KATHOLIEK ONDERWIJS ( WEBSITE - PANORAMA
)
WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA)
- STARTPAGINA - AGENDA - OVERZICHT - NIEUW
- TIJDSCHRIFTEN
-
JAARTAL
- NIEUW
- A -
B -
C -
D -
E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - Z
allochtonen , armoede , bahá'í
, bijbeluitleg ,
bijbel en koran ,
boeddhisme ,
christendom ,
extreemrechts
, fundamentalisme
, globalisering en antiglobalisering
, hindoeïsme
, interlevensbeschouwelijke
dialoog , islam , jodendom
, levensbeschouwing
, levensbeschouwing / godsdienst
en onderwijs , migratie , racisme , samenleving ,
sikhisme , tewerkstelling
van allochtonen , vluchtelingen
en asielzoekers , vrijzinnigheid
, witte scholen , multiculturele
scholen en concentratiescholen ,
|
| levensbeschouwing
/ godsdienst en onderwijs |
Andersgelovigen
en katholiek onderwijs , Stichting Echelon en levensbeschouwelijke
communicatie , interculturele en interreligieuze
communicatie op de basisscholen in Rotterdam , - interreligieus leren
(van het net geplukt) , interreligieus leren in opvoeding en onderwijs
(Bert Roebben) , interreligieus leren op de Brede School (Rotterdam) , interreligieuze
school Ede, islamitisch
godsdienstonderricht (Aanzetten tot een leerplan
Islamitisch Godsdienstonderwijs in de basisschool) , islamitische scholen
in Nederland, katholiek godsdienstonderricht , katholiek onderwijs ,
Wat ons
bindt (Frank Siddiqui)
Islamonderricht op katholieke scholen,
dossier islamonderricht en moslims in het katholiek onderwijs, http://www.flwi.rug.ac.be/cie/dossierkatholiek.htm
.
kerkelijke regelgeving,
http://www.flwi.rug.ac.be/cie/katholiek3.htm
staatkundige regelgeving,
http://www.flwi.rug.ac.be/cie/katholiek1.htm .
toestemming
om islamonderricht op katholieke scholen te geven (1978),
concrete
richtijnen (1986),
visietekst (1996): http://www.flwi.rug.ac.be/cie/katholiek10.htm .
werknota (1998): http://www.flwi.rug.ac.be/cie/katholiek11.htm
.
uitvoeringsnota 6 (2000): http://www.flwi.rug.ac.be/cie/katholiek12.htm .
wet van
17 juni 1997 (personeelsformatie,
voorstellen
van prof. Verstegen om het conflict in Heusden-Zolder ten gevolge van
het uitdoofbeleid op te lossen (2000)
|
OVERZICHT
- De relatie tussen katholieke identiteit en pluralisme : http://www.kuleuven.ac.be/thomas/visie/identiteit/lenaers.htm#1
,
- Katholiek Nederland , Mgr. De Jong: gelovigen hebben recht op echt katholiek onderwijs
- Paus : stuur kinderen naar katholiek onderwijs
- Katholiek Nederland , Bisschoppen willen versterking
identiteit katholieke scholen
- Nederlandse Bisschoppenconferentie , Bezield en zelfbewust
. Beleidsnota met het oog op een nieuwe dynamiek en een gedeelde visie in het
katholiek onderwijs
- ALGEMENE RAAD VAN HET KATHOLIEK ONDERWIJS - Specificiteit
van het Katholiek Onderwijs - LICAP, s.v. Brussel, 1975
- OPDRACHTSVERKLARING VAN HET KATHOLIEK ONDERWIJS
IN VLAANDEREN - OPVOEDEND ONDERWIJS OP CHRISTELIJK-GELOVIGE BASIS - 1994
- In: Kerkelijke documentatie, jg.26 (18 september 1998), nr.7, Congregratie
voor de clerus, Algemeen directorium voor de catechese.
Catechese en godsdienstonderwijs op school
Katholiek Nederland , Mgr. De Jong: gelovigen hebben
recht op echt katholiek onderwijs
Hilversum (Van onze redactie) 21 januari 2003 – “RK-scholen in Nederland
hebben een grote verantwoordelijkheid om daadwerkelijk echt katholiek onderwijs
te bieden. Dat zijn ze verplicht aan alle ouders die hun kind in de geloofstraditie
willen opvoeden.” Dat zegt hulpbisschop E. de Jong van Roermond als reactie
op de oproep van
de Paus om alle katholieke kinderen naar RK-scholen te sturen.
“Als de Paus zegt dat katholiek onderwijs het beste is voor de geloofsontwikkeling
en de menselijke vorming van een kind, dan bedoelt hij ook echt katholiek
onderwijs. Dat sluit helemaal aan bij onze onderwijsnota
die we november vorig jaar uitbrachten,” aldus de bisschop.
De Jong vindt dat de oproep van de Paus een uitdaging is voor alle RK-scholen
in Nederland. “Zij hebben de taak om het predikaat katholiek waar te maken.
In de Katechismus
van de Katholieke Kerk staat duidelijk wat katholiek-zijn betekent, dus
daar hoeft geen misverstand over te bestaan.”
Mgr. De Jong is namens de Nederlandse bisschoppen referent voor de beleidssector
Catechese, Onderwijs en Jongeren
Paus : stuur kinderen naar katholiek onderwijs
Hilversum (Van onze redactie) 20 januari 2003 – Paus Johannes Paulus II
heeft alle katholieken opgeroepen om - indien mogelijk - hun kinderen naar
katholieke scholen te sturen. Katholiek
onderwijs is goed voor de ontwikkeling van kinderen, omdat het scholieren
al jong confronteert met de “grote vragen van het bestaan”, aldus de Heilige
Vader gisteren tijdens zijn zondagstoespraak voor de pelgrims op het Sint-Pietersplein.
“Ik dank allen die op katholieke scholen leven en werken. Ik hoop dat ieder
gezin de praktische mogelijkheid heeft om in het belang van hun kinderen te
kiezen voor dit type onderwijs,” zei de Paus tegen de pelgrims. Onder hen
waren vele leraren en leerlingen van katholieke scholen in Rome.
De Paus is voorstander van vrijheid van onderwijs. Staten moeten volgens
de Bisschop van Rome bijzondere scholen financieren, omdat alle burgers –
ook armen - recht hebben op onderwijs dat gebaseerd is op hun eigen levensbeschouwing.
Katholiek Nederland , Bisschoppen willen versterking
identiteit katholieke scholen
Tilburg (Van onze redactie), 5 november 2002
– De Nederlandse bisschoppen
willen met de onderwijswereld in dialoog treden over versterking van de identiteit
van katholieke scholen. Daartoe hebben zij onder de titel Bezield
en zelfbewust een nota uitgebracht. Een katholieke school omschrijven
de bisschoppen als "een educatieve gemeenschap, levend uit een waardenstelsel."
Hierdoor vindt het document aansluiting bij het in Nederland in meer algemene
zin gevoerde debat over 'Normen en Waarden'. In de nota formuleren de bisschoppen
hun opvatting over katholiek onderwijs aldus: "De zending van de katholieke
school is de dienst aan de samenleving en aan de geloofsgemeenschap. Juist
vanwege haar bezielde en zelfbewuste identiteit wil ze een bijdrage leveren
aan een goede samenleving, waar goede normen en waarden een gedeeld goed zijn."
Mgr.
De Jong, die de onderwijsnota vanochtend samen met kardinaal
Simonis presenteerde, omschreef in duidelijke bewoordingen wat de bisschoppen
meer concreet voor ogen staat. “Als je de katholieke school binnentreedt,
moet je voelen dat je een soort heilige grond betreedt” aldus Mgr. De Jong,
“Het is er veilig en schoon, hartelijk en liefdevol, maar bovenal is er het
gevoel aanwezig dat er een aanwezigheid is van de weliswaar onzichtbare, maar
toch ervaarbare liefdevolle God en Vader van alle mensen." Mgr. De Jong heeft
in de Nederlandse bisschoppenconferentie het katholiek onderwijs in zijn
portefeuille.
Katholieke identiteit zal vooral naar voren komen in het onderwijsaanbod,
zo stelt De Jong zich voor. Uiteraard maken de lessen godsdienst-levensbeschouwing
leerlingen gevoelig voor het Hogere. Maar ook andere vakken kunnen dat. Zo
wordt bij biologie "niet slechts in anatomische zin gesproken, maar met inbegrip
van de waardigheid van de mens." Ook vakken als economie en vreemde talen
kunnen volgens De Jong belangrijke katholieke waarden uitdragen: “De economie
zal niet slechts aandacht hebben voor de profit-zijde van de handel, maar
ook voor solidariteit en rechtvaardigheid. De moderne talen zijn bij uitstek
geschikt om kennis te nemen van diepe religieuze ervaringen.”
De bisschoppen pleiten voor een goed vormgegeven schoolpastoraat. Zij geven
scholen bovendien de suggestie mee om, waar en wanneer het passend is, in
schoolverband de eucharistie te vieren. Van de andere kant vragen zij om zeer
terughoudend te zijn met interreligieuze vieringen, omdat deze -in de woorden
van Mgr. De Jong- "gemakkelijk tot syncretisme en gewetensnood kunnen leiden."
In de onderwijsnota wordt gesteld dat het de taak van schoolbesturen is
om de fundamentele waarden van het katholieke geloof in onderwijs en inrichting
van de school te verankeren. De bisschoppen willen regelmatig met de schoolbesturen
in overleg treden om gezamenlijk na te gaan in hoeverre katholieke identiteit
daadwerkelijk gestalte heeft gekregen. De erkenning van scholen als 'katholiek'
blijft overigens gedelegeerd aan de Nederlandse Katholieke School Raad, de
NKSR.
Voor de oprichting van samenwerkingsscholen, opgevat als scholen waarin
openbaar en bijzonder onderwijs samenwerken, zien de Nederlandse bisschoppen
geen ruimte. Op dergelijke scholen, zo stellen zij in de nota, is het namelijk
"een vrijwel onmogelijke opgave om de eigen identiteit te bezielen en zelfbewust
tot uiting te brengen". De bisschoppen vragen zich bovendien af, of de samenwerkingsschool
wel recht doet aan de intentie van de Nederlandse Grondwet, waarin (in artikel
23) een duaal stelsel wordt veiliggesteld.
Om de dialoog over de identiteit van katholieke scholen ook op internet
gestalte te geven werd tijdens de presentatie van de nota de site http://www.katholiekonderwijs.nl/
gelanceerd. Het hart van deze site vormt een forum dat open staat voor iedereen.
Om de discussie te vergemakkelijken wordt in de site bovendien onder meer
de integrale tekst van de onderwijsnota aangeboden.
Bezield en zelfbewust . Beleidsnota met het oog
op een nieuwe dynamiek en een gedeelde visie in het katholiek onderwijs
Ten geleide
De onderwijsnota Bezield en zelfbewust van de Nederlandse Bisschoppenconferentie
is een uitgave in de reeks Kerkelijke documentatie. Deze nota heeft een wat
andere opmaak dan het doorsnee nummer uit deze reeks. Behalve naar de abonnees
gaat de nota ook naar de doelgroep waarvoor dit document is bestemd: degenen
die verantwoordelijkheid dragen voor en in het katholiek onderwijs. Het moet
dus ook buiten Kerkelijke documentatie op eigen benen kunnen staan.
Gelijktijdig met het verschijnen van deze nota is ook de website www.katholiekonderwijs.nl
van start gegaan. Op deze nieuwe website, onderdeel van www.katholieknederland.nl,
kunnen mensen met elkaar in dialoog gaan over (de toekomst van) het katholiek
onderwijs in Nederland. Op deze site zijn ook verwijzingen, meer documentatie,
praktijkvoorbeelden en hulpmiddelen te vinden.
De foto's die in deze onderwijsnota staan, maken deel uit van een tweetal
tentoonstellingen. Deze reizende exposities, bedoeld voor scholen, hebben
als motto ‘Oog hebben voor’. Bij de diverse bisdommen is informatie te verkrijgen
over deze tentoonstellingen, die bij gelegenheid van de onderwijsnota zijn
ontwikkeld. Eén is bestemd voor het basisonderwijs, de ander voor het
middelbare onderwijs. Beide exposities willen tot uitdrukking brengen waar
het katholiek onderwijs in de contacten tussen mensen tot stand komt: in
de overdracht van waarden gaat het daarbij altijd om de gehele menselijke
persoon, die onderdeel uitmaakt van de gemeenschap. In hoofdstuk 3 van deze
onderwijsnota worden deze waarden, die de kern van het katholiek onderwijs
vormen, verder uitgewerkt.
AFDELING PERS & COMMUNICATIE SECRETARIAAT RKK
Nederlandse Bisschoppenconferentie . Bezield en zelfbewust . Beleidsnota
met het oog op een nieuwe dynamiek en een gedeelde visie in het katholiek onderwijs
Over het algemeen kan men zeggen dat ouders en leerlingen op katholieke
scholen een open cultuur aantreffen waarin iedere leerling telt, waarin men
omziet naar elkaar en bereid is voor de zwakkeren iets extra’s te doen, waarin
ruimte is voor vergeving, waarin spiritualiteit, gemeenschapszin en het zoeken
naar cohesie voelbaar zijn. Hoop wint het van doemdenken, zingeving van cynisme,
saamhorigheid van concurrentie.1
I. Inleiding
1. De aanleiding tot deze nota
In 1996 publiceerden wij als Nederlandse bisschoppen de brief Katholiek
onderwijs en de komende tijd.2 In die brief riepen wij op tot bezinning op
de toekomst van het katholiek onderwijs in Nederland. Die bezinning kreeg
de vorm van een consultatie, georganiseerd door de Nederlandse Katholieke
Schoolraad en het College van Bisschoppelijk Gedelegeerden voor het katholiek
onderwijs. Zij stelden daartoe de Consultatiecommissie ‘Katholiek onderwijs
2000plus’ in. De bevindingen van deze commissie zijn neergelegd in het rapport
Is het katholiek onderwijs millennium-bestendig?3 Het is op 30 januari 1999
gepresenteerd en onder meer door kardinaal Simonis als voorzitter van de
Bisschoppenconferentie in ontvangst genomen. In Katholiek onderwijs en de
komende tijd spraken wij de hoop uit de consultatie te kunnen afsluiten met
een richtingwijzende visie op het katholiek onderwijs. Ons oogmerk daarbij
was dat dit onderwijs met nieuw elan het derde millennium zou ingaan.4
Als bisschoppen hebben wij een eigen taak en verantwoordelijkheid ten aanzien
van het katholiek onderwijs. Ze betreffen de erkenning van scholen als katholieke
scholen,5 het godsdienstonderwijs en de katholieke godsdienstige opvoeding aan
katholieke scholen.6 Deze verantwoordelijkheid brengt met zich mee dat onze aandacht
met name gericht is op de katholieke identiteit van de scholen, op de inhoud van
het godsdienstonderwijs en op het schoolpastoraat. Deze verantwoordelijkheid heeft
invloed op onze waarneming van het katholiek onderwijs en de opgaven waarvoor
het staat en kleurt onze reactie op de consultatie.
Het katholiek onderwijs, zo blijkt uit de consultatie, staat ambivalent ten opzichte
van de kerkelijke overheid. Scholen staan open voor contact met ons als bisschoppen.
Met name persoonlijke contacten worden op prijs gesteld. Het katholiek onderwijs
spreekt een voorkeur uit voor een brief van onze kant met inspirerende kaders.
Het verwacht een visie op de toekomst, waarin rekening gehouden wordt met de huidige
ontwikkelingen in de samenleving en in het onderwijs. Maar er leeft ook twijfel
over de zinvolheid van een nieuwe bisschoppelijke brief, twijfel die vooral is
ingegeven door vrees voor “een nieuw keurslijf”.7 Deze signalen wijzen
erop dat onderling contact en vertrouwen versterkt mogen worden.
Dit schrijven bevat onze reactie op de consultatie. Het ontvouwt een visie en
een plan. In deze beleidsnota worden beide gepresenteerd.
2. Het doel van deze nota
Een heldere visie is van levensbelang voor het bijzonder onderwijs.8 Wij
onderstrepen dit als het gaat om het katholiek onderwijs. Het staat onder
druk van de snelle ontwikkelingen in de Nederlandse samenleving, het onderwijs
en de Kerk. De ontwikkeling van een heldere visie op katholiek onderwijs en
een daarop stoelend beleid is daarom ook een urgente zaak.
In ons land is vrijheid van onderwijs uitgangspunt van
de inrichting van het onderwijsstelsel. Die vrijheid is steeds ervaren als
iets goeds en iets kostbaars. Vrijheid doet een beroep op onze verantwoordelijkheid.
Al degenen die bij het onderwijs betrokkenen zijn, staan voor de opdracht
om vorm te geven aan de vrijheid van onderwijs met het oog op de toekomst.
De vele en ingrijpende veranderingen in de Nederlandse samenleving vragen
van het onderwijs voortdurend dat het zich aanpast. Tegelijkertijd staat het
onderwijs voor de opdracht aan zijn primaire taak trouw te blijven: kennis
aan leerlingen ontsluiten, vaardigheden overdragen en introduceren in de tijd,
dat alles steeds vanuit een waardeperspectief. Beide vereisten – veranderen
en continueren – vragen om een visie op onderwijs en om goede onderlinge dynamiek
tussen de betrokkenen.
Het katholiek onderwijs staat derhalve voor de dringende
vraag hoe het in de huidige omstandigheden zijn verantwoordelijkheid voor
de vrijheid van onderwijs invult en waarmaakt. In welke richting gaat het
zich ontwikkelen? Waarin onderscheidt het zich? Hoe krijgt en bewaart het
bezieling en vitaliteit? Wat is er nodig om voldoende draagkracht te garanderen?
Wat betekent dit alles voor de verhouding tussen het katholiek onderwijs en
de Rooms-Katholieke Kerk? In deze nota gaan wij op deze vragen in.
Wij willen als bisschoppen onder woorden brengen in welke
richting wij het katholiek onderwijs en de katholieke school willen stimuleren.
In twee woorden samengevat gaat het ons om een ontwikkeling naar een bezield
en zelfbewust katholiek onderwijs. In het onderwijs hebben wij te maken met
vele partners. Wij willen waar mogelijk in goede samenwerking aansluiting
zoeken bij hun oriëntaties en initiatieven. Met een helder, stimulerend
en eigentijds beleid hopen wij bij te dragen aan de vitaliteit en de toekomst
van het katholiek onderwijs. Bovendien hopen wij op deze wijze het algemeen
belang van het bijzonder onderwijs te onderstrepen. Het is duidelijk dat contacten
tussen het katholiek onderwijs en de rooms-katholieke geloofsgemeenschap zich
afspelen binnen een kader. Waar nodig heeft het bestaande kader in deze brief
onze kritische aandacht.
Tegelijk met deze nota bieden wij een brief aan die bestemd
is voor allen die onderwijs verzorgen aan katholieke of interconfessionele
scholen of, als katholieke partner, in een samenwerkingsschool.
Onze intentie sluit aan bij een recente aansporing van de Vaticaanse Congregatie
voor de Katholieke Opvoeding en Vorming. In De katholieke school op de drempel
van het derde millennium merkt deze Congregatie op dat de katholieke school
in het licht van de sociaal-politieke en culturele ontwikkelingen van onze
tijd en in het licht van een verbreed takenpakket wordt uitgedaagd tot een
moedige vernieuwing. “De kostbare erfenis van een eeuwenlange ervaring laat
haar vitaliteit zien juist in de capaciteit tot verstandige vernieuwing. Daarom
moet de katholieke school thans, net als in het verleden, op een daadkrachtige
en overtuigende wijze voor zichzelf spreken.” Dat is volgens de Congregatie
niet louter een kwestie van aanpassen, maar van vertrouwen in de fundamentele
opdracht “om naar mannen en vrouwen te gaan daar waar zij zijn, opdat zij
de gave van het heil mogen ontvangen”.9
3. Voor wie is deze nota bestemd?
Met deze nota richten wij ons ten eerste tot degenen die verantwoordelijkheid
dragen voor en in het katholiek onderwijs, te weten:
1. de besturen of bestuurscommissies en de leiding van
katholieke scholen en van scholen waarin een katholieke school als samenwerkende
partner betrokken is (interconfessionele scholen, samenwerkingsscholen);
2. de besturen van de diverse organisaties van belanghebbenden
in het katholiek onderwijs, zoals organisaties van schoolbesturen, van schoolleiders,
van onderwijzend en overig personeel, van ouders, van leerlingen en van dienstverlenende
instellingen, en van de verbanden waarin deze organisaties elkaar treffen,
zoals de Nederlandse Katholieke Schoolraad;
3. degenen die een specifieke functie in het katholiek
onderwijs vervullen of verantwoordelijkheid dragen voor zijn identiteit, zoals
identiteitsbegeleiders, docenten Godsdienst/ Levensbeschouwing, portefeuillehouders
identiteit in schoolbesturen, leden van identiteitscommissies of pastorale
werkgroepen en dergelijke.
Met deze nota richten wij ons vervolgens ook uitdrukkelijk tot degenen die
verantwoordelijkheid dragen in het pastoraat en de opbouw van de geloofsgemeenschappen
ter plaatse (parochies, dekenaten). Wij vinden het namelijk belangrijk dat
er ook plaatselijk – en niet alleen diocesaan en landelijk – contact is tussen
concrete geloofsgemeenschappen en het katholiek onderwijs.
Verder nodigen wij allen uit die zich betrokken weten
bij het onderwijs, bij het katholiek onderwijs in het bijzonder, – onder hen
ook ouders – om van deze nota kennis te nemen.
4. De opzet van deze nota
Deze nota begint met een schets van de voornaamste vragen waarvoor naar
ons inzicht het katholiek onderwijs staat. Vervolgens schetsen wij enkele
fundamentele uitgangspunten van katholiek onderwijs. In een derde hoofdstuk
formuleren wij onze voornaamste beleidsdoelen voor de komende jaren. In een
eerste bijlage staat de agenda met de activiteiten die wij ons voorgenomen
hebben voor de komende vijf jaar. In een tweede bijlage geven wij kort het
vigerend beleid weer van enkele instanties binnen het katholiek onderwijs.
Soms bevat de tekst inspringende gedeelten: deze geven
een toelichting op bepaalde onderdelen. Binnen een kader geplaatste tekst
bevat uitgangspunten of richtlijnen voor de praktijk op belangrijke onderdelen.
II. Voor welke vragen weten wij ons gesteld?
Wij dienen ons te realiseren in welke situatie het katholiek onderwijs zich
thans bevindt. Globaal wordt die situatie in sterke mate bepaald door de ontwikkeling
van de Nederlandse samenleving, het onderwijs, de wijze waarop rooms-katholieken
in de Kerk staan, en de verhouding van het katholiek onderwijs tot de leiding
van de Kerk. Wat is er gaande op deze gebieden en voor welke vragen stelt
dat ons?
1. De katholieke school bevindt zich in een seculariserende,
individualiserende en multiculturele samenleving waarin het christendom een
minderheid is.
Genoemde feiten spreken voor zich. De Nederlandse samenleving staat al enkele
decennia onder invloed van een krachtig proces van secularisatie. In Nederland
als geheel is het christendom in de positie van een minderheid terechtgekomen.
Een latent christendom bepaalt mede het waarde-aanvoelen in onze cultuur en
samenleving, al is basale kennis van de christelijke traditie steeds minder
vanzelfsprekend. In de samenleving worden mensen als vrije en zelfstandige
individuen benaderd. Zij worden aangesproken op hun vermogen zelf verantwoordelijk
te zijn voor de richting en de inrichting van hun leven. Met name in de grote
steden treft men een grote etnische, culturele, levensbeschouwelijke, ethische
en godsdienstige verscheidenheid onder de bevolking aan. Ten aanzien van ontwikkelingen
op economisch, technisch en cultureel gebied geldt de Noord-Amerikaanse cultuur
veelal als een voorbeeld.
Katholieke scholen staan in deze seculariserende, individualiserende en
multiculturele context. Hun opgave om katholieke school te zijn – wij begrijpen
dit maar al te goed – is bepaald niet eenvoudig.
De integratie van de diverse bevolkingsgroepen in de Nederlandse samenleving
is belangrijk. Als bisschoppen willen wij eraan bijdragen dat autochtone Nederlanders
en nieuwkomers zo goed mogelijk samenleven. De kwaliteit van de ontmoeting
met elkaar is immers een “toetssteen van onze menselijkheid”.10 Het onderwijs
speelt een belangrijke rol in een multiculturele samenleving. Katholiek onderwijs
is een aanbod aan alle leerlingen, ongeacht hun achtergrond. Het wil bijdragen
aan onderling begrip, aan ontmoeting en sociale samenhang. De katholieke
school is, vooral in grote steden, een multiculturele samenleving in het
klein. In dit verband staan katholieke scholen voor de vraag
– hoe en of zij bij zulke divers samengestelde schoolpopulaties
in een volwaardige zin van het woord katholieke scholen kunnen zijn en blijven,
– hoe zij concreet recht kunnen doen aan leerlingen met
een andere levensbeschouwelijke of godsdienstige achtergrond,
– en hoe zij botsingen met andere waarden, normen en godsdiensten
kunnen voorkomen en hoe zij met zulke botsingen moeten omgaan, wanneer zij
zich voordoen.
Het onderwijs draagt er toe bij dat mensen zich zelfstandig en vrij in de
samenleving leren bewegen. ‘Vrijheid’ en ‘zelfstandigheid’ geven in belangrijke
mate oriëntatie aan de doelen waarop onderwijs zich thans richt. Scholen
hebben ook met de keerzijde van de individualisering te maken. Zij merken
de invloed van de fragmentatie in de samenleving, van gebroken gezinssituaties,
nieuwe maatschappelijke tweedelingen en de drukke agenda’s van hun ouders
op leerlingen. Dat brengt nieuwe aandachtspunten met zich mee. Katholiek onderwijs
hecht aan vorming van de hele mens tot persoon. Het staat voor de opdracht
een goede balans te vinden tussen waarden waarin de ontplooiing van de persoon
centraal staat (vrijheid, zelfstandigheid) en waarden waarin de ander en
de gemeenschap centraal staan (zorg, veiligheid, solidariteit, samenwerking,
gemeenschapszin).11
In de periode van de emancipatie van de katholieken als
groep in de Nederlandse samenleving was het katholiek onderwijs als zuil gestructureerd.
Die structuur staat onder druk. Deels is dat een gevolg van de differentiatie
in het onderwijsaanbod en van de taak van de overheid om in het licht van
de grondwettelijke vrijheid van onderwijs vraag en aanbod op elkaar af te
stemmen. Deels is dat ook een gevolg van een tweede periode van emancipatie
van katholieken, nu sterker gericht op de identiteit van concrete personen.
Het katholiek onderwijs staat voor de uitdaging bezield en zelfbewust een
aanbod te doen als dienst aan de ontwikkeling van jonge mensen en van de
samenleving. De nieuwe verhoudingen vragen een passend antwoord. Daarmee
staat het katholiek onderwijs voor de vraag
– hoe het moet omgaan met het verhoudingsgewijze grote
bestand aan katholieke scholen12 en met de vraag van scholen en schoolbesturen,
vooral in het voortgezet onderwijs, of zij zich als een katholieke school
moeten blijven profileren,
– hoe het zich moet opstellen ten opzichte van plannen
van de overheid om ouders meer invloed te geven op de vaststelling van de
grondslag van een school,
– en hoe het zich moet opstellen ten opzichte van samenwerkingsscholen
van openbaar en bijzonder onderwijs, voorzover katholieke scholen daarin betrokken
zijn.
2. Veranderingen in het onderwijs en op communicatief
gebied
In onze vorige brief hebben wij reeds gewezen op de veranderingen in het
Nederlands onderwijs.13 Zij hebben vooral betrekking op de bestuurlijke aansturing
van hetK onderwijs (bestuurlijke schaalvergroting en samenwerking, invoering
lumpsum financiering, deregulering en autonomievergroting, grotere invloed
lokale overheden, sterkere oriëntatie op de werking van de markt) en
op vernieuwing van de onderwijsvormen (basisvorming, tweede fase HAVO en VWO,
herstructurering VMBO). In de samenleving doen zich nieuwe pedagogische en
educatieve uitdagingen voor. Ze leiden tot allianties van scholen met hulpverleningsinstanties
en politie, educatie van ouders, grotere aandacht voor waarden en normen
en de nieuwe mogelijkheden op het terrein van informatie en communicatie.
Vooral de nieuwe mogelijkheden op het terrein van informatie
en communicatie hebben grote invloed in het onderwijs. Allerlei grenzen, wereldwijd,
zijn verlegd. Jonge mensen maken zich vaardigheden op dit gebied snel eigen.
Velen stemmen hun beroepsperspectieven af op de ICT-sector. Het onderwijs
heeft nieuwe taken gekregen. Het bouwt mee aan nieuwe communicatieve infrastructuren
in de samenleving. De omwenteling op informatietechnologisch en communicatief
gebied leidt tot een nieuwe cultuur.
Er vestigen zich nieuwe patronen in het onderhouden van
contacten, het vergaren en uitwisselen van informatie, de beïnvloeding
van standpunten, het leren, het geven van leiding, de publieke meningsvorming,
enzovoorts. Netwerken en knooppunten staan model voor nieuwe sociale verbanden.
Minder dan voorheen lijken mensen te zijn aangewezen op zichtbaar samenkomen
op een zelfde plaats.
Ook leren heeft een andere betekenis gekregen. Het leren
van de leerling staat centraal. Kinderen worden uitgenodigd actief en participatief
om te gaan met de werkelijkheid. Zij leren verbanden te leggen met de bagage
die zij reeds verworven hebben, deze te verfijnen, uit te bouwen en te herschikken.
Zij leren leren. Zij maken zich leerstof eigen vanuit de structuur van concrete
opgaven en problemen. Organisatie van kennis en vaardigheden (van zoeken tot
loslaten) met het oog op bepaalde vragen krijgt meer nadruk dan verwerving,
reproductie en behoud van bepaalde kennis en vaardigheden, al behouden meer
traditionele vormen van leren hun waarde. De taak van de docent verandert
van instructie naar begeleiding, al blijft een docent wél docent en
blijft de ontmoeting van docent en leerling een unieke mogelijkheid tot leren.
Deze ontwikkelingen brengen nieuwe kansen en uitdagingen
met zich mee voor het katholiek onderwijs.
– De ontwikkelingen in de aansturing van het onderwijs
stellen de katholieke school voor de uitdaging om
– te koersen op de eigen missie
– en bij alle veranderingen een menselijke
maat in acht te nemen, personeelsleden gemotiveerd te houden en het karakter
van een school als pedagogische en educatieve gemeenschap te bewaren.
– De ontwikkelingen op informatietechnologisch en communicatief
terrein wekken
– de pedagogische vraag naar een verbinding
van communicatieve en technische vaardigheden met bezinnende vormen van leren14
– de ethische vraag naar een menswaardig
gebruik van de nieuwe media,
– en de vraag naar de kansen die de
nieuwe media bieden op het terrein van de morele, spirituele en godsdienstig-levensbeschouwelijke
communicatie.
– Het ‘nieuwe leren’ stelt voor de uitdaging
– telkens opnieuw de vraag te stellen
naar de waardebepaling van leerervaringen,
– dit ‘nieuwe leren’ ook op moreel,
godsdienstig en levensbeschouwelijk terrein te realiseren
– en in de rol van docenten ruimte
te houden voor de communicatie van gewone levenswijsheid.
3. Katholieken en hun band met geloof en Kerk
De katholieke geloofsgemeenschap bevindt zich sinds het Tweede Vaticaans
Concilie (1962-1965) in een intens proces van vernieuwing.
Een van de vitale kernen van die vernieuwing is de herontdekking van het
gemeenschapskarakter van de Kerk. God zelf, zo gelooft zij, nodigt uit tot
gemeenschap met Hem. Zijn uitnodiging betreft alle mensen. In Christus reikt
God gemeenschap aan. De Kerk verstaat zichzelf als teken en instrument van
die gemeenschap. Zij weet zich bezield door de kracht van de Geest en geroepen
tot getuigen van het Evangelie in woord en daad. De Eucharistie op zondag
is het hart van haar samenkomen en de bron van haar leven. Daar viert zij
gemeenschap met God en onderling, een wereldwijde verbondenheid onder leiding
van het college van bisschoppen onder leiding van de paus. Daar ontvangt zij
oriëntatie en kracht voor haar missie.
Een vernieuwingsproces kent eigen spanningen. Niet iedereen zal het dan
ook als ‘vernieuwing’ ervaren. De Nederlandse katholieken staan op eigen
wijze in dit proces. Een foto zou een uitermate bont gezelschap te zien geven.
De bontheid wijst op een grote variëteit aan kerkelijk en gelovig meeleven.
Diverse houdingen komen tegelijkertijd voor. Men bemerkt zowel trouwe deelname
aan het kerkelijk en sacramenteel leven als meeleven van afstand. Naast inzet
voor activiteiten in kerkelijk verband, verlegenheid om geloof tot uiting
te brengen. Naast overtuigd onderschrijven van heel de kerkelijke leer, voorkeur
voor bepaalde aspecten. Dit alles wijst op een ingrijpende overgang. Vroeger
bevorderde het lidmaatschap van het katholieke volksdeel een engagement met
de katholieke gemeenschap. De ervaring leert dat engagement thans vooral op
persoonlijke keuzen steunt. Een keuze die – in telkens wisselende omstandigheden
– steeds weer gemaakt of bevestigd moet worden. De katholieke school is niet
meer, zoals vroeger, een vanzelfsprekende uiting van katholiek leven. Dit
alles is een gegeven. Als bisschoppen kunnen en willen wij onze ogen er niet
voor sluiten.
Een katholieke school heeft met leerlingen, ouders, docenten,
schoolleiders en schoolbestuurders te maken. Als zij een katholieke achtergrond
hebben, treft zij bij hen in een of andere variant een band met geloof en
Kerk aan.
Ouders zijn allereerst de ‘weg-bereiders’ naar de school.
Oermenselijke houdingen van liefde, verantwoordelijkheid en instaan voor elkaar
worden gewekt bij de geboorte van een kind. Zij liggen aan de basis van de
opvoeding en de relatie tussen ouders en kinderen. In de eerste levensjaren
zijn ouders de primaire opvoeders. Bij het vervullen van hun taak kan de christelijke
boodschap een kostbare bron van inspiratie zijn. In het verlengde hiervan
kiest een gedeelte van hen een katholieke school voor hun kinderen. Daarbij
spelen veelsoortige motieven een rol. Sommige ouders opteren voor een welbepaalde
visie op de mens, de wereld en de maatschappij, gevoed door het katholieke
geloof. Anderen gaan af op de faam of de bereikbaarheid van een school, het
onderwijskundig en pedagogisch klimaat, de omgang met waarden, de aandacht
voor religiositeit, of de wijze waarop zij als ouders bij de school betrokken
worden. Doorslaggevend is de levensstijl die zij op een school aantreffen
en de mate waarin zij zich ermee verwant voelen. Ouders verwachten ook iets
van een katholieke school en zijn gevoelig voor de identiteitsaspecten van
het schoolleven. Een katholieke school mag zich van hen duidelijk presenteren.
Sommige ouders geven te kennen op identiteitsgebied meer te verwachten dan
wat op een school gangbaar is of haalbaar geacht wordt. Dat geldt vooral voor
het primair onderwijs. Andere ouders zijn tevreden met de profilering.15 Hoe
dan ook, een open samenspel tussen ouders en de volwassenen in de school wordt
op prijs gesteld.16 In hun dienst en verantwoordelijkheid ten aanzien van
het kind zijn zij partners van elkaar. Zij kunnen en mogen elkaar aanvullen,
ondersteunen, inspireren en bemoedigen in deze taak, ook al heeft ieder een
eigen onvervreemdbare verantwoordelijkheid en zijn de mogelijkheden tot beïnvloeding
van elkaars terrein beperkt. In elk geval is het belangrijk dat ouders en
scholen van elkaar weten en elkaar respecteren.
Ook onder docenten, schoolleiders en bestuurders van
katholieke scholen – onder wie zich katholieken en niet-katholieken bevinden
– is een grote verscheidenheid te vinden naar overtuiging en engagement.
Zij zullen minstens formeel de grondslag van de katholieke school respecteren.
Onder hen blijkt ook steeds weer bereidheid te vinden tot extra inzet voor
zaken op identiteitsgebied.
Globaal mag men zeggen dat de oudere generatie onder
de katholieke docenten en schoolleiders in godsdienstig en religieus opzicht
voor een andere levensopgave staat dan de jongere generatie. De oudere generatie
is zelf nog opgegroeid in een volop katholiek milieu, terwijl het startpunt
van de jongere generatie veelal door secularisatie en individualisering gekleurd
is. Terwijl de oudere generatie eerder voor een opdracht stond tot persoonlijke
toe-eigening en emancipatie op geloofsgebied, vaak tot uiting gebracht in
een vraag om ruimte en aanpassing in de aangereikte traditie, staat de jongere
generatie eerder voor een opdracht om helder te krijgen hoe zij staat ten
opzichte van de vraag naar God, de traditie en het leven en spreken van de
Kerk.
Onder degenen die men mag rekenen tot de nieuwere generatie
docenten, doet zich ook een nieuwe openheid voor levensbeschouwelijke en godsdienstige
onderwerpen voor. Sommigen van hen hebben een oprechte belangstelling voor
het ‘geloof’. Tegelijkertijd is de kennis ervan in deze generatie over het
algemeen gering, maar kent zij niet de ‘last’ van een verleden dat door ervaringen
met de Kerk getekend is. Zij daagt de Kerk uit op verstaanbare wijze haar
geloof tot uitdrukking te brengen. Wij slagen er lang niet altijd in de goede
toon en de goede woorden te vinden.
In feite hebben katholieke scholen met een groeiende
groep niet-katholieken te maken. Zij treffen een brede waaier van gevoeligheden
aan die concreet bepalen welke mogelijkheden zij als katholieke school hebben
tot vormgeving van hun identiteit.
– Scholen staan voor de vraag:
– hoe samen, in alle verscheidenheid,
te zoeken naar en vorm te geven aan een collectieve identiteit;
– hoe voldoende actief draagvlak voor
de katholieke signatuur in de scholen aanwezig blijft17
– en hoe de religieus-levensbeschouwelijke
communicatie tussen alle betrokkenen in de school bevorderd kan worden.18
– Als bisschoppen staan wij voor de vraag hoe wij op een
bezielende en geloofwaardige wijze bij het katholiek onderwijs betrokken kunnen
zijn.19
4. De verhouding van het katholiek onderwijs tot de leiding
van de Kerk
Sinds 1966 hebben de Nederlandse bisschoppen de verantwoordelijkheid voor
het katholiek onderwijs voor een aanzienlijk deel in handen gelegd van leken.20
Dezen hebben die verantwoordelijkheid bewust aanvaard, tot op de huidige dag.
Er groeide echter ook afstand tussen school en kerkelijke leiding. Een afstand
die soms de kleur had van onderlinge vervreemding en achterdocht. Zo leeft
in het onderwijs vrees voor een nieuwe en ongewenste kerkelijke bemoeienis.
Zo is bij de kerkelijke overheid het vertrouwen in de eigen verantwoordelijkheid
van het katholiek onderwijs steeds ook gemengd geweest met zorg om de koers
en de inhoud van de identiteit. Beeldvorming aan beide zijden gaf vaak een
defensief karakter aan de onderlinge verhoudingen. De beelden getuigden vooral
van onbekendheid met elkaar en in gebreke blijvend contact.
De tijd van de personele unie van kerkbestuur en schoolbestuur
is voorbij. Kerk en onderwijs zijn partners. Zij zijn op samenwerking aangewezen.
Ieder heeft een eigen verantwoordelijkheid, deskundigheid en inbreng. Zij
kunnen van elkaar veel profijt hebben bij de behartiging van de belangen van
de katholieke scholen.
In onze tijd vraagt het katholiek onderwijs de bisschoppen
om inspirerend leiderschap. Het vraagt hen bovendien mee te denken over een
christelijke visie op onderwijs en vorming.21 Het erkent de eigen verantwoordelijkheid
van de bisschoppen voor het vak Godsdienst/Levensbeschouwing, het schoolpastoraat
en de katholieke identiteit van de school. Het vraagt hun tegelijkertijd op
een eigentijdse wijze en met respect voor de zelfstandigheid van de school
vorm te geven aan de uitoefening van deze verantwoordelijkheden. Het katholiek
onderwijs vraagt derhalve vooral om kwaliteitsimpulsen die de eigenwaarde
van dit onderwijs ten goede komen.22 Van haar kant verwacht de kerkelijke
leiding dat het katholiek onderwijs in de vervulling van zijn pedagogische
en educatieve taak een bijdrage levert aan de zending van de Kerk in deze
wereld. Zij vraagt om bij te dragen aan de vorming van jonge mensen tot persoon
en hen op het terrein van godsdienst en moraal eerlijk en verantwoord wegwijs
te maken. Zij vraagt speciale aandacht voor de zwakkeren en voor de bevordering
van een vreedzaam samenleven.
Op institutioneel niveau zijn de onderlinge verhoudingen
vastgelegd in het Algemeen Reglement voor het Katholiek Onderwijs (ARKO) van
1987. Dat omschrijft de taken van bisschoppelijk gedelegeerden in hun bisdom
en landelijk, de bevoegdheid en taak van de Nederlandse Katholieke Schoolraad
en van de Commissie van Toezicht en Advies inzake de opleiding van godsdienstleraren.
In het ARKO is onder meer geregeld aan welke voorwaarden onderwijsinstellingen
moeten voldoen om zich een katholieke instelling te mogen noemen. Door een
aantal scholen, met name in het voortgezet onderwijs, wordt het ARKO, vooral
op het punt van de erkenning als katholieke school, als een te star kader
ervaren.
De bisschoppelijk gedelegeerden voor het katholiek onderwijs
verzorgen namens de diocesane bisschoppen de contacten met het veld van het
onderwijs. De gedelegeerden van de zeven bisdommen vormen samen een college
ter landelijke coördinatie van hun werkzaamheden.
Scholen voor primair onderwijs krijgen op identiteitsgebied
begeleiding van theologisch en catechetisch geschoolde identiteitsbegeleiders.
Zij zijn per bisdom of per regio in dienst van een werkgever en benoemd met
een akkoordverklaring, in enkele gevallen een zending, van de diocesane bisschop.
Identiteitsbegeleiders hebben intensief inhoudelijk contact met de bisschoppelijk
gedelegeerden. Zij geven belangrijke impulsen aan de identiteit van scholen,
het godsdienstonderwijs en de samenwerking tussen de school en de plaatselijke
geloofsgemeenschap.
In scholen voor voortgezet onderwijs en voor beroeps-
en volwasseneneducatie stellen docenten Godsdienst/Levensbeschouwing in zekere
zin de Kerk aanwezig. Zij zijn benoemd met een akkoordverklaring van de diocesane
bisschop. Zij ervaren hun werk niet altijd als even gemakkelijk. Het feit
dat zij hun krachten geven aan hun vak en hun leerlingen, getuigt van een
diepere bewogenheid, die zij mogelijk ook als een roeping beleven.
Diverse organisaties in het katholiek onderwijs hebben
in de afgelopen jaren hun inspanningen op het gebied van de signatuur vergroot.
Zij streven bewust naar katholiek onderwijs als een ‘waarde-vol’ onderwijs.
De behoefte aan goed overleg en goede samenwerking met de kerkelijke leiding
is toegenomen. De katholieke school wordt een agendapunt voor plaatselijke
geloofsgemeenschappen.
Er tekent zich in de verhouding tussen de Kerk en het
katholiek onderwijs een nieuwe dynamiek af. Drijfveer in die dynamiek is het
zoeken naar goede onderlinge communicatie, naar een gedeelde visie op de
katholieke school en een synergetisch beleid. Dat vraagt ook om structuren
en processen die dit bevorderen. In dit licht is na te gaan
– hoe de plaats en taak van bisschoppelijk gedelegeerden
voor het katholiek onderwijs, mede in het licht van het streven naar een heldere
adviesstructuur van de Bisschoppenconferentie, in deze nieuwe dynamiek vorm
kan krijgen,
– hoe het contact tussen plaatselijke geloofsgemeenschappen
en katholieke scholen, zeker waar zij van elkaar vervreemd zijn, verbeterd
kan worden.
5. Alles overziende
In het Woord aan de Nederlandse bisschoppen van het bestuur van de Nederlandse
Katholieke Ouderorganisatie staat een rake typering van de veranderde plaats
van het katholiek onderwijs. Het “is gaandeweg gegroeid van een uitgebreid
netwerk van katholieke bijzondere scholen, dat deel uitmaakte van de katholieke
en kerkelijke gemeenschap, naar relatief zelfstandige scholen, die op basis
van de grondslag met wisselend succes pogen om aan hun katholiciteit vorm
en inhoud te geven”.23 De maatschappelijke dynamiek en de diversiteit aan
achtergronden bij leerlingen, ouders en personeel waarmee katholieke scholen
heel concreet te maken hebben, zijn duidelijk. De aansturing, inrichting en
aard van het onderwijs veranderen. Wij realiseren ons wat het katholiek onderwijs
verwacht van de Kerk en haar leiding. Het is overduidelijk dat het katholiek
onderwijs in de huidige omstandigheden moet kunnen rekenen op onze krachtige
steun en inspirerende impulsen. Samen staan alle betrokkenen voor de uitdaging
een stap vooruit te zetten. Een stap in de richting van bezieling en zelfbewustzijn.
In het licht van de actuele ontwikkelingen vraagt deze
stap
– dat wij duidelijk maken wat een school tot een katholieke
school maakt,
– dat wij aangeven hoe wij de aansturing van het katholiek
onderwijs zien op die onderdelen waarvoor de kerkelijke leiding uitdrukkelijk
verantwoordelijkheid heeft,
– en dat wij aangeven welke ondersteuning wij willen stimuleren.
III. Uitgangspunten
In dit hoofdstuk staat de vraag centraal wat een school tot katholieke school
maakt. Waaraan is een katholieke school te herkennen? Aan welke criteria moet
een school voldoen om als katholieke school erkend te worden en te blijven?
Het bijzondere van een katholieke school is niet gelegen in het feit dat in
dit onderwijs jonge mensen persoonlijk, maatschappelijk en beroepsmatig gevormd
worden. Dat gebeurt op alle scholen. Het bijzondere heeft te maken met het
feit dat een katholieke school als educatieve gemeenschap, verbonden met
de rooms-katholieke geloofsgemeenschap, leeft en werkt vanuit waarden die
kenmerkend zijn voor deze gemeenschap.
In het volgende situeren wij het katholiek onderwijs
eerst vanuit een reflectie op het recht van kinderen op onderwijs en op de
aard van onderwijs en vorming. Voor de Kerk heeft dit onderwijs een band
met haar zendingsopdracht. Dat brengt ons vervolgens bij de omgang met een
waardeschaal die voor katholiek onderwijs kenmerkend is. Voorop staat de
vraag om welke waarden het gaat. De omgang ermee vindt plaats in diverse
schoolsoorten en in zeer diverse situaties. Speciale profilering vindt plaats
op het gebied van de gemeenschapsvorming, het vieren, het leren en het dienen.
Tenslotte gaan wij in op de invulling van onze verantwoordelijkheid en taak
als bisschoppen ten aanzien van het katholiek onderwijs.
1. Een recht van het kind
Volgens het Verdrag over de rechten van het kind (1989) van de Verenigde
Naties is onderwijs een recht van het kind.24 Het verdrag roept de staten
op de verwezenlijking van dit recht te bevorderen en elk kind gelijke kansen
te geven. De staten zijn het erover eens dat onderwijs betrekking heeft op
de volle ontwikkeling van de persoonlijkheid, talenten en geestelijke en lichamelijke
capaciteiten van het kind.25 Het verdrag onderstreept dat het kind respect
leert voor de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, voor zijn of haar
ouders, culturele identiteit, taal en waarden, voor de waarden van het land
waarin het leeft en – mocht dit het geval zijn – van het land waaruit het
afkomstig is, en voor de natuur. Het individu is echter niet het eindpunt
van het onderwijs. Het gaat erom dat jonge mensen verantwoord leren leven
in een vrije samenleving, in een geest van begrip, vrede, verdraagzaamheid,
gelijkheid van geslachten en vriendschap tussen alle volken en etnische en
religieuze groepen. Daarbij dient de vrijheid te worden gewaarborgd van individuen
en gemeenschappen om onderwijsinstellingen op te richten en te leiden, overeenkomstig
de minimum vereisten van de staat.
Het kind staat centraal in het onderwijs. Dat is belangrijk.
Onderwijs begint niet met een recht van ouders, van scholen, van de staat
of van kerken. Kinderen en jonge mensen zijn de rechthebbenden. Ouders, scholen,
staat of Kerk: zij bewijzen een dienst aan kinderen en jonge mensen. Onderwijs,
met andere woorden, is een dienst. Een dienst uiteindelijk aan de diepste
vraag die al vanaf jonge leeftijd in ieder mens leeft, namelijk om volledig
mens te mogen worden.26
De Rooms-Katholieke Kerk herkent zich in deze benadering
van het onderwijs. In de Verklaring over de christelijke opvoeding (1965)
noemt het Tweede Vaticaans Concilie het recht op opvoeding een onvervreemdbaar
recht van alle mensen.27 Dit recht is het eerste grondbeginsel dat het concilie
vermeldt in verband met de christelijke opvoeding. Het Latijnse woord educatio,
hier vertaald als ‘opvoeding’, wijst in dit verband op het geheel van onderwijs
en vorming. Dit recht is gebaseerd op de menselijke persoon. Ras, stand, sekse
en dergelijke geven iemand niet meer of minder recht op onderwijs en vorming.28
Educatie moet in overeenstemming zijn met de eigen aard, het doel en het
geslacht van de persoon. Onderwijs en vorming moeten aangepast zijn aan de
cultuur en de traditie waarin men leeft. Ook het concilie beschouwt het individu
echter niet als het eindpunt van onderwijs en vorming. Uiteindelijk richtpunt
is de “openheid voor de broederlijke gemeenschap met de andere volkeren tot
begunstiging van de ware eenheid en vrede op aarde”.
Dit uitgangspunt bij het kind vinden wij ook bevestigd in de gedachte van
paus Johannes Paulus II dat de mens “de eerste en belangrijkste weg van de
Kerk” is. Hij doelt daarmee op het concrete leven van elke mens. Elke mens
is een onherhaalbare werkelijkheid, bijzonder “in zijn wederwaardigheden en
vooral in zijn zielsgeschiedenis”. “Overeenkomstig zijn geestelijke ontvankelijkheid
en ook de vele en verschillende lichamelijke en tijdelijke behoeften schrijft
de mens deze persoonlijke geschiedenis via talloze bindingen, contacten, situaties
en sociale structuren die hem verbinden met andere mensen; en dit doet hij
vanaf het eerste ogenblik van zijn aardse bestaan, vanaf zijn ontvangenis
en geboorte.” Bij het vervullen van haar taak moet de Kerk, aldus de paus,
deze concrete mens voor ogen hebben. Hij is de eerste weg die zij moet begaan,
een weg die Christus zelf gewezen heeft door mens te worden.29
2. Onderwijs en vorming
Onderwijs en vorming zijn dus gericht op de ontwikkeling van de persoonlijkheid
en de capaciteiten van kinderen, jonge mensen en volwassenen. In deze beleidsnota
beperken wij ons tot onderwijs en vorming aan kinderen en jonge mensen. Een
rapport van de Unesco spreekt over hun persoonlijkheid en talenten als een
schat die binnen in hen zit.30 Zoals het woord zegt lokt educatie die schat
naar buiten.31 Maar een ontplooide persoonlijkheid en ontwikkelde capaciteiten
zijn zelf geen eindpunt. Ze staan op hun beurt ten dienste van het grotere
geheel van de samenleving en van de mensheid, op kleine schaal en grote schaal.
Niet zomaar een samenleving, maar een goede en vreedzame samenleving. Niet
voor niets krijgen waarden als begrip, respect, verdraagzaamheid en vriendschap
in allerlei beschouwingen over onderwijs zoveel nadruk. Daarom waaieren onderwijs
en vorming ook zo breed uit. Met de woorden van genoemd Unesco-rapport: het
is leren kennen, leren handelen, leren samenleven en leren zijn.
De geloofstraditie leert ons dat twee relaties fundamenteel
zijn voor onze menswording: de liefde tot God en de liefde tot de naaste.32
In de dialoog met God en de ontmoeting met anderen wordt een individu tot
persoon. Voor gelovigen staat de ontwikkeling van de persoonlijkheid en van
talenten in het perspectief van het Koninkrijk van God: een samenleven van
allen en alles in vrede en gerechtigheid, reikend tot over de grens van de
dood, in het licht van Hem die ons naar Zijn beeld gemaakt heeft en ons zoekt
te ontmoeten en bijeen te brengen.
Onderwijs is dan ook niet louter een verwerven of opeenstapelen
van kennis of vaardigheden in jonge mensen. Het is geen kwestie van louter
wat en hoe, maar ook van waarom. Jonge mensen moeten leren wanneer, waarvoor
en waarom zij bepaalde kennis en bepaalde vaardigheden nodig hebben. Onderwijs
en vorming leren hen te onderscheiden waar, wanneer en waarom kennis en vaardigheden
voor hen van belang en van waarde zijn. Onderwijs introduceert op deze wijze
in de tijd. Het brengt in contact met een horizont van vragen en waarden die
aan kennis en vaardigheden betekenis verleent. Onderwijs leert tevens hoe
wij die kennis en vaardigheden kunnen verwerven en wat de grenzen ervan zijn.
Als het uitsluitend oog zou hebben voor de cognitieve of voor de technische
en praktische aspecten van het leren, zou het zichzelf tekort doen.
Onderwijs wortelt daarom concreet in het samenspel van
twee factoren: enerzijds concrete levensomstandigheden, anderzijds een overtuiging
over wat waardevol is.33
Daarom is neutraal onderwijs geen waardevrij onderwijs. “Het claimen van
neutraliteit voor scholen betekent in de praktijk meestal een verbanning van
elke verwijzing naar godsdienst uit het culturele en opvoedkundige veld.”
Maar goede pedagogie vraagt nu juist openheid voor datgene waarom het in het
leven uiteindelijk gaat. Zij let niet alleen op het ‘hoe’, maar ook op het
‘waarom’. Zo krijgt het opvoedkundig proces een eenheid “die het behoedt voor
verbrokkeling in losse feitenkennis en weetjes” en de menselijke persoon richt
“op zijn of haar integrale, transcendente, historische identiteit”.34
In het onderwijs komen concrete leefomstandigheden en overtuiging bij elkaar.
Met ‘overtuiging over wat waardevol is’ is allereerst op een visie op leven
en samenleven bedoeld. In die visie wordt ons aangereikt wat leven inhoudt,
het zinvol maakt en waarde verleent. Een overtuiging bundelt ervaring van
vele generaties. Zij voedt zich, kritisch en creatief, aan bronnen uit het
verleden. Een overtuiging vraagt om een waardegemeenschap, een groep die voor
bepaalde waarden wil instaan. Een overtuiging staat bovendien in een traditie.
Traditie is waardegemeenschap door de tijd heen. Juist omdat de omgang met
bepaalde waarden het bindende element van een waardegemeenschap is, heeft
zo’n gemeenschap ook een pedagogische en vormende opdracht. Het waardeperspectief
geeft aan bijzonder onderwijs een eigen betekenis en rechtvaardigt zijn bijzonderheid.
Deze waardegeoriënteerde pedagogische opdracht krijgt
vorm door jonge mensen gelegenheden te bieden om zich de waarden eigen te
maken. Die taak komt op de eerste plaats de ouders toe. Scholen leveren daaraan
een eigen bijdrage. Beide weten intussen maar al te goed dat in het pedagogisch
klimaat, waarin jonge mensen thans verkeren, veel stemmen als mede-opvoeders
hun invloed doen gelden.35 Ouders en scholen staan daarom niet langer alleen
voor deze pedagogisch-educatieve taak. Anderen hebben eveneens een pedagogische
verantwoordelijkheid, in zoverre zij een relatie met jonge mensen hebben.
Ook de geloofsgemeenschap.
Het samenspel van overtuiging en concrete levensomstandigheden
wordt neergelegd in het vormingsconcept van een school. Een vitaal vormingsconcept
vraagt om voortdurende actualisering en vernieuwing. Dat geldt voor onze waarnemingen
van wat jonge mensen in de huidige en komende omstandigheden als bagage nodig
hebben, en voor de overtuigingen waarop het vormingsconcept steunt. Een bijzondere
school zal zich niet uitleveren aan de actualiteit van het moment, evenmin
louter aan traditie. Zonder betrekking tot de actualiteit worden waarden
en overtuigingen een slag in de lucht. Zonder betrekking tot waarden, waardegemeenschap
en traditie blijft actualiteit ongericht en wordt zij speelbal van toevalligheden
of trends.
Als educatieve waardegemeenschap is een school in onze
samenleving dé plaats waar verschillende generaties elkaar kunnen ontmoeten
en van elkaar kunnen leren. Niet zomaar twee generaties, maar minstens drie
of meer. Elke generatie met eigen gevoeligheden, ambities, blinde vlekken,
waardeschalen, instituties, ervaringen, angsten. Of deze waardevolle uitwisseling
daadwerkelijk plaatsvindt, is niet steeds even vanzelfsprekend.
3. Katholiek onderwijs
Wat maakt dit onderwijs nu tot katholiek onderwijs? Wij beantwoorden deze
vraag door eerst een korte schets te geven van de wijze waarop in de geloofsgemeenschap
naar het katholiek onderwijs wordt gekeken en vervolgens door nader in te
gaan op de kenmerken van dit onderwijs.
3.1 In het licht van de zending van de Kerk
De Kerk leeft uit de overtuiging dat God uit liefde de mensen wil ontmoeten
en hen uitnodigt tot gemeenschap met Hem. In het geloof dat de Schepper zich
aan de mensen te kennen heeft gegeven en met hen in contact treedt met het
oog op hun verlossing en voltooiing – in de persoon van Jezus Christus als
uniek hoogtepunt – , weet de Kerk zich gezonden. Kerkelijke documenten situeren
katholiek onderwijs in deze missionaire en pastorale zending van de Kerk.36
Deze gedachte bedoelt niet het onderwijs zijn eigen opdracht te ontnemen.
Juist in de vervulling van zijn taak geeft het vorm aan deze zending. In de
zending van de Kerk gaat het erom dat God vrouwen en mannen concreet met Zijn
liefde kan bereiken, opdat zij, overeenkomstig ieders eigen waardigheid, mogen
ontvangen en worden wie zij zijn: geliefd beeld van God. De Kerk geeft op
velerlei manieren gestalte aan deze opdracht. Zij beschouwt de educatieve
opdracht als een werk van liefde en een dienst aan de samenleving.37 In het
pedagogische en educatieve handelen op katholieke scholen doen zich meer dan
eens, vaak ook zonder woorden, momenten voor waarop jonge mensen in contact
gebracht kunnen worden met de waarden die de geloofsgemeenschap belangrijk
vindt voor de ontplooiing van de mens en de samenleving. Zo kan zij via het
katholiek onderwijs de samenleving van dienst zijn. Een samenleving die jonge
mensen nu reeds op hun manier mede vorm geven en waarvan zij later mede de
dragers zullen zijn.
3.2 Wat maakt een school tot katholieke school?
3.2.1 Een educatieve gemeenschap levend uit een waardestelsel
Een school is een katholieke school, wanneer zij haar educatieve taak vervult
vanuit een stelsel van spirituele en morele waarden die hun bedding en voedingsbodem
vinden in de geloofsschat en de levende traditie van de Rooms-Katholieke Kerk.
In de vervulling van haar taak is de school een educatieve gemeenschap.
Een stelsel van waarden omgeeft de school als een accolade en is haar zingevingskader.
Het kleurt en dringt door in alle aspecten van het schoolleven: in cultuur
en omgangsvormen, in inrichting en activiteiten, in plannen en programma’s.
Dat gebeurt veelal heel subtiel, als een sfeer die op een bepaalde manier
aantrekt, maar ook kan afstoten. De omgang met die waarden is identiteitsbepalend.
Degenen die aan een school verbonden zijn, hebben daarbij de sleutels in handen.
Zij zijn het immers die waarden concreet vertalen in de schoolrealiteit van
elke dag, en zo de identiteit van de school dragen en een gezicht geven.
3.2.2 Om welke waarden gaat het?
Fundamenteel voor een katholieke school achten wij de volgende vier waarden.
a. Katholiek onderwijs heeft oog voor God als Schepper
en Verlosser en voor Zijn Koninkrijk
Katholiek onderwijs is bewust betrokken op Gods uitnodiging aan de mensen
om met Hem in gemeenschap te treden. Het houdt Zijn naam in ere en brengt
– op een wijze die past bij de school en het schoolleven – in contact met
de levende persoon van Jezus Christus. Het eerbiedigt Gods zelfopenbaring
als Schepper en Verlosser in Israël en in Jezus Christus. Het laat zich
voeden door de Heilige Schrift en de joods-christelijke geloofstraditie. Het
houdt Gods Koninkrijk voor ogen als heil voor allen en alles. Het weet zich
verbonden met de Rooms-Katholieke Kerk. Binnen de kaders van het schoolleven
kunnen leerlingen kennis maken en enige ervaring opdoen met christendom en
Kerk,38 steeds met vol respect voor ieders eigen levensbeschouwelijke of godsdienstige
achtergrond. Voor zover omstandigheden het mogelijk maken, tracht een katholieke
school te bevorderen dat leerlingen op weg gaan naar een synthese van katholiek
geloof en cultuur.39
b. Katholiek onderwijs is gericht op de vorming van de
gehele menselijke persoon
Katholiek onderwijs richt zich op de vorming van de gehele menselijke persoon.
Het koerst op wat alle leerlingen fysiek, sociaal, ethisch en spiritueel ten
goede komt.40 Het wil hen tot persoon vormen, open voor en in relatie met
zichzelf, de ander, de wereld en God. Het diepste motief daartoe is Gods liefde
voor de concrete mens. De waarheid omtrent de mens mogen wij en kunnen wij
ontmoeten in Gods eigen Zoon, Jezus Christus. Hij is menselijk leven in zijn
volheid.41 Liefde voor mensen en hun heelheid vormt dé drijfveer van
Zijn leven.
In een christelijke visie op de mens zijn belangrijke
elementen:
– dat het leven een geschenk is,
– dat elke vrouw en elke man, ja elk kind een onafneembare
waardigheid heeft die met ons mens-zijn als zodanig gegeven is,
– dat wij als mensen geroepen zijn om in vrijheid en liefde
voor onszelf, voor elkaar, voor de schepping en voor het leven verantwoordelijkheid
te dragen en zorg te hebben,
– dat God ons in Jezus Christus, Zoon van God én
mens als wij, de zin van ons bestaan laat zien,
– dat God ons in de gestorven en verrezen Christus verlossende
liefde aanreikt over zonde en schuld, lijden en dood heen,
– dat Christus ons in de kracht van Zijn Geest in de gemeenschap
van de Kerk met elkaar verbindt en tegemoet komt in zijn Woord en in de sacramenten.
c. Katholiek onderwijs is onderwijs voor elke mens, met
een bijzonder oog voor de zwakkeren
Aan de oorsprong van het katholiek onderwijs ligt een grote inzet voor de
educatie van kinderen en jongeren die zonder deze educatieve inzet verstoken
zouden zijn gebleven van onderwijs en vorming, meestal ten gevolge van de
omstandigheden waarin zij moesten leven.42 Wij denken meestal dat in Nederland
zulke omstandigheden thans niet voorkomen. Toch is alertheid nodig.43 Openheid
voor elke leerling en speciale aandacht en zorg voor de minder kansrijken
en minder getalenteerden kenmerken het katholiek onderwijs. Wij weten ons
daarbij gemotiveerd door besef van de waardigheid van iedere mens en door
besef van gerechtigheid die wij weerspiegeld zien in het recht van elk kind
op onderwijs.44
d. Katholiek onderwijs heeft oog voor gemeenschap
Het katholiek onderwijs leeft uit het besef dat mensen zonder betrokkenheid
op elkaar en onderlinge solidariteit niet tot volle ontplooiing komen. Wij
danken veel aan elkaar en zijn elkaar veel verschuldigd. Ook de generaties
voor ons en na ons. Verantwoordelijkheid voor en dienstbaarheid aan samenleving,
cultuur en natuur veronderstellen een goede feeling voor het sociale karakter
van het mens-zijn. Daarom maakt een katholieke school in zijn organisatie,
structuren, cultuur, omgangsvormen, leerplannen en vormingsprogramma’s werk
van het feit dat zij een educatieve gemeenschap is. Zij stelt zich op deze
wijze in dienst van de samenleving als gemeenschap en van de Kerk als gemeenschap.
Onderlinge solidariteit is een kenmerk van het katholiek onderwijs als geheel.
In Katholiek onderwijs en de komende tijd schreven wij dat christenen ten
aanzien van de zorg voor het leven die alle mensen aangaat, een eigen inbreng
en verantwoordelijkheid hebben. “De ethische verkondiging van het Evangelie
spreekt erover, bijvoorbeeld in de Bergrede (Matteüs 5-7) of – op geconcentreerde
wijze – in de zaligsprekingen (Matteüs 5,3-12). In de Bergrede wordt
onder meer gewezen op de kracht van soberheid en eenvoud, op de waarde van
barmhartigheid en zuiverheid van hart, van gerechtigheid, vrede, vergeving
en liefde voor de vijand.”45 Men kan ook denken aan Paulus: “… de vrucht van
de Geest is liefde, vreugde, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, vertrouwen,
zachtmoedigheid, zelfbeheersing” (Gal 5,22-23). Of aan de Tien Geboden.
“Het christendom is echter niet louter ethiek. Het is allereerst de gave
van een vitale verbondenheid met de verrezen Christus en met zijn Geest. In
die band, beleefd in de gemeenschap van gelovigen, hebben christelijke waarden
hun verankering. Voor gelovigen is die band een bron van kracht en genade,
die hen motiveert zich blijvend in te zetten voor de realisatie van die waarden
omwille van de zorg voor het leven.”46
Elke katholieke school kan, bijvoorbeeld in de formulering van haar missie,
een eigen accent geven aan deze waardebepaling.
3.2.3. Waarden willen ontdekt en vertaald worden
Belangrijke waarden voelen wij als mensen aan. Wij beseffen dat met name,
wanneer wij in ons handelen er tegen in gaan. Toch hebben wij kernwaarden
niet kant en klaar tot onze beschikking. Zij gaan ons ook te boven. Wij worden
uitgenodigd om ze in telkens andere omstandigheden te (her)ontdekken en te
vertalen in concrete richtlijnen en handelingen. In deze vertaalslag worden
waarden helder. Hun betekenis dringt weer tot ons door. Wij beseffen waarom
zij zo waardevol zijn.
Dat vertalen gaat niet vanzelf. Het vraagt oog voor de
ervaringen van eerdere generaties, vervat in bronnen en in tradities, en de
bereidheid ervan te leren. Het vraagt bovendien een levend contact met de
gemeenschap die zich voor een stelsel van waarden inzet en garant stelt.
Dat geldt ook voor de waarden die wij zojuist fundamenteel
noemden voor een katholieke school. Ook zij staat voor een vertaalslag. Wil
de (her)ontdekking en vertaling van deze waarden op een school daadwerkelijk
plaatsgrijpen, dan is actieve draagkracht een eerste vereiste. Actieve draagkracht
geeft dynamiek. Zij zal vooral gevonden moeten worden in de schoolleiding,
de personeelsleden en het schoolbestuur. Maar ook de ouders en leerlingen
kunnen daaraan actief participeren, overigens niet ter vervanging van gebrek
aan draagkracht bij degenen, die aan een school verbonden zijn.
De uitnodiging om de fundamentele en kenmerkende waarden
van het katholiek onderwijs te vertalen in de concreetheid van het schoolleven
vraagt dat er rekening gehouden wordt met de verschillende soorten onderwijs
en met de situatie van een school.
a. In verschillende soorten onderwijs
Het basisonderwijs, het voortgezet onderwijs, het hoger onderwijs, het beroepsonderwijs
en het speciaal onderwijs hebben eigen mogelijkheden en grenzen om de waarden
die kenmerkend zijn voor katholiek onderwijs te vertalen en vorm te geven.
Zij hebben bovendien ieder hun eigen geschiedenis met de katholieke identiteit.
Daarom is het nodig voor elke soort van onderwijs eigen plannen, activiteiten
en werkvormen te ontwikkelen.47
Vanwege de natuurlijke affiniteit tussen het gezinsleven, het basisonderwijs
en de parochie wordt een band tussen dit onderwijs en de Kerk aanvaardbaar
en realiseerbaar gevonden. In het voortgezet onderwijs en het beroepsonderwijs
zou dit moeilijker zijn en volgens sommigen minder of niet ter zake. Deze
soorten onderwijs zijn immers gericht op de wereld van kennis en beroep en
deelname aan de samenleving als volwassene. Dat is een wereld met een seculier
karakter. Godsdienst en Kerk zouden daarin niet goed passen: zij kunnen hoogstens
een bepaalde waardegevoeligheid wekken en hebben verder slechts betekenis
voor degenen die godsdienstig of kerkelijk willen leven. Wij delen deze veronderstelling
niet. Een rooms-katholieke oriëntatie kan ook gerealiseerd worden in
onderwijs dat zich meer op beroep en samenleving richt.
b. In zeer uiteenlopende situaties
Katholieke scholen hebben in de huidige Nederlandse samenleving te maken
met onderling zeer uiteenlopende situaties. Die verscheidenheid hangt samen
met allerlei factoren. Onder andere met de samenstelling van de bevolking
in het wervingsgebied, levensbeschouwelijke achtergronden van leerlingen en
leraren, onderwijskundige en pedagogische concepten, ervaringen met de kerkgemeenschap
tot dusver, plaatselijke onderwijspolitiek, en dergelijke.48 Zulke factoren
hebben invloed op de mogelijkheden om vorm te geven aan de identiteit van
een katholieke school. Evenals in het verleden zullen diverse katholieke
scholen thans diverse profielen van een herkenbaar gemeenschappelijke oriëntatie
te zien geven.
Elke katholieke school staat voor de opdracht het kenmerkende
waardestelsel van het katholiek onderwijs in de eigen omstandigheden te vertalen
en vorm te geven, vooral in de ontmoeting tussen docent en leerling.
3.2.4. Profilering op vier gebieden in het bijzonder
Katholiek onderwijs komt op vier gebieden in het bijzonder tot uiting. Die
gebieden weerspiegelen in de context van de leer- en leefgemeenschap die een
school is, de fundamentele handelingen van de geloofsgemeenschap. Deze vier
gebieden zijn: de gemeenschapsvorming, het vieren, het leren en het dienen.49
In dat geheel vindt waardegeoriënteerde religieuze communicatie plaats.
Het zijn niet alleen gebieden waarop een school haar identiteit naar buiten
toe profiel geeft, maar ook waarin zij naar binnen toe leerlingen, docenten
en andere betrokkenen in contact brengt met de rijkdom van de katholieke traditie
en kan inspireren.
– Gemeenschapsvorming in een pedagogisch-educatieve context
komt intentioneel tot uiting in de missie van een school en van een schoolbestuur
en in onderwijskundige en pedagogische plannen. Ze liggen ten grondslag aan
concrete programmering, aan de inrichting van de tijd en de ruimte en aan
de omgang met elkaar.
– Vieren biedt in het verband van een school aan de betrokkenen
de mogelijkheid de band met God te beleven en tot uitdrukking te brengen.
Momenten van gebed en bezinning, bijvoorbeeld bij gelegenheid van de grote
christelijke feesten of van gebeurtenissen die op een school belangrijk zijn,
kunnen – in een samenspel van rituelen, symbolen, traditie en creativiteit
– bezieling geven en de band versterken met God en met elkaar.50 Waar en wanneer
het passend is, zou ook in schoolverband het sacrament van de eucharistie
gevierd kunnen worden.
Sommige scholen hebben goede ervaringen met de inrichting van een ruimte
voor stilte, bezinning, gedachtenis van dierbaren, viering.
Oecumenische en interreligieuze vieringen
De samenstelling van een schoolpopulatie kan met zich meebrengen dat op
een school vieringen met een oecumenisch of een interreligieus karakter plaatsvinden.
De Rooms-Katholieke Kerk geeft richtlijnen voor oecumenische
vieringen in het Oecumenisch Directorium. Het vraagt bij deelneming aan elkaars
geestelijke activiteiten en rijkdommen twee grondbeginselen in acht te nemen:
dat de kerken en kerkelijke gemeenschappen werkelijk met elkaar in gemeenschappen
leven én dat hun gemeenschap onvolkomen is.51 Het beveelt gezamenlijk
gebed van katholieken met andere christenen aan, met name als zij dezelfde
noden en zorgen delen.52 In het licht van de twee genoemde grondbeginselen
laat de Rooms-Katholieke Kerk “in het algemeen alleen hen die staan binnen
haar eenheid van geloof, eredienst en kerkelijk leven, toe tot de eucharistische
tafelgemeenschap”.53
De Rooms-Katholieke Kerk kent geen richtlijnen voor interreligieuze
vieringen. Zolang dit het geval is, dient grote terughoudendheid betracht
te worden met vieringen met een interreligieus karakter. Er zijn grenzen aan
legitieme participatie. Die hebben te maken met respect voor de gewetensvrijheid
en voor het eigen karakter van de verschillende religies. Daarom is de indruk
te vermijden dat verschillende religies zouden kunnen versmelten of dat wordt
aangespoord tot een syncretistische beleving van religie. Eveneens is op een
school een sociale druk te vermijden die tot deelname aan dergelijke vieringen
zou verplichten.
– Op het gebied van het leren heeft het vak Godsdienst/Levensbeschouwing
belangrijke betekenis voor de identiteit van een katholieke school. Daarnaast
bieden materiaalkeuze, behandeling en opdrachten in andere vakken mogelijkheden
tot een ongeforceerde aansluiting bij geloof en levensbeschouwing.54
Godsdienstonderricht
Het Algemeen directorium voor de catechese merkt op dat het godsdienstonderricht
als een leervak gezien moet worden. Godsdienstonderwijs is onderscheiden van
catechese. Catechese is een activiteit van en in de Kerk, gericht op de verdere
groei van gelovigen in het geloofsleven en wel op een systematische en omvattende
wijze.55 Godsdienstonderwijs vindt plaats op een school. Godsdienstonderwijs
op de katholieke school kan aan een catechetisch proces een bijdrage geven,
bijvoorbeeld bij de voorbereiding op de Eerste Communie of het Vormsel, maar
valt er niet mee samen.56
Kenmerkend voor godsdienstonderwijs is dat het te maken
heeft met de cultuur die leerlingen in zich opnemen en met andere vormen van
kennis.57 Godsdienstonderwijs stelt het Evangelie present in het proces waarin
leerlingen zich, systematisch en kritisch, cultuur toe-eigenen. In schoolverband
wordt de culturele horizon van leerlingen onder meer bepaald door wat de
verschillende vakken aan stof en waarden aanbieden. Juist daarom moet godsdienstonderricht
als een leervak gezien worden “waaraan dezelfde eisen van systematiek en
nauwkeurigheid worden gesteld als bij andere vakken”. De christelijke boodschap
moet “met dezelfde ernst en degelijkheid worden aangeboden als waarmee de
andere vakken hun stof aanbieden”. Het godsdienstonderwijs, aldus het Directorium,
heeft geen bijkomstige plaats naast de andere vakken. Het is een schakel
in de noodzakelijke dialoog tussen de verschillende disciplines. “Deze dialoog
moet allereerst beginnen op het niveau waarop elke discipline de persoonlijkheid
van de leerling beïnvloedt. Zo zal het aanbieden van de christelijke
boodschap van invloed zijn op de wijze van verstaan van de oorsprong van
de wereld en de betekenis van de geschiedenis, de grondslag van de ethische
waarden, de rol van de godsdienst in de cultuur, de bestemming van de mens,
de verhouding met de natuur.” Door deze dialoog tussen de verschillende disciplines
legt het godsdienstonderwijs op school de grondslag voor de vormende en opvoedende
taak van de school, versterkt en ontwikkelt het deze en rondt het haar af.58
Het Directorium beseft dat dit onderricht in verschillende
omstandigheden gegeven zal moeten worden. Bepalend is onder meer dat ook leerlingen
met een niet-katholieke achtergrond op katholieke scholen zitten. In dit
verband herinnert het Directorium aan twee uitgangspunten die verwoord zijn
door paus Johannes Paulus II:
– Allereerst: “De leerlingen hebben het recht om de godsdienst
waartoe zij behoren naar waarheid en zekerheid te leren kennen.”
– En vervolgens: “Men mag er niet aan voorbijgaan dat
zij het recht hebben de persoon van Christus en zijn volledige heilsboodschap
te leren kennen.”59
Het Directorium merkt op dat in een katholieke school
het godsdienstonderwijs een aanvulling vindt in vieringen en dergelijke. Dit
onderwijs zal in een openbare of neutrale school meer oecumenisch van aard
zijn of meer een cultureel karakter aannemen “gericht op de kennis van de
godsdiensten waarbij de katholieke godsdienst het gewicht krijgt dat haar
toekomt”.60 Het moet rekening houden met de levensbeschouwelijke situatie
van de leerlingen.61 Door het open toelatingsbeleid van katholieke scholen
in Nederland kan de populatie van een katholieke school in veel gevallen gelijkenis
vertonen met de situatie die het Directorium voorziet voor een openbare of
neutrale school. De situatie echter geeft een katholieke school geen andere
grondslag. Daarom moet het godsdienstonderwijs gegeven worden vanuit de katholieke
levensvisie.
In Katholiek onderwijs en de komende tijd noemden wij
het vak Godsdienst/Levensbeschouwing een ijkpunt van de identiteit: “Het informeert
de leerlingen over de levensbeschouwelijke en godsdienstige benadering van
het leven. Het bevordert het gesprek tussen de verschillende oriëntaties.
Het vertolkt de christelijke benadering van het leven en laat zien wat het
christendom en de katholieke traditie de moeite waard maakt. In deze lessen
krijgen leerlingen motieven aangereikt om zelf een verantwoorde keuze op godsdienstig
of levensbeschouwelijk gebied te maken of te bevestigen.”62 In de komende
jaren zal in de vormgeving van het vak de aansluiting bij nieuwe vormen van
leren gestalte kunnen krijgen.
De doelstellingen en de inhouden van het vak Godsdienst/Levensbeschouwing
zijn beschreven in raamleerplannen. Er zijn bisschoppelijk goedgekeurde raamleerplannen
voor het onderricht in Godsdienst/Levensbeschouwing voor het basisonderwijs
en de tweede fase van het voortgezet onderwijs.63 Bij het raamleerplan voor
het basisonderwijs zijn tevens leerlijnen uitgebracht.64 Voor de eerste fase
van het voortgezet onderwijs en voor het VMBO zijn raamleerplannen in ontwikkeling.
Als kader van doel en inhoud van het vak Godsdienst/Levensbeschouwing zijn
raamleerplannen van belang voor de ontwikkeling van leerplannen van scholen
en van leermateriaal. Bij de ontwikkeling van leermateriaal dient rekening
gehouden te worden met de Criteria bij de bepaling van de inhoud van het godsdienstonderwijs
op de katholieke school, uitgegaan in 1995 van de toenmalige Bisschoppelijke
Commissie voor de Katechese en de Bisschoppelijke Commissie voor Onderwijs
en Vorming.65 Een docent Godsdienst/Levensbeschouwing aan een katholieke
school voor voortgezet onderwijs behoeft een akkoordverklaring van de diocesane
bisschop.66
– Dienen brengt de identiteit van een school metterdaad
tot expressie, zowel binnen de school als in contacten buiten de school. Het
geeft met name leerlingen de gelegenheid oog te krijgen voor de noden en
zorgen van mensen in hun omgeving of elders in onze wereld. Het kan hen ertoe
aanzetten een houding van dienstbaarheid ten opzichte van de kansarmen een
plaats te geven in hun leven en prikkelt hen creatief en actief solidair te
worden met hun naasten. Het brengt hen in contact met mensen die zij anders
wellicht niet zouden ontmoeten. Contacten met instanties in de zorgsector
kunnen de impact van activiteiten op het terrein van het dienen vergroten.
In het schoolpastoraat wordt deze dienst vervuld voor leerlingen, docenten
en anderen die bij een school betrokken zijn.67
3.2.5. De rol van de kerkelijke overheid
Welke rol zien wij voor onszelf als kerkelijke overheid weggelegd bij de
aansturing van katholieke scholen?
Wij willen vooropstellen dat wij het katholiek onderwijs
als partner beschouwen in onze verantwoordelijkheid voor de identiteit van
dit onderwijs. Voor de uitoefening van ons aandeel in déze verantwoordelijkheid
gaan wij uit van de verantwoordelijkheden zoals ze in het Algemeen reglement
voor het katholiek onderwijs zijn vastgesteld. Wij streven naar een goed overleg
met de betrokkenen en naar een stimulerende en effectieve ondersteuning en
begeleiding, passend bij de wijze waarop het katholiek onderwijs thans wordt
bestuurd. Contacten zullen vooral en primair de vorm hebben van een proces
dat getuigt van commitment. Op deze wijze kan recht gedaan worden aan de
eigen omstandigheden van elke school, die een katholieke school wil zijn.
Enerzijds verbindt hun identiteit katholieke scholen herkenbaar met elkaar,
anderzijds dient de vormgeving toegesneden te zijn op de maat van een concrete
school. Dit geldt ook voor scholen waarin een katholieke school partner is
in een samenwerkingsverband.
Een stimulerend bestuurlijk contact van procesmatige
aard tussen katholieke scholen en de kerkelijke overheid beschouwen wij als
een noodzakelijke en gewenste aanvulling op de (kerk)juridische gestalte
van dit contact tot nu toe.68
IV. Naar een bezield en zelfbewust katholiek onderwijs
De formulering van een ideaal kan helpen helder te krijgen wat wij met ons
beleid willen bevorderen. Als ideale katholieke school zien wij dan voor ons:
– Een school die geïnspireerd is door de verrezen
Heer Jezus Christus en inspireert tot navolging van Hem.
– Een school met hart en ziel voor leerlingen en personeelsleden.
– Een school waaraan ouders met een gerust hart hun kinderen
toevertrouwen en waarbij zij als partners betrokken kunnen zijn.
– Een school waaraan personeelsleden en bestuursleden
met toewijding en plezier werken en bijdragen.
– Een school die bewust en actief verbonden is de Rooms-Katholieke
Kerk en de christelijke traditie en die de levensbeschouwelijke achtergronden
van alle leerlingen respecteert.
1. Doelen van beleid
Wij zijn ervan overtuigd dat het katholiek onderwijs in Nederland toekomst
heeft, als het bezield en zelfbewust onderwijs is. Daarom zijn de bevordering
van authentiek christelijke bezieling en de versterking van het zelfbewustzijn
van katholieke scholen de voornaamste oogmerken van ons beleid in de komende
jaren. Daarop zetten wij naar vermogen in. Met deze beleidsdoelen noemen wij
ook criteria ter toetsing van ons beleid op onderdelen.
Wij nodigen de verantwoordelijken in het katholiek onderwijs
uit aan te geven welke bijdrage zij kunnen en willen leveren aan de verwerkelijking
van deze doelstelling.
Versterking van zelfbewustzijn veronderstelt dat scholen
bereid zijn zich te profileren als katholieke school. Het veronderstelt bovendien
dat zij de ondersteuning krijgen die zij nodig hebben. Bevordering van bezieling
speelt in op de uitdaging aan onderwijsgevenden “niet alleen vakbekwaam en
professioneel, maar ook met hart en ziel in het onderwijs te werken”.69 Wij
herkennen onze doelen in het streven van de Nederlandse Katholieke Schoolraad
de behartiging van de katholieke identiteit te benaderen als een onderdeel
van de kwaliteit van het onderwijs. Katholieke scholen dienen op het gebied
van hun identiteit dan echter inderdaad kwaliteit te bieden.
In het licht van ons vertrouwen in bezield en zelfbewust
katholiek onderwijs hebben wij een standpunt bepaald ten aanzien van de wettelijk
gegeven mogelijkheid om samenwerkingsbesturen van katholieke en openbare scholen
op te richten en ten aanzien van de samenwerkingsschool waaromtrent wetgeving
in voorbereiding is.
De vorming van samenwerkingsbesturen van katholieke en
openbare schoolbesturen dient zoveel mogelijk voorkomen te worden, om te waarborgen
hetgeen in de grondwet is vastgelegd aangaande de vrijheid van onderwijs.
Wanneer de vorming van een samenwerkingsbestuur onvermijdelijk is, dienen
er voldoende garanties te zijn voor goed katholiek onderwijs. Van onvermijdelijkheid
is sprake bij onvoldoende levensvatbaarheid van een katholieke school in
een omgeving met overwegend openbaar onderwijs of bij onvoldoende levensvatbaarheid
van een openbare school in een omgeving met overwegend katholiek onderwijs.
De garanties voor goed katholiek onderwijs betreffen zowel de constructie
van het bestuur als het personeelsbeleid.
– Ten aanzien van de bestuursconstructie geven wij uitdrukkelijk
voorkeur aan een samenstelling met twee bestuurscommissies, waarbij zaken
met betrekking tot de katholieke identiteit uitsluitend ressorteren onder
de verantwoordelijkheid van de bestuurscommissie van de katholieke scholen
van het bestuur. Wanneer gebruik van het bestuursmodel met twee bestuurscommissies
op reële bezwaren stuit, vragen wij tijdig contact op te nemen met de
diocesane bisschop voor overleg.
– Ten aanzien van het personeelsbeleid vragen wij bij
de vorming van het samenwerkingsbestuur instemming met de katholieke grondslag
van de katholieke school door elke leerkracht die in dienst van dit bestuur
aan de katholieke school werkt of kan gaan werken. Mocht het feit dat reeds
in dienst zijnde docenten die niet benoemd kunnen of willen worden aan de
katholieke school, voor het bestuur wachtgeldverplichtingen met zich meebrengen,
dan zijn deze voor rekening van de openbare school.
Wij zien geen ruimte voor de oprichting van samenwerkingsscholen, verstaan
als scholen waarin openbaar onderwijs en bijzonder onderwijs samenwerken.
Wij menen allereerst dat de plaats en de inhoud van de katholieke identiteit
in samenwerkingsscholen niet voldoende tot hun recht komen. Wij beschouwen
het bovendien in de praktijk als een vrijwel onmogelijke opgave om de eigen
identiteit te bezielen en zelfbewust tot uiting te brengen. En wij vragen
ons af of de samenwerkingsschool recht doet aan de intentie van artikel 23
van de Grondwet over de vrijheid van onderwijs, dat het duale bestel beoogt
veilig te stellen. Waar samenwerking door de omstandigheden van voortbestaan
in overweging moet worden genomen, geven wij – in de lijn van het beleid van
de Nederlandse Katholieke Schoolraad – de voorkeur aan samenwerking met het
protestants christelijk onderwijs, zoals al langer wordt gepraktiseerd in
oecumenische of interconfessionele scholen.
Ook de vraag hoe een katholieke school recht kan doen
aan leerlingen met een andere levensbeschouwelijke of godsdienstige achtergrond
is in het licht van deze beleidsdoelstellingen te bezien. In beginsel dienen
zowel de katholieke identiteit als andere identiteiten tot hun recht te komen.
Daarom is te vermijden:
– dat de katholieke identiteit op grensoverschrijdende
wijze aan niet-katholieke leerlingen wordt opgelegd,
– dat de katholieke identiteit omwille van de aanwezigheid
van andere identiteiten wordt weggemoffeld,
– of dat omwille van de lieve vrede uitsluitend het algemeen
gedeelde, als ware het levensbeschouwelijk ‘neutraal’, aan de orde komt en
verschillen worden veronachtzaamd.
De realisering van deze optie – zeker waar het vak Godsdienst/Levensbeschouwing
en bezinningsbijeenkomsten of vieringen met een interreligieus karakter in
het geding zijn – vraagt om zorgvuldigheid, alertheid, goede communicatie
tussen de betrokkenen en – waar het religies betreft – vermijding van de indruk
dat zij zouden kunnen versmelten. Nadere concretiseringen, mede op basis
van goede ervaringen en voortschrijdend inzicht, zijn gewenst.
2. Speerpunten
De realisering van dit beleid vraagt om enkele speerpunten.
2.1. Contact tussen de geloofsgemeenschap en het katholiek
onderwijs
Contact is een eerste voorwaarde om beleid te verwerkelijken. De contacten
tussen instanties of vertegenwoordigers van het katholiek onderwijs enerzijds
en van de Rooms-Katholieke Kerk anderzijds zijn soms goed, soms gering of
afwezig. Wij streven ernaar goed contact te onderhouden, het te verbeteren
waar dit niet zo is, en het op te nemen waar het ontbreekt. Dat geldt voor
de hele breedte van het onderwijs en van de Kerk.
Met het oog op de behartiging van het contact met het
katholiek onderwijs op landelijk niveau heeft de Bisschoppenconferentie mgr.
dr. E.J. de Jong als bisschop-referent aangewezen. Hij is tevens bisschop-referent
voor de beleidssectoren Jongeren en Catechese.
Wij nemen ons voor in de komende jaren zowel op landelijk
als diocesaan niveau in gesprek te gaan met diverse groeperingen in het katholiek
onderwijs over datgene wat hen en ons in verband met het onderwijs ter harte
gaat.
Er zullen verder wegen ontwikkeld worden om vanuit de
geloofsgemeenschap met regelmaat thema’s uit de geloofstraditie onder de aandacht
te brengen van het katholiek onderwijs. Als bisschoppen zullen wij om te
beginnen een brief aan de docenten schrijven.
De onderlinge verhouding tussen het katholiek onderwijs
en de Rooms-Katholieke Kerk vraagt om een adequaat structureel kader. In het
licht van de ervaringen met het beleid, zoals verwoord in deze nota, en de
daarin geformuleerde doelen, criteria en processen, en in het licht van de
ontwikkelingen in het katholiek onderwijs zal worden geëvalueerd of
en op welke punten het Algemeen Reglement voor het Katholiek Onderwijs herzien
moet worden.
2.2. Identiteitsbeleid van katholieke scholen
Wij nodigen besturen van katholieke scholen uit de verantwoordelijkheid
voor de identiteit uitdrukkelijk en formeel te verankeren in de leiding van
een school en een expliciet beleid te formuleren ten aanzien van de identiteit
van katholieke scholen. Oriëntatie voor dit beleid geven wij in deze
nota aan onder 3.2.2. (waardeoriëntatie) en 3.2.4. (profilering op vier
gebieden in het bijzonder) van hoofdstuk III. Zowel de vormgeving van de identiteit
als de mogelijkheden van de school om deze te realiseren, kunnen in dit beleid
aan de orde gesteld worden. Aan de hand van beleidsplannen, verslagen en
evaluaties zouden wij – in de persoon van een vertegenwoordiger van de diocesane
bisschop – regelmatig willen overleggen met het schoolbestuur en de leiding
van katholieke scholen. Dit overleg zou vooral gericht moeten worden op versterking
van bezieling en zelfbewustzijn en op de condities om dit mogelijk te maken.
Wij willen de bisschoppelijke erkenning van scholen als
katholieke school situeren binnen dergelijke op ontwikkeling van de identiteit
gerichte processen. Waar de bisschoppelijke erkenning en het feitelijke, impliciete
of expliciete, identiteitsbeleid van een school van elkaar losgeraakt zijn,
streven wij naar herstel van de band tussen beide. Een school die te kennen
geeft een katholieke school te zijn, doet ook iets aan haar identiteit.
De diocesane bisschoppen hebben aan bisschoppelijke gedelegeerden
voor het katholiek onderwijs een uitvoerende verantwoordelijkheid toevertrouwd
voor de contacten van de Kerk met het katholiek onderwijs. Zij stimuleren
de ontwikkeling van de identiteit van katholieke scholen en van het vak Godsdienst/Levensbeschouwing.
Zij dragen er mede zorg voor dat docenten Godsdienst/Levensbeschouwing en
identiteitsbegeleiders voor het katholiek basisonderwijs begeleiding ontvangen.
Tot hun taak behoort ook de verzorging van de bisschoppelijke akkoordverklaring
bij de benoeming van docenten Godsdienst/Levensbeschouwing. Het ligt in de
bedoeling dat het College van Bisschoppelijk Gedelegeerden in de toekomst
een uitvoeringsorgaan wordt van de Beleidscommissie in oprichting voor Catechese,
Onderwijs en Jongeren. Als zodanig zal het College landelijk beleidsvoorbereidende
en beleidsuitvoerende taken verrichten op het terrein van de verantwoordelijkheid
van de bisschoppen voor het katholiek onderwijs.
Identiteitsbegeleiders zijn werkzaam voor het primair
onderwijs op het grensvlak van Kerk en onderwijs. Zij zijn benoemd met een
zending of akkoord van de diocesane bisschop. Hun taak betreft de ontwikkeling
van de identiteit van katholieke basisscholen, het godsdienstonderwijs en
de band tussen school en plaatselijke geloofsgemeenschap. Zij ondersteunen
scholen, schoolbesturen, teams en individuele leerkrachten. Zij hebben een
sleutelrol in een beleid dat gericht is op een bezield en zelfbewust katholiek
onderwijs.
Wij nemen de vraag in onderzoek of de invoering van de
functie van identiteitsbegeleider voor het voortgezet onderwijs gewenst en
haalbaar is.
Het Instituut voor Katholiek Onderwijs, verbonden aan
de Katholieke Universiteit Nijmegen, verleent diensten en ontwikkelt expertise
op het terrein van de identiteit voor het katholiek basisonderwijs.
2.3. Versterking van de draagkracht van het katholiek
onderwijs op identiteitsgebied
Wij streven naar versterking van de draagkracht binnen scholen voor activiteiten
waarin zij hun katholieke identiteit profileren.
Dit beleidsdoel heeft allereerst betrekking op het personeel
van een katholieke school.70 In de directie en het personeelsbestand van een
school als geheel dient voldoende personele, leidinggevende en bestuurlijke
draagkracht te zijn voor activiteiten en ontwikkelingen in verband met de
katholieke identiteit. Dit beleidsdoel heeft bovendien betrekking op de bezieling
en het bewustzijn van personeelsleden. Wij zien graag bevorderd worden dat
zij met bezieling hun professie beoefenen. Bovendien dient onder personeelsleden
voldoende besef te leven van de betekenis van de katholieke school en van
katholiek onderwijs.
In dit verband is het personeelsbeleid van scholen en
schoolbesturen van cruciaal belang. Wij vragen hun om bij de aanname van personeel,
in plannen ter ontwikkeling van de loopbaan van nieuw en zittend personeel
en in scholingsplannen rekening te houden met het draagvlak van scholen op
identiteitsgebied. Wij vragen speciaal aandacht voor de scholing van jonge
docenten met het oog op verantwoordelijkheden en taken op identiteitsgebied.
Wij zijn voornemens te stimuleren tot een vormingsaanbod voor hen.
Verder is de opleiding van toekomstig onderwijsgevend
en leidinggevend personeel van cruciale betekenis. Wie gaat werken in het
katholiek onderwijs, dient zich voldoende bewust te zijn van de aard, de inhoud
en de bezieling die uitgaat van de katholieke signatuur, van de eigen affiniteit
ermee en van de mogelijkheden om deze signatuur gestalte te geven in de school.
Professionele omgang met en een persoonlijke verhouding tot de identiteit
van een school vormen een onderdeel van de competentie van onderwijsgevenden
en leidinggevenden.
– Wij vragen katholieke lerarenopleidingen modules te
ontwikkelen die gericht zijn op versterking van de bezieling en het zelfbewustzijn
van toekomstige onderwijsgevenden en leidinggevenden aan katholieke scholen.
Speciale aandacht vragen wij voor een uitbreiding van de kennis van het katholieke
geloof en de katholieke cultuur.
– Elke afstuderende aan een katholieke opleiding voor
leraar basisonderwijs die voldoet aan eisen voor de denominatieve startbekwaamheden
voor leraar katholiek primair onderwijs, krijgt het diploma Godsdienst/Levensbeschouwing,
namens de bisschop getekend door de bisschoppelijk gedelegeerde voor katholiek
onderwijs. Voor studenten aan niet-katholieke opleidingen is er een aangepaste
regeling. Wij nemen ons voor te laten onderzoeken of het mogelijk, gewenst
en haalbaar is ook aan de opleiding van docenten voor het voortgezet onderwijs
het behalen van een certificaat ‘leraar voor katholiek onderwijs’ te verbinden.
– Wij nemen ons voor advies te vragen over de wenselijkheid
en de mogelijkheid om de taakstelling te verruimen van de Commissie voor Toezicht
en Advies voor de opleiding tot godsdienstleraren.
Conform het Algemeen Reglement voor het Katholiek Onderwijs betreft de taak
van deze commissie de toetsing van de opleidingen van godsdienstleraren voor
het voortgezet onderwijs. Een verruimde taakstelling zou tevens betrekking
kunnen hebben
– op de opleiding van leraren voor het basisonderwijs
– Pabo’s hanteren startbekwaamheden en bewaken hun kwalititeit via visitatie
–,
– op de opleiding van leraren in andere vormen van onderwijs,
voor zover onderwijs in Godsdienst/Levensbeschouwing en een professionele
omgang met de katholieke signatuur tot hun competentie behoren,
– en voor docenten in andere vakken dan Godsdienst/Levensbeschouwing
in het voortgezet onderwijs, voor zover professionele aandacht voor de katholieke
identiteit tot hun competentie behoort.
Versterking van bezieling en zelfbewustzijn kunnen in de vorming en nascholing
van onderwijsgevenden een rol spelen. Wij zien op dit gebied een taak weggelegd
voor onderwijsbegeleidende instellingen en voor instellingen die zich op spirituele
vorming richten. Met name op het terrein van de verbinding van onderwijs,
pastoraat en spiritualiteit is ons inziens pionierswerk te verrichten, onder
meer door vervaardiging van goed materiaal ter verdieping en door de aanbieding
van bezinningsactiviteiten. In dit pionierswerk kan een krachtige traditie
uit het katholiek onderwijs – denk aan de betekenis van de vele religieuze
ordes en congregaties voor het onderwijs – in hedendaagse omstandigheden een
nieuwe vorm krijgen. Gebruik van internet biedt in dit verband interessante
perspectieven.
Formele of informele groepen die zich verdiepen in het
geloof en de spiritualiteit van de rooms-katholieke geloofsgemeenschap kunnen
een concreet activerende en vitaliserende rol vervullen op scholen. Zo’n groep
kan bestaan uit docenten, uit leerlingen of uit docenten, leerlingen, ouders
en andere betrokkenen samen.
2.4. Kerk en school ter plaatse
Wij willen bevorderen dat scholen en parochies en/of dekenaten met elkaar
in contact treden. Het gaat ons om verlaging van de drempel tussen katholieke
scholen en de geloofsgemeenschap ter plaatse. Een katholieke school moet gemakkelijk
de weg weten te vinden naar een priester, diaken, pastoraal werk(st)er, een
parochie of interparochieel samenwerkingsverband en medewerkers van parochiële
of dekenale werkgroepen. Een parochie, een samenwerkingsverband van parochies
of een dekenaat moet in normaal contact kunnen zijn met de katholieke school.
Dit oogmerk past binnen de ‘brede schoolontwikkeling’, waarvan de kern is
dat school en omgeving meer op elkaar betrokken raken.
– Aansluitend bij gedachten die leven in het Bestuur van
de Nederlandse Katholieke Ouderorganisatie kan de instelling van werkgroepen
bevorderd worden van ouders71 die bij een katholieke school en bij een parochie
betrokken zijn ter bevordering van een goede wederzijdse verstandhouding en
onderlinge steun en inspiratie.72
– Wij stellen het op prijs dat scholen voor primair onderwijs,
waar mogelijk, worden ingeschakeld bij de voorbereiding op de Eerste Communie
of het Vormsel.
– Wij stellen het eveneens op prijs dat vanuit de geloofsgemeenschap
ter plaatse wordt deelgenomen in schoolbesturen of raden van advies.
– Wij staan positief tegenover de suggestie van de NKO
om vanuit de parochie en de katholieke school samen een geschikt aanbod te
ontwikkelen voor ouders van kinderen die nog niet leerplichtig zijn.
– Ter bevordering van een goede verhouding tussen school
en kerk ter plaatse dient in de opleiding en/of nascholing van pastorale beroepskrachten
aandacht te zijn voor een adequaat inzicht in de plaats en het functioneren
van katholieke scholen.
V. Besluit
In het Evangelie wordt verhaald dat Jezus een kind in het midden van zijn
leerlingen zette, zijn armen er omheen sloeg en zei: “Wie een van zulke kinderen
ontvangt, ontvangt Mij. En wie Mij ontvangt, ontvangt niet Mij, maar Hem die
Mij gezonden heeft” (Mc 9,33-37). En als zijn leerlingen kinderen maar lastig
vinden, komt Jezus voor hen op. “Laat die kinderen en verhinder niet dat
ze bij Me komen, want van zulke kinderen is het Koninkrijk der hemelen” (Mt
19,13-14).
Jezus maakt naar kinderen een gebaar van zegen. Hij maakt
ruimte voor hen en vraagt hen te laten. Wie zou niet voor kinderen het beste
wensen? Onder die wens leeft het besef hoe kostbaar kinderen en jonge mensen
zijn. Niet alleen in hun waardigheid als unieke persoon, maar ook omdat zij
toekomst onder ons tegenwoordig stellen. De toekomst van de samenleving en
de toekomst van Gods Koninkrijk. Onderwijs is een bevoorrechte plaats om met
hen in contact te zijn. Wie werkt in het onderwijs, mag meebouwen aan de
vorming van hun ziel en aan menswaardig toekomstig samenleven van de generaties.
In Nederland en ver daarbuiten. Kinderen en jonge mensen verdienen het inderdaad
van ons het beste aangereikt te krijgen. Katholiek onderwijs beoogt niets
anders dan deze dienst te verlenen.
Wanneer wij in staat zijn onze behoefte los te laten
om zelf de belangrijkste te zijn, ontstaat er ruimte voor kinderen en jonge
mensen. Dan verhinderen we niet dat zij bij Jezus kunnen komen en Jezus bij
hen kan komen. Oude wijsheid, bewaard in de Regel van Benedictus, zegt dat
de Heer vaak aan een jongere openbaart wat het beste is.73
Een school biedt aan jong en oud unieke kansen om samen
en van elkaar te leren. In dit licht zijn alle betrokkenen leerlingen. Uiteindelijk
zijn allen leerlingen van het Leven. Het toont zich in de talrijke facetten
van de werkelijkheid en het mens-zijn. Het is ook te vernemen in het Woord
van de Heer, dat ons als Evangelie, als goed nieuws, is aangereikt. Een school
introduceert in het veelkleurige boek van het Leven. Een katholieke school
toont haar kracht, als de werkelijkheid en het mens-zijn enerzijds en het
Woord van de Heer anderzijds in de concrete uitwisseling tussen docenten en
leerlingen thema van leren zijn.
Utrecht, 4 november 2002
De bisschoppen van Nederland.
Kardinaal A.J. Simonis, aartsbisschop van Utrecht
Mgr. F.J.M. Wiertz, bisschop van Roermond
Mgr. A.H. van Luyn s.d.b., bisschop van Rotterdam
Mgr. M.P.M. Muskens, bisschop van Breda
Mgr. A. L.M. Hurkmans, bischop van ‘s-Hertogenbosch
Mgr. W.J. Eijk, bisschop van Groningen
Mgr. J.M. Punt, bisschop van Haarlem en legerbisschop
Mgr. J.A. de Kok o.f.m., hulpbisschop van Utrecht
Mgr. E.J. de Jong, hulpbisschop van Roermond
Mgr. J.G.M. van Burgsteden s.s.s., hulpbisschop van Haarlem
Mgr. G. J.N. de Korte, hulpbisschop van Utrecht
____________________________________________________________________________
Bijlage 1. Activiteitenagenda
In de komende vijf jaar zullen de Nederlandse bisschoppen en de bisschoppelijk
gedelegeerden voor het onderwijs naar vermogen diverse activiteiten ontplooien
en verschillende onderwerpen op hun agenda zetten ter uitvoering van het beleid
dat in deze nota is geschetst. Deze activiteiten sluiten aan bij hetgeen in
de afgelopen jaren door velen ten dienste van het katholiek onderwijs is
verricht. Activiteiten vinden op kerkprovinciaal en diocesaan niveau plaats.
De planning volgt het schooljaar. Het onderstaande bevat een overzicht van
de belangrijkste voornemens. De activiteitenagenda wordt elk jaar nader ingevuld
en geactualiseerd.
In 2002-2003 valt nadruk de presentatie van het beleid.
In het contact met personen en organisaties uit het katholiek onderwijs worden
de eerste reacties verzameld op de beleidsnota en de mogelijkheden van implementatie
verkend. Daarbij wordt de vraag verhelderd welke steun van de kant van de
bisschoppen aangereikt kan worden. Vanaf dit jaar willen de bisschoppen scholen
en onderwijsinstellingen bezoeken. Zij zullen hun beleid aangaande het katholiek
onderwijs aan de orde stellen bij personen met verantwoordelijkheid voor de
geloofsgemeenschappen ter plaatse en hun stimuleren tot goede contacten met
dit onderwijs. Er zullen landelijk en regionaal dialoogbijeenkomsten plaatsvinden,
onder meer over onderwijs en over godsdienstdidactiek. Onderzocht wordt of
een herformulering van de taak van de Commissie voor Toezicht en Advies voor
de opleiding tot godsdienstleraren wenselijk en mogelijk is. Er wordt een
verkenning gestart naar de mogelijkheden tot verbreding van de kennis van
het christelijk geloof en de christelijke cultuur in de opleiding van toekomstige
onderwijsgevenden en leidinggevenden aan katholieke scholen.
Vanaf 2003-2004 zullen bisschoppelijk gedelegeerden voor
het katholiek onderwijs met schoolbesturen en met de leiding van scholen contact
opnemen over hun identiteitsbeleid. Er vinden verkenningen plaats naar de
mogelijkheden tot vorming van docenten, schoolleiders en bestuurders op het
terrein van spiritualiteit en katholieke identiteit. Ook de vernieuwing van
het godsdienstonderwijs in het primair en voortgezet onderwijs wordt verkend,
evenals de mogelijkheid om de figuur van de identiteitsbegeleider in te voeren
voor het voortgezet onderwijs.
Vanaf 2004-2005 wordt een begin gemaakt met de vertaling
van het procesmatig contact met scholen en schoolbesturen over identiteitsbeleid
voor de erkenning als katholieke school. Dan staan ook de evaluatie en eventuele
herziening van het Algemeen Reglement voor het katholiek onderwijs op de agenda.
Tevens is voorzien een onderzoek naar de wenselijkheid en mogelijkheid een
certificaat ‘leraar voor katholiek onderwijs’ te verbinden aan de opleiding
van leraren voor het voortgezet onderwijs.
____________________________________________________________________________
Bijlage 2. Vigerend identiteitsbeleid van katholieke onderwijsorganisaties
Diverse instanties van het georganiseerd katholiek onderwijs hebben beleid
geformuleerd met betrekking tot de identiteit van katholieke scholen in het
licht van de ontwikkelingen die ook in deze nota zijn beschreven. Zonder de
pretentie het beleid te beschrijven van alle in aanmerking komende organisaties
wordt in het volgende hun identiteitsbeleid in hoofdlijnen weergegeven.
De Nederlandse Katholieke Schoolraad (NKSR) heeft zich
in de afgelopen jaren bezonnen op zijn kerntaken.74 Hij ziet drie, overigens
samenhangende taken voor zich:
– ontwikkeling en profilering van de identiteit van het
katholiek onderwijs;
– uitvoering van werkzaamheden in verband met het mandaat
dat hij op basis van het Algemeen Reglement voor het Katholiek Onderwijs heeft
van de Nederlandse Bisschoppenconferentie (erkenningstaak);
– ontwikkeling van visie in het licht van nationale en
internationale ontwikkelingen op maatschappelijk en onderwijskundig gebied.
Waar de levensbeschouwelijke, pedagogische en onderwijskundige uitgangspunten
van katholiek onderwijs in het licht van actuele ontwikkelingen bij elkaar
gebracht worden, blijkt de samenhang van deze kerntaken.75
De NKSR beschouwt het als uniek voor het katholiek onderwijs
dat het zich in zijn vormingsideaal laat inspireren door het Evangelie, de
joods-christelijke traditie en het katholieke geloof. Daarom wil hij het katholiek
onderwijs en alle betrokkenen uitdagen om de bijbelse en gelovige inspiratie
naar het onderwijs te vertalen en zo de identiteit van dit onderwijs verder
te ontwikkelen en te profileren. Daartoe wil hij scholen ondersteunen bij
de verwoording en vormgeving van hun vormingsideaal, bij de profilering van
hun eigen visie en beleid en bij hun kwaliteitsbeleid op onderwijskundig en
pedagogisch terrein.76 In de komende beleidsperiode wordt daartoe nadruk gelegd
op twee kernwaarden: verbinden en vertrouwen. ‘Verbinden’ wijst op versterking
van het karakter van de school als (waarde)gemeenschap van alle betrokkenen,
een gemeenschap die niet los staat van het verbond tussen God en mensen.
Verbinden vraagt ‘vertrouwen’: in jonge mensen, in het goede van de mens,
in de ander, in de toekomst en in God.77 In het licht van zijn kerntaken wil
de NKSR in de komende jaren:
– nadruk leggen op visieontwikkeling en procesbegeleiding
waar identiteit, kwaliteit en professionaliteit elkaar raken,
– professionalisering, participatie en inspiratie bevorderen
van degenen die bij katholiek onderwijs betrokken zijn,
– de uitwisseling tussen diverse culturen stimuleren,
– meer procesbegeleidend dan formeel toetsend de erkenningstaak
uitvoeren,
– en de betekenis van ‘het nieuwe leren’ en van de leefstijlen
van jongeren verkennen.
Het College van Bisschoppelijk Gedelegeerden voor het
katholiek onderwijs is formeel een samenwerkingsverband van medewerkers van
de diocesane bisschoppen. Het College heeft een meerjarenbeleidsplan. De gedelegeerden
willen bijdragen aan de vitalisering van het katholiek onderwijs.78 In zijn
beleid hanteert het College drie hoofdlijnen: profilering van de identiteit,
bevordering van kwaliteit en versterking van het draagvlak. Dit beleid krijgt
gestalte in drie speerpunten:
– In ontwikkeling van participatiegericht godsdienstonderwijs,
d.w.z. een zodanige vormgeving aan het vak Godsdienst/Levensbeschouwing dat
leerlingen beseffen dat zij deelnemen aan het leven van groepen, aan historische
ontwikkelingen en aan Gods engagement met onze werkelijkheid.79 Tegen de achtergrond
van de pluriforme samenstelling van de leerlingenpopulatie, ook in katholieke
scholen, zeggen zij dat het godsdienstonderwijs voor katholieke leerlingen
een verdieping is van de geloofsopvoeding die zij thuis ontvangen. Daarnaast
legt het de kiem voor een dialoog met andere godsdiensten en levensbeschouwingen.
Voor anders-gelovige leerlingen biedt het de mogelijkheid om de eigen levensbeschouwelijke
oriëntatie te verdiepen. En voor leerlingen zonder religieuze achtergrond
kan het een aanzet zijn om de werkelijkheid te leren zien vanuit een religieus
perspectief.
– In aandacht voor ontwikkeling van visie en identiteit
als aspecten van het kwaliteitsbeleid van scholen. Onderwijs wordt vorming,
wanneer de sociale en culturele context meeresoneert en gedragen wordt door
een visie op de mens die richting geeft aan het zoeken naar antwoorden op
morele en zingevingsvragen.
– In versterking van het draagvlak voor katholiek onderwijs
door de betrokkenheid van ouders te vergroten en door gericht personeelsbeleid
en gerichte scholing van onderwijsgevenden.
De Vereniging van Schoolbesturen voor Katholiek Basis-
en Speciaal Onderwijs (Bond KBO) presenteert zijn beleidsvisie op het katholiek
basisonderwijs onder de trefwoorden ‘Verantwoord en geïnspireerd’.80
De Bond KBO acht het van belang dat solidariteit een belangrijk richtinggevend
beginsel in het katholiek onderwijs blijft. Het doet beseffen dat ieder mens
uniek is, dat voor God alle mensen gelijk zijn en motiveert leerlingen die
dat nodig hebben, extra zorg te geven. De bond streeft naar een actualisering
van het subsidiariteitsbeginsel en wil een brede dialoog entameren op bestuurs-
en schoolniveau over de betekenis van katholiek onderwijs en de katholieke
school na 2000. Zij staat een aanpak voor die leerkrachten uitdaagt te zeggen
wat hen bezielt en inspireert in hun werk, wat hen bindt aan de katholieke
school en identiteit verleent in het eigen functioneren. Als resultaat van
deze dialoog beoogt men een visie op de betekenis van de katholieke school
te verwoorden als basis voor een heldere missie. Op regionaal niveau acht
de bond het van belang dat de identiteitsbegeleiding in stand blijft en draagvlak
gezocht wordt voor een hedendaagse missie van de katholieke school. De bond
wijst haar leden erop bij het aantrekken van onderwijsgevend personeel te
blijven letten op mogelijkheden positief bij te dragen aan het pedagogisch
concept van de katholieke school en op de levensbeschouwelijke houding.
De Katholieke Bond Voortgezet Onderwijs (KBVO) spreekt
zich uit voor een modern katholiek onderwijs dat in het brede perspectief
staat van heel de mens.81 De KBVO beschouwt een school voor voortgezet onderwijs
als een open leefgemeenschap die haar basis heeft in normen en waarden die
een lange en hecht in onze samenleving verankerde traditie kennen. Haar onderwijsinhoudelijk
beleid typeert zij met het trefwoord ‘Waarde(n)vol onderwijs’. Een katholieke
school helpt leerlingen bij het ontwikkelen van een levensbeschouwelijke identiteit
die hen houvast geeft om te werken aan de opbouw van een samenleving waarin
zij geconfronteerd worden met allerlei opvattingen en waarden. Een katholieke
school gaat ervan uit dat het christelijk geloof van belang is voor de vorming
van leerlingen en voor het werken van leraren. Geloof helpt zinvragen te
beantwoorden en samenleving en toekomst menswaardig in te richten. De KBVO
beseft dat bijzonder onderwijs zelf richting kan geven aan ontwikkelingen.
De bond beseft ook dat een katholieke school niet zonder schoolleiders en
leerkrachten kan die in godsdienst en levensbeschouwing een bron van inspiratie
en zingeving vinden en constateert een behoefte aan ondersteuning op dit punt.
De KBVO constateert dat in het veld van de beroeps- en volwasseneneducatie
(BVE-veld) als kernpunt op identiteitsgebied de vraag naar voren komt hoe
adequaat kan worden ingespeeld op vragen over waarden, normen en zingeving
van de jeugd. De bond is voornemens op dit gebied tot meer centrale regie
te stimuleren.
De Nederlandse Katholieke Ouderorganisatie (NKO) probeert
– als belangenorganisatie voor ouders van kinderen in het katholiek onderwijs
– de gevoeligheid van ouders voor wat een katholieke school kan zijn te ondersteunen.
Zij vindt het van belang dat alle betrokkenen bij de school als partners proberen
een gemeenschap tot stand te brengen en in stand te houden. Van die dynamische
werkelijkheid maken alle betrokkenen bij de school deel uit. Zij worden erdoor
gedragen en dragen eraan bij. Omdat het over toekomstige generaties gaat,
is het een uiterst serieuze aangelegenheid waarin velen het beste van zichzelf
investeren. Zulk een gemeenschap, die een bron van diep-menselijke waarden
kan zijn is voor een kind een veilige en uitdagende omgeving waarin het zichzelf
en anderen leert kennen en tot zijn of haar recht komt. De NKO wil in plaatselijke
verhoudingen bevorderen dat er een goede, stimulerende en inspirerende, band
ontstaat tussen de betrokkenen bij de school en parochie. Zij wil daartoe
stimuleren tot het vormen van groepen van ouders, voormalige ouders en toekomstige
ouders, die betrokken zijn bij de school, bij de parochie, en bij beide.
De NKO constateert onder ouders met schoolgaande kinderen openheid ‘voor
een goed verhaal of een praktisch advies’ over opvoeding, omgang met kinderen
en uitdrukkelijk religieuze onderwerpen. De lokale geloofsgemeenschap en
de katholieke school samen, zo laat zij ons weten, zouden een speciale zorg
kunnen hebben voor de groep van ouders met nog niet leerplichtige kinderen.82
Sint Bonaventura, de katholieke afdeling van de Algemene
Onderwijsbond AOB, is vooral geïnteresseerd in activiteiten gebaseerd
op de opvoedingsidealen van het katholiek onderwijs. Zij acht zowel de activiteiten
als het gesprek erover belangrijk in de plurale onderwijssamenleving van de
21ste eeuw. Op deze wijze hoopt zij een bijdrage te leveren aan het overdragen
van waarden. De vereniging geeft hier vorm aan door de mogelijkheid van inspirerende
momenten te creëren, die de betrokkenheid bij de vormgeving van het katholiek
onderwijs vergroten. Zogenamde sabbathdagen zijn hier een voorbeeld van,
maar ook de organisatie van een identiteitscongres (samen met de KVSC, de
schoolleiders, en AOB/CVHO, de protestantse zusterorganisatie). Daarnaast
werkt ze aan eigentijdse communicatievormen, om de godsdienstige vorming te
bevorderen. In het basisonderwijs doet zij dat o.a. via een Feestenkalender
en via de cd-rom De religieuze cultuur van de schoolomgeving. In het voortgezet
onderwijs door vakinhoudelijke bijdragen met betrekking tot de katholieke
traditie en cultuur bij verschillende schoolvakken, in de serie Identiteit
in de vakkenlijn. Tot nu toe is materiaal gemaakt voor de vakken geschiedenis,
Nederlands, culturele en kunstzinnige vorming, algemene natuurwetenschappen
en economie.
De Onderwijsbond CNV acht het noodzakelijk in de komende
jaren een proces in te gaan “om onze identiteit te actualiseren en ons opnieuw
te bezinnen op de inspiratie die ten grondslag ligt aan ons werk”. De visie
op het individu, zijn of haar sociale verbanden, bronnen, toekomstdromen,
waarden en normen zullen daarbij en rol spelen. In de context van een multiculturele
samenleving zullen individualisering en solidariteit een nieuwe inhoud krijgen,
verwacht men. Volgens haar statuten laat de vereniging zich bij haar handelen
inspireren door het Evangelie en het christelijk-sociaal gedachtegoed. Vormgeving
aan identiteit gebeurt in een dynamisch proces.
De KVSC (Kring van Schoolleiders van Christelijk geïnspireerd
onderwijs) is ontstaan uit de fusie van de KVS (Katholieke Vereniging van
Schoolleiders) en de VSC (Vereniging van Schoolleiders in het Christelijk
onderwijs). Zij is een sectie van de algemene schoolleidersorganisatie VVO.
De KVSC stelt zich ten doel de schoolleiders van katholieke en protestants-christelijke
scholen te ondersteunen en te inspireren bij het ontwikkelen van een christelijk
geïnspireerde visie op onderwijs en vorming. In dit kader wil zij: de
ontwikkeling stimuleren van een hoogwaardig aanbod van ondersteuning en scholing
van schoolleiders op identiteitsgebied; werken aan de voorwaarden waaronder
schoolleiders in staat zijn hun opdracht vorm en inhoud te geven aan de identiteit
van hun school, goed uit te voeren.
De Vereniging van Docenten Levensbeschouwing (VDL) behartigt
de belangen van de aangesloten vakdocenten Godsdienst/Levensbeschouwing. In
zijn beleidsplan richt het bestuur van de VDL zich op het veranderende beroep
van leraar in het algemeen en van de docent Godsdienst/Levensbeschouwing in
het bijzonder. De VDL wil dit beroep aantrekkelijker maken, professionaliteit
bevorderen en door bevordering van samenwerking en teambuilding met andere
docenten het solitaire karakter van dit beroep doorbreken. De vakgroep van
docenten Godsdienst/Levensbeschouwing zou de spil moeten worden van de levensbeschouwelijke
opdracht van een school voor voortgezet onderwijs. Samen met haar protestants-christelijke
en humanistische zusterorganisaties (VGL en PSC HVO) pleit de VDL voor een
landelijke invoering van het vak levensbeschouwing op alle middelbare scholen
in Nederland.83
____________________________________________________________________________
Noten
1. Adrianus Kardinaal Simonis, ‘We
hebben goud in handen’: toespraak bij de aanbieding van het adviesrapport
van de consultatiecommissie katholiek onderwijs, ’s-Hertogenbosch, 30 januari
1999, in Kerkelijke documentatie, 27 (1999) 124.
2. Nederlandse Bisschoppenconferentie,
Katholiek onderwijs en de komende tijd, Oproep tot bezinning aan allen die
bij het onderwijs betrokken zijn, in Kerkelijke documentatie, 24 (1996) 269-279.
3. Is het katholiek onderwijs millennium-bestendig?
Rapport van de consultatiecommissie ‘Katholiek onderwijs 2000plus’, Den Haag
1999.
4. Katholiek onderwijs en de komende
tijd, nr. 6.
5. Volgens canon 803 § 3 van het
Wetboek van Canoniek Recht heeft de kerkelijke overheid het recht katholieke
scholen te besturen en/of te erkennen en mogen scholen zich alleen katholiek
noemen, als zij daarvoor toestemming hebben van het bevoegd kerkelijk gezag.
In Nederland komt het niet meer voor dat scholen direct onder bisschoppelijk
bestuur vallen. De Nederlandse bisschoppen hebben de bevoegdheid tot predikaatverlening
en toezicht op de katholieke identiteit landelijk gedelegeerd aan de Nederlandse
Katholieke Schoolraad (Algemeen reglement voor het katholiek onderwijs (Regelingen
R.K. Kerkgenootschap in Nederland nr. 2), Utrecht: Secreta-riaat R.-K. Kerkgenootschap
in Nederland, 1987, nr. 5.3).
6. Wetboek van Canoniek Recht, canon
804, 805 en 827. Vgl. Algemeen reglement voor het katholiek onderwijs, nr.
2.3.
7. Is het katholiek onderwijs millennium-bestendig?
50.
8. Vrijheid, verandering en verscheidenheid,
Advies over de inrichting van het onderwijsbestel van de Commissie Toekomst
Bijzonder Onderwijs, Den Haag: VBKO / Voorburg: Besturenraad, 2000.
9. Congregatie voor de Katholieke Opvoeding
en Vorming, De katholieke school op de drempel van het derde millennium, in
Kerkelijke documentatie, 26 (1998) 215 (nr. 3).
10. Nederlandse Bisschoppenconferentie,
Ik was vreemdeling, Herderlijk schrijven over migranten en vluchtelingen,
in Kerkelijke documentatie, 26 (1998) 411-427; citaten 411-412.
11. In Katholiek onderwijs in de komende
tijd, nr. 17-19 hebben wij gewezen op de dienst van onderwijs en vorming aan
de zorg voor het leven. ‘Zorg voor het leven’ omschreven wij als respect voor
de natuurlijke grondslagen van het leven, respect voor de waardigheid en
onschendbaarheid van elke mens en met name van de zwakkeren en aandacht voor
een zinvol leven. Zorg voor het leven gaat allen aan. Christenen hebben daarbij
een eigen ethische inbreng en verantwoordelijkheid, verwoord bijvoorbeeld
in de Bergrede (Mt 5-7), die vitaal blijft in de levende verbondenheid met
Christus en zijn Geest in de gemeenschap van gelovigen. Het katholiek onderwijs
is in dat perspectief een instrument om de toekomstige samenleving met deze
waarden in contact te brengen.
12. Het draagt de sporen van de tijd
dat ruim 40% van de Nederlandse bevolking katholiek was en het katholiek onderwijs
zich vrijwel uitsluitend op deze bevolkingsgroep richtte.
13. Katholiek onderwijs en de komende
tijd, nr. 11-16.
14. Katholiek onderwijs en de komende
tijd, nr. 15.
15. Is het katholiek onderwijs millen-nium-bestendig?
44.
16. Is het katholiek onderwijs millen-nium-bestendig?
46.
17. Is het katholiek onderwijs millen-nium-bestendig?
46; Katholiek onderwijs en de komende tijd, nr. 24.
18. Is het katholiek onderwijs millennium-bestendig?
46 merkt terecht op dat deze communicatie meer omvat dan “praten over geloof
en zingeving” of “oriëntatie op waarden en normen of informatie daarover”,
maar veeleer een gezamenlijk ervaren en soms expliciet uitdrukken is van “verwondering,
verlangen, verzet, vertrouwen en vergeving”.
19. Is het katholiek onderwijs millennium-bestendig?
50.
20. B. kard. Alfrink, Toespraak gehouden
b.g.v. de installatie van de nieuwe Nederlandse Katholieke Schoolraad, op
zaterdag 4 juni 1966, in Analecta Aartsbisdom Utrecht 39 (1966) 133-137.
21. In het advies Vrijheid, verandering
en verscheidenheid dat handelt over de inrichting van het onderwijsbestel,
van de Commissie Toekomst Bijzonder Onderwijs (Den Haag: VBKO/Voorburg: Besturenraad,
2000) wordt het belang van een visie op onderwijs onderstreept omwille van
de toekomst van het Nederlandse onderwijsbestel, waarvan het onderscheid van
openbaar en bijzonder onderwijs kenmerkend is. Zie blz. 40-44.
22. Eigenwaarde is iets anders dan
meerwaarde. Een benadering van het katholiek onderwijs in termen van meerwaarde
leidt ertoe dat het zich voortdurend vergelijkt met niet-katholiek onderwijs.
Het manoeuvreert zich daarmee in een defensieve of reactieve positie. Beter
is positief te koersen op eigen kracht.
23. Bestuur van de Nederlandse Katholieke
Oudervereniging, Woord aan de Nederlandse bisschoppen, Den Haag, 30 januari
2000.
24. Artikel 28.
25. Artikel 29.
26. Vgl. Katholiek onderwijs en de
komende tijd, nr. 31.
27. Gravissimum educationis, nr. 1.
28. In het licht van de toenemende
betekenis van permanente educatie zou in dit verband ook de factor ‘leeftijd’
expliciete vermelding verdienen.
29. Johannes Paulus II, Encycliek Redemptor
hominis, nr. 14, in Archief van de kerken 34 (1979) 382.
30. Learning: the Treasure within,
Report tot the UNESCO from the International Commission on Education towards
the XXIst century, under the leadership of Jacques Delors, Paris 1996.
31. Vgl. de herkomst van ‘educatie’
van het Latijnse educare: naar buiten leiden.
32. Vgl. Mt. 22,37-40; Lc 10,27. Met
de woorden “Aan deze twee geboden hangen heel de Wet en de Profeten” (Mt 22,40)
bevestigt Jezus dat ze samenhang geven aan heel de (oudtestamentische) Godsopenbaring.
Het gebod tot naastenliefde is steeds op inclusieve en impliciete wijze tevens
een opdracht tot zelfliefde.
33. Vgl. Vrijheid, verandering en verscheidenheid,
40-44.
34. De katholieke school op de drempel
van het derde millennium, nr. 10. In Nederland typeert het openbaar onderwijs
zich graag als ‘actief pluriform’. Het zegt te informeren over de tradities,
maar niet vanuit één bepaalde traditie.
35. Katholiek onderwijs en de komende
tijd, nr. 20 wijst op de invloed van de media, de peergroup, economische belangen
en vrijetijdsbesteding.
36. Vgl. De katholieke school op de
drempel van het derde millennium, nr. 3: “Zo moet de katholieke school, net
als in het verleden, in staat zijn effectief en overtuigend voor zichzelf
spreken. Dat is niet louter een kwestie van aanpassing, maar van missionair
elan, de fundamentele plicht tot evangelisatie, om te gaan naar mannen en
vrouwen waar zij ook zijn, opdat zij de gave van het heil mogen ontvangen.”
Vgl. ook Katholiek onderwijs en de komende tijd, nr. 19: “Als christenen kunnen
wij op verschillende manieren bijdragen aan de toekomstige samenleving en
cultuur. Het onderwijs is één van de middelen waarover wij beschikken.”
37. De katholieke school op de drempel
van het derde millennium, nr. 4.
38. De katholieke school op de drempel
van het derde millennium, nr. 11 en 12.
39. De katholieke school op de drempel
van het derde millennium, nr. 14.
40. De katholieke school op de drempel
van het derde millennium, nr. 9 en 10.
41. Gaudium et spes, nr. 22. Zie God
met ons, Herderlijk schrijven over Jezus Christus, Utrecht: Secretariaat van
het R.-K. Kerkgenootschap, 1997 (ook in Kerkelijke documentatie 25 (1997)
155-166.
42. De katholieke school op de drempel
van het derde millennium, nr. 15.
43. Vgl. R. Vogels en R. Bronneman-Helmers,
Ontwikkelingen in het onderwijs en zelfstandigheid van leerlingen, in: K.
Wittebrood, S. Keuzenkamp (red.), Rapportage Jeugd 2000, Trajecten van jongeren
naar zelfstandigheid, Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau, december
2000, 52. De auteurs constateren dat het aandeel van leerlingen in de derde
klas van havo en vwo vanaf het midden van de jaren tachtig is gestegen, dat
tegelijkertijd ook het aandeel van leerlingen in de laagste onderwijstypen
is toegenomen en het middenniveau (vbo, mavo) daardoor relatief geslonken
is. “Er is daarmee in feite sprake van een polarisatie (…). Behalve dat steeds
meer jongeren in de hogere niveaus terechtkomen, krijgt een toenemend deel
van de jongeren juist moeite om mee te komen en aan de hoge normen te voldoen.”
Daar komt nog bij, zo merken zij op, dat de ongediplomeerde uitval in vbo
en mavo relatief hoog is.
44. Vgl. Bond KBO, Verantwoord èn
geïnspireerd, Veertien beleidsuitspraken voor de jaren 2000-2003, 14.
45. Katholiek onderwijs en de komende
tijd nr. 18.
46. Katholiek onderwijs en de komende
tijd nr. 18.
47. Vgl. Beleidsplan Bond KBVO 2002-2006,
18-19.
48. Dit wordt analoog geconstateerd
voor het godsdienstonderwijs in schoolverband in het Algemeen directorium
voor de catechese van de Congregatie voor de Clerus, nr. 74.
49. Is het katholiek onderwijs millennium-bestendig?
46-47.
50. Is het katholiek onderwijs millen-nium-bestendig?
48.
51. Pauselijke Raad voor de Bevordering
van de Eenheid van de Christenen, Oecumenisch Directorium, Richtlijnen voor
de toepassing van de beginselen en normen inzake de oecumenische beweging,
in Kerkelijke documentatie 21 (1993) nr. 104.
52. Oecumenisch Directorium nr. 106.
53. Oecumenisch Directorium nr. 129.
54. Is het katholiek onderwijs millen-nium-bestendig?
47-48.
55. Congregatie voor de Clerus, Algemeen
directorium voor de catechese, in Kerkelijke documentatie 26 (1998) nr. 61-72;
vgl. Bisschoppelijke Commissie voor de Katechese, Bisschoppelijke Commissie
voor Onderwijs en Vorming, Criteria bij de bepaling van de inhoud van het
godsdienstonderwijs op de katholieke school, in Kerkelijke documentatie 23
(1995) 476-477.
56. Criteria bij de bepaling van de
inhoud van het godsdienstonderwijs op de katholieke school, 477.
57. Algemeen directorium voor de catechese,
nr. 73.
58. Algemeen directorium voor de catechese,
nr. 73.
59. In een toespraak tot het symposium
van de Raad van Europese Bisschoppenconferenties over ‘Het onderwijs van de
katholieke godsdienst in de openbare school’ op 15 april 1991; zie Algemeen
directorium voor de catechese, nr. 74.
60. Algemeen directorium voor de catechese,
nr. 74.
61. Algemeen directorium voor de catechese,
nr. 75.
62. Katholiek onderwijs en de komende
tijd, nr. 28.
63. Raamleerplan voor Godsdienst/ Levensbeschouwing
op Katholieke basisscholen, Den Haag: Nederlandse Katholieke Schoolraad, 1999;
Godsdienst/Levensbeschouwing in de Tweede fase van het Voortgezet Onderwijs
voor Katholieke Scholen van HAVO en VWO, Den Haag: Nederlandse Katholieke
Schoolraad, 1998.
64. Leerlijnen bij het Raamleerplan
Godsdienst/Levensbeschouwing op Katholieke basisscholen, Den Haag: College
van Bisschoppelijk Gedelegeerden/Nederlandse Katholieke Schoolraad, 2000.
65. Kerkelijke documentatie 23 (1995)
476-480.
66. Algemeen reglement voor het katholiek
onderwijs, art. 13 en 15.
67. A. Wachter-van Veen & Th. van
der Zee (red.), Van A tot Z, Aandacht en zorg op school, Roermond: College
van Bisschoppelijke Gedelegeerden voor het katholiek onderwijs, 2002.
68. Wetboek van Canoniek Recht, canon
803; vgl. Algemeen reglement voor het katholiek onderwijs (Regelingen R.-K.
Kerkgenootschap nr. 2), Utrecht: SRKK, 1987, art. 6 en 7; vgl. Toelichting
onder punt 3.
69. Katholiek onderwijs en de komende
tijd, nr. 26.
70. Zie Bond KBO, Verantwoord èn
geïnspireerd, 23-24; Beleidsplan Bond KBVO 2002-2006, 8-9.
71. Men kan ook denken aan ouders wier
kinderen recentelijk op een school zaten.
72. Woord aan de Nederlandse bisschoppen,
30 ja-nuari 2000.
73. Regel van
Benedictus, nr. 3.
74. Verbinden en vertrouwen, Strategisch
beleidsplan Nederlandse Katholieke Schoolraad (NKSR) 2001-2004, Den Haag:
NKSR, september 2001.
75. Verbinden en vertrouwen, 5.
76. Verbinden en vertrouwen, 9-10.
77. Verbinden en vertrouwen, 11-12.
78. College van Bisschoppelijk Gedelegeerden
voor het katholiek onderwijs, Meer-jarenbeleidsplan 2001-2004, april 2001.
79. Vgl. Kiezen en delen, Aanzet tot
longitudinale planning en onderlinge afstemming van godsdienst/levensbeschouwing
in het katholiek onderwijs, 1997, 30-33.
80. Bond KBO, Verantwoord èn
geïn-spireerd, Veertien beleidsuitspraken voor de jaren 2000-2003.
81. Beleidsplan Bond KBVO 2002-2006
inclusief activiteitenplan 2002, concept d.d. 27 november 2001.
82. Bestuur van de Nederlandse Katholieke
Oudervereniging, Woord aan de Nederlandse bisschoppen, Den Haag, 30 januari
2000.
83. Pleidooi voor een landelijke invoering
van het vak levensbeschouwing op alle middelbare scholen in Nederland door
de VDL, de VGL en het PSC HVO, Conceptdocument voor raadpleging in de ledenvergadering
22 maart 2002. Staatssecretaris Adelmund heeft inmiddels voorgesteld om Godsdienst/Levensbeschouwing
op te nemen in het schoolexamen.
____________________________________________________________________________
Inhoud
Ten geleide
I. Inleiding
1. De aanleiding tot deze nota
2. Het doel van deze nota
3. Voor wie is deze nota bestemd?
4. De opzet van deze nota
II. Voor welke vragen weten wij ons gesteld?
1. De katholieke school bevindt zich in een seculariserende,
individualiserende en multiculturele samenleving waarin het christendom een
minderheid is
2. Veranderingen in het onderwijs en op communicatief
gebied
3. Katholieken en hun band met geloof en Kerk
4. De verhouding van het katholiek onderwijs tot de leiding
van de Kerk
5. Alles overziende
III. Uitgangspunten
1. Een recht van het kind
2. Onderwijs en vorming
3. Katholiek onderwijs
3.1. In het licht
van de zending van de Kerk
3.2. Wat maakt een
school tot katholieke school?
3.2.1. Een educatieve
gemeenschap levend uit een waardestelsel
3.2.2. Om welke
waarden gaat het?
a.
Katholiek onderwijs heeft oog voor God als Schepper en Verlosser en voor Zijn
Koninkrijk
b.
Katholiek onderwijs is gericht op de vorming van de gehele menselijke persoon
c.
Katholiek onderwijs is onderwijs voor elke mens, met een bijzonder oog voor
de zwakkeren
d.
Katholiek onderwijs heeft oog voor gemeenschap
3.2.3. Waarden willen
ontdekt en vertaald worden
a.
In verschillende soorten onderwijs
b.
In zeer uiteenlopende situaties
3.2.4. Profilering
op vier gebieden in het bijzonder
3.2.5. De rol van
de kerkelijke overheid
IV. Naar een bezield en zelfbewust katholiek onderwijs
1. Doelen van beleid
2. Speerpunten
2.1. Contact tussen
de geloofsgemeenschap en het katholiek onderwijs
2.2. Identiteitsbeleid
van katholieke scholen
2.3. Versterking
van de draagkracht van het katholiek onderwijs op identiteitsgebied
2.4. Kerk en school
ter plaatse
V. Besluit
Bijlage 1. Activiteitenagenda
Bijlage 2. Vigerend beleid van katholieke
onderwijsorganisaties
____________________________________________________________________________
© Secretariaat RKK
Deze nota is een uitgave van het Secretariaat RKK, Postbus 13049, 3507 LA
Utrecht, tel.: 030 2326909, fax: 030 2334601, e-mail: media@rkk.nl
Prijs gedrukte versie: € 3,50
ALGEMENE RAAD VAN HET KATHOLIEK ONDERWIJS - Specificiteit
van het Katholiek Onderwijs - LICAP, s.v. Brussel, 1975
WOORD VOORAF
Ingaande op de wens van de Belgische Bisschoppenconferentie
en overtuigd dat de zorg voor het katholiek onderwijs in ons land moet kunnen
steunen op de samenwerking tussen alle groepen die hiervoor een specifieke
verantwoordelijkheid dragen, werd in december 1972 de Algemene Raad van
het Katholiek Onderwijs opgericht als overlegorgaan tussen de Bisschoppenconferentie,
de Nationale Confederatie van de Ouderverenigingen, de Christelijke Centrales
van het Personeel en de Representatieve Vereniging van de Inrichtende Machten
van het Katholiek Onderwijs.
De Algemene Raad wil bijdragen tot de verwezenlijking
van christelijke schoolgemeenschappen ten gerieve van de jonge mens en van
al degenen die zich om zijn vorming en ontplooiing inzetten. Daartoe stimuleert
hij o.a. het overleg en de samenwerking van alle betrokkenen en bepaalt
hij de eigen opdracht van het katholiek onderwijs, rekening houdend met
de vastgestelde noden.
Bij de oprichting van de Algemene Raad verklaarde
Mgr. J.V. Daem, afgevaardigde van de Bisschoppenconferentie en voorzitter
van de A.R.K.O.:
‘Onderwijs en opvoeding blijven zware opgaven. Dit
vergeet men wel eens in de kritiek die ongenadig tegen vele scholen aanbeukt.
Het is geen gemakkelijke taak een concreet christelijk leven te leiden...
Het is zeker geen gemakkelijke taak, jongeren tot de volwassenheid op te
voeren en, in de kracht van de Geest, tot christelijke volwassenheid.
‘...De katholieke school wil de volledige bevrijding
van de jonge mens realiseren, die spreekt uit de boodschap van Christus.
Dat moet zij, ook waar één procent van de leerlingen uit gezinnen
komen die anders gericht zijn. Dit doet zij dan natuurlijk in volle eerbied
voor de godsdienstvrijheid en voor de christelijke verdraagzaamheid.
«...Wij bedoelen het goed: wij willen meer
dan ooit de katholieke school in dienst van de ouders die christelijk onderwijs
en opvoeding verlangen voor hun kinderen. Wij willen van onze scholen maken
echte christelijke opvoedingsgemeenschappen....
De A.R.K.O. heeft met dat doel, in elk taalstelsel,
een werkgroep ermee belast, de eigenheid van het katholiek onderwijs nader
toe te lichten om aldus de scholen te helpen uitgroeien tot echte christelijke
opvoedingsgemeenschappen. De documenten, die door beide werkgroepen werden
opgesteld, werden voor goedkeuring voorgelegd aan de Algemene Vergadering
op 22 februari 1975. Het Bureau van de A.R.K.O. heeft op 2 december 1975
de definitieve teksten vastgelegd, na goedkeuring door de Bisschoppenconferentie.
Deze brochure bevat de tekst van het Nederlandstalige
document, met een inleiding van Mgr. J.V. Daem, voorzitter van de A.R.K.O.
Moge elke katholieke schoolgemeenschap zich op die
tekst bezinnen om steeds beter haar apostolische opdracht te kunnen vervullen
INLEIDING door Mgr. J.V. Daem, bisschop van Antwerpen
en voorzitter van de A.R.K.O.
(Uitgesproken op de persconferentie van 22 september
1975, ter gelegenheid van de voorstelling van het document "Specificiteit
van het katholiek onderwijs ».)
Beste Vrienden,
Tot grote vreugde van zeer velen in ons land is de
Algemene Raad van het Katholiek Onderwijs enkele jaren geleden tot stand gekomen.
De belangrijkheid ervan voor deze tijd is zeer groot. Deze raad is immers
een overlegorgaan, waarin de vertegenwoordigers van de Inrichtende machten
van het katholiek onderwijs samenkomen met de afgevaardigden van de ouders
onzer leerlingen, de leerkrachten en de christelijke sociale organisaties
om de grote problemen van het katholiek onderwijs te bespreken en op te
lossen. Hij is een vorm van reële participatie aan het beleid van het
katholiek onderwijs. Ik dank heel bijzonder al wie er deel van uitmaakt.
Persoonlijk treed ik hier op, gemandateerd door de
Bisschoppenconferentie samen met heel de Algemene Raad. Wij komen vóór
de publieke opinie van ons land met een boodschap van vérstrekkende
betekenis.
Wij willen hier vandaag voor U de specifieke opdracht
van de katholieke school klaar uitspreken. Waar willen wij met de katholieke
school naar toe? Wat is haar christelijk opvoedingsproject? M.a.w., wij hebben
het over de identiteit van het katholiek onderwijs en wij willen die, tot
bevrijding van velen, op dit moment bevestigen.
De tijd is daarvoor rijp. Er werd het jongste decennium
heel veel gesproken over identiteit en identiteitscrisis. Als ik niet goed
meer weet wie ik ben — een mens die een plaats inneemt in Gods schepping,
verantwoordelijk met de anderen in de mate van wat hij is en kan, een christen,
die een plaats heeft in Gods heilsplan, verantwoordelijk samen met de anderen
voor God die hem (p.5)
roept tot geloof in Christus en hem zendt als Zijn
getuige tot heil van de wereld - dan geraak ik in crisis. Ik ondervraag
mij dan opnieuw: Wie ben Ik? Wat doe ik? Waarheen moet ik? Ik vind dan de
kans om het gebrek aan continuïteit te verhelpen door het licht dat
in mij is of dat anderen voor mij zijn. Als ik uit een identiteitscrisis
wil geraken, moet ik de constante terugvinden van het totaal van mijn taken.
Kom ik er niet toe, dan verlies ik mijzelf en ondermijn ik het leven van
velen.
Vandaag de dag leven veel mensen in identiteitscrisis,
ook binnen onze katholieke scholen. Er worden al te veel schermen gestoken
tussen hen die licht brengen en hen die de constante van het totaal van hun
taken zelf uit het oog en de daad verliezen. Wij willen ons daarvan bevrijden.
De Algemene Raad heeft, na veel nadenken en samen-spreken, het eigene, de
constante van de katholieke school opnieuw geformuleerd en het bekeken t.o.v.
wereld en Kerk nu, en dit in hoofde van al de betrokkenen.
Evenmin als voor de identiteit van de Kerkgemeenschap
zelf, mag men bij het verwoorden van de identiteit van de katholieke school
niet vergeten dat Vaticanum II heeft plaats gehad en het licht van het Evangelie
en van de tekenen des tijds laat schijnen dat de identiteitscrisis van de
gelovigen, die er zich voor openstellen, helpt oplossen.
Wij, christenen, wij willen katholieke scholen. Wij
willen immers als dienst aan de gemeenschap cultuur en wetenschap bevorderen,
de jonge mensen meer mens maken (hominiseren), hun sociale zin ontwikkelen,
hun ogen openen en hun inzet lostrekken voor de opbouw van een betere wereld.
Wij willen de heilsboodschap integraal en open aan de jongeren brengen, hen
richten op de christelijke geloofsvisie, hen openstellen voor het welzijn
van de mensengemeenschap en hen vormen tot getuigend en bevrijdend evangelisch
leven in dienst van het Godsrijk.
De katholieke school heeft geen zin zonder opvoeding
tot vrijheid gedaan door vrije opvoeders. Christelijk leven is een vrij gekozen
leven dat, in de kracht van de Geest, de weg opgaat die Christus is gegaan.
God schiep vrije mensen, geen andere. De jongeren vrij te leren leven, naar
evangelisch model, is de opgave van de katholieke school. (p.6)
De katholieke school heeft evenmin zin, indien zij
de christelijke vreugde mist. Haar opvoeders zijn dragers en getuigen van
de Blijde Boodschap van Christus. Als ik bij een bezoek aan een katholieke
school die vreugde, die blijheid in de omgang van de schoolmensen met elkaar,
niet aanvoel, ga ik er zeer onvoldaan weg. De boodschap die de katholieke
opvoeders aan de jongeren moeten brengen en waarvan dezen moeten getuigen
in hun levensstijl, is de Blijde Boodschap. De komst van Christus, de mensgeworden
God, is een bevrijdende komst, dus een blijde.
De katholieke school, of liever de katholieke schoolgemeenschap,
wil door en door humaan en christelijk denken en doen. Zij zal steeds de
jongeren helpen zich volledig te ontplooien met het oog op de taken die op
hen wachten in wereld en Kerk. Die dienst is vol waardering voor de gewetensvrijheid,
de eigen verantwoordelijkheid en de zelfbeschikking. Tevens voor het authentiek-evangelisch
geloofsinzicht en de tijdgebonden vertolking ervan.
Beste Vrienden, wij blijven geloven in de katholieke
school; wij blijven geloven in de Kerkgemeenschap van ons land, die de katholieke
school WIL, samen met ons, en wij willen de gemeenschap ook hierin "dienen".
(p.7)
Specificiteit van het Katholiek Onderwijs
Vooraf
Het is aangewezen, wanneer het over de specificiteit
van het katholiek onderwijs gaat, te verwijzen naar de veel geciteerde passage
uit de « Verklaring over de Christelijke Opvoeding » van het
tweede Vatikaans Concilie, waarin de eigenheid van de katholieke school wordt
aangegeven: « Haar is echter eigen: het milieu van de schoolgemeenschap,
bezield door de evangelische geest van vrijheid en liefde, tot stand te brengen;
de jeugdigen te helpen om hun eigen persoonlijkheidsontwikkeling harmonisch
samen te laten groeien met de nieuwe schepping, die zij door het doopsel
zijn geworden; de algemeen menselijke cultuur zo met de heilsboodschap te
verbinden, dat de kennis die de leerlingen betreffende de wereld, het leven
en de mens trapsgewijs verkrijgen, door het geloof wordt belicht. »
(Gravissimum educationis, n. 8.)
Deze tekst is bijzonder rijk aan inhoud en ontwikkelt
een fundamenteel identieke gedachte op drie wijzen. De menselijke en natuurlijke
componenten (schoolgemeenschap, de jeugdigen in hun persoonlijkheidsontwikkeling
en de algemeen menselijke cultuur) moeten telkens verbonden worden met de
religieuze en bovennatuurlijke waarden (de evangelische geest, de jeugdigen
als gedoopten en de belichting door het geloof). De opbouw van een christelijke
schoolgemeenschap wordt als specifiek vermeld voor de katholieke school.
Het psychologisch-genetisch standpunt wordt ingenomen als het gaat over de
groei van de jeugdigen naar gelovige volwassenheid met de hulp van de school.
En wat de inhoud zelf van het onderwijs in de katholieke school betreft, wordt
als eigenheid aangeduid dat er een synthese wordt gezocht tussen de algemeen
menselijke cultuur (p.9)
en de heilsboodschap en wordt duidelijk gesuggereerd
dat wat de leerlingen leren, in zijn gelovige betekenis moet worden geduid.
Deze algemene conciliaire uitspraak kan ons alleszins
inspireren als wij voor onze eigen situatie de vraag naar de specificiteit
van het katholiek onderwijs stellen.
1. De specificiteit van het christelijk opvoedingsproject
in de katholieke school
a. De tekst van het Concilie, waarover hoger sprake,
wordt onmiddellijk gevolgd door deze zin: "Zo zal de katholieke school zich,
zoals het hoort, openstellen voor de evolutie van de tijden en daardoor
haar leerlingen het welzijn van de aardse gemeenschap doeltreffend doen
bevorderen; zij zal hen ook voorbereiden tot de dienstbaarheid voor de uitbreiding
van het rijk van God om door de uitoefening van een voorbeeldig en apostolisch
leven een heilzaam zuurdeeg te worden voor de menselijke maatschappij».
Deze tekst wijst duidelijk op een dubbele opdracht
van de katholieke school. Enerzijds willen de christenen die haar inrichten
en haar opvoedingsproject realiseren, een dienst bewijzen aan de gemeenschap
door het bevorderen van de cultuur en de wetenschap, dus van aardse menselijke
waarden langs opvoeding op school. Deze opdracht ligt helemaal in de lijn
van de Constitutie « Gaudium et Spes » (De Kerk in de wereld),
waarin de christenen dringend worden opgeroepen om als christenen mede te
werken met alle anderen aan de verdere « hominisatie » van de
mensheid, aan de verbetering van de samenleving door meer weten, aan de
opbouw van een betere wereld, door betere intermenselijke relaties, door
maatschappelijk bewustzijn, door meer welzijn en geluk voor iedereen te
bereiken.
Daar de mensheid nooit « af » is en wij
nog geroepen worden om in een tijd met veel mogelijkheden aan Gods scheppingswerk
mee te werken, heeft deze taak eigenlijk ook een gelovige betekenis. En
het zou in ieder geval verkeerd zijn van de gelovigen, zich niet meer in
te spannen voor de katholieke opvoedingsinstellingen op een ogenblik dat
deze hoge opdracht van de menswording en de mensvorming in het brandpunt
staat. Vanuit de christelijke levensbeschouwing hebben de christenen alleszins
hoge menselijke waarden aan te brengen aan het mensbeeld. Noteren we nog
voorlopig dat deze opdracht van de katholieke school althans gedeeltelijk
door niet typisch katholieke scholen zou kunnen worden overgenomen, ook in
onze westerse en nationale context.
(p.10)
Anderzijds wordt er een tweede opdracht aangegeven,
die meer specifiek is voor de christelijke school, nl. de evangelisatie door
de heilsboodschap integraal en open aan de leerlingen te brengen en ze zo
voor te bereiden op een leven, waaraan die boodschap een diepe zin verleent.
Precies de schoolgemeenschap die de signatuur « katholiek » draagt,
biedt meer kansen deze tweede opdracht waar te maken .
Vanuit bovenstaand oogpunt wordt ook duidelijk dat
de christenen door hun verlangen naar een eigen school, waar de geloofsgroei
van het kind bevorderd wordt, niet de richting van getto-mentaliteit of verzuiling
uitwillen. De christelijke inspiratie immers moet volgens hen werkzaam worden
in en door het onderwijsgebeuren zelf in dienst van een betere wereld voor
allen. Het verlangen naar een katholieke school moet dan ook niet zozeer
gezien worden als het opeisen van een recht, maar wel als het aanbieden van
kansen. De christelijke gemeenschap en speciaal daarin de voorstanders van
een christelijke school, moeten zich daarom ook voortdurend bezinnen om die
kansen reëel en verantwoord te benutten. Een zich voortdurend herbronnende
en zoekende katholieke school komt op die manier tot ware dienstverlening
aan de menselijke gemeenschap.
In "De toekomst van de katholieke school» zegt
Prof. A.G.M. Melsen: « De vernieuwing van de katholieke school is
zowel kwestie van zich telkens opnieuw oriënteren op de christelijke
geloofsvisie — soms zelfs een oriënteren dat iets van een terugkeren
tot" heeft — als een kwestie van zorgvuldig de werkelijkheid onderzoeken
op de mogelijkheden die zij biedt om de christelijke levensvisie op een
nieuwe wijze gestalte te geven. Een katholieke school blijft dan ook altijd
een waagstuk. Zij is niet iets dat we kunnen «plannen»
met een redelijke zekerheid dat het beoogde resultaat ook bereikt wordt.
Maar het is wel een waagstuk dat volop de moeite waard is, in onze tijd
zeker niet minder dan in het verleden".
b. Waarin bestaat dan die specifieke opdracht
van een katholieke school?
Vooreerst valt er op te merken dat de katholieke
school haar opdracht vervult met de concrete middelen van een schoolinstelling
en ook rekening houdend met de specifieke taak van iedere school als school.
Het doel van de school is het oriënteren in
de werkelijkheid op basis van het aanbrengen van de nodige kennis, vaardigheden
(p.11)
en attitudes, waardoor de totale persoonlijkheid
ontplooiingskansen krijgt (het «apprendre à être»
van het UNESCO-rapport). Passen we het toe op de katholieke school, dan
zal de kennis die de leerlingen er opdoen en de vorming die zij er ontvangen,
evident gelijkaardig zijn aan wat men op andere scholen leert. De vorming
op de basisschool behelst het a.b.c. van de basistechnieken om toegang te
krijgen tot de cultuur en die van de secundaire school omvat vooral een
inleiding in het begrijpen van de hele werkelijkheid langs het aanleren van
de grammatica der leerdisciplines. Maar deze vorming bestaat meteen ook
in een ontmoeten van de werkelijkheid in haar veelvuldigheid en vooral in
haar zin of betekenis en in contact met de waardenwereld. Die betekeniswereld
van de mens en van de hele werkelijkheid ontvouwen is dan ook een fundamentele
doelstelling van de school: zij kan er gewoon niet buiten. In de katholieke
school zal men dus niet alleen de werkelijkheid leren analyseren en structureren
maar ook de betekenis van de dingen voor de christenen aan de leerlingen
meedelen en doen ontdekken.
Binnen het nastreven van het « waarheidsethos
» als bevrijdende functie voor mens en maatschappij, kan de katholieke
school de oriëntering in de wereld, dus de studie van de diverse wetenschappen
integreren in de christelijke levensbeschouwing en -praxis, die voortdurend
met behulp van die wetenschappen aan zelfkritiek blijft doen. De religieuze
en christelijke benadering van de werkelijkheid geschiedt aldus ter wille
van de waarheid zelf. Het is wat de Verklaring over de Christelijke Opvoeding
noemt: de kennis betreffende de wereld, het leven en de mens door het geloof
te belichten.
De school dient ook attitudes en intermenselijke
relatievormen bij te brengen of te «leren leven». In de katholieke
school zal men leren de werkelijkheid, al wat bestaat, te ontmoeten in het
zedelijk leven of de liefde. De zin van de werkelijkheid voor de christenen
zal leiden tot leren leven volgens de heilsboodschap, die de vrijheid van
de jonge mens uitnodigt tot het positief realiseren van waarden, tot het
beoefenen van de christelijke liefde en het christelijk engagement. Zo zal
de evangelische vrijheid steeds aanzetten tot een christelijk engagement.
Een katholieke school moet dus zorg hebben voor het feit dat het schoolgebeuren
(het patroon der relaties, de onderwijskundige aanpak, de maatschappelijke
opties, de keuze der leerstofgehelen...) «bevrijdend» werkt. Het
katholiek schoolbestel is essentieel gericht op waarheidsliefde, dialogische
houding, verantwoordelijkheidsbesef, zin voor het mysterie van God, de mens
en de wereld...
Dit alles dient te gebeuren in een geest van vrijheid.
« De school die het geloof in Jezus wil aanbieden, identificeert Jezus
Chris- (p.12)
tus niet met een totalitaire en dwingende ideologie.
De opvoeding kan, in haar leidinggevende zekerheid, deemoedig en geduldig
blijven, zoals Jezus het zelf was en is met de mensen. Innerlijke vrijheid
in de gebondenheid bij de opvoeding en het onderwijs maakt het mogelijk om
vrije ruimte te laten in de bindende richting die zij geven». (Cfr.
A. Vergote: Een opvoedingsproject gegrondvest op Jezus-Christus, Heverlee,
1974, blz. 14.)
Een opvoedende schoolgemeenschap met directie en
leerkrachten, ouders en leerlingen, die een concreet opvoedingsproject op
echt christelijke grondslag kritisch uitwerkt, is een onmisbare voorwaarde
om de katholieke school in de toekomst aan haar specifiek karakter
trouw te doen blijven.
2. De katholieke school en de geheelheidspastoraal
De pastoraal is in deze tijd een groot geheel geworden,
waarin de delen een organisch verband met elkaar moeten hebben. In het kader
van de opvoeding tot volwassen christen-zijn, heeft de katholieke school
een eigen rol te vervullen in de zin die hoger werd geschetst. Zij heeft
aldus een kerkelijke en pastorale functie en wie in de katholieke school
opvoedt, vervult volgens de Concilieverklaring een authentiek apostolaat.
Precies deze rol van de katholieke school wordt heden
ten dage vaak in vraag gesteld. Loont het nog de moeite dat de katholieke
gemeenschap zoveel mensen en gelden investeert in de katholieke schoolinstellingen,
zijn deze inspanningen wel in verhouding met het bereikte resultaat op het
pastorale vlak? Of nog: zijn de katholieke scholen, als instellingen van
de Kerk, nog wel een getuigenis van het evangelie, of zijn ze eerder een
rem voor het zuiver aankomen van de evangelische boodschap?
Deze vragen nopen er ons toe een gewetensonderzoek
te houden. Alle gevestigde structuren moeten we immers steeds opnieuw durven
plaatsen onder de kritiek van het evangelie. Deze vragen, die altijd open
blijven en in abstracto trouwens moeilijk op te lossen zijn, kunnen echter
een begin van antwoord krijgen wanneer wij er ons voor inzetten dat de katholieke
school aan haar taak van dienst aan de wereld en van evangelisatie zou beantwoorden,
door in een klimaat van vrijheid een christelijke opvoeding te verschaffen.
Om deze inzet waar te maken is het noodzakelijk dat
de hele katholieke gemeenschap de pastorale verantwoordelijkheid draagt voor
de uitbouw van de katholieke school. De geënga-
(p.13)
geerde leken vervullen een essentiële rol in
het leven van de katholieke school en dit moet zich uiten in de samenstelling
van de Inrichtende Machten, de directiefuncties en het leerkrachtencorps.
De ouders, die hun kinderen naar de katholieke school
sturen, dienen niet alleen het christelijke opvoedingsproject van de school
te aanvaarden, zij zullen dit project ook helpen door in te spelen op hetgeen
de school aanbrengt en door hulp en steun te bieden aan het onderwijzend
personeel, zodat samen de christelijke opvoeding gerealiseerd wordt. Het
team van leerkrachten zal zich niet alleen voortdurend dienen te bekwamen
in zijn pedagogische taak, maar zich ook geregeld bezinnen op zijn
pastorale taak en verantwoordelijkheid. Zo kan de katholieke schoolgemeenschap
een pastorale taak vervullen niet alleen bij de leerlingen, maar evenzeer
bij leerkrachten en ouders.
In deze pastorale opdracht lijken o.a. volgende
punten wel belangrijk:
a. De catechese neemt een specifieke plaats in het
katholiek onderwijs in. Zij moet er optimaal verzorgd worden en in nauw
verband staan met de andere disciplines en functies in de school. De leraren
in de zgn. profane vakken hebben een even belangrijke taak omdat zij juist
de hele werkelijkheid gelovig kunnen belichten en kunnen samenwerken met
de priester of leek-catecheet. Teamwork voor de godsdienstige levenshouding
lijkt onontbeerlijk. Dit verschijnen als echte gelovige schoolgemeenschap
krijgt nog een typisch aspect in het lager onderwijs, waar in de regel iedere
onderwijzer(es) leeropdracht godsdienst ontvangt in een katholieke school.
b. Van catechese naar schoolpastoraal lijkt de normale
evolutie te zijn in de katholieke school. De inhoud van de schoolpastoraal
zal weliswaar geleidelijk preciezer moeten gedefinieerd worden, maar de nood
aan echte pastorale zorg op school wordt scherp aangevoeld. Voor de lagere
school wordt gevraagd naar de dagelijkse zorg en belangstelling van de parochiegeestelijkheid.
De secundaire school, vooral vanaf een zeker aantal leerlingen, begint erg
te gelijken op een parochiesituatie met tientallen volwassenen en honderden
jeugdigen. Daarenboven komen de ouders meer en meer op school en gaat de
evolutie naar een opvoedende schoolgemeenschap, zodat een schoolpastoraal
als categoriale pastoraal zich werkelijk opdringt. En kan de schoolpastor
geen typische functie worden?
De school wordt in vele gevallen een cultureel centrum
en een vormingscentrum voor volwassenen. Moet men de katholieke school ook
niet explicieter zien als een pastorale eenheid, parallel aan die menselijke
vormingsdimensie? (p.14)
c. Werkelijke moeilijkheden en hinderpalen zijn er
wel in dit verband, in ons land en ook wel elders: geloofstwijfel en geloofscrisis
bij enkele leerkrachten, onverschilligheid van een aantal ouders voor de
christelijke opvoeding op school en een op ethisch gebied vaak losgeslagen
wereld waarin een aantal kinderen dagelijks blijvende invloeden ondergaan.
Men kan de moeilijkheden en hinderpalen nog specificeren (zie verder). Maar
dit behoort tot de situatie van onze leefwereld en bijgevolg van de pastoraal.
En is er een ander middel dan te beginnen met een schoolteam te vormen waarin
de volwassen mensen werkelijk van elkaar houden en elkaar steunen en trachten
aan de jeugd een oprecht getuigenis te geven en met hun ouders oprecht en
met begrip het goed van de kinderen na te streven?
3. Vrijheid en openheid van de katholieke school
in de pluralistische maatschappij
De katholieke school, zoals de christenen zelf, staat
in een maatschappij waarin allerlei opvattingen en stromingen elkaar doorkruisen,
waarin de communicatiemedia alle doorstromingen mogelijk maken en die in
een hoge mate geseculariseerd is, d.w.z. dat een aantal sectoren en aspecten
van de menselijke bedrijvigheid en cultuur totaal autonoom zijn geworden
zonder enig verband met de gelovige leer en existentie.
In die pluralistische wereld blijft de katholieke
school meer dan ooit noodzakelijk omdat zij én de autonome evolutie
van wetenschap en cultuur volgt als iedere school én tegelijk als
taak heeft een gelovig antwoord te geven op de existentiële vragen naar
de zin van geboorte, leven en dood, de zin van de wereld en de relatie tot
de mens en alle ethische stellingnamen die erbij te pas komen.
Dit impliceert dus de openheid op de wereld, op al
wat er gebeurt, op wat wordt bedacht en wordt nagestreefd, ook op het gebied
b.v. van de sociale gerechtigheid en van de "politeia».
Wordt er geëndoctrineerd in de katholieke school?
Men kan in deze tijd dat verwijt moeilijk aanvaarden. Tekort aan lijn, aan
precieze doelstelling op christelijke grondslag is eerder het gevaar. Wel
kan het zijn dat men pedagogisch-didactisch wellicht niet altijd de gepaste
middelen vindt voor een opvoeding tot vrijheid van de kinderen Gods.
Wordt er gewetensdwang uitgeoefend op de ouders en
de leerlingen? De ouders hebben meer dan ooit de vrije keuze. Zij
(p.15)
engageren zich wel, evenals hun kinderen, in een
geëngageerde school die t.o.v. de gemeenschap een signatuur draagt
en haar zending wil vervullen. Maar dit is geen gewetensdwang.
Hoe dan juist de vrijheid en openheid begrijpen?
a. In hoofde van de leerlingen
De pluralistische wereld van vandaag levert aan de
katholieke school jeugdigen, die zeer verscheidene en verschillende achtergronden
van geloofservaring hebben. Bovendien zorgen de persoonlijkheidskenmerken
ervoor dat er een grote variatie aan geloofsgevoeligheid in de groep der
schoolgaanden aanwezig Is.
Deze jeugdigen moeten gevormd worden en zichzelf
vormen met het (mede door hen bepaald) opvoedingsproject van de school als
doelstelling. Vanuit de wereld die de hunne is, worden zij uitgenodigd,
langs persoonlijke medewerking tot verantwoordelijkheid in vrijheid te worden
begeleid en gevormd. Die «uitnodiging tot...» betekent dus dat
de katholieke school alleen niet borg kan staan voor het ingroeien van de
jeugdige in het christelijk opvoedingsproject. De katholieke school dient
bestendig aandacht te hebben voor kritische jeugdigen die nog niet volledig
open staan voor de geloofsdimensie. Deze jongeren moeten gedurende de gehele
schoolleeftijd de kansen krijgen, waarop anderen makkelijker reageren en
ingaan.
De opvoeders, ook de ouders, moeten mede intreden
in de belevingswereld van de leerlingen en daardoor generatiekloven vermijden.
Bij de geloofsopvoeding moet vanzelfsprekend uitgegaan worden van de specifieke
kenmerken der verschillende fasen van de persoonlijkheidsontwikkeling.
Zoals voor elke opvoedings- en onderwijsactiviteit
moet de geloofsopvoeding zoveel mogelijk op het niveau van de leerling gerealiseerd
worden. Vooral de geloofsgevoelige jongeren moeten aangepaste kansen krijgen
om hun religieuze aanspreekbaarheid verder te ontwikkelen.
b. in hoofde van de ouder.
De eerste en natuurlijke opvoeders kozen voor de
medewerking bij het opvoeden van hun kinderen een bepaalde school. Er kan
niet geloochend worden dat de keuze van een katholieke school gebeurt vanuit
zeer uiteenlopende motieven of vanuit een ingewikkeld complex van gevoelens
en reflexies. Deze motieven liggen tussen twee uitersten: de bewuste keuze
voor aansluiting bij de christelijke sfeer in het gezin en het vaag gevoel
van onmacht om in het gezin tot echte geloofsopvoeding
(p.16)
te komen met als gevolg de verwachting dat de school
de opvoeding wel waar zal kunnen maken. Een zeer veel gebezigd neutraal
motief is verder de «goede naam» die de katholieke scholen nu
eenmaal hebben.
Het is duidelijk dat de ouders moeten beseffen dat
hun verantwoordelijkheid niet af is, wanneer zij hun kind aan de katholieke
school toevertrouwen. Zij moeten minstens besef hebben van en liefst duidelijk
onderschrijven wat de katholieke school bedoelt te bereiken. Zij moeten uitgenodigd
worden om met de directie, de leerkrachten en leerlingen aan de concrete
vormgeving van de schoolgemeenschap te werken in de zin, zoals het christen-zijn
in deze tijd moet worden beleefd: in geloof, hoop en liefde, in dienstbaarheid,
met opvoeding tot edelmoedigheid voor al wie nood heeft, zonder competitiegeest,
missionair en wereldwijd gericht, met als doel persoonlijke en sociale verantwoordelijkheid.
De ouders moeten mede beseffen dat een katholieke school nooit af is en dus
in heel wat aspecten zoekende is en zal blijven. Het christelijk geloof nodigt
immers uit om nooit stil te staan en om de christelijke realisaties progressief
te vervolmaken. Vertrouwen in het evoluerende opvoedingsproject en in het
zich vervolmakend didactisch arsenaal is nodig.
Ouders kunnen ontzaglijk veel bijdragen tot de realisatie
van en het vertrouwen in de open katholieke school. Het lijkt daarom noodzakelijk
dat zij zich organiseren in ouderverenigingen.
c. In hoofde van de personeelsleden
De leerkrachten van het katholiek onderwijs hebben
zich geëngageerd voor een religieus geïnspireerd onderwijs. Dit
engagement moeten zij waar maken in hun onderwijsopdracht en hun persoonlijk
leven, dat uiteraard een invloed kan hebben op hun onderwijs- en opvoedingstaak.
Bovengenoemd engagement gaat uit van de christelijke
visie op de mens en de evangelische duiding van het wereldgebeuren. Hieronder
wordt primordiaal verstaan dat de christelijke zorg voor elke mens is gebaseerd
op de idee van de caritas, zoals zij ons in Christus werd geopenbaard.
De christelijke leerkracht wil de persoonlijkheid
vormen volgens de evangelische waarden. Dit beduidt dat de persoon en de
maatschappij niet in zichzelf hun einddoel vinden, maar slechts in het zich
voortdurend openstellen voor het heil van God. Dit realiseren van het heilsperspectief
veronderstelt een profetisch uitkijken naar en een werken aan de komst van
het rijk Gods, dat ons uiteindelijk in de Heer wordt toegezegd. Daarom moet
de leerkracht voortdurend de maatschappelijke ordening in vraag (p.17)
stellen. Zij moet getuigen van een progressieve ingesteldheid,
van een onbevredigbare inzet voor een betere wereld. Zij moet de jeugdige
mens vanuit deze profetische instelling opvoeden. De wereld en de mens van
vandaag vormen slechts een tussenstadium op weg naar de voleinding in Christus.
Vanzelfsprekend veronderstelt bovenstaande beschrijving
van de instelling van de onderwijsmens in het katholiek onderwijs niet op
alle punten eenheid in visie van alle leerkrachten en schoolverantwoordelijken.
De christelijke opvatting over de mens en het maatschappelijk gebeuren laten
verschillende opties en perspectieven toe. Binnen de dialoog en de spankracht
van deze alternatieven is de Geest werkzaam en kan de opdracht van het christendom
in deze wereld juister gesteld en volmaakter worden. Het moet dan ook als
een rijkdom voor het katholiek onderwijs beschouwd worden, dat er, naast
de eenheid en gemeenschappelijkheid in de fundamentele boodschap, verscheidene
visies mogelijk zijn. Mits deze visies open, genuanceerd en met schroom
op het juiste ogenblik bij de jeugdige worden aangebracht, betekent deze
feitelijke toestand een waardevol iets.
Het behoort echter ook tot de menselijke existentie,
waarin de christelijke leerkracht zoals iedereen deelt, dat er op geloofsgebied
moeilijkheden en twijfels zijn. Mits het zoeken naar waarheid bij de leerkracht
in de katholieke school gehandhaafd blijft, kan een situatie van twijfel
en moeilijkheden bij een leerkracht worden aanvaard, voor zover zij:
— het christelijk opvoedingsproject van de school
blijft eerbiedigen, zowel in zijn doelstelling als in zijn middelen;
— de nodige schroom over haar persoonlijke moeilijkheden
en problemen aan de dag legt, precies omdat zij zich in een opvoedkundige
context bevindt ten aanzien van jeugdigen;
— de initiatieven, die binnen de school een uitgesproken
christelijk engagement nastreven, niet belemmert. De katholieke school moet
immers ook getuigenis afleggen voor haar opvoedingsproject.
Wanneer dus openlijk en agressief van ongeloof, onverschilligheid
of afkeer van fundamentele christelijke beginselen wordt getuigd, moet de
leerkracht in kwestie eerlijk zelf de consequenties uit haar toestand trekken
en de katholieke school verlaten.
In dezelfde geest moet het personeelslid beseffen
dat zijn privéleven een weerslag kan hebben op zijn opdracht als opvoeder,
aangezien zijn opdracht niet louter als kennisoverdracht, maar als het aanbieden
en vóórleven van waarden gezien wordt. Wanneer het opvoedend
handelen en zijn van de leerkracht in grote mate negatief wordt beïnvloed
door haar situatie buiten de (p.18)
school, d.w.z. flagrant in tegenspraak is met wat
zij geacht is voor te leven, moet naar een menselijke oplossing, met medeweten
en hulp van de betrokken leerkracht, gezocht worden.
In deze delicate materie moet steeds opgetreden worden
met voorzichtigheid, menselijkheid en openheid in het beoordelen van het
menselijk gedrag in het opvoedings- en schoolgebeuren. Tot de opbouw van
een ware katholieke schoolgemeenschap (zie verder) behoort ook het respect
voor andere opvattingen, de hulp aan en het begrijpen van in moeilijkheden
verkerende opvoeders.
d. In hoofde van de inrichtende Machten
De eerste verantwoordelijkheid van de lnrichtende
Macht is het bevorderen van het opvoedingsproject op school. De Inrichtende
Macht moet de gunstige voorwaarden weten te scheppen tot het uitwerken, het
juist omschrijven en het uitvoeren van dat project op basis van evangelische
en kerkelijke principes.
Daarom zal ze bestendige zorg dragen om de opbouw
en het in leven houden van een echte opvoedingsgemeenschap door bij de ouders,
de personeelsleden en de leerlingen een duidelijke bewustwording van hun
verantwoordelijkheid te activeren en door het organiseren en laten functioneren
van een echte participatie van betrokken personen en groepen in het perspectief
van het algemeen welzijn en de persoonlijkheidsontplooiing van de jeugdigen.
Zij moet ook een bijzondere bekommernis hebben voor
het realiseren van de sociale rechtvaardigheid door alle voorzorgen te nemen
en alle nodige stappen te doen om iedereen te geven waar hij recht op heeft,
dit alles in het kader van de wettelijke en administratieve voorschriften
en collectieve overeenkomsten ter zake.
De Inrichtende Macht beschouwt de Directie als haar
directe gesprekspartner en onderhoudt er veelvuldige contacten mee. Al wordt
aan de Directie de nodige autonomie gelaten, toch mag de inrichtende Macht
de eigen verantwoordelijkheid niet op haar afwentelen. Zij moet integendeel
de Directie helpen haar zware taak te dragen door een bestendige dialoog,
levendige interesse en het verstrekken van geregelde, wederzijdse informatie.
Dit alles vraagt van de Inrichtende Macht een voortdurende
bezorgdheid, wijsheid en onderscheid bij het tot stand brengen, begeleiden
en laten functioneren van de opvoedingsgemeenschap in de school. In die
optiek zal de Inrichtende Macht de zware verantwoordelijkheid bij het aanwerven
en benoemen van de directie en leerkrachten bijzonder ter harte nemen.
(p.19)
De Inrichtende Machten van het katholiek onderwijs
zullen ook de solidariteit en samenwerking tussen de scholen bevorderen,
zodat de schoolvoorzieningen het best de christelijke gemeenschap van het
land, de regio en de lokale entiteit dienen, In die geest zullen zij op alle
vlakken, nationaal, diocesaan en regionaal, actief meewerken aan de planificatie-
en coördinatie-organen in een geest van openheid en begrip, tot welzijn
van iedereen.
Wat de personen, die de inrichtende Macht uitmaken,
betreft, geldt voor hen uiteraard hetzelfde als wat voor de personeelsleden
in punt c. gesteld is.
4. De pedagogiek van de katholieke school
Het spreekt vanzelf dat de katholieke school alle
middelen uit de pedagogiek en onderwijskunde als autonome wetenschappen moet
gebruiken. In dit perspectief hanteert zij als om het even welke school de
grondslagen die in het opvoedingsverschijnsel zelf kunnen gevonden worden.
Uit de ervaring en de geschiedenis van het christelijke vormingswezen blijkt
dat het christendom geen enkele van deze grondslagen en middelen buiten werking
heeft gesteld, integendeel. Niets menselijks is dus het christelijk opvoedingsgebeuren
vreemd.
Anderzijds is de eigen karakteristiek van elke pedagogiek,
dat zij altijd met levenswaarden te maken heeft. Deze levenswaarden en hun
ordening schept zij niet, zij vindt ze aanwezig. De essentiële taak
van de pedagogiek is dan juist, om vanuit haar eigen principes, de weg aan
te wijzen hoe die levenswaarden en hun ordening dienen veroverd te worden
om tot de ware volwassenheid, i.c. de christelijke volwassenheid te komen.
Uit deze gegevenheid volgt dan ook het feit dat iedere school wel dezelfde
middelen gebruikt, maar de accenten anders kunnen komen te liggen. Deze situatie
van accentverschillen is in onze maatschappelijke samenhang een positief
te waarderen iets. De christenen bieden met hun eigen scholen aldus een mogelijkheid
tot dialoog en onderlinge bevruchting.
Waarin liggen nu die andere accenten in de katholieke
school? Alhoewel verder beschreven elementen ook kunnen voorkomen in andere
soorten scholen, kan toch beweerd worden dat de katholieke scholen er meer
dan de andere een grote waarde aan hechten.
— In de opvoeding en het onderwijs proberen opvoeder
en opvoedeling samen tot een oriëntering in de wereld te komen. In de
christelijke visie is dat niet alleen een oriëntering in de
(p.20)
feitelijkheden, maar ook een zoeken naar wat «achter»,
« ten grondslag van » de dingen en de gebeurtenissen ligt. De
katholieke school wil het kind de kansen bieden om achter de dingen de scheppende
en zorgende functie van God te zien. Vandaar de voorliefde van de katholieke
school voor de pedagogische middelen, die tot meer interiorisatie leiden:
openheid voor de laatste redenen, in relatie treden met de persoonlijke
God (gebed), gevoel voor de tekenwaarde der dingen...
— Een onontbeerlijke hulp voor die verdiepende wereldoriëntering
is het leren ontdekken van de Boodschap van Jezus van Nazareth. De verkondiging
daarvan, met verwijzing naar andere profetische en menselijke boodschappen,
moet in de katholieke school aangepast en met uiterste zorg gebeuren. Vooral
het nastreven van de attitude om de geloofsverkondiging te beluisteren ("woord»-gevoeligheid)
en voor onze tijd aangepast in de persoonlijkheid te integreren is een zware
opdracht. De vernieuwingen in de catechese proberen de gemotiveerdheid voor
geloofsintegratie te verhogen.
— De Boodschap moet niet alleen in de voor het vak
catechese uitgetrokken uren aan bod komen, maar moet ook een rol spelen
in de andere schoolactiviteiten. Naast een strikt psychologische en wetenschappelijke
aanpak van die andere vakken, wordt in de katholieke school ook ruimte geschapen
voor bewondering, verwondering, besef van verantwoordelijkheid, het menselijke
aanwenden van potentialiteiten, respect voor andere opinies.
— In de katholieke school wordt de mens volgens de
personalistische visie tot ontplooiing van al zijn mogelijkheden gebracht.
De daartoe aangewende middelen moeten echter altijd het accent van christelijke
dienstbaarheid krijgen. Het altruïsme van het christendom moet op de
school tot uiting komen in hoge waardering voor hulp aan de zwakkeren, respect
voor elkaars prestaties, zorg voor het milieu en een leefbare wereld, groepswerk,
hulpacties, competitie alleen met zichzelf, onthechting aan wat de wereld
voor de anderen minder leefbaar maakt...
— Belangrijk is ook, maar dan niet als enige mogelijkheid
om het christelijk karakter van een school te garanderen, het liturgisch
uitspreken en vieren van de christelijke belijdenis. De gelegenheden, die
de school moet bieden op de vlakken van gebed en bezinning, eucharistieviering,
biechtviering e.d.m., kunnen hoogtepunten van aangepaste geloofsbeleving
voor de jeugdigen zijn.
Al deze opvoedingsmiddelen en de daarin door het
christendom aangebrachte accenten moeten geïntegreerd zijn in het optreden
van de onderwijsmens. Zijn optreden, alhoewel uitgaand van een bepaalde
fundamentele optie, mag geenszins autoritair zijn. Hij (p.21)
moet kansen scheppen om de jonge persoonlijkheid
gelegenheid te geven zich via uitnodigende informatie, identificatie en
verantwoorde affectieve overdracht te confronteren met wat de wereld hem
biedt en met wat het christelijk geloof daarin als eigen dimensie heeft opgebouwd.
5. De vormgeving van de katholieke school als
gemeenschap
Indien de katholieke school vandaag aan haar specifieke
opdracht wil beantwoorden, is het onontbeerlijk dat ze zich meer ontplooit
als een schoolgemeenschap. Het evangelie, als inspiratiebron voor een menswaardige
en rechtvaardige wereld, zal in het schoolbestel een voor allen ervaarbare
en heilzame bevrijdende werkelijkheid moeten worden. Deze door de heilsboodschap
ingegeven bekommernis voor personen en structuren, vormt de inhoud van het
«gemeenschap-zijn" in een katholieke school. De uitbouw van die schoolgemeenschap
is de taak en de opdracht van de diverse participanten in het schoolbeheer:
de inrichtende machten, het bestuur, de leerkrachten, de ouders en de leerlingen.
Iedere groep heeft immers een eigen onvervangbare rol te vervullen om een
levensgemeenschap te ontwikkelen waar de jeugdigen de werkelijkheid in haar
veelvuldigheid en in haar betekenis als christenen leren ontdekken en als
christenen kunnen leren leven. De overtuiging dat deze samenwerking noodzakelijk
is om tot ontplooiing van een dergelijke schoolgemeenschap te kunnen komen,
is een eerste voorwaarde.
Het is duidelijk dat daarbij de erkenning van elkaars
verantwoordelijkheden en mogelijkheden in het beheer van de school en het
aanmoedigen daarvan voorop moeten staan. De beslissingen op schoolgebied
moeten kunnen ontstaan uit een soepel samenspel van die verantwoordelijkheden.
Dat samenspel kan echter slechts concrete gestalte krijgen, indien men, langs
gestructureerde organen voor vertegenwoordiging en inspraak op alle niveaus,
samen tot overleg, inzicht, gemeenschappelijke besluitvorming, concretisatie
en evaluatie komt.
Alhoewel de school haar eigen opvoedingsopdracht
heeft, moet toch gestreefd worden naar een sfeer van intermenselijke relaties,
waarin iedere jeugdige en iedere leerkracht zich thuis kan voelen. Zolang
de menselijkheid, de gerechtigheid, het recht op eigen mening in de school
geweld wordt aangedaan, zolang de menswording met al haar moeilijkheden en
mogelijkheden niet ernstig wordt genomen, is het christendom er niet gerealiseerd.
Bovendien moet de zorg voor de minderbegaafde, de gehandicapte en de sociaal
minder begunstigde jeugdigen een karakte- (p.22)
tiek van de school zijn. Elke authentieke katholieke
school moet zich dus kunnen openstellen voor alle jeugdigen, uit welke sociale
klasse zij ook komen. Het is onchristelijk in dit verband selecteren of
hindernissen in te bouwen, die voor sommige gezinnen onoverkomelijk zijn.
Verscheidene initiatieven werden in bovenstaand perspectief
reeds genomen door afzonderlijke schoolgemeenschappen en door belangstellende
instanties. Het is belangrijk dat het katholiek onderwijs deze initiatieven
zou bekendmaken, aanmoedigen en bevorderen.
Ten slotte moet wel gezegd worden dat dit project
van schoolgemeenschap geen afsluiting mag betekenen van andere gemeenschappen
in de hele maatschappij. De mensen van het onderwijs moeten zich hoeden,
zoals iedere categoriale gemeenschap, voor afzondering. De schoolgemeenschap
moet alleszins op het kind en zijn opvoeding gericht zijn, maar tevens open
op de hele wereld van de volwassenen. Op kerkelijk en sociaal vlak is aandacht
voor voldoende doorstroming geboden.
Terug naar het begin
van de pagina
OPDRACHTSVERKLARING
VAN HET KATHOLIEK ONDERWIJS IN VLAANDEREN - OPVOEDEND ONDERWIJS OP CHRISTELIJK-GELOVIGE
BASIS - 1994
De katholieke school is een onderwijs- en opvoedingsgemeenschap
met duidelijke doelstellingen die zij omschrijft in een christelijk-gelovig
opvoedings- of vormingsproject. Deze doelstellingen worden geconcretiseerd
in een reglement voor haar personeelsleden en in een schoolreglement voor
haar leerlingen en/of studenten. In een schoolwerkpian worden die doelstellingen
regelmatig geactualiseerd.
De katholieke school is een vrije, door de Kerk erkende
onderwijsinstelling, gegrondvest op de persoon van Jezus Christus. Gelet
op haar dienstbaarheid aan de Vlaamse Gemeenschap wordt ze door de Overheid
gesubsidieerd.
Zij biedt op een hedendaagse en pedagogisch verantwoorde
wijze aan kinderen en jonge mensen kwalitatief hoogwaardig onderwijs zowel
op het vlak van de inhoud als op het vlak van de didactische verwerking.
Zij legt de nadruk op een pedagogische benadering
van het kind en de jonge mens. Zij streeft de totale vorming van de persoon
na. De ontplooiing van hoofd, hart en handen staat daarin centraal.
Het opvoedend onderwijs is gericht op de begeleiding
van alle kinderen en jongeren bij het ontdekken van waarden en het verwerven
van attitudes. De katholieke school stelt zich actief open voor al wie in
onze maatschappij, op welke manier ook, kansarm is.
Zij helpt de jongeren in hun groei naar verantwoordelijkheid
en weerbaarheid en bereidt ze zo voor op hun taak op lokaal, regionaal, federaal,
Europees en mundiaal vlak. Zo bewijst zij een dienst aan de gemeenschap waarin
zij thuishoort.
Zij baseert zich op de levenshouding die gegroeid
is uit de bijbels-christelijke geloofstraditie in verbondenheid met de kerkgemeenschap.
In een katholieke school leeft men “in de Woorden van de Heer”. Vanuit de
evangelische boodschap kan men “vreugde en hoop” wekken bij jonge mensen.
EEN SAMEN OP TE BOUWEN SCHOOLGEMEENSCHAP
Inrichtende Machten, directies en personeelsleden,
ouders of studenten en leerlingen bouwen samen, elk vanuit hun eigen verantwoordelijkheid
en zorg, aan de schoolgemeenschap
In deze schoolgemeenschap ervaren kinderen en jongeren
dat hun opvoeders met hen begaan zijn. De jonge mensen worden opgeroepen
om op creatieve wijze aan hun bestaan gestalte te geven als een gave en een
opdracht. Dit verwezenlijken zij als vrije mensen in relatie met God, met
de anderen, in relatie tot zichzelf en tot de omringende wereld.
Directie en personeelsleden zijn de dragers van het
opvoedings- en vormingsproject en de belangrijkste uitvoerders ervan. Dit
impliceert dat zij daartoe een gunstig klimaat scheppen. In samenwerking,
wederzijdse waardering en respect voor ieders opdracht, pogen zij een positieve
geest in de schoolgemeenschap te creëren.
De ouders beschouwen de schoolgemeenschap als een
actieve partner bij hun fundamentele opvoedingstaak. Zij helpen de schoolgemeenschap
uitbouwen en schragen.
De Inrichtende Macht is namens de kerkgemeenschap
verantwoordelijk voor het hele schoolgebeuren. Zij is bestuurlijk ook de
eindverantwoordelijke. Vanuit die verantwoordelijkheid betrekt zij alle partners
bij het onderwijsgebeuren en stimuleert hen tot loyaal engagement.
EEN HERKENBARE KATHOLIEKE SCHOOL
De katholieke school vervult haar opdracht in een
multireligieus en multicultureel samenlevingsverband De samenstelling van
de schoolgemeenschap biedt hiervan een weerspiegeling.
De katholieke school waarborgt een geloofsaanbod
aan de jeugd. Zij verwacht van alle leden van de schoolgemeenschap dat zij
eerbied opbrengen voor de christelijk-gelovige verankering van de school
en voor haar geloofsaanbod. Zij brengt een zo ruim mogelijke groep van mensen
samen, die zij bezielt op de herkenbaarheid van de katholieke school te
bevorderen en van hun geloof te getuigen. In het bijzonder rekent zij erop
dat de catechese- en godsdienstleerkrachten vrijmoedig de christelijke boodschap
brengen.
De katholieke school maakt werk van een aan de school
aangepaste pastorale animatie en van gebedsmomenten en sacramentele vieringen.
De katholieke school is een werk- en leefgemeenschap
waarin men dagelijks gezamenlijk het christelijk geloof beleeft, in het bijzonder
op de intense momenten van vreugde en pijn, van lukken en mislukken. Zij
is gekenmerkt door haar zorg voor de beleving van de evangelische en tevens
authentiek humane waarden. De beleving van de christelijke solidariteit met
de vierde en de derde wereld is haar eigen.
De katholieke school is herkenbaar aan de getuigenis
van haar leden. Getuigen betekent de anderen met eerbied benaderen, de waarheid
laten zien, zonder die met geweld op te dringen; inzicht proberen bij te
brengen, zonder de vrijheid van de anderen te kwetsen. Openheid voor de diepere
levensvragen kenmerkt de katholieke school.
Terug naar het begin
van de pagina
In: Kerkelijke documentatie, jg.26 (18 september 1998), nr.7, Congregratie
voor de clerus, Algemeen directorium voor
de catechese. Catechese en godsdienstonderwijs op school
Het eigen karakter van godsdienstonderwijs op school
73. Binnen de dienst van het Woord verdient speciale aandacht te worden
besteed aan het eigen karakter van het godsdienstonderwijs op school, en
de relatie daarvan met de catechese voor kinderen en opgroeiende jeugd.
Godsdienstonderwijs op school en catechese verschillen van elkaar en vullen
elkaar aan: “Er bestaat een onverbrekelijke band en tegelijkertijd een duidelijk
onderscheid tussen het onderwijs van de godsdienst en de catechese.220
Bepalend voor het eigen karakter van het godsdienstonderwijs op school
is dat dit het cultureel milieu dient te doordringen en dat de relatie gelegd
moet worden met andere vormen van kennis. Door dit onderwijs, dat een eigen
vorm van de dienst van het Woord is, wordt het evangelie opgenomen in het
proces waardoor men kritisch en systematisch zich de cultuur eigen maakt.221
In de culturele wereld die leerlingen in zich opnemen, en die bepaald wordt
door hetgeen de andere leervakken aan stof en waarden aanbieden, legt het
godsdienstonderwijs op school het zaad voor de dynamiek van het evangelie
neer en tracht “aan te sluiten bij de andere elementen van kennis en opvoeding,
zodat het evangelie werkelijk de mentaliteit van de leerlingen doordringt
op het terrein zelf van hun vorming, en zodat het geheel van hun cultuur
in het licht komt te staan van het geloof”.222
Het godsdienstonderricht moet dus als een leervak gezien worden, waaraan
dezelfde eisen van systematiek en nauwkeurigheid worden gesteld als bij de
andere vakken. De christelijke boodschap en het christelijk gebeuren moeten
met dezelfde ernst en degelijkheid worden aangeboden als waarmee de andere
vakken hun stof aanbieden. Het godsdienstonderwijs heeft niet een bijkomstige
plaats naast de andere vakken maar is een element in de noodzakelijke dialoog
tussen de verschillende disciplines. Deze dialoog moet allereerst beginnen
op het niveau waarop elke discipline de persoonlijk-heid van de leerling beïnvloedt.
Zo zal het aanbieden van de christelijke boodschap van invloed zijn op de
wijze van verstaan van de oorsprong van de wereld en de betekenis van de
geschiedenis, de grondslag van ethische waarden, de rol van de godsdienst
in de cultuur, de bestemming van de mens, de verhouding met de natuur. Door
deze dialoog tussen de verschillende disciplines legt het godsdienstonderwijs
op school de grondslag voor de vormende en opvoedende arbeid van de school,
versterkt en ontwikkelt het dit werk en rondt het dit af.223
Het schoolverband en de doelgroepen van het godsdienstonderwijs
74. Het godsdienstonderwijs op school wordt in uiteenlopende situaties
gegeven, met als gevolg dat het weliswaar zijn eigen karakter behoudt maar
dat er accentverschillen zijn. Deze hangen samen met factoren van juridische
en organisatorische aard, onderwijskun-dige opvattingen, de persoonlijke
achtergrond van leerlingen en leraren, en ook met de relatie die er is tussen
het godsdienstonderwijs op school en de gezins- en parochie-catechese.
Vanwege verdragen met de staten en vanwege besluiten binnen de afzonderlijke
Bisschoppenconferenties kan men de modellen die bij het godsdienstonderwijs
op school in de loop van de geschiedenis gevolgd zijn, onmogelijk onder één
noemer brengen. Toch moet men ernaar streven dat dit onderricht, volgens
zijn uitgangspunten, zijn doelstellingen en eigen kenmerken waarmaakt.224
"De leerlingen hebben het recht om de godsdienst waartoe ze behoren naar
waarheid en zekerheid te leren kennen. Men mag er niet aan voorbijgaan dat
zij het recht hebben, de persoon van Christus en zijn volledige heilsboodschap
werkelijk te leren kennen. Het confessioneel karakter van het godsdienstonderwijs
op school, dat de kerk volgens de voor elk land vastgestelde voorschriften
en vormen biedt, is een onmisbare waarborg voor de gezinnen en leerlingen
die voor dit onderwijs kiezen.”225
Voor de katholieke school is dit godsdienstonderwijs, dat nader bepaald
en aangevuld wordt door andere vormen van de dienst van het Woord (catechese,
liturgische vieringen, enzovoorts), een onmisbaar onderdeel van haar pedagogische
opdracht en vormt het er bestaansgrond van.225
Wanneer burgerlijke overheden of andere omstandigheden eisen dat binnen
de openbare en de neutrale school het godsdienstonderricht gemeenschappelijk
aan de katholieke en de niet-katholieke leerlingen gegeven wordt, zal dit
onderwijs meer oecumenisch van aard zijn en dienen tot gemeenschappelijke
kennisname van ieders godsdienst.227
In andere omstandigheden kan het godsdienstonderwijs op school meer een
cultureel karakter aannemen gericht op kennis van de godsdiensten, waarbij
de katholieke godsdienst het gewicht krijgt dat haar toekomt?228 Ook in dat
geval, en met name als het gegeven wordt door een leraar die oprecht respect
heeft voor het christendom, heeft dit onderricht mede de betekenis van werkelijke
voorbereiding op het evangelie.
75. Het leven en geloof van de leerlingen die het godsdienstonderwijs op
school volgen, zijn aan voortdurende en grote veranderingen onderhevig. Het
godsdienstonderwijs moet daarmee rekening houden, wil het haar doelen bereiken.
Het godsdienstonderwijs op school helpt de gelovige leerlingen de boodschap
van het christendom beter te verstaan met betrekking tot de grote levensvraagstukken
die voor alle godsdiensten gelden en kenmerkend zijn voor iedere mens, met
betrekking tot de meest verspreide opvattingen in de cultuur, met betrekking
tot de voornaamste morele problemen van de mensen in deze tijd.
De leerlingen die nog zoekende zijn of kampen met twijfels van godsdienstige
aard, kunnen in het godsdienstonderwijs gaan ontdekken wat het precies betekent
om te geloven in Jezus Christus, uitvinden welke antwoorden de kerk heeft
op hun vragen, zodat ze hun persoonlijke beslissing beter zullen kunnen
overwegen.
Voor niet-gelovige leerlingen heeft het godsdienstonderwijs op school de
kenmerken van een evangelieverkondiging en is het gericht op een geloofsbeslissing
die de catechese van haar kant binnen gemeenschapsverband zal doen groeien
en rijpen.
Christelijke vorming en -opvoeding in het gezin, catechese en godsdienstonderwijs
op school in dienst van de geloofsvorming en -opvoeding
76. De christelijke vorming en opvoeding in het gezin, de catechese en
het godsdienst-onderwijs op school, ieder met hun eigen kenmerken, zijn
nauw met elkaar verbonden en staan in dienst van de christelijke vorming
en opvoeding van kinderen en jongeren. In de praktijk moet men echter rekening
houden met voorkomende verschillen, zodat men bij het toepassen van de algemene
richtlijnen realistisch en verstandig te werk gaat.
Ieder bisdom of pastorale regio behoort nauwkeurig na te gaan of er al
dan niet een christelijke initiatie in gezinsverband plaats vindt, en wat
er op het gebied van vorming en opvoeding traditioneel of volgens plaatselijk
gebruik door de parochies, scholen en dergelijke gedaan wordt.
De particuliere kerken en de bisschoppenconferentie dienen geschikte richtlijnen
te geven voor de verschillende situaties, en moeten activiteiten stimuleren
die, hoewel onderscheiden, elkaar aanvullen.
220. Congregatie voor de Katholieke Opvoeding. De godsdienstige dimensie
van de opvoeding in de katholieke school: grondbeginselen ter overweging
en vernieuwing (7 april 1988). 68; vgl. CD 13c; Johannes Paulus II, Toespraak
tot de priesters van het bisdom Rome (5 maart 1981): lnsegnamenti di Giovonni
Paolo II. IV/I, 629-630; CIC 761.
221. Vgl. Congregatie voor de Katholieke Opvoeding. De katholieke school
(19 maart
1977, 26.
222. CT 69. Merk op dat, zoals ook volgens CT 69, het eigen karakter van
het godsdienstonderwijs op school niet alleen maar bestaat in het aangaan
van de dialoog met de cultuur in het algemeen, want dat geldt voor alle vormen
van de dienst van het Woord. Door het godsdienstonderwijs op school tracht
men meer rechtstreeks deze dialoog te bevorderen in het persoonlijk proces
van systematische en kritische initiatie en ontmoeting met het culturele erfgoed
dat de school overdraagt.
223. vgl. De godsdienstige dimensie van de opvoeding in de katholieke school,
70.
224. vgl. Johannes Paulus II, Toespraak tot het symposium van de Raad van
Europese Bisschoppenconferenties over Het onderwijs van de katholieke godsdienst
in de openbare school (15 april 1991), 5: lnsegnamenti di Giovanni Paolo
II, XIV/l, 780vv.
225. T.a.p.
226. Vgl. CT 69. De godsdienstige dimensie van de opvoeding in de katholieke
school. 66.
227. Vgl. CT 33.
228. Vgl. a.w., 34.
Terug naar het begin
van de pagina
Religie.opzijnbest.nl
- De beste links over religie voor u verzameld.