COMMENTAAR OP HET JOHANNESEVANGELIE . TWINTIGSTE HOOFDSTUK JOH 20 - verwijzingen
-- Joh
20,19-31 -
- Bibliografie
- Literatuur
- Liturgisch
gebruik - Overzicht
bijbelboeken - Overzicht
van de bibliografie van de bijbelboeken - Overzicht
van deze website - ZOEKEN
-
Overzicht van het Johannesevangelie : Joh
1 , Joh
2 , Joh
3 , Joh
4 , Joh
5 , Joh
6 , Joh
7 , Joh
8 , Joh
9 , Joh
10 , Joh
11 , Joh
12 , Joh
13 , Joh
14 , Joh
15 , Joh
16 , Joh
17 , Joh
18 , Joh
19 , Joh
20 , Joh
21 ,
Tekstuitleg per perikope - Joh
20,1-18 - Joh
20,19-23 - Joh
20,24-29 - Joh
20,30-31
Tekstuitleg vers per vers - Joh
20,1 - Joh
20,2 - Joh
20,3 - Joh
20,4 - Joh
20,5 - Joh
20,6 - Joh
20,7 - Joh
20,8 - Joh
20,9 - Joh
20,10 - Joh
20,11 - Joh
20,12 - Joh
20,13 - Joh
20,14 - Joh
20,15 - Joh
20,16 - Joh
20,17 - Joh
20,18 - Joh
20,19 - Joh
20,20 - Joh
20,21 - Joh
20,22 - Joh
20,23 - Joh
20,24 - Joh
20,25 - Joh
20,26 - Joh
20,27 - Joh
20,28 - Joh
20,29 - Joh
20,30 - Joh
20,31 -
ZOEKEN OP DE WEBSITES WEDERKERIGHEID EN INTERLEVENSBESCHOUWELIJK (meer
dan 650 webpagina's)
ZOEKEN OP HET INTERNET
WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE
VERSA)
websitenaam : http://users.telenet.be/arseen.de.kesel/
en http://www.bijbelleerhuis.be
(zie bijbel)
. WEBLOG : BIJBELLEERHUIS
Nieuwe website : http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm
- STARTPAGINA - AGENDA - BIJ
DE HAND - NIEUW
- OVERZICHT
- TIJDSCHRIFTEN
-
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES :
JAARTAL - A - B
- C - D
- E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X
-Y - Z
HOOFDTHEMA'S :
allochtonen , armoede , bahá'í
, bijbel , bijbel en koran ,
boeddhisme ,
christendom ,
extreemrechts
( Vlaams Blok
) , fundamentalisme
, globalisering en antiglobalisering
, hindoeïsme
, interlevensbeschouwelijke
dialoog , interreligieuze
meditatie , islam , jodendom
, levensbeschouwing
, levensbeschouwing / godsdienst
en onderwijs , migratie , mystiek
, racisme , samenleving ,
sikhisme , NIEUWE
RUBRIEK : SPIRITUALITEIT
, tewerkstelling
van allochtonen , vluchtelingen
en asielzoekers , vrijzinnigheid
, witte scholen , multiculturele
scholen en concentratiescholen ,
- Eigen-zinnige
beschouwingen - Het
kleine of grote ongenoegen -
|
Woordenschat
- ekeinè
(die) , zie Joh
20,1 .
- ousès , zie Joh
20,19
Bibliografie
Literatuur .
Liturgisch gebruik
- Apk
1,9-11a.12-13.17-19 : Beloken
Pasen C. 2de (tweede) paaszondag C .
Overzicht bijbelboeken :
OT : Gn
(Genesis ) , Ex
(Exodus) , Lv (Leviticus)
, Nu (Numeri) ,
Dt (Deuteronomium)
, Joz (Jozua)
, Re (Rechters)
, Rt (Ruth) , 1
S (1 Samuël) , 2
S (2 Samuël) , 1
K (1 Koningen) , 2
K (2 Koningen) , 1
Kr ( 1 Kronieken) , 2
Kr (2 Kronieken) , Ezr
(Ezra) , Neh (Nehemia)
, Tob (Tobia)
, Jdt (Judith)
, Est (Esther)
, 1 Mak (1 Makkabeeën)
, 2 Mak (2 Makkabeeën)
, Job , Ps
(Psalmen ) , Spr
(Spreuken) , Pr
(Prediker) , Hl
(Hooglied) , W (Wijsheid)
, Sir (Sirach)
, Js (Jesaja) ,
Jr (Jeremia) ,
Kl (Klaagliederen)
, Bar (Baruch)
, Ez (Ezechiël)
, Da (Daniël)
, Hos (Hosea)
, Jl (Joël)
, Am (Amos) , Ob
(Obadja) , Jon
(Jona) , Mi (Micha)
, Nah (Nahum)
, Hab (Habakuk)
, Sef (Sefanja)
, Hag (Haggai)
, Zach (Zacharia)
, Mal (Maleachi)
.
- NT : Mt
(Matteüs) - Mc
(Marcus) - Lc
(Lucas) - Joh
(Johannes) - Hnd
(Handelingen) , Rom
(Rome) , 1 Kor
(Korinte) , 2 Kor
(Korinte) , Gal
(Galatië) , Ef
(Efese) , Fil
(Filippi) , Kol
(Kolosse) , 1 Tes
(Tessalonika) , 2
Tes (Tessalonika) , 1
Tim (Timoteüs) , 2
Tim (Timoteüs) , Tit
(Titus) , Film
(Filemon) , Heb
(Hebreeën) , Jak
(Jakobus) , 1 Pe
(Petrus) , 2 Pe
(Petrus) , 1 Joh
(Johannes) , 2 Joh
(Johannes) , 2 Joh
(Johannes) , Jud
(Judas) , Apk
(Apokalyps) .
Overzicht van de
bibliografie van de bijbelboeken :
bibliografie
van het Oude Testament - bibliografie
Matteüsevangelie - bibliografie
Marcusevangelie - bibliografie
Lucasevangelie - bibliografie
van het Johannesevangelie - bibliografie van het
Nieuwe Testament (behalve evangeliën)
Jezus'leerlingen bij het lege graf : Joh
20,1-18 -
Verschijning aan de leerlingen : Joh
20,19-23 -
Jezus en Tomas : Joh
20,24-29 -
Bedoeling van dit boek : Joh
20,30-31 -
Maria was er als de kippen bij om naar het graf van Jezus te gaan. Het was
's morgens vroeg. Maar het was nog donker. Ze moet zich dus beholpen hebben
met het licht van de maan en de sterren. Of was de morgenster - Venus - er al
die vóór zonsopgang reeds aan de hemel schittert. Maria van Magdala
wist waar ze Jezus in het graf hadden neergelegd. Ze was erbij onder het kruis.
En naar alle waarschijnlijkheid heeft ze ook de begrafenis meegemaakt. Maria
heeft Jezus zien sterven en begraven worden. Ze moest niet overtuigd worden
van Jezus'dood waarbij Jezus zijn handen en zijn zijde zou moeten laten zien.
Maria herkende Jezus aan zijn stem. Maar voor die herkenning staat het verhaal
van het bezoek van Petrus en Johannes aan het graf. Het betekent dat ze nog
niet naar het graf waren geweest. Johannes had het ook meegemaakt: hij had Jezus
zien sterven en wellicht zien begraven worden. Maria ging naar het graf en merkte
dat de steen voor het graf was weggehaald. Daaruit besloot Maria dat Jezus uit
het graf was weggehaald. Ze was naar Petrus en Johannes gegaan. Daarop liepen
ze samen naar het graf: Johannes liep vlugger dan Petrus. Van Maria van Magdala
is hier geen sprake. Johannes komt eerst aan en werpt een oppervlakkige blik
naar binnen, maar wacht om binnen te gaan. Daarna komt Petrus, gaat binnen en
ziet hoe de doeken liggen. Het geeft aan dat iemand in het graf heeft gelegen.
Hiermee is Petrus overtuigd dat een gestorvene hier heeft gelegen, maar daarmee
is hij nog niet zeker dat het de gestorven Jezus was. Daarvan moest Johannes
niet overtuigd worden, hij wist het immers. Johannes gaat na Petrus naar binnen,
ziet en gelooft. Hij gelooft wat Maria van Magdala gelooft : ze hebben Jezus
weggehaald. Over verrijzenisgeloof is hier nog geen sprake.
Maria van Magdala kijkt in het graf en ziet twee engelen. Blijkbaar heeft dat
graf met God en de hemel te maken. Ze stellen ook de vraag naar het waarom van
haar schreien. Dat is toch vanzelfsprekend. Voor de engelen is dat blijkbaar
niet. De engelen zeggen geen woord. Maar Jezus bevindt zich buiten het graf,
maar zij wist het niet. Ze is nog steeds overtuigd dat Jezus ergens dood en
begraven is. Dat verandert wanneer Jezus haar naam noemt. Zij herkent Jezus
aan zijn stem. Zij ziet Jezus. Ze weet nu dat hij leeft. Ze gaat niet verder
zoeken, maar gaat voor de tweede maal naar de leerlingen. Deze maal brengt ze
de boodschap dat ze Jezus gezien heeft en wat hij gezegd heeft. Van de kant
van de leerlingen komt geen reactie.
| 1. Maria Magdalena |
|
|
|
|
|
|
|
| Joh 20,1 |
Joh 20,2 |
Joh 20,3 |
Joh 20,4 |
Joh 20,6 |
Joh 20,8 |
Joh 20,10 |
Joh 20,11 |
| Tèi de miai (Op de eerste echter) |
oun slaat op het laatste deel van Joh 20,1 : ton lithon
èrmenon ek tou mnèmeiou (de steen weggenomen van het graf) |
oun is een reactie op de melding van Maria Magdalena aan
Petrus exèlthen oun ho Petros ... (Petrus ging daarop naar buiten)
|
etrechon de ... (geen verandering van personage) |
erchetai oun Simôn Petros (daarop komt Simon Petrus) |
tote oun eisèlthen kai ho allos mathètès(dan
daarop ging ook de andere leerling binnen) |
apèlthon oun palin pros autous hoi mathètai
|
Maria de heistèkei (Maria echter stond) verandering
van personage |
| |
èran ton kurion ek tou mnèmeiou (zij namen
de Heer uit het graf weg) |
|
|
|
|
|
|
| Joh 20,1 - Joh
20,1 -- Jezus'leerlingen bij het lege graf : Joh
20,1-18 -- Joh
1,1 - Joh
1,2 - Joh
1,3 - Joh
1,4 - Joh
1,5 - Joh
1,6 - Joh
1,7 - Joh
1,8 - Joh
1,9 - Joh
1,10 - Joh
1,11 - Joh
1,12 - Joh
1,13 - Joh
1,14 - Joh
1,15 - Joh
1,16 - Joh
1,17 - Joh
1,18 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
|
(Liturgische lezing) |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2005) |
Naardense bijbel |
|
| 20:1 tèi de miai tôn sabbatôn Maria hè Magdalènè
erchetai prôi skotias eti ousès eis to mnèmeion kai blepei ton lithon
èrmenon ek tou mnèmeiou |
|
|
|
|
|
|
Op de eerste dag van de week kwam Maria Magdalena
's morgens, terwijl duisternis er nog is |
|
Joh
20,1 bestaat uit 2 nevenschikkende zinnen. De 1ste zin bestaat uit 16 woorden
en 33 lettergrepen; de 2de zin uit 8 woorden en 14 lettergrepen. In totaal telt
Joh
20,1 16 + 8 = 24 woorden en 33 + 14 = 47 lettergrepen.
Er zijn 3 tijdsaanduidingen; van algemeen naar meer specifiek: (1) tèi
miai tôn sabbatôn (op de eerste -dag - van de weken) (2) prôi
('s morgens) (3) skotias eti ousès (terwijl er nog duisternis is). In
Joh
20,19 krijgen we de omgekeerde volgorde: (1) ousès oun opsias ('s
avonds dan) (2) tèi hèmerai ekeinèi (op die dag) (3) tèi
miai sabbatôn (op de eerste van de weken).
In Mc
16,2 vinden we eveneens 3 tijdsaanduidingen (1) lian prôi (zeer vroeg)
- Johannes heeft geen enkele keer lian (zeer) in zijn evangelie. Bij Marcus
omsluiten de concretere tijdsaanduidingen het vers. (2) tèi miai tôn
sabbatôn (op de eerste -dag - van de weken) zoals bij Johannes (3) anateilontos
tou hèliou (na zonsopgang) . Zoals Marcus heeft Johannes een losse genitief.
Marcus beklemtoont het licht, Johannes de duisternis.
1. 3. -5. - tèi miai (tôn) sabbatôn (op de eerste dag van
(de) week / (het) wekenfeest) komt slechts in twee verzen in Johannes voor :
(1)
Joh 20,1 en (2) Joh
20,19 . De datief van het hoofdtelwoord miai (eerste) komt slechts op deze
twee plaatsen bij Johannes voor . In Joh
20,19 gaat geen lidwoord tôn (de) aan het zelfstandig naamwoord genitief
meervoud sabbatôn (week? wekenfeest?) vooraf . Over welke eerste gaat
het ? Over de eerste dag van de week ? Over de eerste van het wekenfeest (7
X 7 -> vijftigste : Pinksteren) . Het is wel opvallend dat hèmerai
(op de dag) er niet staat ; dat zou misschien te sterk in de richting van de
eerste dag van de week kunnen duiden . In de betekenis van : "op de eerste
van het wekenfeest" kan die eerste op om het even welke dag van de week
vallen . Er staat ook geen voorzetsel (en = op) van tijdsbepaling , wat eerder
uitzonderlijk is , zie hèmera
(dag) bij Johannes , zie Joh
2,12 .
Een losse genitief om de tijd aan te duiden met het werkwoord eimi (zijn) komt
eveneens slechts in deze twee verzen bij Johannes voor , nl. Joh
20,1 : skotias eti ousès (terwijl duisternis er nog is) en Joh
20,19 : ousès oun opsias (terwijl het derhalve avond is - 's avonds)
.
- ekeinos (die) . Nominatief vrouwelijk enkelvoud of datief vrouwelijk enkelvoud.
In 323 verzen in de bijbel; in 277 verzen in het O.T., in 46 verzen in het N.T.
In 10 verzen bij Johannes.
--- ekeinè : (op die - die) .
Verwijzing : ekeinè
(die) , zie Joh
20,1 .
Joh 4,53 : en ekeinèi tèi hèmerai en tèi ... (op
die dag waarop ...)
Joh 5,9 : en ekeinèi tèi hèmerai ... (op die dag ...)
Joh 14,20 : en ekeinèi tèi hèmerai ... (op die dag ...)
Joh 16,23 : en ekeinèi tèi hèmerai ... (op die dag ...)
Joh 16,26 : en ekeinèi tèi hèmerai ... (op die dag ...)
Joh 20,19 : tèi hèmeraè ekeinèi tèi miai
tôn sabbatôn (op die dag op de eerste van de week / het wekenfeest)
Joh 21,3 : en ekeinèi tèi nukti (in die nacht)
tôn thurôn kekleismenôn (terwijl de deuren waren gesloten)
komt slechts 2X in Johannes voor : Joh 20,19 en Joh 20,26.
| Joh 20,2 - Joh
20,2 -- Jezus'leerlingen bij het lege graf : Joh
20,1-18 -- Joh
1,1 - Joh
1,2 - Joh
1,3 - Joh
1,4 - Joh
1,5 - Joh
1,6 - Joh
1,7 - Joh
1,8 - Joh
1,9 - Joh
1,10 - Joh
1,11 - Joh
1,12 - Joh
1,13 - Joh
1,14 - Joh
1,15 - Joh
1,16 - Joh
1,17 - Joh
1,18 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
|
(Liturgische lezing) |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2005) |
Naardense bijbel |
|
| 20:2 trechei oun kai erchetai pros simôna petron
kai pros ton allon mathètèn on efilei o ièsous kai legei autois èran
ton kurion ek tou mnèmeiou kai ouk oidamen pou ethèkan auton |
|
|
|
|
|
|
|
|
| Joh 20,3 - Joh
20,3 -- Jezus'leerlingen bij het lege graf : Joh
20,1-18 -- Joh
1,1 - Joh
1,2 - Joh
1,3 - Joh
1,4 - Joh
1,5 - Joh
1,6 - Joh
1,7 - Joh
1,8 - Joh
1,9 - Joh
1,10 - Joh
1,11 - Joh
1,12 - Joh
1,13 - Joh
1,14 - Joh
1,15 - Joh
1,16 - Joh
1,17 - Joh
1,18 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
|
(Liturgische lezing) |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2005) |
Naardense bijbel |
|
| 20:3 exèlthen oun o petros kai o allos mathètès
kai èrchonto eis to mnèmeion |
|
|
|
|
|
|
|
|
| Joh 20,4 - Joh
20,4 -- Jezus'leerlingen bij het lege graf : Joh
20,1-18 -- Joh
1,1 - Joh
1,2 - Joh
1,3 - Joh
1,4 - Joh
1,5 - Joh
1,6 - Joh
1,7 - Joh
1,8 - Joh
1,9 - Joh
1,10 - Joh
1,11 - Joh
1,12 - Joh
1,13 - Joh
1,14 - Joh
1,15 - Joh
1,16 - Joh
1,17 - Joh
1,18 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
|
(Liturgische lezing) |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2005) |
Naardense bijbel |
|
| 20:4 etrechon de oi duo omou kai o allos mathètès
proedramen tachion tou petrou kai èlthen prôtos eis to mnèmeion |
|
|
|
|
|
|
|
|
| Joh 20,5 - Joh
20,5 -- Jezus'leerlingen bij het lege graf : Joh
20,1-18 -- Joh
1,1 - Joh
1,2 - Joh
1,3 - Joh
1,4 - Joh
1,5 - Joh
1,6 - Joh
1,7 - Joh
1,8 - Joh
1,9 - Joh
1,10 - Joh
1,11 - Joh
1,12 - Joh
1,13 - Joh
1,14 - Joh
1,15 - Joh
1,16 - Joh
1,17 - Joh
1,18 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
|
(Liturgische lezing) |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2005) |
Naardense bijbel |
|
| 20:5 kai parakupsas blepei keimena ta othonia ou
mentoi eisèlthen |
|
|
|
|
|
|
|
|
| Joh 20,6 - Joh
20,6 -- Jezus'leerlingen bij het lege graf : Joh
20,1-18 -- Joh
1,1 - Joh
1,2 - Joh
1,3 - Joh
1,4 - Joh
1,5 - Joh
1,6 - Joh
1,7 - Joh
1,8 - Joh
1,9 - Joh
1,10 - Joh
1,11 - Joh
1,12 - Joh
1,13 - Joh
1,14 - Joh
1,15 - Joh
1,16 - Joh
1,17 - Joh
1,18 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
|
(Liturgische lezing) |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2005) |
Naardense bijbel |
|
| 20:6 erchetai oun kai simôn petros akolouthôn autô
kai eisèlthen eis to mnèmeion kai theôrei ta othonia keimena |
|
|
|
|
|
|
|
|
| Joh 20,7 - Joh
20,7 -- Jezus'leerlingen bij het lege graf : Joh
20,1-18 -- Joh
1,1 - Joh
1,2 - Joh
1,3 - Joh
1,4 - Joh
1,5 - Joh
1,6 - Joh
1,7 - Joh
1,8 - Joh
1,9 - Joh
1,10 - Joh
1,11 - Joh
1,12 - Joh
1,13 - Joh
1,14 - Joh
1,15 - Joh
1,16 - Joh
1,17 - Joh
1,18 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
|
(Liturgische lezing) |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2005) |
Naardense bijbel |
|
| 20:7 kai to soudarion o èn epi tès kefalès autou
ou meta tôn othoniôn keimenon alla chôris entetuligmenon eis ena topon |
|
|
|
|
|
|
|
|
| Joh 20,8 - Joh
20,8 -- Jezus'leerlingen bij het lege graf : Joh
20,1-18 -- Joh
1,1 - Joh
1,2 - Joh
1,3 - Joh
1,4 - Joh
1,5 - Joh
1,6 - Joh
1,7 - Joh
1,8 - Joh
1,9 - Joh
1,10 - Joh
1,11 - Joh
1,12 - Joh
1,13 - Joh
1,14 - Joh
1,15 - Joh
1,16 - Joh
1,17 - Joh
1,18 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
|
(Liturgische lezing) |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2005) |
Naardense bijbel |
|
| 20:8 tote oun eisèlthen kai o allos mathètès o
elthôn prôtos eis to mnèmeion kai eiden kai episteusen |
|
|
|
|
|
|
|
|
| Joh 20,9 - Joh
20,9 -- Jezus'leerlingen bij het lege graf : Joh
20,1-18 -- Joh
1,1 - Joh
1,2 - Joh
1,3 - Joh
1,4 - Joh
1,5 - Joh
1,6 - Joh
1,7 - Joh
1,8 - Joh
1,9 - Joh
1,10 - Joh
1,11 - Joh
1,12 - Joh
1,13 - Joh
1,14 - Joh
1,15 - Joh
1,16 - Joh
1,17 - Joh
1,18 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
|
(Liturgische lezing) |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2005) |
Naardense bijbel |
|
| 20:9 oudepô gar èdeisan tèn grafèn oti dei auton
ek nekrôn anastènai |
|
|
|
|
|
|
|
|
| Joh 20,10 - Joh
20,10 -- Jezus'leerlingen bij het lege graf : Joh
20,1-18 -- Joh
1,1 - Joh
1,2 - Joh
1,3 - Joh
1,4 - Joh
1,5 - Joh
1,6 - Joh
1,7 - Joh
1,8 - Joh
1,9 - Joh
1,10 - Joh
1,11 - Joh
1,12 - Joh
1,13 - Joh
1,14 - Joh
1,15 - Joh
1,16 - Joh
1,17 - Joh
1,18 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
|
(Liturgische lezing) |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2005) |
Naardense bijbel |
|
| 20:10 apèlthon oun palin pros autous oi mathètai
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| Joh 20,11 - Joh
20,11 -- Jezus'leerlingen bij het lege graf : Joh
20,1-18 -- Joh
1,1 - Joh
1,2 - Joh
1,3 - Joh
1,4 - Joh
1,5 - Joh
1,6 - Joh
1,7 - Joh
1,8 - Joh
1,9 - Joh
1,10 - Joh
1,11 - Joh
1,12 - Joh
1,13 - Joh
1,14 - Joh
1,15 - Joh
1,16 - Joh
1,17 - Joh
1,18 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
|
(Liturgische lezing) |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2005) |
Naardense bijbel |
|
| 20:11 maria de eistèkei pros tô mnèmeiô exô klaiousa
ôs oun eklaien parekuyen eis to mnèmeion |
|
|
|
|
|
|
|
|
| Joh 20,12 - Joh
20,12 -- Jezus'leerlingen bij het lege graf : Joh
20,1-18 -- Joh
1,1 - Joh
1,2 - Joh
1,3 - Joh
1,4 - Joh
1,5 - Joh
1,6 - Joh
1,7 - Joh
1,8 - Joh
1,9 - Joh
1,10 - Joh
1,11 - Joh
1,12 - Joh
1,13 - Joh
1,14 - Joh
1,15 - Joh
1,16 - Joh
1,17 - Joh
1,18 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
|
(Liturgische lezing) |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2005) |
Naardense bijbel |
|
| 20:12 kai theôrei duo aggelous en leukois kathezomenous
ena pros tè kefalè kai ena pros tois posin opou ekeito to sôma tou
ièsou |
|
|
|
|
|
|
|
|
| Joh 20,13 - Joh
20,13 -- Jezus'leerlingen bij het lege graf : Joh
20,1-18 -- Joh
1,1 - Joh
1,2 - Joh
1,3 - Joh
1,4 - Joh
1,5 - Joh
1,6 - Joh
1,7 - Joh
1,8 - Joh
1,9 - Joh
1,10 - Joh
1,11 - Joh
1,12 - Joh
1,13 - Joh
1,14 - Joh
1,15 - Joh
1,16 - Joh
1,17 - Joh
1,18 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
|
(Liturgische lezing) |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2005) |
Naardense bijbel |
|
| 20:13 kai legousin autè ekeinoi gunai ti klaieis
legei autois oti èran ton kurion mou kai ouk oida pou ethèkan auton |
|
|
|
|
|
|
|
|
| Joh 20,14 - Joh
20,14 -- Jezus'leerlingen bij het lege graf : Joh
20,1-18 -- Joh
1,1 - Joh
1,2 - Joh
1,3 - Joh
1,4 - Joh
1,5 - Joh
1,6 - Joh
1,7 - Joh
1,8 - Joh
1,9 - Joh
1,10 - Joh
1,11 - Joh
1,12 - Joh
1,13 - Joh
1,14 - Joh
1,15 - Joh
1,16 - Joh
1,17 - Joh
1,18 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
|
(Liturgische lezing) |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2005) |
Naardense bijbel |
|
| 20:14 tauta eipousa estrafè eis ta opisô kai theôrei
ton ièsoun estôta kai ouk èdei oti ièsous estin |
|
|
|
|
|
|
|
|
| Joh 20,15 - Joh
20,15 -- Jezus'leerlingen bij het lege graf : Joh
20,1-18 -- Joh
1,1 - Joh
1,2 - Joh
1,3 - Joh
1,4 - Joh
1,5 - Joh
1,6 - Joh
1,7 - Joh
1,8 - Joh
1,9 - Joh
1,10 - Joh
1,11 - Joh
1,12 - Joh
1,13 - Joh
1,14 - Joh
1,15 - Joh
1,16 - Joh
1,17 - Joh
1,18 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
|
(Liturgische lezing) |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2005) |
Naardense bijbel |
|
| 20:15 legei autè ièsous gunai ti klaieis tina zèteis
ekeinè dokousa oti o kèpouros estin legei autô kurie ei su ebastasas
auton eipe moi pou ethèkas auton kagô auton arô |
|
|
|
|
|
|
|
|
| Joh 20,16 - Joh
20,16 -- Jezus'leerlingen bij het lege graf : Joh
20,1-18 -- Joh
1,1 - Joh
1,2 - Joh
1,3 - Joh
1,4 - Joh
1,5 - Joh
1,6 - Joh
1,7 - Joh
1,8 - Joh
1,9 - Joh
1,10 - Joh
1,11 - Joh
1,12 - Joh
1,13 - Joh
1,14 - Joh
1,15 - Joh
1,16 - Joh
1,17 - Joh
1,18 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
|
(Liturgische lezing) |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2005) |
Naardense bijbel |
|
| 20:16 legei autè ièsous mariam strafeisa ekeinè
legei autô ebraisti rabbouni o legetai didaskale |
|
|
|
|
|
|
|
|
| Joh 20,17 - Joh
20,17 -- Jezus'leerlingen bij het lege graf : Joh
20,1-18 -- Joh
1,1 - Joh
1,2 - Joh
1,3 - Joh
1,4 - Joh
1,5 - Joh
1,6 - Joh
1,7 - Joh
1,8 - Joh
1,9 - Joh
1,10 - Joh
1,11 - Joh
1,12 - Joh
1,13 - Joh
1,14 - Joh
1,15 - Joh
1,16 - Joh
1,17 - Joh
1,18 -- |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
|
(Liturgische lezing) |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2005) |
Naardense bijbel |
|
| 20:17 legei autè ièsous mè mou aptou oupô gar anabebèka
pros ton patera poreuou de pros tous adelfous mou kai eipe autois
anabainô pros ton patera mou kai patera umôn kai theon mou kai theon
umôn |
|
|
|
|
|
|
|
|
| Joh 20,18 - Joh
20,18 -- Jezus'leerlingen bij het lege graf : Joh
20,1-18 -- Joh
1,1 - Joh
1,2 - Joh
1,3 - Joh
1,4 - Joh
1,5 - Joh
1,6 - Joh
1,7 - Joh
1,8 - Joh
1,9 - Joh
1,10 - Joh
1,11 - Joh
1,12 - Joh
1,13 - Joh
1,14 - Joh
1,15 - Joh
1,16 - Joh
1,17 - Joh
1,18 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
|
(Liturgische lezing) |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2005) |
Naardense bijbel |
|
| 20:18 erchetai mariam è magdalènè aggellousa tois
mathètais oti eôraka ton kurion kai tauta eipen autè |
|
|
|
|
|
|
|
|
Evangelielezing van Beloken
Pasen C. 2de (tweede) paaszondag C : Joh 20,19-31
(Verwijzing : Joh
20,19-31) :
Op de avond van de eerste dag van de week, toen de deuren van de verblijfplaats
der leerlingen gesloten waren uit vrees voor de Joden, kwam Jezus binnen, ging
in hun midden staan en zei: "Vrede zij u." Na dit gezegd te hebben
toonde Hij hun zijn handen en zijn zijde. De leerlingen waren vervuld van vreugde
toen zij de Heer zagen. Nogmaals zei Jezus tot hen: "Vrede zij u. Zoals
de Vader Mij gezonden heeft zo zend Ik u." Na deze woorden blies Hij over
hen en zei: "Ontvangt de heilige Geest. Als gij iemand zonden vergeeft
dan zijn ze vergeven, als gij ze niet vergeeft zijn ze niet vergeven."
Tomas, een van de twaalf, ook Didymus genaamd was echter niet bij hen toen Jezus
kwam. De andere leerlingen vertelden hem: "Wij hebben de Heer gezien."
Maar hij antwoordde: "Zolang ik in zijn handen niet het teken van de nagelen
zie, en mijn vinger in de plaats van de nagelen kan steken, en mijn hand in
zijn zijde leggen, zal ik zeker niet geloven." Acht dagen later waren zijn
leerlingen weer in het huis bijeen, en nu was Tomas er bij. Hoewel de deuren
gesloten waren kwam Jezus binnen, ging in hun midden staan en zei: "Vrede
zij u." Vervolgens zei Hij tot Tomas: "Kom hier met uw vinger en bezie
mijn handen. Steek uw hand uit en leg die in mijn zijde en wees niet langer
ongelovig maar gelovig." Toen riep Tomas uit: "Mijn Heer en mijn God!"
Toen zei Jezus tot hem: "Omdat gij Mij gezien hebt gelooft ge? Zalig die
niet gezien en toch geloofd hebben." In het bijzijn van zijn leerlingen
heeft Jezus nog vele andere tekenen gedaan welke niet in dit boek zijn opgetekend,
maar deze hier zijn opgetekend opdat gij moogt geloven dat Jezus de Christus
is, de Zoon van God, en opdat gij door te geloven leven moogt bezitten in zijn
Naam.
Wat hebben de leerlingen met het getuigenis van Maria van Magdala gedaan? Thomas
wordt als 't ware op zijn nummertje gezet omdat hij niet gelooft op het woord
van de leerlingen die Jezus gezien hebben. Die leerlingen hadden ook op hun
nummertje gezet mogen geweest zijn want blijkbaar hebben ze niets met het getuigenis
van Maria van Magdala gedaan. Heeft dat getuigenis van Maria van Magdala voor
de anderen geen enkele waarde? Het is vrij laat op de dag vooraleer Jezus aan
zijn leerlingen verschijnt. De zon is wellicht nog niet ondergegaan, maar is
toch sterk gedaald. De dag loopt bijna ten einde. De leerlingen zijn het huis
niet uit geweest. Ze hadden zich beveiligd in het huis. Ze waren daar samen
en ze hadden de deuren gesloten. Een sterke tegenstelling tussen Jezus die vroeg
op de dag erbij is, de geslotenheid van het graf heeft doorbroken en zich buiten
het graf aan Maria van Magdala heeft laten zien. Het eerste woord aan zijn leerlingen
is vrede. Het laatste woord aan zijn leerlingen was dat de herder zou worden
geslagen en de schapen zouden verstrooid worden. De leerlingen waren gevlucht.
Enkel een aantal vrouwen en Johannes stonden bij het kruis. De vredeswens houdt
vergeving in. Het initiatief gaat uit van Jezus. Hij komt in hun beslotenheid.
En hij zal die ook doorbreken. De leerlingen worden gezonden. Ze worden op hun
verantwoordelijkheid gewezen. Samen verkommeren brengt geen aarde aan de dijk.
Jezus geeft hen ook de heilige geest. De verlatenheid en eenzaamheid zal plaats
maken voor getuigenis : wij hebben de Heer gezien. Jezus toonde hen zijn handen
en zijn zijde. Ze hebben met geen schijnjezus te maken of met iemand die maar
schijnbaar dood was. Het is de dode Jezus die ze levend zien. Dat is ook wat
Thomas vraagt, overtuigd als hij is dat Jezus is gestorven. Zijn opwerping wil
zeggen: hoe kan een dode nu verder leven?
Maria was de eerste die getuigde : Ik heb de Heer gezien. Daarna volgden zijn
leerlingen : Wij hebben de Heer gezien. Dat getuigenis wordt in de verf gezet,
want het getuigenis van de leerlingen is het fundament van de volgende generaties
van wie gevraagd wordt dat ze in Jezus geloven zonder hem gekend te hebben.
In deze visie is de 'traditie' fundamenteel en is een rechtstreekse ervaring
van Jezus (zonder hem in zijn leven gekend te hebben) uitgesloten.
Het lijkt er bijna op dat de rol van Maria van Magdala volgens Johannes erin
bestaat om Petrus ervan te overtuigen dat Jezus werkelijk gestorven is en werd
begraven (hij heeft het zelf niet meegemaakt - het was de ontbrekende link bij
Petrus). Het getuigenis van Maria dat ze Jezus gezien heeft, blijft bij de leerlingen
zonder gevolg.
| |
|
|
|
|
|
|
|
|
| Joh
20,19 |
Joh 20,21 |
Joh 20,22 |
Joh 20,25a |
Joh 20,25c |
Joh 20,27 |
Joh 20,28 |
|
Joh 20,29 |
| kai (en) |
|
kai (en) |
|
ho de (hij echter) |
eita (vervolgens) |
|
kai (en) |
|
| |
|
|
|
|
|
|
|
|
| legei (hij zegt) |
eipen oun (hij zei derhalve) |
legei (hij zegt) |
elegon oun (ze zeiden derhalve) |
eipen (zei) |
legei (hij zegt) |
apekrithè (hij antwoordde) |
eipen (hij zei) |
legei (hij zegt) |
| |
|
|
|
|
|
|
|
|
| autois (aan hen) |
autois (aan hen) |
autois (aan hen) |
autôi (aan hem) |
autois (aan hen) |
tô! Thomai (aan Thomas) |
|
autôi (aan hem) |
autôi (aan hem) |
| |
ho Ièsous (Jezus) |
|
hoi alloi mathètai (de andere leerlingen) |
|
|
Thomas (Thomas) |
|
ho Ièsous (Jezus) |
| |
|
|
|
|
|
|
|
|
| Joh 20,19 - Joh
20,19 : Verschijning aan de leerlingen - verwijzingen
-
Joh 20,19-23 -- Joh
20,19 - Joh
20,20 - Joh
20,21 - Joh
20,22 - Joh
20,23 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
|
Beloken
Pasen C. 2de (tweede) paaszondag C |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2005) |
Naardense bijbel |
|
| 20:19 ousès oun opsias tèi hèmerai ekeinèi tèi
miai sabbatôn kai tôn thurôn kekleismenôn opou èsan hoi mathètai dia
ton fobon tôn Ioudaiôn èlthen o Ièsous kai estè eis to meson kai legei
autois eirènè humin |
|
|
|
[19] Op de avond van die eerste dag van de week
waren de leerlingen bij elkaar. Hoewel de deur op slot was uit vrees
voor de Joden, kwam Jezus. Ineens stond Hij in hun midden en zei:
‘Vrede!’ |
[19] Op de avond van die eerste dag van de week
waren de leerlingen bij elkaar; ze hadden de deuren afgesloten, omdat
ze bang waren voor de Joden. Jezus kwam in hun midden staan en zei:
‘Ik wens jullie vrede!’ |
19 ¶ Als het dan laat is op die dag, de eerste
na de sabbat, en de deuren gesloten zijn daar waar de leerlingen zijn
–uit vrees voor de Judeeërs– komt Jezus binnen en
gaat in het midden staan; hij zegt tot hen: vrede voor u! |
terwijl het derhalve avond was op die dag op de
eerste dag van de week en terwijl de deuren gesloten waren waar de
leerlingen waren |
|
Joh
20,19 telt 35 woorden en (19 + 25 + 22) 66 lettergrepen. De eerste drie
woorden beginnen met o. De hoofdzin wordt voorafgegaan door twee losse genitiefzinnen.
Aan de tweede genitiefzin is nog een ondergeschikte zin van plaatsbepaling gehecht.
tôn thurôn kekleismenôn (terwijl de deuren waren gesloten)
komt slechts in 2 verzen in Johannes voor : Joh
20,19 en Joh
20,26 .
- oun
(bij-gevolg) (eropvolgend, dus, derhalve), zie Joh
1,21 . In 194 verzen bij Johannes.
- ekeinè
(die) bij Johannes, zie Joh
20,1 - hèmera (dag) bij Johannes, zie Joh 2,12 : Joh
2,1-12 -
- sabbatôn (sabbat). - sabbaton
(sabbat), zie Mc
16,1 . Genitief meervoud. In 10 verzen in het N.T. In Mt
28,1 . In Mc
16,2 (// Lc
24,1 // Joh
20,1 ) . In 2 verzen in Lucas: (1) Lc
4,16 . (2) Lc
24,1 (// Mc
16,2 // Joh
20,1 ). In 2 verzen bij Johannes: (1) Joh
20,1 (// Mc
16,2 // Lc
24,1 ) . (2) Joh
20,19 . In 3 verzen in Hnd. In Col 2,16 . |
- eimi (zijn) . eimi
(zijn), zie Mc 1,6 .
--- ousès . Participium aorist
genitief vrouwelijk enkelvoud van het werkwoord eimi (zijn). Het komt in 15
verzen in de bijbel voor; in 9 verzen in het O.T., in 6 verzen in het N.T. In
het N.T. : (1) Mc
11,11 (opsias èdè ousès tès hôras = toen
het reeds een laat uur was geworden) . (2) Joh
4,9 . (3) Joh
20,1 (prôi skotias eti ousès = vroeg terwijl er nog duisternis
was) . (4) Joh
20,19 (ousès oun opsias = toen het derhalve avond was) . (5) Hnd
9,38 . (6) Hnd 11,22 .
- tèi miai tôn sabbatôn (op de eerste dag van de
week / de weken) zie Joh
20,19 komt slechts in 2 verzen in Johannes voor: Joh
20,1 en Joh
20,19 .
Een losse genitief om de tijd aan te duiden met het werkwoord eimi (zijn) komt
eveneens slechts in 2 verzen bij Johannes voor, nl. Joh
20,1 : skotias eti ousès (terwijl duisternis er nog is) en Joh
20,19 : ousès oun opsias (terwijl het derhalve avond is).
- kleiô (sluiten).
--- kekleismenos (gesloten, besloten, beloken). In 1 vers in de bijbel, in het
O.T.
--- kekleismena. In geen enkel vers in de bijbel.
--- kekleismenon. In 1 vers in de bijbel, nl. in Hand 5,23
--- kekleismenôn. Slechts in 2 verzen in de bijbel: (1) Joh
20,19 . (2) Joh
20,26 .
.
Joh 20,26: èsan (zij waren) verwijst naar Joh 20,19. Joh 20,26 : palin
èsan esô hoi mathètai autou (zijn leerlingen waren opnieuw
binnen). komt sterk overeen met Joh 20,19 : hopou èsan hou mathètai
(waar de leerlingen waren).
| Joh 20,20 - Joh
20,20 : Verschijning aan de leerlingen - verwijzingen
-
Joh 20,19-23 -- Joh
20,19 - Joh
20,20 - Joh
20,21 - Joh
20,22 - Joh
20,23 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
|
Beloken
Pasen C. 2de (tweede) paaszondag C |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2005) |
Naardense bijbel |
|
| 20:20 kai touto eipôn edeixen | kai | | tas cheiras
kai tèn pleuran autois echarèsan oun oi mathètai idontes ton kurion |
|
|
|
[20] Na* deze groet toonde Hij hun zijn handen en
zijn zijde. Vreugde vervulde de leerlingen toen ze de Heer zagen.
|
[20] Na deze woorden toonde hij hun zijn handen
en zijn zijde. De leerlingen waren blij omdat ze de Heer zagen. |
20 Als hij dat zegt toont hij aan hen zijn handen
en zijn zijde. Vol vreugde zijn dan de leerlingen bij het zien van
de Heer. |
|
|
| Joh 20,21 - Joh
20,21 : Verschijning aan de leerlingen - verwijzingen
-
Joh 20,19-23 -- Joh
20,19 - Joh
20,20 - Joh
20,21 - Joh
20,22 - Joh
20,23 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
|
Beloken
Pasen C. 2de (tweede) paaszondag C |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2005) |
Naardense bijbel |
|
| 20:21 eipen oun autois [o ièsous] palin* eirènè
umin kathôs apestalken me o patèr kagô pempô umas |
|
|
|
[21] ‘Vrede’, zei Jezus nogmaals. ‘Zoals
de Vader Mij gezonden heeft, zo zend Ik jullie.’ |
[21] Nog eens zei Jezus: ‘Ik wens jullie vrede!
Zoals de Vader mij heeft uitgezonden, zo zend ik jullie uit.’ |
21 Dan zegt Jezus weer tot hen: vrede voor u!–
zoals de Vader mij heeft uitgezonden zo stuur ook ik u uit! |
|
|
| Joh 20,23 - Joh
20,23 : Verschijning aan de leerlingen - verwijzingen
-
Joh 20,19-23 -- Joh
20,19 - Joh
20,20 - Joh
20,21 - Joh
20,22 - Joh
20,23 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
|
Beloken
Pasen C. 2de (tweede) paaszondag C |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2005) |
Naardense bijbel |
|
| 20:23 an tinôn afète tas amartias afeôntai autois
an tinôn kratète kekratèntai |
|
|
|
[23] ‘Als jullie iemand zijn zonden vergeven*,
dan zijn ze ook vergeven; als jullie ze niet vergeven, dan blijven
ze behouden.’ Jezus en Tomas |
[23] Als jullie iemands zonden vergeven, dan zijn
ze vergeven; vergeven jullie ze niet, dan zijn ze niet vergeven.’ |
23 wier zonden ge vergeeft, hun zijn ze vergeven;
wie ge ze laat houden, die houden ze! |
|
|
| Joh 20,24 - Joh
20,24 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
|
Beloken
Pasen C. 2de (tweede) paaszondag C |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2005) |
Naardense bijbel |
|
| 20:24 thômas de eis ek tôn dôdeka o legomenos didumos
ouk èn met autôn ote èlthen ièsous |
|
|
|
[24] Tomas, een van de twaalf, ook Didymus genaamd,
was er niet bij toen Jezus kwam. |
[24] Een van de twaalf, Tomas (dat betekent ‘tweeling’),
was er niet bij toen Jezus kwam. |
24 Maar één van de twaalf, Tomas,
die Tweeling genoemd wordt, was niet bij hen toen Jezus kwam; |
|
|
| Joh 20,25 - Joh
20,25 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
|
Beloken
Pasen C. 2de (tweede) paaszondag C |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2005) |
Naardense bijbel |
|
| 20:25 elegon oun autô oi alloi mathètai eôrakamen
ton kurion o de eipen autois ean mè idô en tais chersin autou ton
tupon tôn èlôn kai balô ton daktulon mou eis ton tupon tôn èlôn kai
balô mou tèn cheira eis tèn pleuran autou ou mè pisteusô |
|
|
|
[25] De andere leerlingen vertelden hem: ‘We
hebben de Heer gezien.’ Maar hij zei: ‘Ik wil zijn handen
zien, met de gaten van de spijkers erin; ik wil ze met mijn vingers
voelen. Ik wil met mijn hand de opening in zijn zijde voelen. Anders
geloof ik niet.’ |
[25] Toen de andere leerlingen hem vertelden: ‘Wij
hebben de Heer gezien!’ zei hij: ‘Alleen als ik de wonden
van de spijkers in zijn handen zie en met mijn vingers kan voelen,
en als ik mijn hand in zijn zij kan leggen, zal ik het geloven.’ |
25 dus hebben de andere leerlingen het hem gezégd:
wij hebben de Heer gezien! Maar hij zei tot hen: als ik niet in zijn
handen het litteken van de spijkers zie en niet mijn vinger kan leggen
op de plek van de spijkers en mijn hand mag leggen op zijn zijde,
zal ik echt niet geloven! |
|
|
| Joh 20,26 - Joh
20,26 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
|
Beloken
Pasen C. 2de (tweede) paaszondag C |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2005) |
Naardense bijbel |
|
| 20:26 kai meth hèmeras oktô palin èsan esô hoi
mathètai autou kai thômas met autôn erchetai o ièsous tôn thurôn kekleismenôn
kai estè eis to meson kai eipen eirènè umin |
|
|
|
[26] Acht* dagen later waren de leerlingen weer
bijeen, en nu was Tomas erbij. Hoewel de deur op slot was, kwam Jezus.
Ineens stond Hij in hun midden en zei: ‘Vrede!’ |
[26] Een week later waren de leerlingen weer bij
elkaar en Tomas was er nu ook bij. Terwijl de deuren gesloten waren,
kwam Jezus in hun midden staan. ‘Ik wens jullie vrede!’
zei hij, |
26 ¶ Acht dagen later zijn zijn leerlingen
weer daarbinnen en is ook Tomas bij hen. Jezus komt binnen; de deuren
zijn gesloten; hij gaat in het midden staan en zegt: vrede voor u!
|
|
|
| Joh 20,26 : Kai meth'hèmeras oktô palin èsan
esô hou mathètai autou (En na 8 dagen waren zijn leerlingen
opnieuw bijeen) |
| - |
Joh 20,26: èsan (zij waren) verwijst naar Joh 20,19. Joh 20,26 : palin
èsan esô hoi mathètai autou (zijn leerlingen waren opnieuw
binnen). komt sterk overeen met Joh 20,19 : hopou èsan hou mathètai
(waar de leerlingen waren).
| Joh 20,27 - Joh
20,27 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
|
Beloken
Pasen C. 2de (tweede) paaszondag C |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2005) |
Naardense bijbel |
|
| 20:27 eita legei tô thôma fere ton daktulon sou
ôde kai ide tas cheiras mou kai fere tèn cheira sou kai bale eis tèn
pleuran mou kai mè ginou apistos alla pistos |
|
|
|
[27] Vervolgens richtte Hij zich tot Tomas: ‘Kijk
maar, hier zijn mijn handen; kom nu maar met je vinger. En kom met
je hand om de opening in mijn zijde te voelen. Wees niet langer ongelovig,
maar gelovig.’ |
[27] en daarna richtte hij zich tot Tomas: ‘Leg
je vingers hier en kijk naar mijn handen, en leg je hand in mijn zij.
Wees niet langer ongelovig, maar geloof.’ |
27 Daarop zegt hij tot Tomas: breng je vinger eens
hierheen, en zie mijn handen; breng je hand hierheen en leg hem op
mijn zijde; geef je ongeloof óp en geloof! |
|
|
| Joh 20,28 - Joh
20,28 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
|
Beloken
Pasen C. 2de (tweede) paaszondag C |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2005) |
Naardense bijbel |
|
| 20:28 apekrithè thômas kai eipen autô o kurios mou
kai o theos mou |
|
|
|
[28] Hierop zei Tomas: ‘Mijn Heer! Mijn God!’ |
[28] Tomas antwoordde: ‘Mijn Heer, mijn God!’
|
28 Tomas antwoordt en zegt tot hem: mijn Heer en
mijn God! |
|
|
| Joh 20,29 - Joh
20,29 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
|
Beloken
Pasen C. 2de (tweede) paaszondag C |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2005) |
Naardense bijbel |
|
| 20:29 legei autô | [o] | o | ièsous oti eôrakas
me pepisteukas makarioi oi mè idontes kai pisteusantes |
|
|
|
[29] Jezus zei: ‘Omdat* je Me gezien hebt
geloof je? Gelukkig zij die zonder gezien te hebben toch tot geloof
komen.’ |
[29] Jezus zei tegen hem: ‘Omdat je me gezien
hebt, geloof je. Gelukkig zijn zij die niet zien en toch geloven.’ |
29 Jezus zegt tot hem: omdat je mij gezien hebt
ben je tot geloof gekomen; zalig die niet zien en toch geloven! |
|
| |
|
|
|
|
|
|
|
|
| Joh 20,30 - Joh
20,30 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
|
Beloken
Pasen C. 2de (tweede) paaszondag C |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2005) |
Naardense bijbel |
|
| 20:30 polla men oun kai alla sèmeia epoièsen o ièsous
enôpion tôn mathètôn | | [autou*] | a ouk estin gegrammena en tô bibliô
toutô |
|
|
|
[30] Nog veel andere tekenen heeft Jezus voor de
ogen van zijn leerlingen verricht, die niet in dit boek zijn neergeschreven.
|
[30] Jezus heeft nog veel meer wondertekenen voor
zijn leerlingen gedaan, die niet in dit boek staan, |
30 Dan doet Jezus ook wel vele andere tekenen voor
het aanschijn van de leerlingen, die niet zijn opgeschreven in dit
boek; |
|
|
| Joh 20,31 - Joh
20,31 - |
| Griekse tekst |
Vulgaat |
|
Beloken
Pasen C. 2de (tweede) paaszondag C |
Willibrordvertaling |
Nieuwe vertaling (2005) |
Naardense bijbel |
|
| 20:31 tauta de gegraptai hina pisteuète hoti Ièsous
estin ho christos ho huios tou theou kai hina pisteuontes zôèn echète
en tôi onomati autou |
|
|
|
[31] Die welke u hier vindt, zijn neergeschreven
opdat u zult geloven dat Jezus de Messias is, de Zoon van God, en
opdat u door te geloven leven zult bezitten in zijn naam. |
[31] maar deze zijn opgeschreven opdat u gelooft
dat Jezus de messias is, de Zoon van God, en opdat u door te geloven
leeft door zijn naam. |
31 (21:30) maar déze zijn opgeschreven opdat
gij zult geloven dat Jezus is: de Christus, de Zoon van God, en opdat
u die dit gelooft leven hebt in zijn naam! |
|
|
| - hina (opdat) met een conjunctief tegenwoordige tijd van het werkwoord
echô (hebben, bezitten) + (zôèn = leven) : (1) Joh
3,15 (3de persoon enkelvoud). (2) Joh
3,16 (3de persoon enkelvoud). (3) Joh
5,40 (2de persoon meervoud). (4) Joh
6,40 (3de persoon enkelvoud). (5) Joh
10,10 (3de persoon meervoud). (6) Joh
20,31 (2de persoon meervoud). We treffen hier een zeer korte formule
aan. Geen aiônion (eeuwig) en zôèn (leven) staat vóór
echète (jij zoudt hebben), zoals Joh
5,40 en Joh
10,10. |
In Joh 20 ligt de klemtoon op de eerste - achtste dag van
de week:
Joh 20, 1: tiji de miai sabbatoon... prooi skotias eti ousijs: op de eerste
(dag) van de week... vroeg terwijl er nog duisternis is
Joh 20,19: ousijs oun opsias tiji hijmerai ekeiniji tiji miai sabbatoob: terwijl
het derhalve avond is op diezelfde eerste dag van de week
Joh 20,26: kai meth'hijmeras oktoo...: en na acht dagen...
Waarom komen de eerste christenen op de eerste dag van de week samen? Waarom
niet op donderdagavond, want dan werd het laatste avondmaal gevierd en dat was
toch het belangrijkste om Jezus te gedenken (zie eucharistieviering).
Of waarom niet op vrijdag, want dan is Jezus gestorven.
Tussen vrijdagnamiddag en zondagmorgen lag de sabbat. Dan was het rustdag.
Het moet iets te maken hebben met de derde dag - een symboliek die uit de natuur
werd gehaald; tussen het laatste kwartier van de maan en het eerste kwartier
(of nieuwe maan) liggen drie dagen; het is een symboliek van de overgang van
ondergaan, sterven, naar opgaan, verrijzen. Door gebruik van deze symboliek
komen we op de eerste dag van de week.
Er zijn twee verhalen van de eerste dag. Het eerste speelt zich 's morgens af,
het andere 's avonds. Ik dacht dat de joodse dag 's avonds begon. Hoe moeten
we dan 's avonds van de eerste dag interpreteren? 's Zaterdag 's avonds is uitgesloten
want de morgen gaat eraan vooraf. Het moet dan wel zondagavond zijn, maar in
het joodse denken moet het dan al de tweede dag zijn nl. de maandag.
In het Romeinse denken is de eerste dag de zondag dies Solis. De zon is in hun
denken het grootste hemellichaam.
Die eerste dag werd een rust-dag. Maar die rustdag viel voortaan op de eerste
dag, en niet meer op de zevende dag. Dat is een fundamenteel verschil. Als men
op de eerste dag rust, begint men met rusten, en werkt men op de zevende dag.
Dat staat in schril contrast met het scheppingsverhaal.
Nu is de mens vrij om zijn werk- en rusttijden te kiezen, het geeft wel spanningen
in bepaalde godsdienstige visies.
Jezus komt in het midden van de leerlingen, terwijl de deuren gesloten zijn.
Enerzijds komt Jezus zichtbaar aanwezig, anderzijds is hij blijkbaar niet
aan fysische wetten gebonden. Jezus toont zijn handen en zijn zijde. Wellicht
is dit bedoeld om aan te duiden dat het de gekruisigde Jezus is. In vers 25
zeggen de leerlingen tot Thomas:wij hebben de Heer gezien (heoorakamen ton
kurion). Kurios wijst op de 'verheerlijkte' Jezus. Jezus is bij God. Hoe?
Met een lichaam? een verheerlijkt lichaam? In ieder geval wil men zeggen dat
Jezus die gekruisigd werd, bij God verheerlijkt werd. Jezus leeft dus, bij
God.
De leerlingen hebben dus de ervaring van Jezus'aanwezigheid. Die ervaring
is een ervaring van geloof. Thomas had die ervaring eerst niet, daarna wel.
Er wordt dan een onderscheid gemaakt tussen hen die die ervaring hebben (we
hebben de Heer gezien) en zij die de Heer niet gezien hebben of m.a.w. die
de ervaring van Jezus'aanwezigheid niet hebben maar geloven (wellicht op basis
van hen die die ervaring wel hebben). -
Er wordt heel wat verondersteld. Ten eerste: het geloof in God. Ten tweede:
dat Jezus op een of andere manier bij God leeft. Ten derde: dat Jezus initiatief
kan nemen opdat de leerlingen hem als aanwezig kunnen ervaren. Ten vierde:
dat hij de geest kan zenden. Ten vijfde: dat hij zonden kan vergeven.
Wanneer iemand sterft, kunnen we hopen en geloven dat de persoon op de een
of andere manier verder leeft bij God. We kunnen ons herinneren wat hij gezegd
en gedaan heeft. Dat de overledene nog meeleeft met de achtergeblevenen, is
slechts aan een aantal gegeven. Dat de overledene nog actief kan ingrijpen,
zien we in het geloof dat heiligen kunnen helpen, wonderen verrichten enz.
Maar over het algemeen zijn mensen van mening dat wie zijn liedje hier heeft
uitgezongen, helemaal uitgezongen is en geen onhoorbare melodie op de achtergrond
geeft.
En waarom zendt Jezus de geest? Omdat hijzelf er niet meer is?
We moeten naar het verhaal van Elia en Elisa (2 Kon 2). Als Elisa de profeet
Elia ten hemel zal zien opstijgen, zal hij het dubbele van zijn geest ontvangen.
Elisa ziet Elia ten hemel opgenomen worden en Elisa ontvangt dan de geest
van Elia. Het ligt dus in de lijn van dit Oudtestamentisch verhaal.
STATISTIEKEN
Religie.opzijnbest.nl
- De beste links over religie voor u verzameld.