COMMENTAAR OP HET JOHANNESEVANGELIE , eerste hoofdstuk, hoofdstuk 1, Joh
1 - verwijzingen
-
- Bibliografie
- Literatuur
- Liturgisch
gebruik - Overzicht
bijbelboeken - Overzicht
van de bibliografie van de bijbelboeken - Overzicht
van deze website - ZOEKEN
-
Overzicht van het Johannesevangelie : Joh
1 ,
Joh
2 ,
Joh
3 ,
Joh
4 ,
Joh
5 ,
Joh
6 ,
Joh
7 ,
Joh
8 ,
Joh
9 ,
Joh
10 ,
Joh
11 ,
Joh
12 ,
Joh
13 ,
Joh
14 ,
Joh
15 ,
Joh
16 ,
Joh
17 ,
Joh
18 ,
Joh
19 ,
Joh
20 ,
Joh
21 ,
Tekstuitleg per perikope -
Joh
1,1-18 -
Joh
1,19-34 -
Joh
1,35-42 -
Joh
1,43-51
Tekstuitleg vers per vers -
Joh
1,1 -
Joh
1,2 -
Joh
1,3 -
Joh
1,4 -
Joh
1,5 -
Joh
1,6 -
Joh
1,7 -
Joh
1,8 -
Joh
1,9 -
Joh
1,10 -
Joh
1,11 -
Joh
1,12 -
Joh
1,13 -
Joh
1,14 -
Joh
1,15 -
Joh
1,16 -
Joh
1,17 -
Joh
1,18 -
Joh
1,19 -
Joh
1,20 -
Joh
1,21 -
Joh
1,22 -
Joh
1,23 -
Joh
1,24 -
Joh
1,25 -
Joh
1,26 -
Joh
1,27 -
Joh
1,28 -
Joh
1,29 -
Joh
1,30 -
Joh
1,31 -
Joh
1,32 -
Joh
1,33 -
Joh
1,34 -
Joh
1,35 -
Joh
1,36 -
Joh
1,37 -
Joh
1,38 -
Joh
1,39 -
Joh
1,40 -
Joh
1,41 -
Joh
1,42 -
Joh
1,43 -
Joh
1,44 -
Joh
1,45 -
Joh
1,46 -
Joh
1,47 -
Joh
1,48 -
Joh
1,49 -
Joh
1,50 -
Joh
1,51 -
WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA)
websitenaam : http://users.telenet.be/arseen.de.kesel/
en http://www.bijbelleerhuis.be
(zie bijbel)
. WEBLOG : BIJBELLEERHUIS
Nieuwe website : http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm
- STARTPAGINA - AGENDA - BIJ
DE HAND - NIEUW
- OVERZICHT
- TIJDSCHRIFTEN
-
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES :
JAARTAL - A - B
- C -
D - E
- F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X
-Y - Z
HOOFDTHEMA'S :
allochtonen , armoede , bahá'í
, bijbel , bijbel en koran ,
boeddhisme ,
christendom ,
extreemrechts
( Vlaams
Blok ) , fundamentalisme
, globalisering en antiglobalisering
, hindoeïsme
, interlevensbeschouwelijke
dialoog , interreligieuze
meditatie , islam , jodendom
, levensbeschouwing
, levensbeschouwing / godsdienst
en onderwijs , migratie , mystiek
, racisme , samenleving ,
sikhisme , tewerkstelling
van allochtonen , vluchtelingen
en asielzoekers , vrijzinnigheid
, witte scholen , multiculturele
scholen en concentratiescholen ,
- Eigen-zinnige
beschouwingen - Het
kleine of grote ongenoegen -
|
Woordenschat
- anthrôpos
(mens), zie Joh
1,6 .
- apostellô
(wegsturen, zenden), zie Joh
1,6 .
- blepô
(zien) , zie Joh
1,29 .
- dia
: 44X bij Johannes
- egô
(ik) 123X bij Johannes
- eiden
(hij zag) 7X bij Johannes
- eis
tèn Galilaian (naar Galilea) 6X bij Johannes
- tèi
epaurion ('s anderendaags) , zie Joh
1,35
- erôtaô
(vragen) zie Joh
1,21 . èrôtèsan (zij vroegen) komt
in 11 verzen in de bijbel voor; in 3 verzen in het O.T., in 8 verzen in het
N.T. Niet bij Matteüs, noch bij Marcus, in 1 vers bij Lucas, in 6 verzen
bij Johannes : (1) Joh
1,21 . (2) Joh
1,25 . (3) Joh
5,10 . (4) Joh
9,2 . (5) Joh
9,19 . (6) Joh
19,31 , in 1 vers in Hnd.
- houtos (deze), zie Joh
1,2
- Ièsous (Jezus), zie Joh
1,38
- kai (en) . Nevenschikkend voegwoord. In 530 verzen bij Johannes, zie Joh
1,1
- legô
(zeggen), zie Joh
1,21
- martureô
(getuigen) , zie Joh
1,7 .
- menô
(verblijven), zie Joh
1,38 .
- meta
(na, met). Bij Johannes, zie Joh
1,43
- oun
(bij-gevolg) eropvolgend, dus, derhalve), zie Joh
1,21 . In 194 verzen bij Johannes
- palin (opnieuw). In 45 verzen bij Johannes, zie Joh
1,35
- pou
(waar?). Vragend voegwoord. In 18 vrezen bij Johannes, zie Joh 1,38 :
Joh
1,35-42 - .
- profètès
(profeet) , zie Joh
1,21 .
Bibliografie - Joh
1,1-18 -
Literatuur - http://users.pandora.be/arseen.de.kesel/johannesl01.htm
. - Seynaeve
(1977 - 385-389) -
Liturgisch gebruik
Joh 1,1-18: ABC-cyclus, dagmis van Kerstmis
Joh 1,6-8.19-28: B-cyclus, 3de zondag van de advent
Joh 1,29-34 : 2de zondag door het jaar (A)
Joh 1,35-42: 2de zondag door het jaar (B)
Overzicht bijbelboeken :
OT
: Gn (Genesis
) , Ex (Exodus)
, Lv (Leviticus)
, Nu (Numeri)
, Dt (Deuteronomium)
, Joz (Jozua)
, Re (Rechters)
, Rt (Ruth)
, 1 S (1 Samuël)
, 2 S (2 Samuël)
, 1 K (1 Koningen)
, 2 K (2 Koningen)
, 1 Kr ( 1
Kronieken) , 2
Kr (2 Kronieken) , Ezr
(Ezra) , Neh
(Nehemia) , Tob
(Tobia) , Jdt
(Judith) , Est
(Esther) , 1
Mak (1 Makkabeeën) , 2
Mak (2 Makkabeeën) , Job
, Ps (Psalmen
) , Spr (Spreuken)
, Pr (Prediker)
, Hl (Hooglied)
, W (Wijsheid)
, Sir (Sirach)
, Js (Jesaja)
, Jr (Jeremia)
, Kl (Klaagliederen)
, Bar (Baruch)
, Ez (Ezechiël)
, Da (Daniël)
, Hos (Hosea)
, Jl (Joël)
, Am (Amos)
, Ob (Obadja)
, Jon (Jona)
, Mi (Micha)
, Nah (Nahum)
, Hab (Habakuk)
, Sef (Sefanja)
, Hag (Haggai)
, Zach (Zacharia)
, Mal (Maleachi)
.
- NT
: Mt (Matteüs)
- Mc (Marcus)
- Lc (Lucas)
- Joh
(Johannes) - Hnd
(Handelingen) , Rom
(Rome) , 1 Kor
(Korinte) , 2
Kor (Korinte) , Gal
(Galatië) , Ef
(Efese) , Fil
(Filippi) , Kol
(Kolosse) , 1
Tes (Tessalonika) , 2
Tes (Tessalonika) , 1
Tim (Timoteüs) , 2
Tim (Timoteüs) , Tit
(Titus) , Film
(Filemon) , Heb
(Hebreeën) , Jak
(Jakobus) , 1
Pe (Petrus) , 2
Pe (Petrus) , 1
Joh (Johannes) , 2
Joh (Johannes) , 2
Joh (Johannes) , Jud
(Judas) , Apk
(Apokalyps) .
Overzicht van
de bibliografie van de bijbelboeken :
bibliografie
van het Oude Testament - bibliografie
Matteüsevangelie - bibliografie
Marcusevangelie - bibliografie
Lucasevangelie - bibliografie
van het Johannesevangelie - bibliografie van het
Nieuwe Testament (behalve evangeliën)
(In het begin was het Woord) : Joh
1,1-18
Het getuigenis van Johannes : Joh
1,19-34
De eerste leerlingen : Joh
1,35-42
Jezus roept Filippus en Natanaël : Joh
1,43-51
De evengelist Johannes ontwikkelt een visie waazrin alles een plaats krijgt
: God, de mens, de kosmos, ruimte en tijd, de geschiedenis enz. In dit alles
neemt de Logos een centrale plaats in, zowel bij God, als bij de schepping en
de verlossing van de mens en de wereld.
| Joh 1,1 - Joh
1,1 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
Liturgische lezing: Kerstmis - dagmis |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2004) |
Naardense bijbel |
Persoonlijke vertaling |
| 1:1 en archè èn ho logos kai ho logos èn pros ton
theon kai theos èn ho logos |
1 in principio erat Verbum et Verbum erat apud Deum
et Deus erat Verbum |
1 In het begin was het Woord en het Woord was bij
God en het Woord was God. |
[1] In het begin was het woord, en het woord was
bij God, en het woord was God. |
[1] In het begin was het Woord, het Woord
was bij God en het Woord was God. |
[1] In het begin was het Woord, het Woord was bij
God en het Woord was God. |
|
|
Joh
1,1 bestaat uit 3 nevenschikkende zinnen; de zinnen worden aan elkaar gekoppeld
door het nevenschikkend voegwoord kai (en). Joh
1,1 bestaat uit 5 + 7 + 5 woorden en uit 7 + 9 + 7 lettergrepen. Totaal
: 17 woorden en 23 lettergrepen. Het laatste woord van een zin, wordt het eerste
woord in de volgende zin en het laatste woord van de laatste zin is het laatste
woord van de eerste zin.
- kai (en). In 530 verzen bij Johannes, zie Joh
1,1 - de (echter). In 203 verzen bij Johannes, zie Joh
1,1 . - Joh
9,1-38 : in 8 verzen (Joh 9,14. 15. 16. 17. 21. 28. 29. 38).
- en (in). In 182 verzen bij Johannes.
- pros (bij). In 91 verzen bij Johannes.
- para . In 21 verzen bij Johannes.
- archè (begin). Zelfstandig naamwoord. Nominatief of datief enkelvoud
(archèi). In 82 verzen in de bijbel; in 70 verzen in het O.T., in 12
verzen in het N.T. In 2 verzen bij Johannes : (1) Joh
1,1 . (2) Joh
1,2 .
--- archès (van het begin). Genitief enkelvoud. In 97 verzen in de bijbel;
in 72 verzen in het O.T., in 25 verzen in het N.T. In 3 verzen bij Matteüs,
in 2 verzen bij Marcus, in 1 vers bij Lucas, in 4 verzen bij Johannes enz. (1)
Joh
6,64 . (2) Joh
8,44 . (3) Joh
15,27 . (4) Joh
16,4 .
- logos (woord). In 296 verzen in de bijbel; in 231 verzen in het O.T., in 65
verzen in het N.T. In 15 verzen bij Johannes.
- theos (God). In 1686 verzen in de bijbel; in 1399 verzen in het O.T., in 287
verzen in het N.T. In 17 verzen bij Johannes. (1) Joh
1,1 . (2) Joh
1,18 . (3) Joh
3,2 . (4) Joh
3,16 . (5) Joh
3,17 . (6) Joh
3,33 . (7) Joh
3,34 . (8) Joh
4,24 . (9) Joh
6,27 . (10) Joh
8,42 . (11) Joh
8,54 . (12) Joh
9,29 . (13) Joh
9,31 . (14) Joh
11,22 . (15) Joh
13,31 . (16) Joh
13,32 . (17) Joh
20,28 . Theon . Accusatief enkelvoud. In 12 verzen bij Johannes.
| Joh 1,2 - Joh
1,2 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
Liturgische lezing: Kerstmis - dagmis |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2004) |
Naardense bijbel |
Persoonlijke vertaling |
| 1:2 outos èn en archè pros ton theon |
2 hoc erat in principio apud Deum |
2 Dit was in het begin bij God. |
[2] Het was in het begin bij God. |
[2] Het was in het begin bij God. |
[2] Het was in het begin bij God. |
|
|
| Joh 1,3 - Joh
1,3 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
Liturgische lezing: Kerstmis - dagmis |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2004) |
Naardense bijbel |
Persoonlijke vertaling |
| 1:3 panta di autou egenetai chôris autou egeneto
oude en ho gegonen |
3 omnia per ipsum facta sunt et sine ipso factum
est nihil quod factum est |
3 Alles is door Hem geworden en zonder Hem is niets
geworden van wat geworden is. |
[3] Alles* is door Hem ontstaan, en buiten Hem
om is er niets ontstaan.
Wat ontstaan was, |
[3] Alles is erdoor ontstaan en zonder dit is niets
ontstaan van wat bestaat.* |
[3] Alles is erdoor ontstaan en zonder dit is niets
ontstaan van wat bestaat.* |
|
|
| Joh 1,4 - Joh
1,4 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
Liturgische lezing: Kerstmis - dagmis |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2004) |
Naardense bijbel |
Persoonlijke vertaling |
| 1:4 en autô zôè èn kai hè zôè èn ho fôs tôn anthrôpôn
|
4 in ipso vita erat et vita erat lux hominum |
4 In Hem was leven en dat leven was het licht der
mensen. |
[4] had leven in Hem, en het leven was het licht
van de mensen. |
[4] In het Woord was leven en het leven was het
licht voor de mensen. |
[4] In het Woord was leven en het leven was het
licht voor de mensen. |
|
|
zôè (leven)
- zôèn (leven) Accusatief enkelvoud. In 109 verzen in de bijbel;
in 53 verzen in het O.T., in 56 verzen in het N.T. In 20 verzen bij Johannes.
In 6 verzen in relatie tot eeuwig leven bezitten en geloven.
| Joh 1,5 - Joh
1,5 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
Liturgische lezing: Kerstmis - dagmis |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2004) |
Naardense bijbel |
Persoonlijke vertaling |
| 1:5 kai hè fôs en tè skotia fainei kai hè
skotia auto ou katelaben |
5 et lux in tenebris lucet et tenebrae eam non
conprehenderunt |
|
[5] Het licht schijnt in de duisternis, en de duisternis
kon het niet aan. |
[5] Het licht schijnt in de duisternis en de duisternis
heeft het niet in haar macht gekregen. |
[5] Het licht schijnt in de duisternis en de duisternis
heeft het niet in haar macht gekregen. |
|
|
| Joh 1,6 - Joh
1,6 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
Liturgische lezing: 3ZA (B) |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2004) |
Naardense bijbel |
Persoonlijke vertaling |
| 1:6 egeneto anthrôpos apestalmenos para theou onoma
autô Iôannès |
6 fuit homo missus a Deo cui nomen erat Iohannes |
6 Er trad een mens op, een gezondene van God; zijn
naam was Johannes. |
[6] Er is een mens geweest, een gezondene van God; zijn naam was Johannes. |
[6] Er kwam iemand die door God was gezonden; hij
heette Johannes. |
[6] Er kwam iemand die door God was gezonden; hij
heette Johannes. |
|
|
| 8 woorden, 24 lettergrepen |
- ginomai (gebeuren, worden, ontstaan), zie Joh
1,6 , Mc
1,4 en Mc
16,1 . Egeneto (het gebeurde, er werd) . In 925 verzen in de bijbel; in
730 verzen in het O.T., in 195 verzen in het N.T. In het O.T. is kai egeneto
vaak de vertaling van het Hebreeuwse wajjehi(j) van het Hebreeuwse werkwoord
hâjâh. In 13 verzen bij Matteüs, in 17 verzen bij Marcus, in
69 verzen bij Lucas, in 16 verzen bij Johannes, in 53 verzen in Hnd, enz. In
Mc 1,4
komen we een paralleltekst met deze tegen : egeneto (kwam tevoorschijn) + onderwerp
: egeneto Iôannès (Johannes trad op). In Joh
1,6 omsluiten de twee woorden de hele zin.
- anthrôpos (mens). Verwijzing
: anthrôpos
(mens), zie Joh
1,6 . Zelfstandig naamwoord, nominatief enkelvoud. In 512 verzen in de bijbel;
in 394 verzen in het O.T., in 118 verzen in het N.T. . In 21 verzen bij Johannes.
Anthrôpos is uit het Hebreeuwse ´âdâm vertaald.
--- anthrôpon (mens) accusatief enkelvoud. In 10 verzen bij Johannes .
3. apostellô (wegsturen, zenden)
. Verwijzing : apostellô
(wegsturen, zenden) , zie Joh
1,6 . Zie website http://www.lachairoi.org/shortstudies.php?PageNO=Korte%20studies&Glossary=Show#
. In het N.T. 133 X .
Hebreeuws : sjâlach . In 141 verzen. In 10 verzen in Gn . In 23 verzen
in Ex . In 6 verzen in Nu . In 1 vers in Dt .
--- apostellô (ik zend). Indicatief praesens 1ste persoon enkelvoud. In
20 verzen in de bijbel; in 12 verzen in het O.T., in 8 verzen in het N.T. In
3 verzen in Matteüs, in 1 vers bij Marcus, in 3 verzen bij Lucas, in 1
vers in Hnd. Hebreeuws ´äsjallach
--- apesteila (ik zond). Indicatief aorist 1ste persoon enkelvoud. In 28 verzen
in de bijbel; in 24 verzen in het O.T., in 4 verzen in het N.T. In 1 vers bij
Lucas, in 2 verzen bij Johannes. (1) Joh
4,38 : egô apesteila humas therizein (ik zond jullie om te oogsten)
(2) Joh
17,18 : kagô apesteila autous eis ton kosmon (ook ik zond hen naar
de wereld) .
--- apesteilas (jij zond). Indicatief aorist 2de persoon enkelvoud. In 19 verzen
in de bijbel; in 12 verzen in het O.T., in 7 verzen in het N.T. Slechts bij
Johannes. De tweede persoon enkelvoud slaat bij Johannes telkens op God, de
Vader enz... In 5 van de 7 zinnen wordt de 2de persoon versterkt door het persoonlijk
voornaamwoord van de 2de persoon enkelvoud su (jij). Apesteilas (jij zond) komt
in ondergeschikte zinnen voor; in 5 voorwerpszinnen (3X : geloven; 2X : weten),
in 1 betrekkelijke zin en in 1 vergelijkende zin. De voorwerpszinnen zijn identiek
en komen als een geijkte formule over : hoti su me apesteilas (dat jij mij zond).
De vergelijkende zin gelijkt sterk op de 5 voorwerpszinnen.
| 1. |
2. |
3. |
4. |
|
5. |
6. |
7. |
| Joh
11,42 |
Joh
17,3 |
Joh
17,8 |
Joh
17,18 |
Joh
20,21 |
Joh
17,21 |
Joh
17,23 |
Joh
17,25 |
| hina (opdat) |
kai (en) |
kai (en) |
|
|
hina (opdat) |
hina (opdat) |
kai (en) |
| |
|
|
|
|
|
|
houtoi (deze) |
| pisteusôsin (zij zouden geloven) |
|
episteusan (zij geloofden) |
|
|
ho kosmos pisteuèi (de wereld zou geloven) |
gignôskèi ho kosmos (de wereld zou weten) |
egnôsan (wisten) |
| hoti (dat) |
|
hoti (dat) |
kathôs (zoals) |
kathôs (zoals) |
hoti (dat) |
hoti (dat) |
hoti (dat) |
| su (jij) |
hon apesteilas Ièsoun Christon (die jij zond, Jezus
Christus |
su (jij) |
|
|
su (jij) |
su (jij) |
su (jij) |
| me apesteilas (mij zond). |
|
me apesteilas (mij zond). |
eme apesteilas (jij mij zond) |
apestalken me (mij heeft gezonden) |
me apesteilas (mij zond). |
me apesteilas (mij zond). |
me apesteilas (mij zond). |
| |
|
|
eis ton kosmon (naar de wereld) |
ho patèr (de Vader) |
|
|
|
| Lazarus weer tot leven gewekt : Joh
11,38-44 - |
Afscheidsgebed van Jezus : Joh
17,1-26 |
|
|
|
|
|
|
--- apesteilen (hij zond). Indicatief aorist 3de persoon enkelvoud. In 347
verzen in de bijbel; in 309 verzen in het O.T., in 38 verzen in het N.T. In
9 verzen bij Matteüs (zie Mt
10,5) : (1) Mt
10,5 . (2) Mt
20,2 . (3) Mt
21,1 . (4) Mt
21,34 . (5) Mt
21,36 . (6) Mt
21,37 . (7) Mt
22,3 . (8) Mt
22,4 . (9) Mt
27,19 . In 5 verzen bij Marcus, in 9 verzen bij Lucas. In 9 verzen bij Johannes:
(1) Joh
3,17 . (2) Joh
3,34 . (3) Joh
5,38 . (4) Joh
6,29 . (5) Joh
6,57 . (6) Joh
7,29 . (7) Joh
8,42 . (8) Joh
10,36 . (9) Joh
18,24 . In 8 verzen is het God, de Vader enz onderwerp van zending. In 2
verzen is het ho theos (God), in 2 verzen ho patèr (de Vader), in 4 verzen
het aanwijzend voornaamwoord ekeinos (deze).
| 1. |
2. |
3. |
4. |
5. |
6. |
7. |
8. |
|
|
9. |
| Joh
3,17 |
Joh
3,34 |
Joh
5,38 |
Joh
6,29 |
Joh
6,57 |
Joh
7,29 |
Joh
8,42 |
Joh
10,36 |
Joh
5,36 |
|
Joh
18,24 Annas |
| ou gar (immers niet) |
|
|
hina pisteuète (opdat je zoudt geloven) |
kathôs (zoals) |
|
all' (maar) |
|
hoti (want) |
|
|
| |
hon gar (die immers) |
hoti hon (want die) |
eis hon (in die) |
|
|
|
hon (die) |
|
|
|
| apesteilen (zond) |
apesteilen (zond) |
apesteilen (zond) |
apesteilen (zond) |
apesteilen me (mij zond) |
kakeinos me apesteilen (en hij mij zond) |
ekeinos me apesteilen (hij mij zond) |
ho patèr hègiasen kai apesteilen (de Vader
heiligde en zond) |
ho patèr me apestalken (de Vader heeft me gezonden) |
|
|
| ho theos (God) |
ho theos (God) |
ekeinos (hij) |
ekeinos (hij) |
ho zôn patèr (de levende Vader) |
|
|
|
|
|
|
| ton huion (de zoon) |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| eis ton kosmon (naar de wereld) |
|
|
|
|
|
|
eis ton kosmon (naar de wereld) |
|
|
|
| Jezus en Nikodemus : Joh
2,23-3,21 |
Hij die van de hemel komt : Joh
3,31-36 |
De volmacht van de Zoon : Joh
5,19-47 |
Jezus : het brood om van te leven : Joh
6,26-59 |
Jezus : het brood om van te leven : Joh
6,26-59 |
Reacties van het volk : Joh 7,25-31 - Joh
7,25-31 |
Afstammelingen van Abraham : Joh 8,31-59 - Joh
8,31-59 |
Geloof en ongeloof : Joh 10,22-42 - Joh
10,22-42 |
De volmacht van de Zoon : Joh
5,19-47 |
|
Jezus voor de hogepriester - door Petrus verloochend :
Joh
18,13-27 |
--- apesteilan (zij zonden). Indicatief aorist 3de persoon meervoud. In 48
verzen in de bijbel; in 35 verzen in het O.T., in 13 verzen in het N.T. In 1
vers bij Matteüs, in 2 verzen bij Marcus, in 2 verzen bij Lucas, in 3 verzen
bij Johannes, in 5 verzen in Hnd.
--- apestalken (hij heeft gezonden). Indicatief perfectum 3de persoon enkelvoud.
In 29 verzen in de bijbel; in 22 verzen in het O.T., in 7 verzen in het N.T.
Joh
20,21
--- apestalkate (jij hebt gezonden). Indicatief perfectum 2de persoon meervoud.
In 2 verzen in de bijbel; in Gn 45,8 en in Joh 5,33.
--- apestalèn (ik werd gezonden). Passief aorist 1ste persoon enkelvoud.
In 5 verzen in de bijbel; in 2 verzen in het O.T., in 3 verzen in het N.T. In
1 vers bij Matteüs, in 2 verzen bij Lucas.
--- apestalè (hij werd gezonden) . Passief aorist derde persoon mannelijk
enkelvoud . In twaalf verzen in de bijbel . In tien verzen in het O.T. : (1)
Js 6,6
(apestalè pros me hen tôn serafin = een van de Serafijnen werd
tot mij gezonden) . (2) Js 20,1 . (3) Js 37,21 . (4) Est 3,13 . (5) Da 4,11 ( kai idou aggelos apestalè ek tou ouranou =
en zie een engel werd gezonden vanuit de hemel) . (6) Da 4,21 (hoti aggelos apestalè para tou kuriou = want
een engel werd gezonden vanwege de Heer) . (7) Ezr 5,5 . (8) Ezr 7,14 . (9) Tob 3,17 (apestalè = Rafaël werd gezonden) . (10)
Sir 15,9 . In twee verzen in het N.T. : (1) Lc
1,26 (apestalè ho aggelos Gabrièl apo tou theou = de engel
Gabriël werd door God gezonden) . (2) Hnd
28,28 . In vijf van de twaalf teksten werd een engel gezonden : (1) Js
6,6 , (5) Da 4,11 , (6) Da 4,21 , (9) Tob 3,17 en Lc
1,26 .
--- apestalmenos (gezonden). Passief participium mannelijk enkelvoud. In 3 verzen
in de bijbel, nl. bij Johannes. In twee gevallen betreft het Johannes de Doper.
(1) Joh
1,6 (2) Joh
3,28 (3) Joh
9,7 (Siloam: gezondene). apestalmenoi (gezondenen). In 8 verzen in de bijbel;
in 3 verzen in het O.T., in 5 verzen in het N.T. In 1 vers bij Lucas, in 1 vers
bij Johannes, enz.
- exapostellô (wegsturen , zenden) .
--- exapestalè (hij werd uitgezonden) . Passief tweede aorist derde persoon
enkelvoud . In één vers in de bijbel nl. Hnd
13,26 .
- pempô (zenden)
--- pempsô (ik zal zenden). Indicatief futurum 1ste persoon enkelvoud.
In 6 verzen in het N.T. In 1 vers in Lucas, In 3 verzen in Johannes, enz.
--- pempsasin (aan de gezondenen) . Indicatief participium datief meervoud.
In 1 vers in de bijbel : Joh
1,22 .
- onoma (naam). Hebreeuws sjem. Onoma in 676 verzen in de bijbel;
in 578 verzen in het O.T., in 98 verzen in het N.T. :In 10 verzen bij Matteüs,
in 6 verzen bij Marcus, in 15 verzen bij Lucas, in 11 verzen bij Johannes enz.
--- onomati (met de naam). In 260 verzen in de bijbel; in 168 verzen in het
O.T., in 92 verzen in het N.T. In 7 verzen bij Matteüs, in 8 verzen bij
Marcus, in 16 verzen bij Lucas, in 13 verzen bij Johannes, in 35 verzen in Hnd
enz.
| Joh 1,7 - Joh
1,7 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
Liturgische lezing: 3ZA (B) |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2004) |
Naardense bijbel |
Persoonlijke vertaling |
| 1:7 outos èlthen eis marturian hina marturèsè peri
tou fôtos hina pantes pisteusôsin di autou |
7 hic venit in testimonium ut testimonium perhiberet
de lumine ut omnes crederent per illum |
7 Deze kwam tot getuigenis, om te getuigen van
het Licht, opdat allen door hem tot geloof zouden komen. |
[7] Hij kwam als getuige: hij moest getuigen van
het licht, opdat allen door hem tot geloof zouden komen. |
[7] Hij kwam als getuige, om van het licht te getuigen,
opdat iedereen door hem zou geloven. |
[7] Hij kwam als getuige, om van het licht te getuigen,
opdat iedereen door hem zou geloven. |
|
|
martureô (getuigen) . Verwijzing : martureô
(getuigen) , zie Joh
1,7 .
--- marturei (hij getuigt) . Indicatief praesens 3de persoon enkelvoud. In 11
verzen in de bijbel; in 3 verzen in het O.T., in 8 verzen in het N.T. Niet in
Matteüs, Marcus en Lucas. In 6 verzen bij Johannes enz. (1) Joh
1,15 . (2) Joh
3,32 . (3) Joh
5,32 . (4) Joh
5,36 . (5) Joh
8,18 . (6) Joh
10,25 .
--- marturôn (getuigend - van de getuigen). Participium praesens nominatief
mannelijk enkelvoud. Zelfstandig naamwoord genitief meervoud van martus. In
16 verzen in de bijbel; in 3 verzen in het O.T., in 13 verzen in het N.T. In
2 verzen bij Matteüs, in 1 vers bij Marcus, niet bij Lucas. Bij Johannes
: (1) Joh
5,32 . (2) Joh
8,18 . (3) Joh
21,24 .
--- marturèsèi (hij zou getuigen). Conjunctief aorist 3de persoon
enkelvoud. Slechts in 3 verzen in de bijbel, nl. bij Johannes.
--- martus (getuige). In 39 verzen in de bijbel; in 31 verzen in het O.T., in
8 verzen in het N.T. Niet in de evangelies.
--- marturos. Genitief enkelvoud. In 1 vers in de bijbel, nl. in Hnd.
--- martures (getuigen). Meervoud. In twintig verzen in de bijbel . In tien
verzen in het O.T. . In tien verzen in het N.T. . Niet bij Matteüs en Marcus.
In twee verzen bij Lucas : (1) Lc
11,48 . (2) Lc
24,48 . In zeven verzen in Hnd : (1) Hnd
1,8 . (2) Hnd
2,32 . (3) Hnd
3,15 . (4) Hnd
5,32 . (5) Hnd
7,58 . (6) Hnd
10,39 . (7) Hnd
13,31 . Tenslotte 1 Tes 2,10 .
--- marturia (getuigenis). Zelfstandig naamwoord, nominatief (of datief - marturiai
-) mannelijk enkelvoud. In 54 verzen in de bijbel; in 40 verzen in het O.T.,
in 14 verzen in het N. In 1 vers bij Marcus, in 8 verzen bij Johannes enz.
--- Marturian (getuigenis). Accusatief enkelvoud. In 22 verzen in de bijbel;
in 4 verzen in het O.T., in 18 verzen in het N.T. In 1 vers bij Marcus, in 6
verzen bij Johannes. (2) Joh
3,32 . (3) Joh
5,32 . (4) Joh
8,13 . (5) Joh
8,14 . (6) Joh
8,17 . (7) Joh
19,35 . (8) Joh
21,24 .
--- marturion (getuigenis). In 44 verzen in de bijbel; in 27 verzen in het O.T.,
in 17 verzen in het N.T. In 3 verzen bij Matteüs, in 3 verzen bij Marcus,
in 3 verzen bij Lucas, niet bij Johannes,
| 1. Johannes de Doper |
2. Jezus |
3. de Vader over Jezus |
4. de werken over Jezus |
5. de Vader over Jezus |
6. de werken over Jezus |
| Joh
1,15 |
Joh
3,32 |
Joh
5,32 |
Joh
5,36 |
Joh
8,18 |
Joh
10,25 |
| |
ho eôraken kai èkousen (wat hij zag en hoorde) |
hèn (het getuigenis dat) |
|
kai (en) |
|
| Iôannès (Johannes) |
|
|
auta ta erga ha poiô (de werken zelf die ik doe) |
|
ta erga ha egô poiô en tôi onomati tou
patros mou tauta (de werken die ik doe in de naam van mijn Vader / die -
werken -) |
| marturei (getuigt) |
touto marturei (dit getuigt hij) |
marturei (hij getuigt) |
marturei ( getuigen) |
marturei (hij getuigt) |
marturei ( getuigen) |
| peri autou (over hem) |
|
peri emou (over mij) |
peri emou (over mij) |
peri emou (over mij) |
peri emou (over mij) |
| |
|
|
hoti ho patèr me apestalken (dat de Vader mij heeft
gezonden) |
ho pempsas me patèr (de vader die me zond) |
|
| (In het begin was het Woord) : Joh
1,1-18 - |
Hij die van de hemel komt : - Joh
3,31-36 - |
De volmacht van de Zoon : Joh
5,19-47 - |
De volmacht van de Zoon : Joh
5,19-47 - |
Jezus : het licht van de wereld : Joh
8,12-20 - |
Geloof en ongeloof : Joh
10,22-42 - |
| Joh
5,32 |
Joh
5,31 |
Joh
8,13 |
Joh
8,14 |
Joh
8,17 |
Joh
8,18 |
Joh
19,35 |
Joh
21,24 |
| allos estin (een ander is) |
|
|
|
|
egô eimi (ik ben) |
kai ho heôrakôs (en wie heeft gezien) |
Houtos estin ho mathètès (dit is de leerling) |
| ho marturôn peri emou (die getuigt over mij) |
ean marturô peri emautou (indien ik getuig over
mezelf) |
su peri seautou martureis (jij getuigt over jezelf) |
kan egô marturô peri
emautou (zelfs als ik getuig over mezelf) |
hoti (dat) |
ho marturôn peri emautou (die getuigt over mijzelf) |
memarturèken (heeft getuigd) |
ho marturôn peri toutôn kai grapsas auta (die
getuigt over deze zingen en die deze dingen schreef) |
| kai oida (en ik weet) |
|
|
|
|
|
|
kai oidamen (en wij weten) |
| hoti alèthès estin hè marturia (dat
waar is het getuigenis) |
hè marturia mou ouk estin alèthès
(mijn getuigenis is niet waar) |
hè marturia sou ouk estin alèthès
(jouw getuigenis is niet waar) |
alèthès estin hè marturia mou waar
is mijn getuigenis) |
duo anthrôpôn hè marturia alèthès
estin (het getuigenis van twee mensen waar is) |
|
kai alèthinè autou estin hè marturia
(en waar is zijn getuigenis) |
hoti alèthès autou hè marturia estin
(dat waar is zijn getuigenis) |
| hèn marturei peri emou (dat getuigt over mij) |
|
|
|
|
kai marturei peri emou ho pempsas me patèr (en
de Vader die mij zond, getuigt over mij) |
|
|
| De volmacht van de Zoon : Joh
5,19-47 |
De volmacht van de Zoon : Joh
5,19-47 |
Jezus : het licht van de wereld : Joh
8,12-20 |
Jezus : het licht van de wereld : Joh
8,12-20 |
Jezus : het licht van de wereld : Joh
8,12-20 |
Jezus : het licht van de wereld : Joh
8,12-20 |
Doorboring van Jezus'zijde : Joh
19,31-37 |
De leerling van wie Jezus hield : Joh
21,20-25 |
| Joh 1,8 - Joh
1,8 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
Liturgische lezing: 3ZA (B) |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2004) |
Naardense bijbel |
Persoonlijke vertaling |
| 1:8 ouk èn ekeinos to fôs all hina marturèsè peri
tou fôtos |
8 non erat ille lux sed ut testimonium perhiberet
de lumine |
8 Niet hij was het Licht, maar hij moest getuigen
van het Licht. |
[8] Hij was niet het licht, hij moest getuigen
van het licht. |
[8] Hij was niet zelf het licht, maar hij was er
om te getuigen van het licht: |
[8] Hij was niet zelf het licht, maar hij was er
om te getuigen van het licht: |
|
|
| Joh 1,9 - Joh
1,9 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
Liturgische lezing: Kerstmis - dagmis |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2004) |
Naardense bijbel |
Persoonlijke vertaling |
| 1:9 èn to fôs to alèthinon ho fôtizei panta anthrôpon
erchomenon eis ton kosmon |
9 erat lux vera quae inluminat omnem hominem venientem
in mundum |
9 Het ware Licht dat iedere mens verlicht kwam in
de wereld. |
[9] Het* ware licht was er, dat elke mens verlicht
en dat in de wereld* moest komen. |
[9] het ware licht, dat ieder mens verlicht en
naar de wereld kwam. |
[9] het ware licht, dat ieder mens verlicht en
naar de wereld kwam. |
|
|
| Joh 1,10 - Joh
1,10 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
Liturgische lezing: Kerstmis - dagmis |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2004) |
Naardense bijbel |
Persoonlijke vertaling |
| 1:10 en tô kosmô èn kai ho kosmos di autou egeneto
kai ho kosmos auton ouk egnô |
10 in mundo erat et mundus per ipsum factus est
et mundus eum non cognovit |
10 Hij was in de wereld; de wereld was door Hem
geworden en toch erkende de wereld Hem niet. |
[10] Het was in de wereld, een wereld die door
Hem was ontstaan, en die wereld heeft Hem niet erkend. |
[10] Het Woord was in de wereld, de wereld is door
hem ontstaan en toch kende de wereld hem niet. |
[10] Het Woord was in de wereld, de wereld is door
hem ontstaan en toch kende de wereld hem niet. |
|
|
| Joh 1,11 - Joh
1,11 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
Liturgische lezing: Kerstmis - dagmis |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2004) |
Naardense bijbel |
Persoonlijke vertaling |
| 1:11 eis ta idia èlthen kai oi idioi auton ou parelabon |
11 in propria venit et sui eum non receperunt |
11 Hij kwam in het zijne, maar de zijnen aanvaardden
Hem niet. |
[11] In zijn eigen* huis is Hij gekomen, en zijn
eigen* mensen hebben Hem niet opgenomen. |
[11] Hij kwam naar wat van hem was, maar wie van
hem waren hebben hem niet ontvangen. |
[11] Hij kwam naar wat van hem was, maar wie van
hem waren hebben hem niet ontvangen. |
|
|
| Joh 1,12 - Joh
1,12 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
Liturgische lezing: Kerstmis - dagmis |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2004) |
Naardense bijbel |
Persoonlijke vertaling |
| 1:12 osoi de elabon auton edôken autois exousian
tekna theou genesthai tois pisteuousin eis to onoma autou |
12 quotquot autem receperunt eum dedit eis potestatem
filios Dei fieri his qui credunt in nomine eius |
12 Aan allen echter die Hem wel aanvaardden, aan
hen die in zijn Naam geloven gaf Hij het vermogen kinderen van God
te worden. |
[12] Aan diegenen die Hem toch opnamen, heeft Hij
het vermogen gegeven om kinderen te worden van God: aan hen die geloven*
in zijn naam. |
[12] Wie hem wel ontvingen en in zijn naam geloven,
heeft hij het voorrecht gegeven om kinderen van God te worden. |
[12] Wie hem wel ontvingen en in zijn naam geloven,
heeft hij het voorrecht gegeven om kinderen van God te worden. |
|
|
| Joh 1,13 - Joh
1,13 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
Liturgische lezing: Kerstmis - dagmis |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2004) |
Naardense bijbel |
Persoonlijke vertaling |
| 1:13 oi ouk ex aimatôn oude ek thelèmatos sarkos
oude ek thelèmatos andros all ek theou egennèthèsan |
13 qui non ex sanguinibus neque ex voluntate carnis
neque ex voluntate viri sed ex Deo nati sunt |
13 Zij zijn niet uit bloed noch uit begeerte van
het vlees of de wil van een man, maar uit God geboren. |
[13] Niet langs de weg van het bloed, niet door
de begeerte van het vlees of door mannelijk streven, maar uit God
zijn ze geboren. |
[13] Zij zijn niet op natuurlijke wijze geboren,
niet uit lichamelijk verlangen of uit de wil van een man, maar uit
God. |
[13] Zij zijn niet op natuurlijke wijze geboren,
niet uit lichamelijk verlangen of uit de wil van een man, maar uit
God. |
|
|
| Joh 1,14 - Joh
1,14 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
Liturgische lezing: Kerstmis - dagmis |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2004) |
Naardense bijbel |
Persoonlijke vertaling |
| 1:14 kai ho logos sarx egeneto kai eskènôsen en
èmin kai etheasametha tèn doxan autou doxan ôs monogenous para patros
plèrès charitos kai alètheias |
14 et Verbum caro factum est et habitavit in nobis
et vidimus gloriam eius gloriam quasi unigeniti a Patre plenum gratiae
et veritatis |
14 Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons
gewoond. Wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, zulk een heerlijkheid
als de Eniggeborene van de Vader ontvangt, vol genade en waarheid.
|
[14] Ja, het woord* is vlees geworden! Hij* is onder ons zijn tent
komen opslaan en we hebben zijn heerlijkheid gezien, de heerlijkheid
die Hij als eniggeboren* Zoon aan de Vader ontleende, vervuld als
Hij was van genade en waarheid. |
[14] Het Woord is mens geworden en heeft bij ons
gewoond, vol van goedheid en waarheid, en wij hebben zijn grootheid
gezien, de grootheid van de enige Zoon van de Vader. |
[14] Het Woord is mens geworden en heeft bij ons
gewoond, vol van goedheid en waarheid, en wij hebben zijn grootheid
gezien, de grootheid van de enige Zoon van de Vader. |
|
|
exèlthon (ik ging uit of zij gingen uit). Indicatief aorist 1ste persoon
enkelvoud of 3de persoon meervoud. In 7 verzen bij Johannes. 3de persoon meervoud
(1) Joh
4,30 (2) Joh
12,13 (3) Joh
21,3.
| |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| Joh 8,42 |
Joh
16,27 |
Joh
16,28 |
Joh
17,8 |
|
|
|
|
|
|
| egô gar (ik immers) |
hoti egô (want ik) |
|
hoti (dat) |
|
|
|
|
|
|
| ek tou theou (uit God) |
para tou theou (vanbij God) |
|
para sou (vanbij U) |
|
|
|
|
|
|
| exèlthon (ben uitgegaan) |
exèlthon (ben uitgegaan) |
exèlthon (ben uitgegaan) |
exèlthon (ben uitgegaan) |
|
|
|
|
|
|
| |
|
para tou patros (vanbij de vader) |
|
|
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| Joh 1,15 - Joh
1,15 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
Liturgische lezing: Kerstmis - dagmis |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2004) |
Naardense bijbel |
Persoonlijke vertaling |
| 1:15 Iôannès marturei peri autou kai kekragen legôn
outos èn on eipon ho opisô mou erchomenos emprosthen mou gegonen oti
prôtos mou èn |
15 Iohannes testimonium perhibet de ipso et clamat
dicens hic erat quem dixi vobis qui post me venturus est ante me factus
est quia prior me erat |
|
[15] Van Hem legt Johannes getuigenis af en zijn
verklaring luidt: ‘Hem bedoelde ik toen ik zei: “Hij die
na mij komt, is mijn meerdere, want vóór mij was Hij
er al.” ’ |
[15] Van hem getuigde Johannes toen hij uitriep:
‘Hij is het over wie ik zei: “Die na mij komt is meer
dan ik, want hij was er vóór mij!”’ |
[15] Van hem getuigde Johannes toen hij uitriep:
Hij is het over wie ik zei: “Die na mij komt is meer dan ik,
want hij was er vóór mij!” |
|
|
| Joh 1,16 - Joh
1,16 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
Liturgische lezing: Kerstmis - dagmis |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2004) |
Naardense bijbel |
Persoonlijke vertaling |
| 1:16 oti ek tou plèrômatos autou èmeis pantes elabomen
kai charin anti charitos |
16 et de plenitudine eius nos omnes accepimus et
gratiam pro gratia |
|
[16] Van zijn volheid hebben wij allen ontvangen, genade op genade. |
[16] Uit zijn overvloed zijn wij allen met goedheid
overstelpt. |
[16] Uit zijn overvloed zijn wij allen met goedheid
overstelpt. |
|
|
| Joh 1,17 - Joh
1,17 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
Liturgische lezing: Kerstmis - dagmis |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2004) |
Naardense bijbel |
Persoonlijke vertaling |
| 1:17 oti ho nomos dia môuseôs edothè hè
charis kai hè alètheia dia Ièsou Christou egeneto |
17 quia lex per Mosen data est gratia et veritas
per Iesum Christum facta est |
|
[17] Want* is de wet gegeven door Mozes, de genade
en de waarheid zijn gebracht door Jezus Christus. |
[17] De wet is door Mozes gegeven, maar goedheid
en waarheid zijn met Jezus Christus gekomen. |
[17] De wet is door Mozes gegeven, maar goedheid
en waarheid zijn met Jezus Christus gekomen. |
|
|
| Joh 1,18 - Joh
1,18 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
Liturgische lezing: Kerstmis - dagmis |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2004) |
Naardense bijbel |
Persoonlijke vertaling |
| 1:18 theon oudeis heôraken pôpote monogenès theos
ho ôn eis ton kolpon tou patros ekeinos exègèsato |
18 Deum nemo vidit umquam unigenitus Filius qui
est in sinu Patris ipse enarravit |
|
[18] Niemand* heeft God ooit gezien, maar de eniggeboren
God, die rust aan het hart van de Vader, Hij heeft Hem doen kennen. |
[18] Niemand heeft ooit God gezien, maar de enige
Zoon, die zelf God is,* die aan het hart van de Vader rust, heeft
hem doen kennen. |
[18] Niemand heeft ooit God gezien, maar de enige
Zoon, die zelf God is,* die aan het hart van de Vader rust, heeft
hem doen kennen. |
|
|
15 woorden; 34 lettergrepen
exègeomai : uiteenzetten, doen kennen. In deze vorm is het een hapax
bij Johannes.
| fôs (licht) 14X bij Johannes |
| (1) Joh 1,4 (2) Joh 1,5 (3) Joh 1,8 (4) Joh 1,9 (5) Joh 3,19 (6) Joh 3,19
(7) Joh 3,20 (8) Joh 3,20 (9) Joh 3,21 (10) Joh 8,12 (11) Joh 8,12 (13)
Joh 9,5 (14) Joh 11,9 (15) Joh 11,10 (16) Joh 12,35 (17) Joh 12,35 (18)
Joh 12,36 (19) Joh 12,36 (20) Joh 12,46 |
- heôraken (hij heeft gezien). Indicatief perfectum 3de persoon enkelvoud
van het werkwoord horaô (zien). In 4 verzen bij Johannes. (1) Joh
1,18 (2) Joh
3,32 (3) Joh
6,46 ouch hoti ton pâtera eôraken tis ei mè ôn
para tou theou houtos eôraken ton patera (niet omdat iemand de Vader heeft
gezien tenzij hij die bij God is, hij heeft de Vader gezien) (4) Joh
14,9 .
- monogenès (eniggeboren) komt bij Johannes slechts in Joh
1,18 voor. Hij wordt hier eniggeboren God genoemd. In Joh
3,16 lezen we hôste ton huion ton monogenè edôken (zodat
Hij de eniggeboren zoon gaf).
dia : 44X bij Johannes. dia + genitief : door, via. dia + accusatief : omwille
van.
Na het voorwoord begint het eigenlijke verhaal. Het vangt aan met een bekentenis
- getuigenis. Het vangt aan met een rapport, een proces-verbaal. Er is een onderzoekscommissie
gestuurd uit de hoogste geestelijke kringen. Zij moet nagaan wat zich aan de
Jordaan afspeelt en wie de persoon is die optreedt. Bij het lezen merken we
onmiddellijk dat we met een introductiefiguur te maken hebben. Hij is niet de
christus, niet de profeet (Mozes), niet Elia. Zo krijgen we wel het vermoeden
dat het verhaal daarover zal gaan; een verhaal dat hoge verwachtingen wekt.
Er komt een tweede onderzoekscommisie; zij wil weten waarom Johannes doopt.
Opnieuw wordt de blik naar de toekomst gericht. Hij, Johannes, doopt met water;
die na hem komt zal dopen met geest. Geest is wind. De komende figuur zal het
laten waaien, hij zal in beweging brengen. Er is iets op til. Er komt verandering.
Zo kunnen we Joh
1,19-34 onderverdelen in Joh 1,19-28 en Joh 1,29-34.
Joh 1,19-28 telt 157 W en 322 L. Beschouwen we Joh 1,19a als een opschrift,
dan telt de perikope 150 W (3 X 50) en 308 L (4 X 77 of 28 X 11). Joh
1,23 is het centrale vers. Het telt 16 W en 36 L. 71 W gaan eraan vooraf
(24 + 13 + 19 + 15), 70 W volgen erop. In Joh
1,23 tellen de woorden van Johannes 34 L. Hieraan gaan 144 L vooraf en volgen
144 L.
De indeling in verzen is van latere datum. De tekst werd in 9 verzen ingedeeld.
Verandering van vers heeft meestal plaats bij verandering van personage. Dit
is het geval in (1) Joh
1,19 (2) Joh
1,20 (3) Joh
1,22 (4) Joh
1,23 (5) Joh
1,24 (6) Joh
1,26 (7) Joh
1,28 . Zonder verandering van personage kwam er toch een nieuw vers in Joh
1,25 en Joh
1,27 . In de perikope komt 11X het nevenschikkend voegwoord kai (en) voor;
10X bij het begin van een zin, 1X als verbinding tussen twee zinsdelen.
| 1. afgevaardigden |
1. Johannes |
2. afgevaardigden |
2. Johannes |
3. afgevaardigden |
3. Johannes |
4. afgevaardigden |
4. Johannes |
5. afgevaardigden van de Farizeeën
|
5. Johannes |
| Joh
1,19 |
Joh
1,20 |
Joh
1,21 |
Joh
1,21 |
Joh
1,21 |
Joh
1,21 |
Joh
1,22 |
Joh
1,23 |
Joh
1,25 |
Joh
1,26 |
| hina (opdat) |
kai (en) |
kai (en) |
kai (en) |
|
kai (en) |
|
|
kai (en) |
|
| erôtèsôsin (zij zouden vragen) |
hômologèsen... (en hij beleed...) |
èrôtèsan (zij vroegen) |
legei (hij zegt) |
|
apekrithè (hij antwoordde) |
eipan oun (ze zeiden derhalve) |
efè (hij zei) |
èrôtèsan (zij vroegen) |
apekrithè (hij antwoordde) |
| auton (hem) |
|
auton (hem) |
|
|
|
autôi (tot hem) |
|
auton (hem) |
autois (hen) |
| |
|
|
|
|
|
|
|
|
ho Iôannès (Johannes |
| |
|
|
|
|
|
|
|
kai eipan autôi (en zij zeiden hem) |
legôn (zeggende) |
| su tís ei (wie ben je?) |
egô ouk eimi ho christos (ik ben de messias niet) |
tí oun (wat dan?) Hèlias ei su; (ben je
Elia?) |
ouk eimi (ik ben hem niet) |
ho profètès ei su (de profeet ben je) |
ou |
tís ei (wie ben je?) |
egô fônè... (ik ben de stem |
tí oun baptizeis ei su ouk ei ... (waarom doop
je dan als je noch ... bent |
egô baptizô (ik doop...) |
| Joh 1,19 - Joh
1,19 - Het getuigenis van Johannes : Joh
1,19-34 -- Joh
1,19 - Joh
1,20 - Joh
1,21 - Joh
1,22 - Joh
1,23 - Joh
1,24 - Joh
1,25 - Joh
1,26 - Joh
1,27 - Joh
1,28 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
Liturgische lezing: 3ZA (B) |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2004) |
Naardense bijbel |
Persoonlijke vertaling |
| 1:19 kai hautè estin hè marturia tou Iôannou hote
apesteilan pros auton hoi Ioudaioi ex Hierosolumôn hiereis kai leuitas
hina erôtèsôsin auton su tis ei |
19 et hoc est testimonium Iohannis quando miserunt
Iudaei ab Hierosolymis sacerdotes et Levitas ad eum ut interrogarent
eum tu quis es |
19 Dit dan is het getuigenis van Johannes, toen
de Joden uit Jeruzalem priesters en levieten naar hem toezonden om
hem te vragen: "Wie zijt gij?" |
[19] Dit* dan is het getuigenis van Johannes. De
Joden* hadden uit Jeruzalem priesters en Levieten op hem afgestuurd
met de vraag: ‘Wie bent u?’ |
[19] Dit is het getuigenis van Johannes. De Joden
hadden vanuit Jeruzalem priesters en Levieten naar hem toe gestuurd
om hem te vragen: ‘Wie bent u?’ |
[19] Dit is het getuigenis van Johannes. De Joden
hadden vanuit Jeruzalem priesters en Levieten naar hem toe gestuurd
om hem te vragen: Wie bent u? |
|
|
Joh
1,19 is een lange zin. Hij bestaat uit een hoofdzin en een ondergeschikte
zin (van tijd), met op zijn beurt een ondergeschikte zin (van doel) die op zijn
beurt een objectzin heeft in de rechtstreekse rede. De hoofdzin bestaat uit
7 W en 14 L. De eerste ondergeschikte zin bestaat uit 11 W en 27 L, de ondergeschikte
zin van doel telt 3 W en 9 L en de objectzin 3 W en 3 L. Het verhalend gedeelte
van de ondergeschikte zin bestaat uit 36 L (het kwadraat van 6) of 27 (3 X 9)
+ 9 . Het verhalend gedeelte bestaat dus uit 21 W en 50 L, de vraagzin in directe
rede uit 3 W en 3 L. Totaal : 24 W en 53 L. In dit vers zien we 2X het getal
9 verschijnen.
- Ioudaioi (Judeeërs). In 83 verzen in de bijbel. In 16 verzen in het
O.T., in 67 verzen in het N.T. In 1 vers bij Marcus, in 30 verzen bij Johannes.
De Judeeërs zijn de eersten die naar Johannes toekomen. Zij zijn het die
Jezus zullen laten veroordelen tot de dood.
- hiereus (priester). Zelfstandig naarwoord. Nominatief enkelvoud. In 243 verzen
in de bijbel; in 11 verzen in het N.T. Archiereus (hogepriester). In 37 verzen
in de bijbel; in 28 verzen in het N.T.
--- hiereis (priesters). Zelfstandig naamwoord. Nominatief en accusatief meervoud.
In 233 verzen in de bijbel; in 11 verzen in het N.T.
- Levitai (Levieten). In 97 verzen in de bijbel. In 0 verzen in het N.T.
- persoonlijke voornaamwoorden
--- egô (ik). Persoonlijk voornaamwoord 1ste persoon enkelvoud. Hebreeuws
´^anokhi (in 276 verzen in de bijbel) . In 1553 verzen in de bijbel; in
1234 verzen in het O.T., in 319 verzen in het N.T. In 28 verzen bij Matteüs,
in 14 verzen bij Marcus, in 21 verzen bij Lucas, in 123 verzen bij Johannes,
in 42 verzen in Hnd.
--- su (jij). Persoonlijk voornaamwoord 2de persoon enkelvoud. Hebreeuws ´attâh
(in 614 verzen in de bijbel). In 981 verzen in de bijbel; in 720 verzen in het
O.T., in 161 verzen in het N.T. In 17 verzen bij Matteüs, in 9 verzen bij
Marcus, in 25 verzen bij Lucas, in 53 verzen bij Johannes, in 17 verzen in Hnd
enz.
| Joh 1,20 - Joh
1,20 - Het getuigenis van Johannes : Joh
1,19-34 -- Joh
1,19 - Joh
1,20 - Joh
1,21 - Joh
1,22 - Joh
1,23 - Joh
1,24 - Joh
1,25 - Joh
1,26 - Joh
1,27 - Joh
1,28 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
Liturgische lezing: 3ZA (B) |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2004) |
Naardense bijbel |
Persoonlijke vertaling |
| 1:20 kai hômologèsen kai ouk èrnèsato kai hômologèsen
oti egô ouk eimi ho christos |
20 et confessus est et non negavit et confessus
est quia non sum ego Christus |
20 Daarop verklaarde hij zonder enig voorbehoud
en met grote stelligheid: "Ik ben de Messias niet." |
[20] Onomwonden kwam hij ervoor uit: ‘Ik
ben de Messias* niet.’ |
[20] Hij gaf zonder aarzelen antwoord en verklaarde
ronduit: ‘Ik ben niet de messias.’ |
[20] Hij gaf zonder aarzelen antwoord en verklaarde
ronduit: Ik ben niet de messias. |
|
|
Joh
1,20 telt 13 W
(1) Joh
1,20 : egô ouk eimi ho christos (ík ben niet de Christus)
(2) Joh
1,21 : Su Hèlias ei; (Jij bent Elia) kai legei (en hij zegt) ouk
eimi (ik ben hem niet)
(3) Joh
1,27 : ho opisô mou erchomenos, ho ouk eimi egô axios (de na
mij komende, van wie ík niet waardig ben)
(4) Joh
3,28 : hoti ouk eimi egô ho christos all' hoti apestalmenos eimi emprosthen
ekeinou (dat ík niet de Christus ben, maar dat ik de gezondene ben vóór
hem).
(5) Joh
4,26 : egô eimi, ho lalôn soi (ík ben hem, die tot jou
spreekt) Jezus tot de Samaritaanse vrouw.
(6) Joh
6,19 : egô eimi (ík ben het). Jezus wandelend over het meer.
(7) Joh
6,35 + (9)
Joh 6,48 : egô eimi ho artos tès zôès (ík
ben het brood van het leven)
(8) Joh
6,41 : egô eimi ho artos ho katabas tou ouranou (ik ben het brood,
neergedaald uit de hemel)
(10) Joh
6,51 : egô eimi ho artos ho zôn ho ek tou ouranou katabas (ik
ben het levende brood dat uit de hemel neerdaalde)
(11) Joh
7,28 : oidate pothen eimi (jullie weten vanwaar ik ben)
(12) Joh
7,29 : hoti par'autou eimi (want vanbij hem ben ik)
(13) Joh
7,33 : eti chronon mihron meth'humô eimi (nog een weinig tijd ben
ik bij jullie)
(14) Joh
7,34 + (15) Joh
7,36): kai hopou eimi egô humeis ou dunathe elthein (en waar ík
ben, kunnen jullie niet komen)
(16) Joh 8,12 : Egô eimi to fôs tou kosmou (ik ben het licht van
de wereld)
| Joh 1,21 - Joh
1,21 - Het getuigenis van Johannes : Joh
1,19-34 -- Joh
1,19 - Joh
1,20 - Joh
1,21 - Joh
1,22 - Joh
1,23 - Joh
1,24 - Joh
1,25 - Joh
1,26 - Joh
1,27 - Joh
1,28 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
Liturgische lezing: 3ZA (B) |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2004) |
Naardense bijbel |
Persoonlijke vertaling |
| 1:21 kai èrôtèsan auton ti oun su Hèlias ei kai
legei ouk eimi ho profètès ei su kai apekrithè ou |
21 et interrogaverunt eum quid ergo Helias es tu
et dicit non sum propheta es tu et respondit non |
21 Zij vroegen hem: "Wat dan? Zijt gij Elia?"
Hij zei: "Dat ben ik niet." "Zijt gij de profeet?"
Hij antwoordde: "Neen." |
[21] ‘Wie dan wel? Bent u Elia?’ vroegen
ze. ‘Die ben ik ook niet’, antwoordde hij. ‘Bent
u soms de profeet?’ – ‘Nee’, zei hij. |
[21] Toen vroegen ze hem: ‘Wie dan? Bent
u Elia?’ Hij zei: ‘Die ben ik ook niet.’ ‘Bent
u de profeet?’ ‘Nee,’ antwoordde hij. |
[21] Toen vroegen ze hem: Wie dan? Bent u Elia?
Hij zei: Die ben ik ook niet. Bent u de profeet? Nee, antwoordde hij. |
|
|
Tekstuitleg van Joh
1,21
Joh
1,21 telt negentien woorden .
legô (zeggen) . Verwijzing : legô
(zeggen) , zie Joh
1,21 .
| legô (ik zeg) In 36X bij Johannes |
|
| legei (112X bij Johannes) |
(1) Joh 1,21 : - Joh
1,19-34 - (2) Joh 1,29 - Joh
1,19-34 - (3) Joh 1,36 - Joh
1,35-42 - (4) Joh 1,38: - Joh
1,35-42 - (5) Joh 1,41 - Joh
1,35-42 - (6) Joh 1,43 |
| legete (jullie zeggen) 7X bij Johannes |
|
| legousin (zij zeggen) 9X bij Johannes |
|
| legôn (zeggende) 8X bij Johannes |
|
| legontes (zeggende) 10X bij Johannes |
|
| elegen (hij zei) 13X bij Johannes |
|
| elegon (zij zeiden) : éénendertig verzen
bij Johannes |
|
| eipôn (zeggende) 11X bij Johannes |
|
| eipontos (zeggende) participium aorist genitief
|
|
| eipen (hij zei) 114X bij Johannes |
zie |
| eipan (zij zeiden) 26X bij Johannes |
|
| eipon (zij zeiden) 39X bij Johannes |
|
| |
|
| |
|
| |
|
| |
|
| |
|
elegon (zij zeiden) 31X bij Johannes (1) Joh 4,33(2) Joh 4,42(3) Joh 5,10 (4)
Joh 6,14 (5) Joh 6,42 (6) Joh 7,11 (7) Joh 7,12(8) Joh 7,25 (9) Joh 7,31(10)
Joh 7,40 (11) Joh 7,41(12) Joh 7,41 (13) Joh 8,6 (14) Joh 8,19 (15) Joh 8,22(16)
Joh 8,25(17) Joh 9,8 (18) Joh 9,9(19) Joh 9,9 (20) Joh 9,10 (21) Joh 9,21
In 5 verzen staat bij eipôn (gezegd) het aanwijzend voornaamwoord tauta
(dat); in 4 vrezen touto (dat, dit).
eipôn (gezegd) . In 11 verzen bij Johannes
(1) Joh 5,12 : Tís estin ho anthrôpos ho eipôn soi :
Aron kai peripatei ; (Wie is de man die aan jou zei : Neem op en wandel).
eipôn (gezegd) verwijst naar Joh 5,8 - Joh
5,1-18 -
(2) Joh 7,9 : tauta de eipôn autos emeinen en tèi Galilaiai
(Dat gezegd echter bleef hij in Galilea). Het eerste deel van het vers verwijst
naar wat Jezus zei in Joh 7,6-8 - Joh
7,1-13 -.
(3) Joh 9,6 : tauta eipôn (dat gezegd) verwijst naar de woorden van
Jezus in Joh 9,3-5.
(4) Joh 11,43 : kai tauta eipôn (en dat gezegd) verwijst naar het
gebed van Jezus in Joh 11,41b-42.
(5) Joh 13,21 : tauta eipôn (dat gezegd) verwijst naar de woorden
van Jezus in Joh 13,13b-20.
(6) Joh 18,1 : tauta eipôn (dat gezegd) verwijst naar het gebed van
Jezus in Joh 17,1b-26
(7) Joh 18,22 : eipôn (gezegd) . Eén van de dienaar van de
hogepriester reageert op wie Jezus zegt met de woorden. Eipôn (gezegd)
leidt het citeren in. Dit is zeldzaam. Eerder wordt legôn (zeggend)
hiervoor gebruikt.
(8) Joh 18,18 : kai touto eipôn palin exèlthen (en dit gezegd
ging Pilatis terug naar buiten) verwijst naar de woorden van Pilatis tí
estin alètheia (wat is waarheid?)
(9) Joh 20, 20 : touto eipôn (dit gezegd) verwijst naar de woorden
van Jezus in Joh 20,19b : eirènè humin (vrede aan jullie)
(10) Joh 20, 22 : touto eipôn (dit gezegd) verwijst naar de woorden
van Jezus in Joh 20,21.
(11) Joh 21, 19b : kai touto eipôn (en dit gezegd) verwijst naar de
woorden van Jezus in Joh 21,17b-18 |
erôtaô (vragen)
èrôtèsan (zij vroegen) komt in 11 verzen
in de bijbel voor; in 3 verzen in het O.T., in 8 verzen in het N.T. Niet bij
Matteüs, noch bij Marcus, in 1 vers bij Lucas, in 6 verzen bij Johannes
: (1) Joh
1,21 . (2) Joh
1,25 . (3) Joh
5,10 . (4) Joh
9,2 . (5) Joh
9,19 . (6) Joh
19,31 , in 1 vers in Hnd.
| (slechts 1X in deze vorm) Joden, afgevaardigd uit Jeruzalem,
priesters en levieten |
1. Joden, afgevaardigd uit Jeruzalem, priesters en levieten |
2. afgevaardigden van de Farizeeën |
3. de Joden |
4. de leerlingen van Jezus |
5. de joden |
6. de joden |
| Joh
1,19 |
Joh
1,21 |
Joh
1,25 |
Joh
5,10 |
Joh
9,2 |
Joh
9,19 |
Joh
19,31 |
| hina (opdat) |
kai (en) |
kai (en) |
kai (en) |
kai (en) |
kai (en) |
|
| erôtèsôsin (zij zouden vragen) |
èrôtèsan (zij vroegen) |
èrôtèsan (zij vroegen) |
èrôtèsan (zij vroegen) |
èrôtèsan (zij vroegen) |
èrôtèsan (zij vroegen) |
èrôtèsan (zij vroegen) |
| auton (hem) |
auton (hem) |
auton (hem) |
auton (hem) |
auton (hem) hoi mathètai autou (zijn leerlingen) |
autous (hen) |
ton Pilaton (Pilatus) |
| |
|
kai eipan autôi (en zij zeiden hem) |
|
legontes (zeggende) |
legontes (zeggende) |
|
| su tís ei; (wie ben je?) |
tí oun (wat dan?) Hèlias ei su; (ben je
Elia?) |
tí oun baptizeis ei su ouk ei ... (waarom doop
je dan als je noch ... bent |
tís estin ho anthrôpos ho eioôn soi
(wie zei je?) |
rabbi, tís èmarten (Meester, wie heeft
gezondigd...) |
... pôs ... (hoe...?) |
hina (opdat) |
| Het getuigenis van Johannes : Joh
1,19-34 |
Het getuigenis van Johannes : Joh
1,19-34 |
Het getuigenis van Johannes : Joh
1,19-34 |
Genezing van een lamme : Joh
5,1-18 - |
Genezing van een blindgeborene : Joh
9,1-38 |
Genezing van een blindgeborene : Joh
9,1-38 |
Doorboring van Jezus'zijde :
Joh 19,31-37 - |
In 5 van de 6 gevallen staat kort na het werkwoord erôtaô (vragen)
een vragend voornaamwoord. In enkele gevallen (Joh
1,25 , Joh
9,2 en Joh
9,19) wordt na het werkwoord erôtaô (vragen) een vorm van het
werkwoord legô (zeggen) gebruikt om een citaat in te leiden. Behalve in
Joh
5,10 en Joh
19,31 wordt op de vraag een antwoord gegeven met een vorm van het werkwoord
apokrinomai (antwoorden) bij Johannes, zie Joh
1,21.
- apekrithè (hij antwoordde). In 57 verzen bij Johannes, zie Joh
1,21.
erôtaô (vragen) - apokrinomai (antwoorden)
| |
1. Joden, afgevaardigd uit Jeruzalem, priesters
en levieten |
Johannes |
2. afgevaardigden van de Farizeeën |
Johannes |
4. de leerlingen van Jezus |
Jezus |
5. de joden |
de ouders |
| Joh
1,19 |
Joh
1,21 |
Joh
1,21 |
Joh
1,25 |
Joh
1,26 |
Joh
9,2 |
Joh
9,3 |
Joh
9,19 |
Joh
9,20 |
| hina (opdat) |
kai (en) |
kai (en) |
kai (en) |
|
kai (en) |
|
kai (en) |
|
| erôtèsôsin (zij zouden vragen) |
èrôtèsan (zij vroegen) |
apekrithè (hij antwoordde) |
èrôtèsan (zij vroegen) |
apekrithè (hij antwoordde) |
èrôtèsan (zij vroegen) |
apekrithè (hij antwoordde) |
èrôtèsan (zij vroegen) |
apekrithèsan oun (zij antwoordden dus) |
| auton (hem) |
auton (hem) |
|
auton (hem) |
autois (hen) |
auton (hem) ... |
|
autous (hen) |
|
| |
|
|
|
ho Iôannès (Johannes) |
|
Ièsous (Jezus) |
|
hoi goneis autou (zijn ouders) |
| |
|
|
kai eipan autôi (en zij zeiden hem) |
legôn (zeggende) |
|
|
legontes (zeggende) |
kai eipan (en zij zeiden |
| su tís ei (wie ben je?) |
tí oun (wat dan?) Hèlias ei su; (ben je
Elia?) |
ou |
tí oun baptizeis ei su ouk ei ... (waarom doop
je dan als je noch ... bent |
|
rabbi, tís èmarten (Meester, wie heeft gezondigd...)
|
|
... pôs ... (hoe...?) |
|
| |
|
|
|
|
|
|
|
|
| Het getuigenis van Johannes : Joh
1,19-34 |
|
|
|
|
Genezing van een blindgeborene : Joh
9,1-38 |
|
|
|
| |
1. de leerlingen |
Jezus |
2. de Samaritanen |
Jezus |
3. de Farizeeën |
de genezene |
4. Grieken |
Jezus |
| |
Joh 4,31 |
Joh 4,32 |
Joh 4,40 |
Joh 4,40 |
Joh 9,15 |
Joh 9,15 |
Joh 12,21 |
Joh 12,23 |
| |
|
ho de (hij echter) |
|
|
palin oun (opnieuw dus) |
ho de (hij echter) |
kai (en) |
ho de Ièsous (Jezus echter) |
| werkwoord |
èrôtôn (zij - de leerlingen - vroegen) |
eipen (zei) |
èrôtôn (zij vroegen) |
|
èrôtôn (zij vroegen) |
eipen (zei) |
èrôtôn (zij - de Grieken - vroegen) |
apokrinetai (antwoordt) |
| lijdend voorwerp |
auton (hem) |
autois (aan hen) |
auton (hem) |
|
auton (hem) |
autois (aan hen) |
auton (hem) |
autois (aan hen) |
| |
hoi mathètai (de leerlingen) |
|
|
|
kai hoi Farisaioi (ook de Farizeeën) |
|
|
|
| |
legontes (zeggende) |
|
|
|
|
|
legontes (zeggende) |
legôn (zeggende) |
| |
Jezus en een samaritaanse vrouw : Joh 4,1-45 - Joh
4,1-45 - |
Jezus en een samaritaanse vrouw : Joh 4,1-45 - Joh
4,1-45 - |
Jezus en een samaritaanse vrouw : Joh 4,1-45 - Joh
4,1-45 - |
Jezus en een samaritaanse vrouw : Joh 4,1-45 - Joh
4,1-45 - |
Genezing van een blindgeborene : Joh 9,1-38 - Joh
9,1-38 - |
Genezing van een blindgeborene : Joh 9,1-38 - Joh
9,1-38 - |
Jezus'laatste openlijke optreden : Joh 12,20-36
- Joh
12,20-36 - |
Jezus'laatste openlijke optreden : Joh 12,20-36
- Joh
12,20-36 - |
oun (bij-gevolg) , erop volgend,
dus, derhalve). oun
(bij-gevolg) (eropvolgend, dus, derhalve), zie Joh
1,21 .In 688 verzen in de bijbel; in 198 verzen in het O.T., in 490 verzen
in het N.T. In 56 verzen bij Matteüs. In 6 verzen bij Marcus. In 33 verzen
bij Lucas. In 194 verzen bij Johannes: Joh
9,1-38 - : 13X (Joh 9,7.8.10.11.15.16.17.18.19.20.24.25.26). In 11 verzen
in Joh 20. In zestig verzen in Hnd .
Wanneer we egô (ik) in het johannesevangelie tegenkomen, is meestal Jezus
aan het woord. In Joh 9,9 antwoordt de genezen blindgeborene op de vele meningsverschillen
omtrent zijn persoon : egô eimi (ik ben het).
| apekrithè
(hij antwoordde) 57X bij Johannes |
(1) Joh 1,21 (Johannes) - Joh
1,19-34 - |
| (2) Joh 1,26 apekrithè autois ho Iôannès
legôn (Johannes antwoordde hen zeggende) (4) Joh 1,49 apekrithè
autôi Nathanaèl (Natanaël antwoordde hem) |
(2) Joh 1,26 - Joh
1,19-34 - |
| apekrithè Ièsous kai eipen autôi /
Joh 4,10.13 : autèi (Jezus antwoordde en zei hem / ) |
(3) Joh 1,48 (5) Joh 1,50 (7) Joh 3,3 (10) Joh 3,10 (12)
Joh 4,10 (haar) (13) Joh 4,13 (haar) |
| apekrithè Ièsous kai eipen autois (Jezus
antwoordde en zei hen). Joh 9,30 : apekrithè anthrôpos kai
eipen autois (de man antwoordde en zei hen). |
(6) Joh 2,19 |
| apekrithè Ièsous (Jezus antwoordde) Joh
9,11: ... ekeinos : de genezen blindgeborene antwoordde). Joh 9,25 : ...
oun ekeinos (de genezen blindgeborene antwoordde dus). Joh 9,27 : apekrithè
autois (hij = de genezen... antwoordde). |
(8) Joh 3,5. Joh 9,3 (na een vraag).. |
| (9) apekrithè (Joh 3,9 Nikomèmos; Joh 4,17
hè gunè) kai eipen autôi (Joh 3,9 Nicodemus ; Joh 4,17
de vrouw; antwoordde en zei hem) |
|
| (11) apekrithè Iôannès kai eipen (Joh
3,37 Johannes, antwoordde en zei) Joh 9,36: apekrithè ekeinos en
eipen (deze = de genezen blindgeborene) antwoordde en zei). |
|
| |
|
| |
|
| |
|
| apokrinetai (hij antwoordt) 3X bij Johannes |
| |
14. profètès (profeet) . Verwijzing
: profètès
(profeet) , zie Joh
1,21 . In 105 verzen in de bijbel . In achtenzeventig verzen in het O.T.
: Dt 34,10
. In zevenentwintig verzen in het N.T. .
- Accusatief enkelvoud profètèn . In zevenenveertig verzen in de bijbel . In
drieëndertig verzen in het O.T. : (1) In veertien verzen in het N.T. .
- nominatief meervoud profètai . In achtenvijfitg verzen in de bijbel
. In zevenendertig verzen in het O.T. . In eenentwintig verzen in het N.T. .
In zes verzen in Hnd .
- nâbhî´ (profeet) . In achtentwintig verzen in de bijbel
.
| 1. |
3. |
4. |
5. |
6. |
7. |
9. |
| Joh 1,21 |
Joh 1,23 |
Joh 4,19 |
Joh 4,44 |
Joh 6,14 |
Joh 7,40 |
Joh 9,17 |
| |
Tí oun baptizeis (Waarom doop je dan) |
kurie, theôrô hoti (Heer, ik zie dat |
|
|
|
hoti (dat) |
| Ho profètès ei su; (de profeet ben je?) |
ei su ... oude ho profètès (indie u niet
de profeet bent) |
profètès ei su (een profeet u bent) |
|
houtos estin alèthôs ho profètès
(deze is waarlijk de profeet) |
houtos estin alèthôs ho profètès
(deze is waarlijk de profeet) |
profètès estin (een profeet is hij). |
| |
|
|
|
ho erchomenos eis ton kosmon (de komende in de wereld)
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
|
Efè (hij zei) ook slechts 2X voor in het Johannesevangelie.
In Joh 1,23 zegt Johannes de Doper ik dat hij de stem van een roepende in de
woestijn is. In Joh 9,38 zegt de genezen blindgeborene : Ik geloof, Heer.
| Joh 1,22 - Joh
1,22 - Het getuigenis van Johannes : Joh
1,19-34 -- Joh
1,19 - Joh
1,20 - Joh
1,21 - Joh
1,22 - Joh
1,23 - Joh
1,24 - Joh
1,25 - Joh
1,26 - Joh
1,27 - Joh
1,28 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
Liturgische lezing: 3ZA (B) |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2004) |
Naardense bijbel |
Persoonlijke vertaling |
| 1:22 eipan oun autô tis ei hina apokrisin dômen
tois pempsasin hèmas ti legeis peri seautou |
22 dixerunt ergo ei quis es ut responsum demus
his qui miserunt nos quid dicis de te ipso |
22 Toen zeiden zij hem: "Wie zijt gij dan?
Wij moeten toch een antwoord geven aan degenen die ons gestuurd hebben.
Wat zegt gij over uzelf?" |
[22] ‘Wie bent u dan?’ drongen ze aan.
‘We willen een antwoord geven aan degenen die ons gestuurd hebben.
Wat zegt u over uzelf?’ |
[22] ‘Maar wie bent u dan?’ vroegen
ze hem. ‘Wij moeten antwoord kunnen geven aan degenen die ons
gestuurd hebben – wie zegt u zelf dat u bent?’ |
[22] Maar wie bent u dan? vroegen ze hem. Wij moeten
antwoord kunnen geven aan degenen die ons gestuurd hebben –
wie zegt u zelf dat u bent? |
|
|
Joh
1,22 telt 15 W
| Joh 1,23 - Joh
1,23 - Het getuigenis van Johannes : Joh
1,19-34 -- Joh
1,19 - Joh
1,20 - Joh
1,21 - Joh
1,22 - Joh
1,23 - Joh
1,24 - Joh
1,25 - Joh
1,26 - Joh
1,27 - Joh
1,28 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
Liturgische lezing: 3ZA (B) |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2004) |
Naardense bijbel |
Persoonlijke vertaling |
| 1:23 efè egô fônè boôntos en tèi erèmôi euthunate
tèn hodon kuriou kathôs eipen Hèsaias ho profètès |
23 ait ego vox clamantis in deserto dirigite viam
Domini sicut dixit Esaias propheta |
23 Hij sprak: "Ik ben, zoals de profeet Jesaja
het uitdrukt, de stem van iemand die roept in de woestijn: Maakt de
weg recht voor de Heer!" |
[23] Hij zei: ‘Ik ben een stem die roept
in de woestijn: “Maak recht de weg van de Heer”, zoals
de profeet Jesaja gezegd heeft.’ |
[23] Hij zei: ‘Ik ben de stem die roept in
de woestijn: “Maak recht de weg van de Heer,” zoals de
profeet Jesaja gezegd heeft.’ |
[23] Hij zei: Ik ben de stem die roept in de woestijn:
“Maak recht de weg van de Heer,” zoals de profeet Jesaja
gezegd heeft. |
|
|
Joh
1,23 bestaat een inleiding en een citaat, dat in 3 delen kan verdeeld worden.
De inleiding bestaat uit 1 W en 2 L. Het citaat bestaat uit 2 hoofdzinnen. De
ondergeschikte zin heeft zowel betrekking op de eerste als de tweede hoofdzin.
Het aantal W is (1 + 6 + 4 + 5) 16 of het kwadraat van 4; het aantal L is (2
+ 12 + 10 + 12) 36 of het kwadraat van 6.
| Joh 1,24 - Joh
1,24 - Het getuigenis van Johannes : Joh
1,19-34 -- Joh
1,19 - Joh
1,20 - Joh
1,21 - Joh
1,22 - Joh
1,23 - Joh
1,24 - Joh
1,25 - Joh
1,26 - Joh
1,27 - Joh
1,28 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
Liturgische lezing: 3ZA (B) |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2004) |
Naardense bijbel |
Persoonlijke vertaling |
| 1:24 kai apestalmenoi èsan ek tôn farisaiôn |
24 et qui missi fuerant erant ex Pharisaeis |
24 De afgezanten waren uit de kring van de Farizeeën.
Zij vroegen hem: |
[24] De afgevaardigden, die uit de kring van de farizeeën kwamen, |
[24] De afgevaardigden die uit de kring van de
Farizeeën kwamen, |
[24] De afgevaardigden die uit de kring van de Farizeeën
kwamen, |
|
|
| Joh 1,25 - Joh
1,25 - Het getuigenis van Johannes : Joh
1,19-34 -- Joh
1,19 - Joh
1,20 - Joh
1,21 - Joh
1,22 - Joh
1,23 - Joh
1,24 - Joh
1,25 - Joh
1,26 - Joh
1,27 - Joh
1,28 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
Liturgische lezing: 3ZA (B) |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2004) |
Naardense bijbel |
Persoonlijke vertaling |
| 1:25 kai èrôtèsan auton kai eipan autô ti oun baptizeis
ei su ouk ei thèchristos oude èlias oude thèprofètès |
25 et interrogaverunt eum et dixerunt ei quid ergo
baptizas si tu non es Christus neque Helias neque propheta |
25 "Wat doopt gij dan als gij de Messias niet
zijt, noch Elia, noch de profeet?" |
[25] drongen verder aan en vroegen: ‘Maar
als u de Messias niet bent en ook Elia niet of de profeet, waarom
doopt u dan?’ |
[25] vroegen verder: ‘Waarom doopt u dan,
als u niet de messias bent, en ook niet Elia of de profeet?’ |
[25] vroegen verder: Waarom doopt u dan, als u niet
de messias bent, en ook niet Elia of de profeet? |
|
|
| Joh 1,26 - Joh
1,26 - Het getuigenis van Johannes : Joh
1,19-34 -- Joh
1,19 - Joh
1,20 - Joh
1,21 - Joh
1,22 - Joh
1,23 - Joh
1,24 - Joh
1,25 - Joh
1,26 - Joh
1,27 - Joh
1,28 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
Liturgische lezing: 3ZA (B) |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2004) |
Naardense bijbel |
Persoonlijke vertaling |
| 1:26 apekrithèautois thèiôannès legôn egô baptizô
en udati mesos umôn | stèkei | estèken | on umeis ouk oidate |
26 respondit eis Iohannes dicens ego baptizo in
aqua medius autem vestrum stetit quem vos non scitis |
26 Johannes antwoordde hun: "Ik doop met water,
maar onder u staat Hij die gij niet kent, |
[25] drongen verder aan en vroegen: ‘Maar
als u de Messias niet bent en ook Elia niet of de profeet, waarom
doopt u dan?’ [26] Johannes gaf hun ten antwoord: ‘Ik
doop in water. Maar zonder dat u Hem herkent staat Hij al in uw midden |
[26] ‘Ik doop met water,’ antwoordde
Johannes. ‘Maar in uw midden is iemand die u niet kent, |
[26] Ik doop met water, antwoordde Johannes. Maar
in uw midden is iemand die u niet kent, |
|
|
| Joh 1,27 - Joh
1,27 - Het getuigenis van Johannes : Joh
1,19-34 -- Joh
1,19 - Joh
1,20 - Joh
1,21 - Joh
1,22 - Joh
1,23 - Joh
1,24 - Joh
1,25 - Joh
1,26 - Joh
1,27 - Joh
1,28 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
Liturgische lezing: 3ZA (B) |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2004) |
Naardense bijbel |
Persoonlijke vertaling |
| 1:27 | | thè| opisô mou erchomenos ou ouk eimi
[egô] axios ina lusô autou ton imanta tou upodèmatos |
27 ipse est qui post me venturus est qui ante me
factus est cuius ego non sum dignus ut solvam eius corrigiam calciamenti
|
27 Hij die na mij komt, ik ben niet waardig de
riem van zijn sandalen los te maken." |
: [27] Hij die na mij komt, maar wiens schoenriem
ik niet waard ben los te maken.’ |
[27] hij die na mij komt – ik ben het niet
eens waard om de riemen van zijn sandalen los te maken.’ |
[27] hij die na mij komt – ik ben het niet
eens waard om de riemen van zijn sandalen los te maken. |
|
|
| Joh 1,28 - Joh
1,28 -
Het getuigenis van Johannes : Joh
1,19-34 -- Joh
1,19 - Joh
1,20 - Joh
1,21 - Joh
1,22 - Joh
1,23 - Joh
1,24 - Joh
1,25 - Joh
1,26 - Joh
1,27 - Joh
1,28 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
Liturgische lezing: 3ZA (B) |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2004) |
Naardense bijbel |
Persoonlijke vertaling |
| 1:28 tauta en Bèthania egeneto peran tou Iordanou
opou èn ho Iôannès baptizôn |
28 haec in Bethania facta sunt trans Iordanen ubi
erat Iohannes baptizans |
28 Dit gebeurde te Betanië, aan de overkant
van de Jordaan waar Johannes aan het dopen was. |
[28] Dit gebeurde in Betanië, aan de overkant
van de Jordaan, waar Johannes aan het dopen was. |
[28] Dit gebeurde in Betanië, aan de overkant
van de Jordaan, waar Johannes doopte. |
[28] Dit gebeurde in Betanië, aan de overkant
van de Jordaan, waar Johannes doopte. |
|
|
| - tauta (die 'dingen'), zie Mt
1,20. |
bestaat uit 12 woorden en 27 lettergrepen. .
Joh
1,28 vormt de slotzin van Joh 1,19-28, het eerste deel van Joh
1,19-34 . In slotzinnen komt eenzelfde zinstructuur dikwijls bij Johannes
voor. Vooreerst is er een vorm van het aanwijzend voornaamwoord houtos (deze)
waardoor het voorgaande wordt samengevat. In Joh
1,28 staat het onzijdig meervoud tauta (deze). Het slaat op de vragen van
de priesters en levieten enerzijds en van de farizeeën anderzijds en op
de antwoorden van Johannes de Doper op die vragen. Verder is er een werkwoord
en een plaatsbepaling.
- tauta (deze) In 58 verzen bij Johannes. Bij Johannes : meta tauta (daarna),
in 8 verzen, zie Joh
1,43 .
auta (deze dingen) bij het begin van een slotzin voorkomt.
houtos (deze, die). Nominatief mannelijk enkelvoud. Aanwijzend voornaamwoord.
In 48 verzen bij Johannes.
| Joh 1,29 - Joh
1,29 - Het getuigenis van Johannes : Joh
1,19-34 -- Joh
1,29 - Joh
1,30 - Joh
1,31 - Joh
1,32 - Joh
1,33 - Joh
1,34 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
Liturgische lezing : 2zdhj (A) |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2004) |
Naardense bijbel |
Persoonlijke vertaling |
| 1:29 tèi epaurion blepei ton Ièsoun erchomenon pros
auton kai legei ide ho amnos tou theou ho airôn tèn amartian tou kosmou |
29 altera die videt Iohannes Iesum venientem ad
se et ait ecce agnus Dei qui tollit peccatum mundi |
29 De volgende dag zag Johannes de Doper Jezus naar
zich toekomen en zei: "Zie, het Lam Gods dat de zonde van de
wereld wegneemt. |
[29] De* volgende dag zag hij Jezus, terwijl die naar hem toe kwam.
‘Daar is het lam* van God,’ zei hij, ‘degene die
de zonde van de wereld wegneemt. |
[29] De volgende dag zag hij Jezus naar zich toe
komen, en hij zei: ‘Daar is het lam van God, dat de zonde van
de wereld wegneemt. |
[29] De volgende dag zag hij Jezus naar zich toe
komen, en hij zei: Daar is het lam van God, dat de zonde van de wereld
wegneemt. |
's Anderendaags |
|
Tekstuitleg van Joh
1,29
| Joh
1,29 |
tèi epaurion (De volgende dag) |
blepei (ziet hij) |
|
ton Ièsoun (Jezus) |
erchomenon pros auton (naar hem komen) |
kai legei (en zegt) |
|
ide (zie) |
| Joh
1,47 |
|
eiden |
Ièsous (Jezus) |
ton Nathanaèl (Natanël) |
erchomenon pros auton (naar hem komen) |
kai legei (en hij zegt) |
peri autou (over hem) |
ide (zie) |
Joh
1,29 bestaat uit twee nevenschikkende zinnen met elkaar verbonden door het
nevenschikkend voegwoord kai (en) . De tweede nevenschikkende zin leidt een
citaat van Johannes de Doper in . Aldus kan je Joh
1,29 indelen in drie delen : Joh 1,29a bestaat uit acht woorden en zeventien
lettergrepen ; vijf woorden eindigen -n , vier op -on . Ton Ièsoun (Jezus)
accusatief enkelvoud als lijdend voorwerp bij blepei (hij ziet) staat centraal
. Het bestaat uit twee woorden en lettergrepen lettergrepen ; drie woorden en
zeven lettergrepen gaan eraan vooraf , drie woorden en zeven lettergrepen volgen
erop . Joh 1,29b bestaat uit twee woorden en drielettergrepen en leidt het citaat
van Johannes de Doper in . Joh 1,29c geeft het citaat . Het bestaat uit elf
woorden en negentien lettergrepen . Joh 1,29c zouden we eveneens in drie deeltjes
kunnen onderverdelen . Joh 1,29c1 bestaat uit één woord en twee
lettergrepen ; Joh 1,29c2 bestaat uit vier woorden en zes lettergrepen ; Joh
1,29c3 bestaat uit zes woorden en elf lettergrepen . In totaal bestaat Joh
1,29 uit 8 + 2 + 11 = 21 woorden en 17 + 3 + 19 = 39 lettergrepen .
1. 2. tèi
epaurion ('s anderendaags) , zie Joh
1,35 . In negenendertig verzen in de bijbel . In zeventien verzen in het
N.T. . In tien verzen tèi epaurion , in zes verzen tèi de epaurion
, in één vers tèi oun epaurion . Het staat in een vers
bij Matteüs : Mt
27,62 . In één vers bij Marcus : Mc
11,12 . In vijf verzen bij Johannes . Het staat telkens aan het begin van
de zin . In Joh worden op deze wijze een reeks verhalen aan elkaar gerijgd :
(1) Joh
1,29 - Joh
1,19-34 - (2) Joh
1,35 - Joh
1,35-42 - (3) Joh
1,43 - Joh
1,43-51 - (4) Joh
6,22 . (5) Joh
12,12 .
Joh 1,19-28 is dan de eerste dag .
Joh 1,29-34 is dan de tweede dag .
Joh 1,35-42 is dan de derde dag .
Joh 1,43-51 is dan de vierde dag .
Joh 2,1-12 , op de derde dag, zou dan de zevende dag zijn .
Al deze verhalen maken deel uit van Jezus'eerste cyclus van Judea naar Galilea
.
3. De vorm blepei (hij ziet) komt in 7 verzen bij Johannes voor. Actief indicatief
praesens 3de persoon enkelvoud van het werkwoord blepô (zien). (1) Joh
1,29 ; (2) Joh
9,19 . (3) Joh
9,21 . (4) Joh
11,9 . (5) Joh
20,1 . (6) Joh
20,5 . (7) Joh
21,20 . In het Grieks hoort bij het werkwoord blepô (zien) het lijdend
voorwerp in de accusatief , eventueel vergezeld van een participiumvorm van
een werkwoord . In het Nederlands vertalen we dit door een objectzin. B.v. ik
zie Jezus , komende = ik zie Jezus komen .
- blepô (zien) . Verwijzing : - blepô (zien)
, zie Joh 1,29 .
| Joh
1,29 |
Joh
20,1 |
Joh
20,5 |
Joh
21,20 |
Joh
20,6 |
|
| blepei (hij ziet) |
blepei (zij ziet) |
blepei (hij ziet) |
blepei (hij ziet) |
theôrei (hij ziet) |
|
| ton Ièsoun (Jezus) |
ton lithon (dat de steen) |
|
ton mathètèn (de leerling) |
|
|
| erchomenon pros auton (naar hem komen) |
èrmenon ek tou mnèmeiou (van het gedenkteken
is weggerold) |
keimena ta othonia (de doeken liggen) |
... akolouthounta (Jezus volgen) |
ta othinia keimena (de doeken liggen) |
|
| |
|
|
|
|
|
De vorm theôrei (hij ziet) komt eveneens in 7 verzen
bij Johannes voor. Actief indicatief praesens 3de persoon enkelvoud van het
werkwoord theôreô (zien) (zie theorie, zienswijze). (1) Joh
10,12 . (2) Joh
12,45 . (3) Joh
14,17 . (4) Joh
14,19 . (5) Joh
20,6 . (6) Joh
20,12 . (7) Joh
20,14 .
De vorm eiden (hij zag) van het werkwoord horaô (zien) komt eveneens
in 7 verzen bij Johannes voor : (1) (2) (3) (4) (5) (6) (7)
| Joh 1,30 - Joh
1,30 - Het getuigenis van Johannes : Joh
1,19-34 -- Joh
1,29 - Joh
1,30 - Joh
1,31 - Joh
1,32 - Joh
1,33 - Joh
1,34 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
Liturgische lezing : 2zdhj (A) |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2004) |
Naardense bijbel |
Persoonlijke vertaling |
| 1:30 outos estin huper hou egô eipon opisô mou
erchetai anèr hos emprosthen mou gegonen oti prôtos mou èn |
30 hic est de quo dixi post me venit vir qui ante
me factus est quia prior me erat |
30 Deze is het van wie ik zei: Achter mij komt
een man die vóór mij is, want Hij was eerder dan ik. |
[30] Hij is het van wie ik zei: “Na mij komt
iemand die mijn meerdere is, want vóór mij was Hij er
al.” |
[30] Hij is het over wie ik zei: “Na mij komt
iemand die meer is dan ik, want hij was er vóór mij.” |
[30] Hij is het over wie ik zei: “Na mij komt
iemand die meer is dan ik, want hij was er vóór mij.”
|
|
|
| Joh 1,31 - Joh
1,31 - Het getuigenis van Johannes : Joh
1,19-34 -- Joh
1,29 - Joh
1,30 - Joh
1,31 - Joh
1,32 - Joh
1,33 - Joh
1,34 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
Liturgische lezing : 2zdhj (A) |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2004) |
Naardense bijbel |
Persoonlijke vertaling |
| 1:31 kagô ouk èdein auton all hina fanerôthèi tôi
Israèl dia touto èlthon egô en hudati baptizôn |
31 et ego nesciebam eum sed ut manifestaretur Israhel
propterea veni ego in aqua baptizans |
31 Ook ik kende Hem niet maar opdat Hij aan Israël
geopenbaard zou worden, daarom kwam ik met water dopen." |
[31] Ikzelf wist niet wie het zou zijn, maar omdat
Hij aan Israël* moest worden geopenbaard, daarom ben ik komen
dopen in water.’ |
[31] Ook ik wist niet wie hij was, maar ik kwam
met water dopen opdat hij aan Israël geopenbaard zou worden.’ |
[31] Ook ik wist niet wie hij was, maar ik kwam
met water dopen opdat hij aan Israël geopenbaard zou worden.
|
|
|
| Joh 1,32 - Joh
1,32 - Het getuigenis van Johannes : Joh
1,19-34 -- Joh
1,29 - Joh
1,30 - Joh
1,31 - Joh
1,32 - Joh
1,33 - Joh
1,34 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
Liturgische lezing : 2zdhj (A) |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2004) |
Naardense bijbel |
Persoonlijke vertaling |
| 1:32 kai emarturèsen Iôannès legôn oti tetheamai
to pneuma katabainon hôs peristeran ex ouranou kai emeinen ep auton |
32 et testimonium perhibuit Iohannes dicens quia
vidi Spiritum descendentem quasi columbam de caelo et mansit super
eum |
32 Verder getuigde Johannes: "Ik heb de Geest
als een duif uit de hemel zien neerdalen en Hij bleef op Hem rusten. |
[32] En Johannes getuigde: ‘Ik heb gezien
hoe de Geest als een duif uit de hemel neerdaalde en op Hem bleef
rusten. |
[32] En Johannes getuigde: ‘Ik heb de Geest
als een duif uit de hemel zien neerdalen, en hij bleef op hem rusten. |
[32] En Johannes getuigde: Ik heb de Geest als een
duif uit de hemel zien neerdalen, en hij bleef op hem rusten. |
|
|
| Joh 1,33 - Joh
1,33 - Het getuigenis van Johannes : Joh
1,19-34 -- Joh
1,29 - Joh
1,30 - Joh
1,31 - Joh
1,32 - Joh
1,33 - Joh
1,34 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
Liturgische lezing : 2zdhj (A) |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2004) |
Naardense bijbel |
Persoonlijke vertaling |
| 1:33 kagô ouk èdein auton all ho pempsas me baptizein
en udati ekeinos moi eipen ef on an idès to pneuma katabainon kai
menon ep auton outos estin ho baptizôn en pneumati hagiôi |
33 et ego nesciebam eum sed qui misit me baptizare
in aqua ille mihi dixit super quem videris Spiritum descendentem et
manentem super eum hic est qui baptizat in Spiritu Sancto |
33 Ook ik kende Hem niet, maar die mij gezonden
had om met water te dopen, Hij had tot mij gesproken: Op wie gij de
Geest zult zien neerdalen en blijven rusten, Hij is het die doopt
met de heilige Geest. |
[33] Ikzelf wist niet wie het zou zijn, maar Hij
die mij gezonden had om te dopen in water, had mij gezegd: “Als
je ziet dat de Geest op iemand neerdaalt en op Hem blijft rusten,
dan weet je: Hij is degene* die doopt in heilige Geest.” |
[33] Nog wist ik niet wie hij was, maar hij die
mij gezonden heeft om met water te dopen, zei tegen mij: “Wanneer
je ziet dat de Geest op iemand neerdaalt en blijft rusten, dan is
dat degene die doopt met de heilige Geest.” |
[33] Nog wist ik niet wie hij was, maar hij die
mij gezonden heeft om met water te dopen, zei tegen mij: “Wanneer
je ziet dat de Geest op iemand neerdaalt en blijft rusten, dan is
dat degene die doopt met de heilige Geest.” |
|
|
| Joh 1,34 - Joh
1,34 - Het getuigenis van Johannes : Joh
1,19-34 -- Joh
1,29 - Joh
1,30 - Joh
1,31 - Joh
1,32 - Joh
1,33 - Joh
1,34 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
Liturgische lezing : 2zdhj (A) |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2004) |
Naardense bijbel |
Persoonlijke vertaling |
| 1:34 kagô heôraka kai memarturèka oti houtos estin
o huios tou theou |
34 et ego vidi et testimonium perhibui quia hic
est Filius Dei |
34 Ik heb het zelf gezien en ik heb getuigd: Deze
is de Zoon van God." |
[34] Ik heb het gezien, en mijn getuigenis luidt:
dit is de Zoon van God.’ |
[34] En dat heb ik gezien, en ik getuig dat hij
de Zoon van God is.’ |
[34] En dat heb ik gezien, en ik getuig dat hij
de Zoon van God is. |
|
|
| Joh 1,35 - Joh
1,35 - De eerste leerlingen : Joh
1,35-42 - Joh
1,35 - Joh
1,36 - Joh
1,37 - Joh
1,38 - Joh
1,39 - Joh
1,40 - Joh
1,41 - Joh
1,42 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
Liturgische lezing : 2zdhj (B) |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2004) |
Naardense bijbel |
Persoonlijke vertaling |
| 1:35 tèi epaurion palin heistèkei ho Iôannès kai
ek tôn mathètôn autou duo |
35 altera die iterum stabat Iohannes et ex discipulis
eius duo |
35 De volgende dag stond Johannes daar weer, nu
met twee van zijn leerlingen |
[35] De volgende dag was Johannes daar weer; twee
van zijn leerlingen waren bij hem. |
[35] De volgende dag stond Johannes er weer met
twee van zijn leerlingen. |
[35] De volgende dag stond Johannes er weer met
twee van zijn leerlingen. |
De volgende morgen stond Johannes er opnieuw en
twee van zijn leerlingen |
|
| tèi epaurion ('s anderendaags), zie Joh
1,35 |
Joh
1,35 bestaat uit 12 woorden (6 + 6) en 24 lettergrepen (14 + 10).
- heistèkei . Het komt in 33 verzen in de bijbel voor. In 1 vers bij
Matteüs , bij Lucas, in 5 verzen bij Johannes.
- tèi epaurion ('s anderendaags)
. Verwijzing : tèi
epaurion ('s anderendaags) , zie Joh
1,35 . In negenendertig verzen in de bijbel . In zeventien verzen in het
N.T. . In tien verzen tèi epaurion , in zes verzen tèi de epaurion
, in één vers tèi oun epaurion . Het staat in een vers
bij Matteüs : Mt
27,62 . In één vers bij Marcus : Mc
11,12 . In vijf verzen bij Johannes . Het staat telkens aan het begin van
de zin . In Joh worden op deze wijze een reeks verhalen aan elkaar gerijgd :
(1) Joh
1,29 - Joh
1,19-34 - (2) Joh
1,35 - Joh
1,35-42 - (3) Joh
1,43 - Joh
1,43-51 - (4) Joh
6,22 . (5) Joh
12,12 .
Joh 1,19-28 is dan de eerste dag .
Joh 1,29-34 is dan de tweede dag .
Joh 1,35-42 is dan de derde dag .
Joh 1,43-51 is dan de vierde dag .
Joh 2,1-12 , op de derde dag, zou dan de zevende dag zijn .
Al deze verhalen maken deel uit van Jezus'eerste cyclus van Judea naar Galilea
.
In tien verzen in Hnd : (1) Hnd
10,9 . (2) Hnd
10,23 . (3) Hnd
10,24 . (4) Hnd
14,20 . (5) Hnd
20,7 . (6) Hnd
21,8 . (7) Hnd
22,30 . (8) Hnd
23,32 . (9) Hnd
25,6 . (10) Hnd
25,23 .
| palin (opnieuw). In 45 verzen bij Johannes, zie Joh
1,35 (p = 500 , a = 1 , l = 30 , i = 10 , n = 50 . Totaal : 591) |
(1) Joh
1,35 - Joh
1,35-42 - tèi epaurion ('s anderendaags) verwijst naar Joh
1,29 - Joh
1,19-34 - Deze tijdsbepaling staat bij het begin van de zin; wellicht
daarom staat palin (opnieuw) na deze tijdsbepaling.
(2) Joh 4,3 afèken tèn Ioudaian kai apèlthen palin
eis tèn Galilaian (Hij verliet Judea en ging opnieuw weg naar Galilea)
verwijst naar Joh 1,43 : tèi epaurion èthelèsen exelthein
eis tèn Galilaian ( 's Anderendaags wilde hij weggaan naar Galilea).
Jezus bevindt zich in Judea en wil naar Galilea vertrekken.
(3)
Joh 10,7 Ièsous (Jezus) 194X bij Johannes . palin (opnieuw) verwijst
naar ho Ièsous van Joh 10,6.
Joh 10,17
< Joh 10,18
Joh 10,19 : schisma palin egeneto en tois Ioudaiois dia tous logous toutous
(opnieuw ontstond er een meningsverschil onder de joden omwille van deze
woorden) . Palin (opnieuw) verwijst naar Joh 7,43 : schisma oun egeneto
en tôi ochlôi di'auton (en er ontstond een meningsverschil
onder het volk omwille van hem). Egeneto (het gebeurde, er ontstond) komt
bij Johannes 16X voor. Palin (opnieuw) verwijst naar een voorgaand egeneto
nl. Joh 7,43. schisma (scheiding, meningsverschil) komt een derde maal
voor in Joh 9,16 : kai schisma èn en autois (en er was eer meningsverschil
onder hen).
Joh 10,31
Joh 10,39
Joh 10,40
Joh 20,21 : eirènè (vrede) verwijst naar Joh 20,19. In Joh
20,21 zegt Jezus voor de tweede maal eirènè (vrede) = sjalom
. In Joh 20,26 zegt Jezus het voor de derde keer terwijl Thomas erbij
is.
Joh 20,26: èsan (zij waren) verwijst naar Joh 20,19. Joh 20,26
: palin èsan esô hoi mathètai autou (zijn leerlingen
waren opnieuw binnen). komt sterk overeen met Joh 20,19 : hopou èsan
hou mathètai (waar de leerlingen waren).
|
| Joh 1,36 - Joh
1,36 - De eerste leerlingen : Joh
1,35-42 - Joh
1,35 - Joh
1,36 - Joh
1,37 - Joh
1,38 - Joh
1,39 - Joh
1,40 - Joh
1,41 - Joh
1,42 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
Liturgische lezing : 2zdhj (B) |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2004) |
Naardense bijbel |
Persoonlijke vertaling |
| 36 kai emblepsas tôi Ièsou peripatounti legei ide
ho amnos tou theou |
36 et respiciens Iesum ambulantem dicit ecce agnus
Dei |
. 36 Hij richtte het oog op Jezus die voorbijging,
en sprak: "Zie, het Lam Gods." |
[36] Hij richtte zijn blik op Jezus, die daar langskwam,
en zei: ‘Daar is het lam van God.’ |
[36] Toen hij Jezus voorbij zag komen, zei hij:
‘Daar is het lam van God.’ |
[36] Toen hij Jezus voorbij zag komen, zei hij:
Daar is het lam van God. |
|
|
Joh
1,36 bestaat uit een hoofdzin die een citaat van Johannes de Doper inleidt.
Joh
1,36 bestaat uit 11 woorden en 22 lettergrepen. Zo kunnen we Joh
1,36 indelen in twee delen. Joh 1,36a bestaat uit 6 woorden en 14 lettergrepen;
tôi Ièsou (Jezus) staat centraal in de zin; 2 woorden gaan eraan
vooraf; 2 woorden volgen erop; het aantal lettergrepen is evenwel verschillend;
4 lettergrepen gaan eraan vooraf, 7 lettergrepen volgen erop. Joh 1,36b
geeft het citaat. Het bestaat uit 5 woorden en 8 lettergrepen. Joh 1,36b zouden
we in 2 deeltjes kunnen onderverdelen. Joh 1,36b1 bestaat uit 1 woord en 2 lettergrepen;
Joh 1,35b2 bestaat uit 4 woorden en 6 lettergrepen.
emblepsas (in iemand gekeken) :
| Joh
1,29 |
Joh
1,36 |
Joh
1,42 |
Joh
1,47 |
|
|
| tèi epaurion blepei ton Ièsoun erchomenon pros auton
(De volgende morgen ziet hij Jezus naar zich komen) |
kai emblepsas tôi Ièsou peripatounti (en
gekeken in de lerarende Jezus) |
emblepsas autôi ho Ièsous (Jezus, gekeken
in hem)
|
eiden Ièsous ton Nathanaèl erchomenon pros
auton (Jezus zal Natanaël naar hem komen |
|
|
| kai legei (en zegt) |
legei (zegt hij) |
eipen (zei) |
kai legei peri autou (en hij zegt over hem) |
|
|
| ide ho amnos tou theou ho airôn tèn amartian tou kosmou (zie
het lam van God die de zonde van de wereld droeg) |
ide ho amnos tou theou (zie het lam van God) |
su ei Simôn ho huios Iôannou (Jij bent Simon,
zoon van Johannes) |
ide alèthôs (zie waarachtig) |
|
|
| |
|
|
|
|
|
| Joh 1,37 - Joh
1,37 - De eerste leerlingen : Joh
1,35-42 - Joh
1,35 - Joh
1,36 - Joh
1,37 - Joh
1,38 - Joh
1,39 - Joh
1,40 - Joh
1,41 - Joh
1,42 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
Liturgische lezing : 2zdhj (B) |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2004) |
Naardense bijbel |
Persoonlijke vertaling |
| 1:37 kai èkousan hoi duo mathètai autou lalountos
kai èkolouthèsan tôi Ièsou |
37 et audierunt eum duo discipuli loquentem et
secuti sunt Iesum |
37 De twee leerlingen hoorden hem dat zeggen en
gingen Jezus achterna. |
[37] De twee leerlingen gaven gehoor aan zijn woord
en volgden Jezus. |
[37] De twee leerlingen hoorden wat hij zei en
gingen met Jezus mee. |
[37] De twee leerlingen hoorden wat hij zei en gingen
met Jezus mee |
De twee leerlingen hoorden hem dat zeggen |
|
Joh
1,37 bestaat uit 2 nevenschikkende zinnen. Het vers bestaat uit 11 woorden
en 24 lettergrepen. In de eerste zin staat hoi duo mathètai (de twee
leerlingen) centraal; 2 woorden gaan eraan vooraf, twee woorden volgen erop.
| Joh 1,38 - Joh
1,38 - De eerste leerlingen : Joh
1,35-42 - Joh
1,35 - Joh
1,36 - Joh
1,37 - Joh
1,38 - Joh
1,39 - Joh
1,40 - Joh
1,41 - Joh
1,42 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
Liturgische lezing : 2zdhj (B) |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2004) |
Naardense bijbel |
Persoonlijke vertaling |
| 1:38 strafeis de ho Ièsous kai theasamenos autous
akolouthountas legei autois ti zèteite hoi de eipan autôi rabbi ho
legetai methermèneuomenon didaskale pou meneis |
38 conversus autem Iesus et videns eos sequentes
dicit eis quid quaeritis qui dixerunt ei rabbi quod dicitur interpretatum
magister ubi habitas |
38 Jezus keerde zich om en toen Hij zag dat zij
Hem volgden, vroeg Hij hun: "Wat verlangt gij?" Ze zeiden
tot Hem: "Rabbi - vertaald betekent dit: Meester - waar houdt
Gij U op?" |
[38] Jezus keerde zich om, zag dat ze Hem volgden
en sprak hen aan: ‘Zoeken jullie iets?’ Ze zeiden: ‘Rabbi
(dat betekent: meester), waar houdt U uw verblijf?’ |
[38] Jezus draaide zich om, en toen hij zag dat
ze hem volgden, zei hij: ‘Wat zoeken jullie?’ ‘Rabbi,’
zeiden zij tegen hem (dat is in onze taal ‘meester’),
‘waar logeert u?’ |
.[38] Jezus draaide zich om, en toen hij zag dat
ze hem volgden, zei hij: Wat zoeken jullie? Rabbi, zeiden zij tegen
hem (dat is in onze taal meester), waar logeert u? |
|
|
Ièsous (Jezus) komt bij Johannes in 194 verzen voor. Ièsous (Jezus)
(i = 10, è = 8, s = 200, o = 70, u = 400, s = 200) 888
- menô (verblijven).
menô
(verblijven), zie Joh
1,38 .
--- menô (ik blijf, verblijf). In 6 verzen in de bijbel;
in 4 verzen in het O.T., in 2 verzen in het N.T. o.a. Joh
15,10
--- meneis (jij verblijft). In 3 verzen in de bijbel; in 2 verzen in het O.T.,
in 1 vers in het N.T. nl. Joh
1,38 .
--- menei (hij verblijft). Het komt in 50 verzen in de bijbel
voor; in 25 verzen in het O.T., in 25 verzen in het N.T. Niet bij Matteüs,
Marcus en Lucas. In 8 verzen bij Johannes : (1) Joh
1,39 . (2) Joh
3,36 . (3) Joh
6,56 (en emoi menei kagô en autôi = hij blijft in mij en ik
in hem) . (4) Joh
8,35 . (5) Joh
9,41 . (6) Joh
12,24 . (7) Joh
12,34 . (8) Joh
14,17 .
--- menomen (wij blijven). In 2 verzen in de bijbel; in 1 vers
in het O.T., in 1 vers in het N.T.
--- menete (blijft). In 7 verzen in de bijbel; in 1 vers in
het O.T., in 6 verzen in het N.T.
--- menousin (zij blijven). In 6 verzen in de bijbel; in 4
verzen in het O.T., in 2 verzen in het N.T.
--- meneite (jullie verbleven).In 2 verzen in de bijbel; slechts
in het N.T. In 1 vers bij Johannes : Joh
15,10 .
--- menèi (hij zou blijven). In 4 verzen in de bijbel;
slechts in het N.T. In 3 verzen bij Johannes : (1) Joh
15,4 . (2) Joh
15,6 . (3) Joh
15,16 .
--- meinate (verblijft). Aorist imperatief 2de persoon meervoud.
In 5 verzen in de bijbel. Slechts in het N.T. In 2 verzen bij Mt. In 1 vers
bij Mc. In 2 verzen bij Johannes : (1) Joh
15,4 (meinate en emoi, kagô en humin = blijft in mij, ook ik in u).
(2) Joh
15,9 .
--- meinèi (hij zou blijven). In 11 verzen in de bijbel; in 5 verzen
in het O.T., in 5 verzen in het N.T. In 3 verzen bij Johannes : (1) Joh
12,46 . (2) Joh
15,7 . (3) Joh
18,31 .
--- meinète (jullie zouden verblijven). Aorist conjunctief.
In slechts 3 verzen in de bijbel : (1) Joh
8,31 . (2) Joh
15,7 .
--- meneite (jullie verbleven) aorist : 1X. menète
(jullie zouden verblijven) aorist conjunctief : 1X. menôn (wie verblijft)
participium : 3X. menèi (hij zou verblijven) conjunctief presens : 3X.
pou (waar?). Vragend voegwoord. In 18
vrezen bij Johannes, zie Joh 1,38 : Joh
1,35-42 - .
(1) Joh 1,38 : pou meneis; (waar verblijf je?)
(2) Joh 1,39 : kai eidan pou menei (en zij zagen waar hij verblijft
| Joh 1,39 - Joh
1,39 - De eerste leerlingen : Joh
1,35-42 - Joh
1,35 - Joh
1,36 - Joh
1,37 - Joh
1,38 - Joh
1,39 - Joh
1,40 - Joh
1,41 - Joh
1,42 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
Liturgische lezing : 2zdhj (B) |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2004) |
Naardense bijbel |
Persoonlijke vertaling |
| 1:39 legei autois erchesthe kai opsesthe èlthan
oun kai eidan pou menei kai par autôi emeinan tèn hèmeran ekeinèn
hôra èn hôs dekatè |
dicit eis venite et videte venerunt et viderunt
ubi maneret et apud eum manserunt die illo hora autem erat quasi decima
|
39 Hij zei hun: "Gaat mee om het te zien."
Daarop gingen zij mee en zagen waar Hij zich ophield. Die dag bleven
zij bij Hem. Het was ongeveer het tiende uur. |
[39] Hij antwoordde: ‘Kom mee en je zult
het zien.’ Ze gingen mee, en zagen waar Hij zijn verblijf hield.
En ze verbleven die dag bij Hem. Het was ongeveer het tiende* uur. |
[39] Hij zei: ‘Kom maar mee, dan zul je het
zien.’ Ze gingen met hem mee en zagen waar hij onderdak had
gevonden; het was ongeveer twee uur voor zonsondergang en ze bleven
die dag bij hem. |
[39] Hij zei: Kom maar mee, dan zul je het zien.
Ze gingen met hem mee en zagen waar hij onderdak had gevonden; het
was ongeveer twee uur voor zonsondergang en ze bleven die dag bij
hem. |
|
|
| Joh 1,40 - Joh
1,40 - De eerste leerlingen : Joh
1,35-42 - Joh
1,35 - Joh
1,36 - Joh
1,37 - Joh
1,38 - Joh
1,39 - Joh
1,40 - Joh
1,41 - Joh
1,42 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
Liturgische lezing : 2zdhj (B) |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2004) |
Naardense bijbel |
Persoonlijke vertaling |
| 1:40 èn andreas ho adelfos Simônos Petrou heis
ek tôn duo tôn akousantôn para Iôannou kai akolouthèsantôn autôi |
40 erat autem Andreas frater Simonis Petri unus
ex duobus qui audierant ab Iohanne et secuti fuerant eum |
40 Andreas, de broer van Simon Petrus, was een
van die twee die het gezegde van Johannes hadden gehoord en Jezus
achterna waren gegaan. |
[40] Andreas, de broer van Simon Petrus, was een
van die twee die naar Johannes hadden geluisterd en Jezus waren gevolgd. |
[40] Een van de twee die gehoord hadden wat Johannes
zei en Jezus gevolgd waren, was Andreas, de broer van Simon Petrus. |
[40] Een van de twee die gehoord hadden wat Johannes
zei en Jezus gevolgd waren, was Andreas, de broer van Simon Petrus. |
|
|
| Joh 1,41 - Joh
1,41 - De eerste leerlingen : Joh
1,35-42 - Joh
1,35 - Joh
1,36 - Joh
1,37 - Joh
1,38 - Joh
1,39 - Joh
1,40 - Joh
1,41 - Joh
1,42 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
Liturgische lezing : 2zdhj (B) |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2004) |
Naardense bijbel |
Persoonlijke vertaling |
| 1:41 euriskei houtos prôton ton adelfon ton idion
Simôna kai legei autôi eurèkamen ton Messian ho estin methermèneuomenon
christos |
41 invenit hic primum fratrem suum Simonem et dicit
ei invenimus Messiam quod est interpretatum Christus |
41 De eerste die hij ontmoette, was zijn broer
Simon tot wie hij zei: "Wij hebben de Messias - dat vertaald
betekent: de Gezalfde - gevonden," |
[41] De eerste die hij ging opzoeken was zijn broer
Simon. ‘We hebben de Messias gevonden!’ zei hij. (Messias
betekent: gezalfde.) |
[41] Vlak daarna kwam hij zijn broer Simon tegen,
en hij zei tegen hem: ‘Wij hebben de messias* gevonden’
(dat is Christus, ‘gezalfde’), |
[41] Vlak daarna kwam hij zijn broer Simon tegen,
en hij zei tegen hem: Wij hebben de messias* gevonden (dat is Christus,
gezalfde), |
|
|
| Joh 1,42 - Joh
1,42 - De eerste leerlingen : Joh
1,35-42 - Joh
1,35 - Joh
1,36 - Joh
1,37 - Joh
1,38 - Joh
1,39 - Joh
1,40 - Joh
1,41 - Joh
1,42 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
Liturgische lezing : 2zdhj (B) |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2004) |
Naardense bijbel |
Persoonlijke vertaling |
| 1:42 ègagen auton pros ton Ièsoun emblepsas autôi
ho Ièsous eipen su ei Simôn ho uios Iôannou su klèthèsè kèfas ho hermèneuetai
petros |
42 et adduxit eum ad Iesum intuitus autem eum Iesus
dixit tu es Simon filius Iohanna tu vocaberis Cephas quod interpretatur
Petrus |
42 en hij bracht hem bij Jezus. Jezus zag hem aan
en zeide: "Gij zijt Simon, de zoon van Johannes; gij zult Kefas
genoemd worden, dat betekent: Rots." |
[42] Daarop bracht hij hem bij Jezus. Jezus richtte
zijn blik op hem en zei: ‘Jij* bent Simon, de zoon van Johannes;
voortaan zul je Kefas* heten.’ (Dat betekent: rots). |
[42] en hij nam hem mee naar Jezus. Jezus keek
hem aan en zei: ‘Jij bent Simon, de zoon van Johannes, maar
voortaan zul je Kefas heten’ (dat is Petrus, ‘rots’).
|
[42] en hij nam hem mee naar Jezus. Jezus keek
hem aan en zei: Jij bent Simon, de zoon van Johannes, maar voortaan
zul je Kefas heten (dat is Petrus, rots). |
|
|
| Jezus |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| Joh
1,43 |
Joh
1,45 |
Joh
1,46 |
|
Joh
1,47 |
Joh
1,48 |
|
|
Joh
1,49 |
Joh
1,50 |
|
Joh
1,51 |
| kai (en) |
kai (en) |
kai (en) |
|
kai (en) |
|
|
|
|
|
|
kai (en) |
| legei ('Jezus' zegt) |
legei ('Filippus' zegt) |
eipen ('Nathanaël' zei) |
legei ('Filippus' zegt) |
legei ('Jezus' zegt) |
legei ('Nathanaël' zegt) |
apekrithè ('Jezus' antwoordde) |
kai eipen (en hij zei) |
apekrithè ('Natanaël' antwoordde) |
apekrithè ('Jezus' antwoordde) |
kai eipen (en hij zei) |
legei ('Nathanaël' zegt) |
| autôi (hem) |
autôi (hem) |
autôi (hem) |
autôi (hem) |
peri autou (over hem) |
autôi (hem) |
|
autôi (hem) |
autôi (hem) |
|
autôi (hem) |
autôi (hem) |
| ho Ièsous (Jezus) |
|
Nathanaèl (Nathanaël) |
ho Philippos (Filippus) |
|
Nathanaèl (Nathanaël) |
Ièsous (Jezus) |
|
Nathanaèl (Nathanaël) |
Ièsous (Jezus) |
|
|
6X legei (hij zegt). 3X eipen (hij zei). 3X (hij antwoordde). Totaal : 12.
| Joh 1,43 - Joh
1,43 - Jezus roept Filippus en Natanaël : Joh
1,43-51 |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
Synopsis Denaux-Vervenne |
(Liturgische lezing) |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2004) |
Naardense bijbel |
Persoonlijke vertaling |
| Tèi epaurion èthelèsen exelthein
eis tèn Galilaian |
|
|
|
[43] De volgende dag, toen Hij besloten had om naar
Galilea te gaan, ontmoette Hij Filippus. ‘Volg Mij’, zei
Jezus tegen hem. |
|
[43] De volgende dag besloot Jezus naar Galilea
te gaan en daar ontmoette hij Filippus. Hij zei tegen hem: Ga met
mij mee |
's Anderendaags wilde hij uitgaan naar Galilea |
|
| tèi epaurion ('s anderendaags), zie Joh
1,35 |
heuriskei (hij vindt) van het werkwoord heuriskô (vinden). In deze vorm
in 4 verzen bij Johannes, in 3 verzen in het geheel van Joh 1,19-2,11 nl. (1)
Joh
1,41 (2) Joh
1,43 (3) Joh
1,45 . heurèkamen (wij hebben gevonden) . Perfectumvorm 1ste persoon
meervoud. Deze vorm komt in 2 verzen voor en wel in (1) Joh
1,41 (2) Joh
1,45 .
Jezus besluit om naar Galilea te gaan. Is Jezus reeds in Galilea bij de roeping
van Filippus en Natanaël - Joh
1,43-51 - ? Immers, Natanaël wordt : hij uit Kana van Galilea, genoemd.
In Joh 2,1 - Joh
2,1-12 - is Jezus in ieder geval in Kana van Galilea. Wanneer Jezus in Joh
4,3 - Joh
4,1-45 - opnieuw besluit om naar Galilea te gaan, duurt het echter heel
wat langer vooraleer hij opnieuw in Kana is : Joh 4,46 - Joh
4,46-54 - . De Kana-pericope van Joh 2,1-11 - Joh
2,1-12 - vormt het sluitstuk van zijn verblijf in Galilea.
tès Galilaias (van Galilea) komt in 8 verzen bij Johannes voor.
- eis tèn Galilaian (naar Galilea)
. In zes verzen bij Johannes :
| 1. 1ste maal : Jezus van Judea naar Galilea |
2. 2de maal : Jezus van Judea naar Galilea |
3. |
4. |
5. |
|
6. |
| Joh 1,43 |
Joh 4,3 |
Joh 4,43 |
Joh 4,45 |
Joh 4,47 |
Joh 4,46 |
Joh 4,54 |
| Tèi epaurion ('s anderendaags) |
|
Meta de tas duo hèmeras (na echter twee dagen) |
hote oun (toen hij dus) |
hoti (dat) |
|
|
| |
afèken (hij liet achter) |
|
|
Ièsous èkei (Jezus kwam) |
èlthen oun (hij ging dus) |
ho Ièsous elthôn (Jezus gekomen) |
| |
tèn Ioudaian (Judea) |
|
|
ek tès Ioudaias (uit Judea) |
|
ek tès Ioudaias (uit Judea) |
| |
kai (en) |
|
|
|
|
|
| èthelèsen exelthein (wilde hij uitgaan /
weggaan) |
apèlthen (hij ging weg) |
exèlthen (ging hij uit) |
èlthen (ging) |
|
|
|
| eis tèn Galilaian (naar Galilea) |
palin eis tèn Galilaian (opnieuw naar Galilea) |
eis tèn Galilaian (naar Galilea) |
eis tèn Galilaian (naar Galilea) |
eis tèn Galilaian (naar Galilea) |
palin eis tèn Kana tès Galilaias (opnieuw
naar het Kana van Galilea) |
eis tèn Galilaian (naar Galilea) |
| Jezus roept Filippus en Natanaël : Joh 1,43-51
- Joh
1,43-51 - |
Jezus en een samaritaanse vrouw : Joh 4,1-45 - Joh
4,1-45 - |
Jezus en een samaritaanse vrouw : Joh 4,1-45 - Joh
4,1-45 - |
Jezus en een samaritaanse vrouw : Joh 4,1-45 - Joh
4,1-45 - |
Genezing van de zoon van een dienaar van de koning
: Joh 4,46-54 - Joh
4,46-54 - |
|
Genezing van de zoon van een dienaar van de koning
: Joh 4,46-54 - Joh
4,46-54 - |
meta (na, met). Verwijzing : meta
(na, met), zie Joh
1,43 . In 24 verzen bij Johannes; met accusatief : in 14 verzen; met genitief
: in 10 verzen.
- meta + accusatief (na) .
--- A. meta + accusatief touto (dit : onzijdig enkelvoud). In 4 verzen. (1 -
1) Joh
2,12 . (13 - 2) Joh
11,7 . (14 - 3) Joh
11,11 . (20 - 4) Joh
19,28
--- B. meta + accusatief meervoud (tauta - deze dingen). In 8 verzen bij Johannes.
(2 - 1) Joh
3,22 . (7 - 2) Joh
5,1 . (8 - 3) Joh
5,14 . (9 - 4) Joh
6,1 . (11 - 5) Joh
7,1 . (16 - 6) Joh
13,7 . (21 - 7) Joh
19,38 . (24 - 8) Joh
21,1 . Tauta ('deze dingen'), zie Mt
1,20 .
--- C. (6) Joh
4,43 Meta de tas duo hèmeras (Na twee dagen echter)
--- D. (17) Joh 13,27 .
- meta + genitief (met) : (3 - 1) Joh
3,25 . (4 - 2) Joh
3,26 . (5 - 3) Joh
4,27 . (10 - 4) Joh
6,3 . (12 - 5) Joh
9,37 (15 - 6) Joh
11,54 . (18 - 7) Joh 18,2 . (19 - 8) Joh 18,3 . (22 - 9) Joh 19,40 . (23
- 10) Joh 20,7 .
| meta 1. + touto 1. |
eerste maal : Jezus van Galilea naar Jeruzalem |
terug naar Galilea via Judea en Samaria. meta 2. + tauta
: 1. |
Jezus naar Galilea . meta 5. |
tweede maal : Jezus van Galilea naar Judea (Jeruzalem)
. meta 7. + tauta : 2. |
Jezus in de tempel . meta 8. + tauta : 3. |
tweede terugreis naar Jeruzalem
. meta 9. + tauta : 4. |
|
| Joh
2,12 |
Joh
2,13 |
Joh
3,22 |
Joh
4,43 |
Joh
5,1 |
Joh
5,14 |
Joh
6,1 |
Joh
6,17 |
| Meta touto (daarna) |
Kai eggus èn to pascha tôn Ioudaiôn
(en nabij was het paasfeest van de joden) |
Meta tauta (Daarna) |
Meta de tas duo hèmeras (Na twee dagen echter) |
Meta tauta èn heortè tôn Ioudaiôn
kai (Daarna was het een feest van de joden en) |
Meta tauta (Daarna) |
Meta tauta (Daarna) |
kai embantes eis ploion (en ingescheept in de boot) |
| katebè (daalde hij af) |
kai anebè (en hij klom op) |
èlthen (ging) |
exèlthen ekeithen (ging hij vandaar uit) |
anebè (klom op) |
heuriskei auton (vond hij hem) |
apèlthen (hij ging weg) |
èrchono (gingen zij) |
| |
|
ho Ièsous kai hoi mathètai autou (Jezus
en zijn leerlingen) |
|
Ièsous (Jezus) |
ho Ièsous (Jezus) |
ho Ièsous (Jezus) |
|
| eis Kafarnaoum (naar Kafarnaüm) |
eis Hierosoluma (naar Jeruzalem) |
eis tèn Ioudaian gèn (naar het Judese land)
|
eis tèn Galilaian (naar Galilea) |
eis Hierosoluma (naar Jeruzalem) |
en tôi hierôi (in de tempel) |
peran tès thalassès tès Galilaias
tès Tiberiados (naar de overkant van het meer van Galilea, van Tiberias) |
peran tès thalassès eis Kafarnaoum (naar
de overkant van de zee naar Kafarnaüm) |
| |
ho Ièsous (Jezus) |
|
|
|
|
|
|
| Bruiloft te Kana : Joh
2,1-12 |
Afbraak van de tempel : Joh
2,13-22 |
Jezus en Johannes : Joh
3,22-30 |
Jezus en een samaritaanse vrouw : Joh
4,1-45 |
Genezing van een lamme : Joh
5,1-18 |
|
Jezus geeft vijfduizend mensen te eten :
Joh 6,1-15 |
Wonderbare overtocht : Joh
6,16-21 |
| aankondiging van de derde reis naar Jeruzalem. meta 11. +
tauta 5. |
|
|
meta 13 + touto 2. |
meta 14 + touto 3. |
meta 15 + tauta 6. |
meta 20. + touto 4. |
meta 21. + tauta 7. |
| Joh
7,1 |
Joh
7,1 |
Joh
7,2 |
Joh
11,7 |
Joh
11,11 |
Joh 13,7 |
Joh 19,28 |
Joh 19,38 |
| Kai meta tauta (En daarna) |
|
èn de eggus hè heortè tôn Ioudaiôn,
hè skènopègia (het feest van de joden, het Loofhuttenfeest,
was echter nabij) |
epeita meta touto legei tois mathètais daarna
zegt hij aan de leerlingen |
tauta eipen, kai meta touto legei autois (hij zei dat
en daarna zegt hij aan hen) |
gnôsèi de meta tauta (je zult het daarna
begrijpen) |
meta touto (daarna) |
meta de tauta (daarna echter) |
| periepatei (wandelde hij rond) |
ou gar èthelen... peripatein (want hij wilde niet
rondwandelen) |
|
agômen (laten we gaan) |
|
|
|
|
| |
|
|
eis tèn Ioudaian palin (opnieuw naar Judea) |
|
|
|
|
| en tèi Galilaiai (in Galilea) |
en tèi Ioudaiai (in Judea) |
|
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
|
|
| Jezus vermijdt de openbaarheid : Joh
7,1-13 |
|
|
|
|
|
|
|
peran (overkant) komt in 8 verzen bij Johannes voor : Joh 1,28. Joh 3,26.
| |
|
|
|
| Joh 1,28 |
Joh 3,26 |
Joh 10,40 |
|
| Tauta (Dit) |
|
Kai (en) |
|
| en Bèthaniai (in Bethanië) |
|
|
|
| egeneto (gebeurde) |
hos èn meta sou (die was met jou) |
apèlthen (hij ging weg) |
|
| peran tou Iordanou (naar de overkant van de Jordaan) |
peran tou Iordanou (naar de overkant van de Jordaan) |
palin (opnieuw) peran tou Iordanou (naar de overkant van
de Jordaan) eis to topon (naar de plaats) |
|
| hopou èn ho Iôannès baptizôn
(waar Johannes aan het dopen was) |
|
hopou èn Iôannès to
prôton baptizôn (waar Johannes het eerst aan het dopen was)
|
|
| |
|
|
|
| |
|
|
|
| |
|
|
|
| Joh 1,44 - Joh
1,44 - Jezus roept Filippus en Natanaël : Joh
1,43-51 |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
Synopsis Denaux-Vervenne |
(Liturgische lezing) |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2004) |
Naardense bijbel |
Persoonlijke vertaling |
| |
|
|
|
[44] Filippus was afkomstig uit Betsaïda,
de stad waar ook Andreas en Petrus vandaan kwamen. |
|
. [44] Filippus kwam uit Betsaïda, uit dezelfde
stad als Andreas en Petrus |
|
|
| Joh 1,45 - Joh
1,45 - Jezus roept Filippus en Natanaël : Joh
1,43-51 |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
Synopsis Denaux-Vervenne |
(Liturgische lezing) |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2004) |
Naardense bijbel |
Persoonlijke vertaling |
| |
|
|
|
[45] Filippus ging Natanaël opzoeken en zei
tegen hem: ‘Degene over wie Mozes in de Wet en ook de profeten
hebben geschreven, die hebben we gevonden: Jezus, de zoon van Jozef,
uit Nazaret.’ |
|
. [45] Hij kwam Natanaël tegen en zei tegen
hem: We hebben de man gevonden over wie Mozes in de wet geschreven
heeft en over wie ook de profeten spreken: Jezus, de zoon van Jozef,
uit Nazaret! |
|
|
Natanaël wordt in 6 verzen van het Johannesevangelie
vermeld; in 5 vrezen van de roeping van Filippus en Natanaël (Joh 1,45.46.47.48.49)
en Joh 21,2. Daar wordt bij vermeld : Nathanaèl ho apo Kana tès
Galilaias (Natanaël, hij uit Kana van Galilea).
huios (zoon) Nominatief. In 26 verzen in Johannes.
huiou (van de zoon) Genitief. In 3 verzen bij Johannes.
huion (zoon) Accusatief .In 17 verzen bij Johannes. (1) Joh 1,45 . (4) Joh
3,16 . (5) Joh 3,17) . (6) Joh 3,35 . (7) Joh 3,37 . (8) Joh 4,47 * . (9) Joh
5,20 . (10) Joh 5,23 (2X) . (11) Joh 6,40 . (16) Joh 17,1 . (17) Joh 19,7 .
huion tou anthrôpou (mensenzoon) (2) Joh 1,51 . (3) Joh 3,14 . (12) Joh
6,62 . (13) Joh 8,28 . (14) Joh 9,35 . (15) Joh 12,34 .
| Joh 1,46 - Joh
1,46 - Jezus roept Filippus en Natanaël : Joh
1,43-51 |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
Synopsis Denaux-Vervenne |
(Liturgische lezing) |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2004) |
Naardense bijbel |
Persoonlijke vertaling |
| |
|
|
|
[46] ‘Nazaret?’ zei Natanaël. ‘Kan
daar iets goeds vandaan komen?’ Maar Filippus hield vol: ‘Kom
mee en je zult het zien.’ |
|
[46] Uit Nazaret? zei Natanaël. Kan daar iets
goeds vandaan komen? Ga zelf maar kijken, zei Filippus. |
|
|
| Joh 1,47 - Joh
1,47 - Jezus roept Filippus en Natanaël : Joh
1,43-51 |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
Synopsis Denaux-Vervenne |
(Liturgische lezing) |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2004) |
Naardense bijbel |
Persoonlijke vertaling |
| |
|
|
|
[47] Jezus zag dat Natanaël naar Hem toe kwam
en zei over hem: ‘Daar heb je een echte Israëliet, in wie
geen oneerlijkheid is.’ |
|
[47] Jezus zag Natanaël aankomen en zei: Dat
is nu een echte Israëliet, een mens zonder bedrog. |
|
|
Joh
1,47 telt 17 woorden en 40 lettergrepen. Het citaat bestaat uit 8 woorden
en 17 lettergrepen.
| Joh 1,48 - Joh
1,48 - Jezus roept Filippus en Natanaël : Joh
1,43-51 |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
Synopsis Denaux-Vervenne |
(Liturgische lezing) |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2004) |
Naardense bijbel |
Persoonlijke vertaling |
| |
|
|
|
[48] ‘Waar kent U mij van?’ vroeg Natanaël.
Jezus gaf hem ten antwoord: ‘Nog voordat Filippus je kwam roepen,
toen je onder de vijgenboom* zat, had Ik je al gezien.’ |
|
[48] Waar kent u mij van? vroeg Natanaël. Jezus
antwoordde: Ik had je al gezien voordat Filippus je riep, toen je
onder de vijgenboom zat. |
|
|
| Joh 1,49 - Joh
1,49 - Jezus roept Filippus en Natanaël : Joh
1,43-51 |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
Synopsis Denaux-Vervenne |
(Liturgische lezing) |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2004) |
Naardense bijbel |
Persoonlijke vertaling |
| |
|
|
|
[49] ‘Rabbi,’ zei Natanaël, ‘U
bent de Zoon van God, U bent de koning van Israël!’ |
|
[49] Rabbi, u bent de Zoon van God, u bent de koning
van Israël! zei Natanaël. |
|
|
| Joh 1,50 - Joh
1,50 - Jezus roept Filippus en Natanaël : Joh
1,43-51 |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
Synopsis Denaux-Vervenne |
(Liturgische lezing) |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2004) |
Naardense bijbel |
Persoonlijke vertaling |
| |
|
|
|
[50] Waarop Jezus zei: ‘Je gelooft dus omdat
Ik zei dat Ik je gezien heb onder de vijgenboom? Je zult nog grotere
dingen zien!’ |
|
[50] Jezus vroeg: Geloof je omdat ik tegen je zei
dat ik je onder de vijgenboom zag zitten? Je zult nog grotere dingen
zien. [51] Waarachtig, ik verzeker jullie, voegde hij eraan toe,
jullie zullen de hemel geopend zien, en de engelen van God zien omhooggaan
en neerdalen naar de Mensenzoon. |
|
|
| Joh 1,51 - Joh
1,51 - Jezus roept Filippus en Natanaël : Joh
1,43-51 |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
Synopsis Denaux-Vervenne |
(Liturgische lezing) |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2004) |
Naardense bijbel |
Persoonlijke vertaling |
| |
|
|
|
[51] En Hij voegde eraan toe: ‘Waarachtig,
Ik verzeker jullie: je zult zien hoe de hemel* geopend is en Gods
engelen opstijgen en neerdalen boven de Mensenzoon.’ |
|
|
|
|
amèn amèn legô humin (voorwaar voorwaar ik zeg jullie)
25X bij Johannes
Joh 10,1
Joh 10,7
|