HET  BASISONDERWIJS EN HET SECUNDAIR ONDERWIJS ZIJN NIET KOSTELOOS. IS HET RECHT OP OPVOEDING VOOR IEDER KIND VERZEKERD?
WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA) - websitenaam : http://levensbeschouwing.info/ of http://www.levensbeschouwing.info/
- STARTPAGINA - AGENDA - BIJ DE HAND - NIEUW - OVERZICHT -  TIJDSCHRIFTEN -
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES :
JAARTAL - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z
HOOFDTHEMA'S : allochtonen , armoede , bahá'íbijbel , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts ( Vlaams Blok ) , fundamentalisme , globalisering en antiglobalisering ,  hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , islam , jodendom , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , migratie , mystiek , racisme , samenleving , sikhisme , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen ,
- Eigen-zinnige beschouwingen - Het kleine of grote ongenoegen -

Werkgroep onderwijs in opdracht van ATD Vierde Wereld, Brussel, 1999

INLEIDING

Het Algemeen Verslag over de Armoede  maakt duidelijk dat slechts een globale en gezamenlijke politiek van armoedebestrijding een einde kan maken aan de miserie en de uitsluiting van de armen. Deze strijd tegen de armoede moet gevoerd worden in partnerschap met de betrokken individuen en groepen. In de lente van 1998 sloot de federale overheid  een samenwerkingsakkoord af met de Gemeenschappen en de Gewesten. Zij willen de politiek met betrekking tot de armoede in partnerschap met de armen op een structurele wijze voortzetten.

In deze globale politiek moet een basisvorming voor iedereen toegankelijk zijn. Deze is een onmisbare voorwaarde om de vicieuze cirkel van de miserie te doorbreken. Het basisonderwijs en  het secundair onderwijs hebben de opdracht  iedereen een basisvorming te geven. Nochtans tonen talrijke studies aan hoeveel moeite onderwijsverstrekkers hebben om deze taak bij de kansarme bevolking te vervullen. Het hoofdstuk ‘onderwijs’ van het Algemeen Verslag over de Armoede laat de moeilijkheden zien die de armste leerlingen en hun ouders tegenkomen op school. En dit bij het begin en gedurende de hele scholing. Het toont eveneens hun lijden en mislukking. Het verwoordt ook de verzuchting van de ouders dat hun kinderen kunnen studeren zodat ze een beter leven tegemoet gaan.
Wanneer men met zeer arme gezinnen praat over het onderwijs, hebben ze het altijd  over de moeilijkheden om het hoofd te bieden aan de financiële bijdragen die de school vraagt. Sedert enkele jaren neemt de financiële druk toe, in het bijzonder wat de schoolbenodigdheden en de geplande activiteiten buiten de school betreft (zwemmen, uitstappen, bosklassen…). De ouders zeggen dat de schoolkosten het schoolklimaat van de kinderen verzuren.

‘De financiële drempels komen immers bovenop de culturele en sociale drempels, die tot de huidige ongelijkheid in emancipatiekansen leiden’ . De moeilijkheden van gezinnen om het hoofd te bieden aan de schoolkosten zijn niet de enige hinderpaal opdat kansarme kinderen op school goed functioneren en slagen. Maar de schoolkosten  ‘verzuren’ letterlijk het hele schoolleven van het kind en de relaties tussen de school en het gezin.

De internationale conventies dringen aan op de kosteloosheid van het basisonderwijs  en het nastreven van de kosteloosheid van het secundair onderwijs. Maar recente nationale wetteksten spreken over de kosteloze toegang tot het onderwijs ... De jongste decennia vraagt de school een grotere financiële bijdrage en verwacht een alsmaar belangrijker pakket schoolbenodigdheden vanwege de gezinnen van de leerlingen. Hierdoor nemen verschillen tussen scholen en ongelijkheid tussen leerlingen van dezelfde school toe.

Als vervolg op het Algemeen Verslag over de Armoede nam ATD Vierde Wereld het initiatief om met het netwerk onderwijs  te starten. Het netwerk onderwijs ging na hoe de schoolkosten  door de armste gezinnen van ons land worden ervaren en hoe de scholen de financiële moeilijkheden van deze gezinnen interpreteren.

Het netwerk heeft oplossingen ontdekt en wegen gevonden om de situatie te verbeteren, zowel bij de gezinnen en hun omgeving als bij de school en de overheid.

Totale kosteloosheid van het basisonderwijs en het secundair onderwijs en een gewaarborgd inkomen  voor alle gezinnen zijn  onontbeerlijk opdat het onderwijs voor iedereen toegankelijk is.

I. WAT KANSARME GEZINNEN EN HUN KINDEREN BELEVEN

I.A. Welke gezinnen en welke kinderen komen in dit document aan het woord?

Voor het merendeel gaat het om gezinnen, meestal Belgische, die in grote armoede leven of dikwijls gedurende meerdere generaties erin geleefd hebben. Ze vertegenwoordigen ongeveer 6% van de bevolking. Ze brengen de hachelijke levensomstandigheden en de uitsluiting aan het licht zoals ze onderaan de sociale ladder worden beleefd. De problemen worden in een mindere mate of op verschillende wijzen beleefd door volksmensen en bestaansonzekere mensen, Belgen en vreemdelingen, ongeveer 20 tot 25% van de bevolking in België, vooral in de grote steden, vertegenwoordigen.  Of met andere woorden, één op vijf kinderen behoort tot deze groep.

Vaak hebben de ouders wel school gelopen in België, maar zeer velen onder hen hebben op school mislukking en vernedering gekend. Sommigen van hen werden zelfs naar het buitengewoon onderwijs verwezen. Weinigen hebben een diploma behaald. Sommigen hebben niet leren lezen. ‘Voor ons is de school gelijk aan lijden’, riep een moeder uit op een Volksuniversiteit.

Nochtans hopen deze ouders op een betere toekomst voor hun kinderen. Zij verlangen dat hun kinderen een beroep leren. Zij spannen zich in om er te komen. Dat wordt dikwijls niet opgemerkt...

Spijtig genoeg stellen ze vast dat de situatie zich herhaalt bij hun kinderen. Ook dezen maken zeer vroeg kennis met uitsluiting, mislukking, overzitten of doorverwijzing naar het buitengewoon onderwijs . In het secundair onderwijs vindt men deze jongeren grotendeels terug in het beroepsonderwijs (zowel het gewoon als het buitengewoon). Dikwijls geven ze het voortijdig op.

De schoolkosten zijn medeverantwoordelijk voor dit afhaken.
Alle gezinnen zijn bekommerd om de toekomst van hun kinderen en ze vinden het ‘normaal’ dat zij een financiële bijdrage leveren voor een goede scholing  van hun kinderen. Beantwoorden de verwachtingen van de school wel aan hun mogelijkheden en merkt de school de goede wil van de ouders op? Schoolkosten betalen, de kinderen helpen bij hun huistaak... zijn dikwijls de voornaamste eisen van de school aan de ouders. Vele kansarme gezinnen kunnen niet beantwoorden aan wat de school van hen vraagt en de desiderata van de school geven een aantal gezinnen een onbehaaglijk gevoel.

Kansarme gezinnen vinden het normaal dat ze een deel van hun budget besteden aan de opvoeding van hun kinderen. Ze zijn er fier op en leveren hiervoor soms onvermoede inspanningen. Maar moet de gevraagde bijdrage niet in verhouding staan tot de financiële draagkracht van de gezinnen?

Wanneer er financiële problemen ontstaan met de school, zijn ze zelden het gevolg van slechte wil, onverschilligheid, gebrek aan interesse of slecht beheer. Toch interpreteert de school de tekortkomingen nog dikwijls op een verkeerde wijze omdat ze deze gezinnen slecht kent.

Dikwijls zijn leerkrachten ontstemd over de houding van sommige gezinnen met betrekking tot bepaalde uitgaven, vooral wanneer gezinnen kiezen voor een uitgave die in de ogen van de leerkrachten ‘niet nuttig’, ‘onlogisch’ en ‘bijkomstig’ is (b.v. uitstap naar de Quick, video, videospelletjes, dure kleren, GSM...). Leerkrachten zien daarbij wel eens over het hoofd dat kansarme ouders  deze zogenaamde consumptiegoederen en –diensten hebben moeten missen. Leerkrachten zien immers liever een schoolreis of andere belangrijke dingen die de school vraagt, op de eerste plaats komen.

I.B. Welke schoolkosten?

Het schoollopen brengt verschillende soorten kosten voor de gezinnen met zich mee.  Schoolkosten die min of meer verplicht zijn.
1. Kosten die de onderwijsinstelling eigenlijk zou moeten dragen (de handboeken en de schriften in het basisonderwijs…).
2. Kosten die de onderwijsinstelling de familie mag aanrekenen (de agenda, het zwemmen, het vervoer naar het zwembad, sportuitrusting…).
3. Kosten die de onderwijsinstelling mag vragen aan de familie voor ‘vrijblijvende’ pedagogische activiteiten en diensten (een abonnement op een tijdschrift, de schoolreis…).
4. Kosten  voor de vrijblijvende diensten die in de school worden aangeboden (drank, kinderopvang…).
5. Kosten die het schoollopen met zich meebrengt (kledij, schoenen, boekentas, vervoer…). Tijdens de laatste decennia is de druk om met de mode mee te gaan, zeer sterk toegenomen.
6. Kosten voor vrijblijvende activiteiten en diensten die door de school buiten de schooluren worden aangeboden (taalcursus, studie, herhalingslessen…).
7. Kosten die het sociale leven op de school met zich meebrengt (verjaardag, kermis, het einde van het schooljaar…).
8. Kosten voor de pedagogische activiteiten en uitrusting (keuze uit een veelheid van externe activiteiten op school, boeken, computer, CD-Rom, internet, bezoek aan de bibliotheek of aan de mediatheek).
9. Kosten die verband houden met de eigenheid van het kind (gezondheidsuitgaven, bril, logopedie, bijzondere cursussen, remediëring).

De bedragen van deze verschillende kosten die de gezinnen betalen, liggen sterk uiteen. De verschillen komen voort uit wat de scholen vragen, uit het inkomen van de gezinnen en uit de investering in de opvoeding. De ULB publiceerde een studie waaruit deze verschillen en deze ongelijkheden tussen de gezinnen duidelijk blijken.

In onze tekst zullen we vooral over de eerste vijf soorten kosten spreken, terwijl we in het achterhoofd houden dat de andere kosten bestaan en de ongelijkheden tussen de kinderen versterken.

I.C. Welke schoolkosten scheppen problemen?

1.C.1. Alle kosten scheppen problemen voor bepaalde gezinnen die in een grote bestaansonzekerheid en (of) in een crisis- of afhankelijkheidssituatie verkeren.
· ‘ Ik kon niet tussenkomen met het weinige geld dat ik had.’
· ‘Wanneer men thuis niets heeft, kan men niets betalen.’
· ‘De agenda  van sommige kinderen staat vol opmerkingen  over het materiaal  dat ontbreekt, over onbetaalde rekeningen’, zegt een schoolverantwoordelijke voor de huistaken.

Dergelijke situaties zijn soms voorlopig en tijdelijk, maar bij sommige zeer arme gezinnen blijven deze situaties duren en (of) herhalen ze zich. Sommige gezinnen sleuren zo een reputatie van ‘slechte betaler’ met zich mee, die hen achtervolgt en hen soms voorafgaat van de ene klas naar de andere of zelfs van de ene school naar de andere.

I.C.2. De belangrijke kosten, de onvoorziene uitzonderlijke kosten of de gewone schoolkosten die erbij komen scheppen problemen voor  gezinnen met een laag inkomen (bestaansminimum, werkloosheid, invaliditeit, laag salaris).

I.C.2.a. Het begin van het schooljaar brengt vaak met zich mee:
· Een vernieuwing of een aanvulling van de basisuitrusting voor de school (kleren, schoenen, soms een schoolabonnement).
· Soms een zeer gedetailleerde lijst van schoolbenodigdheden die door de school gevraagd (of zelfs geëist) worden.
· Een voorschot op de verplichte kosten of soms de totale som ervan.
· Zeer vlug ook de bijdrage voor bijkomende activiteiten die min of meer verplicht zijn.

Deze kosten tijdens een korte periode vormen soms een zeer hoge som  voor gezinnen die een klein inkomen hebben.

De kosten in het begin van het schooljaar zijn omvangrijk in het secundair onderwijs, vooral in het technisch en beroepsonderwijs. Daar zitten de meeste jongeren uit kansarme milieus.
· De kosten voor de noodzakelijke benodigdheden, de handboeken en de fotokopieën liggen hoger dan in het lager onderwijs.
· De activiteiten zijn vaak talrijker en zijn duurder dan in het lager onderwijs.
‘Het begin van het eerste jaar secundair onderwijs in een gezin:  “in september: 3000 BEF voor de boeken, fotokopieën enz. Onmiddellijk daarna: niet geplande activiteiten: 100 BEF voor ijsschaatsen, 50 BEF voor het theater, 50 BEF voor het concert. En nog 50 BEF omdat ze op school haar boterhammen opeet...”
· In het technisch en beroepsonderwijs zijn de uitrusting en de bijdragen voor de werkplaatsen, en de aankoop van het basismateriaal zeer duur, vooral in bepaalde afdelingen (slagerij, houtbewerking, haartooi...). Niet zelden vraagt men in september meer dan 10.000 BEF per leerling.

I.C.2.b. De grote kosten, vooral wanneer ze onverwacht komen, zijn vaak onoverkomelijk (een uitstap, een woordenboek, een atlas…).

De activiteiten (zee-, bos- en sneeuwklassen, studiereizen, uitstappen)  zijn praktisch ontoegankelijk  voor de kinderen uit gezinnen met een laag inkomen.

‘Mijn kinderen zijn nooit op reis geweest’, zegt een moeder van zeven kinderen.

I.C.2.c. Indirecte kosten die met het schoolbezoek te maken hebben:

· Het middagmaal of tenminste het middagtoezicht of de opvang bij de avondstudie, wanneer de kinderen niet naar huis kunnen terugkeren.
· De vervoerkosten voor de kinderen van het secundair onderwijs. Vele gezinnen kunnen de vervoerkosten moeilijk dragen. Zij verkiezen dan een school die te voet bereikbaar is, en ze zien af van een vorming die de jongere aantrekkelijk vindt en van een school waar hij zich goed voelt.

Daarentegen wordt het buitengewoon onderwijs als kosteloos ervaren door de arme gezinnen en de moeilijkheid om het hoofd te bieden aan de kosten in het gewoon onderwijs is één van de redenen om  hun kinderen erheen te sturen.
· ‘In het buitengewoon onderwijs wordt alles, zelfs het vervoer, door de school gedragen.’
· Op de vraag: ‘Denk je dat vele kinderen van gezinnen die een hard leven hebben,  naar het buitengewoon onderwijs worden gestuurd?’ antwoordt een vader: ‘Ja, velen. Omdat ze het gewoon onderwijs niet kunnen betalen (schriften, potloden...).’
· ‘Ik ken een kind dat in het algemeen vormend onderwijs zou kunnen zitten, maar men laat het naar het buitengewoon onderwijs gaan omdat het minder kost’, zegt een medestander van ATD Vierde Wereld.

I.D. Welke zijn de gevolgen van de moeilijkheden om de schoolkosten te betalen?

De zwaarte van de moeilijkheden hangt ook af van de frequentie ervan. Als het gezin dikwijls het hoofd moet  bieden aan financiële problemen, verzuren ze het schoolleven van het kind en de relaties tussen de school en de gezinnen, die zich niet durven laten zien op school. Zij hebben immers het gevoel dat zij voortdurend  in gebreke blijven, omdat ze niet in staat zijn het hoofd te bieden aan de verplichting van betaling die vanaf de inschrijving of in het begin van het schooljaar van hen verwacht wordt.

Gedurende de hele scholing  stapelen de moeilijkheden zich dag na dag op. Ze veroorzaken en versterken de leer- en relatiemoeilijkheden. Ook het schoolbezoek gaat eronder lijden.

Uiteraard is de beleving van de gezinnen en de kinderen subjectief en is ze een gevolg van hun ervaring van de werkelijkheid. In gelijkaardige situaties kan dat nog verschillen, omdat de voorgestelde oplossingen en de houding van de school zeer verschillend kunnen zijn.

I.D.1. Het schaamtegevoel drukt op vele gezinnen.

Bepaalde ouders durven op school niet over hun moeilijkheden praten, ook al zijn de problemen soms erg groot.
· ‘Omdat ik me zo schaamde, durfde ik niet naar de directeur gaan.’
· ‘Het is zo vernederend, wanneer men je bekijkt alsof  jij en je kinderen niet dezelfde rechten   hebben.’
· ‘Het is moeilijk om erover te praten; men doet dat niet graag.’

Wanneer men dan toch de moed heeft om erover te praten, komt het soms slecht over, waardoor men zich nog meer schaamt.
· ‘Hij heeft me geantwoord dat ik moest betalen, zoals iedereen.’
· ‘Ik moest aan de directeur vragen of ik in twee, drie beurten mocht betalen. Hij zei: “Het is goed voor één keer”. Ik ging akkoord, omdat ik uitstel wou. Maar wanneer deze situatie zich opnieuw zal voordoen, zal ik beschaamd zijn.’

Zelfs wanneer men luistert en helpt, wordt het schaamtegevoel nog versterkt, omdat men steeds opnieuw moet vragen, een ‘speciale behandeling’ krijgt, van de goede wil van anderen afhangt.
* Een leerkracht: ‘In vele scholen neemt de oudervereniging de kosten voor de uitstappen op zich, die sommigen niet kunnen betalen. Dat is een goed hulpmiddel. Dat neemt niet weg dat die gezinnen schaamte en uitsluiting blijven ervaren. Ieder ‘dankjewel’ versterkt hun opstandigheid. Wanneer een aalmoes plaats maakt voor een rechtvaardig inkomen, hoeven ze geen “dankjewel” meer te zeggen.’

Gezinnen praten weinig over deze moeilijkheden. Scholen vangen te weinig de signalen van deze moeilijkheden op of denken dat gezinnen van slechte wil zijn. Dat drukt zijn stempel op de relaties tussen het gezin en de school, tussen het kind en de school en tussen het kind en zijn gezin.

I.D.2. De negatieve gevolgen voor het kind

Wanneer de moeilijkheden zich herhalen of blijven voortduren, krijgt het kind vaak problemen op school. Deze zijn in de eerste plaats niet te wijten aan de houding of het werk van het kind maar aan de weerslag van de moeilijkheden om de schoolkosten te betalen.

Het kind schaamt zich.
n Spot (na opmerkingen van leerkrachten, omdat men niet in orde is ‘zoals iedereen’)
· ‘Andere kinderen zeggen tot mijn zoon: “Je vader is werkloos.”  Ze lachen met hem, ze slaan hem; tenslotte zit hij heel alleen in een hoek. Hij gaat niet graag naar school. Hij wacht in het bushokje tot de bel gaat.’

n Herhaaldelijk onaangename mondelinge of schriftelijke opmerkingen.
· ‘Alles wat mijn zoon nodig heeft, staat in zijn agenda rood genoteerd, omdat hij niet in orde is.’

n Punten worden afgetrokken.
· ‘Een kind is ingeschreven in 1A. In oktober wordt het in dezelfde school naar 1B gestuurd. Dat brengt nieuwe uitgaven voor boeken, uitrusting en activiteiten met zich mee, die zijn moeder met moeite kan betalen. “... Ik ging voor hem pantoffels en een short kopen. Het moest een zwarte short zijn, maar ik vond er geen. Ik kocht dan maar een zwarte wielrennersshort. Telkens kreeg hij een nul voor turnen, omdat hij niet over de passende short beschikte.”

n Door uitgesloten te worden bij bepaalde activiteiten ontstaan frustratie en een gevoel van uitsluiting.
· ‘Op school gaan de kinderen, die de zwemles niet betalen, naar de studie en krijgen bijkomend werk.’
· ‘ ’s Maandags had een leerkracht tot de kinderen gezegd dat ze ‘s woensdags een woordenboek moesten meebrengen. “Als je er geen hebt, zal je met je vingers moeten draaien.”

n Er ontstaan moeilijkheden bij het schoolwerk van het  kind, omdat er verwezen wordt naar een activiteit waaraan het niet heeft deelgenomen.
· ‘De schoolreizen zijn niet verplicht, maar de afwezige leerlingen worden gestraft. Er moet een werkje gemaakt of een spreekbeurt gegeven worden.’

n Er ontstaan moeilijkheden om zich in de klas te integreren, omdat ze niet aan een belangrijke activiteit hebben deelgenomen.
· Bij het begin van het schooljaar had een klas de idee opgevat om enkele dagen op schoolreis te gaan om de onderlinge band van de kinderen te versterken. Er ontstonden vriendengroepen. Het afwezige kind viel buiten iedere structuur en had moeite om zich te integreren.

n Sommigen worden gestraft, omdat ze niet in orde zijn.
· ‘... en geen kleine straf!’

n Omdat hun ouders de schoolkosten niet kunnen betalen, worden sommige kinderen  verplicht om van richting of van school te veranderen. Anderen gaan niet meer naar school. Dat komt veel voor in bepaalde beroepsrichtingen.
· ‘In het begin wilde R. kinderverzorging doen. In het derde jaar moest zij ofwel naar M. ofwel naar T. gaan, maar zij zou een schoolabonnement moeten nemen. Zij is dus tegen haar zin haartooi blijven volgen, omdat dat minder kostte dan kinderverzorging.’
· ‘In de naaischool, waarheen ik ging, waren de stoffen zeer duur. Mijn vader kon dat niet betalen. Bijgevolg had ik slechte cijfers in mijn agenda  en noteerde men dat ik het geld moest meebrengen. Ikzelf ondertekende hem; mijn vader wist er niets van. Daarop was ik ontmoedigd. Ik werkte niet meer en ik dacht dat het niets zou uithalen om mijn best te doen, want wat ik ook zou doen, ik zou toch geen goede cijfers halen.’

n Sommigen ontvangen geen rapport of mogen niet aan de examens deelnemen

Vanwege de schulden hebben we vanaf het begin min of meer verborgen vormen van uitsluiting of druk ondervonden.
· ‘Gedurende de eerste veertien dagen van september wordt een leerlinge van het tweede secundair voortdurend onder druk gezet omdat haar familie nog schulden moet betalen op school en omdat ze een (erg dure) atlas nog niet heeft aangeschaft, die ze reeds in het eerste jaar had moeten aankopen.’

I.D.3. Door deze reacties op school wordt het kind triestig en voelt het zich geïsoleerd en uitgesloten.

· ‘De kinderen worden aan hun lot overgelaten.’
· ‘De kinderen worden nog eenzamer.’
· ‘Soms kan ik de rekening niet betalen. Dan geef ik een briefje mee, waarop ik schrijf: “Ik zal op die dag betalen.” Maar de leerkrachten kennen dat. Ze benadelen de kinderen. Om een prul moeten ze in de hoek staan. Ze worden onderdrukt. Dat motiveert hen niet bij hun studies.’

Het kind is bang. Het gaat niet meer graag naar school. Het wil van school veranderen. Soms verandert zijn gedrag; het sluit zich meer en meer op, het neemt aan niets meer deel. Het wordt ook wel eens opstandig, gewelddadig, agressief of het biedt passief weerstand.
· Schoolopbouwwerk stelt vast dat een elfjarige zijn huistaak die hij heeft gemaakt, op school niet afgeeft. Bij een gesprek komt aan het licht dat hij de school systematisch ‘boycot’. Hij voelt zich zo vernederd door de voortdurende opmerkingen dat hij ‘staakt’. Zijn agenda staat inderdaad vol opmerkingen in het rood, vooral over onbetaalde rekeningen, over ontbrekend materiaal... ‘Hij slikt letterlijk schaamte omwille van zijn armoede.’
· ‘Ik heb problemen met mijn klasgenoten en mijn leerkrachten van snit en naad. Wanneer ik iets mis, roepen ze naar mij,  omdat ik het niet heb. Dan zou ik wel naar huis kunnen gaan. Vreselijk is het’, zegt een adolescente.

I.D.4. Soms is afwezig blijven de enige manier voor de gezinnen en het kind om niet beschaamd te moeten zijn.

· Bij het begin van het schooljaar houdt een moeder haar drie kinderen nog een week thuis, omdat ze haar werkloosheidsuitkering nog niet heeft ontvangen. Daarom heeft ze haar kinderen niet van het nodige materiaal kunnen voorzien. Ze weet dat ze ‘slecht gezien’ wordt op school en gecontroleerd wordt. Ze laat hen pas naar school gaan, wanneer ze in orde zijn.

· ‘Sommige kinderen zijn systematisch afwezig op dagen dat bepaalde cursussen of bepaalde activiteiten plaatshebben, zodat ze niet moeten laten merken dat ze niet over het nodige geld beschikken.’

· ‘Dit jaar zijn we niet naar het schoolfeest gegaan. We hadden het wel graag gedaan, maar met de financiële moeilijkheden die we dit jaar hebben, was het onmogelijk.’

· We kennen ook bepaalde gezinnen, van wie de kinderen gedurende lange periodes niet naar school gaan, omdat de situatie onleefbaar werd voor de leerling die met een voortdurende aanmaning bestookt werd om de kosten voor het ontbrekende materiaal te betalen. Deze situatie kan het gezin niet oplossen, want het die kosten niet dragen.

I.D.5. De moeilijkheden om de schoolkosten te betalen hebben hun weerslag op het leven van het gezin: zorgen, angst en zenuwachtigheid bij de ouders, spanningen tussen ouders en kinderen.

· ‘... Ik bleef de eindjes aan elkaar knopen om de schoolkosten te betalen want het materiaal is niet hetzelfde bij de overgang van 1A naar de eerste aanpassingsklas.’
· ‘Ik zit me eens te meer zorgen te maken over de school en de schoolkosten, want ik moet me voortdurend inspannen dat C. in orde blijft.’
· ‘Ik heb gevraagd om mij vooraf op de hoogte te brengen; zo kan ik mij erop voorbereiden; anders word ik zenuwachtig.’
· ‘De kinderen zijn boos. Ze willen niet praten. Ze willen niet meer naar school gaan. “We hebben hen moeten uitleggen wanneer we geld ontvangen.”
· ‘Vanuit familiaal standpunt was het niet evident de kinderen te verplichten iets anders te doen dan ze wilden’, legt een moeder uit die niet in staat is om de kosten van een schoolabonnement te betalen. ‘De kinderen kregen geen abonnement; dat veroorzaakt conflicten in het gezin.’

Vele kansarme gezinnen moeten  ‘de buikriem aansnoeren’ en ‘knabbelen’ aan andere, nochtans levensnoodzakelijke uitgaven (voeding, kleren, gezondheid, hygiëne). De gevolgen ervan moeten door alle gezinsleden min of meer gedragen worden.

· ‘Men maakte opmerkingen over zijn training. Hij had jeans gewild, zoals de anderen. Maar ik wist niet dat hij de sportuitrusting zoveel duurder had moeten betalen.’
· ‘De aankoop van de schooluitrusting heeft soms zijn weerslag op hetgeen het gezin gedurende de twee volgende weken eet!’

I.D.6. Je zegt: ‘Een school of een studierichting kiezen’.

Het financieel aspect beperkt heel sterk de keuze van de school. Arme gezinnen worden dikwijls verplicht om hun kinderen naar een school te laten gaan die te voet bereikbaar is, waar de kosten niet te hoog oplopen, zelfs al is die niet geschikt voor het kind omwille van de pedagogische aanpak  en de opties, waardoor zijn leerproces, integratie en schoolloopbaan nog moeilijker verlopen.

· Tijdens een gesprek bij een inschrijving in een school, waarvan de moeder meent dat haar kind er goed zal kunnen volgen, vermeldt de directrice de nogal hoge kosten. De moeder legt haar uit dat het voor haar moeilijk is om regelmatig te betalen. ‘Dan zult u met mij problemen hebben’, antwoordt de directrice haar. De moeder heeft er dan maar van afgezien haar kind in die school in te schrijven.
· Iemand anders verandert haar kinderen bijna elk jaar van school, omdat ze de schulden niet kan betalen.
· Talrijke jongeren moeten afzien van de opleiding tot een beroep dat ze aantrekkelijk vinden (slagerij, schrijnwerkerij, keuken, kinderverzorging, haartooi), omdat hun familie de uitrusting en het materiaal of het vervoer naar de school niet kan betalen. Velen geven het dan vlug op.

Een echte keuze van school, studierichting, net en in Brussel de taal bestaat niet echt voor kinderen van arme gezinnen.

Het invoeren van de ‘quota’ voor allochtonen in Vlaamse scholen heeft soms negatieve gevolgen. Wanneer een school haar ‘quotum’ heeft bereikt, kan ze weigeren nog meer allochtonen in te schrijven. Bijgevolg moeten sommige allochtonen een andere school zoeken. Soms ligt deze verder van de woonplaats, waardoor meer aan vervoer moet uitgegeven.

I.D.7. Ongelijkheden worden soms groter.

De kinderen die niet kunnen deelnemen aan vrijblijvende activiteiten zijn zeer dikwijls degenen die in hun gezin of in het verenigingsleven niet de kans krijgen om een gelijkaardige activiteit mee te maken. Bijgevolg neemt het kind niet deel aan een schoolreis naar zee, die het nooit heeft gezien en misschien nooit zal zien. Zo gaat het kind niet naar theater. Het zijn de meest kwetsbare kinderen op het vlak van integratie in de klas, die uitgesloten worden van gezamenlijke activiteiten die de relaties in de groep willen verbeteren en die de leerlingen het meest motiveren!

Deze kinderen hebben cultureel en financieel geen toegang tot deze activiteiten. Nochtans zouden zij er pedagogisch en sociaal het meest baat bij hebben!

II. WAT DOEN DE BETROKKENEN BIJ HET ONDERWIJS OM GEZINNEN MET EEN LAAG INKOMEN TE HELPEN HET HOOFD TE BIEDEN AAN DE DRUK VAN DE SCHOOLKOSTEN

II.A. GEZINNEN EN HUN OMGEVING
     ‘Men moet de buikriem aansnoeren.’

De arme gezinnen verlangen dat hun kinderen op school dezelfde kansen hebben als de anderen, dat zij er gelukkig zijn en er leren. Daarvoor spannen ze zich in de loop der jaren zeer sterk in. Bij het begin van het schooljaar brengen sommigen offers die soms naar het heroïsche neigen, maar die uiteindelijk op lange termijn ‘onhoudbaar’ zijn. Daarenboven volstaan deze inspanningen niet  om voldoende geld te sparen, omdat zij te weinig inkomen hebben. Zij slagen er niet in  om hun kinderen te geven wat men als ‘normaal’ beschouwt: op school in orde zijn en de gevraagde kosten betalen.

II.A.1. Vooral gezinnen met een vast en voorspelbaar inkomen leveren grote inspanningen om te plannen en te sparen. Zij slagen erin zich uit de slag te trekken door zeer strikt te plannen, zich geen extra’s te permitteren en aan andere uitgaven (vooral op het vlak van ontspanning) te verzaken.
n ‘Voor een gezin met vier, vijf kinderen is het begin van het schooljaar heel zwaar. Reeds vanaf het einde van juni en gedurende de twee vakantiemaanden plan ik de uitgaven van één van mijn dochters.’

Je kunt dit doen zolang de kosten voorspelbaar zijn en er geen onverwachte kosten opduiken (ziekte, familiale gebeurtenissen…). Als er dan maar geen onverwachte uitstap of uitrusting, een ongeluk, een achterstallige rekening komt... Dan moet er op belangrijke posten van het budget bespaard worden.

II.A.2. Een kleine groep gezinnen sluit een ‘overeenkomst’ met de school.

n Dan moeten gezinnen over hun moeilijkheden durven praten, maar we hebben gezien hoe moeilijk ouders uit zichzelf daarover spreken.
n Dan moet iemand van de school bereid zijn om over het onderwerp te praten. Dat is meestal de directeur.
n Dan moet de school bepaalde afspraken willen maken: ze moet willen aanvaarden dat de rekening betaald wordt of dat een betaling uitgesteld wordt.

Zelden vermelden de scholen de mogelijkheid om erover te praten. Scholen zijn niet altijd bereid tot overeenkomsten. Soms worden de gezinnen zeer slecht ontvangen.

II.A.3. De familiale omgeving of de vriendenkring helpt soms. Maar ze bevindt zich ook vaak in een onzekere financiële situatie.
n ‘Mijn dochter heeft me veel geholpen bij de schooluitrusting, want ik kon niet meer volgen. J., een vriend, heeft twee T-shirts voor de turnles en ik heb turnpantoffels en een short voor haar gekocht.’
n ‘Haar meter heeft ons geholpen bij de reis.’

II.A.4. Sommige arme gezinnen zien af van bepaalde activiteiten. Dat heeft negatieve gevolgen voor het kind.

II.A.5. Sommige jongeren gaan deeltijds werken in kleine bedrijfjes (schoonmaak...) of in het beroep dat ze leren (bakkerij, beenhouwerij) om een deel van de schoolkosten te betalen. De bijkomende vermoeidheid, het gebrek aan tijd voor het schoolwerk, het absenteïsme verminderen nog meer de kansen om te slagen op school.

II.B. DE OVERHEID

II.B.1. De kosteloosheid van het onderwijs

Het principe van kosteloosheid van het onderwijs is sedert lang ingeschreven in nationale en internationale wetteksten .

In België erkent Het Verdrag inzake de rechten van het kind  het recht van het kind op onderwijs door het lager onderwijs verplicht te maken, voor iedereen kosteloos beschikbaar te stellen en door de ontwikkeling van verschillende vormen van voortgezet onderwijs, die voor ieder kind open en toegankelijk zijn, te bevorderen.

De wet van 29 mei 1959 (‘schoolpact’ genoemd)  bepaalt dat het kleuteronderwijs, het lager en het secundair onderwijs kosteloos zijn in de instellingen van de staat en in de instellingen, die krachtens de wet worden gesubsidieerd. In het kleuteronderwijs en het lager onderwijs, met inbegrip van de vierde graad , worden de leerboeken en schoolbehoeften kosteloos verstrekt. Kosteloosheid van leerboeken en schoolbehoeften geldt dus niet voor het secundair onderwijs.

Op 29 juni 1983 werd de schoolplicht van veertien tot achttien jaar verlengd . De wet van 29 juni 1983 huldigde het beginsel  van de kosteloosheid voor de hele periode van de (voltijdse) leerplicht.

De grondwet van 15 juli 1988 bepaalt dat de toegang tot het onderwijs kosteloos is tot het einde van de leerplicht . Met deze formulering wilde de wetgever voorkomen dat de toepassing van het beginsel van de kosteloosheid een aanzienlijke meerkost voor de staat zou veroorzaken.

Sinds het Schoolpact van 1958 was een beweging aan de gang naar kosteloosheid van het leerplicht-onderwijs. De grondwet van 1988 zette een stap terug omdat de grondwet de term kosteloosheid van het onderwijs geschrapt heeft om plaats te maken voor de term kosteloze toegang. Kosteloze toegang betekent niet dat ouders niets moeten betalen; het betekent dat zij geen inschrijvingsgeld moeten betalen.

Maar de grondwetgever van 1988 wilde de drempel van de financiële last, die men de ouders zou opleggen bij het aanschaffen van didactisch materiaal en het vervullen van bepaalde activiteiten, zo laag mogelijk houden.

Met de grondwetsherziening van 1988 werd het onderwijs ‘gecommunautariseerd’  ; het kwam onder de bevoegdheid van de Gemeenschappen. Met eerbiediging van de grondwet en het Schoolpact regelen de Gemeenschappen vanaf toen via decreten het onderwijs. Deze regelgeving kan van Gemeenschap tot Gemeenschap verschillen.

II.B.1.a. Regelgeving door de Vlaamse Gemeenschap

II.B.1.a.1. Het basisonderwijs

a. Het Decreet Basisonderwijs  van 25 februari 1997 bevestigt op basis van de grondwet van 1988 de kosteloze toegang tot het basisonderwijs (art.27) en bepaalt dat ieder schooljaar de schoolbesturen een werkingsbudget ontvangen dat ze moeten aanwenden voor o.a. de kosteloze verstrekking van leerboeken en schoolbehoeften van de leerlingen (art.76). In de memorie van toelichting verduidelijkt de wetgever dat kosteloze toegang niet betekent dat de ouders niets moeten betalen, maar dat de school geen geld kan vragen voor de inschrijving, de boeken, de schriften en het schoolgerief voor de lessen. Tijdens de bespreking van deze materie verduidelijkte de minister dat de kosteloosheid niet kan gelden voor alle kosten en uitgaven die noodzakelijk zijn om de eindtermen en de ontwikkelingsdoelen te bereiken, omdat deze kosteloosheid financieel niet haalbaar is. Het decreet blijft vaag over de kosten die aan de ouders kunnen gevraagd worden.

Het Onderwijsdecreet  IX  bevat enkele wijzigingen van het Decreet Basisonderwijs van 25 februari 1997. Het decreet voorziet een geleidelijke toename van de werkingskosten van het basisonderwijs (tot 3,1 miljard in 2006), die o.a. dienen voor de kosteloze verstrekking van leerboeken en schoolbehoeften aan de leerlingen.

Het Decreet Basisonderwijs gaat ervan uit dat de school sommige kosten moet dragen  (kosten voor leerboeken en noodzakelijk schoolgerei) maar dat de school de ouders andere kosten kan (en moet) aanrekenen voor o.a. zwemmen. Men kan natuurlijk discussiëren over de vraag of schoolreizen, uitstappen, bosklassen... noodzakelijk zijn om de eindtermen en de ontwikkelingsdoelen te bereiken en of deze activiteiten al dan niet vrijblijvend kunnen zijn. De vraag rijst dan ook of deze uitgaven op de ouders kunnen verhaald worden?

Verder zegt de wetgever geen woord over de vrijblijvende activiteiten en de diensten die op de school worden aangeboden.

b. De Commissie laakbare praktijken voor het basisonderwijs  moet geval per geval de klachten bekijken, in het bijzonder op het vlak van de kosten, die aan de ouders worden gevraagd. Zo heeft deze commissie op basis van een klacht van ouders geoordeeld dat de zwemlessen, evenals het vervoer naar het zwembad kosteloos zouden moeten zijn, omdat ‘het kunnen zwemmen’ opgenomen is in de eindtermen van het lager onderwijs .

c. De Gids voor ouders met kinderen in het basisonderwijs  geeft antwoorden op een reeks vragen, die ouders zich kunnen stellen, o.a. met betrekking tot het onderwerp van de kosten die hen kunnen gevraagd worden, op het beroep op de Commissie laakbare praktijken enz.

II.B.1.a.2. Het secundair onderwijs

De wetgever heeft de leerplicht tot 18 jaar verlengd. Bovendien heeft hij bepaald dat de toegang tot het onderwijs kosteloos is, zolang de leerling leerplichtig is. Behalve de vrijstelling van inschrijvingsgeld heeft de wetgever omtrent de kosten die op de ouders kunnen verhaald worden, niets geregeld.

Besluit

Volgens de wet moet een basisschool bepaalde kosten dragen (leerboeken, nodige schoolgerief). Wellicht ook de kosten voor het zwemmen en het vervoer naar het zwembad,  omdat de wetgever “kunnen zwemmen” in de eindtermen van het lager onderwijs heeft opgenomen. Voor extra-muros-activiteiten mag de school een financiële bijdrage aan de gezinnen vragen; deze activiteiten zijn echter niet verplicht. Verder worden op school allerlei activiteiten georganiseerd en diensten aangeboden, die buiten de bevoegdheid van het departement Onderwijs vallen, maar die voor gezinnen grote kosten met zich meebrengen..

In het secundair onderwijs is de toegang kosteloos, maar de wetgever heeft op geen enkele wijze bepaald welke kosten de ouders kunnen aangerekend worden.

II.B.1.b. Regelgeving door de Franse Gemeenschap

 II.B.1.b.1. Het ‘Décret Missions’  van 17 juli 1997 bevestigt opnieuw de kosteloosheid van de toegang tot het verplicht onderwijs  en verbiedt elk schoolgeld. Het decreet is toepasselijk op het basisonderwijs en het secundair onderwijs.

Het decreet vermeldt de kosten die de school (zowel van het basis- als van het secundair onderwijs) moet dragen, nl. voor handboeken en schoolbehoeften .
Het last een lijst in van toegelaten kosten, waarbij een onderscheid gemaakt wordt tussen het basisonderwijs en het secundair onderwijs .
Verder last het een lijst in van toegelaten vrijblijvende kosten.
Met de lijst van toegelaten kosten die de school op de ouders kan verhalen, erkent de wetgever de wettelijkheid van een financiële bijdrage van de gezinnen. Nochtans preciseert de wetgever dat het niet betalen van die toegelaten kosten nooit een reden kan zijn tot weigering van inschrijving of tot uitsluiting. Hij spoort de instellingen aan om ‘rekening te houden met de sociale en culturele achtergrond van de leerlingen zodat iedereen verzekerd wordt van dezelfde sociale, culturele en professionele integratiemogelijkheden.’

II.B.1.b.2. Het decreet dat het basisonderwijs  hervormt , voorziet een progressieve vermeerdering  van de werkingstoelagen per leerling. Hierdoor zou de financiële bijdrage van de gezinnen kunnen verminderen.

II.B.2. Studietoelagen

Voor het basisonderwijs zijn er geen studietoelagen.

Verschillende studies hebben aangetoond dat het huidig systeem van studietoelagen weinig efficiënt is en dat het kansarme jongeren te weinig ten goede komt. Zij maken er immers minder gebruik van dan de jongeren uit gezinnen met gemiddelde inkomens. Arme gezinnen ervaren allerlei drempels om een studietoelage  aan te vragen: informatie, de procedure, de formulieren die moeten ingevuld en teruggestuurd worden.
Er zijn gezinnen die niets afweten van het bestaan van studietoelagen. Andere gezinnen weten niet waar ze de nodige formulieren moeten halen. Er zijn gezinnen die bij het begin van het schooljaar een aanvraag hebben ingediend en in maart nog steeds geen reactie  hebben ontvangen. Het zou aangewezen zijn om te weten waarom het antwoord zo lang uitblijft. Loopt de normale wachttijd tot het einde van het schooljaar? Is de aanvraag aangekomen? Was het formulier onvolledig of slecht ingevuld? Wat doet de administratie ermee? (Een gezin kreeg eindelijk in juli de studietoelage!)

Voor de berekening van de studietoelagen hield de afdeling Studietoelagen van het Onderwijsdepartement van de Vlaamse Gemeenschap tot hier toe rekening met het inkomen van twee jaar vóór het jaar waarin de studietoelage wordt aangevraagd. Op voorstel van Vlaams Onderwijsminister Luc Van den Bossche kan de berekening van de studietoelage  gebeuren op basis van het ‘vermoedelijk inkomen’. Het is het inkomen van het jaar waarin de toelage wordt aangevraagd of van het jaar nadien.

De Vlaamse Gemeenschap heeft het aanvraagformulier vereenvoudigd.

Het bedrag van de studietoelagen in het secundair onderwijs  dekt onvoldoende de reële schoolkosten: aankoop van boeken, uitrusting, basismateriaal, vervoer… Tenslotte wordt de studietoelage laat in het schooljaar uitbetaald. De gezinnen moeten het geld voorschieten. Voor de laagste inkomens is dat moeilijk.

II.B.3. OCMW

Het is één van de specifieke taken van de OCMW’s dat ze gezinnen in moeilijkheden helpen om menswaardig te leven. Zeer zelden verlenen zij hulp aan gezinnen die moeilijkheden met de schoolkosten ondervinden. Men mag hopen dat hierin verandering komt. Zo kwam een OCMW tussen om kinderen van een arm gezin in staat te stellen deel te nemen aan bosklassen. Een ander OCMW heeft dit jaar voor de eerste keer een schoolbijdrage van 2500 BEF per kind toegekend aan families die van het bestaansminimum leven en die een aanvraag hadden ingediend.

Sommige OCMW’s verlenen het bestaansminimum en verdere hulp aan jongeren boven de achttien jaar, opdat ze hun opleiding in het secundair onderwijs kunnen voltooien.

Op initiatief van een personaliteit werd in sommige gemeenten een ‘fonds’ gesticht, dat sommige jongeren wil helpen in hun schoolloopbaan.

II. C. DE SCHOLEN

‘Dikwijls geven de scholen zich geen rekenschap van de financiële situatie van sommige gezinnen, van hun moeilijkheden en inspanningen’, zeggen gezinnen en leerkrachten die gevoelig zijn voor het probleem. Dat brengt veel onbegrip en kwetsende en vernederende reacties voor de leerlingen en de gezinnen mee .
Tot welk net of gemeenschap ze ook behoren, vele scholen in een kansarme buurt of met veel leerlingen uit kansarme gezinnen verkeren zelf in een moeilijke financiële situatie. Bij gebrek aan een financiële bijdrage van de gezinnen komen ze zelf in een onmogelijke financiële situatie.

Elk op hun eigen wijze interpreteren de scholen de moeilijkheden van de schoolkosten. Ze geven eigen oplossingen en stellen hun eigen eisen. Leerkrachten betalen soms ‘uit hun eigen zak’ voor sommige leerlingen. Sommige scholen gaan soms zover dat zij bij de schoolingang de namen van de gezinnen afficheren, die hen nog geld verschuldigd zijn.

Sommige scholen proberen met de sociale en culturele situatie van hun leerlingen en met de financiële moeilijkheden van de gezinnen rekening te houden.

n Ze stellen voor met de ouders een regeling uit te werken.
n Ze proberen de financiële bijdrage van de ouders tot een minimum te beperken (soms ten nadele van de uitrusting en de pedagogische mogelijkheden).
Een middelbare school in een volksbuurt van Luik verschaft kosteloos het noodzakelijke materiaal (boeken, schriften, fardes…) aan de leerlingen van het eerste jaar. Aan die van het tweede jaar worden de boeken kosteloos uitgeleend; het papier wordt tegen groothandelsprijs verkocht. Het  toezicht is kosteloos. ‘In de agenda wordt alles genoteerd dat betaald is. Het is een bewijs dat het geld besteed is, waaraan het moet besteed worden; het is  een waarborg voor de ouders. Maar men noteert nooit wat ouders bijdragen.’
n Bij het begin van het schooljaar of tenminste vooraf geven ze een overzicht van de kosten.
n Ze stellen een spreiding van betalingen voor.
n Ze installeren een solidariteitskas om de gezinnen te helpen die niet kunnen betalen. De kas wordt gevoed door activiteiten die door de oudervereniging of een comité van leerkrachten of van oud-leerlingen op touw worden gezet. De hulp kan erg verschillend zijn en gaat van het bezorgen van alle schoolmateriaal tot het betalen van abonnementen, het verstrekken van maaltijden, de kosteloze deelname aan  verschillende activiteiten die door de school georganiseerd worden.
‘Wanneer zulke kas afhankelijk is van de lucratieve activiteiten die de school organiseer,  is zulke kas quasi onbestaand of leeg in arme scholen.’
n Ze voeren een politiek om die activiteiten uit te sluiten waaraan niet iedereen kan deelnemen.
n Ze zorgen voor spaarpotten om die activiteiten of een uitstap mogelijk te maken.
n Ze zetten gezamenlijke projecten op om uitzonderlijke activiteiten te financieren.
 Maar dit veroorzaakt in sommige ‘arme’ scholen problemen, omdat zij concurreren met activiteiten van de school, waarvoor de financiële inkomsten onontbeerlijk zijn.
n Lagere scholen zorgen voor het basismateriaal (passer, kleurstiften, enz.) dat in de klas blijft en waarvoor de leerlingen samen zorgen.
n Ze zoeken een externe sponsor. Zo heeft een basisschool in een volksbuurt van Brussel een project van een jaar laten sponsoren. Een leerkracht getuigt over de bijdrage van het project, dat voor de gezinnen kosteloos was.
‘Alle activiteiten en uitstappen die met het project verband hielden ( ontmoeting met de auteur van het verhaal, montage van een toneelstuk…), kostten de gezinnen niets. Het project motiveert de leerlingen sterk die zich door dit project met elkaar verbonden voelen. Zij praten er thuis meer over omdat er geen kosten worden gevraagd. Eindelijk kan men eens over het leven van de school spreken zonder het over geld te hebben. Dat motiveert sommige ouders opnieuw met betrekking tot de school. Zij treden gemakkelijker binnen in het leven van de school en zij volgen de kinderen beter.’

Over het algemeen hebben de scholen en de leerkrachten weinig voeling met de reële financiële problemen van de gezinnen. Ze weten niet hoe deze moeilijkheden door sommige leerlingen beleefd worden. Zo loopt de leerling die nooit in orde is en die men altijd moet helpen, het risico op ‘stigmatisering’.

Vanuit dit oogpunt is de nabijheid van de leerkrachten en de klastitularissen of soms van andere personen die het kind en/of de gezinnen zeer nabij zijn (opvoeder, wie toezicht houdt, directeur), zeer essentieel. Van hen hangt af hoe het kind de informatie, de dagelijkse reacties op de moeilijkheden (met name van betaling), de gevolgen ervan op de relaties met de andere leerlingen en op hun scholing verwerkt. Als het kind tact, discretie en respect ervaart, gaat alles beter.

Sommige scholen en sommige leerkrachten zijn erom bekommerd een houding van onthaal, respect, samenwerking en onderlinge hulp in de school en de klas te ontwikkelen.

Bovendien maken sommigen hun leerlingen gevoelig voor situaties van armoede en uitsluiting en ontwikkelen zij bij hen antwoorden van vriendschap en deelgenootschap.
Zo werken zeventig basisscholen in de provincie Limburg gedurende enkele jaren met het Tapori-project en nemen zij deel aan het grote jaarlijks feest van 17 oktober, de werelddag van verzet tegen extreme armoede.

BESLUIT

Elk kind heeft recht op opvoeding .

Het recht op opvoeding, vooral het recht op onderwijs, is een fundamenteel mensenrecht. Recht op opvoeding en onderwijs is de voorwaarde voor de toegang tot de andere fundamentele mensenrechten en het is eraan gekoppeld. In de twee belangrijkste Gemeenschappen van België is er een sterke discrepantie tussen de wetgevende teksten en de realisatie ervan op het terrein. Enerzijds is het onderwijs verplicht tot 18 jaar en is de toegang tot het basisonderwijs en het secundair onderwijs kosteloos. Anderzijds vragen de scholen een steeds grotere financiële bijdrage aan de gezinnen. Arme gezinnen echter ondervinden moeilijkheden om de schoolkosten te betalen. Deze moeilijkheden verzuren de relaties tussen de gezinnen en de school en het schoolklimaat voor het kind. Hierdoor loopt het kind een leerachterstand op, die met de jaren toeneemt.
Het  onderwijs komt er niet toe een basisvorming  aan de kinderen uit arme gezinnen te geven.  Hierdoor worden ze meer en meer gemarginaliseerd in een maatschappij, waarin de opvoeding en de vorming belangrijke sleutels zijn voor alle andere fundamentele rechten.
De kwaliteit van het schoolbezoek hangt in de huidige context af van de financiële bijdrage van de gezinnen, waarvan een deel niet beschikt over voldoende geldmiddelen. Dit is één van de redenen waarom de Belgische Staat er niet in slaagt het recht op opvoeding aan ieder kind te verzekeren.

De ongelijkheid tussen kinderen en scholen neemt toe. Scholen zijn geneigd om meer en meer pedagogische activiteiten te organiseren en uitrusting op te leggen, waarvan de gezinnen de kosten moeten dragen. Ondertussen is ‘de kosteloosheid van het onderwijs en het offer van een financiële bijdrage in geval van nood’ minder en minder aan de orde van de dag.

Vanuit onze vaststellingen komen we tot het besluit dat de totale kosteloosheid van het basisonderwijs en het secundair onderwijs en een menswaardig inkomen voor alle gezinnen nodig zijn om een gelijke toegang tot het onderwijs en de waardigheid van elke leerling te waarborgen. Het onderwijs is het uitgelezen middel voor de realisatie van het recht op opvoeding van ieder kind zonder onderscheid.

Allerlei denkpistes  om de financiële ongelijkheden van toegang tot het onderwijs weg te werken, lopen het risico dat sommigen uitgesloten worden en dat de arme leerling en zijn gezin gestigmatiseerd worden  ondanks de waakzaamheid en de tact bij de behandeling ervan.

OPROEP

Wij nodigen alle betrokken partners uit, ook de arme bevolkingsgroepen,  om samen op een creatieve manier te werken aan de verwezenlijking van de kosteloosheid van het basisonderwijs en het secundair onderwijs in België, in overeenstemming met de internationale verdragen. Zo vermijden we de ‘stigmatisering’ van de allerarmsten.

We doen een beroep zowel op de federale regering en de verschillende regeringen van de Gemeenschappen en de Gewesten, die een samenwerkingsakkoord met betrekking tot de armoede hebben gesloten, als op alle politieke verantwoordelijken, partijen, organisaties, en hun leden, opdat iedereen toegang heeft tot de fundamentele mensenrechten. We doen op hen een beroep om een echte kosteloosheid van het basisonderwijs en het secundair onderwijs te realiseren en om elk gezin een menswaardig inkomen te garanderen. Deze doelen kunnen slechts verwezenlijkt worden door een globale politiek en in partnerschap met de betrokken  personen.



Religie.opzijnbest.nl - De beste links over religie voor u verzameld.