COMMENTAAR OP HET JOHANNESEVANGELIE , eerste hoofdstuk, hoofdstuk 1, Joh 1 - verwijzingen -

- Bibliografie - Literatuur - Liturgisch gebruik - Overzicht bijbelboeken - Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken - Overzicht van deze website - ZOEKEN -

Overzicht van het Johannesevangelie : Joh 1 , Joh 2 , Joh 3 , Joh 4 , Joh 5 , Joh 6 , Joh 7 , Joh 8 , Joh 9 , Joh 10 , Joh 11 , Joh 12 , Joh 13 , Joh 14 , Joh 15 , Joh 16 , Joh 17 , Joh 18 , Joh 19 , Joh 20 , Joh 21 ,
Tekstuitleg per perikope - Joh 1,1-18 - Joh 1,19-34 - Joh 1,35-42 - Joh 1,43-51
Tekstuitleg vers per vers - Joh 1,1 - Joh 1,2 - Joh 1,3 - Joh 1,4 - Joh 1,5 - Joh 1,6 - Joh 1,7 - Joh 1,8 - Joh 1,9 - Joh 1,10 - Joh 1,11 - Joh 1,12 - Joh 1,13 - Joh 1,14 - Joh 1,15 - Joh 1,16 - Joh 1,17 - Joh 1,18 - Joh 1,19 - Joh 1,20 - Joh 1,21 - Joh 1,22 - Joh 1,23 - Joh 1,24 - Joh 1,25 - Joh 1,26 - Joh 1,27 - Joh 1,28 - Joh 1,29 - Joh 1,30 - Joh 1,31 - Joh 1,32 - Joh 1,33 - Joh 1,34 - Joh 1,35 - Joh 1,36 - Joh 1,37 - Joh 1,38 - Joh 1,39 - Joh 1,40 - Joh 1,41 - Joh 1,42 - Joh 1,43 - Joh 1,44 - Joh 1,45 - Joh 1,46 - Joh 1,47 - Joh 1,48 - Joh 1,49 - Joh 1,50 - Joh 1,51 -
Religie.opzijnbest.nl

ZOEKEN OP DEZE WEBSITE
PicoSearch
  Hulp
Verzorgd door PicoSearch
     
 
             

WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA)
websitenaam : http://users.telenet.be/arseen.de.kesel/ en http://www.bijbelleerhuis.be (zie bijbel) . WEBLOG : BIJBELLEERHUIS
Nieuwe website : http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm
- STARTPAGINA - AGENDA - BIJ DE HAND - NIEUW - OVERZICHT -  TIJDSCHRIFTEN -
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES :
JAARTAL - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z
HOOFDTHEMA'S : allochtonen , armoede , bahá'íbijbel , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts ( Vlaams Blok ) , fundamentalisme , globalisering en antiglobalisering ,  hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , islam , jodendom , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , migratie , mystiek , racisme , samenleving , sikhisme , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen ,
- Eigen-zinnige beschouwingen - Het kleine of grote ongenoegen -

Woordenschat
- anthrôpos (mens), zie Joh 1,6 .
- apostellô (wegsturen, zenden), zie Joh 1,6 .
- blepô (zien) , zie Joh 1,29 .
- dia : 44X bij Johannes
- egô (ik) 123X bij Johannes
- eiden (hij zag) 7X bij Johannes
- eis tèn Galilaian (naar Galilea) 6X bij Johannes
- tèi epaurion ('s anderendaags) , zie Joh 1,35
- erôtaô (vragen) zie Joh 1,21 . èrôtèsan (zij vroegen) komt in 11 verzen in de bijbel voor; in 3 verzen in het O.T., in 8 verzen in het N.T. Niet bij Matteüs, noch bij Marcus, in 1 vers bij Lucas, in 6 verzen bij Johannes : (1) Joh 1,21 . (2) Joh 1,25 . (3) Joh 5,10 . (4) Joh 9,2 . (5) Joh 9,19 . (6) Joh 19,31 , in 1 vers in Hnd.
- houtos (deze), zie Joh 1,2
- Ièsous (Jezus), zie Joh 1,38
- kai (en) . Nevenschikkend voegwoord. In 530 verzen bij Johannes, zie Joh 1,1
- legô (zeggen), zie Joh 1,21
- martureô (getuigen) , zie Joh 1,7 .
- menô (verblijven), zie Joh 1,38 .
- meta (na, met). Bij Johannes, zie Joh 1,43
- oun (bij-gevolg) eropvolgend, dus, derhalve), zie Joh 1,21 . In 194 verzen bij Johannes
- palin (opnieuw). In 45 verzen bij Johannes, zie Joh 1,35
- pou (waar?). Vragend voegwoord. In 18 vrezen bij Johannes, zie Joh 1,38 : Joh 1,35-42 - .
- profètès (profeet) , zie Joh 1,21 .
Bibliografie - Joh 1,1-18 -
Literatuur - http://users.pandora.be/arseen.de.kesel/johannesl01.htm . - Seynaeve (1977 - 385-389) -
Liturgisch gebruik
Joh 1,1-18: ABC-cyclus, dagmis van Kerstmis
Joh 1,6-8.19-28: B-cyclus, 3de zondag van de advent
Joh 1,29-34 : 2de zondag door het jaar (A)
Joh 1,35-42: 2de zondag door het jaar (B)
Overzicht bijbelboeken :
OT : Gn (Genesis ) , Ex (Exodus) , Lv (Leviticus) , Nu (Numeri) , Dt (Deuteronomium) , Joz (Jozua) , Re (Rechters) , Rt (Ruth) , 1 S (1 Samuël) , 2 S (2 Samuël) , 1 K (1 Koningen) , 2 K (2 Koningen) , 1 Kr ( 1 Kronieken) , 2 Kr (2 Kronieken) , Ezr (Ezra) , Neh (Nehemia) , Tob (Tobia) , Jdt (Judith) , Est (Esther) , 1 Mak (1 Makkabeeën) , 2 Mak (2 Makkabeeën) , Job , Ps (Psalmen ) , Spr (Spreuken) , Pr (Prediker) , Hl (Hooglied) , W (Wijsheid) , Sir (Sirach) , Js (Jesaja) , Jr (Jeremia) , Kl (Klaagliederen) , Bar (Baruch) , Ez (Ezechiël) , Da (Daniël) , Hos (Hosea) , Jl (Joël) , Am (Amos) , Ob (Obadja) , Jon (Jona) , Mi (Micha) , Nah (Nahum) , Hab (Habakuk) , Sef (Sefanja) , Hag (Haggai) , Zach (Zacharia) , Mal (Maleachi) .
- NT : Mt (Matteüs) - Mc (Marcus) - Lc (Lucas) - Joh (Johannes) -   Hnd (Handelingen) , Rom (Rome) , 1 Kor (Korinte) , 2 Kor (Korinte) , Gal (Galatië) , Ef (Efese) , Fil (Filippi) , Kol (Kolosse) , 1 Tes (Tessalonika) , 2 Tes (Tessalonika) , 1 Tim (Timoteüs) , 2 Tim (Timoteüs) , Tit (Titus) , Film (Filemon) , Heb (Hebreeën) , Jak (Jakobus) , 1 Pe (Petrus) , 2 Pe (Petrus) , 1 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , Jud (Judas) , Apk (Apokalyps) .
Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken : bibliografie van het Oude Testament - bibliografie Matteüsevangelie - bibliografie Marcusevangelie - bibliografie Lucasevangelie - bibliografie van het Johannesevangelie - bibliografie van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)


(In het begin was het Woord) : Joh 1,1-18
Het getuigenis van Johannes : Joh 1,19-34
De eerste leerlingen : Joh 1,35-42
Jezus roept Filippus en Natanaël : Joh 1,43-51

(In het begin was het Woord) : Joh 1,1-18 - Joh 1,1-18 - verwijzingen -

De evengelist Johannes ontwikkelt een visie waazrin alles een plaats krijgt : God, de mens, de kosmos, ruimte en tijd, de geschiedenis enz. In dit alles neemt de Logos een centrale plaats in, zowel bij God, als bij de schepping en de verlossing van de mens en de wereld.

Joh 1,1 - Joh 1,1 -
Griekse tekst Vulgaat Liturgische lezing: Kerstmis - dagmis Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Persoonlijke vertaling
1:1 en archè èn ho logos kai ho logos èn pros ton theon kai theos èn ho logos  1 in principio erat Verbum et Verbum erat apud Deum et Deus erat Verbum  1 In het begin was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God.  [1] In het begin was het woord, en het woord was
bij God, en het woord was God. 
 [1] In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God. [1] In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God.   

Joh 1,1 bestaat uit 3 nevenschikkende zinnen; de zinnen worden aan elkaar gekoppeld door het nevenschikkend voegwoord kai (en). Joh 1,1 bestaat uit 5 + 7 + 5 woorden en uit 7 + 9 + 7 lettergrepen. Totaal : 17 woorden en 23 lettergrepen. Het laatste woord van een zin, wordt het eerste woord in de volgende zin en het laatste woord van de laatste zin is het laatste woord van de eerste zin.
- kai (en). In 530 verzen bij Johannes, zie Joh 1,1 - de (echter). In 203 verzen bij Johannes, zie Joh 1,1 . - Joh 9,1-38 : in 8 verzen (Joh 9,14. 15. 16. 17. 21. 28. 29. 38).
- en (in). In 182 verzen bij Johannes.
- pros (bij). In 91 verzen bij Johannes.
- para . In 21 verzen bij Johannes.
- archè (begin). Zelfstandig naamwoord. Nominatief of datief enkelvoud (archèi). In 82 verzen in de bijbel; in 70 verzen in het O.T., in 12 verzen in het N.T. In 2 verzen bij Johannes : (1) Joh 1,1 . (2) Joh 1,2 .
--- archès (van het begin). Genitief enkelvoud. In 97 verzen in de bijbel; in 72 verzen in het O.T., in 25 verzen in het N.T. In 3 verzen bij Matteüs, in 2 verzen bij Marcus, in 1 vers bij Lucas, in 4 verzen bij Johannes enz. (1) Joh 6,64 . (2) Joh 8,44 . (3) Joh 15,27 . (4) Joh 16,4 .
- logos (woord). In 296 verzen in de bijbel; in 231 verzen in het O.T., in 65 verzen in het N.T. In 15 verzen bij Johannes.
- theos (God). In 1686 verzen in de bijbel; in 1399 verzen in het O.T., in 287 verzen in het N.T. In 17 verzen bij Johannes. (1) Joh 1,1 . (2) Joh 1,18 . (3) Joh 3,2 . (4) Joh 3,16 . (5) Joh 3,17 . (6) Joh 3,33 . (7) Joh 3,34 . (8) Joh 4,24 . (9) Joh 6,27 . (10) Joh 8,42 . (11) Joh 8,54 . (12) Joh 9,29 . (13) Joh 9,31 . (14) Joh 11,22 . (15) Joh 13,31 . (16) Joh 13,32 . (17) Joh 20,28 . Theon . Accusatief enkelvoud. In 12 verzen bij Johannes.

Joh 1,2 - Joh 1,2 -
Griekse tekst Vulgaat Liturgische lezing: Kerstmis - dagmis Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Persoonlijke vertaling
1:2 outos èn en archè pros ton theon  2 hoc erat in principio apud Deum 2 Dit was in het begin bij God.  [2] Het was in het begin bij God.  [2] Het was in het begin bij God.  [2] Het was in het begin bij God.   

 

Joh 1,3 - Joh 1,3 -
Griekse tekst Vulgaat Liturgische lezing: Kerstmis - dagmis Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Persoonlijke vertaling
1:3 panta di autou egenetai chôris autou egeneto oude en ho gegonen  3 omnia per ipsum facta sunt et sine ipso factum est nihil quod factum est  3 Alles is door Hem geworden en zonder Hem is niets geworden van wat geworden is.  [3] Alles* is door Hem ontstaan, en buiten Hem om is er niets ontstaan.
Wat ontstaan was, 
[3] Alles is erdoor ontstaan en zonder dit is niets ontstaan van wat bestaat.*  [3] Alles is erdoor ontstaan en zonder dit is niets ontstaan van wat bestaat.*    

Joh 1,4 - Joh 1,4 -
Griekse tekst Vulgaat Liturgische lezing: Kerstmis - dagmis Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Persoonlijke vertaling
1:4 en autô zôè èn kai hè zôè èn ho fôs tôn anthrôpôn   4 in ipso vita erat et vita erat lux hominum  4 In Hem was leven en dat leven was het licht der mensen. [4] had leven in Hem, en het leven was het licht van de mensen.  [4] In het Woord was leven en het leven was het licht voor de mensen.  [4] In het Woord was leven en het leven was het licht voor de mensen.   

zôè (leven)
- zôèn (leven) Accusatief enkelvoud. In 109 verzen in de bijbel; in 53 verzen in het O.T., in 56 verzen in het N.T. In 20 verzen bij Johannes. In 6 verzen in relatie tot eeuwig leven bezitten en geloven.

Joh 1,5 - Joh 1,5 -
Griekse tekst Vulgaat Liturgische lezing: Kerstmis - dagmis Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Persoonlijke vertaling
1:5 kai hè fôs en tè skotia fainei kai hè skotia auto ou katelaben 5 et lux in tenebris lucet et tenebrae eam non conprehenderunt    [5] Het licht schijnt in de duisternis, en de duisternis kon het niet aan.  [5] Het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet in haar macht gekregen.  [5] Het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet in haar macht gekregen.  

Joh 1,6 - Joh 1,6 -
Griekse tekst Vulgaat Liturgische lezing: 3ZA (B) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Persoonlijke vertaling
1:6 egeneto anthrôpos apestalmenos para theou onoma autô Iôannès  6 fuit homo missus a Deo cui nomen erat Iohannes  6 Er trad een mens op, een gezondene van God; zijn naam was Johannes. 
[6] Er is een mens geweest, een gezondene van God; zijn naam was Johannes. 
[6] Er kwam iemand die door God was gezonden; hij heette Johannes.  [6] Er kwam iemand die door God was gezonden; hij heette Johannes.   

8 woorden, 24 lettergrepen

- ginomai (gebeuren, worden, ontstaan), zie Joh 1,6 , Mc 1,4 en Mc 16,1 . Egeneto (het gebeurde, er werd) . In 925 verzen in de bijbel; in 730 verzen in het O.T., in 195 verzen in het N.T. In het O.T. is kai egeneto vaak de vertaling van het Hebreeuwse wajjehi(j) van het Hebreeuwse werkwoord hâjâh. In 13 verzen bij Matteüs, in 17 verzen bij Marcus, in 69 verzen bij Lucas, in 16 verzen bij Johannes, in 53 verzen in Hnd, enz. In Mc 1,4 komen we een paralleltekst met deze tegen : egeneto (kwam tevoorschijn) + onderwerp : egeneto Iôannès (Johannes trad op). In Joh 1,6 omsluiten de twee woorden de hele zin.
- anthrôpos (mens). Verwijzing : anthrôpos (mens), zie Joh 1,6 . Zelfstandig naamwoord, nominatief enkelvoud. In 512 verzen in de bijbel; in 394 verzen in het O.T., in 118 verzen in het N.T. . In 21 verzen bij Johannes. Anthrôpos is uit het Hebreeuwse ´âdâm vertaald.
--- anthrôpon (mens) accusatief enkelvoud. In 10 verzen bij Johannes .

3. apostellô (wegsturen, zenden) . Verwijzing : apostellô (wegsturen, zenden) , zie Joh 1,6 . Zie website http://www.lachairoi.org/shortstudies.php?PageNO=Korte%20studies&Glossary=Show# . In het N.T. 133 X .
Hebreeuws : sjâlach . In 141 verzen. In 10 verzen in Gn . In 23 verzen in Ex . In 6 verzen in Nu . In 1 vers in Dt .
--- apostellô (ik zend). Indicatief praesens 1ste persoon enkelvoud. In 20 verzen in de bijbel; in 12 verzen in het O.T., in 8 verzen in het N.T. In 3 verzen in Matteüs, in 1 vers bij Marcus, in 3 verzen bij Lucas, in 1 vers in Hnd. Hebreeuws ´äsjallach
--- apesteila (ik zond). Indicatief aorist 1ste persoon enkelvoud. In 28 verzen in de bijbel; in 24 verzen in het O.T., in 4 verzen in het N.T. In 1 vers bij Lucas, in 2 verzen bij Johannes. (1) Joh 4,38 : egô apesteila humas therizein (ik zond jullie om te oogsten) (2) Joh 17,18 : kagô apesteila autous eis ton kosmon (ook ik zond hen naar de wereld) .
--- apesteilas (jij zond). Indicatief aorist 2de persoon enkelvoud. In 19 verzen in de bijbel; in 12 verzen in het O.T., in 7 verzen in het N.T. Slechts bij Johannes. De tweede persoon enkelvoud slaat bij Johannes telkens op God, de Vader enz... In 5 van de 7 zinnen wordt de 2de persoon versterkt door het persoonlijk voornaamwoord van de 2de persoon enkelvoud su (jij). Apesteilas (jij zond) komt in ondergeschikte zinnen voor; in 5 voorwerpszinnen (3X : geloven; 2X : weten), in 1 betrekkelijke zin en in 1 vergelijkende zin. De voorwerpszinnen zijn identiek en komen als een geijkte formule over : hoti su me apesteilas (dat jij mij zond). De vergelijkende zin gelijkt sterk op de 5 voorwerpszinnen.

1. 2. 3. 4.   5. 6. 7.
Joh 11,42 Joh 17,3 Joh 17,8 Joh 17,18 Joh 20,21 Joh 17,21 Joh 17,23 Joh 17,25
hina (opdat) kai (en) kai (en)     hina (opdat) hina (opdat) kai (en)
              houtoi (deze)
pisteusôsin (zij zouden geloven)   episteusan (zij geloofden)     ho kosmos pisteuèi (de wereld zou geloven) gignôskèi ho kosmos (de wereld zou weten) egnôsan (wisten)
hoti (dat)   hoti (dat) kathôs (zoals) kathôs (zoals) hoti (dat) hoti (dat) hoti (dat)
su (jij) hon apesteilas Ièsoun Christon (die jij zond, Jezus Christus su (jij)     su (jij) su (jij) su (jij)
me apesteilas (mij zond).   me apesteilas (mij zond). eme apesteilas (jij mij zond) apestalken me (mij heeft gezonden) me apesteilas (mij zond). me apesteilas (mij zond). me apesteilas (mij zond).
      eis ton kosmon (naar de wereld)  ho patèr (de Vader)      
Lazarus weer tot leven gewekt : Joh 11,38-44 - Afscheidsgebed van Jezus : Joh 17,1-26            

--- apesteilen (hij zond). Indicatief aorist 3de persoon enkelvoud. In 347 verzen in de bijbel; in 309 verzen in het O.T., in 38 verzen in het N.T. In 9 verzen bij Matteüs (zie Mt 10,5) : (1) Mt 10,5 . (2) Mt 20,2 . (3) Mt 21,1 . (4) Mt 21,34 . (5) Mt 21,36 . (6) Mt 21,37 . (7) Mt 22,3 . (8) Mt 22,4 . (9) Mt 27,19 . In 5 verzen bij Marcus, in 9 verzen bij Lucas. In 9 verzen bij Johannes: (1) Joh 3,17 . (2) Joh 3,34 . (3) Joh 5,38 . (4) Joh 6,29 . (5) Joh 6,57 . (6) Joh 7,29 . (7) Joh 8,42 . (8) Joh 10,36 . (9) Joh 18,24 . In 8 verzen is het God, de Vader enz onderwerp van zending. In 2 verzen is het ho theos (God), in 2 verzen ho patèr (de Vader), in 4 verzen het aanwijzend voornaamwoord ekeinos (deze).

1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.     9.
Joh 3,17 Joh 3,34 Joh 5,38 Joh 6,29 Joh 6,57 Joh 7,29 Joh 8,42 Joh 10,36 Joh 5,36   Joh 18,24 Annas
ou gar (immers niet)     hina pisteuète (opdat je zoudt geloven) kathôs (zoals)   all' (maar)   hoti (want)    
  hon gar (die immers) hoti hon (want die) eis hon (in die)       hon (die)      
apesteilen (zond) apesteilen (zond) apesteilen (zond) apesteilen (zond) apesteilen me (mij zond) kakeinos me apesteilen (en hij mij zond) ekeinos me apesteilen (hij mij zond) ho patèr hègiasen kai apesteilen (de Vader heiligde en zond) ho patèr me apestalken (de Vader heeft me gezonden)    
ho theos (God) ho theos (God) ekeinos (hij) ekeinos (hij) ho zôn patèr (de levende Vader)            
ton huion (de zoon)                    
eis ton kosmon (naar de wereld)             eis ton kosmon (naar de wereld)      
Jezus en Nikodemus : Joh 2,23-3,21  Hij die van de hemel komt : Joh 3,31-36  De volmacht van de Zoon : Joh 5,19-47  Jezus : het brood om van te leven : Joh 6,26-59  Jezus : het brood om van te leven : Joh 6,26-59  Reacties van het volk : Joh 7,25-31 - Joh 7,25-31  Afstammelingen van Abraham : Joh 8,31-59 - Joh 8,31-59  Geloof en ongeloof : Joh 10,22-42 - Joh 10,22-42  De volmacht van de Zoon : Joh 5,19-47    Jezus voor de hogepriester - door Petrus verloochend : Joh 18,13-27 

--- apesteilan (zij zonden). Indicatief aorist 3de persoon meervoud. In 48 verzen in de bijbel; in 35 verzen in het O.T., in 13 verzen in het N.T. In 1 vers bij Matteüs, in 2 verzen bij Marcus, in 2 verzen bij Lucas, in 3 verzen bij Johannes, in 5 verzen in Hnd.
--- apestalken (hij heeft gezonden). Indicatief perfectum 3de persoon enkelvoud. In 29 verzen in de bijbel; in 22 verzen in het O.T., in 7 verzen in het N.T. Joh 20,21
--- apestalkate (jij hebt gezonden). Indicatief perfectum 2de persoon meervoud. In 2 verzen in de bijbel; in Gn 45,8 en in Joh 5,33.
--- apestalèn (ik werd gezonden). Passief aorist 1ste persoon enkelvoud. In 5 verzen in de bijbel; in 2 verzen in het O.T., in 3 verzen in het N.T. In 1 vers bij Matteüs, in 2 verzen bij Lucas.
--- apestalè (hij werd gezonden) . Passief aorist derde persoon mannelijk enkelvoud . In twaalf verzen in de bijbel . In tien verzen in het O.T. : (1) Js 6,6 (apestalè pros me hen tôn serafin = een van de Serafijnen werd tot mij gezonden) . (2) Js 20,1 . (3) Js 37,21 . (4) Est 3,13 . (5) Da 4,11 ( kai idou aggelos apestalè ek tou ouranou = en zie een engel werd gezonden vanuit de hemel) . (6) Da 4,21 (hoti aggelos apestalè para tou kuriou = want een engel werd gezonden vanwege de Heer) . (7) Ezr 5,5 . (8) Ezr 7,14 . (9) Tob 3,17 (apestalè = Rafaël werd gezonden) . (10) Sir 15,9 . In twee verzen in het N.T. : (1) Lc 1,26 (apestalè ho aggelos Gabrièl apo tou theou = de engel Gabriël werd door God gezonden) . (2) Hnd 28,28 . In vijf van de twaalf teksten werd een engel gezonden : (1) Js 6,6 , (5) Da 4,11 , (6) Da 4,21 , (9) Tob 3,17 en Lc 1,26 .
--- apestalmenos (gezonden). Passief participium mannelijk enkelvoud. In 3 verzen in de bijbel, nl. bij Johannes. In twee gevallen betreft het Johannes de Doper. (1) Joh 1,6 (2) Joh 3,28 (3) Joh 9,7 (Siloam: gezondene). apestalmenoi (gezondenen). In 8 verzen in de bijbel; in 3 verzen in het O.T., in 5 verzen in het N.T. In 1 vers bij Lucas, in 1 vers bij Johannes, enz.
- exapostellô (wegsturen , zenden) .
--- exapestalè (hij werd uitgezonden) . Passief tweede aorist derde persoon enkelvoud . In één vers in de bijbel nl. Hnd 13,26 .
- pempô (zenden)
--- pempsô (ik zal zenden). Indicatief futurum 1ste persoon enkelvoud. In 6 verzen in het N.T. In 1 vers in Lucas, In 3 verzen in Johannes, enz.
--- pempsasin (aan de gezondenen) . Indicatief participium datief meervoud. In 1 vers in de bijbel : Joh 1,22 .
- onoma (naam). Hebreeuws sjem. Onoma in 676 verzen in de bijbel; in 578 verzen in het O.T., in 98 verzen in het N.T. :In 10 verzen bij Matteüs, in 6 verzen bij Marcus, in 15 verzen bij Lucas, in 11 verzen bij Johannes enz.
--- onomati (met de naam). In 260 verzen in de bijbel; in 168 verzen in het O.T., in 92 verzen in het N.T. In 7 verzen bij Matteüs, in 8 verzen bij Marcus, in 16 verzen bij Lucas, in 13 verzen bij Johannes, in 35 verzen in Hnd enz.

Joh 1,7 - Joh 1,7 -
Griekse tekst Vulgaat Liturgische lezing: 3ZA (B) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Persoonlijke vertaling
1:7 outos èlthen eis marturian hina marturèsè peri tou fôtos hina pantes pisteusôsin di autou  7 hic venit in testimonium ut testimonium perhiberet de lumine ut omnes crederent per illum  7 Deze kwam tot getuigenis, om te getuigen van het Licht, opdat allen door hem tot geloof zouden komen.  [7] Hij kwam als getuige: hij moest getuigen van het licht, opdat allen door hem tot geloof zouden komen.  [7] Hij kwam als getuige, om van het licht te getuigen, opdat iedereen door hem zou geloven.  [7] Hij kwam als getuige, om van het licht te getuigen, opdat iedereen door hem zou geloven.    

martureô (getuigen) . Verwijzing : martureô (getuigen) , zie Joh 1,7 .
--- marturei (hij getuigt) . Indicatief praesens 3de persoon enkelvoud. In 11 verzen in de bijbel; in 3 verzen in het O.T., in 8 verzen in het N.T. Niet in Matteüs, Marcus en Lucas. In 6 verzen bij Johannes enz. (1) Joh 1,15 . (2) Joh 3,32 . (3) Joh 5,32 . (4) Joh 5,36 . (5) Joh 8,18 . (6) Joh 10,25 .
--- marturôn (getuigend - van de getuigen). Participium praesens nominatief mannelijk enkelvoud. Zelfstandig naamwoord genitief meervoud van martus. In 16 verzen in de bijbel; in 3 verzen in het O.T., in 13 verzen in het N.T. In 2 verzen bij Matteüs, in 1 vers bij Marcus, niet bij Lucas. Bij Johannes : (1) Joh 5,32 . (2) Joh 8,18 . (3) Joh 21,24 .
--- marturèsèi (hij zou getuigen). Conjunctief aorist 3de persoon enkelvoud. Slechts in 3 verzen in de bijbel, nl. bij Johannes.
--- martus (getuige). In 39 verzen in de bijbel; in 31 verzen in het O.T., in 8 verzen in het N.T. Niet in de evangelies.
--- marturos. Genitief enkelvoud. In 1 vers in de bijbel, nl. in Hnd.
--- martures (getuigen). Meervoud. In twintig verzen in de bijbel . In tien verzen in het O.T. . In tien verzen in het N.T. . Niet bij Matteüs en Marcus. In twee verzen bij Lucas : (1) Lc 11,48 . (2) Lc 24,48 . In zeven verzen in Hnd : (1) Hnd 1,8 . (2) Hnd 2,32 . (3) Hnd 3,15 . (4) Hnd 5,32 . (5) Hnd 7,58 . (6) Hnd 10,39 . (7) Hnd 13,31 . Tenslotte 1 Tes 2,10 .
--- marturia (getuigenis). Zelfstandig naamwoord, nominatief (of datief - marturiai -) mannelijk enkelvoud. In 54 verzen in de bijbel; in 40 verzen in het O.T., in 14 verzen in het N. In 1 vers bij Marcus, in 8 verzen bij Johannes enz.
--- Marturian (getuigenis). Accusatief enkelvoud. In 22 verzen in de bijbel; in 4 verzen in het O.T., in 18 verzen in het N.T. In 1 vers bij Marcus, in 6 verzen bij Johannes. (2) Joh 3,32 . (3) Joh 5,32 . (4) Joh 8,13 . (5) Joh 8,14 . (6) Joh 8,17 . (7) Joh 19,35 . (8) Joh 21,24 .
--- marturion (getuigenis). In 44 verzen in de bijbel; in 27 verzen in het O.T., in 17 verzen in het N.T. In 3 verzen bij Matteüs, in 3 verzen bij Marcus, in 3 verzen bij Lucas, niet bij Johannes,

 1. Johannes de Doper 2. Jezus 3. de Vader over Jezus 4. de werken over Jezus 5. de Vader over Jezus 6. de werken over Jezus
Joh 1,15 Joh 3,32 Joh 5,32 Joh 5,36 Joh 8,18 Joh 10,25
  ho eôraken kai èkousen (wat hij zag en hoorde)  hèn (het getuigenis dat)   kai (en)  
Iôannès (Johannes)     auta ta erga ha poiô (de werken zelf die ik doe)   ta erga ha egô poiô en tôi onomati tou patros mou tauta (de werken die ik doe in de naam van mijn Vader / die - werken -)
marturei (getuigt) touto marturei (dit getuigt hij) marturei (hij getuigt) marturei ( getuigen) marturei (hij getuigt) marturei ( getuigen)
peri autou (over hem)   peri emou (over mij) peri emou (over mij) peri emou (over mij) peri emou (over mij)
      hoti ho patèr me apestalken (dat de Vader mij heeft gezonden) ho pempsas me patèr (de vader die me zond)  
 (In het begin was het Woord) : Joh 1,1-18 -  Hij die van de hemel komt : - Joh 3,31-36 -  De volmacht van de Zoon : Joh 5,19-47 -  De volmacht van de Zoon : Joh 5,19-47 -  Jezus : het licht van de wereld : Joh 8,12-20 -  Geloof en ongeloof : Joh 10,22-42 -

 

Joh 5,32 Joh 5,31 Joh 8,13 Joh 8,14 Joh 8,17 Joh 8,18  Joh 19,35 Joh 21,24 
allos estin (een ander is)         egô eimi (ik ben)  kai ho heôrakôs (en wie heeft gezien) Houtos estin ho mathètès (dit is de leerling) 
ho marturôn peri emou (die getuigt over mij)  ean marturô peri emautou (indien ik getuig over mezelf) su peri seautou martureis (jij getuigt over jezelf) kan egô marturô peri emautou (zelfs als ik getuig over mezelf) hoti (dat) ho marturôn peri emautou (die getuigt over mijzelf) memarturèken (heeft getuigd) ho marturôn peri toutôn kai grapsas auta (die getuigt over deze zingen en die deze dingen schreef)
kai oida (en ik weet)               kai oidamen (en wij weten)
hoti alèthès estin hè marturia (dat waar is het getuigenis) hè marturia mou ouk estin alèthès (mijn getuigenis is niet waar) hè marturia sou ouk estin alèthès (jouw getuigenis is niet waar) alèthès estin hè marturia mou waar is mijn getuigenis) duo anthrôpôn hè marturia alèthès estin (het getuigenis van twee mensen waar is)   kai alèthinè autou estin hè marturia (en waar is zijn getuigenis) hoti alèthès autou hè marturia estin (dat waar is zijn getuigenis) 
hèn marturei peri emou (dat getuigt over mij)           kai marturei peri emou ho pempsas me patèr (en de Vader die mij zond, getuigt over mij)      
De volmacht van de Zoon : Joh 5,19-47  De volmacht van de Zoon : Joh 5,19-47 Jezus : het licht van de wereld : Joh 8,12-20 Jezus : het licht van de wereld : Joh 8,12-20 Jezus : het licht van de wereld : Joh 8,12-20 Jezus : het licht van de wereld : Joh 8,12-20  Doorboring van Jezus'zijde : Joh 19,31-37 De leerling van wie Jezus hield : Joh 21,20-25 

 

 

Joh 1,8 - Joh 1,8 -
Griekse tekst Vulgaat Liturgische lezing: 3ZA (B) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Persoonlijke vertaling
1:8 ouk èn ekeinos to fôs all hina marturèsè peri tou fôtos  8 non erat ille lux sed ut testimonium perhiberet de lumine   8 Niet hij was het Licht, maar hij moest getuigen van het Licht.   [8] Hij was niet het licht, hij moest getuigen van het licht.  [8] Hij was niet zelf het licht, maar hij was er om te getuigen van het licht:  [8] Hij was niet zelf het licht, maar hij was er om te getuigen van het licht:   

Joh 1,9 - Joh 1,9 -
Griekse tekst Vulgaat Liturgische lezing: Kerstmis - dagmis Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Persoonlijke vertaling
1:9 èn to fôs to alèthinon ho fôtizei panta anthrôpon erchomenon eis ton kosmon  9 erat lux vera quae inluminat omnem hominem venientem in mundum  9 Het ware Licht dat iedere mens verlicht kwam in de wereld.  [9] Het* ware licht was er, dat elke mens verlicht en dat in de wereld* moest komen.  [9] het ware licht, dat ieder mens verlicht en naar de wereld kwam.  [9] het ware licht, dat ieder mens verlicht en naar de wereld kwam.    

Joh 1,10 - Joh 1,10 -
Griekse tekst Vulgaat Liturgische lezing: Kerstmis - dagmis Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Persoonlijke vertaling
1:10 en tô kosmô èn kai ho kosmos di autou egeneto kai ho kosmos auton ouk egnô   10 in mundo erat et mundus per ipsum factus est et mundus eum non cognovit   10 Hij was in de wereld; de wereld was door Hem geworden en toch erkende de wereld Hem niet.  [10] Het was in de wereld, een wereld die door Hem was ontstaan, en die wereld heeft Hem niet erkend.   [10] Het Woord was in de wereld, de wereld is door hem ontstaan en toch kende de wereld hem niet.  [10] Het Woord was in de wereld, de wereld is door hem ontstaan en toch kende de wereld hem niet.    

Joh 1,11 - Joh 1,11 -
Griekse tekst Vulgaat Liturgische lezing: Kerstmis - dagmis Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Persoonlijke vertaling
1:11 eis ta idia èlthen kai oi idioi auton ou parelabon  11 in propria venit et sui eum non receperunt   11 Hij kwam in het zijne, maar de zijnen aanvaardden Hem niet.  [11] In zijn eigen* huis is Hij gekomen, en zijn eigen* mensen hebben Hem niet opgenomen.  [11] Hij kwam naar wat van hem was, maar wie van hem waren hebben hem niet ontvangen.  [11] Hij kwam naar wat van hem was, maar wie van hem waren hebben hem niet ontvangen.    

Joh 1,12 - Joh 1,12 -
Griekse tekst Vulgaat Liturgische lezing: Kerstmis - dagmis Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Persoonlijke vertaling
1:12 osoi de elabon auton edôken autois exousian tekna theou genesthai tois pisteuousin eis to onoma autou  12 quotquot autem receperunt eum dedit eis potestatem filios Dei fieri his qui credunt in nomine eius   12 Aan allen echter die Hem wel aanvaardden, aan hen die in zijn Naam geloven gaf Hij het vermogen kinderen van God te worden. [12] Aan diegenen die Hem toch opnamen, heeft Hij het vermogen gegeven om kinderen te worden van God: aan hen die geloven* in zijn naam.  [12] Wie hem wel ontvingen en in zijn naam geloven, heeft hij het voorrecht gegeven om kinderen van God te worden.   [12] Wie hem wel ontvingen en in zijn naam geloven, heeft hij het voorrecht gegeven om kinderen van God te worden.    

Joh 1,13 - Joh 1,13 -
Griekse tekst Vulgaat Liturgische lezing: Kerstmis - dagmis Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Persoonlijke vertaling
1:13 oi ouk ex aimatôn oude ek thelèmatos sarkos oude ek thelèmatos andros all ek theou egennèthèsan  13 qui non ex sanguinibus neque ex voluntate carnis neque ex voluntate viri sed ex Deo nati sunt   13 Zij zijn niet uit bloed noch uit begeerte van het vlees of de wil van een man, maar uit God geboren.  [13] Niet langs de weg van het bloed, niet door de begeerte van het vlees of door mannelijk streven, maar uit God zijn ze geboren.  [13] Zij zijn niet op natuurlijke wijze geboren, niet uit lichamelijk verlangen of uit de wil van een man, maar uit God.  [13] Zij zijn niet op natuurlijke wijze geboren, niet uit lichamelijk verlangen of uit de wil van een man, maar uit God.   

Joh 1,14 - Joh 1,14 -
Griekse tekst Vulgaat Liturgische lezing: Kerstmis - dagmis Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Persoonlijke vertaling
1:14 kai ho logos sarx egeneto kai eskènôsen en èmin kai etheasametha tèn doxan autou doxan ôs monogenous para patros plèrès charitos kai alètheias   14 et Verbum caro factum est et habitavit in nobis et vidimus gloriam eius gloriam quasi unigeniti a Patre plenum gratiae et veritatis  14 Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond. Wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, zulk een heerlijkheid als de Eniggeborene van de Vader ontvangt, vol genade en waarheid.  
[14] Ja, het woord* is vlees geworden! Hij* is onder ons zijn tent komen opslaan en we hebben zijn heerlijkheid gezien, de heerlijkheid die Hij als eniggeboren* Zoon aan de Vader ontleende, vervuld als Hij was van genade en waarheid. 
[14] Het Woord is mens geworden en heeft bij ons gewoond, vol van goedheid en waarheid, en wij hebben zijn grootheid gezien, de grootheid van de enige Zoon van de Vader.  [14] Het Woord is mens geworden en heeft bij ons gewoond, vol van goedheid en waarheid, en wij hebben zijn grootheid gezien, de grootheid van de enige Zoon van de Vader.   

exèlthon (ik ging uit of zij gingen uit). Indicatief aorist 1ste persoon enkelvoud of 3de persoon meervoud. In 7 verzen bij Johannes. 3de persoon meervoud (1) Joh 4,30 (2) Joh 12,13 (3) Joh 21,3.

                   
Joh 8,42 Joh 16,27 Joh 16,28 Joh 17,8            
egô gar (ik immers) hoti egô (want ik)   hoti (dat)            
ek tou theou (uit God) para tou theou (vanbij God)   para sou (vanbij U)            
exèlthon (ben uitgegaan) exèlthon (ben uitgegaan) exèlthon (ben uitgegaan) exèlthon (ben uitgegaan)            
    para tou patros (vanbij de vader)              
                   
                   
                   
                   

 

Joh 1,15 - Joh 1,15 -
Griekse tekst Vulgaat Liturgische lezing: Kerstmis - dagmis Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Persoonlijke vertaling
1:15 Iôannès marturei peri autou kai kekragen legôn outos èn on eipon ho opisô mou erchomenos emprosthen mou gegonen oti prôtos mou èn 15 Iohannes testimonium perhibet de ipso et clamat dicens hic erat quem dixi vobis qui post me venturus est ante me factus est quia prior me erat    [15] Van Hem legt Johannes getuigenis af en zijn verklaring luidt: ‘Hem bedoelde ik toen ik zei: “Hij die na mij komt, is mijn meerdere, want vóór mij was Hij er al.” ’  [15] Van hem getuigde Johannes toen hij uitriep: ‘Hij is het over wie ik zei: “Die na mij komt is meer dan ik, want hij was er vóór mij!”’   [15] Van hem getuigde Johannes toen hij uitriep: Hij is het over wie ik zei: “Die na mij komt is meer dan ik, want hij was er vóór mij!”    

Joh 1,16 - Joh 1,16 -
Griekse tekst Vulgaat Liturgische lezing: Kerstmis - dagmis Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Persoonlijke vertaling
1:16 oti ek tou plèrômatos autou èmeis pantes elabomen kai charin anti charitos  16 et de plenitudine eius nos omnes accepimus et gratiam pro gratia   
[16] Van zijn volheid hebben wij allen ontvangen, genade op genade. 
[16] Uit zijn overvloed zijn wij allen met goedheid overstelpt.   [16] Uit zijn overvloed zijn wij allen met goedheid overstelpt.    

Joh 1,17 - Joh 1,17 -
Griekse tekst Vulgaat Liturgische lezing: Kerstmis - dagmis Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Persoonlijke vertaling
1:17 oti ho nomos dia môuseôs edothè hè charis kai hè alètheia dia Ièsou Christou egeneto   17 quia lex per Mosen data est gratia et veritas per Iesum Christum facta est     [17] Want* is de wet gegeven door Mozes, de genade en de waarheid zijn gebracht door Jezus Christus.  [17] De wet is door Mozes gegeven, maar goedheid en waarheid zijn met Jezus Christus gekomen.  [17] De wet is door Mozes gegeven, maar goedheid en waarheid zijn met Jezus Christus gekomen.   

Joh 1,18 - Joh 1,18 -
Griekse tekst Vulgaat Liturgische lezing: Kerstmis - dagmis Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Persoonlijke vertaling
1:18 theon oudeis heôraken pôpote monogenès theos ho ôn eis ton kolpon tou patros ekeinos exègèsato  18 Deum nemo vidit umquam unigenitus Filius qui est in sinu Patris ipse enarravit     [18] Niemand* heeft God ooit gezien, maar de eniggeboren God, die rust aan het hart van de Vader, Hij heeft Hem doen kennen.  [18] Niemand heeft ooit God gezien, maar de enige Zoon, die zelf God is,* die aan het hart van de Vader rust, heeft hem doen kennen.  [18] Niemand heeft ooit God gezien, maar de enige Zoon, die zelf God is,* die aan het hart van de Vader rust, heeft hem doen kennen.    

15 woorden; 34 lettergrepen
exègeomai : uiteenzetten, doen kennen. In deze vorm is het een hapax bij Johannes.

fôs (licht) 14X bij Johannes
(1) Joh 1,4 (2) Joh 1,5 (3) Joh 1,8 (4) Joh 1,9 (5) Joh 3,19 (6) Joh 3,19 (7) Joh 3,20 (8) Joh 3,20 (9) Joh 3,21 (10) Joh 8,12 (11) Joh 8,12 (13) Joh 9,5 (14) Joh 11,9 (15) Joh 11,10 (16) Joh 12,35 (17) Joh 12,35 (18) Joh 12,36 (19) Joh 12,36 (20) Joh 12,46

- heôraken (hij heeft gezien). Indicatief perfectum 3de persoon enkelvoud van het werkwoord horaô (zien). In 4 verzen bij Johannes. (1) Joh 1,18 (2) Joh 3,32 (3) Joh 6,46 ouch hoti ton pâtera eôraken tis ei mè ôn para tou theou houtos eôraken ton patera (niet omdat iemand de Vader heeft gezien tenzij hij die bij God is, hij heeft de Vader gezien) (4) Joh 14,9 .
- monogenès (eniggeboren) komt bij Johannes slechts in Joh 1,18 voor. Hij wordt hier eniggeboren God genoemd. In Joh 3,16 lezen we hôste ton huion ton monogenè edôken (zodat Hij de eniggeboren zoon gaf).

 

dia : 44X bij Johannes. dia + genitief : door, via. dia + accusatief : omwille van.

Het getuigenis van Johannes : Joh 1,19-34 - Joh 1,19-34 -- verwijzingen -- Joh 1,19 - Joh 1,20 - Joh 1,21 - Joh 1,22 - Joh 1,23 - Joh 1,24 - Joh 1,25 - Joh 1,26 - Joh 1,27 - Joh 1,28 - Joh 1,29 - Joh 1,30 - Joh 1,31 - Joh 1,32 - Joh 1,33 - Joh 1,34 -

Na het voorwoord begint het eigenlijke verhaal. Het vangt aan met een bekentenis - getuigenis. Het vangt aan met een rapport, een proces-verbaal. Er is een onderzoekscommissie gestuurd uit de hoogste geestelijke kringen. Zij moet nagaan wat zich aan de Jordaan afspeelt en wie de persoon is die optreedt. Bij het lezen merken we onmiddellijk dat we met een introductiefiguur te maken hebben. Hij is niet de christus, niet de profeet (Mozes), niet Elia. Zo krijgen we wel het vermoeden dat het verhaal daarover zal gaan; een verhaal dat hoge verwachtingen wekt. Er komt een tweede onderzoekscommisie; zij wil weten waarom Johannes doopt. Opnieuw wordt de blik naar de toekomst gericht. Hij, Johannes, doopt met water; die na hem komt zal dopen met geest. Geest is wind. De komende figuur zal het laten waaien, hij zal in beweging brengen. Er is iets op til. Er komt verandering. Zo kunnen we Joh 1,19-34 onderverdelen in Joh 1,19-28 en Joh 1,29-34.

Joh 1,19-28 telt 157 W en 322 L. Beschouwen we Joh 1,19a als een opschrift, dan telt de perikope 150 W (3 X 50) en 308 L (4 X 77 of 28 X 11). Joh 1,23 is het centrale vers. Het telt 16 W en 36 L. 71 W gaan eraan vooraf (24 + 13 + 19 + 15), 70 W volgen erop. In Joh 1,23 tellen de woorden van Johannes 34 L. Hieraan gaan 144 L vooraf en volgen 144 L.

De indeling in verzen is van latere datum. De tekst werd in 9 verzen ingedeeld. Verandering van vers heeft meestal plaats bij verandering van personage. Dit is het geval in (1) Joh 1,19 (2) Joh 1,20 (3) Joh 1,22 (4) Joh 1,23 (5) Joh 1,24 (6) Joh 1,26 (7) Joh 1,28 . Zonder verandering van personage kwam er toch een nieuw vers in Joh 1,25 en Joh 1,27 . In de perikope komt 11X het nevenschikkend voegwoord kai (en) voor; 10X bij het begin van een zin, 1X als verbinding tussen twee zinsdelen.

1. afgevaardigden 1. Johannes 2. afgevaardigden 2. Johannes 3. afgevaardigden 3. Johannes 4. afgevaardigden 4. Johannes 5. afgevaardigden van de Farizeeën 5. Johannes
Joh 1,19 Joh 1,20 Joh 1,21 Joh 1,21 Joh 1,21 Joh 1,21 Joh 1,22 Joh 1,23 Joh 1,25 Joh 1,26
hina (opdat) kai (en) kai (en) kai (en)   kai (en)     kai (en)  
erôtèsôsin (zij zouden vragen) hômologèsen... (en hij beleed...) èrôtèsan (zij vroegen) legei (hij zegt)   apekrithè (hij antwoordde) eipan oun (ze zeiden derhalve) efè (hij zei) èrôtèsan (zij vroegen) apekrithè (hij antwoordde)
auton (hem)   auton (hem)       autôi (tot hem)   auton (hem) autois (hen)
                  ho Iôannès (Johannes
                kai eipan autôi (en zij zeiden hem)  legôn (zeggende)
su tís ei (wie ben je?) egô ouk eimi ho christos (ik ben de messias niet) tí oun (wat dan?) Hèlias ei su; (ben je Elia?) ouk eimi (ik ben hem niet) ho profètès ei su (de profeet ben je) ou  tís ei (wie ben je?) egô fônè... (ik ben de stem tí oun baptizeis ei su ouk ei ... (waarom doop je dan als je noch ... bent egô baptizô (ik doop...) 

 

Joh 1,19 - Joh 1,19 - Het getuigenis van Johannes : Joh 1,19-34 -- Joh 1,19 - Joh 1,20 - Joh 1,21 - Joh 1,22 - Joh 1,23 - Joh 1,24 - Joh 1,25 - Joh 1,26 - Joh 1,27 - Joh 1,28 -
Griekse tekst Vulgaat Liturgische lezing: 3ZA (B) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Persoonlijke vertaling
1:19 kai hautè estin hè marturia tou Iôannou hote apesteilan pros auton hoi Ioudaioi ex Hierosolumôn hiereis kai leuitas hina erôtèsôsin auton su tis ei  19 et hoc est testimonium Iohannis quando miserunt Iudaei ab Hierosolymis sacerdotes et Levitas ad eum ut interrogarent eum tu quis es  19 Dit dan is het getuigenis van Johannes, toen de Joden uit Jeruzalem priesters en levieten naar hem toezonden om hem te vragen: "Wie zijt gij?"   [19] Dit* dan is het getuigenis van Johannes. De Joden* hadden uit Jeruzalem priesters en Levieten op hem afgestuurd met de vraag: ‘Wie bent u?’  [19] Dit is het getuigenis van Johannes. De Joden hadden vanuit Jeruzalem priesters en Levieten naar hem toe gestuurd om hem te vragen: ‘Wie bent u?’   [19] Dit is het getuigenis van Johannes. De Joden hadden vanuit Jeruzalem priesters en Levieten naar hem toe gestuurd om hem te vragen: Wie bent u?    

Joh 1,19 is een lange zin. Hij bestaat uit een hoofdzin en een ondergeschikte zin (van tijd), met op zijn beurt een ondergeschikte zin (van doel) die op zijn beurt een objectzin heeft in de rechtstreekse rede. De hoofdzin bestaat uit 7 W en 14 L. De eerste ondergeschikte zin bestaat uit 11 W en 27 L, de ondergeschikte zin van doel telt 3 W en 9 L en de objectzin 3 W en 3 L. Het verhalend gedeelte van de ondergeschikte zin bestaat uit 36 L (het kwadraat van 6) of 27 (3 X 9) + 9 . Het verhalend gedeelte bestaat dus uit 21 W en 50 L, de vraagzin in directe rede uit 3 W en 3 L. Totaal : 24 W en 53 L. In dit vers zien we 2X het getal 9 verschijnen.

- Ioudaioi (Judeeërs). In 83 verzen in de bijbel. In 16 verzen in het O.T., in 67 verzen in het N.T. In 1 vers bij Marcus, in 30 verzen bij Johannes. De Judeeërs zijn de eersten die naar Johannes toekomen. Zij zijn het die Jezus zullen laten veroordelen tot de dood.
- hiereus (priester). Zelfstandig naarwoord. Nominatief enkelvoud. In 243 verzen in de bijbel; in 11 verzen in het N.T. Archiereus (hogepriester). In 37 verzen in de bijbel; in 28 verzen in het N.T.
--- hiereis (priesters). Zelfstandig naamwoord. Nominatief en accusatief meervoud. In 233 verzen in de bijbel; in 11 verzen in het N.T.
- Levitai (Levieten). In 97 verzen in de bijbel. In 0 verzen in het N.T.
- persoonlijke voornaamwoorden
--- egô (ik). Persoonlijk voornaamwoord 1ste persoon enkelvoud. Hebreeuws ´^anokhi (in 276 verzen in de bijbel) . In 1553 verzen in de bijbel; in 1234 verzen in het O.T., in 319 verzen in het N.T. In 28 verzen bij Matteüs, in 14 verzen bij Marcus, in 21 verzen bij Lucas, in 123 verzen bij Johannes, in 42 verzen in Hnd.
--- su (jij). Persoonlijk voornaamwoord 2de persoon enkelvoud. Hebreeuws ´attâh (in 614 verzen in de bijbel). In 981 verzen in de bijbel; in 720 verzen in het O.T., in 161 verzen in het N.T. In 17 verzen bij Matteüs, in 9 verzen bij Marcus, in 25 verzen bij Lucas, in 53 verzen bij Johannes, in 17 verzen in Hnd enz.

Joh 1,20 - Joh 1,20 - Het getuigenis van Johannes : Joh 1,19-34 -- Joh 1,19 - Joh 1,20 - Joh 1,21 - Joh 1,22 - Joh 1,23 - Joh 1,24 - Joh 1,25 - Joh 1,26 - Joh 1,27 - Joh 1,28 -
Griekse tekst Vulgaat Liturgische lezing: 3ZA (B) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Persoonlijke vertaling
1:20 kai hômologèsen kai ouk èrnèsato kai hômologèsen oti egô ouk eimi ho christos  20 et confessus est et non negavit et confessus est quia non sum ego Christus  20 Daarop verklaarde hij zonder enig voorbehoud en met grote stelligheid: "Ik ben de Messias niet."   [20] Onomwonden kwam hij ervoor uit: ‘Ik ben de Messias* niet.’   [20] Hij gaf zonder aarzelen antwoord en verklaarde ronduit: ‘Ik ben niet de messias.’   [20] Hij gaf zonder aarzelen antwoord en verklaarde ronduit: Ik ben niet de messias.   

Joh 1,20 telt 13 W

(1) Joh 1,20 : egô ouk eimi ho christos (ík ben niet de Christus)
(2) Joh 1,21 : Su Hèlias ei; (Jij bent Elia) kai legei (en hij zegt) ouk eimi (ik ben hem niet)
(3) Joh 1,27 : ho opisô mou erchomenos, ho ouk eimi egô axios (de na mij komende, van wie ík niet waardig ben)
(4) Joh 3,28 : hoti ouk eimi egô ho christos all' hoti apestalmenos eimi emprosthen ekeinou (dat ík niet de Christus ben, maar dat ik de gezondene ben vóór hem).
(5) Joh 4,26 : egô eimi, ho lalôn soi (ík ben hem, die tot jou spreekt) Jezus tot de Samaritaanse vrouw.
(6) Joh 6,19 : egô eimi (ík ben het). Jezus wandelend over het meer.
(7) Joh 6,35 + (9) Joh 6,48 : egô eimi ho artos tès zôès (ík ben het brood van het leven)
(8) Joh 6,41 : egô eimi ho artos ho katabas tou ouranou (ik ben het brood, neergedaald uit de hemel)
(10) Joh 6,51 : egô eimi ho artos ho zôn ho ek tou ouranou katabas (ik ben het levende brood dat uit de hemel neerdaalde)
(11) Joh 7,28 : oidate pothen eimi (jullie weten vanwaar ik ben)
(12) Joh 7,29 : hoti par'autou eimi (want vanbij hem ben ik)
(13) Joh 7,33 : eti chronon mihron meth'humô eimi (nog een weinig tijd ben ik bij jullie)
(14) Joh 7,34 + (15) Joh 7,36): kai hopou eimi egô humeis ou dunathe elthein (en waar ík ben, kunnen jullie niet komen)
(16) Joh 8,12 : Egô eimi to fôs tou kosmou (ik ben het licht van de wereld)
















Joh 1,21 - Joh 1,21 - Het getuigenis van Johannes : Joh 1,19-34 -- Joh 1,19 - Joh 1,20 - Joh 1,21 - Joh 1,22 - Joh 1,23 - Joh 1,24 - Joh 1,25 - Joh 1,26 - Joh 1,27 - Joh 1,28 -
Griekse tekst Vulgaat Liturgische lezing: 3ZA (B) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Persoonlijke vertaling
1:21 kai èrôtèsan auton ti oun su Hèlias ei kai legei ouk eimi ho profètès ei su kai apekrithè ou  21 et interrogaverunt eum quid ergo Helias es tu et dicit non sum propheta es tu et respondit non  21 Zij vroegen hem: "Wat dan? Zijt gij Elia?" Hij zei: "Dat ben ik niet." "Zijt gij de profeet?" Hij antwoordde: "Neen."  [21] ‘Wie dan wel? Bent u Elia?’ vroegen ze. ‘Die ben ik ook niet’, antwoordde hij. ‘Bent u soms de profeet?’ – ‘Nee’, zei hij.   [21] Toen vroegen ze hem: ‘Wie dan? Bent u Elia?’ Hij zei: ‘Die ben ik ook niet.’ ‘Bent u de profeet?’ ‘Nee,’ antwoordde hij.  [21] Toen vroegen ze hem: Wie dan? Bent u Elia? Hij zei: Die ben ik ook niet. Bent u de profeet? Nee, antwoordde hij.   

Tekstuitleg van Joh 1,21

Joh 1,21 telt negentien woorden .

legô (zeggen) . Verwijzing : legô (zeggen) , zie Joh 1,21 .

legô (ik zeg) In 36X bij Johannes  
legei (112X bij Johannes) (1) Joh 1,21 : - Joh 1,19-34 - (2) Joh 1,29 - Joh 1,19-34 - (3) Joh 1,36 - Joh 1,35-42 - (4) Joh 1,38: - Joh 1,35-42 - (5) Joh 1,41 - Joh 1,35-42 - (6) Joh 1,43
legete (jullie zeggen) 7X bij Johannes  
legousin (zij zeggen) 9X bij Johannes  
 legôn (zeggende) 8X bij Johannes  
legontes (zeggende) 10X bij Johannes  
 elegen (hij zei) 13X bij Johannes  
elegon (zij zeiden) : éénendertig verzen bij Johannes  
 eipôn (zeggende) 11X bij Johannes  
 eipontos (zeggende) participium aorist genitief  
 eipen (hij zei) 114X bij Johannes  zie
 eipan (zij zeiden) 26X bij Johannes  
 eipon (zij zeiden) 39X bij Johannes  
   
   
   
   
   

elegon (zij zeiden) 31X bij Johannes (1) Joh 4,33(2) Joh 4,42(3) Joh 5,10 (4) Joh 6,14 (5) Joh 6,42 (6) Joh 7,11 (7) Joh 7,12(8) Joh 7,25 (9) Joh 7,31(10) Joh 7,40 (11) Joh 7,41(12) Joh 7,41 (13) Joh 8,6 (14) Joh 8,19 (15) Joh 8,22(16) Joh 8,25(17) Joh 9,8 (18) Joh 9,9(19) Joh 9,9 (20) Joh 9,10 (21) Joh 9,21

In 5 verzen staat bij eipôn (gezegd) het aanwijzend voornaamwoord tauta (dat); in 4 vrezen touto (dat, dit).

eipôn (gezegd) . In 11 verzen bij Johannes
(1) Joh 5,12 : Tís estin ho anthrôpos ho eipôn soi : Aron kai peripatei ; (Wie is de man die aan jou zei : Neem op en wandel). eipôn (gezegd) verwijst naar Joh 5,8 - Joh 5,1-18 -
(2) Joh 7,9 : tauta de eipôn autos emeinen en tèi Galilaiai (Dat gezegd echter bleef hij in Galilea). Het eerste deel van het vers verwijst naar wat Jezus zei in Joh 7,6-8 - Joh 7,1-13 -.
(3) Joh 9,6 : tauta eipôn (dat gezegd) verwijst naar de woorden van Jezus in Joh 9,3-5.
(4) Joh 11,43 : kai tauta eipôn (en dat gezegd) verwijst naar het gebed van Jezus in Joh 11,41b-42.
(5) Joh 13,21 : tauta eipôn (dat gezegd) verwijst naar de woorden van Jezus in Joh 13,13b-20.
(6) Joh 18,1 : tauta eipôn (dat gezegd) verwijst naar het gebed van Jezus in Joh 17,1b-26
(7) Joh 18,22 : eipôn (gezegd) . Eén van de dienaar van de hogepriester reageert op wie Jezus zegt met de woorden. Eipôn (gezegd) leidt het citeren in. Dit is zeldzaam. Eerder wordt legôn (zeggend) hiervoor gebruikt.
(8) Joh 18,18 : kai touto eipôn palin exèlthen (en dit gezegd ging Pilatis terug naar buiten) verwijst naar de woorden van Pilatis tí estin alètheia (wat is waarheid?)
(9) Joh 20, 20 : touto eipôn (dit gezegd) verwijst naar de woorden van Jezus in Joh 20,19b : eirènè humin (vrede aan jullie)
(10) Joh 20, 22 : touto eipôn (dit gezegd) verwijst naar de woorden van Jezus in Joh 20,21.
(11) Joh 21, 19b : kai touto eipôn (en dit gezegd) verwijst naar de woorden van Jezus in Joh 21,17b-18

erôtaô (vragen)
èrôtèsan (zij vroegen) komt in 11 verzen in de bijbel voor; in 3 verzen in het O.T., in 8 verzen in het N.T. Niet bij Matteüs, noch bij Marcus, in 1 vers bij Lucas, in 6 verzen bij Johannes : (1) Joh 1,21 . (2) Joh 1,25 . (3) Joh 5,10 . (4) Joh 9,2 . (5) Joh 9,19 . (6) Joh 19,31 , in 1 vers in Hnd.

(slechts 1X in deze vorm) Joden, afgevaardigd uit Jeruzalem, priesters en levieten 1. Joden, afgevaardigd uit Jeruzalem, priesters en levieten 2. afgevaardigden van de Farizeeën 3. de Joden 4. de leerlingen van Jezus   5. de joden   6. de joden 
Joh 1,19 Joh 1,21 Joh 1,25 Joh 5,10 Joh 9,2 Joh 9,19 Joh 19,31 
hina (opdat) kai (en) kai (en) kai (en) kai (en) kai (en)  
erôtèsôsin (zij zouden vragen) èrôtèsan (zij vroegen) èrôtèsan (zij vroegen) èrôtèsan (zij vroegen) èrôtèsan (zij vroegen) èrôtèsan (zij vroegen) èrôtèsan (zij vroegen)
auton (hem) auton (hem) auton (hem) auton (hem) auton (hem) hoi mathètai autou (zijn leerlingen) autous (hen) ton Pilaton (Pilatus)
    kai eipan autôi (en zij zeiden hem)   legontes (zeggende) legontes (zeggende)  
su tís ei; (wie ben je?) tí oun (wat dan?) Hèlias ei su; (ben je Elia?) tí oun baptizeis ei su ouk ei ... (waarom doop je dan als je noch ... bent tís estin ho anthrôpos ho eioôn soi (wie zei je?)  rabbi, tís èmarten (Meester, wie heeft gezondigd...) ... pôs ... (hoe...?)  hina (opdat)
Het getuigenis van Johannes : Joh 1,19-34 Het getuigenis van Johannes : Joh 1,19-34

Het getuigenis van Johannes : Joh 1,19-34

 Genezing van een lamme : Joh 5,1-18 -  Genezing van een blindgeborene : Joh 9,1-38 Genezing van een blindgeborene : Joh 9,1-38  Doorboring van Jezus'zijde : Joh 19,31-37 -

In 5 van de 6 gevallen staat kort na het werkwoord erôtaô (vragen) een vragend voornaamwoord. In enkele gevallen (Joh 1,25 , Joh 9,2 en Joh 9,19) wordt na het werkwoord erôtaô (vragen) een vorm van het werkwoord legô (zeggen) gebruikt om een citaat in te leiden. Behalve in Joh 5,10 en Joh 19,31 wordt op de vraag een antwoord gegeven met een vorm van het werkwoord apokrinomai (antwoorden) bij Johannes, zie Joh 1,21.
- apekrithè (hij antwoordde). In 57 verzen bij Johannes, zie Joh 1,21.

erôtaô (vragen) - apokrinomai (antwoorden)

   1. Joden, afgevaardigd uit Jeruzalem, priesters en levieten Johannes 2. afgevaardigden van de Farizeeën Johannes 4. de leerlingen van Jezus   Jezus 5. de joden   de ouders
Joh 1,19 Joh 1,21 Joh 1,21 Joh 1,25 Joh 1,26 Joh 9,2   Joh 9,3 Joh 9,19  Joh 9,20
hina (opdat) kai (en) kai (en) kai (en)   kai (en)   kai (en)  
erôtèsôsin (zij zouden vragen) èrôtèsan (zij vroegen) apekrithè (hij antwoordde) èrôtèsan (zij vroegen) apekrithè (hij antwoordde) èrôtèsan (zij vroegen) apekrithè (hij antwoordde) èrôtèsan (zij vroegen) apekrithèsan oun (zij antwoordden dus)
auton (hem) auton (hem)   auton (hem) autois (hen) auton (hem) ...   autous (hen)  
        ho Iôannès (Johannes)   Ièsous (Jezus)   hoi goneis autou (zijn ouders)
      kai eipan autôi (en zij zeiden hem)  legôn (zeggende)     legontes (zeggende) kai eipan (en zij zeiden
su tís ei (wie ben je?) tí oun (wat dan?) Hèlias ei su; (ben je Elia?) ou  tí oun baptizeis ei su ouk ei ... (waarom doop je dan als je noch ... bent   rabbi, tís èmarten (Meester, wie heeft gezondigd...)   ... pôs ... (hoe...?)   
                 
Het getuigenis van Johannes : Joh 1,19-34          Genezing van een blindgeborene : Joh 9,1-38      

 

  1. de leerlingen Jezus 2. de Samaritanen Jezus 3. de Farizeeën de genezene 4. Grieken Jezus
  Joh 4,31 Joh 4,32 Joh 4,40 Joh 4,40 Joh 9,15 Joh 9,15 Joh 12,21 Joh 12,23
    ho de (hij echter)     palin oun (opnieuw dus) ho de (hij echter) kai (en) ho de Ièsous (Jezus echter)
 werkwoord èrôtôn (zij - de leerlingen - vroegen) eipen (zei) èrôtôn (zij vroegen)   èrôtôn (zij vroegen) eipen (zei) èrôtôn (zij - de Grieken - vroegen) apokrinetai (antwoordt)
lijdend voorwerp auton (hem) autois (aan hen) auton (hem)   auton (hem) autois (aan hen) auton (hem) autois (aan hen)
  hoi mathètai (de leerlingen)       kai hoi Farisaioi (ook de Farizeeën)      
  legontes (zeggende)           legontes (zeggende) legôn (zeggende)
   Jezus en een samaritaanse vrouw : Joh 4,1-45 - Joh 4,1-45 -  Jezus en een samaritaanse vrouw : Joh 4,1-45 - Joh 4,1-45 -  Jezus en een samaritaanse vrouw : Joh 4,1-45 - Joh 4,1-45 -  Jezus en een samaritaanse vrouw : Joh 4,1-45 - Joh 4,1-45 -  Genezing van een blindgeborene : Joh 9,1-38 - Joh 9,1-38 -  Genezing van een blindgeborene : Joh 9,1-38 - Joh 9,1-38 -  Jezus'laatste openlijke optreden : Joh 12,20-36 - Joh 12,20-36 -  Jezus'laatste openlijke optreden : Joh 12,20-36 - Joh 12,20-36 -

oun (bij-gevolg) , erop volgend, dus, derhalve). oun (bij-gevolg) (eropvolgend, dus, derhalve), zie Joh 1,21 .In 688 verzen in de bijbel; in 198 verzen in het O.T., in 490 verzen in het N.T. In 56 verzen bij Matteüs. In 6 verzen bij Marcus. In 33 verzen bij Lucas. In 194 verzen bij Johannes:   Joh 9,1-38 - : 13X (Joh 9,7.8.10.11.15.16.17.18.19.20.24.25.26). In 11 verzen in Joh 20. In zestig verzen in Hnd .

egô (ik) 123X bij Johannes
 

Wanneer we egô (ik) in het johannesevangelie tegenkomen, is meestal Jezus aan het woord. In Joh 9,9 antwoordt de genezen blindgeborene op de vele meningsverschillen omtrent zijn persoon : egô eimi (ik ben het).

apekrithè (hij antwoordde) 57X bij Johannes (1) Joh 1,21 (Johannes) - Joh 1,19-34 -
(2) Joh 1,26 apekrithè autois ho Iôannès legôn (Johannes antwoordde hen zeggende) (4) Joh 1,49 apekrithè autôi Nathanaèl (Natanaël antwoordde hem) (2) Joh 1,26 - Joh 1,19-34 -
apekrithè Ièsous kai eipen autôi / Joh 4,10.13 : autèi (Jezus antwoordde en zei hem / ) (3) Joh 1,48 (5) Joh 1,50 (7) Joh 3,3 (10) Joh 3,10 (12) Joh 4,10 (haar) (13) Joh 4,13 (haar)
apekrithè Ièsous kai eipen autois (Jezus antwoordde en zei hen). Joh 9,30 : apekrithè anthrôpos kai eipen autois (de man antwoordde en zei hen). (6) Joh 2,19
apekrithè Ièsous (Jezus antwoordde) Joh 9,11: ... ekeinos : de genezen blindgeborene antwoordde). Joh 9,25 : ... oun ekeinos (de genezen blindgeborene antwoordde dus). Joh 9,27 : apekrithè autois (hij = de genezen... antwoordde). (8) Joh 3,5. Joh 9,3 (na een vraag)..
(9) apekrithè (Joh 3,9 Nikomèmos; Joh 4,17 hè gunè) kai eipen autôi (Joh 3,9 Nicodemus ; Joh 4,17 de vrouw; antwoordde en zei hem)  
(11) apekrithè Iôannès kai eipen (Joh 3,37 Johannes, antwoordde en zei) Joh 9,36: apekrithè ekeinos en eipen (deze = de genezen blindgeborene) antwoordde en zei).  
   
   
   

 

apokrinetai (hij antwoordt) 3X bij Johannes
 

14. profètès (profeet) . Verwijzing : profètès (profeet) , zie Joh 1,21 . In 105 verzen in de bijbel . In achtenzeventig verzen in het O.T. : Dt 34,10 . In zevenentwintig verzen in het N.T. .
- Accusatief enkelvoud profètèn . In zevenenveertig verzen in de bijbel . In drieëndertig verzen in het O.T. : (1) In veertien verzen in het N.T. .
- nominatief meervoud profètai . In achtenvijfitg verzen in de bijbel . In zevenendertig verzen in het O.T. . In eenentwintig verzen in het N.T. . In zes verzen in Hnd .
- nâbhî´ (profeet) . In achtentwintig verzen in de bijbel .

1. 3. 4. 5. 6. 7. 9.
Joh 1,21 Joh 1,23 Joh 4,19 Joh 4,44 Joh 6,14 Joh 7,40 Joh 9,17
  Tí oun baptizeis (Waarom doop je dan) kurie, theôrô hoti (Heer, ik zie dat       hoti (dat)
Ho profètès ei su; (de profeet ben je?) ei su ... oude ho profètès (indie u niet de profeet bent) profètès ei su (een profeet u bent)   houtos estin alèthôs ho profètès (deze is waarlijk de profeet) houtos estin alèthôs ho profètès (deze is waarlijk de profeet) profètès estin (een profeet is hij).
        ho erchomenos eis ton kosmon (de komende in de wereld)    
             

Efè (hij zei) ook slechts 2X voor in het Johannesevangelie. In Joh 1,23 zegt Johannes de Doper ik dat hij de stem van een roepende in de woestijn is. In Joh 9,38 zegt de genezen blindgeborene : Ik geloof, Heer.

 

Joh 1,22 - Joh 1,22 - Het getuigenis van Johannes : Joh 1,19-34 -- Joh 1,19 - Joh 1,20 - Joh 1,21 - Joh 1,22 - Joh 1,23 - Joh 1,24 - Joh 1,25 - Joh 1,26 - Joh 1,27 - Joh 1,28 -
Griekse tekst Vulgaat Liturgische lezing: 3ZA (B) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Persoonlijke vertaling
1:22 eipan oun autô tis ei hina apokrisin dômen tois pempsasin hèmas ti legeis peri seautou   22 dixerunt ergo ei quis es ut responsum demus his qui miserunt nos quid dicis de te ipso  22 Toen zeiden zij hem: "Wie zijt gij dan? Wij moeten toch een antwoord geven aan degenen die ons gestuurd hebben. Wat zegt gij over uzelf?"   [22] ‘Wie bent u dan?’ drongen ze aan. ‘We willen een antwoord geven aan degenen die ons gestuurd hebben. Wat zegt u over uzelf?’  [22] ‘Maar wie bent u dan?’ vroegen ze hem. ‘Wij moeten antwoord kunnen geven aan degenen die ons gestuurd hebben – wie zegt u zelf dat u bent?’  [22] Maar wie bent u dan? vroegen ze hem. Wij moeten antwoord kunnen geven aan degenen die ons gestuurd hebben – wie zegt u zelf dat u bent?   

Joh 1,22 telt 15 W

Joh 1,23 - Joh 1,23 - Het getuigenis van Johannes : Joh 1,19-34 -- Joh 1,19 - Joh 1,20 - Joh 1,21 - Joh 1,22 - Joh 1,23 - Joh 1,24 - Joh 1,25 - Joh 1,26 - Joh 1,27 - Joh 1,28 -
Griekse tekst Vulgaat Liturgische lezing: 3ZA (B) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Persoonlijke vertaling
1:23 efè egô fônè boôntos en tèi erèmôi euthunate tèn hodon kuriou kathôs eipen Hèsaias ho profètès   23 ait ego vox clamantis in deserto dirigite viam Domini sicut dixit Esaias propheta  23 Hij sprak: "Ik ben, zoals de profeet Jesaja het uitdrukt, de stem van iemand die roept in de woestijn: Maakt de weg recht voor de Heer!"  [23] Hij zei: ‘Ik ben een stem die roept in de woestijn: “Maak recht de weg van de Heer”, zoals de profeet Jesaja gezegd heeft.’  [23] Hij zei: ‘Ik ben de stem die roept in de woestijn: “Maak recht de weg van de Heer,” zoals de profeet Jesaja gezegd heeft.’   [23] Hij zei: Ik ben de stem die roept in de woestijn: “Maak recht de weg van de Heer,” zoals de profeet Jesaja gezegd heeft.    

Joh 1,23 bestaat een inleiding en een citaat, dat in 3 delen kan verdeeld worden. De inleiding bestaat uit 1 W en 2 L. Het citaat bestaat uit 2 hoofdzinnen. De ondergeschikte zin heeft zowel betrekking op de eerste als de tweede hoofdzin. Het aantal W is (1 + 6 + 4 + 5) 16 of het kwadraat van 4; het aantal L is (2 + 12 + 10 + 12) 36 of het kwadraat van 6.

Joh 1,24 - Joh 1,24 - Het getuigenis van Johannes : Joh 1,19-34 -- Joh 1,19 - Joh 1,20 - Joh 1,21 - Joh 1,22 - Joh 1,23 - Joh 1,24 - Joh 1,25 - Joh 1,26 - Joh 1,27 - Joh 1,28 -
Griekse tekst Vulgaat Liturgische lezing: 3ZA (B) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Persoonlijke vertaling
1:24 kai apestalmenoi èsan ek tôn farisaiôn  24 et qui missi fuerant erant ex Pharisaeis  24 De afgezanten waren uit de kring van de Farizeeën. Zij vroegen hem: 
[24] De afgevaardigden, die uit de kring van de farizeeën kwamen, 
[24] De afgevaardigden die uit de kring van de Farizeeën kwamen,  [24] De afgevaardigden die uit de kring van de Farizeeën kwamen,    

Joh 1,25 - Joh 1,25 - Het getuigenis van Johannes : Joh 1,19-34 -- Joh 1,19 - Joh 1,20 - Joh 1,21 - Joh 1,22 - Joh 1,23 - Joh 1,24 - Joh 1,25 - Joh 1,26 - Joh 1,27 - Joh 1,28 -
Griekse tekst Vulgaat Liturgische lezing: 3ZA (B) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Persoonlijke vertaling
1:25 kai èrôtèsan auton kai eipan autô ti oun baptizeis ei su ouk ei thèchristos oude èlias oude thèprofètès 25 et interrogaverunt eum et dixerunt ei quid ergo baptizas si tu non es Christus neque Helias neque propheta   25 "Wat doopt gij dan als gij de Messias niet zijt, noch Elia, noch de profeet?"  [25] drongen verder aan en vroegen: ‘Maar als u de Messias niet bent en ook Elia niet of de profeet, waarom doopt u dan?’  [25] vroegen verder: ‘Waarom doopt u dan, als u niet de messias bent, en ook niet Elia of de profeet?’  [25] vroegen verder: Waarom doopt u dan, als u niet de messias bent, en ook niet Elia of de profeet?   

Joh 1,26 - Joh 1,26 - Het getuigenis van Johannes : Joh 1,19-34 -- Joh 1,19 - Joh 1,20 - Joh 1,21 - Joh 1,22 - Joh 1,23 - Joh 1,24 - Joh 1,25 - Joh 1,26 - Joh 1,27 - Joh 1,28 -
Griekse tekst Vulgaat Liturgische lezing: 3ZA (B) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Persoonlijke vertaling
1:26 apekrithèautois thèiôannès legôn egô baptizô en udati mesos umôn | stèkei | estèken | on umeis ouk oidate  26 respondit eis Iohannes dicens ego baptizo in aqua medius autem vestrum stetit quem vos non scitis  26 Johannes antwoordde hun: "Ik doop met water, maar onder u staat Hij die gij niet kent,  [25] drongen verder aan en vroegen: ‘Maar als u de Messias niet bent en ook Elia niet of de profeet, waarom doopt u dan?’ [26] Johannes gaf hun ten antwoord: ‘Ik doop in water. Maar zonder dat u Hem herkent staat Hij al in uw midden  [26] ‘Ik doop met water,’ antwoordde Johannes. ‘Maar in uw midden is iemand die u niet kent,   [26] Ik doop met water, antwoordde Johannes. Maar in uw midden is iemand die u niet kent,    

Joh 1,27 - Joh 1,27 - Het getuigenis van Johannes : Joh 1,19-34 -- Joh 1,19 - Joh 1,20 - Joh 1,21 - Joh 1,22 - Joh 1,23 - Joh 1,24 - Joh 1,25 - Joh 1,26 - Joh 1,27 - Joh 1,28 -
Griekse tekst Vulgaat Liturgische lezing: 3ZA (B) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Persoonlijke vertaling
1:27 | | thè| opisô mou erchomenos ou ouk eimi [egô] axios ina lusô autou ton imanta tou upodèmatos   27 ipse est qui post me venturus est qui ante me factus est cuius ego non sum dignus ut solvam eius corrigiam calciamenti   27 Hij die na mij komt, ik ben niet waardig de riem van zijn sandalen los te maken."   : [27] Hij die na mij komt, maar wiens schoenriem ik niet waard ben los te maken.’   [27] hij die na mij komt – ik ben het niet eens waard om de riemen van zijn sandalen los te maken.’   [27] hij die na mij komt – ik ben het niet eens waard om de riemen van zijn sandalen los te maken.   

Joh 1,28 - Joh 1,28 - Het getuigenis van Johannes : Joh 1,19-34 -- Joh 1,19 - Joh 1,20 - Joh 1,21 - Joh 1,22 - Joh 1,23 - Joh 1,24 - Joh 1,25 - Joh 1,26 - Joh 1,27 - Joh 1,28 -
Griekse tekst Vulgaat Liturgische lezing: 3ZA (B) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Persoonlijke vertaling
1:28 tauta en Bèthania egeneto peran tou Iordanou opou èn ho Iôannès baptizôn  28 haec in Bethania facta sunt trans Iordanen ubi erat Iohannes baptizans   28 Dit gebeurde te Betanië, aan de overkant van de Jordaan waar Johannes aan het dopen was.   [28] Dit gebeurde in Betanië, aan de overkant van de Jordaan, waar Johannes aan het dopen was.  [28] Dit gebeurde in Betanië, aan de overkant van de Jordaan, waar Johannes doopte.  [28] Dit gebeurde in Betanië, aan de overkant van de Jordaan, waar Johannes doopte.   

- tauta (die 'dingen'), zie Mt 1,20.

bestaat uit 12 woorden en 27 lettergrepen. .

Joh 1,28 vormt de slotzin van Joh 1,19-28, het eerste deel van Joh 1,19-34 . In slotzinnen komt eenzelfde zinstructuur dikwijls bij Johannes voor. Vooreerst is er een vorm van het aanwijzend voornaamwoord houtos (deze) waardoor het voorgaande wordt samengevat. In Joh 1,28 staat het onzijdig meervoud tauta (deze). Het slaat op de vragen van de priesters en levieten enerzijds en van de farizeeën anderzijds en op de antwoorden van Johannes de Doper op die vragen. Verder is er een werkwoord en een plaatsbepaling.
- tauta (deze) In 58 verzen bij Johannes. Bij Johannes : meta tauta (daarna), in 8 verzen, zie Joh 1,43 .

auta (deze dingen) bij het begin van een slotzin voorkomt.

                   
                   
                   
                   
                   
                   
                   
                   
                   
                   

houtos (deze, die). Nominatief mannelijk enkelvoud. Aanwijzend voornaamwoord. In 48 verzen bij Johannes.

Joh 1,29 - Joh 1,29 - Het getuigenis van Johannes : Joh 1,19-34 -- Joh 1,29 - Joh 1,30 - Joh 1,31 - Joh 1,32 - Joh 1,33 - Joh 1,34 -
Griekse tekst Vulgaat Liturgische lezing : 2zdhj (A) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Persoonlijke vertaling
1:29 tèi epaurion blepei ton Ièsoun erchomenon pros auton kai legei ide ho amnos tou theou ho airôn tèn amartian tou kosmou  29 altera die videt Iohannes Iesum venientem ad se et ait ecce agnus Dei qui tollit peccatum mundi   29 De volgende dag zag Johannes de Doper Jezus naar zich toekomen en zei: "Zie, het Lam Gods dat de zonde van de wereld wegneemt. 
[29] De* volgende dag zag hij Jezus, terwijl die naar hem toe kwam. ‘Daar is het lam* van God,’ zei hij, ‘degene die de zonde van de wereld wegneemt. 
[29] De volgende dag zag hij Jezus naar zich toe komen, en hij zei: ‘Daar is het lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt.   [29] De volgende dag zag hij Jezus naar zich toe komen, en hij zei: Daar is het lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt.   's Anderendaags  

Tekstuitleg van Joh 1,29

Joh 1,29 tèi epaurion (De volgende dag) blepei (ziet hij)   ton Ièsoun (Jezus) erchomenon pros auton (naar hem komen) kai legei (en zegt)   ide (zie)
Joh 1,47   eiden Ièsous (Jezus) ton Nathanaèl (Natanël) erchomenon pros auton (naar hem komen) kai legei (en hij zegt) peri autou (over hem) ide (zie)

Joh 1,29 bestaat uit twee nevenschikkende zinnen met elkaar verbonden door het nevenschikkend voegwoord kai (en) . De tweede nevenschikkende zin leidt een citaat van Johannes de Doper in . Aldus kan je Joh 1,29 indelen in drie delen : Joh 1,29a bestaat uit acht woorden en zeventien lettergrepen ; vijf woorden eindigen -n , vier op -on . Ton Ièsoun (Jezus) accusatief enkelvoud als lijdend voorwerp bij blepei (hij ziet) staat centraal . Het bestaat uit twee woorden en lettergrepen lettergrepen ; drie woorden en zeven lettergrepen gaan eraan vooraf , drie woorden en zeven lettergrepen volgen erop . Joh 1,29b bestaat uit twee woorden en drielettergrepen en leidt het citaat van Johannes de Doper in . Joh 1,29c geeft het citaat . Het bestaat uit elf woorden en negentien lettergrepen . Joh 1,29c zouden we eveneens in drie deeltjes kunnen onderverdelen . Joh 1,29c1 bestaat uit één woord en twee lettergrepen ; Joh 1,29c2 bestaat uit vier woorden en zes lettergrepen ; Joh 1,29c3 bestaat uit zes woorden en elf lettergrepen . In totaal bestaat Joh 1,29 uit 8 + 2 + 11 = 21 woorden en 17 + 3 + 19 = 39 lettergrepen .

1. 2. tèi epaurion ('s anderendaags) , zie Joh 1,35 . In negenendertig verzen in de bijbel . In zeventien verzen in het N.T. . In tien verzen tèi epaurion , in zes verzen tèi de epaurion , in één vers tèi oun epaurion . Het staat in een vers bij Matteüs : Mt 27,62 . In één vers bij Marcus : Mc 11,12 . In vijf verzen bij Johannes . Het staat telkens aan het begin van de zin . In Joh worden op deze wijze een reeks verhalen aan elkaar gerijgd : (1) Joh 1,29 - Joh 1,19-34 - (2) Joh 1,35 - Joh 1,35-42 - (3) Joh 1,43 - Joh 1,43-51 - (4) Joh 6,22 . (5) Joh 12,12 .
Joh 1,19-28 is dan de eerste dag .
Joh 1,29-34 is dan de tweede dag .
Joh 1,35-42 is dan de derde dag .
Joh 1,43-51 is dan de vierde dag .
Joh 2,1-12 , op de derde dag, zou dan de zevende dag zijn .
Al deze verhalen maken deel uit van Jezus'eerste cyclus van Judea naar Galilea .

3. De vorm blepei (hij ziet) komt in 7 verzen bij Johannes voor. Actief indicatief praesens 3de persoon enkelvoud van het werkwoord blepô (zien). (1) Joh 1,29 ; (2) Joh 9,19 . (3) Joh 9,21 . (4) Joh 11,9 . (5) Joh 20,1 . (6) Joh 20,5 . (7) Joh 21,20 . In het Grieks hoort bij het werkwoord blepô (zien) het lijdend voorwerp in de accusatief , eventueel vergezeld van een participiumvorm van een werkwoord . In het Nederlands vertalen we dit door een objectzin. B.v. ik zie Jezus , komende = ik zie Jezus komen .
- blepô (zien) . Verwijzing : - blepô (zien) , zie Joh 1,29 .

Joh 1,29 Joh 20,1 Joh 20,5 Joh 21,20 Joh 20,6  
blepei (hij ziet) blepei (zij ziet) blepei (hij ziet) blepei (hij ziet) theôrei (hij ziet)  
ton Ièsoun (Jezus) ton lithon (dat de steen)   ton mathètèn (de leerling)    
erchomenon pros auton (naar hem komen) èrmenon ek tou mnèmeiou (van het gedenkteken is weggerold) keimena ta othonia (de doeken liggen) ... akolouthounta (Jezus volgen) ta othinia keimena (de doeken liggen)  
           


De vorm theôrei (hij ziet) komt eveneens in 7 verzen bij Johannes voor. Actief indicatief praesens 3de persoon enkelvoud van het werkwoord theôreô (zien) (zie theorie, zienswijze). (1) Joh 10,12 . (2) Joh 12,45 . (3) Joh 14,17 . (4) Joh 14,19 . (5) Joh 20,6 . (6) Joh 20,12 . (7) Joh 20,14 .

De vorm eiden (hij zag) van het werkwoord horaô (zien) komt eveneens in 7 verzen bij Johannes voor : (1) (2) (3) (4) (5) (6) (7)

Joh 1,30 - Joh 1,30 - Het getuigenis van Johannes : Joh 1,19-34 -- Joh 1,29 - Joh 1,30 - Joh 1,31 - Joh 1,32 - Joh 1,33 - Joh 1,34 -
Griekse tekst Vulgaat Liturgische lezing : 2zdhj (A) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Persoonlijke vertaling
1:30 outos estin huper hou egô eipon opisô mou erchetai anèr hos emprosthen mou gegonen oti prôtos mou èn  30 hic est de quo dixi post me venit vir qui ante me factus est quia prior me erat  30 Deze is het van wie ik zei: Achter mij komt een man die vóór mij is, want Hij was eerder dan ik.  [30] Hij is het van wie ik zei: “Na mij komt iemand die mijn meerdere is, want vóór mij was Hij er al.”  [30] Hij is het over wie ik zei: “Na mij komt iemand die meer is dan ik, want hij was er vóór mij.”  [30] Hij is het over wie ik zei: “Na mij komt iemand die meer is dan ik, want hij was er vóór mij.”    

Joh 1,31 - Joh 1,31 - Het getuigenis van Johannes : Joh 1,19-34 -- Joh 1,29 - Joh 1,30 - Joh 1,31 - Joh 1,32 - Joh 1,33 - Joh 1,34 -
Griekse tekst Vulgaat Liturgische lezing : 2zdhj (A) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Persoonlijke vertaling
1:31 kagô ouk èdein auton all hina fanerôthèi tôi Israèl dia touto èlthon egô en hudati baptizôn  31 et ego nesciebam eum sed ut manifestaretur Israhel propterea veni ego in aqua baptizans  31 Ook ik kende Hem niet maar opdat Hij aan Israël geopenbaard zou worden, daarom kwam ik met water dopen."  [31] Ikzelf wist niet wie het zou zijn, maar omdat Hij aan Israël* moest worden geopenbaard, daarom ben ik komen dopen in water.’  [31] Ook ik wist niet wie hij was, maar ik kwam met water dopen opdat hij aan Israël geopenbaard zou worden.’  [31] Ook ik wist niet wie hij was, maar ik kwam met water dopen opdat hij aan Israël geopenbaard zou worden.    

Joh 1,32 - Joh 1,32 - Het getuigenis van Johannes : Joh 1,19-34 -- Joh 1,29 - Joh 1,30 - Joh 1,31 - Joh 1,32 - Joh 1,33 - Joh 1,34 -
Griekse tekst Vulgaat Liturgische lezing : 2zdhj (A) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Persoonlijke vertaling
1:32 kai emarturèsen Iôannès legôn oti tetheamai to pneuma katabainon hôs peristeran ex ouranou kai emeinen ep auton  32 et testimonium perhibuit Iohannes dicens quia vidi Spiritum descendentem quasi columbam de caelo et mansit super eum   32 Verder getuigde Johannes: "Ik heb de Geest als een duif uit de hemel zien neerdalen en Hij bleef op Hem rusten.  [32] En Johannes getuigde: ‘Ik heb gezien hoe de Geest als een duif uit de hemel neerdaalde en op Hem bleef rusten.   [32] En Johannes getuigde: ‘Ik heb de Geest als een duif uit de hemel zien neerdalen, en hij bleef op hem rusten.  [32] En Johannes getuigde: Ik heb de Geest als een duif uit de hemel zien neerdalen, en hij bleef op hem rusten.    

Joh 1,33 - Joh 1,33 - Het getuigenis van Johannes : Joh 1,19-34 -- Joh 1,29 - Joh 1,30 - Joh 1,31 - Joh 1,32 - Joh 1,33 - Joh 1,34 -
Griekse tekst Vulgaat Liturgische lezing : 2zdhj (A) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Persoonlijke vertaling
1:33 kagô ouk èdein auton all ho pempsas me baptizein en udati ekeinos moi eipen ef on an idès to pneuma katabainon kai menon ep auton outos estin ho baptizôn en pneumati hagiôi 33 et ego nesciebam eum sed qui misit me baptizare in aqua ille mihi dixit super quem videris Spiritum descendentem et manentem super eum hic est qui baptizat in Spiritu Sancto  33 Ook ik kende Hem niet, maar die mij gezonden had om met water te dopen, Hij had tot mij gesproken: Op wie gij de Geest zult zien neerdalen en blijven rusten, Hij is het die doopt met de heilige Geest.   [33] Ikzelf wist niet wie het zou zijn, maar Hij die mij gezonden had om te dopen in water, had mij gezegd: “Als je ziet dat de Geest op iemand neerdaalt en op Hem blijft rusten, dan weet je: Hij is degene* die doopt in heilige Geest.”   [33] Nog wist ik niet wie hij was, maar hij die mij gezonden heeft om met water te dopen, zei tegen mij: “Wanneer je ziet dat de Geest op iemand neerdaalt en blijft rusten, dan is dat degene die doopt met de heilige Geest.”  [33] Nog wist ik niet wie hij was, maar hij die mij gezonden heeft om met water te dopen, zei tegen mij: “Wanneer je ziet dat de Geest op iemand neerdaalt en blijft rusten, dan is dat degene die doopt met de heilige Geest.”    

Joh 1,34 - Joh 1,34 - Het getuigenis van Johannes : Joh 1,19-34 -- Joh 1,29 - Joh 1,30 - Joh 1,31 - Joh 1,32 - Joh 1,33 - Joh 1,34 -
Griekse tekst Vulgaat Liturgische lezing : 2zdhj (A) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Persoonlijke vertaling
1:34 kagô heôraka kai memarturèka oti houtos estin o huios tou theou 34 et ego vidi et testimonium perhibui quia hic est Filius Dei   34 Ik heb het zelf gezien en ik heb getuigd: Deze is de Zoon van God."   [34] Ik heb het gezien, en mijn getuigenis luidt: dit is de Zoon van God.’  [34] En dat heb ik gezien, en ik getuig dat hij de Zoon van God is.’  [34] En dat heb ik gezien, en ik getuig dat hij de Zoon van God is.   

De eerste leerlingen : Joh 1,35-42 - Joh 1,35-42 -- verwijzingen -- Joh 1,35 - Joh 1,36 - Joh 1,37 - Joh 1,38 - Joh 1,39 - Joh 1,40 - Joh 1,41 - Joh 1,42 -

  Joh 1,35 Joh 1,36 Joh 1,37 Joh 1,38 Joh 1,39 Joh 1,40 Joh 1,41 Joh 1,42 totaal
woorden 12 11 11 23 22 17 18 22 136
lettergrepen 24 22 22 53 41        

 

Joh 1,35 - Joh 1,35 - De eerste leerlingen : Joh 1,35-42 - Joh 1,35 - Joh 1,36 - Joh 1,37 - Joh 1,38 - Joh 1,39 - Joh 1,40 - Joh 1,41 - Joh 1,42 -
Griekse tekst Vulgaat Liturgische lezing : 2zdhj (B) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Persoonlijke vertaling
1:35 tèi epaurion palin heistèkei ho Iôannès kai ek tôn mathètôn autou duo 35 altera die iterum stabat Iohannes et ex discipulis eius duo   35 De volgende dag stond Johannes daar weer, nu met twee van zijn leerlingen  [35] De volgende dag was Johannes daar weer; twee van zijn leerlingen waren bij hem.  [35] De volgende dag stond Johannes er weer met twee van zijn leerlingen.   [35] De volgende dag stond Johannes er weer met twee van zijn leerlingen.   De volgende morgen stond Johannes er opnieuw en twee van zijn leerlingen 

tèi epaurion ('s anderendaags), zie Joh 1,35

Joh 1,35 bestaat uit 12 woorden (6 + 6) en 24 lettergrepen (14 + 10).

- heistèkei . Het komt in 33 verzen in de bijbel voor. In 1 vers bij Matteüs , bij Lucas, in 5 verzen bij Johannes.
- tèi epaurion ('s anderendaags) . Verwijzing : tèi epaurion ('s anderendaags) , zie Joh 1,35 . In negenendertig verzen in de bijbel . In zeventien verzen in het N.T. . In tien verzen tèi epaurion , in zes verzen tèi de epaurion , in één vers tèi oun epaurion . Het staat in een vers bij Matteüs : Mt 27,62 . In één vers bij Marcus : Mc 11,12 . In vijf verzen bij Johannes . Het staat telkens aan het begin van de zin . In Joh worden op deze wijze een reeks verhalen aan elkaar gerijgd : (1) Joh 1,29 - Joh 1,19-34 - (2) Joh 1,35 - Joh 1,35-42 - (3) Joh 1,43 - Joh 1,43-51 - (4) Joh 6,22 . (5) Joh 12,12 .
Joh 1,19-28 is dan de eerste dag .
Joh 1,29-34 is dan de tweede dag .
Joh 1,35-42 is dan de derde dag .
Joh 1,43-51 is dan de vierde dag .
Joh 2,1-12 , op de derde dag, zou dan de zevende dag zijn .
Al deze verhalen maken deel uit van Jezus'eerste cyclus van Judea naar Galilea .
In tien verzen in Hnd : (1) Hnd 10,9 . (2) Hnd 10,23 . (3) Hnd 10,24 . (4) Hnd 14,20 . (5) Hnd 20,7 . (6) Hnd 21,8 . (7) Hnd 22,30 . (8) Hnd 23,32 . (9) Hnd 25,6 . (10) Hnd 25,23 .

palin (opnieuw). In 45 verzen bij Johannes, zie Joh 1,35 (p = 500 , a = 1 , l = 30 , i = 10 , n = 50 . Totaal : 591)

 (1) Joh 1,35 - Joh 1,35-42 - tèi epaurion ('s anderendaags) verwijst naar Joh 1,29 - Joh 1,19-34 - Deze tijdsbepaling staat bij het begin van de zin; wellicht daarom staat palin (opnieuw) na deze tijdsbepaling.
(2) Joh 4,3 afèken tèn Ioudaian kai apèlthen palin eis tèn Galilaian (Hij verliet Judea en ging opnieuw weg naar Galilea) verwijst naar Joh 1,43 : tèi epaurion èthelèsen exelthein eis tèn Galilaian ( 's Anderendaags wilde hij weggaan naar Galilea). Jezus bevindt zich in Judea en wil naar Galilea vertrekken.
(3)

Joh 10,7 Ièsous (Jezus) 194X bij Johannes . palin (opnieuw) verwijst naar ho Ièsous van Joh 10,6.
Joh 10,17
< Joh 10,18
Joh 10,19 : schisma palin egeneto en tois Ioudaiois dia tous logous toutous (opnieuw ontstond er een meningsverschil onder de joden omwille van deze woorden) . Palin (opnieuw) verwijst naar Joh 7,43 : schisma oun egeneto en tôi ochlôi di'auton (en er ontstond een meningsverschil onder het volk omwille van hem). Egeneto (het gebeurde, er ontstond) komt bij Johannes 16X voor. Palin (opnieuw) verwijst naar een voorgaand egeneto nl. Joh 7,43. schisma (scheiding, meningsverschil) komt een derde maal voor in Joh 9,16 : kai schisma èn en autois (en er was eer meningsverschil onder hen).
Joh 10,31
Joh 10,39
Joh 10,40

Joh 20,21 : eirènè (vrede) verwijst naar Joh 20,19. In Joh 20,21 zegt Jezus voor de tweede maal eirènè (vrede) = sjalom . In Joh 20,26 zegt Jezus het voor de derde keer terwijl Thomas erbij is.
Joh 20,26: èsan (zij waren) verwijst naar Joh 20,19. Joh 20,26 : palin èsan esô hoi mathètai autou (zijn leerlingen waren opnieuw binnen). komt sterk overeen met Joh 20,19 : hopou èsan hou mathètai (waar de leerlingen waren).

 

Joh 1,36 - Joh 1,36 - De eerste leerlingen : Joh 1,35-42 - Joh 1,35 - Joh 1,36 - Joh 1,37 - Joh 1,38 - Joh 1,39 - Joh 1,40 - Joh 1,41 - Joh 1,42 -
Griekse tekst Vulgaat Liturgische lezing : 2zdhj (B) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Persoonlijke vertaling
36 kai emblepsas tôi Ièsou peripatounti legei ide ho amnos tou theou   36 et respiciens Iesum ambulantem dicit ecce agnus Dei  . 36 Hij richtte het oog op Jezus die voorbijging, en sprak: "Zie, het Lam Gods."  [36] Hij richtte zijn blik op Jezus, die daar langskwam, en zei: ‘Daar is het lam van God.’  [36] Toen hij Jezus voorbij zag komen, zei hij: ‘Daar is het lam van God.’  [36] Toen hij Jezus voorbij zag komen, zei hij: Daar is het lam van God.    

Joh 1,36 bestaat uit een hoofdzin die een citaat van Johannes de Doper inleidt. Joh 1,36 bestaat uit 11 woorden en 22 lettergrepen. Zo kunnen we Joh 1,36 indelen in twee delen. Joh 1,36a bestaat uit 6 woorden en 14 lettergrepen; tôi Ièsou (Jezus) staat centraal in de zin; 2 woorden gaan eraan vooraf; 2 woorden volgen erop; het aantal lettergrepen is evenwel verschillend; 4 lettergrepen gaan eraan vooraf, 7 lettergrepen volgen erop. Joh 1,36b geeft het citaat. Het bestaat uit 5 woorden en 8 lettergrepen. Joh 1,36b zouden we in 2 deeltjes kunnen onderverdelen. Joh 1,36b1 bestaat uit 1 woord en 2 lettergrepen; Joh 1,35b2 bestaat uit 4 woorden en 6 lettergrepen.
emblepsas (in iemand gekeken) :

Joh 1,29 Joh 1,36 Joh 1,42 Joh 1,47    
tèi epaurion blepei ton Ièsoun erchomenon pros auton (De volgende morgen ziet hij Jezus naar zich komen) kai emblepsas tôi Ièsou peripatounti (en gekeken in de lerarende Jezus)

emblepsas autôi ho Ièsous (Jezus, gekeken in hem) 

eiden Ièsous ton Nathanaèl erchomenon pros auton (Jezus zal Natanaël naar hem komen     
kai legei (en zegt) legei (zegt hij) eipen (zei)   kai legei peri autou (en hij zegt over hem)    
ide ho amnos tou theou ho airôn tèn amartian tou kosmou (zie het lam van God die de zonde van de wereld droeg) ide ho amnos tou theou (zie het lam van God) su ei Simôn ho huios Iôannou (Jij bent Simon, zoon van Johannes)  ide alèthôs (zie waarachtig)     
           

 

Joh 1,37 - Joh 1,37 - De eerste leerlingen : Joh 1,35-42 - Joh 1,35 - Joh 1,36 - Joh 1,37 - Joh 1,38 - Joh 1,39 - Joh 1,40 - Joh 1,41 - Joh 1,42 -
Griekse tekst Vulgaat Liturgische lezing : 2zdhj (B) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Persoonlijke vertaling
1:37 kai èkousan hoi duo mathètai autou lalountos kai èkolouthèsan tôi Ièsou 37 et audierunt eum duo discipuli loquentem et secuti sunt Iesum  37 De twee leerlingen hoorden hem dat zeggen en gingen Jezus achterna.  [37] De twee leerlingen gaven gehoor aan zijn woord en volgden Jezus.  [37] De twee leerlingen hoorden wat hij zei en gingen met Jezus mee.  [37] De twee leerlingen hoorden wat hij zei en gingen met Jezus mee De twee leerlingen hoorden hem dat zeggen 

Joh 1,37 bestaat uit 2 nevenschikkende zinnen. Het vers bestaat uit 11 woorden en 24 lettergrepen. In de eerste zin staat hoi duo mathètai (de twee leerlingen) centraal; 2 woorden gaan eraan vooraf, twee woorden volgen erop.

Joh 1,38 - Joh 1,38 - De eerste leerlingen : Joh 1,35-42 - Joh 1,35 - Joh 1,36 - Joh 1,37 - Joh 1,38 - Joh 1,39 - Joh 1,40 - Joh 1,41 - Joh 1,42 -
Griekse tekst Vulgaat Liturgische lezing : 2zdhj (B) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Persoonlijke vertaling
1:38 strafeis de ho Ièsous kai theasamenos autous akolouthountas legei autois ti zèteite hoi de eipan autôi rabbi ho legetai methermèneuomenon didaskale pou meneis 38 conversus autem Iesus et videns eos sequentes dicit eis quid quaeritis qui dixerunt ei rabbi quod dicitur interpretatum magister ubi habitas  38 Jezus keerde zich om en toen Hij zag dat zij Hem volgden, vroeg Hij hun: "Wat verlangt gij?" Ze zeiden tot Hem: "Rabbi - vertaald betekent dit: Meester - waar houdt Gij U op?"  [38] Jezus keerde zich om, zag dat ze Hem volgden en sprak hen aan: ‘Zoeken jullie iets?’ Ze zeiden: ‘Rabbi (dat betekent: meester), waar houdt U uw verblijf?’  [38] Jezus draaide zich om, en toen hij zag dat ze hem volgden, zei hij: ‘Wat zoeken jullie?’ ‘Rabbi,’ zeiden zij tegen hem (dat is in onze taal ‘meester’), ‘waar logeert u?’  .[38] Jezus draaide zich om, en toen hij zag dat ze hem volgden, zei hij: Wat zoeken jullie? Rabbi, zeiden zij tegen hem (dat is in onze taal meester), waar logeert u?    

Ièsous (Jezus) komt bij Johannes in 194 verzen voor. Ièsous (Jezus) (i = 10, è = 8, s = 200, o = 70, u = 400, s = 200) 888

- menô (verblijven). menô (verblijven), zie Joh 1,38 .
--- menô (ik blijf, verblijf). In 6 verzen in de bijbel; in 4 verzen in het O.T., in 2 verzen in het N.T. o.a. Joh 15,10
--- meneis (jij verblijft). In 3 verzen in de bijbel; in 2 verzen in het O.T., in 1 vers in het N.T. nl. Joh 1,38 .
--- menei (hij verblijft). Het komt in 50 verzen in de bijbel voor; in 25 verzen in het O.T., in 25 verzen in het N.T. Niet bij Matteüs, Marcus en Lucas. In 8 verzen bij Johannes : (1) Joh 1,39 . (2) Joh 3,36 . (3) Joh 6,56 (en emoi menei kagô en autôi = hij blijft in mij en ik in hem) . (4) Joh 8,35 . (5) Joh 9,41 . (6) Joh 12,24 . (7) Joh 12,34 . (8) Joh 14,17 .
--- menomen (wij blijven). In 2 verzen in de bijbel; in 1 vers in het O.T., in 1 vers in het N.T.
--- menete (blijft). In 7 verzen in de bijbel; in 1 vers in het O.T., in 6 verzen in het N.T.
--- menousin (zij blijven). In 6 verzen in de bijbel; in 4 verzen in het O.T., in 2 verzen in het N.T.
--- meneite (jullie verbleven).In 2 verzen in de bijbel; slechts in het N.T. In 1 vers bij Johannes : Joh 15,10 .
--- menèi (hij zou blijven). In 4 verzen in de bijbel; slechts in het N.T. In 3 verzen bij Johannes : (1) Joh 15,4 . (2) Joh 15,6 . (3) Joh 15,16 .
--- meinate (verblijft). Aorist imperatief 2de persoon meervoud. In 5 verzen in de bijbel. Slechts in het N.T. In 2 verzen bij Mt. In 1 vers bij Mc. In 2 verzen bij Johannes : (1) Joh 15,4 (meinate en emoi, kagô en humin = blijft in mij, ook ik in u). (2) Joh 15,9 .
--- meinèi (hij zou blijven). In 11 verzen in de bijbel; in 5 verzen in het O.T., in 5 verzen in het N.T. In 3 verzen bij Johannes : (1) Joh 12,46 . (2) Joh 15,7 . (3) Joh 18,31 .
--- meinète (jullie zouden verblijven). Aorist conjunctief. In slechts 3 verzen in de bijbel : (1) Joh 8,31 . (2) Joh 15,7 .
--- meneite (jullie verbleven) aorist : 1X. menète (jullie zouden verblijven) aorist conjunctief : 1X. menôn (wie verblijft) participium : 3X. menèi (hij zou verblijven) conjunctief presens : 3X.

pou (waar?). Vragend voegwoord. In 18 vrezen bij Johannes, zie Joh 1,38 : Joh 1,35-42 - .
(1) Joh 1,38 : pou meneis; (waar verblijf je?)
(2) Joh 1,39 : kai eidan pou menei (en zij zagen waar hij verblijft

Joh 1,39 - Joh 1,39 - De eerste leerlingen : Joh 1,35-42 - Joh 1,35 - Joh 1,36 - Joh 1,37 - Joh 1,38 - Joh 1,39 - Joh 1,40 - Joh 1,41 - Joh 1,42 -
Griekse tekst Vulgaat Liturgische lezing : 2zdhj (B) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Persoonlijke vertaling
1:39 legei autois erchesthe kai opsesthe èlthan oun kai eidan pou menei kai par autôi emeinan tèn hèmeran ekeinèn hôra èn hôs dekatè  dicit eis venite et videte venerunt et viderunt ubi maneret et apud eum manserunt die illo hora autem erat quasi decima   39 Hij zei hun: "Gaat mee om het te zien." Daarop gingen zij mee en zagen waar Hij zich ophield. Die dag bleven zij bij Hem. Het was ongeveer het tiende uur.  [39] Hij antwoordde: ‘Kom mee en je zult het zien.’ Ze gingen mee, en zagen waar Hij zijn verblijf hield. En ze verbleven die dag bij Hem. Het was ongeveer het tiende* uur.  [39] Hij zei: ‘Kom maar mee, dan zul je het zien.’ Ze gingen met hem mee en zagen waar hij onderdak had gevonden; het was ongeveer twee uur voor zonsondergang en ze bleven die dag bij hem.  [39] Hij zei: Kom maar mee, dan zul je het zien. Ze gingen met hem mee en zagen waar hij onderdak had gevonden; het was ongeveer twee uur voor zonsondergang en ze bleven die dag bij hem.   

Joh 1,40 - Joh 1,40 - De eerste leerlingen : Joh 1,35-42 - Joh 1,35 - Joh 1,36 - Joh 1,37 - Joh 1,38 - Joh 1,39 - Joh 1,40 - Joh 1,41 - Joh 1,42 -
Griekse tekst Vulgaat Liturgische lezing : 2zdhj (B) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Persoonlijke vertaling
1:40 èn andreas ho adelfos Simônos Petrou heis ek tôn duo tôn akousantôn para Iôannou kai akolouthèsantôn autôi   40 erat autem Andreas frater Simonis Petri unus ex duobus qui audierant ab Iohanne et secuti fuerant eum  40 Andreas, de broer van Simon Petrus, was een van die twee die het gezegde van Johannes hadden gehoord en Jezus achterna waren gegaan.  [40] Andreas, de broer van Simon Petrus, was een van die twee die naar Johannes hadden geluisterd en Jezus waren gevolgd.  [40] Een van de twee die gehoord hadden wat Johannes zei en Jezus gevolgd waren, was Andreas, de broer van Simon Petrus.  [40] Een van de twee die gehoord hadden wat Johannes zei en Jezus gevolgd waren, was Andreas, de broer van Simon Petrus.    

Joh 1,41 - Joh 1,41 - De eerste leerlingen : Joh 1,35-42 - Joh 1,35 - Joh 1,36 - Joh 1,37 - Joh 1,38 - Joh 1,39 - Joh 1,40 - Joh 1,41 - Joh 1,42 -
Griekse tekst Vulgaat Liturgische lezing : 2zdhj (B) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Persoonlijke vertaling
1:41 euriskei houtos prôton ton adelfon ton idion Simôna kai legei autôi eurèkamen ton Messian ho estin methermèneuomenon christos   41 invenit hic primum fratrem suum Simonem et dicit ei invenimus Messiam quod est interpretatum Christus   41 De eerste die hij ontmoette, was zijn broer Simon tot wie hij zei: "Wij hebben de Messias - dat vertaald betekent: de Gezalfde - gevonden,"   [41] De eerste die hij ging opzoeken was zijn broer Simon. ‘We hebben de Messias gevonden!’ zei hij. (Messias betekent: gezalfde.)  [41] Vlak daarna kwam hij zijn broer Simon tegen, en hij zei tegen hem: ‘Wij hebben de messias* gevonden’ (dat is Christus, ‘gezalfde’),  [41] Vlak daarna kwam hij zijn broer Simon tegen, en hij zei tegen hem: Wij hebben de messias* gevonden (dat is Christus, gezalfde),    

Joh 1,42 - Joh 1,42 - De eerste leerlingen : Joh 1,35-42 - Joh 1,35 - Joh 1,36 - Joh 1,37 - Joh 1,38 - Joh 1,39 - Joh 1,40 - Joh 1,41 - Joh 1,42 -
Griekse tekst Vulgaat Liturgische lezing : 2zdhj (B) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Persoonlijke vertaling
1:42 ègagen auton pros ton Ièsoun emblepsas autôi ho Ièsous eipen su ei Simôn ho uios Iôannou su klèthèsè kèfas ho hermèneuetai petros  42 et adduxit eum ad Iesum intuitus autem eum Iesus dixit tu es Simon filius Iohanna tu vocaberis Cephas quod interpretatur Petrus   42 en hij bracht hem bij Jezus. Jezus zag hem aan en zeide: "Gij zijt Simon, de zoon van Johannes; gij zult Kefas genoemd worden, dat betekent: Rots."   [42] Daarop bracht hij hem bij Jezus. Jezus richtte zijn blik op hem en zei: ‘Jij* bent Simon, de zoon van Johannes; voortaan zul je Kefas* heten.’ (Dat betekent: rots).  [42] en hij nam hem mee naar Jezus. Jezus keek hem aan en zei: ‘Jij bent Simon, de zoon van Johannes, maar voortaan zul je Kefas heten’ (dat is Petrus, ‘rots’).   [42] en hij nam hem mee naar Jezus. Jezus keek hem aan en zei: Jij bent Simon, de zoon van Johannes, maar voortaan zul je Kefas heten (dat is Petrus, rots).   

Jezus roept Filippus en Natanaël : Joh 1,43-51 -- verwijzingen -- Joh 1,43-51 -- Joh 1,43 - Joh 1,44 - Joh 1,45 - Joh 1,46 - Joh 1,47 - Joh 1,48 - Joh 1,49 - Joh 1,50 - Joh 1,51 -

Jezus                      
Joh 1,43 Joh 1,45 Joh 1,46   Joh 1,47 Joh 1,48     Joh 1,49 Joh 1,50   Joh 1,51
kai (en) kai (en) kai (en)   kai (en)             kai (en)
legei ('Jezus' zegt) legei ('Filippus' zegt) eipen ('Nathanaël' zei) legei ('Filippus' zegt) legei ('Jezus' zegt) legei ('Nathanaël' zegt) apekrithè ('Jezus' antwoordde) kai eipen (en hij zei) apekrithè ('Natanaël' antwoordde) apekrithè ('Jezus' antwoordde) kai eipen (en hij zei) legei ('Nathanaël' zegt)
autôi (hem) autôi (hem) autôi (hem) autôi (hem) peri autou (over hem) autôi (hem)   autôi (hem) autôi (hem)   autôi (hem) autôi (hem)
ho Ièsous (Jezus)   Nathanaèl (Nathanaël) ho Philippos (Filippus)   Nathanaèl (Nathanaël) Ièsous (Jezus)   Nathanaèl (Nathanaël) Ièsous (Jezus)    

6X legei (hij zegt). 3X eipen (hij zei). 3X (hij antwoordde). Totaal : 12.

 

Joh 1,43 - Joh 1,43 - Jezus roept Filippus en Natanaël : Joh 1,43-51
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Denaux-Vervenne (Liturgische lezing) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Persoonlijke vertaling
Tèi epaurion èthelèsen exelthein eis tèn Galilaian       [43] De volgende dag, toen Hij besloten had om naar Galilea te gaan, ontmoette Hij Filippus. ‘Volg Mij’, zei Jezus tegen hem.    [43] De volgende dag besloot Jezus naar Galilea te gaan en daar ontmoette hij Filippus. Hij zei tegen hem: Ga met mij mee  's Anderendaags wilde hij uitgaan naar Galilea

tèi epaurion ('s anderendaags), zie Joh 1,35

heuriskei (hij vindt) van het werkwoord heuriskô (vinden). In deze vorm in 4 verzen bij Johannes, in 3 verzen in het geheel van Joh 1,19-2,11 nl. (1) Joh 1,41 (2) Joh 1,43 (3) Joh 1,45 . heurèkamen (wij hebben gevonden) . Perfectumvorm 1ste persoon meervoud. Deze vorm komt in 2 verzen voor en wel in (1) Joh 1,41 (2) Joh 1,45 .

- tèi epaurion ('s anderendaags) In 5 verzen bij Johannes, zie Joh 1,35 : Joh 1,35-42 - eis tèn Galilaian (naar Galilea) . In 6 verzen bij Johannes, zie Joh 1,43 : Joh 1,43-51 -

Jezus besluit om naar Galilea te gaan. Is Jezus reeds in Galilea bij de roeping van Filippus en Natanaël - Joh 1,43-51 - ? Immers, Natanaël wordt : hij uit Kana van Galilea, genoemd. In Joh 2,1 - Joh 2,1-12 - is Jezus in ieder geval in Kana van Galilea. Wanneer Jezus in Joh 4,3 - Joh 4,1-45 - opnieuw besluit om naar Galilea te gaan, duurt het echter heel wat langer vooraleer hij opnieuw in Kana is : Joh 4,46 - Joh 4,46-54 - . De Kana-pericope van Joh 2,1-11 - Joh 2,1-12 - vormt het sluitstuk van zijn verblijf in Galilea.
tès Galilaias (van Galilea) komt in 8 verzen bij Johannes voor.
- eis tèn Galilaian (naar Galilea) . In zes verzen bij Johannes :

1. 1ste maal : Jezus van Judea naar Galilea 2. 2de maal : Jezus van Judea naar Galilea 3. 4. 5.   6.
Joh 1,43 Joh 4,3 Joh 4,43 Joh 4,45 Joh 4,47 Joh 4,46 Joh 4,54
Tèi epaurion ('s anderendaags)   Meta de tas duo hèmeras (na echter twee dagen) hote oun (toen hij dus) hoti (dat)    
   afèken (hij liet achter)      Ièsous èkei (Jezus kwam) èlthen oun (hij ging dus)  ho Ièsous elthôn (Jezus gekomen)
   tèn Ioudaian (Judea)     ek tès Ioudaias (uit Judea)     ek tès Ioudaias (uit Judea) 
   kai (en)          
èthelèsen exelthein (wilde hij uitgaan / weggaan) apèlthen (hij ging weg) exèlthen (ging hij uit) èlthen (ging)      
eis tèn Galilaian (naar Galilea) palin eis tèn Galilaian (opnieuw naar Galilea) eis tèn Galilaian (naar Galilea) eis tèn Galilaian (naar Galilea) eis tèn Galilaian (naar Galilea) palin eis tèn Kana tès Galilaias (opnieuw naar het Kana van Galilea) eis tèn Galilaian (naar Galilea)
 Jezus roept Filippus en Natanaël : Joh 1,43-51 - Joh 1,43-51 -  Jezus en een samaritaanse vrouw : Joh 4,1-45 - Joh 4,1-45 -  Jezus en een samaritaanse vrouw : Joh 4,1-45 - Joh 4,1-45 -  Jezus en een samaritaanse vrouw : Joh 4,1-45 - Joh 4,1-45 -  Genezing van de zoon van een dienaar van de koning : Joh 4,46-54 - Joh 4,46-54 -    Genezing van de zoon van een dienaar van de koning : Joh 4,46-54 - Joh 4,46-54 -

meta (na, met). Verwijzing : meta (na, met), zie Joh 1,43 . In 24 verzen bij Johannes; met accusatief : in 14 verzen; met genitief : in 10 verzen.
- meta + accusatief (na) .
--- A. meta + accusatief touto (dit : onzijdig enkelvoud). In 4 verzen. (1 - 1) Joh 2,12 . (13 - 2) Joh 11,7 . (14 - 3) Joh 11,11 . (20 - 4) Joh 19,28
--- B. meta + accusatief meervoud (tauta - deze dingen). In 8 verzen bij Johannes. (2 - 1) Joh 3,22 . (7 - 2) Joh 5,1 . (8 - 3) Joh 5,14 . (9 - 4) Joh 6,1 . (11 - 5) Joh 7,1 . (16 - 6) Joh 13,7 . (21 - 7) Joh 19,38 . (24 - 8) Joh 21,1 . Tauta ('deze dingen'), zie Mt 1,20 .
--- C. (6) Joh 4,43 Meta de tas duo hèmeras (Na twee dagen echter)
--- D. (17) Joh 13,27 .
- meta + genitief (met) : (3 - 1) Joh 3,25 . (4 - 2) Joh 3,26 . (5 - 3) Joh 4,27 . (10 - 4) Joh 6,3 . (12 - 5) Joh 9,37 (15 - 6) Joh 11,54 . (18 - 7) Joh 18,2 . (19 - 8) Joh 18,3 . (22 - 9) Joh 19,40 . (23 - 10) Joh 20,7 .

 meta 1. + touto 1. eerste maal : Jezus van Galilea naar Jeruzalem terug naar Galilea via Judea en Samaria. meta 2. + tauta : 1. Jezus naar Galilea . meta 5. tweede maal : Jezus van Galilea naar Judea (Jeruzalem) . meta 7.  + tauta : 2. Jezus in de tempel . meta 8.  + tauta : 3. tweede terugreis naar Jeruzalem . meta 9. + tauta : 4.  
Joh 2,12 Joh 2,13 Joh 3,22  Joh 4,43 Joh 5,1  Joh 5,14  Joh 6,1 Joh 6,17
Meta touto (daarna) Kai eggus èn to pascha tôn Ioudaiôn (en nabij was het paasfeest van de joden) Meta tauta (Daarna)   Meta de tas duo hèmeras (Na twee dagen echter) Meta tauta èn heortè tôn Ioudaiôn kai (Daarna was het een feest van de joden en) Meta tauta (Daarna) Meta tauta (Daarna)  kai embantes eis ploion (en ingescheept in de boot)
katebè (daalde hij af) kai anebè (en hij klom op) èlthen (ging)  exèlthen ekeithen (ging hij vandaar uit) anebè (klom op) heuriskei auton (vond hij hem)  apèlthen (hij ging weg) èrchono (gingen zij)
    ho Ièsous kai hoi mathètai autou (Jezus en zijn leerlingen)   Ièsous (Jezus) ho Ièsous (Jezus) ho Ièsous (Jezus)  
eis Kafarnaoum (naar Kafarnaüm) eis Hierosoluma (naar Jeruzalem) eis tèn Ioudaian gèn (naar het Judese land) eis tèn Galilaian (naar Galilea) eis Hierosoluma (naar Jeruzalem)  en tôi hierôi (in de tempel) peran tès thalassès tès Galilaias tès Tiberiados (naar de overkant van het meer van Galilea, van Tiberias) peran tès thalassès eis Kafarnaoum (naar de overkant van de zee naar Kafarnaüm)
  ho Ièsous (Jezus)            
Bruiloft te Kana : Joh 2,1-12  Afbraak van de tempel : Joh 2,13-22  Jezus en Johannes : Joh 3,22-30  Jezus en een samaritaanse vrouw : Joh 4,1-45  Genezing van een lamme : Joh 5,1-18     Jezus geeft vijfduizend mensen te eten : Joh 6,1-15  Wonderbare overtocht : Joh 6,16-21 

 

aankondiging van de derde reis naar Jeruzalem. meta 11. + tauta 5.     meta 13 + touto 2. meta 14 + touto 3.  meta 15 + tauta 6.   meta 20. + touto 4.   meta 21. + tauta 7.  
Joh 7,1 Joh 7,1 Joh 7,2  Joh 11,7 Joh 11,11 Joh 13,7 Joh 19,28 Joh 19,38
 Kai meta tauta (En daarna)   èn de eggus hè heortè tôn Ioudaiôn, hè skènopègia (het feest van de joden, het Loofhuttenfeest, was echter nabij)

epeita meta touto legei tois mathètais daarna zegt hij aan de leerlingen

tauta eipen, kai meta touto legei autois (hij zei dat en daarna zegt hij aan hen) gnôsèi de meta tauta (je zult het daarna begrijpen)   meta touto (daarna)  meta de tauta  (daarna echter)
periepatei (wandelde hij rond) ou gar èthelen... peripatein (want hij wilde niet rondwandelen)   agômen (laten we gaan)        
      eis tèn Ioudaian palin (opnieuw naar Judea)        
en tèi Galilaiai (in Galilea) en tèi Ioudaiai (in Judea)            
               
Jezus vermijdt de openbaarheid : Joh 7,1-13               

 

peran (overkant) komt in 8 verzen bij Johannes voor : Joh 1,28. Joh 3,26.

       
Joh 1,28 Joh 3,26 Joh 10,40  
Tauta (Dit)   Kai (en)  
en Bèthaniai (in Bethanië)      
egeneto (gebeurde) hos èn meta sou (die was met jou) apèlthen (hij ging weg)  
peran tou Iordanou (naar de overkant van de Jordaan) peran tou Iordanou (naar de overkant van de Jordaan) palin (opnieuw) peran tou Iordanou (naar de overkant van de Jordaan) eis to topon (naar de plaats)  
hopou èn ho Iôannès baptizôn (waar Johannes aan het dopen was)   hopou èn Iôannès to prôton baptizôn (waar Johannes het eerst aan het dopen was)  
       
       
       

 

Joh 1,44 - Joh 1,44 - Jezus roept Filippus en Natanaël : Joh 1,43-51
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Denaux-Vervenne (Liturgische lezing) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Persoonlijke vertaling
        [44] Filippus was afkomstig uit Betsaïda, de stad waar ook Andreas en Petrus vandaan kwamen.    . [44] Filippus kwam uit Betsaïda, uit dezelfde stad als Andreas en Petrus   

Joh 1,45 - Joh 1,45 - Jezus roept Filippus en Natanaël : Joh 1,43-51
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Denaux-Vervenne (Liturgische lezing) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Persoonlijke vertaling
        [45] Filippus ging Natanaël opzoeken en zei tegen hem: ‘Degene over wie Mozes in de Wet en ook de profeten hebben geschreven, die hebben we gevonden: Jezus, de zoon van Jozef, uit Nazaret.’    . [45] Hij kwam Natanaël tegen en zei tegen hem: We hebben de man gevonden over wie Mozes in de wet geschreven heeft en over wie ook de profeten spreken: Jezus, de zoon van Jozef, uit Nazaret!    

 Joh 1,45
-

Natanaël wordt in 6 verzen van het Johannesevangelie vermeld; in 5 vrezen van de roeping van Filippus en Natanaël (Joh 1,45.46.47.48.49) en Joh 21,2. Daar wordt bij vermeld : Nathanaèl ho apo Kana tès Galilaias (Natanaël, hij uit Kana van Galilea).

huios (zoon) Nominatief. In 26 verzen in Johannes.
huiou (van de zoon) Genitief. In 3 verzen bij Johannes.
huion (zoon) Accusatief .In 17 verzen bij Johannes. (1) Joh 1,45 . (4) Joh 3,16 . (5) Joh 3,17) . (6) Joh 3,35 . (7) Joh 3,37 . (8) Joh 4,47 * . (9) Joh 5,20 . (10) Joh 5,23 (2X) . (11) Joh 6,40 . (16) Joh 17,1 . (17) Joh 19,7 .
huion tou anthrôpou (mensenzoon) (2) Joh 1,51 . (3) Joh 3,14 . (12) Joh 6,62 . (13) Joh 8,28 . (14) Joh 9,35 . (15) Joh 12,34 .

                   
                   
                   
                   
                   
                   
                   
                   
                   
                   

 

eiden (hij zag) 7X bij Johannes
 


Joh 1,46 - Joh 1,46 - Jezus roept Filippus en Natanaël : Joh 1,43-51
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Denaux-Vervenne (Liturgische lezing) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Persoonlijke vertaling
        [46] ‘Nazaret?’ zei Natanaël. ‘Kan daar iets goeds vandaan komen?’ Maar Filippus hield vol: ‘Kom mee en je zult het zien.’    [46] Uit Nazaret? zei Natanaël. Kan daar iets goeds vandaan komen? Ga zelf maar kijken, zei Filippus.   

Joh 1,47 - Joh 1,47 - Jezus roept Filippus en Natanaël : Joh 1,43-51
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Denaux-Vervenne (Liturgische lezing) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Persoonlijke vertaling
        [47] Jezus zag dat Natanaël naar Hem toe kwam en zei over hem: ‘Daar heb je een echte Israëliet, in wie geen oneerlijkheid is.’    [47] Jezus zag Natanaël aankomen en zei: Dat is nu een echte Israëliet, een mens zonder bedrog.    

Joh 1,47 telt 17 woorden en 40 lettergrepen. Het citaat bestaat uit 8 woorden en 17 lettergrepen.

Joh 1,48 - Joh 1,48 - Jezus roept Filippus en Natanaël : Joh 1,43-51
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Denaux-Vervenne (Liturgische lezing) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Persoonlijke vertaling
        [48] ‘Waar kent U mij van?’ vroeg Natanaël. Jezus gaf hem ten antwoord: ‘Nog voordat Filippus je kwam roepen, toen je onder de vijgenboom* zat, had Ik je al gezien.’    [48] Waar kent u mij van? vroeg Natanaël. Jezus antwoordde: Ik had je al gezien voordat Filippus je riep, toen je onder de vijgenboom zat.   

Joh 1,49 - Joh 1,49 - Jezus roept Filippus en Natanaël : Joh 1,43-51
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Denaux-Vervenne (Liturgische lezing) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Persoonlijke vertaling
        [49] ‘Rabbi,’ zei Natanaël, ‘U bent de Zoon van God, U bent de koning van Israël!’    [49] Rabbi, u bent de Zoon van God, u bent de koning van Israël! zei Natanaël.    

Joh 1,50 - Joh 1,50 - Jezus roept Filippus en Natanaël : Joh 1,43-51
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Denaux-Vervenne (Liturgische lezing) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Persoonlijke vertaling
        [50] Waarop Jezus zei: ‘Je gelooft dus omdat Ik zei dat Ik je gezien heb onder de vijgenboom? Je zult nog grotere dingen zien!’    [50] Jezus vroeg: Geloof je omdat ik tegen je zei dat ik je onder de vijgenboom zag zitten? Je zult nog grotere dingen zien. [51] Waarachtig, ik verzeker jullie, voegde hij eraan toe, jullie zullen de hemel geopend zien, en de engelen van God zien omhooggaan en neerdalen naar de Mensenzoon.    

Joh 1,51 - Joh 1,51 - Jezus roept Filippus en Natanaël : Joh 1,43-51
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Denaux-Vervenne (Liturgische lezing) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Persoonlijke vertaling
        [51] En Hij voegde eraan toe: ‘Waarachtig, Ik verzeker jullie: je zult zien hoe de hemel* geopend is en Gods engelen opstijgen en neerdalen boven de Mensenzoon.’       

amèn amèn legô humin (voorwaar voorwaar ik zeg jullie) 25X bij Johannes
Joh 10,1
Joh 10,7