ruim voldoende om in het levensonderhoud te voorzien. Deze (Joodse)
diamanthandelaars verhuizen ook wanneer zij op een andere plaats betere vooruitzichten
hebben. De ouders, maar de kinderen, beheersen meestal ook het Engels, zodat de
taalproblemen geminimaliseerd wordt. Bovendien kunnen de Joodse illegale verblijvers in
België en zeker in Antwerpen terugvallen op een hechte Joodse gemeenschap. De Joodse
gemeenschap heeft een gemeenschappelijke taal, het Jiddisch, zodat er in de communicatie
met andere Joden geen taalproblemen zijn. Bovendien kunnen Joden die toekomen in België
steunen op andere Joden die reeds ingeburgerd zijn en hen wegwijs kunnen maken.

Het grootste probleem wordt gevormd door de cultuur. Het Joodse geloof legt aan zijn
volgelingen heel wat regels op die niet overeenstemmen met de leefregels in onze Westerse
cultuur. Ook op het vlak van het onderwijs kunnen er nogal wat verschillen gevonden worden.
De Joodse ouders wensen niet dan hun kinderen in gemengde klassen zitten, en hun kinderen
moeten van hun derde of vierde jaar leren lezen. Deze Joodse ouders willen ook niet dat hun
kinderen les volgen samen met niet-blanke kinderen. Echter, indien de ouders de regels
opgelegd door de school niet kunnen aanvaarden, dan bestaat voor hen de mogelijkheid om
hun kinderen naar een Joodse privé-school te sturen. De Joodse diamanthandelaars kunnen
het zich financieel veroorloven om deze maatregel te nemen.

De Joodse kinderen van illegale verblijvers, die zich in zulke situatie bevinden, zullen weinig
aanpassingsproblemen kennen en de taalproblemen zullen relatief beperkt zijn. De ouders
kunnen ook al de schoolkosten betalen en ze kunnen dus een min of meer vrij een school
kiezen. De onzekerheid die andere illegale verblijvers vaak kennen, wordt door hen veel
minder sterk ervaren. De integratie in de Joodse gemeenschap zal nauwelijks een probleem
vormen en bovendien kan men voor steun en hulp op de Joodse gemeenschap rekenen.

De groep die zich aan het andere uiterste bevindt van de groep van de illegale verblijvers, zijn
de Rom-zigeuners. De Rom-zigeuners bezetten de meest benadeelde positie binnen het geheel
van de illegale verblijvers. Deze illegale verblijvers beschikken meestal over heel beperkte
bestaansmiddelen. Als gevolg hiervan laat de huisvesting en de (winter)kledij te wensen over.
Omwille van een gebrek aan financiële middelen, vestigen de Rom-zigeuners zich dan ook
meestal in armoedige en kansarme buurten. Voor het betalen van de schoolkosten van de
kinderen of van taalcursussen van de ouders zijn er al helemaal geen middelen voor handen.
De ouders hebben daarenboven slechts zelden school gevolgd en kennen meestal geen tweede
taal. Ze kunnen zich dus niet of nauwelijks verstaanbaar maken. Ook de kinderen hebben
meestal nog geen school gelopen. Bovendien kunnen de ouders niet helpen om de
schoolachterstand voor hun kinderen weg te werken, aangezien ze zelf geen Nederlands
spreken en ze zelf nooit school hebben gelopen. Bovendien worden de Rom-zigeuners door
de andere buurt- of wijkbewoners niet zo positief onthaald. Dit heeft onder andere te maken
met de andere opvattingen met betrekking tot hygiëne en properheid die de zigeuners er op en
houden. Deze groep van illegale verblijvers staat heel argwanend ten opzichte van elke vorm
van officieel gezag. Immers, zigeuners zijn slechts in heel weinig landen of streken welkom.
Ze zijn een bevolkingsgroep die vaak verstoten wordt en naar heel arme gebieden wordt
verbannen. Soms worden ze zelf vervolgd. Door hun negatieve ervaringen met officiële
instanties is dit een groep die de contacten met officiële instanties zoveel mogelijk zal
vermijden en een grote onzekerheid met betrekking tot hun verblijf in België kennen. Een
grote groep van de uitgewezen illegale verblijvers zijn immers Rom-zigeuners. Tenslotte zijn
de Rom-zigeuners een groep van illegale verblijvers die veel verhuizen, ook naar het
buitenland. Het steeds opnieuw verhuizen zal een negatieve invloed hebben op de
schoolachterstand van de kinderen. Zij hebben nauwelijks de tijd om de taal aan te leren of te
wennen aan de nieuwe situatie.

De Joodse diamanthandelaars zullen dus in een heel andere situatie verkeren dan de Rom-
zigeuners. In het geval van de Joodse diamanthandelaars wordt het grootste probleem
gevormd door het verschil in cultuur en taal. De Rom-zigeuners daarentegen kennen nog
meer problemen dan enkel de taal- en integratieproblemen. Zij hebben ook financiële
problemen en ze worden sterker geconfronteerd met de onzekerheid van een illegaal verblijf.
De leefsituatie van de kinderen van illegale verblijvers bepaalt dus in meer of mindere mate
hun slaagkansen in het onderwijs.

§2: Algemeen besluit

 Het recht op onderwijs geldt in België voor alle kinderen, ook voor illegaal
verblijvende kinderen. Dit betekent echter niet dat de illegale verblijvers ten volle van dit
recht gebruik kunnen maken. Het hierboven beschreven onderzoek had als doelstelling na te
gegaan welke factoren een negatieve invloed hebben op de onderwijskansen voor kinderen
van illegale verblijvers en welke de grootste problemen zijn in het onderwijs voor deze
kinderen. Hiertoe werden 12 diepte-interviews afgenomen bij directies van lagere scholen, die
gevestigd zijn in Antwerpen en deelgemeenten.

Vooreerst was het nodig een algemeen beeld van de situatie in de stad Antwerpen en haar
deelgemeenten te geven. Het bleek dat ongeveer één op vijf scholen kinderen van illegale
verblijvers opvangen. De spreiding van de kinderen van illegale verblijvers over de scholen
van de verschillende onderwijsnetten blijkt ongeveer evenredig te zijn, de geografische
spreiding daarentegen helemaal niet. De illegale verblijvers blijken zeer vaak gehuisvest te
zijn in achtergestelde wijken (cf. hfst 2; §2).

Zowel aan de kant van de illegale verblijvers als aan de kant van de scholen zijn er
verschillende factoren werkzaam die de maatschappelijk achtergestelde situatie van de
illegale verblijvers kunnen verklaren en die een aantal problemen veroorzaken bij de
implementatie van het recht op onderwijs voor kinderen van illegale verblijvers (cf. hfst 3). In
het onderzoek werd aandacht besteed aan de factoren vanuit beide zijden die een negatieve
invloed hebben op de onderwijskansen voor kinderen van illegale verblijvers. Er werd in het
onderzoek nagegaan in hoeverre deze factoren ook werkelijk een rol spelen in de praktijk.

Er werd reeds vermeld dat de problemen in verband met het onderwijs voor kinderen van
illegale verblijvers in twee grote groepen kunnen onderverdeeld worden. Ten eerste zijn er de
problemen die verband houden met de (tot nu toe) onvoldoende spreiding van de kinderen
van illegale verblijvers over de verschillende scholen en de problemen rond de (soms
subtiele) weigering om deze kinderen in te schrijven door sommige scholen. Hieronder vallen
eerst en vooral de problemen rond het "omzeilen" van het non-discriminatiepact. In de
praktijk blijkt namelijk dat het non-discriminatiepact niet de gewenste spreiding bereikt en
soms zelf tegenovergestelde effecten heeft. Er kan gesteld worden dat de spreiding van
kinderen van illegale verblijvers over alle scholen bemoeilijkt wordt door een onvolkomen
regelgeving. De scholen die weigeren kinderen van illegale verblijvers op te vangen, zullen
deze kinderen meestal niet expliciet weigeren in te schrijven, maar zullen gebruik maken van
een aantal strategieën om te vermijden dat de illegaal verblijvende ouders hun kinderen in de
school zouden inschrijven (cf. hfst 4; §5).

Een onvoldoende spreiding over de scholen heeft bovendien financiële gevolgen voor de
scholen die wel (een grote groep) kinderen van illegale verblijvers opvangen. Dit is het
gevolg van een combinatie van verschillende factoren. Ten eerste hebben de meeste illegale
verblijvers slechts een heel beperkt inkomen wat hen niet de mogelijkheid geeft om de
schoolrekeningen te betalen. Ze vestigen zich als gevolg van hun beperkte financiële
mogelijkheden vaak in achtergestelde buurten. Daarenboven zijn de illegale verblijvers
weinig mobiel en sturen ze hun kinderen dus naar een school die in de buurt gelegen is. Deze
scholen vangen in het algemeen reeds een kansarm publiek op. Zulke scholen zullen het dus
moeilijk hebben om de nodige financiële inspanningen te doen om zelf de schoolkosten van
de kinderen van illegale verblijvers te betalen.

Een ander probleem, dat ook volgt uit de concentratie van kinderen van illegale verblijvers in
een beperkt aantal scholen, is de overbevraging van de scholen op het vlak  van
hulpverlening. De illegale verblijvers zijn voor hun contacten met de overheid vaak
aangewezen op het schoolpersoneel, maar ook voor financiële, materiële en
communicatieproblemen worden de scholen ingeschakeld. Dit betekent dat de scholen een
groot deel van hun tijd in niet-schoolse zaken moeten investeren. Het gedrag en de houding
van voornamelijk de illegaal verblijvende ouders, zullen de mate dat de leerkrachten en de
directie bereid zijn om deze extra inspanningen voor de illegale verblijvers te leveren, mee
beïnvloeden.

Scholen die kinderen van illegale verblijvers onderwijs geven worden vaak geconfronteerd
met een groter aantal ATN's dan wenselijk. Als een school veel kinderen van illegale
verblijvers opvangt, rijzen er immers een aantal problemen. Een vlot verloop van het
klasgebeuren wordt bemoeilijkt en zowel de directie en de leerkrachten zullen bijkomend
belast worden. Dit brengt ons bij een tweede groep van problemen, die verband houden met
de kwaliteit van het onderwijs voor kinderen van illegale verblijvers.

Het feit dat kinderen van illegale verblijvers en hun ouders bijna altijd anderstalig zijn
(althans in de beginperiode) en dat ze uit een andere cultuur en uit een ander schoolsysteem
komen, bemoeilijkt de opvang van de kinderen, zeker als een school een grote groep
Nederlandsonkundige kinderen dient op te vangen. Dit kan op zijn beurt het niveau van het
onderwijs voor de kinderen van illegale verblijvers beïnvloeden.

Een kind van een illegale verblijver kampt bijna altijd met een bepaalde leerachterstand.
Bovendien is het voor de klasleerkracht moeilijk om met deze kinderen te communiceren. De
opleiding van de leerkrachten vormt bovendien nauwelijks een voorbereiding op zulke
situaties, wat maakt dat zij het vaak moeilijk hebben met de komst van ATN's. Ook is het
voor hen een hele uitdaging om de kinderen op een zinvolle manier de uren in de reguliere
klas te laten doorbrengen. Kinderen van illegale verblijvers vragen dus bijkomende
inspanningen van de klasleerkracht.

De overheid tracht hierop in te spelen door extra middelen ter beschikking te stellen om
bijvoorbeeld onthaalklassen in te richten. Toch lossen deze extra middelen en voorzieningen
niet alle problemen op, integendeel, soms zorgen ze voor een (administratieve) overbelasting
van de scholen en voor bijkomende moeilijkheden. Ook moet de scholen soms meer vrijheid
gelaten worden om de middelen in te zetten waar zij het nodig achten.

Tenslotte kan het onderwijs voor kinderen van illegale verblijvers ook bemoeilijkt worden
doordat de ouders er een andere visie op onderwijs op nahouden. Dit kan heel verschillende
gevolgen hebben: het kan zijn dat de kinderen van thuis uit geen begeleiding bij hun huiswerk
krijgen, dat ze niet aan alle activiteiten mogen deelnemen of dat ze zelfs van school moet
veranderen. Ook de kinderen dienen te wennen aan een nieuw schoolsysteem en een andere
taal wat hen een bijkomende achterstand ten aanzien van Belgische kinderen geeft.

In het algemeen kan men stellen dat de opvang van kinderen van illegale verblijvers vooral
problematisch is voor scholen die sowieso een kansarm publiek opvangen (voor wie dit
nogmaals een extra belasting vormt) en indien het kinderen betreft die pas op oudere leeftijd
in ons land toekomen.

Ook de gezinssituatie (cf. hfst5; §1), en dan voornamelijk het inkomen van de ouders en de
bereidheid van de ouders om zich hier te integreren, spelen een rol in de onderwijskansen van
de kinderen van illegale verblijvers.

De voorzieningen vanuit de overheid, maar ook vanuit de verschillende sociale organisaties,
worden over het algemeen gunstig geëvalueerd. Ze komen in grote mate tegemoet aan de
noden van de scholen, wat reeds een vooruitgang is, alhoewel dat er op bepaalde punten nog
verbetering mogelijk en wenselijk is.

De moeilijkheden bij de opvang van kinderen van illegale verblijvers in het onderwijs (de
onzekerheid die een illegaal verblijf met zich meebrengt, de eventuele daaruit voorkomende
demotivatie en het gebrek aan een "sociaal vangnet" uitgezonderd) zijn niet echt ongekend.
De kinderen van illegale verblijvers worden immers geconfronteerd met een combinatie van
problemen van kansarmoede en van migrant-zijn, waardoor ze zich zullen moeten aanpassen
aan een nieuwe cultuur, een onbekend schoolsysteem en een ongekende taal.

Een aspect dat niet in het onderzoek werd opgenomen, maar dat wel interessant is voor verder
onderzoek naar de onderwijskansen van kinderen van illegale verblijvers, zijn de factoren die
beletten dat kinderen illegale verblijvers school lopen.
 

*                      *
*
 
 
 
 
 

Literatuurlijst
 

 1.  Beel, V. (2000). België is nog lang geen paradijs. De Standaard, 5.
 2.  Berghman, J. (1986). De onzichtbare sociale zekerheid (deel C). Deventer: Kluwer.
 3.  Billiet, J. (1990). Methoden en Technieken van het sociaal-wetenschappelijk onderzoek:
ontwerp en dataverzameling. Leuven/ Amersfoort: Acco.
 4.  Bn, P. (2 oktober 1996). Onkelinx finance les illégaux. Le Soir.
 5.  Daeren, L. De Gryse. P. & I. Poppe (1996). De asielprocedure. Brussel: OCIV vzw.
 6.  De Craene, B. (1993). Vreemdelingen: haat of liefde? Over vluchtelingen, asielzoekers
en andere migranten. Antwerpen: Standaard Uitgeverij.
 7.  De Stoop, C. (1994a). Eelt op de ziel. Knack, (7), 26-29.
 8.  De Stoop, C. (1994b). Johan Leman: het laatste taboe. Mogen Sociale rechten geofferd
worden op het altaar van de strijd tegen illegalen? Knack, (7), 28-29.
 9.  Devillé, A. (1997). Documentlozen in Vlaanderen: rechten en plichten en
(on)mogelijkheden (niet) geregeld bij wet. s.l.: s.e.
 10.  Devillé, A. &. G. Knockaert (1998). Vluchtelingenonthaal: recente evoluties en
knelpunten. Tijdschrift Voor Welzijnswerk, (213), 46-54.
 11.  Engbersen, G. (1990). Culturen van Bijstandverlening. G. Engbersen. Publieke
Bijstandsgeheimen. Het ontstaan van een onderklasse in Nederland. (pp. 148-195).
Leiden/Antwerpen: Stenfert Kroese.
 12.  Falter, R. (29&30 januari 2000). West-Europa tussen vestiging en smeltkroes-
Immigratiestroom verdwijnt niet maar is constant. De Standaard,  3.
 13.  Goossens, P. (1999). Lakmoesproef in het mijnenveld. Knack, (9), 28-29.
 14.  Kuppens, E. (1999). Niets is zo gemakkelijk als je kind inschrijven op school -
discriminatie van kinderen op school. s.l.: s.e.
 15.  Lammertyn, F. (1996). Belgen en vreemdelingen. F. Lammertyn. Samenleving: Feiten
en Problemen, boek 1. (Vol. 1). Leuven: Acco.
 16.  Lammertyn, F. (1995). Over Hulpverlening en Uitsluiting. Leuven: Departement
Sociologie.
 17.  Leman, J. (red). (1999). Moedertaalonderwijs bij allochtonen. Geïntegreerd onderwijs in
eigen taal en cultuur.  Leuven: Acco.
 18.  Lipsky, M. (1980). Street Level Bureaucracy. Dilemmas of the individual in public
services. New York: Russell Sage Foundation.
 19.  Maso & Smaling. (1998). Analyse. Maso & Smaling Kwalitatief Onderzoek: Praktijk en
Theorie (pp. 87-95). Boom/Amsterdam.
 20.  Maso & Smaling. (1998). Analyse. Maso & Smaling Kwalitatief Onderzoek: Praktijk en
Theorie (pp. 117-124). Boom/Amsterdam.
 21.  Ministère de l'éducation, de la recherche et de la formation. (1994). Lettre de Circulaire:
inscription des élèves soumis à l'obligation scolaire en séjour illégal. Bruxelles: s.e.
 22.  Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. (1999d). Omzendbrief: zorgverbreding in het
basisonderwijs. Maatregelen voor de schooljaren 2000-2001  en 2001-2002. Brussel:
s.e.
 23.  Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap departement onderwijs. (1999a).
Omzendbrief: het recht op onderwijs voor kinderen zonder wettige verblijfsvergunning.
Brussel: s.e.
 24.  Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap departement Onderwijs. (1983). Omzendbrief:
inschrijving van de leerlingen in onderwijsinrichtingen. Brussel: s.e.
 25.  Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap departement onderwijs. (1999c).
Omzendbrief: onderwijsbeleid voor migranten: maatregelen voor de schooljaren 2000-
2001 en 2001-2002. Brussel: s.e.
 26.  Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap departement onderwijs. (1999b).
Omzendbrief: onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers. Brussel: s.e.
 27.  OCIV. (1997). Onderwijs en Opleidingen. XXX. Vluchtelingenonthaal in de praktijk
(juridische wegwijzer) (pp. 103-105). Brussel: OCIV vzw.
 28.  Peeters, S. (1997). Onderzoeksrapport: het basisrecht onderwijs voor kinderen van
ouders zonder verblijfspapieren. Brussel: Steunpunt Begeleiders Uitgeprocedeerden.
 29.  Ramakers, J. (1995). De Asielzoekers. Leuven: Davidsfonds.
 30.  Steunpunt Mensen zonder papieren. (1996). Het Recht op Onderwijs voor kinderen van
ouders zonder verblijfspapieren. Brussel: s.e.
 

 31.  Steunpunt Mensen zonder papieren. (1997). Recht op Onderwijs voor kinderen en
jongeren zonder wettig verblijf. Nota ter voorbereiding van de vergadering van 10 juli
1997 van de ambtelijke werkgroep mensen zonder papieren. Brussel: s.e.
 32.  Van der Veen, R. (1998). Beheersbaarheid en responsiviteit. Over regels en het gebruik
van discretionaire ruimte. Teulings C., Van der Veen R. & W. Trommel. Dilemma's van
de Sociale Zekerheid. Een analyse van 10 jaar herziening van het stelsel van Sociale
Zekerheid (pp. 219-242). 's Gravenhage: VUGA Uitgeverij.
33.  Van Gils, J. (1999). Het internationale verdrag inzake de Rechten van het Kind en de
pedagogie(k). E. Verhellen, J. Van Gils, H. Annoot & V. Van Achter. Rechten van het
kind in en door het onderwijs. Leuven/Amersfoort: Acco.
 34.  VdB, K. (14 juli 1994). Kinderen van Illegalen op de schoolbanken. De Morgen,  4.
 35.  Verhoest, F. (25&26 september 1999a). Geen open grenzen, maar ook geen burcht. De
Standaard,  5.
 36.  Verhoest, F. (27 september 1999b). Vandaag opnieuw gedwongen uitwijzigingen. Het
Nieuwsblad,  4.
 37.  Verhoeven, J. C. (1998). Sociologische analyse van het curriculum. Verhoeven, J.C. &.
I. Beuselinck. Organisatie en Processen op school (pp. 40-81). Leuven: K.U.Leuven:
Departement Sociologie.
 38.  XXX. (1996). Koninklijk Besluit betreffende de dringende medische hulp die door de
OCMW's wordt verstrekt aan de vreemdelingen die onwettig in het Rijk verblijven.
Belgisch Staatsblad,  32518-32519.
 
 

Bijlagen
Bijlage 1. Brief voor de directies van de lagere scholen met betrekking tot de opvang van
kinderen van illegale verblijvers in hun scholen

Eva Gijsegom                                                                                                   Leuven, 21 oktober '99.
Kouterstraat 5
3040 Huldenberg

Geachte,

 Ik ben studente Sociologie aan de Katholieke Universiteit van Leuven en ik contacteer u in
verband met mijn eindverhandeling. Mijn eindverhandeling handelt over de kansen die kinderen van
illegale verblijvers krijgen en de moeilijkheden die ze ondervinden in het volgen van (lager)
onderwijs. Het onderzoek is beperkt tot de stad Antwerpen en zijn deelgemeenten en daarom
contacteer ik alle scholen die tot deze regio behoren.

In mijn onderzoek wou ik via de lagere scholen nagaan of er zich specifieke problemen stellen
voor het volgen van onderwijs door kinderen van illegale verblijvers. In eerste instantie zou u mij
kunnen helpen door het antwoordstrookje bijgevoegd bij de brief ingevuld terug te sturen. Het is voor
mij immers belangrijk een eerste beeld te krijgen over het aantal school lopende kinderen van illegale
verblijvers en de spreiding over de verschillende scholen van deze kinderen. Ook indien er geen
kinderen van illegale verblijvers school lopen in uw school, helpt u me door dit in te vullen op het
antwoordstrookje. In tweede instantie zullen een aantal onder u opnieuw gecontacteerd worden met de
vraag om een gesprek. Alle gegevens worden anoniem gehouden. Er zal geen enkele school of
persoon bij naam genoemd worden in het onderzoeksrapport of de eindverhandeling, tenzij u daar
persoonlijk om verzoekt.

Het is misschien belangrijk om duidelijk te stellen wat met kinderen van illegale verblijvers
bedoeld wordt. Het gaat om kinderen wiens ouders nooit een asielaanvraag hebben ingediend of die de
volledige asielprocedure doorlopen hebben, maar wiens aanvraag toch is afgewezen. Ook mensen die
ooit een asielaanvraag hebben ingediend, maar op een bepaald punt de procedure niet hebben verder
gezet (bvb. nooit in beroep zijn gegaan tegen een eerste beslissing), vallen onder deze definitie.
Waarschijnlijk is het niet altijd even duidelijk of bepaalde mensen illegaal in ons land verblijven of
niet. Indien u het vermoeden hebt dat er kinderen van illegale verblijvers zijn ingeschreven in u school
mag u dat eveneens vermelden op het antwoordstrookje.
 
Het zou voor mij een grote hulp zijn indien u deze brief beantwoordt en ik hoop dan ook op
een grote respons. Ik van mijn kant verbind me ertoe iedereen die meewerkt aan het onderzoek
achteraf ook de voornaamste onderzoeksresultaten toe te sturen. Alvast bedankt voor uw
medewerking.

Hoogachtend,
Aleidis Devillé,                                                                                                      Eva Gijsegom,
Assistente en begeleidster eindverhandeling                                                                                 studente
 
 

Naam:……………………………………………………………………………………………

Naam en adres van de lagere school:
…………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………
………………………………

In mijn school zijn er (vermoedelijk) kinderen van illegale verblijvers ingeschreven:

0 Ja
0 Nee

-Enkel voor diegenen die op de vorige vraag "ja" hebben geantwoord-

Aantal ingeschreven kinderen van illegale verblijvers: ……………………………………….

Aantal kinderen waarvan men vermoedt dat ze kinderen van illegale verblijvers zijn:
…………………………………………………………………………………………………

De leerjaren waarin deze kinderen les volgen (alle jaren vermelden a.u.b.)
…………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………

Gelieve deze brief terug te sturen naar het volgende adres:
Eva Gijsegom
Kouterstraat 5
3040 Loonbeek.
 
 
 
 
 
 
 
 
 

Bijlage 2. Overzicht van de respons van de lagere scholen in de schriftelijke en
telefonische bevraging

Aanduidingen:

Gem BS = Gemeentelijke Basisschool
Vr BS = Vrije Basisschool
BSGO = Basisschool Gemeenschapsonderwijs
Antw= Antwerpen
Respons brief en Respons Telefoon: 0= neen en 1= ja.
Aantal kinderen: vermeld is het zeker aantal ingeschreven illegale kinderen, tussen haakjes
wordt het aantal kinderen dat vermoedelijk illegaal is vermeld.
Lj. = Leerjaar.

Nr.
Adres School

Repons
brief
Respons
Telefoon
Aantal
Kin-
deren
Leerjaren
 

1.
Gem BS
2000 Antw 1
1
/
0
/
2.
Vr BS
2000 Antw 1
1
/
0
/
3.
Vr BS
2000 Antw 1
1

/

0
/
4.
Gem BS
2000 Antw 1
/
1
0
/
5.
Gem BS
2000 Antw 1
/
1
0
/
6.
Vr BS
2000 Antw 1
1
/
0
/
7.
Vr BS
2000 Antw 1
1
/
1
1ste kleuterklas
8.
Vr BS
2000 Antw 1
/
1
0
/
9.
Vr BS
2000 Antw 1
/
1
0
/
10.
Vr BS
2000  Antwerpen 1
/
1
0
/
11.
Vr BS
2000 Antw 1
1
/
0
/
 
 

12.
Vr. BS
2018 Antw 1
/
1
0
/
13.
Vr BS
2018 Antw 1
?
?
?
Nooit bereikt.
14.
Vr BS
2018 Antw 1
1
/
4(1)
1e / 2e / 4e

15.
 Gem BS
2018 Antw 1
1
1
15
1e / 2e / 3e / 4e / 5e
en 6e leerjaar
16.
Gem BS
2018 Antw 1
1
/
Enkele
tientallen
Alle leerjaren

17.
Gem BS
2018 Antw 1
1
/
0
/
18.
Vr BS
2018 Antw 1
/
1
+/-5
In de kleuterklas
19.
Vr BS
2018 Antw 1
/
1
0
/
20.
Vr BS
2018 Antw 1
/
1
0
/
21.
Vr BS
2018 Antw 1
1
/
1 (1)
1ste kleuterklas

22.
Vr BS
2018 Antw 1
/
1
0
/
23.
Vr BS
2018 Antw 1
/
1
0
/
24.
Vr BS
2018 Antw 1
/
1
0
/
25.
Vr BS
2018 Antw 1
1
1
0
/
26.
Vr BS
2018 Antw 1
/
1
0
/
27.

Vr BS
2018 Antw 1
/
1
0
/
28.
Vr BS
2018 Antw 1
1
/
0
/
29.
Vr BS
2018 Antw 1
/
1
0
/
30.
Gem BS
2020 Antw 2
/
1
0
/
31.
Gem Bs
2020 Antw 2
0
0
?
Nooit bereikt.
 
 

32.
Vr BS
2020 Antw 2
/
1
0
/

33.
Vr BS
2020 Antw 2
/
1
2
3e kleuterklas/ 2de lj.
34.
Gem BS
2030 Antw 3
/
1
0
/
35.
Vr BS
2030 Antw 3
/
1
0
/
36.
Gem BS
2030 Antw 3
/
1
0
/
37.
Gem BS
2040 Antw 4
/
1
0
/
38.
Gem BS
2040 Antw 4
1
/
0
/
39.
Vr BS
2040 Antw 4
/
1
0
/
40.
Vr BS
2040 Antw 4
1
/
0
/
41.
Tehuis
2050 Antw 5
/
1
0
/
42.
Gem Bs
2050 Antw 5
/
1
0
/
43.
Gem BS
2050 Antw 5
/
1
1
3de lj.
44.
Gem BS
2050 Antw 5
/
1
0
/
45.
Vr BS
2050 Antw 5
1
/
0
/
46.
Vr BS
2050 Antw 5
1
/
1
5de
47.
B.S.G.O. Antwerpen
2060 Antw 6
1
/
Velen
Over alle lj-en en
kleuterklassen
gespreid (directrice
wil niet verder
meewerken)
48.
Gem BS
2060 Antw 6
/
1
0
/
49.
Gem BS
2060 Antw 6
1
/
0
/
 
 

50.
Vr BS
2060 Antw 6
/
1
1
1ste kleuterklas
51.
Vr BS
2060 Antw 6
/
1
0
/
52.
Vr BS
2060 Antw 6
1
/
0
/

53.
Gem BS
2060 Antw 6
1
/
?
Weigering.

54.
Vr BS
2060 Antw 6
/
1
15
3e kleuterklas/
1e/2e/3e/4e/5e
55.
Gem BS
2100 Deurne
/
1
0
/
56.
 Gem Bs
2100 Deurne
/
1
?

57.
Gem BS
2100 Deurne
/
1
0
/
58.
Gem BS
2100 Antwerpen
1
/
0
/
59.
Gem BS
2100 Deurne
1
/
0
/
60.
Gem BS
2100 Deurne
/
1
0
/
61.
Gem BS
2100 Deurne
/
/
/
School gesloten eind
juni '99.
62.
Gem BS
2100 Deurne
/
1
0
/
63.
Vr BS
2100 Deurne
/
1
?
Weigering.
64.
Vr BS
2100 Deurne
1
/
0
/
65.
Vr BS
2100 Deurne
1
/
0
/
66.
Vr BS
2100 Deurne
/
1
1
2de kleuterklas
67.
Vr BS
2100 Deurne
0
0

Nooit bereikt.
68.
Vr BS
2100  Deurne
/
1
0
/
69.
Vr BS
2100 Deurne
/
1
0
/
70.
Vr BS
2100 Deurne
1
/
0
/
71.
Vr BS
2100 Deurne
1
/
0
/
72.
Gem BS
2100 Deurne
/
1
0
/
73.
Vr BS
2100 Deurne
1
/
0
/
74.
B.S.G.O.
2140 Borgerhout
/
1
?
Weigering.
75.
Vr BS
2140 Borgerhout
/
1
6
Kleuterklas (3)/
3e/4e/5e
76.
Vr. BS
2140 Borgerhout
/
1
0
/
77.
Vr BS
2140 Borgerhout
/
1
1
6de lj.
78.
Vr BS
2140 Borgerhout
/
1
0
/
79.
Gem BS
2140 Borgerhout
1
/
?
Weigering.
80.
Gem BS
2140 Borgerhout
1
/
(3)
1e en 3e kleuterklas
81.
Gem BS
2140 Borgerhout
1
/
0
/
82.
Gem BS
2140 Borgerhout
/
1
0
/
83.
B.S.G.O.
2170 Merksem
/
1
1
4de lj.
84.
Vr BS
2170 Merksem
1
/
0
/
85.
Vr BS
2170 Merksem
1
/
0
/
86.
Vr BS
2170 Merksem
/
1
0
/
87.
Vr BS
2170 Merksem
/
1
0
/
88.
Gem BS
2170 Merksem
/
1
0
/
89.
B.S.G.O.
2170 Merksem
1
/
2
1e lj.
 
 

90.
Vr BS
2170 Merksem
1
/
0
/
91.
B.S.G.O
2180 Ekeren
1
/
0
/
92.
Vr BS
2180 Ekeren
1
/
0
/
93.
Vr BS
2180 Ekeren
/
1
0
/
94.
Vr BS
2180 Ekeren
/
1
0
/
95.
Vr BS
2180 Ekeren
/
1
0
/
96.
Vr BS
2180 Ekeren
1
/
0
/
97.
B.S.G.O
2180 Ekeren
1
/
0
/
98.
Vr BS
2180 Ekeren
?
?

Nooit bereikt.
99.
Gem BS
2600 Berchem
?
?

Nooit bereikt.
100.
Gem BS
2600 Berchem
1
/
(8)
2e en 3e kleuterklas/
1e/ 2e/ 3e lj.
101.
Gem BS
2600 Berchem
/
1
0
/
102.
Gem BS
2600 Berchem
/
1
(4)
2e/ 3e kleuterklas
1e/2e lj.
103.
Gem BS
2600 Berchem
/
1
10(10)
1e en 3e kleuterklas/
1ste/ 2e / 3e
104.
Vr BS
2600 Berchem
1
/
5
Kleuterklas (jaar?) (3)/
2e  (1) / 5e (1)
105.
Vr BS
2600 Berchem
/
1
1
1e lj.
106.
Vr BS
2600 Berchem
/
1
0
/
107.
B.S.G.O.
2610 Wilrijk
/
1
0
/
108.
Vr BS
2610 Wilrijk
/
1
0
/
109.
Gem BS
2610 Wilrijk
1
/
1
2de kleuterklas
 
 
 

110.
Gem BS
2610 Wilrijk
1
/
0
/
111.
Vr BS
2610 Wilrijk
1
/
0
/
112.
Vr BS
2610 Wilrijk
/
1
0
/
113.
Vr BS
2610 Wilrijk
1
/
2(1)
2de kleuterklas –(1ste)
 4de
114.
Vr BS
2610 Wilrijk
1
/
0
/
115.
Gem Bs
2660 Hoboken
1
/
0
/
116.
Gem BS
2660 Hoboken
1
/
0
/
117.
Gem. Bs
2660 Hoboken
1
/
0
/
118.
Gem Bs
2660 Hoboken
/
1
0
/
119.
Vr BS
2660 Hoboken
1
/
(3)
1e lj / 3e lj.
120.
Vr BS
2660 Hoboken
1
/
0
/
121.
Vr BS
2660 Hoboken
1
/
0
/
122.
B.S.G.O.
2660 Hoboken
/
1
0
/
 
 

De scholen die in het kader van het onderzoek geïnterviewd werden zijn de scholen met de
nummers:

Interview 1 = nr. 16
Interview 2 = nr. 15
Interview 3 = nr. 100
Interview 4 = nr. 103
Interview 5 = nr. 14
Interview 6 = nr. 102
Interview 7 = nr. 75
(Interview 8 = telefonisch gesprek met nr. 104)
Interview 9 = nr. 54
Interview 10 = nr. 89
Interview 11 = nr. 46
Interview 12 = nr. 119
Interview 13 = nr. 113

Met de school met het nummer 104 werd een telefonisch gesprek gevoerd, maar de directie
van deze school kon geen tijd vrijmaken voor een interview. Wel werden, via dit telefonisch
gesprek, onmiddellijk een aantal problemen aangegeven.
 

Bijlage 3. De vragenlijst en topiclijst voor de kwalitatieve interviews

Inleidende vragen:

Vraag 1: Hoeveel kinderen van illegale verblijvers vangt u momenteel op in uw school?
               Aantal……………………………………………………………………………………

Vraag 2: Hoeveel kinderen waarvan u vermoedt dat het om kinderen van illegale verblijvers
               gaat, vangt u momenteel op in uw school?
Aantal…………………………………………………………………………………….

Vraag 3: Tot welk onderwijsnet behoort u school?
     0 stedelijk
  0 vrij onderwijs ? 0 katholiek
0 andere…
0 B.S.G.O.
Vraag 4: Organiseert uw school taallessen voor anderstalige nieuwkomers (in welke vorm dan
 ook, bvb ook naschoolse taallessen)

0 Ja, meer bepaald………………………………………………………………………………

0 Neen

Vraag 5: a)Welke nationaliteiten hebben de kinderen van de illegale verblijvers die u in uw
 school opvangt? (Indien de nationaliteit ongekend eventueel het werelddeel waaruit
 ze afkomstig zijn of de taal die ze als moedertaal hebben).
……………………………………………………………………………………….
……………………………………………………………………………………….
………………………………………………………………………………………

b) Hoe hoog is het percentage allochtonen in uw school (ongeveer)?
    ……………………………………………………………………….

Vraag 6: Hebt u voor de kinderen van illegale verblijvers die u op dit moment opvangt, reeds
andere kinderen van illegale verblijvers opgevangen?

0 Ja      ? ga naar vraag 7
0 Neen ? ga naar vraag 8
 
 

Enkel voor diegenen die vroeger reeds andere kinderen van illegale verblijvers opvingen
Vraag 7: De kinderen van illegale verblijvers die u opvangt of vroeger opving, maken die hun
 lagere school af en zo niet, hoe lang blijven ze dan ongeveer?

0 Ja
0 Neen  ? Hoelang blijven ze ongeveer in de school? …………………………………….

Enkel voor diegenen die nog geen andere kinderen van illegale verblijvers opvingen
Vraag 8: Hoelang volgen deze kinderen reeds les in uw school?
    …………………………………………………………………………………

Terug voor iedereen
Vraag 9: Hoe zijn de ouders de eerste keer in contact gekomen met de school?
    (meerdere antwoorden zijn mogelijk)

0 via hulporganisaties die zich inzetten voor mensen zonder verblijfsvergunning
0 via andere illegale verblijvers wiens kind in de school les volgt
0 via andere Belgische ouders
0 via leerkrachten
0 ze zijn zelf naar de school toe gestapt, dus ze hebben niet via een tussenpersoon gehandeld
0 andere ………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………
…………………………………………………………………………………………………

Vraag 10: Hebt u nu nog contact met de ouders van de illegaal verblijvende kinderen die
 onderwijs volgen in u school?
0 Ja ? ga naar vraag 11
0 Neen
Vraag 11: Hoe vaak hebt u nog contact met de illegale verblijvende ouders? En hoe ervaart u
dit contact dan, verloopt het contact eerder moeizaam of eerder vlot?
…………………………………………………………………………………………………..
…………………………………………………………………………………………………..
…………………………………………………………………………………………………..
…………………………………………………………………………………………………..
…………………………………………………………………………………………………..
…………………………………………………………………………………………………..
…………………………………………………………………………………………………..
…………………………………………………………………………………………………..
…………………………………………………………………………………………………..
…………………………………………………………………………………………………..
…………………………………………………………………………………………………..
…………………………………………………………………………………………………..
 Enkel voor de directies die het contact met de ouders als moeizaam of moeilijk ervaren
Vraag 11b: Wat zijn volgens u de oorzaken van het feit dat de contacten met de illegaal
verblijvende ouders eerder moeizaam verlopen (bvb. de taal)?
…………………………………………………………………………………………………..
…………………………………………………………………………………………………..
…………………………………………………………………………………………………..
…………………………………………………………………………………………………..
…………………………………………………………………………………………………..
…………………………………………………………………………………………………..
…………………………………………………………………………………………………..
…………………………………………………………………………………………………..
…………………………………………………………………………………………………..
…………………………………………………………………………………………………..
…………………………………………………………………………………………………..
…………………………………………………………………………………………………..
                 …………………………………………………………………………………………………..
 
 
 

DEEL 1:

Financiële/ Materiële problemen:
- een gebrek aan geld om het nodige schoolmateriaal en schoolactiviteiten (zoals
uitstappen) te betalen
- een gebrek aan een rustige studieruimte thuis
- beperkte mobiliteit (en als gevolg daarvan hoog verloop; effect op studieprestaties)

Sociale problemen:
- het bepalen van het studieniveau van de leerling (en dus het leerjaar en de kleuterklas
waarin ze terechtkomen).
- het integreren van de leerlingen in de school en de klas als ze in de loop van het
schooljaar worden ingeschreven.
- het niet verkrijgen van subsidies voor leerlingen die na februari worden ingeschreven
- taalproblemen bij het in contact treden met de ouders
- taalproblemen bij het communiceren met de kinderen
- taalproblemen bij het volgen van de lessen
- problemen bij het volgen van de lessen door kinderen van illegale verblijvers doordat ze
niet vertrouwd zijn met onze cultuur (verborgen curriculum).
- problemen bij het volgen van de lessen door kinderen van illegale verblijvers doordat ze
niet vertrouwd zijn met onze wijze van les geven
- racisme
- onzekerheid om zijn leven hier in België te kunnen voortzetten
- motivatie van kinderen in hun situatie van uitzichtloosheid (speelt ook al in de lagere
school?)
 

Informatieproblemen:
- informatieproblemen met betrekking tot wettelijkheid van het inschrijven van kinderen
van illegale verblijvers in de scholen
- informatieproblemen rond het recht op subsidies voor kinderen van illegale verblijvers
- informatieproblemen met betrekking tot het verstrekken van een diploma aan kinderen
van illegale verblijvers

DEEL 2:

Hoe tracht men de verschillende problemen die zich voordoen bij de opvang van de kinderen
van illegale verblijvers te verhelpen?
- de financiële/ de materiële problemen
- de sociale problemen
- de informatieproblemen

Zijn er problemen waar men geen oplossing voor vindt of die men bewust negeert?

Probeert men oplossingen in samenspraak met andere scholen uit te werken, zoals de
eventuele (effectieve) spreiding van kinderen van illegale verblijvers of zoals het samen
organiseren van taallessen

Is er een zekere steun/ begeleiding vanuit de overheid (zowel lokaal (Stad Antwerpen voor het
stedelijk onderwijs) als vanuit de Vlaamse Gemeenschap) om het onderwijs van kinderen van
illegale verblijvers mogelijk te maken en zo ja, welke steun en hoe evalueert/ ervaart men die
steun?

In hoeverre is het mogelijk de kinderen van illegale verblijvers in te schakelen in bestaande
programma's voor anderstaligen (bvb. onthaalklassen) en in welke mate lossen deze effectief
de problemen op waar deze kinderen van illegale verblijvers mee kampen.
 

DEEL 3:

Vanuit welke overwegingen hebt u besloten om de kinderen van illegale verblijvers in uw
school op te vangen.
Speelt het 'recht op onderwijs' als een fundamenteel recht van het kind hierbij een rol?
Tracht men in bepaalde mate de opvang van kinderen van illegale verblijvers te beperken om
de opvang beter te organiseren of wilt u ze allen de kans geven om bij u onderwijs te volgen?
Indien u een aantal kinderen niet kan opvangen, zoekt u dan een oplossing voor hun situatie
(bvb. doorverwijzing?)
 
 

*                           *
*
 

 

  1993 kende wel een uitzonderlijk hoog aantal asielaanvragen, want in 1994 daalde het aantal terug tot 14.340.
Toch blijft de tendens van een stijging in het aantal asielaanvragen sinds de jaren '80 duidelijk zichtbaar
(Ramakers, 1995: 44).
  Het artikel 9 §3 van de vreemdelingenwet is immers ontworpen voor aanvragen die vanuit het buitenland
worden ingediend (Daeren e. a., 1996: 24-25).
  Schijnhuwelijken zijn in deze situatie huwelijken die worden afgesloten met als enige doel één van beide
partners toe te laten tot het Belgische grondgebied. De situatie van illegaal verblijf van één van de twee partners
is echter onvoldoende om te besluiten dat het om een schijnhuwelijk gaat (Daeren, e.a., 1996: 25).
  Gebaseerd op uitleg van Dimitri Neuckens, lid van de juridische dienst van Vlaams Minderhedencentrum
(vroeger: Steunpunt mensen zonder papieren).
  Voorbeeld werd gegeven door één van de directieleden die werd geïnterviewd in het kader van het kwalitatief
onderzoek naar de opvang van kinderen van illegale verblijvers in Antwerpen en deelgemeenten (zie hfst. 4:
interview nr. 1)
  Om het recht op onderwijs af te leiden uit de Belgische Grondwet is het nodig een beroep te doen op twee
artikels: art 24 GW en art. 191 GW. Art 24 GW § 3: "Ieder heeft recht op onderwijs, met eerbiediging van de
fundamentele rechten en vrijheden. De toegang tot het onderwijs is kosteloos tot het einde van de leerplicht. Alle
leerlingen die leerplichtig zijn, hebben ten laste van de gemeenschap recht op morele of religieuze opvoeding".
Art 191 GW: "Iedere vreemdeling die zich op het grondgebied van België bevindt, geniet de bescherming
verleend aan personen en goederen, behoudens de bij wet gestelde uitzonderingen".
  Het recht op onderwijs is onder andere opgenomen in de volgende verdragen, die door België werden
goedgekeurd: Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
(protocol nr. 1, art. 2); Universele verklaring van de rechten van de mens van 10/12/1948 (art. 18, 19 en 26);
Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (art. 18, 19 en 24); Internationaal verdrag inzake
economische, sociale en culturele rechten (art. 13) en Verdrag inzake de rechten van het kind van 20/11/1989
(art. 13, 17, 28 en 29).
  In art. 29, alinea 1 van het Wetboek van Strafvordering wordt iedere gestelde overheid, iedere openbaar officier
of ambtenaar, die in zijn ambt kennis krijgt van een misdaad of een wanbedrijf, verplicht dit te melden aan de
Procureur des Konings.
  Gesprek met Yves Bocklandt, medewerker van Bond zonder naam Antwerpen, 18 januari 1999.
  Al deze resultaten kunnen ook worden teruggevonden in de tweede bijlage, waar een lijst van alle scholen van
Antwerpen en deelgemeenten is opgenomen. De scholen staan gerangschikt per deelgemeente. Er wordt  van
elke school vermeldt tot welk onderwijsnet ze behoort, of ze gereageerd heeft op de brief of de telefonische
oproep, of de school kinderen van illegale verblijvers opvangt en indien dit zo is, hoeveel en in welke jaren. Wel
werden de namen en straten van de scholen om redenen van anonimiteit weggelaten.

.
  De stadsgedeelten werden afgebakend aan de hand van de indeling naar de postcodes.
  De (aangevulde) topiclijst en de inleidende vragen zijn terug te vinden in bijlage 3.
  Gesprekken met Chris Bevers, maatschappelijk assistent van de ado-dienst van het Klein Kasteeltje, Brussel
(11/1/'99), Dimitri Neuckens, medewerker van het Steunpunt Mensen zonder Papieren, Brussel (11/1/'99), Yves
Bocklandt, medewerker Bond zonder Naam Antwerpen (18/1/'99), Marleen Govaerts, medewerkster van het
Protestants Sociaal Centrum van Antwerpen (18/1/'99).
  Het gaat om medewerkers van de volgende organisaties: het Steunpunt Mensen zonder papieren  (Brussel)
(tegenwoordig behorend tot het Vlaams Minderhedencentrum), het Protestants Sociaal Centrum (Antwerpen),
Bond Zonder Naam (Antwerpen) en het Klein Kasteeltje (Brussel).
  Lipsky omschrijft een contactambtenaar meer bepaald als "de uitvoerders van sociaal beleid die in direct
contact staan met de burgers die van een bepaalde dienst genieten. Zij vormen één van de schakels tussen de
burger en de staat. Zulke contactambtenaren zijn bijvoorbeeld politie-agenten, maatschappelijke werkers,
gezondheidswerkers, maar ook leerkrachten vallen hieronder" (Lammertyn, 1995: 3-4).

  Gebaseerd op de kwalitatieve interviews met directies van lagere scholen.
  Het jaar in het onthaalonderwijs kan in een aantal uitzonderlijke gevallen wel worden verlengd: indien de
anderstalige nieuwkomer wel reeds een volledig schooljaar onderwijs heeft gevolgd in een school met het
Nederlands als onderwijstaal, dan kan daar toch een afwijking op worden toegestaan. Deze afwijkingen zullen
echter niet automatisch worden toegekend (Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, 1998a: 1-2)
 Alhoewel hier toch dient vermeld te worden dat in de regularisatiecampagne van eind vorig jaar, het school
lopen van de kinderen een belangrijk element vormde om te bewijzen dat men geïntegreerd was.

  Scholen die behoren tot het stedelijk onderwijs mogen geen kinderen weigeren. Bovendien bestaat er in
Antwerpen een non-discriminatiecode. Concentratiescholen, in dit geval scholen met meer dan 50%
doelgroepleerlingen, wordt wel aangeraden om  kinderen door te sturen. De meeste scholen mogen echter geen
kinderen van illegale verblijvers doorsturen naar andere scholen.
  Hierbij moet wel vermeld worden dat in de periode voor de interviews de Kosovaarse vluchtelingen in België
tijdelijk gedoogd werden.