COMMENTAAR OP HET LUCASEVANGELIE, ACHTTIENDE HOOFDSTUK , LC 18 -- Lc 18 -- verwijzingen -

- Bibliografie - Literatuur - Liturgisch gebruik - Overzicht bijbelboeken - Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken - Overzicht van deze website - ZOEKEN -

Tekstuitleg - Lc 18,1-8 - Lc 18,9-14 - Lc 18,15-17 - Lc 18,18-23 - Lc 18,24-27 - Lc 18,28-30 - Lc 18,31-34 - Lc 18,35-43 -
Uitleg hoofdstuk per hoofdstuk : Lc 1 - Lc 2 - Lc 3 - Lc 4 - Lc 5 - Lc 6 - Lc 7 - Lc 8 - Lc 9 - Lc 10 - Lc 11 - Lc 12 - Lc 13 - Lc 14 - Lc 15 - Lc 16 - Lc 17 - Lc 18 - Lc 19 - Lc 20 - Lc 21 - Lc 22 - Lc 23 - Lc 24 -
Uitleg vers per vers : Lc 18,1 - Lc 18,2 - Lc 18,3 - Lc 18,4 - Lc 18,5 - Lc 18,6 - Lc 18,7 - Lc 18,8 - Lc 18,9 - Lc 18,10 - Lc 18,11 - Lc 18,12 - Lc 18,13 - Lc 18,14 - Lc 18,15 - Lc 18,16 - Lc 18,17 - Lc 18,18 - Lc 18,19 - Lc 18,20 - Lc 18,21 - Lc 18,22 - Lc 18,23 - Lc 18,24 - Lc 18,25 - Lc 18,26 - Lc 18,27 - Lc 18,28 - Lc 18,29 - Lc 18,30 - Lc 18,31 - Lc 18,32 - Lc 18,33 - Lc 18,34 - Lc 18,35 - Lc 18,36 - Lc 18,37 - Lc 18,38 - Lc 18,39 - Lc 18,40 - Lc 18,41 - Lc 18,42 - Lc 18,43 - Lc 18,10 - Lc 18,10 -Lc 18,11 - Lc 18,11 -
Religie.opzijnbest.nl

ZOEKEN OP DEZE WEBSITE
PicoSearch
  Hulp
Verzorgd door PicoSearch
     
 
             

WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA)
websitenaam : http://users.telenet.be/arseen.de.kesel/ en http://www.bijbelleerhuis.be (zie bijbel) . WEBLOG : BIJBELLEERHUIS
Nieuwe website : http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm
- STARTPAGINA - AGENDA - BIJ DE HAND - NIEUW - OVERZICHT -  TIJDSCHRIFTEN -
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES :
JAARTAL - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z
HOOFDTHEMA'S : allochtonen , armoede , bahá'íbijbel , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts ( Vlaams Blok ) , fundamentalisme , globalisering en antiglobalisering ,  hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , islam , jodendom , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , migratie , mystiek , racisme , samenleving , sikhisme , NIEUWE RUBRIEK : SPIRITUALITEIT , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen ,
- Eigen-zinnige beschouwingen - Het kleine of grote ongenoegen -


Woordenschat

Bibliografie
Literatuur .
Liturgisch gebruik

Overzicht bijbelboeken :
OT : Gn (Genesis ) , Ex (Exodus) , Lv (Leviticus) , Nu (Numeri) , Dt (Deuteronomium) , Joz (Jozua) , Re (Rechters) , Rt (Ruth) , 1 S (1 Samuël) , 2 S (2 Samuël) , 1 K (1 Koningen) , 2 K (2 Koningen) , 1 Kr ( 1 Kronieken) , 2 Kr (2 Kronieken) , Ezr (Ezra) , Neh (Nehemia) , Tob (Tobia) , Jdt (Judith) , Est (Esther) , 1 Mak (1 Makkabeeën) , 2 Mak (2 Makkabeeën) , Job , Ps (Psalmen ) , Spr (Spreuken) , Pr (Prediker) , Hl (Hooglied) , W (Wijsheid) , Sir (Sirach) , Js (Jesaja) , Jr (Jeremia) , Kl (Klaagliederen) , Bar (Baruch) , Ez (Ezechiël) , Da (Daniël) , Hos (Hosea) , Jl (Joël) , Am (Amos) , Ob (Obadja) , Jon (Jona) , Mi (Micha) , Nah (Nahum) , Hab (Habakuk) , Sef (Sefanja) , Hag (Haggai) , Zach (Zacharia) , Mal (Maleachi) .
- NT : Mt (Matteüs) - Mc (Marcus) - Lc (Lucas) - Joh (Johannes) -   Hnd (Handelingen) , Rom (Rome) , 1 Kor (Korinte) , 2 Kor (Korinte) , Gal (Galatië) , Ef (Efese) , Fil (Filippi) , Kol (Kolosse) , 1 Tes (Tessalonika) , 2 Tes (Tessalonika) , 1 Tim (Timoteüs) , 2 Tim (Timoteüs) , Tit (Titus) , Film (Filemon) , Heb (Hebreeën) , Jak (Jakobus) , 1 Pe (Petrus) , 2 Pe (Petrus) , 1 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , Jud (Judas) , Apk (Apokalyps) .
Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken : bibliografie van het Oude Testament - bibliografie Matteüsevangelie - bibliografie Marcusevangelie - bibliografie Lucasevangelie - bibliografie van het Johannesevangelie - bibliografie van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)

In hun synopsis van de eerste drie evangeliën (Leuven, Vlaamse Bijbelstichting, 1986; Turnhout, Brepols, ) onderscheiden Adelbert Denaux en Marc Vervenne volgende pericopen in het achttiende hoofdstuk van het Lucasevangelie : 262. Gelijkenis van de rechter en de weduwe : Lc 18,1-8 - Lc 18,1-8 -
263. De Farizeeër en de tollenaar : Lc 18,9-14 - Lc 18,9-14 -
267. Jezus ontvangt de kinderen : Mc 10,13-16 // Mt 19,13-15 // Lc 18,15-17 - Mc 10,13-16 - Mt 19,13-15 - Lc 18,15-17 -
268. De rijke (jonge) man : Mc 10,17-22 // Mt 19,16-22 // Lc 18,18-23 - Mc 10,17-22 - Mt 19,16-22 - Lc 18,18-23 -
269. Het is moeilijk voor de rijken om het Rijk Gods binnen te gaan : Mc 10,23-27 // Mt 19,23-26 // Lc 18,24-27 - Mc 10,23-27 - Mt 19,23-26 - Lc 18,24-27 -
270. Loon voor wie alles verlaten om Jezus te volgen : Mc 10,28-30 // Mt 19,27-29 // Lc 18,28-30 - Mc 10,28-30 - Mt 19,27-29 - Lc 18,28-30 -
273. Derde lijdensvoorspelling : Mc 10,32-34 - Mt 20,17-19 - Lc 18,31-34 -
276. Genezing van de blinde Bartimeüs : Mc 10,46-52 // Mt 20,29-34 // Lc 18,35-43 - Mc 10,46-52 - Mt 20,29-34 - Lc 18,35-43 -

262. Gelijkenis van de rechter en de weduwe : Lc 18,1-8

Lc 18,1 - Lc 18,1 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Denaux-Vervenne   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel  
               

Lc 18,2 - Lc 18,2 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Denaux-Vervenne   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel  
               

Lc 18,3 - Lc 18,3 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Denaux-Vervenne   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel  
               

Lc 18,4 - Lc 18,4 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Denaux-Vervenne   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel  
               

Lc 18,5 - Lc 18,5 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Denaux-Vervenne   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel  
               

Lc 18,6 - Lc 18,6 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Denaux-Vervenne   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel  
               

Lc 18,7 - Lc 18,7 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Denaux-Vervenne   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel  
               

Lc 18,8 - Lc 18,8 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Denaux-Vervenne   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel  
               

- Website : http://www.enterlong.com/rene/DIPVOLLE.pdf .

263. De Farizeeër en de tollenaar : Lc 18,9-14

Lc 18,9 - Lc 18,9 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Denaux-Vervenne   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel  
               

 

Lc 18,12 - Lc 18,12 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Denaux-Vervenne   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel  
               

Lc 18,13 - Lc 18,13 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Denaux-Vervenne   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel  
               

Lc 18,14 - Lc 18,14 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Denaux-Vervenne   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel  
               

De pericope is ingedeeld in 5 verzen. In deze pericope valt op hoe weinig het Griekse voegwoord kai (en) of de (echter, nu; ²het Griekse woord staat dan op de tweede plaats in de zin) wordt gebruikt. Slechts driemaal komt het woordje kai (en) voor; tweemaal is het tot versterking van wat volgt : vers 9 : Hij zei nu ook tegen sommigen; vers 11 : of ook als die tollenaar. Eénmaal komt het woordje kai (en) voor als voegwoord tussen twee nevenschikkende bepalingen in vers 9 : tegen sommigen die van zichzelf overtuigd waren gerechtig te zijn, en die de anderen verachtten. Het woordje de (echter, nu) komt eveneens driemaal voor; bij het begin van de pericope in vers 9: Hij zei nu; bij het begin van vers 13 : de tollenaar echter; (het woordje de - echter, nu - duidt de verandering van personage aan; in verzen 11-12 ging het over de Farizeeër, nu - in vers 13 - over de tollenaar.) bij de laatste zin in vers 14 : hij echter die zichzelf vernedert... . Het woordje de (echter, nu) roept een lichte tegenstelling op. Maar er is nog iets meer : zowel hier in vers 14d als vers 13 begint de zin met het lidwoord gevolgd door het woordje de (echter, nu). Daardoor wordt een link gelegd tussen vers 14d : hij echter die zichzelf vernedert, en vers 13 : de tollenaar echter. En onbewust leggen we dan ook een link tussen vers 14c : ieder die zichzelf verheft, en vers 11-12 : de Farzeeër.

De opbouw van de pericope is eenvoudig. vers 9. Jezus vertelde een parabel naar aanleiding van een bepaalde houding van sommigen jegens zichzelf en de anderen. In de parabel wordt een verhaal verteld waarin twee mensen met elkaar worden vergeleken (verzen 10-14). Vers 10. Twee mensen gaan op naar de tempel om te bidden. Vers 11-12 : de houding van de Farizeeër, vers 13 : de houding van de tollenaar. In vers 14 volgt een beoordeling door Jezus, ingeleid door legô humin (ik zeg jullie).

We zullen een zekere voorzichtigheid aan de dag leggen bij de interpretatie van dit verhaal. Al te vaak zijn we geneigd om de Farizeeër als een hypocriet, verwaande, opschepper enz. te beschouwen en de tollenaar als een rouwmoedige. Daarbij durven we ook veralgemenen alsof alle Farizeeën en alle tollenaars als één groep zo getypeerd kunnen worden. We gebruiken stereotiepe uitdrukkingen en leggen meer onze eigen opvattingen en gevoelens in het verhaal dan dat we ons oor te luisteren leggen om te vernemen wat het verhaal wil zeggen.

Is er iets fout bij wat de Farizeeër zegt? God, ik dank u ... ik vast tweemaal per week, ik vertiend alles wat ik verwerf. De Farizeeër doet goede dingen. Hij handelt volgens de Thora (Wet) en nog meer dan dat. Volgens de Wet is hij rechtvaardig. Hij mag toch zijn goede werken laten zien. Een voorbeeld wordt toch steeds aangeprezen. In Mt 5,14 lezen we : Jullie zijn het licht van de wereld. Een stad die boven op een berg ligt, kan niet verborgen blijven. Volgens onze normen zit de Farizeeër fout wanneer hij zich vergelijkt met de anderen en die anderen als minder, als zondaars beschouwt. We vinden echter wel dat iemand zich gelukkig mag prijzen dat hij gelovig, godvrezend enz. is en geen booswicht is.
Is de houding van de Farizeeër in overeenstemming met de Wet. Beveelt de Wet aan om zondaars te mijden? Behoort een zondaar die zich bekeert tot het volk van Israël? Is de uitsluiting van een bekeerde zondaar volgens de Wet of niet. Wellicht interpreteren de verschillende groepen Farizeeën (een zevental, onder wie die van Hillel en Gamaliël) de Wet op een verschillende wijze.

Hoe moeten we vers 14a interpreteren? Sommige handschriften hebben mallon (meer). De zin zou dan betekenen : deze (nl. de tollenaar) daalde meer gerechtvaardigd af naar zijn huis. Hoe moeten we het voorzetsel para (naast, langs) in deze zin interpetereren? Deze daalde gerechtvaardigd af naar zijn huis, naast die (nl. de Farizeeër). Dan is de Farizeeër rechtvaardig, en de tollenaar gerechtvaardigd. Zo zouden beide op gelijke hoogte komen staan. De Farizeeër kan ziich er niet op beroepen hoger te staan dan de tollenaar en de tollenaar zich niet kleiner achten dan de Farizeeër. Zo heeft vers 14bc een genuanceerdere betekenis gekegen dan we gewoon zijn.

Lc 18,10     Lc 18,11-12 Lc 18,13 Lc1 8,14  
anthrôpoi duo katebèssan eis to hieron ((twee mensen gingen op nazr de tempel) ho heis (de ene) kai ho heteros (en de ander)     katebè houtos dedikaiômenos eis ton oikon autou (deze daalde af naar zijn huis gerechtvaardigd) par'ekeinon (niet gene)
  Farisaios (Farizeeër) tel^nès (een tollenaar) ho Farisaios (de Farizeeër) ho de telônès (de tollenaar echter)    
      statheis (staande) makrothen hestôs (veraf staande)    
      tauta pros heauton prosèucheto (dit bij zichzelf bad) legôn (zeggende)    
      ho theos (God) ho theos (God)    
      eucharistô soi (ik dank u) hilasthèti moi tôi hamartôloi (wees mij zondaar gendaig)    
263. De Farizeeër en de tollenaar : Lc 18,9-14 - Lc 18,9-14 -             

Dit verhaal is het laatste van de grote Lukaanse inlassing (Lc 9,51-18,14). We spreken van inlassing omdat Lucas het evangelie van Marcus als leidraad neemt en in die volgorde bepaalde teksten heeft ingelast. Deze grote inlassing begint bij het voornemen van Jezus om naar Jeruzalem te gaan en door Samaria te trekken. Lucas neemt de draad van het marcusevangelie weer op bij het verhaal van de ontvangst van kinderen door Jezus : Mc 10,13-16 // Lc 18,15-17 // Mt 19,13-15. Naast teksten die Lucas met Marcus en Matteüs gemeen hebben (want Lucas en Matteüs hebben gebruik gemaakt van het marcusevangelie en het herschreven) zijn er nog teksten die Lucas gemeenschappelijk heeft met Matteüs en die teruggaan op een zogenaamde Q (Q van het Duitse Quelle : bron). Daarenboven heeft Lucas nog eigen teksten (aangeduid door Lc Sg ; Sg is de afkorting van het Duitse Sondergut : eigen materiaal). De literaire studie van de synoptici (Marcus, Matteüs en Lucas) is een complex gebeuren. Immers, Marcus kan de teksten die hij in zijn bronnen vond, bewerkt hebben, zodat we de tekst van de oorspronkelijke bron slechts moeizaam kunnen ontdekken. Lucas en Matteüs kunnen de marcustekst bewerken in het licht van de Q-tekst of met het oog op hun eigen theologie. Het eigen materiaal van Lucas (LcSg) : heeft Lucas het ergens gevonden, bewerkt of heeft Lucas het zelf geschreven? Dit ontrafelen van de literaire eigenheden is specialistenwerk maar een synops van Denaux-Vervenne laat je reeds laten aanvoelen hoe verscheiden sommige verhalen zijn uitgewerkt. Deze literaire studie is niet zonder belang voor de inhoud, de theologie van de evangelist. Deze complexiteit kan ons ervoor hoeden simplistisch te denken. Zij laat ons aanvoelen dat meerdere interpretaties mogelijk zijn. Zij kan ons ertoe aanzetten een evangelietekst steeds opnieuw te beluisteren.

We zullen verder een aantal verhalen bekijken. Vooreerst verhalen waarin Jezus eet met tollenaars en zondaars waarbij ook Farizeeën en schriftgeleerden aanwezig zijn. Vervolgens verhalen waarin Jezus door Farizeeërs tot de maaltijd wordt uitgenodigd.

(1) 69. Jezus eet met tollenaars en zondaars : Mc 2,15-17 // Mt 9,10-13 // Lc 5,29-32

Het verhaal Lc 5,29-32 maakt deel uit van een reeks verhalen waarin Lucas het marcusevangelie volgt nl. Mc 2,1-3,6 , de zogenaamde twistgesprekken. Het geheel bestaat uit 5 verhalen : twee wonderverhalen, en drie andere verhalen. Aan het begin en het einde van de reeks staat het wonderverhaal ; aan het begin : de genezing van de lamme : Mc 2,1-12 // Lc 5,17-26 en op het einde de genezing van een man met een verdorde hand : Mc 3,1-6 // Lc 6,6-11. In Mc 2,1-12 bevragen de schriftgeleerden en de Farizeeën Jezus omdat hij de lamme zijn zonden vergeeft. Het is niet toevallig dat het eerste 'twistgesprek' hiermee begint. Zow²el Johannes de Doper als Jezus roepen op tot bekering tot vergeving van zonden. De komst van de vier mannen die een lamme man op een beddragen, drukt hun geloof in Jezus'kracht en macht uit: hij kan de lamme doen opstaan. En Jezus doet het. De man staat op, rijst op. Het is de term om de verrijzenis aan te duiden. Het verhaal staat symbool voor de mens die door de zonde verlamt is, maar door vergeving als een nieuw mens oprijst, opstaat. Het nieuwe (eeuwige) leven begint nu reeds.
Na het verhaal van de genezing van de lamme volgt het verhaal van de roeping van Levi, de tollenaar. Vermits Jezus vergeeft, kan Levi ook leerling van Jezus worden. Dan volgt het verhaal waarin Jezus eet met tollenaars en zondaars. In dat verhaal komen we een aantal gelijkenissen tegen die we ook in de inleiding op het verhaal van het verloren schaap, verloren drachme en verloren zoon (Lc 15) en het verhaal van Zacheüs (Lc 19,1-10) vinden. Jezus'gedrag om met tollenaars en zondaars te eten roept bij de Farizeeën vragen op, een wederwoord (dialogizomai), een weerstandsreactie (diagogguzô). Volgens hen is Jezus'gedraging niet in overeenstemming met de Wet. Het antwoord van Jezus op de reactie van de Farizeeën en schriftgeleerden is : niet de gezonden hebben een dokter nodig, maar degenen die er slecht aan toe zijn. Ik ben gekomen om niet de rechtvaardigen te roepen, maar de zondaars. Het wordt duidelijk dat de Farizeeën bepaalde mensen uitsluiten (excludere - exclusief : uitsluitend) en dat Jezus steeds mensen mee insluit (includere - inclusief : insluitend). Het is het geval voor tollenaars en zondaars, maar ook voor melaatsen, Samaritanen, heidenen. Het exclusieve gedrag van de Farizeeën en schriftgeleerden staat tegenover het inclusieve gedrag van Jezus.
Oorspronkelijk zijn de Farizeeën ontstaan om te ijveren voor de eigen godsdienst en voor gedragingen die ermee in overeenstemming zijn. Daar is niets mis mee, integendeel. Deze goede bedoeling ontaardde in sommige gevallen tot onverdraagzaamheid, eigen gelijk en de wil om het van iedereen te eisen. Hun voorbeeldfunctie leidde bij sommigen tot uitsluiting van anderen.

Lc 5,30 : de reactie van de Farizeeën en de schriftgeleerden

1. Marcus vermeldt enkel een beperkte groep van Farizeeën nl. de schriftgeleerden van de Farizeeën. Lucas voegt de hele groep eraan toe en zet de Farizeeën vooraan.
2. De woordvolgorde : voegwoord (kai : en) , vervoegd werkwoord, lijdend voorwerp, deelwoord van het werkwoord zeggen (legô) en citaat in rechtstreekse of onrechtstreekse rede, komt in gelijkaardige verhalen voor.
3. Er volgt een vraag in de rechtstreekse rede: waarom?
4. De vraag is naar de hele groep (Jezus en zijn leerlingen) gericht: waarom eten en drinken jullie met de tollenaars en zondaars?

   Lc 5,21 Lc 5,30  Lc 15,2  Lc 19,7
voegwoord  kai (en) kai (en)  kai (en)  kai (en)
vervoegd werkwoord èrxanto dialogizesthai (en begonnen te discussiëren) 

egogguzon (morden)

diegogguzon (bromden)   idontes pantes diegogguzon (allen ziende bromden)
onderwerp hoi grammateis kai hoi Farisaioi (de schriftgeleerden en de Farizeeeën hoi Farizaioi kai grammateis autôn (de Farizeeën en hun schriftgeleerden) hoi te Farizaioi kai hoi grammateis  (zowel de Farizeeën als de schriftgeleerden)  
    pros tous mathètas autou (tot zijn leerlingen)    
inleiding om te citeren  legontes (zeggende) legontes (zeggende)  legontes (zeggende) legontes (zeggende) 
rechtstreekse of onrechtstreekse rede  tís estin houtos (wie is deze) hos lalaei blasfèmias; tís dunatai hamartias afienai ei mè monos ho theos; (die godslasteringen spreekt? wie kan zonden vergeven tenzij God alleen?)  dia tí meta tôn telônôn kai hamartôlôn esthiete kai pinete; (waarom eet en drinkt je met tollenaars en zondaars?) hoti houtos hamartôlous prosdechetai kai sunesthiei autois (dat deze zondaars ontvangt en met hen eet).   hoti para hamartôlôi andri eisèlthen katalusai (dat hij bij een zondig man is binnengegaan om te logeren)
bijbelplaats  67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 // Mt 9,1-8 // Lc 5,17-26 - Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8 -  69. Jezus eet met tollenaars en zondaars : Mc 2,15-17 // Mt 9,10-13 // Lc 5,29-32 - Mc 2,15-17 - Mt 9,10-13 - Lc 5,29-32 -  238. Gelijkenis van het verloren schaap : Lc 15,1-7 - Lc 15,1-7 -  277. Zacheüs : Lc 19,1-10 - Lc 19,1-10 -


Lc 5,31b-32 : het antwoord van Jezus

Lc 5,31b Lc 5,31c Lc 5,32a Lc 5,32b
ou chreian echousin (hebben geen nood) alla (maar) ouk elèlutha kalesai (ik ben niet gekomen om te roepen alla (maar
hoi hugiainontes (de gezonden) hoi kakôs echontes (die slecht eraan toe zijn dikaious (rechtvaardigen) hamartôlous (zondaars)
iatrous (aan een dokter)      
      eis metanoian (tot bekering)
 69. Jezus eet met tollenaars en zondaars : Mc 2,15-17 // Mt 9,10-13 // Lc 5,29-32 - Mc 2,15-17 - Mt 9,10-13 - Lc 5,29-32 -  69. Jezus eet met tollenaars en zondaars : Mc 2,15-17 // Mt 9,10-13 // Lc 5,29-32 - Mc 2,15-17 - Mt 9,10-13 - Lc 5,29-32 -  69. Jezus eet met tollenaars en zondaars : Mc 2,15-17 // Mt 9,10-13 // Lc 5,29-32 - Mc 2,15-17 - Mt 9,10-13 - Lc 5,29-32 -  69. Jezus eet met tollenaars en zondaars : Mc 2,15-17 // Mt 9,10-13 // Lc 5,29-32 - Mc 2,15-17 - Mt 9,10-13 - Lc 5,29-32 -

 

Lc 15,7c Lc 15,7d Lc 15,7e Lc 15,10c Lc 15,32c Lc 19,10
  è (dan) hoitines ou chreian echousin (die geen nood hebben aan)     èlthen gar ho huios tou anthrôpou (want de mensenzoon is gekomen)
epi heni hamartôlôi (over de ene zondaar) epi enenèkonta ennea dikaiois (over de 99 rechtvaardigen)   epi heni hamartôlôi (over de ene zondaar) kai apolôlôs kai heurethè (en verloren en hij werd gevonden) zètèsai kai sôsai to apolôlos (te zoeken en te redden het verlorene)
    metanoias (bekering)      
metanoounti (die zich bekeert)     metanoounti (die zich bekeert)    
 238. Gelijkenis van het verloren schaap : Lc 15,1-7 - Lc 15,1-7 -  238. Gelijkenis van het verloren schaap : Lc 15,1-7 - Lc 15,1-7 -  239. Gelijkenis van de verloren drachme : Lc 15,8-10 - Lc 15,8-10 -  239. Gelijkenis van de verloren drachme : Lc 15,8-10 - Lc 15,8-10 - 240. Gelijkenis van de verloren zijn : Lc 15,11-32 - Lc 15,11-32 -   277. Zacheüs : Lc 19,1-10 - Lc 19,1-10 -

(2) Verhalen waarin Jezus ingaat op een uitnodiging van Farizeeën tot een maaltijd

Uitnodiging van Jezuz op een maaltijd door een Farizeeër en het ingaan van Jezus op die uitnodiging    
Lc 7,36 - Lc 7,36 - Lc 11,37 - Lc 11,37 - Lc 14,1 - Lc 14,1a -
  En de tôi lalèsai (tijdens het spreken echter)  
èrôta de (vroeg echter) erôtai (vraagt)  
tis (iemand) ... tôn Farisaiôn (van de farizeeën) ... Farizaios (een farizeeër) ... tinos tôn archôntôn tôn Farisaiôn (van één van de leiders van de farizeeën)
auton (hem) auton (hem)  
hina (opdat) hopôs (opdat)  
fagèi (hij zou eten) aristèsèi ( aristaô : eten; de eerste maaltijd nemen (hij zou eten) sabbatôi fagein arton (op sabbat om brood te eten)
met'autou (met hem) par'autôi (bij hem)  
 kai (en)    
eiselthôn (binnengegaan)  eiselthôn (binnengegaan) de (echter)  kai egeneto en tôi elthein auton (en het gebeurde in het gaan )
eis ton oikon (in het huis)     eis oikon (naar het huis).... 
 kateklithè (lag hij aan) (kataklinô : aanliggen)  anepesen (lag hij aan) (anapiptô = )  
 115. De boetvaardige zondares : Lc 7,36-50 // ( Mc 14,3 ) // ( Mt 26,6-7 ) - Lc 7,36-50 -  204. Rede tegen de farizeeën en wetgeleerden : Lc 11,37-54 - Lc 11,37-54 -  230. Genezing van een waterzuchtige op sabbat : Lc 14,1-6 - Mc 3,1-6 - Lc 6,6-11 - Lc 14,1-6 - Mt 12,9-14 -

Vers 7,36 bestaat uit twee delen, aangegeven door twee nevenschikkende zinnen : de uitnodiging van Jezus op een maaltijd door een Farizeeër (Lc 7,36a) en het ingaan op de uitnodiging door Jezus (Lc 7,36b). Hetzelfde thema en dezelfde structuur treffen we ook aan in Lc 11,37. Het is opmerkelijk dat zowel Lc 7,36 als Lc 11,37 32 lettergrepen bevatten. In Lc 14,1a is hetzelfde thema maar de structuur is omgekeerd. Jezus gaat naar het huis van een Farizeeër wellicht na een uitnodiging. Ook Lc 14,1a bevat 32 lettergrepen. In de drie gevallen gaat het om het eten in een huis van een Farizeeër.

Het verhaal van de boetvaardige zondares vertoont gelijkenis met Lc 5,17-26 // Mc 2,1-12 : de genezing van de lamme. Jezus vergeeft de zondares haar zonden zoals hij ook de lamme vergaf. In beide gevallen zijn omstaanders verbaasd over Jezus'optreden.

De vrouw heeft veel liefde tot Jezus betuigd. Op basis van haar liefde krijgt ze vergeving van zonden. Men zal zeggen : de vrouw toonde veel liefde, gaf uiting aan haar bekering en boetvaardigheid. Nergens staat echter dat zij boetvaardig was. Jezus zegt dat haar zonden vergeven zijn. Farizeeën hadden er moeite mee dat Jezus zonden vergaf want volgens hun opvatting kon alleen God zonden vergeven. Zodra Jezus als zoon van God en als God wordt opgevat, komt de denkopvatting van de farizeeën terug: alleen God kan zonden vergeven. Daarvoor is dan bemiddeling nodig via de priester in de biechtstoel. De vergeving van de zonden legt Jezus niet buiten de mens (bij God, als zijnde buiten hem) maar binnen de mens (in wiens hart God woont). Een hart vol liefde is in tegenspraak met een hart vol zonde. Volgens de farizeeën kan zonde, de zondige daden enkel door God vergeven worden. Het kan niet door mensen. En vermits we niet weten hoe en wanneer God vergeeft, blijft de zondige mens in de ogen van de mens een zondig iemand.

De vrouw en de farizeeër worden als twee types geschilderd. Eerst treedt de vrouw op. Dan maakt de farizeeër een bedenking bij zichzelf : wat ze voordien voor Jezus deed, verandert niets aan haar situatie : zondares blijft zondares. De houding van Jezus doet de farizeeën aan het profeetschap van Jezus twijfelen : hij verwacht dat een profeet zich niet door een zondares laat aanraken, want onrein maakt onrein. Daarop reageert Jezus; eerst met een parabel, dan met wat de vrouw voor Jezus deed. Hij maakt aan de farizeeër duidelijk dat haar zonden vergeven zijn. En Jezus zegt het dan ook tot de vrouw. De reactie van de omstaanders is dan : wie is hij? Op deze vraag zal een een antwoord komen bij de belijdenis van Petrus : Gij zijt de Messias.

Lc 5,21 Lc 5,20 Lc 7,49 Lc 7,48
de schriftgeleerden en  de Farizeeën  Jezus de medeaanliggenden Jezus
kai èrxanto (en begonnen)   kai èrxanto (en begonnen)  
dialogizesthai hoi grammateis kai hoi Farisaioi legontes (te discussiëren de schriftgeleerden en de Farizeeeën zeggende)   hoi sunanakeimenoi (de medeaanliggenden)  
       
       
  kai idôn tèn pistin autôn eipen (en ziende hun geloof zei hij)  legein en heautois (te zeggen in zichzelf) eipen de autèi (hij echter zei aan haar) 
       
tís estin houtos (wie is deze)   tis houtos estin, (wie is deze)   
hos lalaei blasfèmias; tís dunatai hamartias afienai ei mè monos ho theos; (die godslasteringen spreekt? wie kan zonden vergeven tenzij God alleen?)   anthrôpe, afeôntai soi hai amartiai sou (man, je zonden zijn je vergven) hos kai hamartias afièsin (die zelfs zonden vergeeft)  afeôntai sou hai hamartiai (je zonden zijn vergeven)
  67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 // Mt 9,1-8 // Lc 5,17-26 - Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8 -  67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 // Mt 9,1-8 // Lc 5,17-26 - Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8 -   115. De boetvaardige zondares : Lc 7,36-50 // ( Mc 14,3 ) // ( Mt 26,6-7 ) - Lc 7,36-50 -   115. De boetvaardige zondares : Lc 7,36-50 // ( Mc 14,3 ) // ( Mt 26,6-7 ) - Lc 7,36-50 -

Jezus' gedrag is inclusief . Bij God horen alle mensen thuis. Geen enkele mens is uitgesloten. Het gedrag van de Farizeeën die de omgang met zondaars mijden om niet zelf "besmet" te worden, wijst Jezus af. Hij is van het omgekeerde overtuigd. Als hij een melaatse aanraakt, wordt hij niet besmet, maar wordt de melaatse gereinigd. Als hij met zondaars omgaat, wordt hij geen zondaar, maar bekeert de zondaar zich.

Sommige Farizeeën gedragen zich tegenover zondaars onvergeeflijk : wie eenmaal zondaar is, is dat voor altijd. Alleen God kan vergven. Jezus is overtuigd dat zondaars zich kunnen bekeren en een nieuw leven voor God kunnen beginnen. Als ze in Gods liefde zijn opgenomen, hoe kunnen mensen ze dan uitsluiten.


 BIJBEL EN BEZINNING, jg.2 (okt.-dec. 1983), nr.4, blz.97-100 EERLIJK VOOR GOD

  • SMIT J.  7. De Farizeeër en de tollenaar. Lucas 18,9-14  in:  Speelruimte. Een structurele lezing van het evangelie  Hilversum Gooi en Sticht 1981 p.73-79
  • LINKS
  • Bibliografie
  • De Islamitische opvatting van aanbidding - S. Muhammad Tufail


  • BIJBEL EN BEZINNING, jg.2 (okt.-dec. 1983), nr.4, blz.97-100 EERLIJK VOOR GOD

    Verwante teksten

    - Mc. 9,33-41 : strijd om de rangorde.
    - Mc. 10,13-16 : het Koninkrijk aannemen als een kind.
    - Mc. 12,38-40 : de schijnheiligheid van de schriftgeleerden.
    - Lc. 14,7-14 : de voornaamste plaatsen aan tafel.

    Vragen ter bezinning of ter bespreking

    - Men zegt : mensen doen zich altijd beter voor dan ze in werkelijkheid zijn. Is die bewering juist? Geef uitleg.
    - Leg het verschil uit tussen de twee typen uit de parabel.
    - Wat doet de farizeeër?
    - Wat doet de tollenaar?
    - Noem eens op wanneer gij - samen met anderen of alleen -de kans krijgt om voor God te staan en Hem om vergeving te vragen.

    Gebed  (Psalm 30; vertaling H. Oosterhuis en M. van der Plas)

    Van U wil ik spreken, God, en iedereen mag het horen. Gij hebt mij omhooggetrokken, Gij hebt mij het leedvermaak van mijn vijanden bespaard. Ik riep tot U : help mij. God, toen hebt Gij mij genezen. Gij hebt mij teruggehaald diep uit de afgrond, ik werd al bij de doden gerekend, Gij hebt mij weer levend gemaakt.

    Ik was onbezorgd en gelukkig, ik dacht : zo zal het blijven, ik sta en ik zal niet vallen; en ik besefte niet
    dat alleen uw genade mij in leven houdt, Heer. Daarom, toen Gij U afkeerde, was ik nergens meer. Ik heb geroepen, God, U om genade gesmeekt " Hoor mij dan toch, Heer God, wees mij genadig en help ".

    Toen hebt Gij mijn droefheid veranderd in blijdschap, ik ging in rouw en Gij hebt mij gekleed in vreugde. En nu, van ganser harte, zing ik dit lied voor U, en ik mag niet meer zwijgen, en daarom, God mijn God, dank ik U eindeloos.

    Toelichting bij het thema

    Wij zien op de T.V. dikwijls " grote mannen". Daarbij zijn er die de indruk geven dat ze alles weten en alles kunnen. Soms moeten ze echter een vraag beantwoorden. Wat zien we dan? De ene met een radde tong geeft onverstaanbare uitleg; hij draait rond de pot. Een andere glimlacht en weigert te antwoorden. Nog een andere is duidelijk veriegen; hij valt door de mand. Wie van de drie is de meest sympathieke? Ménsen hebben verschillende meningen daaromtrent. Hebben wij onszelf al eens bekeken? Hoe doen wij ons voor? Ten eerste: gewoonlijk een stuk beter dan we zijn. Dat is menselijk. Ten tweede : in sommige gevallen doen we heel " gemaakt ". We spelen toneel. We overdrijven onze goede kanten. Anderen gaan dan achter onze rug wel eens met ons lachen. Ten derde: af en toe voelen we in onszelf iets knagen. We. zijn niet tevreden over onszelf. Als die wroeging lang duurt, zijn we blij dat we erover kunnen spreken met een vriend, onder vier ogen. Hij zal ons begrijpen; hij zal niet met ons lachen; en evenmin iets voortvertellen aan anderen.
    In dit derde geval zijn we eerlijk geweest. We hebben aan die vriend bekend dat we niet altijd honderd ten honderd goed doen. We zijn eerlijk geweest. We- weten immers maar al te best : alle mensen zijn klommelaars

    Verklaring van de bijbeltekst

    Jezus vertelt een parabel. In de tekst staat duidelijk : Hij sprak een gelijkenis. Je moet er eens op letten. In een parabel gaat het bijna altijd over iemand, die iets doet.

    In onze bijbeltekst worden twee schilderijen naast elkaar gezet. Eerst wordt een farizeeër uitgetekend. Daarna krijgt ge een robot-foto van een tollenaar. Eigenlijk gaat het om twee typen van mensen. Aan de ene kant de zelfzekere. Men kan niet zeggen dat die man slecht is. Hij dankt God. Hij vast en betaalt zijn bijdrage voor de eredienst. Maar hij denkt dat hij beter is dan de anderen. Die anderen ziin dieven, begaan onrecht, bedriegen hun vrouw ... Hijzelf doet dat niet. Het valt op dat deze man niet spreekt over zijn tekorten of zijn fouten. Hij spreekt alleen over het goede dat hij doet. In zijn eigen ogen maakt hij zich groot; blaast hij zichzelf op. Daardoor heeft hij genoeg aan zichzelf; is hij zelf-genoeg-zaam. Hij heeft geen vriend nodig. Hij dankt God; maar heeft ook God verder niet nodig.

    Aan de andere kant de tollenaar. Deze is geen onberispelijk rnan. Hij somt zijn tekorten niet op. Hij noemt zich zondaar. Hij weet dat in zijn leven niet alles honderd ten honderd in orde is. Hij heeft dat binnen in zich gevoeld. Hij gaat niet naar een vriend. Hij gaat naar God. Hij weet : ik kan op God betrouwen; God begrijpt mij. Hij bidt tot God : " God wees mij zondaar genadig ". In zijn gebed zit een dubbele betekenis: ik ben zondaar; en ik heb vertrouwen in U. Hij heeft niet genoeg aan zichzelf. Hij weet dat hij het uiteindelijk van God moet hebben. Hij vertrouwt op God, die alles wat krom is weer recht kan maken.

    Precies ter wille van dat vertrouwen wordt de tollenaar door God in bescherming genomen. Hier zien we de toepassing van wat Jezus zegde. Niet de gezonden hebben een geneesheer nodig, maat de zieken. De tollenaar heeft zich als zieke en zondige voor God getoond. Daarom wordt hij genezen. Daarom worden zijn zonden rechtgetrokken (gerechtvaardigd).

    Waarom heeft Jezus deze parabel verteld? Vers 9 zegt het ons: " tegen hen die van eigen gerechtigheid overtuigd zijn en anderen verachten ". En de zedeles? In vers 14 staat te lezen : " Wie zich verheft zat vernederd en wie zich vernedert zal verheven worden". De toehoorders hebben na Jezus' vertelling hun sympathie gegeven aan de tollenaar. Maar plots voelden ze dat ze moesten doen -zoals de tollenaar. Niet zelf-genoeg-zaam zijn. - Niet bluffen tegen God. Wel zichzelf beschuldigen. Wel zonden bekennen. Ook wij zijn toehoorders van Jezus. We worden niet graag gerekend bij de hooghartigen, de zelfgenoegzamen, de bluffers. Dus moeten we gaan staan aan de kant van de tollenaar. Dan gaan we met een gerust gemoed naar huis.
    Dan is de vraag : in hoeverre zijn we tevreden over onszelf; in hoeverre zijn we van zonde bewust; zien wij onze gebreken; zijn we bedroefd over onze tekorten? En dat is niet voldoende. De tollenaar doet, is. In een parabel doet men iets. De tollenaar sprak tot God, sloeg zich op de borst, vroeg vergiffenis. In hoeverre weten wij dat we God nodig hebben om goede mensen te zijn? We kunnen wel bekennen dat we " klommelaars " zijn. Maar we moeten ook nog om vergeving vragen.

    Als we God om vergeving vragen, dan verdwijnt onze onrust; dan geneest de wroeging; dan kunnen we weer blij zijn. Maar ook bij God is er blijdschap. De bekering van één zondaar is voor Hem terugvinden wat verloren was.

    Terug naar het begin van de pagina



    SMIT, J.,   7. De Farizeeër en de tollenaar. Lucas 18,9-14, in:  Speelruimte. Een structurele lezing van het evangelie,  Hilversum, Gooi en Sticht, 1981, p.73-79

    Met het oog op sommigen die, overtuigd van eigen gerechtigheid. de anderen minachtten. vertelde hij de volgende gelijkenis.

    I. Twee mensen gingen op naar de tempel om te bidden:
        De één was een Farizeeër
        en de andere een tollenaar.
    II. De Farizeeër stond met opgeheven hoofd en bad bij zichzelf: God, ik dank u dat ik niet zo ben als de rest van de
        mensen: rovers, onrechtvaardigen of ook als de tollenaar daar. Ik vast tweemaal per week en ik geef tienden van al
        mijn inkomsten.
    III. Maar de tollenaar bleef op een afstand en wilde zelfs niet zijn ogen opheffen naar de hemel; maar hij klopte zich
        op de borst en zei: God, wees mij, zondaar, genadig.
    IV. Ik zeg u: Deze ging gerechtvaardigd naar huis en niet die andere.

    Want alwïe zich verheft, zal vernederd worden, maar wie zich vernedert zal verheven worden.

    Het spreekt toch voor zich

    Het valt niet mee om in gesprek te komen met een verhaal dat zo simpel en zo bekend is als de gelijkenis van de Farizeeër en de tollenaar. Commentaar lijkt overbodig. De tekst laat bij lezing zo'n heldere indruk achter, dat je niet goed weet wat je vragen moet. De Farizeeër en de tollenaar staan duidelijk zwart-wit tegenover elkaar. Alles is doorzichtig en spreekt voor zich.

    Ook over de bedoeling van het verhaal hoeven wij blijkbaar niet in onzekerheid te verkeren. De moraal van het verhaal wordt in de slotzin met alle gewenste duidelijkheid uitgesproken: ‘Wie zichzelf verheft zal vernederd, maar wie zich vernedert zal verheven worden.’ De Farizeeër en de tollenaar illustreren deze algemene waarheid. De Farizeeër met zijn eigendunk en zijn verbeelding zal een toontje lager moeten zingen, terwijl die arme verschoppeling van een tollenaar met Gods genade nog hoog zal klimmen. De gelijkenis bevestigt eigenlijk wat we al lang wisten: hoogmoed komt ten val en eigen roem stinkt.

    Op een tweesprong

    Op dit punt aangekomen, sta je als lezer op een tweesprong. Dc gemakkelijkste weg is om het bij deze eerste indruk te laten en niet verder te vragen. Je houdt aan de gelijkenis dan wat algemene levenswijshejd over, een gevleugeld woord dat als een geruststellende dooddoener in talloze gesprekken kan worden gehanteerd. Het kost je verder geen moeite en je wordt niet in je gevestigde opvattingen gestoord.

    Vanuit de overtuiging dat de Schrift het zelden bij dit soort gemeenplaatsen laat, kun je ook besluiten geen genoegen te nemen met de vanzelfsprekendheid die het verhaal klaarblijkelijk uitstraalt. Je betreedt dan een lastige weg. Het vraagt heel wat inspanning om de vanzelfsprekendheid te doorbreken. De vermeende duidelijkheid is aanvankelijk zo sterk dat je nauwelijks aan vragen toekomt. Is het heldere beeld tenslotte toch bezweken, dan komt onherroepelijk het pijnlijke moment van de verwarring, omdat je geen enkele samenhang meer ziet. Je ontkomt er niet aan als je dieper in de tekst wil doordringen, dichter in de buurt wil komen van wat hij eigenlijk zeggen wil.

    Twee vragen

    Wanneer wij de tekst kritisch lezen, blijkt al gauw dat de vanze!fsprekendhejd minder ondoordringbaar is dan wij aanvankelijk dachten. Er blijken wel degelijk vragen bij de tekst te kunnen worden gesteld. Vooral de volgende twee opmerkingen doen de grote duidelijkheid smelten als sneeuw voor de zon.

    Op de eerste plaats vraagt de algemene regel die de gelijkenis besluit onze aandacht. Hij blijkt namelijk niet goed bij het verhaal te passen. De begrippen ‘verheffen’ en ‘vernederen’ geven niet precies weer wat in de tekst beschreven wordt. Van de Farizeeër kun je niet zeggen dat hij zich verheft, terwijl de tollenaar meer de waarheid onder ogen ziet dan dat hij zich vernedert. Dit stelt ons voor de belangrijke vraag of het wel goed is om heel de interpretatie van de gelijkenis door de algemene slotziri te laten bepalen. Is de gelijkenis alleen maar een illustratie bij de moraal van het verhaal of kan hij beter los van die moraal op zichzelf worden beschouwd?

    Op de tweede plaats is het van belang ons rekenschap te geven van het beeld dat wij ons van een Farizeeër en van een tollenaar hebben gevormd. Onwillekeurig stellen wij ons de Farizeeër als een schijnheilige, hoogmoedige vrome voor, terwijl wij de tollenaar als arme, rouwmoedige zondaar al op voorhand tot de eer der altaren hebben verheven. Onze beelden zijn eigenlijk karikaturen en de vraag is dan ook gewettigd of in de gelijkenis niet een heel andere voorstelling van deze twee typen wordt gehanteerd.

    Wij hebben nu twee vragen geformuleerd die voor een goed begrip van de gelijkenis van wezenlijk belang zijn. Het antwoord er op kan alleen de tekst zelf ons geven. Daarom zullen wij ons nu verder in de structuur van het verhaal verdiepen.

    De tekst in kaart gebracht

    Wij treffen het dit keer. De tekst zit zo helder in elkaar dat het lijnenspel vrij gemakkelijk in kaart kan worden gebracht. De wijze waarop H. Merklein de tekst presenteert, is zo verhelderend en overtuigend, dat ik zijn structuurschets vrijwel ongewijzigd overgenomen heb. De tekst vertoont, aldus geordend, onmiddellijk veel meer reliëf. Vooral de volgende drie punten springen duidelijk in het oog.

    Het schilderij van de Farizeeër en de tollenaar is in een uiterst opdringerige lijst gevat, die ons het vrije uitzicht op het doek praktisch ontneemt. De situatieschets aan het begin en de moraal aan het slot leggen de betekenis van de gelijkenis zo volledig vast, dat wij er vrijwel niet meer toe komen ons een eigen oordeel te vormen. Het raam bepaalt wat wij in de gelijkenis moeten zien. Deze dwang prikkelt tot verzet. Er is alle reden om het doek eens uit de lijst te halen, de gelijkenis te bevrijden van het knellende keurslijf waarin hij gevangen zit. Het verhaal heeft dat raam helemaal niet nodig. Het vormt een goed gesloten eenheid die begint als twee mensen van huis opgaan naar de tempel en eindigt als ze van de tempel weer afdalen — zo staat er letterlijk — naar huis. Wij willen van de gelijkenis zelf weten wat hij ons te zeggen heeft.

    Het is in één oogopslag duidelijk dat de gelijkenis door het contrast tussen de Farizeeër en de tollenaar wordt beheerst. Van beiden worden zowel de houding die ze tijdens het gebed aannemen als de woorden die ze spreken vermeld. De presentatie van deze twee bidders blijkt precies op elkaar te zijn afgestemd. De verteller heeft aan deze contrastwerking zoveel zorg besteed, dat wij er goed aan doen de draagwijdte ervan zo nauwkeurig mogelijk te meten.

    Wanneer wij tenslotte het begin en het einde van de gelijkenis met elkaar vergelijken, blijkt zich een opvallende verandering te hebben voltrokken. Als het doek opgaat staan een Farizeeër en een tollenaar naast elkaar op het toneel. Als het doek valt staat alleen de tollenaar nog in het licht van de schijnwerper om het applaus in ontvangst te nemen; de Farizeeër is in het duister verdwenen. Hoe komt het dat de Farizeeër geen en de tollenaar wel bijval oogst? Wij zijn pas echt in de gelijkenis doorgedrongen als wij deze beslissende vraag hebben opgelost. Daartoe zullen wij alle onderdelen van het verhaal zorgvuldig op hun inhoud en op hun onderlinge samenhang moeten bekijken.

    De beginsituatie (I)

    De verteller gebruikt geen eigennamen om de hoofdrolspelers bij ons te introduceren. Hij voert twee mensen ten tonele die meer groepsvertegenwoordjgers dan op zichzelf staande individuen zijn. De verteller wil geen interessante, eenmalige gebeurtenis verhalen, maar heeft de bedoeling om bepaalde, algemeen-menselijke houdingen te typeren. Daarom spreekt hij van ‘een Farizeeër’ en ‘een tollenaar’. Blijkbaar gaat hij er daarbij van uit dat de inhoud en de gevoelswaarde van deze groepsaanduidjngen voor zijn lezers duidelijk zijn. Wij zagen al eerder dat het niet vanzelfsprekend is dat wij deze woorden bij lezing op de juiste manier vullen.

    Het is zeer waarschijnlijk dat de verteller bij zijn lezers waardering en hoogachting voor ‘een Farizeeër’ en verachting en wantrouwen voor ‘een tollenaar’ veronderstelt. De Farizeeën immers zijn toegewijde vromen, die hun godsdienstige verplichtingen zeer serieus nemen. Ze zijn de zaak van God zo met hart en ziel toegedaan dat de gewone man met bewondering en ontzag tegen hen opziet. De tollenaars staan daar lijnrecht tegenover. Het zijn mensen die de heilige beginselen opzij gezet hebben en voor geld hun godsdienst en hun vaderland hebben verkocht. Zij hebben het aan zichzelf te wijten dat ze allerwegen worden gebaat en veracht. Zo kan de Farizeeër die de verteller aan ons voorstelt, rekenen op een positief onthaal. terwijl de tollenaar met boe-geroep wordt ontvangen.

    De Farizeeër (II)

    Wij moeten ons er voor hoeden al te gemakkelijk de staf te breken over de Farizeeër. De man heeft niets misdaan. Van huichelarij of schijnheiligheid is geen spoor te bekennen. Hij spreekt de volle waarheid. Hij heeft zich inderdaad verre gehouden van allerlei kwalijke praktijken waarvoor anderen bezweken zijn. Bovendien heeft hij werkelijk een staat van dienst om trots op te zijn. Terwijl volgens de Wet de verplichting om te vasten alleen voor de Grote Verzoendag gold, heeft de Farizeeër het vrijwillig op zich genomen om twee dagen in de week te vasten. Verder was iedere boer verplicht om tienden van olie, koren en wijn aan de tempel af te dragen. Omdat je er niet van op aan kon of dit ook inderdaad gebeurd was, betaalden de Farizeeën opnieuw de tiende als ze deze producten kochten. De tekst suggereert zelfs dat ze van al hun inkomsten tienden afdroegen. De Farizeeën zijn bereid om voor hun godsdienst zware financiële offers te brengen. Het ziet er naar uit dat wij de beschuldigingen die wij zo gemakkelijk over de Farizeeën plegen uit te storten, beter kunnen inslikken.

    Desondanks voel je je met de Farizeeër, zoals die door de verteller getekend wordt, niet helemaal op je gemak. Waarom eigenlijk? Is het misschien afgunst tegenover zo’n volledige inzet en zo’n onbesproken gedrag? De oorsprong van dit gevoel van onbehagen ligt eerder in de wijze waarop de Farizeeër zijn ontegenzeggelijke voortreffelijkheid etaleert en waarop hij zich superieur tegen andere mensen afzet. Hij matigt zich een oordeel over hen aan, dat hem niet toekomt. Met name in het geval van de tollenaar blijkt hij zich deerlijk te vergissen. Op zich genomen is de Farizeeër niet echt onsympahiek. Dat wordt hij pas in contrast met de tollenaar, die nu door de verteller naast hem wordt gezet.

    De tollenaar (III)

    Wat de tollenaar betreft moeten wij de neiging weerstaan om zijn wangedrag te vergoelijken. De man heeft zich op een schandalige manier misdragen en alle goodwill verspeeld. Dat staat voorop. Het treffende is nu dat de tollenaar in de gelijkenis niet met uitvluchten aan komt dragen en ook niet probeert zichzelf van schuld vrij te pleiten. Wat hij gedaan heeft kan op geen enkele manier worden geëxcuseerd. De man ziet de waarheid onder ogen. Zijn houding is
    schuldbewust en getuigt van het besef dat hij alle rechten heeft verspeeld. Zijn gebed kan dan ook kort zijn in tegenstelling tot dat van de Farizeeër. Hij heeft immers niets te bieden. Hij erkent dat hij een zondaar is en neemt zijn toevlucht tot het enige middel dat hem rest: een beroep op Gods barmhartigheid.

    Wij kiezen spontaan partij voor de schuidbewuste tollenaar tegen de superieure Farizeeer, die zich zo lelijk op hem verkijkt. Waarschijnlijk speelt het feit dat de tollenaar de underdog is bij deze keuze een niet geringe rol. Maar er is meer. Vooral door de ontwapenende eerlijkheid, waarmee hij zijn schuld bekent, en door de ruiterlijke erkenning dat hij geen enkel recht meer kan doen gelden, verwerft de tollenaar onze sympathie. Hij staat zo veel dichter bij ons dan de Farizeeër, die zichzelf tot de geestelijke elite rekent en wiens inspanningen bijna bovenmenselijk zijn.

    De conclusie (IV)

    De verteller heeft het eindoordeel dat hij uitspreekt zorgvuldig voorbereid. Hij heeft zijn verhaal zo opgezet dat onze sympathie niet naar de Farizeeër, maar naar de tollenaar uitgaat. Speculerend op deze voorkeur slaat de verteller nu zijn slag en onthult ons hoe God de situatie beoordeelt: Hij ziet met welbehagen neer op de tollenaar en niet op de Farizeeër. De verteller heeft heel zijn spel met onze gevoelens gespeeld om ons gunstig te stemmen voor deze verregaande conclusie.

    Onwillekeurig laat je je door je sympathie voor de tollenaar meeslepen, totdat het met een schok tot je doordringt hoe ongehoord en provocerend dit eindoordeel is. De officiële, alom geachte vrome wordt door God gedesavoueerd, terwijl een man die alles wat heilig is met voeten heeft getreden, zonder voorbehoud door hem wordt aanvaard. De gevestigde orde wordt hier op zijn kop gezet, en dat is precies wat de verteller beoogt.

    De keuze

    De verteller heeft in de Farizeeër en de tollenaar duidelijk twee menselijke houdingen getypeerd en legt deze ter keuze aan ons voor. Daarbij steekt hij zijn eigen voorkeur niet onder stoelen of banken. In feite doet hij zijn uiterste best om ons de houding van de Farizeeër te laten verwerpen en ons die van de tollenaar te laten aanvaarden. Wanneer wij de inhoud van deze keuze nog wat preciezer willen beschrijven, schieten termen als verwaandheid en bescheidenheid, hoogmoed en nederigheid te kort. De verteller is geen zedemeester die ons de les leest. De keuze, waarvoor hij ons stelt, ligt op een veel fundamenteler vlak.
    ‘Twee mensen gingen op naar de tempel om er te bidden.’ Heel de gelijkenis speelt zich af voor het oog van God. In het zo uiteenlopende gedrag van de Farizeeër en de tollenaar worden twee heel verschillende beelden van God zichtbaar.

    De Farizeeër heeft geen notie van Gods grootheid: hij treedt Hem met opgeheven hoofd tegemoet. Hij dankt God, maar eigenlijk kan hij het wel alleen af. Volgens de Farizeeër weet God prestaties naar waarde te schatten en respecteert en bevestigt Hij de gangbare gedragscode en de verworven rechten. Wie zich aan de heersende spelregels houdt, vindt God vast en zeker aan zijn kant, maar Hij houdt zich verre van ieder die niet in orde is. Wie de regels niet eerbiedigt, kan dan ook zonder pardon in Gods naam buitenspel worden gezet. De God van de Farizeeër is even rechtschapen, onkreukbaar en harteloos als deze zelf. Hij fungeert als het sluitstuk van de gevestigde orde, waarin de Farizeeër zelf heer en meester is.

    Uit het gedrag van de tollenaar komt een heel ander beeld van God naar voren. Hij wil zijn ogen niet opslaan en klopt zich op de borst. Nietig en zondig als hij is, kan hij zich alleen maar buigen voor God die hem te machtig is en te heilig is. Tegenover deze grote God sta je als mens altijd met lege handen, in armoe en gemis. Er zijn geen rechten, waarop je je kunt laten voorstaan. Het enige wat rest, is een verzoek om gratie. Deze God houdt zich niet aan de grenzen die door de mensen in zijn naam worden getrokken en de oordelen die in zijn naam worden geveld. Vanuit beperkte mensenogen lijkt Hij vaak onberekenbaar en willekeurig, maar dat is gezichtsbedrog. In onze bekrompenheid onderschatten wij zijn ware grootheid: een barmhartigheid waarvan geen mens uitgesloten is en waarop niemand zich tevergeefs beroept.

    De verteller heeft zijn keuze gemaakt. Zijn conclusie dat de vrome Farizeeër Gods goedkeuring niet heeft kunnen wegdragen, maar dat de nietswaardige tollenaar wèl in zijn genade is aangenomen, is alleen te begrijpen in het licht van een God die doet wat zijn hart Hem ingeeft. Een dergelijke grootmoedigheid zal ons, die nauwelijks aan rechtvaardigheid toekomen, blijven verwarren en verontrusten. Daarom wordt de gelijkenis, die ons voor deze genadige God wil winnen, nooit vanzelfsprekend.

    Terug naar het begin van de pagina



    LINKS

    http://members.tripod.lycos.nl/jeugdpastoraalbe/vieringen/copmaskersaf.htm : Maskers af; Een viering rond zichzelf zijn

    Terug naar het begin van de pagina



    Bibliografie

    Lc 18,9-14: gelijkenis van een Farizeeër en een tollenaar ?
    Lc 18,9-14: C-cyclus, 30ste zondag door het jaar

    Terug naar het begin van de pagina


    De Islamitische opvatting van aanbidding - http://www.moslim.org/islam/aanbidding.htm
    S. Muhammad Tufail

      De houding van een scepticus of een apologeet tegenover aanbidding

      Voor een scepticus behoren aanbidding en gebed niet tot de fundamentele en enige werkelijkheid van het leven. Hij
      beschouwt ze als een leugen of een auto-suggestie, een misleiding, een najagen van eigen droombeelden, een kreet in de
      wildernis of een primitief geprevel van een wilde, dat uit angst voortkomt.
    Voor hem is het een vlucht uit het leven, die alleen maar helpt om iemand vadsig en lui te maken.
    Wanneer alles volgens natuurlijke wetten verloopt is er geen behoefte aan aanbidding en gebed.

    Dan is er het standpunt van de apologeet, de geloofsijveraar, over gebed. In de grond aanvaardt hij wat
    de scepticus zegt, maar hij bepleit dat het een noodzakelijk iets in het leven is, of het nu een fundamentele
    werkelijkheid is of niet; als het een leugen is, dan is het een gezonde leugen, die aan de mens een soort
    vertrouwen geeft of het in hem herstelt; al is het dan een auto-suggestie, zij heeft haar waarde voor de
    lijdende miljoenen; als het een misleiding is, een alleenspraak of het gevolg van iemands droombeelden,
    laat het dat dan blijven voor het welzijn der mensen; het kan hen verlossen van nerveuze spanningen en
    hen er voor behoeden zenuwwrakken te worden. Er steekt geen kwaad in, redeneert hij, als mensen hun
    vragen en smeekbeden richten tot een wezen dat niet bestaat, of, mocht Hij wel bestaan, niet tussenbeide
    kan komen in de menselijke aangelegenheden des levens.

    In de Islam is aanbidding ('ibadah) het doel waarvoor de mens geschapen is

    Als de opvatting over gebed en aanbidding een illusie is en geen werkelijkheid, dan is het begrip
    godsdienst op zichzelf een illusie. Wat er dan nog van de godsdienst overblijft is slechts een filosofie en
    een koude, rationele kijk op het leven. Een dergelijke houding is onaanvaardbaar voor een Moslim. In de
    Islam is aanbidding niet alleen het grondbeginsel van het religieuze leven, maar van het leven zelf. Het is
    het doel waarvoor de mens geschapen is. De Koran zegt: Ik heb ... en mensen met geen ander doel
    geschapen, dan opdat zij Mij zouden dienen. (51-56) {1}

    Het Arabische woord voor aanbidding is 'ibadah wat letterlijk betekent: het dienen, aanbidden, loven of
    gehoorzamen van God in nederigheid en onderworpenheid. {2}

    Deze regels tonen aan de ene kant, dat het bestaan van de mens in deze wereld niet zonder doel is, en
    aan de andere kant, dat het hoogste doel waarvoor hij is geschapen 'ibadah is. Bij zijn geboorte is hij een
    hulpeloos wezen, hoewel hij immense mogelijkheden heeft om ten volle zijn bekwaamheden te
    verwezenlijken en in dit leven volmaaktheid te bereiken door God te leren kennen, lief te hebben en te
    dienen, m.a.w. door 'ibadah. Alleen door in overeenstemming met Gods wil te handelen kan de mens het
    beste in zichzelf tot werkelijkheid maken. Als hij God dient is dit in generlei opzicht heilzaam voor God,
    Die de Bron is van alle goedheid en macht en geen menselijke hulp nodig heeft. Het is tot 's mensen
    eigen heil dat hij zich onder goddelijke bescherming stelt en voor Hem leeft en sterft. De liefde voor God
    moet de drijfveer zijn van zijn doen en laten en niet de liefde voor zichzelf of zijn familie, volk of land. Alle
    rechten en verplichtingen van het leven moeten voortkomen uit liefde voor het Goddelijk Wezen. Algehele
    overgave aan Hem is het doel van de Moslim.

    "Zeg: Mijn gebeden en mijn aanbidding, en mijn leven en mijn dood zijn Gode gewijd, de Heer van alle
    schepselen, die geen gelijke heeft. Dit werd mij geboden, en ik ben de eerste Moslem." (6:163-164)

    'Ibadah is dus geen zelfopgelegde levensnoodzaak, het is in feite de ziel en essentie van het leven,
    waarbuiten geen vooruitgang in menselijke aangelegenheden mogelijk is. Gebed is een deel van 'ibadah.
    Het zoeken naar een oplossing of een middel voor iets door hierover te denken, het te overwegen en er
    zich op te concentreren brengt ons in een toestand van gebed. Wanneer wij trachten de realiteit van
    verborgen waarheden te vinden, wanneer wij in nood onze handen uitstrekken om hulp, wanneer wij
    hunkeren naar troost en soelaas, wanneer wij uitzien naar een straal van hoop en licht in de duisternis, zijn
    wij in gebed, of wij het beseffen of niet. En als het licht schijnt, herkent de door onwetendheid gesluierde
    zoeker de bron niet-- de bron van Licht, Genade en Barmhartigheid. Hij mag deze dan niet gewaar zijn,
    maar zijn hulpeloze toestand (die ik de staat van gebed heb genoemd), heeft de goddelijke genade
    aangetrokken. Alleen de geestelijk ontwaakte mens ziet Gods hand werkzaam in menselijke
    aangelegenheden. Aldus is aanbidding in haar elementaire vorm een feit van het menszijn, een
    fundamentele waarheid en werkelijkheid van het leven, en in gerijpte vorm heeft zij voor de geestelijk
    ontwaakte mens een hogere en speciale betekenis. Voor hem is het gemeenschap met God, die
    transcendent is, maar niet zo volslagen transcendent dat vriendschap met of dienst aan Hem niet mogelijk
    zou zijn. Werkelijke aanbidding is dus niet alleen een daad van devotie t.o.v. de Ongeziene, maar ook een
    intiem gesprek met Hem, dat iemand Gods leiding, gezelschap en vriendschap brengt. De verhouding
    tussen de mens en het gans Andere is een actieve, wederzijdse relatie. In het gebed wordt iets tot stand
    gebracht. Ware dit niet zo, dan zou het gezegde van Abraham tot zijn vader, zoals vermeld in de Koran, in
    het geheel geen waarde hebben. "Toen hij (Abraham) tot zijn vader zeide: O mijn vader, waarom aanbidt
    gij datgene, wat noch hoort, noch ziet en u volstrekt niet van voordeel is?" (Koran 19:43)

    Abraham heeft de afgodendienst, die in feite misplaatste aanbidding is, openlijk veroordeeld, omdat de
    afgoden horen noch zien en hun aanbidders evenmin kunnen helpen.

    God hoort en verhoort gebeden

    De Koran heeft hierop herhaaldelijk de nadruk gelegd:

    "Uw Heer zeide: Roept Mij aan en Ik zal u verhoren" (40:62) "Als mijn dienaren u omtrent Mij ondervragen,
    zal ik nabij hen zijn; Ik verhoor het gebed van hen die een beroep op Mij doen; doch dat zij naar Mij
    luisteren en Mij geloven, opdat zij langs de rechte weg geleid worden." (2:182)

    "Is niet Hij de waardigste, die de bedroefde verhoort als hij Hem aanroept?" (27:63)

    Deze empirische benadering van aanbidding is het tegengestelde van het geloof dat God het
    onbenaderbare is of een louter kosmische Kracht. De theorie dat gebed geen echte beleving is, maar
    een auto-suggestie, een misleiding of slechts een alleenspraak of geprevel tot zichzelf, is niet alleen door
    de Koran verworpen maar ook door vroegere heilige schriften. Een paar aanhalingen zijn voldoende:

    "Maar zeker, God heeft gehoord; Hij heeft gemerkt op de stem mijns gebeds. Geloofd zij God, Die mijn
    gebed niet heeft afgewend, noch Zijne goedertierenheid van mij." (Psalm 66:19-20)

    "De Here is ver van de goddelozen; maar het gebed der rechtvaardigen zal Hij verhoren." (Spreuken
    15:29)

    "En wij weten dat God de zondaars niet hoort; maar zo iemand Godvruchtig is, en Zijn wil doet, dien hoort
    Hij." (Joh. 9:31)

    Als verzoek en smeekbede van de godvruchtige niet verhoord worden door God, als er geen intieme
    omgang of overdracht tussen hen bestaat, als de zachte majestueuze stem van de Oneindige niet door
    het eindige wordt vernomen, als de genade en barmhartigheid van de Genadige en Barmhartige niet ten
    deel vallen aan de rechtschapenen en behoeftigen, is er geen hoop voor de mens op spirituele
    vooruitgang of voor de toekomst van de godsdienst.

    Auguste Sabatier, een vrijzinnig Frans theoloog, zegt:

    "Gebed is religie in actie, d.w.z. gebed is ware religie. Gebed onderscheidt het religieuze fenomeen van
    het bijna daaraan gelijke of nabijkomende fenomeen van het zuiver morele of esthetische sentiment.
    Religie betekent niets, wanneer zij niet de vitale daad is, waardoor het denkvermogen zichzelf tracht te
    bevestigen door vast te houden aan de bron waaraan het zijn leven ontleent. Deze daad is het gebed,
    waaronder ik geen ijdele herhaling van woorden versta, geen herhaling van bepaalde heilige formules,
    maar de zielsbeweging, die een persoonlijke relatie of contact teweegbrengt met de mysterieuze macht
    waarvan het de aanwezigheid voelt, zelfs voordat hieraan een naam kan worden gegeven. Waar ook deze
    innerlijke daad, dit gebed zich manifesteert en de ziel beweegt, hebben wij, zelfs in afwezigheid van
    vormen en leerstellingen, te maken met levende religie. Hieraan ziet men waarom de zogenaamde
    "natuurlijke godsdienst" geen godsdienst is. Zij snijdt de mens af van het gebed. Zij houdt de mens en
    God van elkaar verwijderd, zonder intieme omgang, innerlijke samenspraak of wisselwerking, er is geen
    werking Gods in de mens, geen terugkeer van de mens tot God. In de grond is deze zogenaamde
    godsdienst alleen maar een filosofie. Geboren in tijden van rationalisme, van kritisch onderzoek, was zij
    nooit meer dan een abstractie. Als kunstmatige en dode schepping openbaart zij de onderzoeker
    nauwelijks iets van de karaktertrekken eigen aan de godsdienst." (Auguste Sabatier: Esquisse d'une
    Philosophie de la Religion, 2me ed. 1897, p.p. 24-26, abridged as quoted in William James's The
    Varieties of Religious Experience, the Modern Library, New York edition, p.p. 453-456).

    Herdenking en aanbidding van God weerhoudt ons van wat laakbaar en slecht is

    Het doel van de schepping van de mens is, zoals tevoren gezegd, 'ibadah, en het doel van 'ibadah is het
    herdenken van God. "Waarlijk, Ik ben God," zegt de Koran, "er is geen God buiten Mij: aanbid mij dus en
    doe uw gebed ter Mijner herinnering." (20:14) De betekenis van het herdenken of het loven van God wordt
    nog op een andere plaats in de Koran duidelijk gemaakt:

    "Herdenkt wat u van het boek des Korans werd geopenbaard, en weest standvastig in het gebed, want
    het gebed behoedt de mens voor vele misdaden en voor hetgeen laakbaar is, en de herdenkingen van
    God zijn zeker één der belangrijkste plichten: God weet wat gij doet." (29:44)

    Herdenken (dhikr)is iets in de geest terugroepen wat afwezig was of iets wat men uit het hoofd moet
    kennen. In bovenstaande regels betekent het herdenken van God, dat ons bewustzijn van de gedachte
    aan Hem vervuld moet zijn. Hij is alomtegenwoordig en kent ons bedoelen en ons handelen, maar wat Hij
    van ons verwacht is dat wij ook Zijn tegenwoordigheid in ons leven beseffen, het enige waardoor wij ons
    uit de netten van het kwaad bevrijden en spirituele rust bereiken. Met rust bedoel ik geen toestand van
    inactiviteit, maar dat gevoel van dankbaarheid, dat voortkomt uit onze volkomen overgave aan God door
    het pad der rechtschapenheid te bewandelen, hoe bochtig en moeilijk dit ook moge zijn. Herdenking van
    God is enerzijds de machtigste en doeltreffendste beteugeling van zonde, anderzijds verheft het iemand
    tot spirituele hoogten. Een commentaar van Mohammed 'Ali luidt:

    "Een levend geloof in Gods macht, kennis en goedheid weerhoudt de mens ervan langs Hem mishagende
    wegen te gaan. Een vast en zeker weten dat iedere verkeerde daad een verkeerde uitwerking heeft dat er
    een Opperwezen bestaat, dat weet wat voor mensenogen verborgen blijft en Wiens zedelijke wet zijn
    uitwerking doet gelden waar het moreel van de maatschappij in gebreke blijft, dat Hij de bron van alle
    goedheid is en dat de mens door goedheid gemeenschap met hem heeft, is de enige doeltreffende
    beteugeling van het kwaad. Ook moet men in gedachte houden dat het opzeggen van de Koran, het
    onderhouden van het gebed en de herdenking van God identiek zijn, want de Koran wordt gereciteerd in
    de gebeden en is het beste middel om God te gedenken. Iedere regel ervan stelt de lezer de goedheid,
    macht en kennis van het Goddelijk Wezen voor ogen, terwijl er geen ander boek is dat in deze behoefte
    voorziet. De Koran is geen wetboek, hoewel zij wetsbeginselen inhoudt nodig voor 's mensen leiding, ook
    is zij geen boek van heilige overleveringen, hoewel zij de nodige heilige overleveringen bevat, doch
    allereerst is zij een boek dat de heerlijkheid, grootheid, verhevenheid, goedheid, liefde, reinheid, macht en
    kennis van het Opperwezen tot uitdrukking brengt. Terwijl, volgens algemeen begrip, met het herdenken
    van God Zijn verheerlijking en lof in het gebed bedoeld wordt, heeft, naar verluidt, Ibn 'Abbas gezegd dat
    hier met dhikr (herdenking) van God, bedoeld wordt Gods gedenken van de mens of het opgeheven
    worden tot een hoger niveau. (Jami al'-Bayan fi Tafsir al-Quran door al- Imam Abu' far Muhammad Ibn
    Jarir al-Tabari). Aldus zou het betekenen dat door zijn gebed tot God, de mens niet alleen bevrijd wordt
    van de gevangenschap der zonde, maar hierdoor, en dat is meer, tot een hoger niveau wordt opgeheven."
    (Muhammad 'Ali, The Holy Qur'an, Arabic text, translation and commentary, 4th edition. Ahmadiyya
    Anjuman Isha'at Islam, Lahore, Pakistan, 1951, p.p. 768-769).

    Geduld en standvastigheid

    Aanbidding is aldus de eerste stap naar geestelijke vervolmaking van de mens. Het weerhoudt hem niet
    alleen van kwaad, maar zuivert ook zijn innerlijk (nafs), zijn ziel, en heft hem op. (91:9) De zuivering van het
    hart of het gevoel is een noodzakelijke voorwaarde daartoe. Deze taak is in geen geval gemakkelijk,
    daarom zegt de Koran:

    "Roept geduld en gebed ter hulpe, het gebed is licht voor de gelovige." (2:42)

    Standvastigheid is het belangrijkste op elk levensgebied en dus ook in geestelijke aangelegenheden.

    "Verricht het gebed, geeft aalmoezen, en het goede wat gij hier voor uw zieleheil doet, vindt gij eens bij
    God weder; want God weet wat gij doet." (2:104)

    Als aanbidding iemand niet weerhoudt van wat laakbaar en verkeerd is en iemand niet van zondigen
    afhoudt, als het hart, het gevoel of nafs er niet door gezuiverd wordt, als zij iemand niet de les van
    standvastigheid en geduld leert en niet helpt het goddelijke in zichzelf te verwezenlijken, is er iets niet in
    orde met zijn aanbidding en herdenking van God. In plaats van een gesprek met God is het een
    alleenspraak geworden.

    Aanbidding en vrees

    Voor een scepticus zijn niet alleen aanbidding en gebed, maar is de gehele godsdienstige idee
    gebaseerd op vrees en onwetendheid. Door vrees voor het onbekende, kreeg de primitieve mens,
    volgens hem, behoefte in iets bovennatuurlijks te geloven. Voor een moslim is de Gods idee een
    openbaring en geenszins het produkt van een psycho-sociale ontwikkeling of een uitvinding van de
    menselijke geest onder de druk van angstaanjagende omstandigheden. De Koran gebruikt de uitdrukking
    "vreest God", maar zoals zeer juist gezegd is" De vreze des Heren is de tucht der wijsheid" (Spr. 15:33)
    en "De vrees des Heren is het beginsel der wetenschap; de dwazen verachten wijsheid en tucht." (Spr.
    1:17)

    Er zijn veel soorten van vrees. Eén daarvan staat dichtbij eerbied en liefde; nl. het ontzag voor wie men het
    meest liefheeft. De vrees van een intelligent mens, die zichzelf en wie hij liefheeft wil beschermen, verschilt
    volkomen van de vrees van een laf en onwetend mens. Voor de geestelijk gerijpte mens is de vrees het
    voorwerp van zijn liefde te mishagen een bron van leiding en licht. Zij licht hem in over de wegen des
    Heren en leert hem algehele overgave aan God in leed en vreugde; hij bereikt het stadium waarin hij uit
    het diepst van zijn hart kan zeggen:

    "Lof aan God, Meester des Heelals". (Koran 1:1)

    Het Arabische woord hamd betekent het gevoel van dankbaarheid dat spontaan uit het hart oprijst. Dit
    spontane gevoel van dankbaarheid, dat verworven werd door een voortdurende emotionele en spirituele
    strijd, kan zeker niet het resultaat zijn van laffe vrees, die van elk intellectueel element verstoken is.
    Dominee T. A. Burkill heeft hierover een waardevolle opmerking gemaakt:

    "De natuur kan, door haar vreemde en afschrikwekkende aspecten, gespannen aandacht en
    verlammende vrees oproepen in een dier, maar dit is in het minst geen aanbidding, want bij aanbidding is
    altijd het metafysische vermoeden aanwezig dat het Mysterium Tremendum op een of andere wijze
    verband houdt met 's mensen bezorgdheid omtrent zijn lot, en een dergelijk vermoeden vooronderstelt iets
    van intellectuele werkzaamheid, hoe rudimentair ook." (The Hibbert Journal, uitgegeven door Allen &
    Unwin, London, juli 1960, p. 344)

    Tenzij deze intellectuele werkzaamheid aanwezig is, kan men God noch waarlijk vrezen, noch waarlijk
    liefhebben. Hierom wordt op vele plaatsen in de Koran overdenking (fikr) tezamen met herdenking van
    God genoemd, b.v.:

    "Die staande, liggende en zittende aan God denken, en, bij het nadenken over de schepping van hemel
    en aarde, uitroepen: Heer! Gij hebt dit niet zonder reden geschapen." (3:188)

    Deze regels wijzen er eveneens op dat het herdenken van God, dat het hoofddoel van de aanbidding is,
    niet aan vastgestelde tijden gebonden is, maar beschreven wordt als een geesteshouding en levenswijze
    en geassocieerd wordt met overdenken en beschouwen van Gods schepping. De tekenen Gods in het
    menselijk leven en in de overige schepping zijn duidelijk voor hen die "weten, begrijpen en geloven".
    (6:98-100) Het herdenken van God en hamd (dankbaarheid) zijn dus niet (of zouden het niet moeten zijn)
    het gevolg van vrees. Zij moeten een spontane werkzaamheid van de ziel en geest van de gelovige
    worden. In dit stadium helpen zij hem zich van angst en droefheid te bevrijden. De Koran zegt:

    "Zijn Gods vrienden niet de personen die door geen vrees zullen worden aangedaan en die niet bedroefd
    zullen worden? Zij, die in God geloven en hun plicht doen, zullen goede dingen in dit leven en het volgende
    ontvangen." (10:63-65)

    Op een andere plaats wordt gezegd dat "God diegenen tot Hem voert die zich tot Hem keren."

    "Zij die geloven, en wier harten in zekerheid rusten in de overpeinzing van God. Rusten de harten der
    mensen niet zeker in de herdenking van God?" (13:28)

    Is gebed een vlucht uit het leven?

    Zoals werd uitgelegd is gebed voor een moslim de kern en essentie van het leven. Hulp zoeken door
    gebed en geduld is moeilijk. Het vraagt volharding, geloof en ernst ons bewustzijn te vullen met de
    gedachte aan God. Om de hoogste graad van morele en spirituele ontplooiing te bereiken door het
    gedenken van God vergt een levenslange strijd en Gods genade. Daarvoor is overgave aan de wil van
    God nodig, en gehoorzaamheid gepaard aan de uiterste onderwerping, wat de ware betekenis is van
    'ibadah', zoals reeds werd gezegd; in feite betekent het zich zelf aan God verkopen.

    "Een ander heeft zichzelven verkocht om God te behagen. God is barmhartig voor hen die Hem dienen."
    (2:203)

    Een waarlijk goed dienaar van God is iemand die zich door beproevingen en lijden niet afkeert van zijn
    Heer. In feite kunnen de innerlijke en uiterlijke vermogens van de gelovigen zich slechts ten volle
    ontplooien in tegenspoed. Vriendschap die niet op de proef werd gesteld is onrijp en onvolledig. Wij
    ontvangen alleen Gods genade en zegening als wij Zijn wil hebben gedaan en ons standvastig, geduldig
    en trouw hebben betoond in ons lijden.

    "O gelovige! smeekt om hulp met geduld en gebed; want God is met de geduldigen. Zegt niet van hen,
    welke op Gods weg gedood werden: "Zij zijn dood", maar "Zij leven", want dit verstaat gij niet. Waarlijk wij
    willen u beproeven door vrees en honger en schade, welke gij aan vermogen, leven en vruchten zult lijden.
    Maar verkondig heil aan de vrome lijdenden. Hun die bij een ongeluk uitroepen: "Wij behoren Gode en
    keren eens tot Hem terug. Over hen komt zegen en barmhartigheid: zij zijn op de rechten weg."
    (2:148-155)

    Louter kennis van geestelijke zaken, hoe groot ook, baat niet, tenzij men door dik en dun door de
    levensstrijd is heengegaan. Kunnen we van zo iemand zeggen dat hij een vlucht uit het leven zoekt? De
    verdenking hiervan is fout op het eerste gezicht.

    Werk en aanbidding

    Ook wordt gezegd dat gebed helpt om de mens indolent en lui te doen worden. Niets is verder van de
    waarheid. God een gunst te vragen zonder daarvoor iets van onze kant te doen gaat tegen de geest van
    aanbidding en gebed in. Een moslim uit tijdens zijn rituele gebeden verschillende malen:

    "Leidt ons op de rechten weg" of "Voer ons op de rechten weg."

    De poging tot bereiken van onze bestemming langs de weg der rechtschapenheid is aan ons. Wij vragen
    Gods leiding en hulp om ons op de rechte weg te houden. Wij moeten de afstand zelf afleggen en alle
    moeilijkheden die wij tegenkomen in het gelaat zien in overeenstemming met de wil en het gebod van
    God. In feite is het vragen om goddelijke hulp, bij het gaan langs Hem behagende wegen, deel hebben
    aan de grootste verantwoordelijkheid. Met het oog op de zware taak is het niet verwonderlijk dat het
    verlangen van de ziel om de juiste weg uit de juiste bron te leren kennen toeneemt. Want als wij onze
    gebeden niet tot de juiste bron richten, zal al onze moeite tevergeefs zijn.

    "Hij is alleen waardig te worden aanbeden, en de afgoden die zij naast Hem aanroepen, zullen hen
    volstrekt niet horen; evenmin als degeen wordt verhoord, die zijn handen naar het water uitstrekt, opdat het
    tot zijn mond opstijge, ofschoon het hem nimmer kan bereiken; de smeking der ongelovigen is geheel
    verkeerd."

    Daarom zei Abraham tot zijn vader: "O mijn vader, waarom aanbidt gij datgene, wat noch hoort, noch ziet
    en u volstrekt niet van voordeel is?" (19:44)

    Daar het rechte pad altijd met moeilijkheden is bezaaid, hebben wij voortdurend Gods vriendschappelijke
    hulp nodig om onze bestemming te bereiken. Er ligt schoonheid in de uitdrukking: ihdna al-sirat
    al-mustaqim. (Leidt ons op de rechten weg.) Voor leiding is het Arabische woord hidayah, wat zeggen
    wil: "Vol goedheid leiding geven en de weg wijzen tot men zijn bestemming bereikt." (Taj al-'Arus)

    Bovendien wordt in de Koran gebedsverhoring verbonden aan de beloning van moeilijk werk.

    "Ik laat geen goede daad verloren gaan, wie die ook gedaan hebbe; hetzij man of vrouw'. De ene is uit de
    andere gesproten." (3:193)

    Ergens anders wordt gezegd:

    "Maar naast de tegenspoed is het geluk. Waarlijk, naast de tegenspoed is het geluk." (94:6)

    En ook:

    "Waarlijk wij hebben de mens in ellende{3} geschapen." (90:4)

    "En dat de mens, die rechtvaardig is, niets zal worden opgelegd, behalve zijn eigen arbeid. Dat zijn arbeid
    hiernamaals zeker naar waarde zal worden geschat. En dat hij daarvoor met de meest overvloedige
    beloningen zal worden beschonken. Dat het einde van alle dingen bij de Heer zal wezen." (53:40-43)

    Het leven van de Profeet Mohammed en zijn metgezellen is een levend voorbeeld van hun inzicht in de
    betrekking tussen gebed en arbeid. Zij besteedden een groot deel van de nacht aan aanbidding en van
    de dag aan de strijd voor de verheerlijking van hun geloof. Gebed wekte in hen "de latente krachten in de
    menselijke ziel", die hen hielpen zich zowel in wereldlijke als in geestelijke levenssferen te ontwikkelen.

    Laten wij bedenken dat het gebed een deel is van de inspanning die wij ons getroosten voor het
    welslagen van ons doel. Voor een geestelijk mens gaat het eerder aan de inspanning vooraf. De
    sluimerende energie wordt door middel van het gebed gewekt. "Het gebeurt dikwijls", zegt Muhammad
    Ali, "dat ondanks de grootste strijd, een mens niet in staat is zijn doel te bereiken en zich geheel en al
    hulpeloos voelt. In zo'n geval is het gebed een hulp, een bron van kracht. Hij laat de moed niet zakken en
    wanhoopt niet, want hij gelooft, dat, hoewel de middelen waarover hij beschikte faalden, hoewel zich
    overal moeilijkheden voordoen en er geen uitzicht is, hoewel zijn eigen kracht ontoereikend is, er een
    hogere macht bestaat, waarbij niets onmogelijk is, die de duisternis toch door een lichtstraal kan doen
    verdwijnen en die een niet aflatende bron van kracht in zijn hulpeloosheid voor hem is; en dat hij door tot
    Hem te bidden alsnog bereiken kan wat op andere wijze geheel onbereikbaar lijkt. Dat is de functie van
    het gebed en alzo een van de middelen om tot een doel te geraken, wanneer alle andere middelen
    faalden; een bron van kracht voor iemand in ogenblikken van uiterste zwakte en wanhoop." (Muhammad
    'Ali, The Religion of Islam, 1950 edition, p. 379).

    Gebed en voorbeschikking

    Er zijn mensen die denken dat gebed van generlei waarde is als alles in het leven is voorbeschikt en dat
    wat te gebeuren staat, gebeuren zal, onafhankelijk van ons smeken, vragen of bemiddelen bij God voor
    onszelf of een ander.

    Zo'n bedenking is het gevolg van onze verkeerde opvatting van het Goddelijk Wezen. Wij denken dat God
    als een horlogemaker is, die, nadat het horloge uit zijn handen kwam, er niets meer mee te maken heeft.
    Op die manier wordt God slechts de toeschouwer en wel een hulpeloze toeschouwer van Zijn arme
    lijdende schepping. Zo'n God is slechts de God van het verleden, Wiens macht en leiding daarin is blijven
    steken, d.w.z. dat Hij de leiding over de bestemming der dingen verloren heeft, over dingen die door Hem
    geschapen en in het leven geroepen zijn. Alzo is Hij niet de God van het heden en de toekomst. Maar als
    er enige leiding t.o.v. de bestemming der dingen in Gods hand is gebleven, dan bestaat evengoed de
    mogelijkheid daarin verandering te brengen. Voor een moslim heeft God het volmaakte toezicht op Zijn
    schepping in tijd en ruimte. Hij is malik-i jaum al-din, i.e. Rechter op de dag des gerichts. (1:3) Het woord
    jaum (dag) in de Koran heeft zowel betrekking op één moment als op vijftig duizend jaar. (70:4) {4}) Aldus
    is Hij Meester van elk moment van ons leven hier en in het hiernamaals. Meester (of Rechter) van de dag
    des gerichts betekent Meester van de wet des gerichts, die elk moment van ons bestaan werkt. Zelfs de
    wet van de schepping heeft niet opgehouden op een zeker ogenblik in het verleden. Zij is een voortdurend
    proces, zoals duidelijk wordt aangeduid in de Koran:

    "Koella jaum-in howa fi sjan"Iedere dag is Hij met een nieuw werk bezig. (55:29)

    Het is niet mogelijk alle geheimen van Zijn schepping te peilen. Gebed is slechts een middel om terug te
    vallen op de bronnen van Zijn oneindige kennis en macht, waarvan wij zo weinig begrip hebben.

    Hierbij denk ik aan een gebed van de Profeet Mohammed dat hij bij een bepaalde gelegenheid leerde:

    "O God! ik verlang naar Uw zegen door Uw kennis, en ik vraag U om macht door Uwe macht, en ik smeek
    om Uw grote genade, want Gij hebt de macht en ik niet, Gij weet en ik niet, Gij zijt de grote kenner aller
    dingen. O God! als Gij weet dat deze zaak goed voor mij is, t.o.v. mijn godsdienst en mijn leven en de
    uitslag ervan, beveel haar dan voor mij en maak het mij gemakkelijk en zegen mij daarmee; en als Gij
    weet dat deze zaak slecht voor mij is t.o.v. mijn godsdienst en mijn leven en de uitslag ervan, keer haar
    dan van mij af en keer mij van haar af en beveel wat goed voor mij is, waar dan ook, en maak mij
    daarmee tevreden." (Al-Bukhari, 19-25)

    Ondanks de theorie van natuurwetten en voorbeschikking geven wij de pogingen om onszelf te helpen
    nooit op. Als wij ziek worden, gaan wij naar een dokter, als een huis in brand staat, roepen wij de
    brandweer. Om een uiterst eenvoudig voorbeeld te geven, wij drinken water om onze dorst te lessen,
    omdat wij weten dat in de z.g. voorbeschikte levenszaken God bepaalde wegen en middelen heeft
    aangewezen om bepaalde menselijk moeilijkheden te doen verdwijnen. Zo is ook gebed een middel om
    Gods genade tot zich te trekken in tijden van nood; net als andere middelen die wij gebruiken om ons doel
    te bereiken.

    Na hiermee enkele van de hoofdbezwaren tegen het gebed besproken te hebben, wil ik nu enkele andere
    aspecten van aanbidding in de Islam behandelen.

    In de Islam is aanbidding verbonden aan het dienen van de mensheid

    In de Islam is aanbidding geen leeg stelsel van kerkgebruiken. Zij vormt een integrerend deel van ons
    dagelijks gedrag, bepaalt onze levenshouding en helpt ons morele en spirituele vervolmaking te bereiken.
    Zij behoort ons aan te zetten tot belangeloos dienen van de mensheid en het helpen van behoeftigen. Als
    zij er niet in slaagt de rechten van wezen en behoeftigen te beschermen, is zij van geen waarde. Dan
    wordt zelfs de godsdienst, die iemand uiterlijk belijdt, gelogenstraft door zijn gedrag.

    "Wat dunkt u van hem, die het toekomstige oordeel als een valsheid loochent? Het is degeen, die de
    wees verstoot en anderen niet aanspoort de arme te voeden. Wee over hen, die bidden, maar die
    achteloos in hun gebed zijn; die de huichelaars spelen en de behoeftige de nodige aalmoes onthouden.
    (Koran 107:1-7)

    Aanbidding verliest daarom alle betekenis als zij slechts een vertoning van vroomheid wordt, een louter
    dagelijkse sleur en alleen maar een woordelijke herhaling van bepaalde formules. Aanbidding, die
    gescheiden wordt van het leven met zijn morele en geestelijke eisen en verplichtingen, logenstraft in feite
    de godsdienst. Op een andere plaats in de Koran staat:

    "De godvruchtigheid bestaat niet daarin, dat gij uw gezicht (bij het gebed) naar het Oosten of het Westen
    wendt. Godvruchtig is hij die aan God gelooft, aan de jongste dag en de engelen en de schrift en de
    profeten, die van zijn vermogen geeft aan aanverwanten, wezen en armen en de vreemdelingen, en hun
    die vragen; hij die gevangenen loskoopt, het gebed verricht en aalmoezen geeft; die aangegane
    verbintenissen nakomt; die geduldig is in tegenspoed, nood en krijgsgevaar; hij is rechtvaardig; hij is
    godvrezend." (2:172)

    De vorm van aanbidding in de Islam

    Als wij de geest en betekenis van aanbidding in de Islam begrepen hebben, is het niet moeilijk de
    behoefte aan een bepaalde voorgeschreven vorm daarbij te waarderen. In de Islam is het gebed, dat op
    een bepaalde manier op vastgestelde tijden wordt verricht, een integrerend deel van haar systeem. Naast
    het geestelijk en zedelijk voordeel daaraan verbonden, heeft het een belangrijk sociaal aspect. Het helpt
    om alle verschil van ras, kleur, rang en nationaliteit tussen de volgelingen neer te halen. Bij het gebed
    staan prins en bedelaar schouder aan schouder. Door deze regelmatige training bestaat er geen
    rassenprobleem in de Islam, noch in theorie, noch in praktijk.

    Daarbij zijn in de aanbidding van de Moslim alle mogelijke houdingen gecombineerd, die nodig zijn voor
    het ontwikkelen van de juiste eerbiedige houding. Staande, buigende, zich ter aarde werpende en
    zittende houdingen dienen ertoe het hart van een aanbidder te bezielen met gevoelens van nederigheid
    voor het Goddelijk Wezen. Voor een buitenstaander mogen verschillende houdingen vreemd schijnen,
    doch zij zijn de zelfde die door vroegere profeten en hun volgelingen werden aangenomen bij het gebed.
    Om enkele voorbeelden aan te halen:

    "Komt, laat ons aanbidden en nederbukken; laat ons knielen voor de Here, die ons gemaakt heeft. (Ps.
    95:6)

    ... "zo vielen zij op hun aangezichten" ...(I Kon. 18-39)

    En een weinig voortgegaan zijnde, viel Hij op Zijn aangezicht,

    biddende"...(Matth. 26:39, Mark. 14:35)

    De laatste aanhaling laat zien hoe Jezus zich ter aarde wierp en bad en aldus zijn leerlingen leerde bidden
    en aanbidden.

    Er heerst ook enig wanbegrip over het herhaald verrichten van de liturgische gebeden. Evenals wij vijf of
    zes maal per dag voedsel gebruiken, moeten wij ook enig malen per dag geestelijk voedsel tot ons
    nemen. Herhaling is het geheim van schoonheid. Hoe dikwijls herhaalt zich niet het patroon van een tapijt
    of behang om er een schoon geheel van te maken!

    Naast deze vorm van aanbidding op vastgestelde tijden, wordt de eis gesteld zich te wassen en zijn kleren
    schoon te houden. Met uiterlijke reiniging begint aldus de spirituele reiniging. God spreekt tot de Profeet
    Mohammed in de volgende woorden:

    "O gij, die met een mantel bedekt zijt! Rijs op en predik. Verheerlijk uw Heer. Reinig uw klederen!
    Ontvlucht iedere schande (onreinheid). (74:1-5)

    "Want God bemint hen die berouw hebben en de reinen. (2:222) "O, ware gelovige! indien gij u tot het
    gebed gereed maakt, was dan uw aangezicht, en uw handen tot onder de ellebogen; wrijf u het hoofd en
    ook de voeten tot aan de hielen." (5:8)

    De Profeet moet gezegd hebben: "Reiniging is de helft van de godsdienst." (Mishkaat al-Masabih) En bij
    een andere gelegenheid, zei hij: "De sleutel tot het paradijs is gebed en de sleutel tot gebed is reiniging."
    (Ibid) Eens vroeg hij zijn metgezellen:

    "Zeg mij, als er een beek langs iemands deur stroomt, waarin hij vijf maal per dag baadt, zal er dan iets
    wat vuil is aan hem achterblijven?"

    Zij antwoordden:

    "Er zal niets vuils achterblijven!"

    Hij zei:

    "Insgelijks de vijf gebeden, waarmee God alle fouten uitwist".

    Aanbidding is voor een moslim een morele en spirituele discipline, waarbij geduld, volharding, overgave,
    nederigheid, regelmaat en reinheid zeer essentieel zijn voor hij de vruchten en zegeningen van het gebed
    kan genieten. Bovenal schreeuwt de nood van vandaag om een houding van aanbidding. Alleen deze
    houding kan de genade van God tot de mensen trekken. Duisternis kan geen duisternis doen
    verdwijnen. Licht kunnen wij alleen ontvangen uit de Bron van licht. De mensen tasten tegenwoordig rond
    in het duister en weten niet hoe zij alle wetenschappelijke ontdekkingen ten goede kunnen gebruiken en
    dit heeft hen tot aan de rand der vernietiging gebracht. Laten wij allen uit het diepst van ons hart bidden:

    "O Heer, leidt ons op de rechte weg." Amen

    Noten

    1. Alle teksten uit de Koran zijn overgenomen uit de Nederlandse Koran, 4e druk 1916 uitgegeven onder toezicht van Dr. S.
    Keyzer.

    2. Andere in de Koran gebruikte uitdrukkingen voor aanbidding zijn: salah-gebed, of rituele eredienst; doe'a-smeekbede. B.v.
    "O Heer, ik heb een deel mijner afstammelingen in een onvruchtbare vallei doen wonen, nabij een heilig huis, o Heer! opdat zij
    volhardend in het gebed mogen zijn, (14:40). Dhikr Allah, herdenken van God en het reciteren van de Koran worden ook
    aanbidding genoemd, omdat het doel der Godsverering herdenken en loven van God is en gedeelten uit de Koran altijd in de



    moslim eredienst worden gereciteerd.

    3. In de vertaling van Maulana Muhammad Ali: "... om moeilijkheden te bestrijden."

    4. Gelijkluidende uitdrukkingen zijn ook in andere geschriften te vinden: "De nacht van Brahma duurt duizend
    eeuwen.(Bhagawad Gita 8:17) "Eén dag bij de Here is als duizend jaren, en duizend jaren als één dag." (Petrus 3:8)

    Terug naar het begin van de pagina


    Jezus werd aan tafel gevraagd of uitgenodigd door schriftgeleerden en Farizeeën of door tollenaars. Blijkbaar heeft Jezus één en ander gezien bij feesten, aan tafel enz. Hier zien we hoe sommige mensen zich belangrijker wanen dan anderen en een plaatsje dichter bij degene die hen heeft uitgenodigd gaan zitten, want hoe dichter bij de gastheer, hoe belangrijker.
    2 situaties waarin de wijsheid : wie zich verheft, zal vernederd worden, van toepassing is bij een bruiloft in de tempel    
      Lc 14,11a - Lc 14,7-11 - Lc 18,14b - Lc 18,9-14 - Lc 14,11b - Lc 14,7-11 - Lc 18,14c - Lc 18,9-14 -
    redengevend voegwoord hoti (omdat) hoti (omdat)  kai (en)  
    onderwerp (totaliteit) pas (ieder) pas (ieder)    
      ho hupsôn (de verheffende) ho hupsôn (de verheffende) ho tapeinôn (wie klein maakt)  ho de tapeinôn (wie echter klein maakt) 
    lijdend voorwerp bij het participium heauton (zichzelf) heauton (zichzelf) heauton (zichzelf) heauton (zichzelf)
      tapeinôthèsetai (zal vernederd worden) tapeinôthèsetai (zal vernederd worden)  hupsôthèsetai (zal verheven worden)  hupsôthèsetai (zal verheven worden)
       231. Gelijkenis over de keuze van de laatste plaats op een bruiloft : Lc 14,7-11 - Lc 14,7-11  263. De Farizeeër en de tollenaar : Lc 18,9-14 - Lc 18,9-14 -  231. Gelijkenis over de keuze van de laatste plaats op een bruiloft : Lc 14,7-11 - Lc 14,7-11 263. De Farizeeër en de tollenaar : Lc 18,9-14 - Lc 18,9-14 -

    Het gaat hier om wijsheid : wie zich verheft, zal vernederd worden en wie zich klein maakt, zal verheven worden. Deze wijsheid kan in vele situaties van toepassing zijn. Lucas geeft twee concrete voorbeelden. Het ene gebeuren speelt zich af bij gelegenheid van een bruiloft, het andere in de tempel. Telkens schetst Lucas de tegenstelling. In Lc 18,9-14 verheft de Farizeeër zich (Lc 18,11-12) en vernedert de tollenaar zich (Lc 18,13). Wie zichzelf opblaast / Wie bluft , komt er kleintjes uit. Wie zich opdringt, zal een stapje achteruit moeten doen. Het gaat om een bepaalde levenshouding.
    Op een feest vertrouw je je toe aan de gastheer in de overtuiging dat hij zorg draagt voor zijn gast. Iemand uitnodigen is een uiting van vriendschap vanwege de gastheer. Hij bepaalt de plaatsen van de genodigden. Niet de genodigden leggen beslag op de plaatsen en hanteren het recht van de sterkste. De gastheer hanteert de gunst.

     

    267. Jezus ontvangt de kinderen : Mc 10,13-16 // Mt 19,13-15 // Lc 18,15-17

    Lc 18,15 - Lc 18,15 -
    Griekse tekst Vulgaat Synopsis Denaux-Vervenne   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel  
                   

    Lc 18,16 - Lc 18,16 -
    Griekse tekst Vulgaat Synopsis Denaux-Vervenne   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel  
                   

    Lc 18,17 - Lc 18,17 -
    Griekse tekst Vulgaat Synopsis Denaux-Vervenne   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel  
                   

    268. De rijke (jonge) man : Mc 10,17-22 // Mt 19,16-22 // Lc 18,18-23

    Lc 18,18 - Lc 18,18 -
    Griekse tekst Vulgaat Synopsis Denaux-Vervenne   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel  
                   

    Lc 18,19 - Lc 18,19 -
    Griekse tekst Vulgaat Synopsis Denaux-Vervenne   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel  
                   

    Lc 18,20 - Lc 18,20 -
    Griekse tekst Vulgaat Synopsis Denaux-Vervenne   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel  
                   

    Lc 18,21 - Lc 18,21 -
    Griekse tekst Vulgaat Synopsis Denaux-Vervenne   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel  
                   

    Lc 18,22 - Lc 18,22 -
    Griekse tekst Vulgaat Synopsis Denaux-Vervenne   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel  
                   

    Lc 18,23 - Lc 18,23 -
    Griekse tekst Vulgaat Synopsis Denaux-Vervenne   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel  
                   

    De inleidingsformules

    Mc10,17 (iemand) - Mc 10,17-22 - Lc 18,18 // Mc 10,17 (een overste) - Lc 18,18-23    Mc 10,18-19 (Jezus) Lc 18,19 // Mc 10,18 (Jezus)   Mc 10,20 (iemand) Lc 18,21 // Mc 10,20 (een overste)   Mc 10,21 (Jezus) Lc 18,22 // Mc 10,21 (Jezus)
      kai (en)   18. ho de Ièsous (Jezus echter)      20. ho de (hij echter) ho de (hij echter)   21. . ho de Iijsous (Jezus echter) ... akousas de ho Ièsous gehoord hebbende echter Jezus)
    17. epèrôta (vroeg) epèrôtèsen (hij vroeg) ...   eipen (zei) eipen de (zei echter)   efè (zei)  eipen (zei)   eipen (zei) eipen (zei)
    auton (hem)     autôi (hem) autôi    autôi (hem)     autôi (hem) autôi (hem)
            ho Ièsous            
      legôn (zeggende)                  
     268. De rijke (jonge) man : Mc 10,17-22 // Mt 19,16-22 // Lc 18,18-23 - Mc 10,17-22 -- Mt 19,16-22 -- Lc 18,18-23 -                    

    Toen het evangelie geschreven werd, kreeg het geen genummerde hoofdstukken en verzen. Dat gebeurde pas later. Wel werden in de tekst aanwijzingen gegeven om de tekst te lezen of te beluisteren. In (Mc 10) verzen 18.20.21.22 (4X) begint de zin met het Griekse ho de (hij echter). In verzen 18 en 21 volgt op het Griekse ho de (hij echter) het woord Ièsous (Jezus). Zo krijgen we de dialoog: 18. Jezus echter - 20. hij echter - 21. Jezus echter - 22. reactie : hij echter. De 'nummeraar' heeft zich door de tekst laten inspireren.
    Om aan te duiden wie aan het woord is, heeft de evangelist Jezus toegevoegd waar Jezus aan het woord zal komen. Daarenboven staat de werkwoordvorm in de aoristvorm (een verleden tijdvorm), terwijl de werkwoordvorm voor de ander in het imperfectum (onvoltooid tegenwoordige tijd) staat.
    Hoe gaat Lucas hiermee om? Vóór de rechtstreekse rede gebruikt Lucas telkens een werkwoordvorm van het werkwoord legô : zeggen. De passages die over iemand / de overste handelen; worden ingeleid met ho de (hij echter). Dat is niet het geval bij Jezus.
    Bij deze inleidingsformules gebruikt Lucas steeds de aorist (verleden tijd).

    Naast de dialogen zijn er nog andere linken in het verhaal :
    Lc 18,18b (overste) Lc 18,19 (Jezus) Lc 18,20 (Jezus) Lc 18,21 (overste)  Lc 18,22 (Jezus) Lc 18,23 (overste)
    didaskale agathe (goede meester)   tas entolas (de geboden) tauta panta (dat alles) verwijst naar Lc 18,20 akousas de ho Ièsous (gehoord echter Jezus) akousas (gehoord hebbende) verwijst naar Lc 18,21b   ho de akousas tauta (hij echter dat gehoord ). akousas (gehoord hebbende) en tauta (dat) verwijst naar Lc 18,22.
    tí (wat) tí (waarom)  oidas (ken je)  efulaxa (onderhield ik). De overste kent niet alleen de geboden, hij onderhield ze ook.    
      me legeis agathon (noem je me goed) ...        
    vraag wedervraag, eerst een bedenking op agathos (goed)        
      268. De rijke (jonge) man : Mc 10,17-22 // Mt 19,16-22 // Lc 18,18-23 - Mc 10,17-22 -- Mt 19,16-22 -- Lc 18,18-23 -          

    De citaten

     Mc 10,17-22 -- Mc 10,17-22 - Lc 18,18-23 - Lc 18,18-23 -      Mc 10,17-22 Lc 18,18-23     Mc 10,17-22 Lc 18,18-23  

      Mc 10,17-22 - Mc 10,17-22 -

    Lc 18,18-23 - Lc 18,18-23 -    Lc 12,33 - Lc 12,33-34 -
    17. didaskale agathe (goed meester)           20. didaskale (leermeester)       22.    
    ti (wat) tí (wat)   18. ti (wat)... 19. ti (wat)...   tauta panta (dat alles)  21. tauta panta (dat alles)   21.  hen se usterei (één ding ontbreekt jou)...  eti hen soi leipei (nog één ontbreekt jou)    
    poièsô (zal ik doen) ... poièsas (doende)   19. tas entolas oidas (de geboden ken je) 19. tas entolas oidas (de geboden ken je)   efulaksamèn (heb ik onderhouden)  efulaxa (heb ik onderhouden)    hupage, ... ga      
     hina                  hosa echeis pôlèson...(verkoop wat je bezit) panta hosa echeis... (verkoop alles wat je bezit)    pôlèsate ta huparchonta humôn (verkoopt jullie bezittingen)
    zôèn aiônion klèronomèsô (eeuwig leven zal beërven). zôèn aiônion klèronomèsô (eeuwig leven zal beërven).                kai hekseis thèsauron en ouranôi (en jij zult hebben een schat in de hemel).  kai hekseis thèsauron en tois ouranois (en jij zult hebben een schat in de hemelen).    thèsauron anekleipton en tois ouranois (een onontbeerkbare schat in de hemelen)
     268. De rijke (jonge) man : Mc 10,17-22 // Mt 19,16-22 // Lc 18,18-23 - Mc 10,17-22 -- Mt 19,16-22 - Lc 18,18-23                   268. De rijke (jonge) man : Mc 10,17-22 // Mt 19,16-22 // Lc 18,18-23 - Mc 10,17-22 -- Mt 19,16-22 - Lc 18,18-23      

    leipô : verlaten, achterlaten, in de steek laten, ontbreken (Mc 10,21 : hustereô : ontbreken). De verandering door Lucas roept nog sterker Lc 12,33 op : anekleipton (an - ek - leipton : on- ont-beerlijk). Met het woordje eti (nog) versterkt Lucas de tekst van Marcus. Ontbreken doet denken aan niet hebben. Het klinkt zo paradox : het ontbreken / niet hebben bestaat juist in het hebben / bezitten. Door alles wat je hebt te verkopen en het aan de armen te geven, ontbreekt je niets meer (heb je dus alles).
    Lucas (Lc 18,18) maakt van de hoofdzin van Marcus (Mc 10,17) een participiumzin en van de bijzin de hoofdzin. Hierdoor wordt in Lucas de inclusio (Lc 18,18 en Lc 18,22) versterkt. Beide werkwoorden staan in de toekomstige tijd en beide hebben een lijdend voorwerp. Op de vraag : (hoe) zal ik het eeuwig leven verwerven (Lc 18,18) luidt het antwoord : ... jij zult een schat in de hemel hebben. In dit antwoord echô thèsauron (een schat hebben) ligt meer de nadruk op het werkwoord klèronomeô (verwerven) Dezelfde vraag wordt gesteld door een wetgeleerde (Lc 10,25-28). Het antwoord van Jezus is : doe dit en je zult leven. In dit antwoord zaô (leven) - jij zult leven, ligt meer de nadruk op het voorwerp zôèn aiônion (eeuwig leven).
    In Lc 18,22 wordt nog versterkt wat Marcus reeds schreef. Lucas voegt in Lc 18,22 panta (alles) toe ; verkoop alles wat je bezit. Daardoor wordt de tegenstelling nog sterker. Door alles te verkopen en het aan de armen te geven, heb je niets meer. Maar dan zou je een schat in de hemel hebben. Het klinkt : niets op aarde, alles in de hemel.

    Bij het verhaal van de rijke jongeling ( - Mc 10,17-22 - Mt 19,16-22 - Lc 18,18-23 - ) wordt in Mc 10,17 de vraag gesteld : Wat moet ik doen... Bij de inleiding gebruikt Marcus het werkwoord erôtaô (vragen) en plaatst het in de imperfectumvorm. In Lc 18,18 gebruikt Lucas eveneens het werkwoord erôtaô (vragen) maar zet het in de aoristvorm. De zinsstructuur komt sterk overeen met de structuur in Lc 3,10. Heeft Lucas bij het samenstellen van zijn tekst van Lc 3,10-14 de tekst van de rijke jongeling in het achterhoofd gehad.
    In Lc 3,10-14 en Lc 18,18-23 gaat de inhoud over bezittingen. In Lc 3,10-14 pleit Lucas voor het delen van bezit of rechtmatig bezitten. Dat was de houding van Johannes de Doper. In Lc 18,18-23 pleit Jezus om alles te verkopen en hem te volgen.

      Lc 3,10-11 Mc 10,17 // Lc 18,18 // Mt 19,16 Lc 18,18 // Mc 10,17 // Mt 19,16
    nevenschikkend voegwoord kai (en) Kai ... (en...) Kai (en)
     werkwoord epèrôtôn ( vroegen) epèrôta (hij vroeg) epèrôtèsen (vroeg)
           
     lijdend voorwerp of bepaling bij het werkwoord auton (hem) auton (hem) tis auton (hem)
     onderwerp hoi ochloi (de menigten)   archôn (een bepaalde overste)
     participium (deelwoord) het citaat inleidend legontes (zeggende)   legôn (zeggende)
       15. Catechese van Johannes de Doper voor verschillende standen : Lc 3,10-14 - Lc 3,10-14 -  268. De rijke (jonge) man : Mc 10,17-22 // Mt 19,16-22 // Lc 18,18-23 - Mc 10,17-22 -- Mt 19,16-22 - Lc 18,18-23  268. De rijke (jonge) man : Mc 10,17-22 // Mt 19,16-22 // Lc 18,18-23 - Mc 10,17-22 -- Mt 19,16-22 - Lc 18,18-23

    269. Het is moeilijk voor de rijken om het Rijk Gods binnen te gaan : Mc 10,23-27 // Mt 19,23-26 // Lc 18,24-27

     

    Lc 18,24 - Lc 18,24 -
    Griekse tekst Vulgaat Synopsis Denaux-Vervenne   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel  
                   

    Lc 18,25 - Lc 18,25 -
    Griekse tekst Vulgaat Synopsis Denaux-Vervenne   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel  
                   

     

     

    Lc 18,26 - Lc 18,26 -
    Griekse tekst Vulgaat Synopsis Denaux-Vervenne   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel  
                   

    Lc 18,27 - Lc 18,27 -
    Griekse tekst Vulgaat Synopsis Denaux-Vervenne   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel  
                   

     
    Mc 10,23-32 . Mc 10,23 (Jezus)  Mc 10,24a (de leerlingen)  Mc 10,24b (Jezus) Mc 10,26 (leerlingen)   Mc 10,27 (Jezus)
    23. Kai (en) 24. hoi de (zij echter) 24b. ho de (hij echter) 26. hoi de (zij echter) 27.
    periblepsamenos (rondgekeken hebbende)      perissôs exeplèssonto (zij waren bovenmate verbouwereerd) emblempsas autois (hen in het gezicht gekeken hebbende)
    ho Iijsous (Jezus) mathijtai (de leerlingen) Iijsous (Jezus)   ho Iijsous (Jezus)
         palin (opnieuws)    
        apokritheis (geantwoord hebbende)     
    legei (zegt)  epi tois logois autou (over zijn woorden) legei (zegt) legontes pros heautous (zeggende tot zichzelf) legei (zegt)
    tois mathijtais autou (aan zijn leerlingen)    autois (hen)    
    269. Het is moeilijk voor de rijken om het Rijk Gods binnen te gaan : Mc 10,23-27 // Mt 19,23-26 // Lc 18,24-27        

     

    270. Loon voor wie alles verlaten om Jezus te volgen : Mc 10,28-30 // Mt 19,27-29 // Lc 18,28-30

    Lc 18,28 - Lc 18,28 -
    Griekse tekst Vulgaat Synopsis Denaux-Vervenne   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel  
                   

     

    Lc 18,29 - Lc 18,29 -
    Griekse tekst Vulgaat Synopsis Denaux-Vervenne   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel  
                   

    Lc 18,30 - Lc 18,30 -
    Griekse tekst Vulgaat Synopsis Denaux-Vervenne   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel  
                   

    273. Derde lijdensvoorspelling : Lc 18,31-34 - Mc 10,32-34 - Mt 20,17-19 - Lc 18,31-34 - verwijzingen -- Lc 18,31 - Lc 18,32 - Lc 18,33 - Lc 18,34 -

    Lc 18,31 - Lc 18,31 : 273. Derde lijdensvoorspelling : Mc 10,32-34 - Mt 20,17-19 - Lc 18,31-34 - verwijzingen -- Lc 18,31 - Lc 18,32 - Lc 18,33 - Lc 18,34 -
    Griekse tekst Vulgaat Synopsis Denaux-Vervenne   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel  
    18:31 paralabôn de tous dôdeka eipen pros autous idou anabainomen eis ierousalèm kai telesthèsetai panta ta gegrammena dia tôn profètôn tô uiô tou anthrôpou  31 adsumpsit autem Iesus duodecim et ait illis ecce ascendimus Hierosolyma et consummabuntur omnia quae scripta sunt per prophetas de Filio hominis   Hij nam nu de twalf bij zich (en) zei tegen hen : "Zie , we gaan op naar Jeruzalem , en alles zal volbracht worden wat geschreven staat door de profeten over de Mensenzoon;      [31] Hij nam de twaalf apart en zei tegen hen: ‘Kijk, we gaan op naar Jeruzalem, en alles* wat door de profeten is geschreven over de Mensenzoon zal in vervulling gaan.  [31] Hij nam de twaalf apart en zei tegen hen: ‘We zijn nu op weg naar Jeruzalem, en alles wat door de profeten is geschreven zal men de Mensenzoon laten ondergaan.   31 ¶ Hij neemt de twaalf terzijde en zegt tot hen: zie, wij klimmen op naar Jeruzalem; voleindigd zal worden alles wat is geschreven door de profeten aangaande de mensenzoon;   

    Tekstuitleg van Lc 18,31

    Er zijn allerlei verbanden tussen de drie lijdensvoorspellingen .

    14. - 16. panta ta gegrammena (al het geschrevene) . In drie verzen in het N.T. nl. bij Lucas : (1) Lc 18,31 : telesthèsetai ... : al het geschrevene zal voltooid worden (derde lijdensvoorspelling) . (2) Lc 21,22 : tou plèsthènai ... : opdat al het geschrevene zou vervuld worden (eschatologische rede) . (3) Lc 24,44 : hoti dei plèrôthènai ... : dat al het geschrevene moet vervuld worden (verschijning aan de elf en hun metgezellen) .Verwijzing : grafô (schrijven) , zie Mc 1,2 . Door deze drie teksten is de derde lijdensvoorspelling , de eschatologische rede en een verschijningsverhaal met elkaar verbonden .

    Lc 18,32 - Lc 18,32 : 273. Derde lijdensvoorspelling : Mc 10,32-34 - Mt 20,17-19 - Lc 18,31-34 - verwijzingen -- Lc 18,31 - Lc 18,32 - Lc 18,33 - Lc 18,34 -
    Griekse tekst Vulgaat Synopsis Denaux-Vervenne   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel  
    18:32 paradothèsetai gar tois ethnesin kai empaichthèsetai kai ubristhèsetai kai emptusthèsetai   32 tradetur enim gentibus et inludetur et flagellabitur et conspuetur  hij zal immers overgeleverd worden aan de heidenvolken en hij zal bespot en beledigd worden ;     [32] Hij zal overgeleverd worden aan de heidenen en worden bespot, beledigd en bespuugd. [32] Want hij zal worden uitgeleverd aan de heidenen en worden bespot en mishandeld en bespuwd.  32 want hij zal aan de heidenen worden overgegeven; hij zal worden bespot, beledigd en bespuwd;    

    Lc 18,33 - Lc 18,33 : 273. Derde lijdensvoorspelling : Mc 10,32-34 - Mt 20,17-19 - Lc 18,31-34 - verwijzingen -- Lc 18,31 - Lc 18,32 - Lc 18,33 - Lc 18,34 -
    Griekse tekst Vulgaat Synopsis Denaux-Vervenne   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel  
    18:33 kai mastigôsantes apoktenousin auton kai tè èmera tè tritè anastèsetai   33 et postquam flagellaverint occident eum et die tertia resurget  en na (hem) gegeseld te hebben  zullen ze hem doden , en op de derde dag zal hij opstaan " .     [33] Ze zullen Hem geselen en ter dood brengen, en op de derde dag zal Hij opstaan.’ [33] En nadat hij is gegeseld, zal hij worden gedood, maar op de derde dag zal hij opstaan.’  33 ze zullen hem geselen en ter dood brengen; ten derden dage zal hij opstaan!    

    Lc 18,34 - Lc 18,34 : 273. Derde lijdensvoorspelling : Mc 10,32-34 - Mt 20,17-19 - Lc 18,31-34 - verwijzingen -- Lc 18,31 - Lc 18,32 - Lc 18,33 - Lc 18,34 -
    Griekse tekst Vulgaat Synopsis Denaux-Vervenne   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel  
    18:34 kai autoi ouden toutôn sunèkan kai èn to rèma touto kekrummenon ap autôn kai ouk eginôskon ta legomena   34 et ipsi nihil horum intellexerunt et erat verbum istud absconditum ab eis et non intellegebant quae dicebantur   Maar zij verstonden niets van deze dingen , en dit woord was verborgen voor hen en ze wisten niet wat er gezegd was .       [34] Maar zij begrepen er niets van; het bleef verborgen voor hen en wat Hij zei konden ze maar niet vatten. [34] De leerlingen begrepen er niets van. De betekenis van Jezus’ woorden bleef voor hen verborgen, en ze konden maar niet bevatten wat hij had gezegd.  34 Maar zij begrijpen niets van dit alles: dit woord blijft verborgen voor hen, ze hebben niet herkend wat er is gezegd.    

    Lc 18,34 : kai autoi ouden toutôn sunèkan (en zijzelf begrepen niets ervan)
    kai èn to rèma touto kekrummenon ap'autôn (en dit woord was verborgen voor hen)
    kai ouk egignôskon ta legomena (en zij begrepen niet wat werd gezegd)
    - kai (en). Nevenschikkend voegwoord. In 822 verzen bij Lucas, zie Lc 1,2 : Lc 1,1-4
    - ouden (niets) zie Lc 12,2 : Lc 12,2-7 -

    Lc 18,34 bestaat uit drie nevenschikkende zinnen die telkens beginnen met het nevenschikkend voegwoord kai (en). Onderwerp van de 1ste en 3de zin is hetzelfde. De drie zinnen hebben ongeveer dezelfde betekenis.

    autoi (zij zelf) komt in 19 verzen bij Lucas voor, in 10 verzen bij Matteüs, slechts in 2 verzen bij Marcus en in 9 verzen bij Johannes.
    ouden (niets - oude hen = niet iets) komt in 10 verzen bij Matteüs voor. Als onderwerp met deze werkwoordvorm is het enig. Bij Lucas in 12 verzen. Als onderwerp met deze werkwoordvorm is - in Lc 12,2 - enig. Wel sterk gelijkend is Lc 18,34.
    sunèkan (zij begrepen). aorist van sunièmi (begrijpen). Komt in slechts 2 verzen bij Lucas voor : Lc 2,50 en Lc 18,34. Lc 2,50 brengt een zin (hoofd- en bijzin) die weergeeft wat in Lc 18,34 in drie nevenschikkende zinnen wordt gezegd : kai autoi ou sunèkan to rèma ho elalèsen autois (en zijzelf begrepen niet het woord wat hij aan hen sprak). kai autoi ou sunèkan (en zij begrepen niet) zie eerste nevenschikkende zin van Lc 18,34. to rèma (het woord) zie tweede nevenschikkende zin van Lc 18,34. ho elalèsen autois (wat hij aan hen sprak) zie derde nevenschikkende zin van Lc 18,34 (ta legomena : het gezegde).
    èn ... kekrummenon (was verborgen) komt slechts hier in Lc 18,34 in de evangelies voor.
    rèma (woord). In 9 verzen bij Lucas; in 5 verzen in de kindsheidsverhalen van Lucas. In Matteüs in 3 verzen; in Marcus in 2 verzen. In Mc 9,32 schrijft Marcus na de tweede lijdensvoorspelling : hoi de ègnooun to rèma (zij echter begrepen het woord niet). In Lc 9,45 neemt Lucas de zin van Marcus over met toevoeging van touto bij èrèma (dit woord). Slechts op deze twee plaatsen lezen we ègnooun (zij begrepen niet) in de evangelies. In Lc 9,45 voegt Lucas een zin toe : kai èn parakekalummenon ap'autôn (en - dit woord - was voor hen versluierd), een zin die zeer sterk lijkt op de 2de nevenschikkende zin van Lc 18,34 : kai èn to rèma touto kekrummenon ap'autôn (en dit woord was voor hen verborgen).
    egignôskon (zij begrepen) . In deze vorm komt het slechts hier in Lc 18,34 voor. Dat is evenzo voor legomena (de gezegde dingen - wat gezegd werd)

    276. Genezing van de blinde Bartimeüs : Lc 18,35-43 -- Lc 18 -- verwijzingen -- Lc 18,35 - Lc 18,36 - Lc 18,37 - Lc 18,38 - Lc 18,39 - Lc 18,40 - Lc 18,41 - Lc 18,42 - Lc 18,43 -

    Lc 18,35 - Lc 18,35 : 276. Genezing van de blinde Bartimeüs : Lc 18 -- verwijzingen -- Lc 18,35 - Lc 18,36 - Lc 18,37 - Lc 18,38 - Lc 18,39 - Lc 18,40 - Lc 18,41 - Lc 18,42 - Lc 18,43 -
    Griekse tekst Vulgaat Synopsis Denaux-Vervenne   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel  
    18:35 egeneto de en tô eggizein auton eis ierichô tuflos tis ekathèto para tèn odon epaitôn 35 factum est autem cum adpropinquaret Hiericho caecus quidam sedebat secus viam mendicans   Het gebeurde nu , terwijl hij Jericho nabijkwam , dat een zekere blinde langs de weg zat te bedelen .     [35] Toen Hij in de buurt van Jericho kwam, zat er een blinde langs de weg te bedelen. [35] Toen hij in de buurt van Jericho kwam, zat er langs de weg een blinde te bedelen.   35 ¶ Het geschiedt als hij Jericho nadert: zomaar een blinde zit langs de weg te bedelen.    

    Tekstuitleg van Lc 18,35

    Lc 18,36 - Lc 18,36 : 276. Genezing van de blinde Bartimeüs : Lc 18 -- verwijzingen -- Lc 18,35 - Lc 18,36 - Lc 18,37 - Lc 18,38 - Lc 18,39 - Lc 18,40 - Lc 18,41 - Lc 18,42 - Lc 18,43 -
    Griekse tekst Vulgaat Synopsis Denaux-Vervenne   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel  
    18:36 akousas de ochlou diaporeuomenou epunthaneto ti eiè touto  36 et cum audiret turbam praetereuntem interrogabat quid hoc esset  Toen hij nu een volksmenigte hoorde die doortrok , informeerde hij wat dit mocht zijn .     [36] Die hoorde veel mensen voorbijkomen en vroeg wat er aan de hand was.  [36] Toen de blinde een menigte voorbij hoorde komen, vroeg hij wat er gaande was.   36 Als hij een schare voorbij hoort trekken vraagt hij wat er is.   

    Lc 18,37 - Lc 18,37 : 276. Genezing van de blinde Bartimeüs : Lc 18 -- verwijzingen -- Lc 18,35 - Lc 18,36 - Lc 18,37 - Lc 18,38 - Lc 18,39 - Lc 18,40 - Lc 18,41 - Lc 18,42 - Lc 18,43 -
    Griekse tekst Vulgaat Synopsis Denaux-Vervenne   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel  
    18:37 apèggeilan de autô oti ièsous o nazôraios parerchetai   37 dixerunt autem ei quod Iesus Nazarenus transiret   Men boodschapte hem nu dat Jezus de Nazoreeër voorbijging .    [37] ‘Jezus de Nazoreeër* komt hierlangs’, vertelden ze hem.   [37] Ze zeiden tegen hem: ‘Jezus uit Nazaret komt voorbij.’  37 Ze doen hem ervan kond dat Jezus de Nazoreeër langskomt.    

    Lc 18,38 - Lc 18,38 -
    Griekse tekst Vulgaat Synopsis Denaux-Vervenne   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel  
    18:38 kai eboèsen legôn ièsou uie dauid eleèson me 38 et clamavit dicens Iesu Fili David miserere mei  En hij riep , zeggend : "Jezus , zoon van David , erbarm u over mij."     [38] Toen riep hij: ‘Jezus, Zoon van David, heb medelijden met mij!’ [38] Daarop riep de blinde: ‘Jezus, Zoon van David, heb medelijden met mij!’  38 Hij roept,– hij zegt: Jezus, zoon van David, ontferm je over mij!    

    Lc 18,39 - Lc 18,39 -
    Griekse tekst Vulgaat Synopsis Denaux-Vervenne   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel  
    18:39 kai oi proagontes epetimôn autô ina sigèsè autos de pollô mallon ekrazen uie dauid eleèson me   et qui praeibant increpabant eum ut taceret ipse vero multo magis clamabat Fili David miserere mei   En die voorgingen berispten hem dat hij stil zou zijn, hijzelf echter schreeuwde veel meer :    [39] Degenen die voorop liepen snauwden hem toe dat hij zijn mond moest houden. Maar hij schreeuwde des te harder: ‘Zoon van David, heb medelijden met mij!’   [39] Degenen die voorop liepen, snauwden hem toe dat hij moest zwijgen, maar hij schreeuwde des te harder: ‘Zoon van David, heb medelijden met mij!’ 39 Die voorbijgingen hebben hem bestraft: dat hij moest zwijgen; maar hij heeft des te meer geschreeuwd: zoon van David, ontferm je over mij!    

    Lc 18,40 - Lc 18,40 : 276. Genezing van de blinde Bartimeüs : Lc 18 -- verwijzingen -- Lc 18,35 - Lc 18,36 - Lc 18,37 - Lc 18,38 - Lc 18,39 - Lc 18,40 - Lc 18,41 - Lc 18,42 - Lc 18,43 -
    Griekse tekst Vulgaat Synopsis Denaux-Vervenne   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel  
    18:40 statheis de ièsous ekeleusen auton achthènai pros auton eggisantos de autou epèrôtèsen auton   40 stans autem Iesus iussit illum adduci ad se et cum adpropinquasset interrogavit illum   Jezus nu stond stil (en) beval hem voor te leiden tot bij hem .Toen hij nu naderbijgekomen was , vroeg hij hem :     [40] Jezus bleef staan en gaf opdracht om de man bij Hem te brengen. Toen hij voor Hem stond, vroeg Hij :   [40] Jezus bleef staan en zei dat men de blinde bij hem moest brengen. Toen deze voor hem stond, vroeg hij hem:  40 Jezus blijft staan en gebiedt dat men hem tot hem zal brengen. Als hij naderbij komt vraagt hij hem:    

    Lc 18,41 - Lc 18,41 : 276. Genezing van de blinde Bartimeüs : Lc 18 -- verwijzingen -- Lc 18,35 - Lc 18,36 - Lc 18,37 - Lc 18,38 - Lc 18,39 - Lc 18,40 - Lc 18,41 - Lc 18,42 - Lc 18,43 -
    Griekse tekst Vulgaat Synopsis Denaux-Vervenne   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel  
    18:41 ti soi theleis poièsô o de eipen kurie ina anablepsô   41 dicens quid tibi vis faciam at ille dixit Domine ut videam   "Wat wil je dat ik voor je doe?" Hij nu zei : "Heer , dat ik weer zie ."    [41] ‘Wat wilt u dat Ik voor u doe?’ Hij zei: ‘Dat ik weer zien kan, Heer.’ [41] ‘Wat wilt u dat ik voor u doe?’ De blinde antwoordde: ‘Heer, zorg dat ik weer kan zien.’   41 wát wil je dat ik aan je zal doen? En hij zegt: heer,– dat ik weer kan zien!   

    Lc 18,42 - Lc 18,42 : 276. Genezing van de blinde Bartimeüs : Lc 18 -- verwijzingen -- Lc 18,35 - Lc 18,36 - Lc 18,37 - Lc 18,38 - Lc 18,39 - Lc 18,40 - Lc 18,41 - Lc 18,42 - Lc 18,43 -
    Griekse tekst Vulgaat Synopsis Denaux-Vervenne   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel  
    18:42 kai o ièsous eipen autô anablepson è pistis sou sesôken se  42 et Iesus dixit illi respice fides tua te salvum fecit  En Jezus zei hem : "Zie weer , je geloof heeft je gered."     [42] ‘Kijk Me aan!’ zei Jezus, ‘uw vertrouwen* is uw redding.’  [42] Jezus zei: ‘Zie weer! Uw geloof heeft u gered.’   42 Jezus zegt tot hem: word weer ziende!je geloof heeft je behouden!   

    Tekstuitleg van Lc 18,42

    Inleiding op de 'genezings'formule hè pistis sou sesôken se = je geloof heeft je gered - je geloof is je redding) .

    (1) Mt 9,22 (// Mc 5,34 // Lc 8,48) . (2) Mc 5,34 (// Mt 9,22 // Lc 8,48) . (3) Mc 10,52 (// Lc 18,42) . (4) Lc 7,50 . (5) Lc 8,48 (Mc 5,34 // Mt 9,2) . (6) Lc 17,19 . (7) Lc 18,42 (// Mc 10,52) .
    ho de Ièsous (Jezus echter) ... ho de (hij echter) kai ho Ièsous (en Jezus)   ho de (hij echter)   kai ho Ièsous (en Jezus)
    eipen (zei) eipen (zei) haar eipen (zei) eipen de (hij echter zei) eipen (zei) haar kai eipen (en hij zei) eipen (zei)
      autèi autôi (hem) pros tèn gunaika (tot de vrouw) autèi autôi (hem) autôi (hem)
      thugater (dochter)     thugater (dochter)    
        hupage (ga) ... ... poreuou eis eirènèn (begeef je op weg in vrede) ... poreuou eis eirènèn (begeef je op weg in vrede) anastas poreuou (opgestaan begeef je op weg) anablèpson (kijk op)
    71. Genezing van een vrouw met bloedvloeiïng . Opwekking van Jaïrus'dochter : Mc 5,21-43 - Mt 9,18-26 - Lc 8,40-56   71. Genezing van een vrouw met bloedvloeiïng . Opwekking van Jaïrus'dochter : Mc 5,21-43 - Mt 9,18-26 - Lc 8,40-56    276. Genezing van de blinde Bartimeüs : Mc 10,46-52 - Mt 20,29-34 - Lc 18,35-43   115. De boetvaardige zondares : Lc 7,36-50 - Mc 14,3-9 - Mt 26,6-13 71. Genezing van een vrouw met bloedvloeiïng . Opwekking van Jaïrus'dochter : Mc 5,21-43 - Mt 9,18-26 - Lc 8,40-56    253. Genezing van de tien melaatsen : Lc 17,11-19 - Lc 17,11-19  276. Genezing van de blinde Bartimeüs : Mc 10,46-52 - Mt 20,29-34 - Lc 18,35-43 

    - sesôken (hij heeft gered / verlost) . In zeven verzen in de bijbel, enkel in het N.T. : (1) Mt 9,22 (// Mc 5,34 // Lc 8,48) . (2) Mc 5,34 (// Mt 9,2 // Lc 8,48) . (3) Mc 10,52 (// Lc 18,42) . (4) Lc 7,50 . (5) Lc 8,48 (Mc 5,34 // Mt 9,2) . (6) Lc 17,19 . (7) Lc 18,42 (// Mc 10,52) . In deze zeven verzen komt de uitdrukking hè pistis sou sesôken se = je geloof heeft je gered - je geloof is je redding) . Vier lettergrepen beginnen met s- . Vijf woorden . Acht lettergrepen . Het gaat om drie wonderverhalen en een verhaal van zondenvergeving van een vrouw die haar zonden berouwt . Bij de wonderverhaal gaat het om de genezing van een bloedvloeiende vrouw , van een blinde man en van een melaatse man . De 'genezings'formule is dus gericht tot twee vrouwen en twee mannen .

    Lc 18,43 - Lc 18,43 : 276. Genezing van de blinde Bartimeüs : Lc 18 -- verwijzingen -- Lc 18,35 - Lc 18,36 - Lc 18,37 - Lc 18,38 - Lc 18,39 - Lc 18,40 - Lc 18,41 - Lc 18,42 - Lc 18,43 -
    Griekse tekst Vulgaat Synopsis Denaux-Vervenne   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel  
    18:43 kai parachrèma aneblepsen kai èkolouthei autô doxazôn ton theon kai pas o laos idôn edôken ainon tô theô   43 et confestim vidit et sequebatur illum magnificans Deum et omnis plebs ut vidit dedit laudem Deo   En ogenblikkelijk zag hij weer en hij volgde hem , God verheerlijkend . En al het volk zag (dat) (en) gaf lof aan God .     [43] Meteen kon hij weer zien; en hij volgde Hem terwijl hij God verheerlijkte. Heel het volk zag het en prees God.  [43] Onmiddellijk kon hij weer zien en hij volgde hem terwijl hij God loofde. Alle mensen die getuige waren geweest van dit voorval brachten hulde aan God.  43 En terstond kan hij weer zien! Hij is hem gevolgd God verheerlijkend. Heel de gemeente ziet het en geeft lof aan God.    


    267. Jezus ontvangt de kinderen : Mc 10,13-16 // Mt 19,13-15 // Lc 18,15-17


    268. De rijke (jonge) man : Mc 10,17-22 // Mt 19,16-22 // Lc 18,18-23

    In het verhaal van de rijke (jonge) man ( Mc 10,17-22 // Mt 19,16-22 // Lc 18,18-23 ) stelt (in Lucas 18,18) de overste de vraag : door wat te doen zal ik eeuwig leven beërven? Dezelfde vraag heeft Lucas ingevoegd in het verhaal van de vraag naar het eerste gebod en van de barmhartige Samaritaan ( Lc 10, 25- ). In Hnd 2 wordt eerst het verhaal van Pinksteren verteld (Hnd 2,1-13). Dan volgt de toespraak van Petrus (Hnd 2,14-36). Dan stellen de toehoorders de vraag wat zij moeten doen (Hnd 2,37). Interessant is dat de vraag gesteld wordt na de toespraak van Petrus. In Lc 3,10-14 worden de vragen gesteld na de korte eschatologische rede van Johannes (Lc 3,7-9). In Hnd 16,11-40 wordt verteld wat Paulus en Silas overkomt in in Filippi. Na allerlei wondere gebeurtenissen vraagt de gevangenisbewaker wat hij moet doen om gered te worden Hnd 16,30). Gevangen genomen in Jeruzalem verdedigt Paulus zich (Hnd 21,37-22,21) en vertelt zijn roepingsverhaal, waarin hij de vraag stelt wat hij moet doen (Hnd 22,10).

    Mc 10,17 // Mt 19,16 // Lc 18,18 Mt 19,16 // Mc 10,17 // Lc 18,18 Lc 18,18 // Mc 10,17 // Mt 19,16 Lc 10,25 Hnd 2,37 Hnd 9,6 Hnd 16,30  Hnd 22,10 
    didaskale agathe (goede leermeester) didaskale (leermeester) didaskale agathe (goede leermeester) didaskale (leermeester)   kai lalèthèsetai soi (en er zal u gezegd worden)    
    tí (wat) tí agathon (wat goeds) tí (door wat) tí (door wat) tí (wat) ho ti (wat) tí (wat)   tí (wat)
    poièsoo (zal ik doen) poièsoo (zal ik doen) poièsas (te doen) poièsas (te doen) poièsômen se dei poein (je moet doen) me dei poiein (is nodig dat ik doe)   poièsô (zal / moet ik doen?)
    (hina) opdat (hina) opdat          hina (opdat)  
    zôèn aiônion (eeuwig leven) schô zôèn aiônion (ik zou hebben leven leven) zôèn aiônion (eeuwig leven) zôèn aiônion (eeuwig leven)        
    klèronomèsô (ik zal beërven)   klèronomèsô (ik zal beërven) klèronomèsô (ik zal beërven)     sôthô (ik word gered)   
    268. De rijke (jonge) man : Mc 10,17-22 // Mt 19,16-22 // Lc 18,18-23 268. De rijke (jonge) man : Mc 10,17-22 // Mt 19,16-22 // Lc 18,18-23 268. De rijke (jonge) man : Mc 10,17-22 // Mt 19,16-22 // Lc 18,18-23 293. Vraag naar het eerste gebod : Mc 12,28-34 // Mt 22,34-40 // Lc 20,39-40  Hnd 2,14-40 : toespraak van Petrus Hnd 9,1-22 : Saulus in Damascus  Hnd 16,11-40 : in Filippi  Hnd 21,37-22,21 : verdedigingsrede tegenover het volk

     

     

    Verwijzingen :


    269. Het is moeilijk voor de rijken om het Rijk Gods binnen te gaan : Mc 10,23-27 // Mt 19,23-26 // Lc 18,24-27
    270. Loon voor wie alles verlaten om Jezus te volgen : Mc 10,28-30 // Mt 19,27-29 // Lc 18,28-30
    273. Derde lijdensvoorspelling : Mc 10,32-34 // Mt 20,17-19 // Lc 18,31-34
    276. Genezing van de blinde Bartimeüs : Mc 10,46-52 // Mt 20,29-34 // Lc 18,35-43