INFORMATIE OVER EN BESCHOUWINGEN BIJ KERKWERK MULTICULTUREEL SAMENLEVEN (KMS) BISDOM HASSELT

WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA)
websitenaam : http://users.telenet.be/arseen.de.kesel/ . http://levensbeschouwing.info/ . http://www.levensbeschouwing.info/ .
http://www.bijbelleerhuis.be (zie bijbel)
Nieuwe website : http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm
- STARTPAGINA - AGENDA - BIJ DE HAND - NIEUW - OVERZICHT -  TIJDSCHRIFTEN -
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES :
JAARTAL - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z
HOOFDTHEMA'S : allochtonen , armoede , bahá'íbijbel , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts ( Vlaams Blok ) , fundamentalisme , globalisering en antiglobalisering ,  hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , islam , jodendom , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , migratie , mystiek , racisme , samenleving , sikhisme , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen ,
- Eigen-zinnige beschouwingen - Het kleine of grote ongenoegen -

- HOME webpagina over KMS bisdom Hasselt - CONTACT - ACTIVITEITEN KMS - TEKSTEN KMS - CEL ONDERWIJS - WERKGROEP INTERLEVENSBESCHOUWELIJKE DIALOOG LIMBURG - INTERRELIGIEUZE MEDITATIE - LINKS -

Op 26 september 2005 bracht Simon Lambregs in het Pastoraal Seminarie Hasselt bij de ramadanbriefzendingsavond het thema : Koran en bijbel. Raakpunten en verschillen. Enkele aanzetten voor een 'leerhuis van Koran en Bijbel' met moslims en christenen samen.

woensdag 15 februari 2006 om 19.30 uur Van Abraham tot Bahá’u’lláh - een kennismaking met de Bahá’í religie Pastoraal centrum / seminarie - Tulpinstaat 75 3500 Hasselt vrije toegang De bahá’ís zijn een hier minder bekende tak van de Abrahamitische familie, waartoe ook joden, christenen en moslims behoren. Hun heilige plaatsen liggen in Israel, Irak en Iran. De bahá’í gemeenschap is gekenmerkt door haar multicultureel karakter. Vanuit de overtuiging dat de aarde één land is voor alle mensen, werken bahá’ís aan een rechtvaardige wereld door een bewuste levenswijze, spirituele waarden en het bevorderen van begrip.  Spreker : Guido Cooreman. Inlichtingen : Odette Storms (KMS) : 011/24 90 36. Zie ook website : http://bci.org/bahaihasselt/ . Zie ook de webpagina op deze website : bahá'í .

Guido bracht een boeiende inleiding. Er waren een 20-tal aanwezigen.
Hieronder volgt de tekst die Guido bracht. Hierbij de voorbereidende tekst van mijn lezing + als toemaatjes een tekstje over de historiek van de bahá'í beweging in België en een keuze van de teksten overAbraham uit onze heilige boeken.

VOORSTELLING:

Beste aanwezigen, beste vrienden mag ik wel zeggen,

Vooreerst wil ik Kerkwerk Multicultureel Samenleven bedanken voor deze uitnodiging om het bahá’í geloof voor te stellen. Arseen de Kesel schrijft in zijn boekje ‘levensbeschouwelijk limburg’ dat soms een ster opduikt in de veelheid van levensbeschouwingen, waarvan we het bestaan niet eens vermoeden. Dit is een mooi beeld, zeker voor het verschijnen van een nieuwe religie. Die wordt immers dikwijls aangekondigd door een ster. De komst van Jezus is aangekondigd door een ster. En de waarzeggers in dienst van Nimrod voorspelden de komst van Abraham door een nieuwe ster aan de hemel.

Vooraleer van start te gaan wil ik graag een gebed zeggen om deze bijeenkomst te zegenen:

“O Gij vriendelijk Heer! Dit zijn Uw dienaren die in deze bijeenkomst samen zijn, zich naar Uw koninkrijk hebben gekeerd en Uw gave en zegen nodig hebben. O Gij, God! Maak de tekenen van Uw eenheid die in alle werkelijkheden van het leven zijn geplaatst duidelijk zichtbaar. Openbaar en onthul de deugden die Gij in deze menselijke werkelijkheden latent en verborgen hebt aangebracht.
O God! Sluit deze bijeenkomst in uw hart. Heilig deze zielen en beschijn hen met het licht van Uw leiding. Verlicht hun hart en verblijdt hun geest met Uw blijde boodschap. Ontvang hen allen in Uw Koninkrijk, schenk hen Uw onuitputtelijke milddadigheid, maak hen gelukkig in deze wereld en in de wereld die komen zal.”

De uitnodiging voor deze avond begint met: de bahá’ís zijn een minder bekende tak van de Abrahamietische familie, waartoe ook joden, christenen en moslims behoren. De bahá’í heilige plaatsen liggen in Israel, Irak en Iran. Dit alles zal duidelijk worden in het eerste deel van mijn uiteenzetting, over het leven van Bahá’u’lláh, Zijn rang als Profeet en Zijn rol als Stichter van de bahá’í religie.

Het tweede deel zal een korte Power-point presentatie zijn ik enkele elementen uit mijn uiteenzetting illustreer. De beelden zullen ook een idee geven van het multiculturele karakter van de wereldwijde bahá’í gemeenschap.


HET LEVEN VAN BAHA’U’LLAH

1. Teheran: gevangenschap en begin van de Openbaring

De openbaring van Bahá’u’lláh begint in augustus 1852 in een onderaardse kerker in Teheran. Nochtans was Hij geboren in een adellijke familie die afstamde van de sassaniden-dynastie uit het Nieuw-Perziche rijk. Deze dynastie stamt af van de zonen van Abraham uit zijn vrouw Keturah, die naar het Oosten zijn gegaan. In Genesis 25 lezen we:

“(1) Abraham nam wederom een vrouw, genaamd Ketura (hij was toen 140 jaar). (2) Die baarde hem Zimran en Joksan, Medan en Midian, Jisbak en Suah. (3) En Joksan verwekte Scheba en Dedan. De kinderen van Dedan nu waren de Assurieten, Letusieten en Leümmieten. (4) De kinderen van Midian waren Efa, Efer, Henoch, Abida en Eldaä: dezen allen zijn nakomelingen van Ketura. (5) En Abraham liet al zijn bezittingen na aan Isaäk; (6) maar aan de kinderen, welke hij had van de bijvrouwen (Hagar en Ketura), gaf hij geschenken, en terwijl hij nog leefde liet hij hen wegtrekken (of: stuurde hij hen weg), naar het land in het Oosten (Kedem, land ten oosten van Palestina: Arabië en Mesopotamie), ver weg uit de omgeving van zijn zoon Isaäk.”

Bahá’u’lláh was toen al bekend om zijn goedheid en wijsheid. Hij werd de vader van de armen genoemd. Wanneer men Hem een ministerpost aanbiedt, weigert Hij die. Bahá’u’lláh is in de gevangenis van Teheran terechtgekomen omdat hij zich had aangesloten bij de groep rond de Báb. De Báb verkondigde dat de mensheid aan de vooravond stond van een nieuw tijdperk, en dat een nieuwe profeet weldra zou opstaan.

Het midden van de negentiende eeuw was een tijd dat overal in de wereld de komst van een nieuwe openbaring werd verwacht. In de Oosterse religies zag men uit naar de komst van een nieuwe Boeddha of een Avatar. In de christelijke kerken was het de tijd van de millenaristen en de tempeliers. Zij verwachtten de spoedige terugkomst van Christus, en dat tussen 1844 en 1914. De bekendste uit die tijd overgebleven groepen zijn de Getuigen van Jehova, de Zevende Dag Adventisten en de Mormonen. Wij geloven dat Bahá’u’lláh de goddelijke boodschapper is die door al deze groepen werd verwacht.

De nieuwe openbaring komt echter niet zoals velen haar verwachten: Christus die zegevierend op een wolk nederdaalt, of de islamietische Mahdi die de aarde vervult met rechtvaardigheid en zeven jaren regeert. De nieuwe openbaring daalt neer op een gevangene in een donkere kerker van Teheran. Rond de nek van Bahá’u’lláh zijn zware ketens bevestigd, waarvan de littekens de rest van zijn leven zichtbaar bleven. De kerker is een ondergrondse ruimte zonder enig raam. Het is er steeds volledig donker. Daar heeft Bahá’u’lláh zijn eerste ervaring dat Hij geroepen wordt door God als Boodschapper voor de mensen.

De autoriteiten hadden gehoopt dat Bahá’u’lláh in die kerker zou sterven. Uiteindelijk verbannen ze hem naar Baghdad. Dit is het begin van een veertig jaar durende ballingschap. Tenslotte komt Bahá’u’lláh terecht in de gevangenis-stad Akka, in het huidige Israel. Zo zijn de vier Abrahamietische religies met elkaar verbonden door Israel. Zijn vrouw en kinderen en een klein aantal volgelingen worden samen met hem verbannen.

2. Baghdad: verbanning en begin van Zijn zending

In Bagdad bekommert Bahá’u’lláh zich in de eerste plaats om de groep volgelingen van de Báb. In 1853 was de Báb zelf immers door de Perzische regering terechtgesteld. Maar zijn inspanningen veroorzaken onenigheid en afgunst. Daarom trekt hij zich gedurende twee jaar terug in de bergen van Koerdistan en Sullaymaniyyih. Hij volgt daarmee het voorbeeld van vele profeten, die zich voor hun zending terugtrekken in de woestijn. De wijsheid van Bahá’u’lláh wordt erkend door soefis van de Qadiriyyih orde die hem aanspraken als derwish Mohammed.

Na twee jaar keert Hij naar Baghdad terug. In die periode schrijft hij twee belangrijke werken. Het eerste is een boekje met de titel “Verborgen Woorden”. Dit boekje is een verzameling van spreuken, die de ethische kern van elke godsdienst weergeven (Voor de moslim vrienden: de titel refereert naar de woorden die de aartsengel Gabriël tot Fatimah zou hebben geproken bij het overlijden van haar vader, de Profeet Mohammed). Enkele teksten uit de Verborgen Woorden ter illustratie:

O ZOON VAN GEEST!
Het meest geliefde in Mijn ogen is rechtvaardigheid. Keer u niet van haar af indien gij Mij begeert, en veronachtzaam haar niet, zodat Ik u Mijn vertrouwen kan schenken. Met haar hulp zult gij met uw eigen ogen zien en niet door de ogen van anderen, uit eigen kennis weten en niet door de kennis van uw naaste.
O ZOON VAN STOF!
Waarlijk, Ik zeg u: van alle mensen is hij de meest nalatige, die nutteloos twist en zich boven zijn broeder tracht te verheffen. Hoort, o broeders! Laat daden, niet woorden u sieren.

Het tweede belangrijke werk dat Bahá’u’lláh in die periode schrijft is “Het Boek van Zekerheid”. Dat boek is een uitgebreide uiteenzetting over de aard en het doel van religie. Bahá’u’lláh spreekt daarin over de tweevoudige natuur van alle Manifestaties van God, zoals hij de grote profeten noemt. Elke profeet heeft een goddelijke en een menselijke natuur. De boodschap van elke profeet heeft een eeuwig aspekt en een tijdelijk aspekt. De grote profeten zijn de opvoeders van de mensheid. Zij hebben een tweevoudige zending: Ten eerste bevestigt elke profeet de eeuwige religie van God, en de spirituele principes die de ontwikkeling van de mens bepalen. In de tweede plaats geeft elke Manifestatie bijzondere richtlijnen voor het tijdperk van zijn zending.

Tenslotte spreekt Bahá’u’lláh over de ontwikkeling van geestelijke deugden, die kenmerkend zijn voor elke mens die God zoekt. Het zijn dezelfde deugden die ook in de andere godsdiensten aangemoedigd worden. Want is elke godsdienst niet in de eerste plaats gericht op de transformatie van de mens. De drie grote deugden van geloof, hoop en liefde vinden we in een bahá’í formulering als godskennis, liefde en oprechtheid. Maar ook de dagelijkse deugden zijn belangrijk: nederigheid, geduld, aandacht, matigheid, liefdadigheid, vergevingsgezindheid. Het beoefenen van deze deugden gaat natuurlijk niet vanzelf. Aan het ontwikkelen van deze spiritualiteit besteden we in de bahá’í gemeenschappen systematisch aandacht. Dit is het werkboek van de cursus die nu in Hasselt loopt. Voor onderwijs en opvoeding in gezinsverband bestaat onder meer het “deugden-projekt” van Linda Popov Kavelin.

Ondanks de verbanning neemt de invloed van de groep rond Bahá’u’lláh steeds toe. Zij vormen een gerespecteerd en invloedrijk element in Baghdad en de naburige steden. Daardoor worden de sjiietische geestelijken en de Perzische regering verontrust en zij dringen er bij de Sultan op aan Bahá’u’lláh verder weg te verbannen. Vlak voor zijn verbanning naar Constantinopel voelt Bahá’u’lláh dat het moment is aangebroken om Zijn zending bekend te maken. Eind april 1863 verzamelt hij een aantal vrienden gedurende 9 dagen in de tuin van Ridvan. Daar maakt Hij aan hen bekend dat hij de Profeet van God voor dit tijdperk is. Bahá’ís vieren deze gebeurtenis nog steeds als hun grootste feest. Het zijn de negen dagen van 21 april tot 2 mei. Naast een geestelijk feest, is het ook de periode waarin alle bestuursorganen worden gekozen (graag verwijs ik iedereen naar de mooie KMS kalender voor de andere bahá’í feesten).

3. Constantinopel: verdere verbanning en bekandmaking van Zijn zending

Na een lange en moeilijke tocht komt Bahá’u’lláh aan in Constantinopel. Het doel van Zijn Openbaring wordt nu duidelijker. Bahá’u’lláh vergelijkt de tussenkomst van de goddelijke openbaring met het terugkeren van de lente. De profeten van God zijn niet alleen leraren. De geest van hun woorden en het voorbeeld van hun leven hebben het vermogen mensen te motiveren en hen te bevrijden van oude inzichten. Bahá’u’lláh zegt:

“De Profeten van God moeten beschouwd worden als geneesheren. Het is hun taak het welzijn van de wereld en haar volkeren te bevorderen, opdat zij door de geest van eenheid de ziekte van een verdeelde wereld kunnen genezen.”

Bahá’u’llùah waarschuwt tegen religieus fanatisme. Enkel het verstand dat bevrijd is van dogmas en vooroordelen kan zelfstandig de relatie tussen het Woord van God en de maatschappelijke ervaring onderzoeken. Liefde en kennis zijn de pijlers van een gezond geloof. Liefde geeft ons toegang tot Gods Woord. Door onze kennis en het gebruik van de rede kunnen we Gods woord begrijpen en toepassen. Eén van de vaste bahá’í gebeden begint met te herinneren aan de noodzaak om God te kennen en te beminnen. Maar Bahá’u’lláh vraagt ook uitdrukkelijk aan zijn volgelingen de uitspraken en studies van andere mensen met onbevooroordeelde geest en liefdevolle sympathie te benaderen. De rede is immers de grootste gift van God aan elke mens. Dit is een belangrijk element in de bahá’í opvatting: rede en geloof kunnen niet in tegenspraak zijn met elkaar

De Manifestaties van God spelen een unieke rol in de geschiedenis van de menselijke beschaving. Grote culturen zijn geïnspireerd door de boodschap van de profeten. Daarom spreken we van een hindoe cultuur, een christelijke beschaving, een islamietische kunt enz. Deze opeenvolging van universele manifestaties heeft het menselijk bewustzijn voorbereid op de eenmaking van de mensheid. Vroegere profeten zijn gekomen tot één bepaalde stam of één uitverkoren volk. De huidige tijd laat voor de eerste keer toe dat een profeet zich onmiddellijk richt tot de gehele mensheid. Bahá’u’lláh wijst erop dat de mensheid één organisme is. Als één deel van de mensheid onderdrukt wordt, lijdt de hele mensheid; als één deel van de mensheid armoede kent, betekent dit dat de mensheid nog niet bevrijdt is van tyrannie. Bahá’u’lláh zegt dat de mensheid nu aan het begin staat van haar volwassenheid. Dit houdt in dat de mens in staat is de verantwoordelijkheid voor de toekomst van de hele mensheid op te nemen. We zien daarvan nu de eerste ontwikkelingen. De globalisering van de economie en de beweging van anders-globalisten zijn tekenen van een groeiende samenhang en een groeiend mondiaal bewustzijn. Net zoals de individuele mens volwassen wordt, is nu de mensheid als geheel begonnen aan haar periode van volwassenheid. De eerste voorwaarde voor die gemeenschappelijke volwassenheid is het vestigen van de eenheid van de mensheid. Bahá’u’lláh zegt:

“Hij die uw Heer is, de Albarmhartige, koestert in Zijn hart de wens de gehele mensheid als één ziel en één lichaam te zien. . . . Het welzijn van de mensheid, haar vrede en veiligheid zijn onbereikbaar, tenzij haar eenheid duurzaam tot stand is gebracht.”

Deze tekst uit de Bloemlezing van Bahá’u’lláh kunnen we aanvullen met vele andere, want eenheid is het centrale thema van de boodschap van bahá’u’lláh voor dit tijdperk. Onenigheid en strijd kunnen worden opgeheven door eerlijkheid, oprechtheid en het zich richten op dienstbaarheid aan de mensheid. In diezelfde geest spoort Bahá’u’lláh de mensen aan met de volgelingen van alle religies in een geest van vriendschap en kameraadschap om te gaan. De bahá’ís van Limburg hebben van in het begin deelgenomen aan de interreligieuze dialoog en zitten ook in de werkgroep interreligieuze meditaties. De laatste interreligieuze meditatie was in de Sikh-tempel in St.Truiden. De teksten die we voor die meditatie hebben gebruikt komen ook uit de bloemlezing van Bahá’u’lláh. Ze illustreren het idee van eenheid.

“Hetgeen God heeft geuit, is een lamp waarvan het licht bestaat uit deze woorden: Gij zijt de vruchten van één boom en de bladeren van één tak. Verkeert met elkander in de grootste liefde en eendracht, als ware vrienden en kameraden. Zo krachtig is het licht van eenheid dat het de gehele aarde kan verlichten.”

4. Adrianopel: oproep tot de koningen en heersers

De Ottomaanse autoriteiten stellen de leer van Bahá’u’lláh vooreerst erg op prijs. Het is een bijdrage tot de verdraagzaamheid tussen joden, christenen en moslims in het Turkse rijk. Maar de perzische ambassade dringt erop aan dat Bahá’u’lláh verder zou worden verbannen. Zij vrezen Zijn invloed in de hoofdstad van het Ottomaanse rijk. Uiteindelijk wordt Bahá’u’lláh midden in de winter naar Adrianopel gestuurd. Daarmee is hij de eerste stichter van een zelfstandige religie die voet zet op het Europees kontinent.

In Adrianopel begint Bahá’u’lláh brieven te sturen naar de wereldlijke en geestelijke leiders van zijn tijd. Bahá’u’lláh informeert hen over Zijn zending, geeft hen de raad rechtvaardig te handelen tegenover de armen en verdrukten. Hij waarschuwt hen voor Gods gerechtigheid. Tegelijkertijd maakt Hij duidelijk dat hij zelf geen wereldlijke macht nastreeft. Aan de Perzische ambassadeur schrijft hij dat als zijn leer werkelijk van God komt, niets in de wereld haar zal kunnen tegenhouden.

Maar ook in de provinciestad Adrianopel geniet Bahá’u’lláh spoedig een groot aanzien. Zijn vurigste bewonderaars zijn de provinciegouverneur en de plaatselijke geestelijke leider van de soennieten. Op zekere dag is er een debat georganiseerd in de moskee tussen Bahá’u’lláh en zijn tegenstanders. De moskee is volgelopen. Ook christenen en joden zijn gekomen uit nieuwsgierigheid. De tegenstanders van Bahá’u’lláh dagen echter niet op.

De Perzische ambassadeur blijft er daarom op aansturen Bahá’u’lláh nog verder te verbannen. Uiteindelijk geeft de Sultan toe. Hij beveelt de verbanning naar Akka. Voor zijn vertrek bieden verschillende landen aan asiel te verlenen aan Bahá’u’lláh, maar hij wijst dat af.

5. De gevangenisstad Akka

Na een lange boottocht via Alexandrie komt Bahá’u’lláh met zijn gezin aan in Akka. Akka was een strafkolonie die door de Ottomaanse regering gebruikt werd voor het opsluiten van gevaarlijke misdadigers. Bahá’u’lláh en de leden van zijn familie worden twee jaar opgesloten in de gevangenis. Daarna worden ze onder huisarrest geplaatst.

Bahá’u’lláh gaat verder met het schrijven van brieven aan de leiders van zijn tijd. Hij schrijft onder meer waarschuwende brieven aan keizer Napoleon III, Paus Pius IX, en Keizer Wilhelm I. Twee brieven zijn positiever van toon. In zijn brief aan Koningin Victoria prijst Bahá’u’lláh de afschaffing van de slavernij. In zijn brief aan de Heersers van Amerika roept hij hen op de teneergeslagenen op te richten en de invloedrijke onderdrukker te verbrijzelen.

De strengste veroordeling van Bahá’u’lláh is bestemd voor de hinderpalen die de georganiseerde godsdienst doorheen de geschiedenis heeft opgeworpen tussen de mensheid en Gods Openbaringen. Het gevolg van dit trieste feit is dat godsdienst in de hele wereld een slechte naam heeft gekregen. Erger nog, godsdienst is zelf een bittere bron van haat en strijd tussen de volkeren geworden. Toen reeds waarschuwde Bahá’u’lláh ervoor dat fanatieke godsdienstijver en haat een wereldverslindend vuur zijn waarvan niemand het geweld kan blussen.

Maar het positieve toekomstperspectief overweegt tenslotte in zijn geschriften uit die tijd. Zowel op individueel als op maatschappelijk vlak roept hij de mensen op tot grotere humaniteit:

“Alle mensen zijn geschapen om een immer voortschrijdende beschaving uit te dragen. De deugden die bij zijn waardigheid passen zijn: verdraagzaamheid, barmhartigheid, mededogen en naastenliefde jegens alle volkeren en geslachten der aarde.”
“De tijd zal komen dat men algemeen de gebiedende noodzaak zal beseffen voor het houden van een grote en alle mensen omvattende vergadering. De koningen en heersers der aarde moeten wegen en midddelen overwegen die de grondslag zullen leggen voor de grote wereldvrede onder de mensen. Als men dit doet zullen de volkeren der wereld alleen bewapening nodig hebben om de binnenlandse orde te handhaven.”

In de nasleep van 11 september heeft het bahá’í wereldbestuur een brief geschreven aan alle religieuze leiders. Daarin betreurt het dat georganiseerde religie in de praktijk geloofwaardigheid verleent aan fanatisme. De brief roept de religieuze leiders op te erkennen dat alle grote religies in wezen en in oorsprong gelijkwaardig zijn en dat niemand een bevoorrechte toegang heeft tot de waarheid. Het is ook een oproep om de rede als bron van kennis te erkennen: wetenschap en religie moeten als de twee vleugels van een vogel zijn. Ze zijn samen nodig om te kunnen vliegen.

6. Gods Verbond

In 1877 mag Bahá’u’lláh tenslotte buiten Akka gaan wonen. Hij is dan zestig jaar. Hij vestigt zich in Bahji, waar hij sterft op 29 mei 1892. De laatste twaalf jaar van zijn leven wijdt Hij aan het schrijven over een groot aantal geestelijke en maatschappelijke onderwerpen, en aan het ontvangen van bezoekers. Een paar bezoekers komen ook al uit het Westen.

Als leidraad voor het vestigen van bahá’í gemeenschappen over de hele wereld openbaart Hij een stelsel van wetten en instellingen. De basisprincipes daarvan staan in het Heiligste Boek. De toepassing ervan wordt bepaald door het wereldbestuur van de bahá’í gemeenschap. De raadgevingen in het Heiligste Boek zijn zeer uiteenlopend. Het boek is niet bedoeld als een wetboek.


Bahá’u’lláh spoort de mensen aan tot persoonlijke geestelijke ontwikkeling. Daarbij behoren bepalingen over gebed en vasten, de menselijke ziel en het leven na de dood. Er zijn ook aanwijzingen voor onderwijs, huwelijk en andere relaties tussen mensen. Tenslotte bevat het Heiligste Boek teksten over de organisatie van de samenleving, het gevangeniswezen en de verhoudingen tussen staten. Ook algemene principes voor het besturen en de organisatie van de wereldwijde bahá’í gemeenschap zelf heeft Bahá’u’lláh al vermeld. Later worden al deze bepalingen verder uitgewerkt. Ook dit kan begrepen worden als een element in het algemene principe van de voortdurende evolutie van de godsdienst.

Eén van de bepalingen is deze van het negentien daags feest. Het belang ervan is vergelijkbaar met de eucharistieviering bij christenen. De gemeenschap verzamelt zich. We zeggen samen gebeden en lezen teksten uit de Heilige Boeken. Er is ook een gedeelte van overleg tussen de gemeenschap en het bestuur.

De grondslag van de bahá’í leer en van elke godsdienst is de liefde van God tot de mens. Liefde is immers de bron van de schepping en haar doel:

O mensenzoon! Ik had uw schepping lief, daarom schiep Ik u. Heb Mij dus lief, dat Ik uw naam kan noemen en uw ziel kan vervullen met de geest des levens.

De manier waarop Gods liefde naar ons toestroomt is door zijn Eeuwige Verbond. Dit verbond zegt dat God de mens nooit alleen zal laten en nooit zonder leding. Steeds wanneer de mensheid zich van Hem afkeert en zijn leringen vergeet, verschijnt er een nieuwe Profeet van God die Zijn liefde voor de mensheid belichaamt. Deze gedachte vinden we ook terug in het boeddhisme en hindoeïsme. Als de leer van de Boeddha vergeten is zal een nieuwe Boeddha opstaan; Telkens als rechtvaardigheid in verval raakt, zal Krishna opnieuw in de wereld verschijnen.

De band tussen God, Profeten en de mensheid kan door volgend beeld duidelijk worden. God is als de zon. Zonder de zon is geen leven mogelijk. Maar wij kunnen niet rechtstreeks naar de zon kijken. We kunnen de zon slechts zien in een spiegel. Elk schepsel weerspiegelt een deel van de zon. De profeten zijn echter volmaakte spiegels: in hen kunnen wij de zon ten volle waarnemen. Naar God toe zijn alle profeten gelijk. Zij weerspiegelen allen op volmaakte wijze het licht van de zon. Maar de ontvankelijkheid van de mensheid verandert in elk tijdperk.

Door hat aanvaarden van de geestelijke leiding van Gods Openbaring ontdekt de mens in zichzelf een morele krachtbron. Vanuit deze kracht zal het bouwen aan een wereldbeschaving beginnen. De opdracht aan de bahá’í gemeenschap is de doeltreffendheid van dit verbond aan te tonen

DE BELGISCHE BAHA'I GEMEENSCHAP een korte geschiedenis

De eerste aanwezigheid van bahá'ís in België dateert van het begin van deze eeuw. Zo kwamen een aantal Amerikaanse en Iraanse bahá'ís naar het Internationaal Esperanto Congres in Antwerpen, in 1927. Vóór de tweede wereldoorlog studeerden ook enkele Iraanse studenten die aanhangers waren van de bahá'í religie aan de universiteiten van Luik, Brussel en Gent.

De eerste bahá'í gemeenschap werd opgericht na de tweede wereldoorlog in Brussel. In 1948 werd daar de eerste Lokale Geestelijke Raad gekozen. Eerst vielen deze activiteiten onder het Internationaal Bahá'í Bureau in Genève. In 1957 werd de Regionale Geestelijke Raad voor de Benelux gekozen. Tussen 1959 en 1962 werden bijkomende Lokale Geestelijke Raden gevormd in Antwerpen (1959), Luik (1960) en Charleroi (1961). In 1962 werd voor de eerste maal de Nationale Geestelijke Raad van de Bahá'ís van België gekozen en wettelijk opgericht als vzw. Reeds in 1960 was een deel van de bahá'í eigendommen vrijgesteld van belasting door erkenning als plaats voor de uitoefening van de bahá'í eredienst. Er zijn nu 9 Lokale Geestelijke raden in België.

In 1980 heeft de Belgische bahá'í gemeenschap een aantal Iraanse geloofsgenoten als vluchteling in België opgevangen. Ook nu komen soms nog nieuwe vluchtelingen toe. De Belgische regering heeft steeds een positieve houding aangenomen bij de verdediging van de rechten van de bahá'ís godsdienst in landen waar deze vervolgd werd, zo ook huidig Minister van Buitenlandse Zaken Karel De Gucht.

De bahá'ís werden in 1997 ten onrechte vernoemd in het parlementair rapport over de sekten, naar aanleiding van een anoniem getuige. De Nationale Raad van de bahá'ís van België onderhoudt goede betrekkingen met het door de regering opgerichte "Informatie en Advies Centrum voor Schadelijke Sektaire Organisaties IACSSO", dat onlangs een brochure over de bahá'ís heeft uitgegeven, waarin ze vaststellen in het dossier “geen problematische elementen” te hebben gevonden.

In 2003 organiseerden de Europese bahá’í gemeenschappen een tentoonstelling in het Europees Parlement te Brussel, met als thema “Promoting Unity in Diversity throughout Europe for over a Century”

De verspreide bahá'í gemeenschappen in België organiseren publieke activiteiten om de doelstellingen van de bahá'í religie bekend te maken, soms ter gelegenheid van internationale herdenkingsdagen uitgeroepen door de VN. Ze werken samen met gelijkgezinde organisaties, in het bijzonder in het kader van de interreligieuze dialoog. De bahá’í gemeenschap hecht bijzonder belang aan de morele vorming van de samenleving en de invloed van gezamenlijke gebedsmomenten.

STATISTIEKEN VAN DE BAHA'I WERELD GEMEENSCHAP (2002)

België Europa Wereld

Nationale Geestelijke Raden 1 37 183

Lokale Geestelijke Raden 9 860 9.631

Gemeenten waar bahá'ís wonen 150 7.141 >100.000

Het totaal aantal aanhangers van de bahá'í religie in de wereld ligt boven de 5 miljoen. In België telt het bahá'í geloof ongeveer 400 leden.

U vindt algemene informatie over de bahá'í religie op onze internationale website: <www.bahai.org> of <www.bic-un.bahai.org>. Actuele artikels staan op de site: <www.onecountry.org>

Abraham: teksten over Abraham uit de bahá’í geschriften

Eén van hen die deze kracht bezaten en er door werden bijgestaan was Abraham. En het bewijs hiervan was dat Hij geboren werd in Mesopotamië en uit een familie kwam die niet afwist van de Eenheid Gods. Hij kwam in opstand tegen Zijn eigen land en volk en zelfs tegen Zijn eigen familie, door al hun goden te verwerpen. Alleen en zonder hulp weerstond Hij een machtige stam, een taak die noch eenvoudig noch gemakkelijk is. Het zou hetzelfde zijn als in onze tijd iemand naar een Christelijk volk ging dat de Bijbel aanhangt en Christus afwees, of als zo iemand aan het pauselijk hof - God verhoede - op de felste manier Christus lasterde en zich kantte tegen het volk.
Deze mensen geloofden niet in één God, maar in vele goden, aan wie zij wonderen toeschreven; daarom stonden zij allen tegen Hem op, en niemand steunde Hem, behalve Lot, de zoon van Zijn broer en nog één of twee onbelangrijke mensen.
Toen Hij door de tegenstand van Zijn vijanden in uiterste ellende was komen te verkeren, was Hij tenslotte genoodzaakt Zijn geboorteland te verlaten. In werkelijkheid verbanden zij Hem, opdat Hij zou worden verpletterd en vernietigd, en er geen spoor van Hem zou overblijven.
Abraham bereikte toen het gebied van het heilige Land. Zijn vijanden waren van mening dat Zijn ver-banning tot Zijn vernietiging en ondergang zou leiden, aangezien het onmogelijk leek dat iemand die uit zijn geboorteland was verbannen, beroofd van zijn rechten, en aan alle kanten verdrukt - zelfs al zou hij een koning zijn - aan verdelging kon ontsnappen. Maar Abraham hield stand en legde buiten-gewone vastberadenheid aan de dag; en God maakte deze verbanning tot Zijn eeuwig sieraad, omdat Hij de eenheid Gods vestigde onder een polytheïstische generatie. Door deze verbanning kwamen de nakomelingen van Abraham tot vooruitgang en werd hun het heilige Land gegeven. Dit had tot ge-volg dat de leringen van Abraham werden verbreid, er een Jakob onder Zijn nakomelingen verscheen en een Jozef die heerser in Egypte werd. Ten gevolge van Zijn verbanning werden er uit Zijn nage-slacht een Mozes en een wezen als Christus geopenbaard en vond men Hagar, uit wie Ismaël werd geboren, van wie Mohammed één van de nakomelingen was. Ten gevolge van Zijn verbanning ver-scheen de Báb uit Zijn nageslacht, en bevonden de profeten van Israël zich onder de nakomelingen van Abraham. En zo zal het eeuwig doorgaan. Tenslotte kwamen ten gevolge van Zijn verbanning heel Europa en het grootste gedeelte van Azië onder de beschermende schaduw van de God van Israël. Zie door wat voor een kracht iemand die uit Zijn land was gevlucht, in staat werd gesteld om zo'n familie te stichten, zo'n geloof te vestigen en zulke leringen te verkondigen. Is er iemand die kan zeggen dat dit alles toevallig gebeurde? Wij moeten rechtvaardig zijn - was deze man een opvoeder of niet?
Aangezien de verbanning van Abraham uit Ur naar Aleppo in Syrië dit resultaat had, moeten wij overwegen wat de uitwerking zal zijn van de verbanning van Bahá'u'lláh bij Zijn verschillende verplaatsingen van Tihrán naar Baghdád, van daar naar Constantinopel, naar Roemelië en naar het heilige land. Zie wat een volmaakte opvoeder Abraham was!
(Abdu'l-Baha, Beantwoorde Vragen)

Eens schonk de Zon van Werkelijkheid bijvoorbeeld zijn stralen in het teken van Abraham en toen daagde hij in het teken van Mozes en werd de horizon verlicht; daarna kwam hij met de grootste kracht en schittering op in het teken van Christus; zij die de zoekers naar de Werkelijkheid waren, vereerden die Werkelijkheid waar zij die ook zagen, maar degenen die gehecht waren aan Abraham, waren van zijn invloeden verstoken, toen hij op de Sinaï scheen en de werkelijkheid van Mozes verlichtte.
(Abdu'l-Baha, Beantwoorde Vragen)

De Manifestaties van universeel profeetschap die onafhankelijk verschenen, zijn bijvoorbeeld Abraham, Mozes, Christus, Mohammed, de Báb en Bahá'u'lláh. Maar de anderen, de volgelingen en bevorderaars, zijn onder anderen Salomo, David, Jesaja, Jeremia en Ezechiël. Want de onafhanke-lijke Profeten zijn Stichters, Zij vestigen een nieuwe religie en vernieuwen het wezen van de mens. Zij veranderen de heersende zeden, bevorderen nieuwe gewoonten en leefregels, en vernieuwen de cyclus en de Wet.
(Abdu'l-Baha, Beantwoorde Vragen)

Afgezien hiervan wordt aan sommige families en sommige generaties een bijzondere zegening ver-leend. Zo is er een bijzondere zegening dat uit de afstammelingen van Abraham alle profeten van de kinderen Israëls gekomen zijn. Dit is een zegening die God aan dit geslacht heeft verleend: aan Mozes uit Zijn vader en moeder, aan Christus uit de lijn van Zijn moeder, ook aan Mohammed en de Báb en aan alle Profeten en de heilige Manifestaties Israëls. De gezegende Schoonheid is eveneens een rechtstreekse afstammeling van Abraham, want Abraham had behalve Ismaël en Izaäk nog andere zonen die in die dagen naar Perzië en Afghanistan trokken en de Gezegende Schoonheid is een van hun afstammelingen.
(Abdu'l-Baha, Beantwoorde Vragen)

De essentie van alle godsdiensten is de Liefde Gods en deze is het fundament van alle heilige leringen. Het was de Liefde van God die Abraham, Isaak en Jakob leidde, die Jozef in Egypte kracht verleende, en Mozes moed en geduld schonk. Door de Liefde Gods werd Christus met Zijn bezielend voorbeeld van een volmaakt leven vol zelfopoffering en toewijding in de wereld gezonden, en bracht Hij de boodschap van eeuwig Leven aan de mensen. Het was de Liefde Gods die Mohammed de kracht schonk om de Arabieren uit een staat van dierlijke ontaarding te verheffen en hen naar een hogere trap van bestaan te voeren.
(Abdu'l-Baha, Toespraken in Parijs, p. 92)

Laten wij, ik in het oosten en u in het westen, ons met hart en ziel inspannen eenheid te brengen in de wereld, opdat alle volkeren tot één volk zullen worden, en opdat de gehele aarde als één land zal zijn - want de Zon van Waarheid schijnt op allen gelijkelijk. Alle Profeten van God kwamen uit liefde voor dit ene, grote doel. Ziet, hoe Abraham ernaar streefde geloof en liefde onder het volk te brengen, hoe Mozes probeerde de mensen te verenigen met wijze wetten, hoe Christus, de Heer, tot Zijn dood toe heeft geleden om het licht van liefde en waarheid te brengen in een duistere wereld; hoe Mohammed heeft getracht eenheid en vrede te brengen tussen de verschillende onbeschaafde stammen onder wie Hij woonde.
(Abdu'l-Baha, Toespraken in Parijs, p. 193)

Zie hoe de mensen, tengevolge van het oordeel uitgesproken door de godgeleerden van Zijn tijd, Abraham, de Vriend van God, hebben verworpen; hoe Mozes, Hij die met de Almachtige sprak, openlijk werd veroordeeld als een leugenaar en een lasteraar. Bedenk hoe Jezus, de Geest van God, ondanks Zijn buitengewone zachtmoedigheid en volkomen teerhartigheid, door Zijn vijanden werd behandeld.
(Baha'u'llah, Bloemlezing uit de Geschriften van Baha'u'llah, p. 39)

Dat wat gij gehoord hebt met betrekking tot Abraham, de Vriend van de Albarmhartige, is de waar-heid, hierover bestaat geen twijfel. De stem van God gebood Hem Ismaël op te offeren als een offerande, om zijn standvastigheid in het Geloof van God en zijn onthechting van alles buiten Hem aan de mensen te tonen. De bedoeling van God was bovendien, om hem op te offeren als een losprijs voor de zonden en ongerechtigheden aller volkeren op aarde. Jezus, de Zoon van Maria, bad de ene ware God, verheven zij Zijn Naam en heerlijkheid, Hem deze zelfde eer te willen verlenen. Om dezelfde reden werd Husayn als offerande opgeofferd door Mohammed, de Apostel van God.
(Baha'u'llah, Bloemlezing uit de Geschriften van Baha'u'llah, p. 50)

Onder de Boodschappers was Abraham, de Vriend van God. Voordat Hij Zich manifesteerde, had Nimrod een droom. Daarop riep hij de waarzeggers tot zich, die hem inlichtten over de opkomst van een ster aan de hemel. Eveneens verscheen er een heraut die door het hele land de komst van Abraham aankondigde.
(Baha'u'llah, Boek van Zekerheid, p. 40)