LITERATUUR OVER HET LUCASEVANGELIE , VIJFTIENDE HOOFDSTUK , LC 15 - verwijzingen -- Lc 15 -- Lc 15,1-3.11-32 -- Lc 15,1-7 -- Lc 15,8-10 -- Lc 15,11-32 -

- S/Preekwijzer -

Overzicht van het Lucasevangelie : Lc 1 , Lc 2 , Lc 3 , Lc 4 , Lc 5 , Lc 6 , Lc 7 , Lc 8 , Lc 9 , Lc 10 , Lc 11 , Lc 12 , Lc 13 , Lc 14 , Lc 15 , Lc 16 , Lc 17 , Lc 18 , Lc 19 , Lc 20 , Lc 21 , Lc 22 , Lc 23 , Lc 24 ,
Tekstuitleg
- Lc 15,1-7 - Lc 15,8-10 - Lc 15,11-32 -
Tekstuitleg vers per vers : - Lc 15,1 - Lc 15,2 - Lc 15,3 - Lc 15,4 - Lc 15,5 - Lc 15,6 - Lc 15,7 - Lc 15,8 - Lc 15,9 - Lc 15,10 - Lc 15,11 - Lc 15,12 - Lc 15,13 - Lc 15,14 - Lc 15,15 - Lc 15,16 - Lc 15,17 - Lc 15,18 - Lc 15,19 - Lc 15,20 - Lc 15,21 - Lc 15,22 - Lc 15,23 - Lc 15,24 - Lc 15,25 - Lc 15,26 - Lc 15,27 - Lc 15,28 - Lc 15,29 - Lc 15,30 - Lc 15,31 - Lc 15,32 -
Religie.opzijnbest.nl

ZOEKEN OP DEZE WEBSITE
PicoSearch
  Hulp
Verzorgd door PicoSearch
 
http://www.beleven.org/            

WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA)
websitenaam : http://users.telenet.be/arseen.de.kesel/ en http://www.bijbelleerhuis.be (zie bijbel) . WEBLOG : BIJBELLEERHUIS
Nieuwe website : http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm
- STARTPAGINA - AGENDA - BIJ DE HAND - NIEUW - OVERZICHT -  TIJDSCHRIFTEN -
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES :
JAARTAL - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z
HOOFDTHEMA'S : allochtonen , armoede , bahá'íbijbel , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts ( Vlaams Blok ) , fundamentalisme , globalisering en antiglobalisering ,  hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , islam , jodendom , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , migratie , mystiek , racisme , samenleving , sikhisme , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen ,
- Eigen-zinnige beschouwingen - Het kleine of grote ongenoegen -

Bibliografie
Literatuur
Overzicht bijbelboeken :
OT : Gn (Genesis ) , Ex (Exodus) , Lv (Leviticus) , Nu (Numeri) , Dt (Deuteronomium) , Joz (Jozua) , Re (Rechters) , Rt (Ruth) , 1 S (1 Samuël) , 2 S (2 Samuël) , 1 K (1 Koningen) , 2 K (2 Koningen) , 1 Kr ( 1 Kronieken) , 2 Kr (2 Kronieken) , Ezr (Ezra) , Neh (Nehemia) , Tob (Tobia) , Jdt (Judith) , Est (Esther) , 1 Mak (1 Makkabeeën) , 2 Mak (2 Makkabeeën) , Job , Ps (Psalmen ) , Spr (Spreuken) , Pr (Prediker) , Hl (Hooglied) , W (Wijsheid) , Sir (Sirach) , Js (Jesaja) , Jr (Jeremia) , Kl (Klaagliederen) , Bar (Baruch) , Ez (Ezechiël) , Da (Daniël) , Hos (Hosea) , Jl (Joël) , Am (Amos) , Ob (Obadja) , Jon (Jona) , Mi (Micha) , Nah (Nahum) , Hab (Habakuk) , Sef (Sefanja) , Hag (Haggai) , Zach (Zacharia) , Mal (Maleachi) .
- NT : Mt (Matteüs) - Mc (Marcus) - Lc (Lucas) - Joh (Johannes) -   Hnd (Handelingen) , Rom (Rome) , 1 Kor (Korinte) , 2 Kor (Korinte) , Gal (Galatië) , Ef (Efese) , Fil (Filippi) , Kol (Kolosse) , 1 Tes (Tessalonika) , 2 Tes (Tessalonika) , 1 Tim (Timoteüs) , 2 Tim (Timoteüs) , Tit (Titus) , Film (Filemon) , Heb (Hebreeën) , Jak (Jakobus) , 1 Pe (Petrus) , 2 Pe (Petrus) , 1 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , Jud (Judas) , Apk (Apokalyps) .
Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken : bibliografie van het Oude Testament - bibliografie Matteüsevangelie - bibliografie Marcusevangelie - bibliografie Lucasevangelie - bibliografie van het Johannesevangelie - bibliografie van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)


In hun synopsis van de eerste drie evangeliën (Leuven, Vlaamse Bijbelstichting, 1986; Turnhout, Brepols, ) onderscheiden Adelbert Denaux en Marc Vervenne volgende pericopen in het vijftiende hoofdstuk van het Lucasevangelie :
238. Gelijkenis van het verloren schaap : Lc 15,1-7
239. Gelijkenis van de verloren drachme : Lc 15,8-10
240. Gelijkenis van de verloren zijn : Lc 15,11-32

238. Gelijkenis van het verloren schaap : Lc 15,1-7

http://www.ccel.org/r/robertson_at/wordpictures/htm/LU15.RWP.html .

WEREN, Wim, Vensters op Jezus. Methoden in de uitleg van de evangeliën, Zoetermeer, Meinema, 1998, blz.119-130 Hoofdstuk 7 Een tekst in duplo De gelijkenis van het verdwaalde of verloren schaap

Overzicht

De goede herder wordt in de schilder- en beeldhouwkunst vaak afgebeeld met een schaap op zijn schouders. Bezien vanuit de tekst van de evangeliën is dat een wonderljk tafereel. Jezus noemt zichzelf in Johannes 10 de goede herder, terwijl hij aan het begin van Lucas 15 spreekt over een herder die een verloren gelopen schaap op zijn schouders legt. Deze twee teksten zijn bij kunstenaars in elkaar gevloeid tot één geheel.(1)
Bij het lezen van de evangeliën staan we voortdurend bloot aan de verleiding om elementen uit de ene tekst binnen te smokkelen in de andere. Dat gevaar van harmonisatie is extra groot bij parallelteksten. In een serieuze studie moeten we die neiging proberen te onderdrukken. We moeten niet méér overeenkomsten willen zien dan er werkelijk zijn.

De gelijkenis van het schaap komt in Johannes en Marcus niet voor. Alleen Matteüs en Lucas bevatten deze tekst. Het is onjuist om de tekst in beide gevallen aan te duiden als de gelijkenis van het verloren schaap. Alleen in Lucas gaat het over een schaap dat verloren is. In Matteüs is het schaap nog niet verloren, maar alleen verdwaald. Vandaar de wat dubbele titel die ik meegeef aan dit onderdeel.

De twee versies stemmen op een aantal punten letterlijk met elkaar overeen. De letterlijke overeenkomsten zijn in onderstaand overzicht vet gedrukt (zie bladzijde 120). Een cursief lettertype is benut wanneer er kleine afwijkingen zijn in de woordvolgorde of wanneer wel hetzelfde woord is gebruikt maar niet precies op dezelfde manier. Verder heb ik beide teksten zo uitgeschreven dat met elkaar corresponderende regels precies tegenover elkaar staan.(2)

Dit overzicht laat zien dat Matteüs 18,12a en 18,14 geen pendant hebben in Lucas; omgekeerd ontbreekt een parallel van Lucas 15,5b-6 in Matteüs. Toch kunnen we in geen van deze gevallen spreken van zuiver Sondergut. Ik wijs op de volgende contactpunten: a) het ‘u’ uit Matteüs 18,12a correspondeert met ‘u’ in Lucas 15,4; b) dat de herder zich verheugt, staat zowel in Lucas 15,5 als in Matteüs 18,13;
c) Lucas 15,7 lijkt zowel op Matteüs 18,13 als op 18,14.

(1.) Meer hierover bij: M. Dulaey. La parabole de la brebis perdue dans l'Église ancienne: de l’exégèse à  l’iconographie, in: Revue des Etudes Augustiniennes 39 (1993) 3-22.
2. Vgl. de presentatie van de Griekse teksten in F. Neirynck, Q-Synopsis. The Double Tradition in Greek (Studiorum Novi Testamenti Auxilia, 13), Leuven. 1988, 54-55.

 
 
Matteüs 18,12-14 
12 Wat dunkt u?

Als het gebeurt dat een mens honderd schapen heeft 

en één ervan is verdwaald, 

zal hij niet de negenennegentig op de bergen laten

en het verdwaalde gaan zoeken?

13. En als het gebeurt dat hij het vindt,

 
 
 
 
 
 

voorwaar ik zeg u:
hij verheugt zich daarover meer dan over de negenennegentig die niet verdwaald zijn.

14 Zo is het niet de wil van uw Vader in de hemelen

dat één van deze kleinen verloren gaat.

Lucas 15,4-7
4 Welke mens onder u die 

honderd schapen heeft

en er één van verloren heeft, 

laat niet de negenennegentig in de woestijn achter

en gaat naar het verlorene, totdat hij het vindt?

5 En wanneer hij het gevonden heeft, legt hij het verheugd op zijn schouders, 

6 en thuis gekomen 

roept hij zijn vrienden en buren samen en zegt:

‘Verheug u met mij, want ik heb mijn schaap gevonden dat verloren was.’

7 Ik zeg u:

Zo zal er vreugde in de hemel zijn over één zondaar die zich bekeert (meer)

dan
over negenennegentig rechtvaardigen

die geen bekering nodig hebben.

Deze eerste verkenning heeft heel wat gemeenschappelijke elementen opgeleverd. Dat de twee versies volkomen los staan van elkaar, is daardoor uitgesloten. Maar hoe verhouden ze zich dan tot elkaar? Een directe literaire afbankelijkheid van de ene versie ten opzichte van de andere (Matteüs —> Lucas, of Lucas —> Matteüs) ligt niet voor de hand. Daarvoor zijn de verschillen weer te groot. Het is vruchtbaarder om te denken aan een indirecte literaire relatie:
Mattetis en Lucas gaan hier allebei terug op een oudere bron (Q).

 

Gelijkenissen met dezelfde opbouw

De twee versies komen niet alleen met elkaar overeen doordat ze dezelfde woorden bevatten. Er zijn ook overeenkomsten die dat niveau overstijgen.
In beide gevallen hebben we te maken met dezelfde tekstsoort: een gelijkenis. Zo’n tekst bestaat uit twee componenten:

a) in een gelijkenis wordt een beeld ontvouwd, dat ontleend is aan de ons bekende gang van zaken in de natuur of in het dagelijks leven;

b) dat beeld wordt toegepast op een diepere werkelijkheid, die zich onttrekt aan de gewone waarneming en alleen door beelden verduidelijkt kan worden.

Het gebruikte beeld en de ermee bedoelde werkelijkheid zijn in de regel op één punt met elkaar vergelijkbaar. Wanneer in die vergelijking meer details worden betrokken, krijgt de tekst een allegorische inslag.

De gelijkenis van het schaap is in de twee versies op dezelfde manier opgebouwd:

a) de gelijkenis wordt ingeleid met een vraag, die een reactie wil uitlokken van de kant van de toehoorders (Matteüs 18,12; Lucas 15,4);

b) beschreven wordt hoe verheugd de herder is wanneer hij het schaap terugvindt (Matteüs 18,13; Lucas 15,5-6);

c) op het beeld volgt een toepassing, die begint met ‘zo ...‘ (Matteüs 18,14; Lucas 15,7).

In dit verband dient ook vermeld te worden dat de gelijkenis van het verloren schaap in Lucas gevolgd wordt door de gelijkenis van de verloren drachme. Die twee gelijkenissen vertonen precies hetzelfde patroon. Duitse exegeten spreken in zo’n geval van een Doppelgleichnis. Zo’n duo hoeft niet altijd bestaan te hebben. De gelijkenissen kunnen ook los van elkaar in omloop geweest zijn. Toch zal dat niet lang geduurd hebben, want het is een vaste wet dat sterk op elkaar lijkende teksten al in een vroeg stadium aan elkaar gekoppeld worden. De twee gelijkenissen waren vermoedelijk al met elkaar verbonden voordat Lucas ze opnam in zijn boek. Ook is de kans levensgroot dat Matteüs ze allebei gekend heeft, maar hij heeft alleen de eerste van dat tweetal in zijn evangelie verwerkt.

Verschillen

Voordat we verdere uitspraken doen over de wording van de gelijkenis, moeten we ons eerst verdiepen in de verschillen tussen Matteüs 18,12-14 en Lucas 15,4-7. De verschillen zijn minstens zo talrijk als de overeenkomsten. Ik som er enkele op:
* Bij Matteüs is het schaap verdwaald, bij Lucas is het verloren (dat wordt drie keer gezegd!). Toch moeten we hier op onze hoede zijn. Matteüs gebruikt het werkwoord ‘verliezen’ ook, maar pas in het laatste vers, waarin het beeld wordt toegepast op de kleinen in de geloofsgemeenschap. Van hen wordt gezegd dat het lijnrecht ingaat tegen de wil van God als zij verloren zouden gaan. Gezien het gebruikte beeld ligt de woordkeus van Lucas het meest voor de hand. Een schaap dat zich van de kudde verwijdert, moet als verloren worden beschouwd, want uit zichzelf zal het nooit meer terugkeren. Ook Matteüs is hiermee bekend. Elders in zijn boek spreekt ook hij over verloren schapen (10,6; 15,24).

* De versie van Matteijs begint met twee vraagzinnen. Na de vraag ‘wat dunkt u’ volgt een tweede vraag, die we in andere bewoordingen ook aantreffen in Lucas. De versie van Lucas bevat alleen deze ene vraagzin.(3)

* Matteüs 18,12 en 13 bevatten twee conditionele zinnen (‘als ...‘). In de Griekse grondtekst beginnen ze allebei met ean genêtai (‘als het gebeurt’). Lucas kiest hier voor een andere zinsconstructie.

* In beide versies laat de herder de kudde onbewaakt achter tijdens zijn zoektocht naar het ene schaap. Een riskante keuze, want een kudde zonder herder is bijzonder kwetsbaar. In Matteüs laat hij de negenennegentig overgebleven dieren alleen op de bergen, in Lucas in de woestijn. Die laatste locatie is niet zo vreemd als we op grond van het woord ‘woestijn’ misschien zouden denken. Met deze term worden in de evangeliën niet door mensen bewoonde streken aangeduid; woestijnen in Israël bestaan uit kalksteengebergten die na regenval tijdelijk vruchtbaar genoeg zijn om er schapen en geiten te laten grazen.

 

(3.) Volgens J. Jeremias, Die Gleichnisse Jesu. Göttingen 1970 (8) (eerste druk: 1947), 133, omvat die vraagzin ook Lucas 15,5-6.

* In Matteüs gaat de herder het schaap zoeken. De kans dat hij het ook vindt, wordt niet zo hoog ingeschat als in Lucas (zie ook het weifelende begin van Matteüs 18,13: ‘als het gebeurt dat hij het vindt’). Lucas op zijn beurt legt de nadruk op het vinden. De herder gaat achter het schaap aan ‘totdat hij het vindt’, en daarna vervolgt de tekst met ‘wanneer hij het gevonden heeft’. Dat hij zoekt, wordt helemaal niet gezegd.
* Een flink stuk van Lucas heeft geen pendant in Matteüs: de herder legt het teruggevonden schaap op zijn schouders, hij gaat niet terug naar de kudde in de woestijn, maar begeeft zich naar de bewoonde wereld, waar hij zijn vrienden en buren bij elkaar roept en hun zegt dat zij net zo verheugd moeten zijn als hij over het feit dat hij het verloren schaap heeft teruggevonden.

* Matteüs brengt het dwalende schaap in verband met de positie van ‘de kleinen’, terwijl Lucas het teruggevonden schaap vergelijkt met een zondaar die zich bekeert, en de negenennegentig andere schapen met negenennegentig rechtvaardigen die geen bekering nodig hebben. Het vergelijkingspunt is verschillend: in Matteüs staat voorop dat met een niet aflatende zorg gezocht moet worden, in Lucas ligt de nadruk op de uitbundige vreugde die iemand beleeft wanneer hij of zij het verlorene heeft teruggevonden.

De context van de gelijkenis

Matteüs 18,12-14 in context

In Matteüs is de gelijkenis een onderdeel van een lange toespraak van Jezus over de gemeente (18,1-35). De toehoorders van deze redevoering zijn de leerlingen. Zij zijn bedoeld wanneer in 18,12-14 de tweede persoon meervoud wordt gebruikt (v. 12: ‘wat dunkt u?'; v. 13: ‘ik zeg u’). De toespraak handelt over de onderlinge verhoudingen in de geloofsgemeenschap. Aan de orde komen problemen die actueel waren in het laatste kwart van de eerste eeuw, toen het evangelie volgens Matteüs zijn huidige vorm kreeg. De auteur laat die kwesties bespreken door Jezus, het hoofdpersonage van zijn boek. Een van die problemen was de precaire plaats van ‘de kleinen’ in de totale geloofsgemeenschap. Zij komen ter sprake in de toepassing (v. 14), maar ze worden ook genoemd in het vers dat aan de gelijkenis voorafgaat (v. 10: ‘Pas op dat je niet op één van deze kleinen neerkijkt, want ik zeg jullie: hun engelen in de hemel zien voortdurend het gelaat van mijn Vader in de hemel.’). De gelijkenis wordt dus omraamd door een dubbele uitspraak over ‘één van deze kleinen’. (4)
De betiteling ‘de kleinen’ laat iets proeven van de minachting waarmee zij door andere gelovigen bejegend werden. Uit de toespraak blijkt echter dat zij de sympathie van Jezus genieten. Het zijn mensen die het advies van 18,3 in praktijk brengen: met het oog op het komende koninkrijk moeten volgelingen van Jezus zien te worden als kinderen. Dat houdt in dat ze moeten breken met de

(4.) In de gelijkenis zelf is sprake van één schaap uit één kudde van honderd dieren. De uitdrukking ‘één van deze kleinen’ (18,10.14) hangt samen met ‘één ervan’ in 18,12: ook hier staat het telwoord voorop! Voor kenners van de Griekse tekst wijs ik erop dat 18,14 het eigenlijk niet correcte hen (onzijdig) bevat; hier had het mannelijke heis moeten staan. Het neutrum hen laat zien hoezeer het beeld van het schaap (in het Grieks ook een onzijdig woord: to probaton) nog doorwerkt in de toepassing.

heersende waardepatronen en vrijwillig de laagste plaats innemen binnen de gemeenschap. De kleinen geven gehoor aan die oproep, maar ze ontmoeten veel vijandschap van de kant van mensen uit hun eigen kring die niet dezelfde keuze doen. De minachting waarmee ze bejegend worden, staat in een schril contrast met de hoge achting die God voor hen heeft. De Vader in de hemel wil koste wat het kost voorkomen dat zij verloren lopen. Zijn bijzondere zorg voor de kleinen moet voor de gemeente een stimulans zijn om haar ronddolende leden hun rechtmatige plaats terug te geven.

Lucas 15,4-7 in context

In Lucas is de gelijkenis een onderdeel van een tekstueel geheel dat heel Lucas 15 omvat en uit drie stukken bestaat:

A vv. 1-2 Jezus’ omgang met tollenaars en zondaars wordt gehekeld door de Farizeeën en de schriftgeleerden.
B vv. 3-10 Om die kritiek te pareren vertelt Jezus een Doppelgleichnis: het verloren schaap en de verloren drachme.

C vv. 11-32 Daarna vertelt hij een fictioneel verhaal over een vader met twee zonen.

In A mopperen de Farizeeën en de schriftgeleerden over Jezus’ contacten met zondaars en tollenaars. Deze informatie moeten we in ons achterhoofd houden bij de lezing van B en C. In die onderdelen beijvert Jezus zich om zijn critici tot andere gedachten te brengen.
Daartoe vertelt hij twee gelijkenissen, die bijna helemaal parallel lopen. De eerste gaat over een man, de tweede over een vrouw; de herder bevindt zich in de woestijn, de vrouw is thuis, in de bewoonde wereld. Deze details suggereren dat iedereen, wie men ook is en waar men zich ook bevindt, met blijdschap wordt vervuld wanneer men een verloren voorwerp terugvindt. De Farizeeën en schriftgeleerden onttrekken zich aan die normaal-menselijke regel. De gelijkenissen verduidelijken dat dezelfde regel ook in de hemel (door God en de engelen) gerespecteerd wordt. Ook daar heerst uitbundige vreugde, wanneer een zondaar zich bekeert. De critici verzetten zich dus niet alleen tegen normaal-menselijke codes. Hun kritiek wordt ook door God volledig afgekeurd!

In onderdeel C voegt Jezus hier nog een breed uitgesponnen verhaal aan toe. Door de twee reeds vertelde gelijkenissen zijn de toehoorders voldoende toegerust om ook dit complexe verhaal te kunnen begrijpen. Het verhaal heeft de vorm van een parabel. In zo’n verhaal gaat het niet over een als normaal ervaren gang van zaken. Nee, een parabel verrast de toehoorders en confronteert hen met onverwachte perspectieven.

Lucas 15,11-32 staat bekend als de parabel van de verloren zoon. Dat is een onjuiste titel, want dan zou de parabel moeten eindigen met v. 24, waarin het eerste deel van het verhaal als volgt wordt samengevat: ‘Mijn zoon was dood en is weer levend geworden, hij was verloren en is teruggevonden.’ Daarna krijgt het verhaal nog een vervolg. Na de terugkeer van de jongste zoon verschijnt de oudste op het toneel. Hij is ontstemd over de festiviteiten rond de terugkeer van zijn broer, die hij in een gesprek met zijn vader aanduidt als ‘die zoon van u’.

Hij beschouwt hem niet langer als zijn bloedeigen broer. Na de terugkeer van de jongste zoon dreigt de oudste verloren te gaan. We zouden daarom kunnen spreken van de parabel van de verloren zonen. (5) Toch is dat overdreven. Het is immers helemaal niet zeker dat de oudste volhardt in zijn negatieve opstelling. Het enige dat we te horen krijgen, is dat de vader hem tot andere gedachten probeert te brengen. Hij moet zijn kritiek opgeven en deelnemen aan de feestelijkheden. Of dat ook gebeurt, wordt niet verteld. De parabel wordt in v. 32 abrupt afgebroken met de volgende oproep: ‘We moeten feestvieren en blij zijn, want die broer van je (!) was dood en is weer levend geworden. hij was verloren en is teruggevonden.

Ook het hoofdstuk als geheel heeft een open slot: of de Farizeeën en de sehriftgeleerden hun stekelig verzet opgeven, wordt evenmin meegedeeld. De toehoorders en de lezers moeten dat open slot zelf invullen. Hoe het verhaal moet worden afgemaakt, is duidelijk. Immers, al drie keer zagen we hoe zo’n verhaal moet eindigen: het verloren schaap, de verloren drachme en de jongste zoon worden teruggevonden. De oudste zoon alias de Farizeeën en schriftgeleerden moeten uit die gang van zaken begrijpen dat zij hun verzet moeten staken. Anders gaan zij zelf verloren.

Twee redacteuren aan het werk

De redactie van Matteüs

De tekst begint met een vraagzin (18,12: ‘wat dunkt u’?’), die de toehoorders stimuleert om zich een oordeel te vormen over wat ze te horen krijgen. Afgezien van Johannes 11,56 komt die vraag in het Nieuwe Testament alleen voor in Matteüs, in totaal zes keer. De vraag kan zowel gericht zijn aan een groep (18,12; 21,28; 22,42; 26,66) als aan een individu (17,25; 22,17). Er is voldoende reden om hier te spreken van redactie.
In 18,12-13 kiest Matteüs bewust voor ‘verdwalen’ en niet voor ‘verliezen’. Hij anticipeert daarmee op de toepassing (18,14), want daar blijkt dat de kleinen nog niet reddeloos verloren zijn. Integendeel, dat moet nu juist voorkomen worden. Vandaar dat de kleinen getypeerd worden als gelovigen die verdwalen, die het spoor bijster raken. Dat leden van de gemeente gemakkelijk in zo’n situatie kunnen belanden, komt ook tot uiting in de eschatologische rede (Matteüs 24-25). Daar is herhaaldelijk sprake van interne spanningen die het gevolg zijn van het optreden van valse messiassen en valse profeten. Die lieden zullen velen op een dwaalspoor brengen (24,4.5.11); als het mogelijk was zouden zij door hun tekenen en wonderen zelfs uitverkorenen op een dwaalspoor brengen (24,24). ‘Op een dwaalspoor brengen’ betekent: misleiden. laten verdwalen, van de gemeenschap verwijderen. In de grondtekst staat hier hetzelfde woord als in 18,12-13 (planaô).

De hand van Matteüs is ook zichtbaar in 18,14. Twee woordcombinaties trekken hier de aandacht. Vooreerst ‘een van deze kleinen’. Deze uitdrukking

 

(5.) Zie F. Schnider, Die Verlorenen Söhne. Strukturanalytische und historisch-kritische Untersuchungen zu Lk 15 (Orbis Biblicus et Orientalis. 17). Freiburg / Göttingen 1977.

is niet door Matteüs zelf bedacht. In 18,6 heeft hij haar ontleend aan Marcus (9,42), maar vlak daarna, in 18.10 en 14, spreekt hij los van Marcus opnieuw over de kleinen. Een duidelijk signaal dat hun lot hem sterk ter harte gaat.
De tweede woordcombinatie is ‘jullie Vader in de hemelen’. Voor deze omschrijving van God heeft Matteüs een grote voorliefde (zie 5,16.45; 6,1; 7,11). Hetzelfde geldt voor ‘jullie hemelse Vader’ (5,48; 6,14.26.32; vgl. ook 23,9). Beide uitdrukkingen hebben betrekking op de relatie van de leerlingen tot God. Diezelfde God is ook de Vader van Jezus. Toch maakt Matteüs op dit punt een scherp onderscheid tussen Jezus en de leerlingen. Wanneer Jezus spreekt over zijn eigen godsrelatie, kiest Matteüs steevast voor ‘mijn Vader in de hemelen’ (7,21; 10,32.33; 12,50; 16,17; 18,10.19) of voor ‘mijn hemelse Vader’ (15,13; 18,35). Dit verschil vinden we ook in de twee verzen die de gelijkenis van het verdwaalde schaap omlijsten (18,10: ‘mijn Vader in de hemelen’; 18,14: ‘jullie Vader in de hemelen’). Het lijdt geen twijfel dat deze woordkeuze een redactioneel karakter heeft.

Deze analyse levert het volgende op. Matteüs heeft de gelijkenis intensief bewerkt en zich daarbij laten leiden door binnenkerkelijke problemen uit zijn eigen tijd. Wat hier gebeurt zou ik willen vergelijken met een oud huis dat opnieuw gestoffeerd wordt, zodat het bewoonbaar wordt voor volgelingen van Jezus uit een latere periode.

De redactie van Lucas

In de aanhef van de gelijkenis wordt de tweede persoon meervoud gebruikt (‘welke mens onder u’), net als in Matteüs (‘wat dunkt u?’). In beide evangeliën raken de toehoorders dus rechtstreeks betrokken bij de gelijkenis. In Matteüs moeten de leerlingen zich een oordeel vormen over de gelijkenis, in Lucas moeten de Farizeeën en de schriftgeleerden in de huid kruipen van de herder: wat zouden zij doen wanneer ze honderd schapen hadden en één daarvan kwijtraakten? Op grond van het feit dat Lucas nog vele andere teksten bevat waarin Jezus een vraag stelt die begint met ‘wie van u’ (11,5.11; 12,25; 14,5.28; 17,7), mogen we aannemen dat de aanhef van 15,4 door hem geformuleerd is. (6)
In Matteüs is het lang niet zeker of de herder zijn zoektocht met succes bekroond zal zien. Hij gaat echt op zoek, en slechts bij toeval vindt hij het schaap terug. Lucas laat de herder regelrecht op het schaap afstevenen. Drie keer wordt gezegd dat hij het schaap ook vindt. Daarmee is het eindpunt echter nog niet bereikt. Het moment van het vinden vormt bij Lucas het startpunt voor een vervolg, dat in Matteüs ontbreekt: de herder legt het schaap op zijn schouders en gaat anderen deelgenoot maken van zijn vreugde. Hij handelt op dezelfde wijze als de vrouw die haar drachme heeft teruggevonden:

(6.) Toch is hier enige twijfel geboden, want in enkele gevallen is ‘wie van u’ ontleend aan Q: Lucas 11,11// Matteüs 7,9; Lucas 12,25 // Matteüs 6,27: verder zij gewezen op de overeenkomst tussen Lucas 14.5 (tis humôn = ‘wie van u’) en Matteüs 12.11 (tis ... ex humôn = ~wie onder u’). De andere gevallen behoren tot het Sondergut van Lucas (11,5; 14,28; 17,7) en laten daarom geen al te stellige conclusie toe ten aanzien van de vraag of ‘wie van u’ wijst op traditie dan wel op redactie.
 
15,6
hij roept zijn vrienden en buren samen en zegt:

‘Verheug u met mij, want ik heb mijn schaap gevonden dat verloren was.’
15,9
zij roept haar vriendinnen en buren samen en zegt:

‘Verheug u met mij, want ik heb de drachme gevonden die verloren was.’

Het gedrag van de vrouw is doodnormaal; zij bevindt zich immers in de bewoonde wereld, en terwijl zij feestviert kan er met de negen andere munten niets mis gaan. De herder daarentegen moet zich eerst naar huis begeven, voordat hij zijn buren en vrienden kan laten delen in zijn blijdschap. Al die tijd blijven de achtergebleven schapen onbewaakt ronddolen in de woestijn. Het had meer voor de hand gelegen dat de herder onverwijld naar zijn kudde was teruggekeerd. Deze oneffenheid verraadt dat 15,6 pas later in de gelijkenis is terechtgekomen. Dat dit vers geen pendant heeft in de versie van Matteüs, stijft ons in dit vermoeden. Waarschijnlijk heeft Lucas de gelijkenis van het schaap op dit punt aangepast aan de gelijkenis van de drachme; op basis van 15,9 heeft hij 15,6 geformuleerd.
Het slotvers (15,7) verdient een uitvoerige bespreking. In dit vers is sprake van een zondaar die zich bekeert, en van rechtvaardigen die geen bekering nodig hebben. Zo’n dubbele verklaring is in een gelijkenis niet gebruikelijk. In de regel beperkt de toepassing zich tot één vergelijkingspunt. Het was dan ook voldoende geweest wanneer 15.7 ons had meegedeeld dat de vreugde in de hemel over een zondaar die zich bekeert, net zo groot is als de vreugde van een herder die een verloren schaap heeft teruggevonden. Maar daar blijft het niet bij. En passant wordt hier ook nog een ander detail ingekleurd: de negenennegentig achtergelaten schapen staan voor negenennegentig rechtvaardigen die geen bekering nodig hebben. Daarmee krijgt 15,7 een allegorische inslag. Verder valt op dat er een zekere incongruentie is tussen de toepassing en het ontvouwde beeld. In 15,7 is sprake van ‘bekeren’ (een activiteit die door de zondaar zelf ontplooid wordt: hij of zij keert terug naar de gemeenschap), terwijl 15,4 spreekt over een herder die zich naar het verloren schaap begeeft, en niet over een schaap dat op eigen kracht de weg terugvindt naar de kudde. De gelijkenis (15,4-6) en de toepassing (15,7) sluiten dus niet helemaal vlekkeloos op elkaar aan.

Waarschijnlijk is 15,7 voor een belangrijk deel door Lucas zelf geformuleerd. Dit vers bevat woorden die gemakkelijk uit zijn pen vloeien. Het duidelijkste voorbeeld daarvan is ‘zondaar’ - Dit woord past uitstekend in de context (15,1-2: ‘zondaars’; 15,18.21: ‘zondigen’). De gelijkenis wordt verteld om de ergernis weg te nemen over Jezus’ contacten met de zondaars. In Lucas komt ‘zondaar’ zo frequent voor dat we kunnen spreken van een lievelingswoord van de derde evangelist. (7)  Van de zondaar wordt verwacht dat die zich bekeert, en als dat inderdaad gebeurt, krijgt hij of zij vergeving van zonden. Dit proces wordt uitgedrukt met drie clusters van lexemen: a) zondigen, zondaar, zonde; b) zich

(7) Lucas heeft ‘ zondaar(s)’ enkele keren ontleend aan Marcus of aan Q (Lucas 5,30-32 // Marcus 2,16-17; Lucas 7,34 // Matteüs 11.19), maar meestal is deze term eigen aan het derde evangelie
(5,8; 6,32-34; 7.37.39; 13.2: 18,13; 19,7; 24,7).

 
zondigen / zondaar / zonde  zich bekeren / bekering  vergeven / vergeving
1,77   1,77
3,3 3,3 3,3
5,20-24   5,20-24
5,30-32 5,30-32  
7,36-50   7,36-50
11,4   11,4
13,1-5 13,1-5  
15.1-2.7.10.18.21  15,7.10  
17,3-4 17,3-4 17,3-4
24,47 24,47 24,47

Overzicht 11: Drie woordclusters in Lucas

bekeren, bekering; c) vergeven, vergeving. In overzicht 11 zijn die gevallen bij elkaar gezet waarin Lucas minstens twee van de drie clusters met elkaar combineert.

De meest strikte parallel van 15,7 is 5,32. Dit vers luidt als volgt: ‘Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars, tot bekering’. De gemeenschappelijke punten zijn de tegenstelling tussen rechtvaardigen en zondaars, en de verbinding van ‘zondaars’ met ‘bekering’. Op grond van dit alles is het wel zeker dat Lucas zelf de hand heeft gehad in de formulering van 15,7.
De conclusie van deze analyse van Lucas 15,4-7 is dat de oorspronkelijke gelijkenis ook in Lucas verscholen ligt onder een redactionele laag.

Op zoek naar de Q-tekst

Bij beide evangelisten hebben we sporen aangetroffen van redactie. Noch door Matteüs noch door Lucas is de Q-tekst onveranderd overgenomen. De vraag is nu of we, uitgaande van hun versies en na aftrek van de redactionele elementen, de door beiden gebruikte basistekst nog op papier kunnen zetten.
In dit verband moeten we opnieuw aandacht besteden aan Lucas 15,7. Hoewel dit vers duidelijke sporen vertoont van redactie, stamt het grondstramien toch uit de traditie. Dat blijkt uit de overeenkomsten met Matteüs 18,13b:

Lucas 15,7 ik zeg u ... er zal vreugde zijn ... over ... meer dan over negenennegentig ... die niet
Matteüs 18,13b ik zeg u ... hij verheugt zich ... over.. meer dan over negenennegentig die niet...

Van belang is dat deze woorden in Lucas behoren tot de toepassing, terwijl ze in Matteüs een onderdeel zijn van het ontvouwde beeld. Wie van de twee nu heeft de oorspronkelijke plaatsing het beste bewaard? We staan hier voor een dilemma dat als volgt kan worden weergegeven:
* Matteüs heeft in 18,13b elementen verwerkt uit de oorspronkelijke toepassing van de Q-gelijkenis, en dat originele slot schemert nog door in Lucas 15,7; ofwel

239. Gelijkenis van de verloren drachme : Lc 15,8-10

240. Gelijkenis van de verloren zoon : - Lc 15,11-32 - verwijzingen - Lc 15,11 - Lc 15,12 - Lc 15,13 - Lc 15,14 - Lc 15,15 - Lc 15,16 - Lc 15,17 - Lc 15,18 - Lc 15,19 - Lc 15,20 - Lc 15,21 - Lc 15,22 - Lc 15,23 - Lc 15,24 - Lc 15,25 - Lc 15,26 - Lc 15,27 - Lc 15,28 - Lc 15,29 - Lc 15,30 - Lc 15,31 - Lc 15,32 -- Lc 15 -- Lc 15,1-7 -- Lc 15,8-10 -

Een vader met twee zonen : barmhartig vergeven (in S/Preekwijzer in intercultureel perspectief. Liturgisch jaar C , blz. 101-107) Lc 15,11-32

Situering

Genade en barmhartigheid, liefde en waarheid, recht en gerechtigheid zijn sleutelwoorden in de bijbel. Matteüs plaatst gerechtigheid en barmhartigheid in het centrum van de zaligsprekingen (Mt 5,5-6). Lucas legt in zijn evangelie de klemtoon op de barmhartigheid, zodat het wel eens het evangelie van de barmhartigheid wordt genoemd.

In de vlakterede van Lucas houdt Jezus voor : “Wees barmhartig, zoals jullie Vader barmhartig is.” Reeds Ps 103,13 zegt : “Zoals een vader barmhartig is voor zijn kinderen, zo is JHWH barmhartig voor hen die Hem vrezen.”

Midden in zijn evangelie brengt Lucas ons de parabel van een vader met twee zonen (Lc 15,11-32). Deze parabel maakt deel uit van een trits parabels (verloren schaap, verloren drachme, ‘verloren zoon’) waarmee Jezus aan Farizeeën en schriftgeleerden zijn omgang met tollenaars en zondaars tracht te verduidelijken (Lc 15,1-2) Volgens de Farizeeën en de schriftgeleerden zijn tollenaars en zondaars religieus hopeloos verloren. Volgens Jezus is dit echter niet zo. Hij gaat op zoek naar hen, vindt hen en gaat om met hen. Jezus handelt zo, omdat God zo omgaat met zondaars: genadig en barmhartig.
De parabel van de vader met de 2 zonen brengt echter meer dan alleen maar een verduidelijking van Jezus’gedrag tegenover tollenaars en zondaars. Via het beeld van de oudste zoon worden de Farizeeën en de schriftgeleerden getypeerd als onberispelijke dienaars, die beloning verwachten voor hun dienst, minachtend neerzien op zondaars en contact met hen mijden. Ze worden door Jezus opgeroepen om zich om de thuiskomst van hun verloren en doodgewaande broer te verheugen en met hem aan tafel te gaan.

Lucas schrijft zijn verhaal uit in ongeveer vierhonderd woorden. In de opbouw van zijn verhaal maakt hij overvloedig gebruik van nevenschikkende zinnen. Hij gebruikt vijfendertig maal het nevenschikkende voegwoord en (Grieks : kai) en zestien maal het partikel echter / nu (Grieks : de), dat een verandering van situatie of van personage aanduidt. Het verhaal werd in tweeëntwintig verzen ingedeeld; in twaalf ervan staat het partikel de (echter, nu) bij het begin van het vers en in zeven ervan begint een vers met het nevenschikkend voegwoord kai (en). Zo krijgt de geschreven tekst het karakter van een mondeling verhaal, waarbij en… en… en… maar… en… enz. kenmerkend zijn. Vertalers beschouwen de beide woorden (kai = en, de = echter / nu) dikwijls overbodig en laten ze in hun vertaling weg, waardoor de tekst meer een geschreven dan een gesproken woord wordt.

Teksten vertonen overeenkomsten met architectuur; beide spelen met getallen om harmonie en schoonheid te scheppen. Lc 15,11-32 bestaat uit 393 woorden; zeven woorden als inleiding (Lc 15,11); 242 ( 11 X 11 X 2) woorden worden aan de jongste zoon gewijd (Lc 15,12-24), 144 (12 X 12) woorden aan de oudste zoon (Lc 15,25-32). In Lc 15,11-31 krijgt het getal zeven een bijzondere aandacht: het inleidende vers (Lc 15,11) telt zeven woorden; de tekst over de jongste zoon is verdeeld over veertien (2 X 7) verzen, de tekst over de oudste zoon in zeven verzen. Zevenmaal begint een vers met kai (en). In de tekst over de jongste zoon begint zevenmaal een zin met ‘de ‘ (echter, nu); veertien (2 X 7) woorden zegt de jongste zoon tot de vader; zevenmaal wordt eipen (hij zei) gebruikt in een inleiding op een citaat.

Het verhaal van de vader met twee zonen heeft een aantal dialogen. Deze worden telkens ingeleid.
De inleiding op wat de jongste en de oudste zoon voor het eerst aan de vader zeggen, is gericht tot de vader. De dialoog die erop volgt verduidelijkt reeds de verschillende houding van de jongste en de oudste zoon tot de vader. In Lc 15,12b zegt de jongste zoon: “vader, geef mij”. In Lc 15,29 zegt de oudste zoon: “en aan mij heb je nooit gegeven”.
Ook in de volgende inleidingen op wat de jongste of de oudste zoon zeggen, zien we een verschil. In Lc 15,22 staat zoon - vader; in de inleidingen op de dialogen tussen de oudste zoon en de vader is dit echter niet.
In de dialogen spreekt de jongste zoon zijn vader steeds aan met ‘vader’.. De oudste zoon spreekt nooit zijn vader met ‘vader’ aan.
De jongste zoon is zich bewust van zijn zoonschap. Op het moment van zijn eis, zegt hij “vader”. Bij zijn inkeer zegt hij : “ik ben niet waard jouw zoon te heten”. Bij zijn aankomst spreekt hij zijn vader aan met “vader”. Door alles heen blijft de jongste zoon de zoon van zijn vader.
Wat de oudste zoon betreft, merken we nergens dat hij zich zoon beschouwt. Hij typeert zich als een dienaar (Lc 15,22 : doulos = dienaar; Lc 15,29: douleuô : ik dien)., een onberispelijke dienaar (Lc 15,29: “ik heb nooit een gebod van u overtreden”). Hij positioneert zich tegenover zijn jongste broer, die zijn ontvangen deel heeft verbrast. Als trouwe dienaar had hij een beloning van zijn vader verwacht, maar die heeft hij nooit ontvangen.

In deze parabel schetst de evangelist Lucas de visie van Jezus op een barmhartige en rechtvaardige God. Volgens Jezus nodigt God de mensen uit tot een vader-zoonrelatie. Wie binnen die relatie zondigt, mag bij zijn terugkeer op Gods barmhartigheid rekenen. Wie onberispelijk de geboden van God onderhoudt, maar zich gedraagt als een dienaar, kan niet op basis van Gods rechtvaardigheid beloning eisen. De trouwe dienaar wordt opgeroepen om de relatie met God als een vader-zoonrelatie te beleven. Dit sluit in dat wie onberispelijk leeft, de zondaar als een broer zal beschouwen. De zondaar mag zowel op goddelijke als op menselijke barmhartigheid rekenen.

Oriëntatie

Het gedrag en de woorden van Jezus geven een nieuwe visie op een barmhartige en rechtvaardige God en op de uitbouw van de gemeenschap. Ze zullen de verstarde joodse samenlevingsvormen splijten en verscheuren. Ze zullen ook nieuwe impulsen tot een vernieuwde samenlevingsopbouw geven. Ze bewerken de verzoening tussen tollenaars en zondaars enerzijds en Farizeeën en schriftgeleerden anderzijds. Ze zijn de gist waardoor het vijandsdenken wordt overwonnen en de tegenstellingen tussen joden en Samaritanen, en tussen “de kinderen van Abraham” en de heidenen worden overbrugd. Er ontstaat een dynamische kracht waardoor religieuze en sociale tegenstellingen worden overstegen. Ook politieke tegenstellingen worden overwonnen, want vele Romeinen treden tot christelijke gemeenschappen toe. Jezus’ gedrag en woorden liggen aan de basis van een nieuwe godsdienst en een nieuwe maatschappij.

De parabel van een vader met twee zonen laat ons ook zien welke lange weg moet afgelegd worden. Een Godsrelatie zoals een vader-zoonrelatie, barmhartigheid en gerechtigheid van God en het erkennen van de berouwvolle zondaar als medebroeder zijn in Jezus’tijd niet vanzelfsprekend. De jongste zoon moet een lange weg afleggen om tot bekering te komen. De oudste zoon is er niet aan toe om zijn relatie met zijn vader als een zoon-vaderrelatie te beleven en om zijn broer te vergeven en met hem aan tafel te gaan.

Het is ook Lucas die in Hnd 2,1-11 het pinksterverhaal als een toekomstvisioen schildert. Met Pinksteren vatten mensen uit verschillende volkeren, rassen en talen, de boodschap van de apostelen. De aanwezigen verstaan elkaar ondanks de vele onderlinge verschillen.

Het is niet toevallig dat de vader zich verheugt over de stap die de jongste zoon zet. Door schuldbekentenis en barmhartigheid kan de jongste zoon voluit zoon en de vader voluit vader zijn. Gevoelens van schuld en uitsluiting kunnen plaats maken voor positieve gevoelens, geloof en engagement. Zo werd b.v. de tollenaar Matteüs een apostel. Ook een vernieuwde visie op de relatie tot God opent nieuwe perspectieven. De rechtvaardiging voor God omwille van verdiensten maakt plaats voor een vader-zoonrelatie die een broeder-broederrelatie insluit. Zowel voor de jongste als voor de oudste zoon openen zich mogelijkheden waardoor ze elkaar kunnen vinden.

S/Preekwijzer

De evangelist Lucas brengt ons de parabel van een vader met 2 zonen. In deze parabel wil hij Jezus’houding tegenover tollenaars en zondaars en tegenover Farizeeën en schriftgeleerden verduidelijken. Omwille van hun zonden gaan Farizeeën en schriftgeleerden niet om met tollenaars en zondaars, en beschouwen ze zichzelf als rechtvaardigen in de ogen van God. Jezus gaat op zoek naar de zondaars en tollenaars, vergeeft hen en gaat met hen aan tafel als teken van een diepe verbondenheid met hen. Hij nodigt de Farizeeën en schriftgeleerden uit om de zondaars als hun broers te erkennen en samen het volk van God te vormen. Zo brengt Jezus het beeld van God die barmhartig is en mensen bijeen brengt.

De parabel van een vader met twee zonen is één van de meest gekende verhalen uit de bijbel. Bij herhaalde lezing vallen bepaalde aspecten op die voordien wat minder aandacht kregen. Eén van die aspecten is de verschillende relatie van de jongste en de oudste zoon tot de vader. Al eist de jongste zoon zijn erfdeel op en gaat hij zijn vermogen verbrassen, toch blijft hij zich bewust van zijn zoon-vader-relatie. De vader is barmhartig voor zijn berouwvolle jongste zoon. De oudste zoon beleeft zijn relatie tot zijn vader niet als een zoon-vaderrelatie. Hij doet zich echter voor als een onberispelijke dienaar die van zijn vader beloning verwacht. De vader nodigt zijn oudste zoon uit om zijn broer tot zijn recht te laten komen als broer die levend is teruggevonden.

Deze parabel geeft een beeld van een barmhartige en rechtvaardige God. Hij is genadig en barmhartig voor de zondaar. Hij is ook rechtvaardig, maar niet zo dat wie onberispelijk leeft, op basis van Gods rechtvaardigheid beloning kan eisen. Van de tollenaars en de zondaars verwacht God dat zij berouwvol terugkeren. Van de Farizeeën en schriftgeleerden vraagt God dat zij hun relatie tot Hem herzien, zich niet laagdunkend uitlaten over zondaars en hen niet uitsluiten uit de gemeenschap. God wil verzamelen en verenigen.

Volgens Lucas overstijgt Jezus de interne joodse geschillen en biedt hij uitzicht op eenheid, gestoeld op de visie van een barmhartige en rechtvaardige God. De oudste zoon wordt aan de tafel uitgenodigd, waaraan de jongste zoon aanzit. De Farizeeën en de tollenaars worden genodigd aan de tafel van de tollenaars en zondaars.

Deze bruggenbouwende en gemeenschapsopbouwende visie van Jezus bleef niet tot de eigen geloofsgemeenschap beperkt. Ze zette de vijandelijke houding van geloofsgenoten, van joden en Samaritanen op losse schroeven en doorbrak de eeuwenoude scheidingsmuren tussen beide groepen. Zo wordt de Samaritaan als voorbeeld van een goede naaste gesteld in de parabel van de barmhartige Samaritaan. Ook werden ook de sociale relaties zoals die tussen rijken en armen op de korrel genomen, zoals in de parabel van de rijke vrek en de arme Lazarus.

Hij Die is, schepper van hemel en aarde, die barmhartig en rechtvaardig is, roept mensen uit alle volken, rassen en talen samen, zoals het Pinksterverhaal ons vertelt. Religieuze en sociale opvattingen, gewoonten en gebruiken mogen geen hinderpaal zijn om gemeenschap te vormen.

De “vader” uit de parabel is vandaag misschien een man die vechtende jongeren tot bedaren wil brengen, ouders voor hun kinderen, een lid van een vereniging die een arme of een ziek opzoekt. De “vader” uit de parabel zijn misschien de religieuze, sociale en politieke instellingen.

We spreken wel eens over “vadertje Staat” die het algemeen welzijn wil behartigen. We verwachten ook dat hij dat doet. We verwachten dat “vadertje Staat” in zijn beleid zowel rechtvaardig als barmhartig is, erom bekommerd is dat ieder tot zijn recht komt en streeft naar een maatschappij zonder discriminatie en racisme.

De parabel van de vader met zijn 2 zonen en de dynamiek die Jezus’gedrag en woorden op gang brachten, is voor ons inspiratie om dagelijks stapjes te zetten naar een vredesvolle samenleving. In het bewustzijn dat God ons draagt en ons barmhartig is kunnen we naar de medemens toegaan met vertrouwen en inleving, mededogen en barmhartigheid.

Arseen De Kesel


Als leidraad nemen we de tekst uit de Synopsis van Denaux-Vervenne (blz.210). Niettegenstaande we zo vertrouwd met het verhaal zijn, ontroert het ons telkens bij een nieuwe lezing.
Vroeger werd de klemtoon op de verloren zoon gelegd, daarna op de twee zonen, nu op de goede vader. Waarom? Het verhaal vertelt ons over een vader die twee zonen had. De vader is barmhartig voor de jongste zoon en nodigt de oudste zoon uit om vergevingsgezind en barmhartig jegens zijn jongere broer te zijn. Het verhaal heeft te maken met de barmhartige liefde van God. Volgens Theresia van Lisieux, kerklerares, staat de barmhartigheid van God centraal in het evangelie.
Deze gedachten brengen ons tot het begin van het hoofdstuk : Lc 15,1-2. Daarin wordt verteld dat alle zondaars en tollenaars naar Jezus kwamen om hem te horen en dat de Farizeeën en schriftgeleerden onder elkaar gromden omdat Jezus at met tollenaars en zondaars. Dat verwijt vinden we terug in Mc 2,15 // Lc 5,30 // Mt 9,11. Op dat verwijt antwoordt Jezus dat niet de gezonden een dokter nodig hebben, maar de zieken, en dat hij gekomen is niet om rechtvaardigen uit te nodigen maar de zondaars. Matteüs voegt er nog aan toe : "Ik wil barmhartigheid en geen offers". Onder de sluier van een parabel maakt Jezus duidelijk dat God barmhartig voor de zondaars is en dat Hij de Farizeeën en de schriftgeleerden evenseens uitnodigt barmhartig en vergevingsgezind te zijn voor hun broeders, de tollenaars en zondaars. We moeten ons ervoor hoeden om alle Farizeeën en schriftgeleerden als tegenstanders van Jezus te beschouwen. Ze komen in het evangelie evenwel voor als de tegenspelers. De realiteit is wellicht veel complexer dan het hier wordt voorgesteld.
Het verhaal van de verloren zoon roept het verhaal op van het verloren schaap. Dat is te vinden onder Lc 15,3-7. Parallel eraan is het verhaal van een vrouw die een drachme verliest. In beide verhalen gaat het initiatief uit van degene die verliest. In het verhaal van de vader en zijn twee zonen gaat het initiatief uit van de zoon. We zien hier een gelijkenis met de tollenaars en zondaars die Jezus opzoeken (Lc 15,1), maar elders in het evangelie gaat Jezus zelf op zoek naar hen.
Dit verhaal laat andere verhalen meetrillen waarin de paradoxen eerste - laatste; rijke - arme; jongste - oudste; zich verheffen - zich vernederen; Farizeeër - tollenaar enz. worden gebruikt. Denk aan het verhaal van de gelijkenis van de eerste en de laatste plaats. Hier is de jongste zoon de eerste en de oudste de laatste.
Er is een link met het volgende verhaal : de onrechtvaardige rentmeester (Lc 16,1-9). Het verhaal begint op gelijke wijze als ons verhaal : 'Een rijk mens had ...". Die rentmeester verkwist (zoals de jongste zoon) de bezittingen van zijn heer. De rentmeester weet zich vriend van de schuldenaars te maken door hen een gedeelte van hun schuld kwijt te schelden. Hij is een stukje barmhartig en vergevingsgezind.

Hoe krijgt een tekst structuur? Welke aanduidingen krijgt de lezer om de tekst te lezen? Om een verandering van personage of van situatie aan te duiden, gebruikt Lucas het partikel de (echter, nu). In Lc 15,11-32 gebeurt dat 18X. In 11 gevallen was dat voor de versindeler een reden om een nieuw vers te beginnen. In de Synosis van Denaux en Vervenne wordt het Griekse partikel de vertaald door nu of echter.

de jongste zoon 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
personage / acteur de vader de jongste zoon de jongste zoon - ommekeer loners en de jongste zoon zoon en vader zoon tot de vader vader tot de dienaren
bijbelvers Lc 15,12b Lc 15,14 Lc 15,17a Lc 15,17b Lc 15,20b  Lc 15,21  Lc 15,22
  ho (hij) dapanèsantos (verkiwt hebbende) eis heauton (tot zichzelf) egô (ik) eti (nog) eipen (zei) eipen (zei)
2de woord : de (echter) de (echter) de (echter) de (echter) de (echter) de (echter) de (echter) de (echter)
onderwerp dieilen (verdeelde) autou (hij) elthôn (komende)     ho huios (de zoon) ho patèr (de vader)
werkwoord           autôi (aan hem) pros tous doulous autou (tot zijn dienaren)
               
 240. Gelijkenis van de verloren zijn : Lc 15,11-32 - Lc 15,11-32 -              

 oudste zoon 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.
personage / acteur de oudste zoon de oudste zoon tot de dienaar de dienaar tot de oudste zoon de oudste zoon de vader en de oudste zoon de oudste zoon tot de vader de oudste zoon over de jongste zoon de vader tot de oudste zoon de vader nodigt de oudste zoon uit
bijbelvers Lc 15,25 Lc 15,26 Lc 15,27 Lc 15,28a Lc 15,28b Lc 15,29 Lc 15,30 Lc 15,31 Lc 15,32
  èn (was) kai proskalesamenos (en bij zich roepende) ho (deze) ôrgisthè (hij werd vertoornd) ho ho (deze) hote (toen) ho (deze) eufranthènai (verheug je)
2de woord : de (echter) de (echter)   de (echter) de (echter) de (echter) de (echter) de (echter) de (echter) de (echter)
onderwerp ho huios autou ho presbuteros (zijn zoon, de oudste)       patèr autou (zijn vader)   ho huios sou houtos (je zoon die )    
werkwoord     eipen (zei)   exelthôn parekalei (naar buiten gegaan riep bij zich) apokritheis eipen (antwoordende zei)   eipen (zei)  
      autôi (aan hem)     tôi patri (aan de vader)   autôi (aan hem)  
 240. Gelijkenis van de verloren zijn : Lc 15,11-32 - Lc 15,11-32 -                  

Het verhaal van de vader en de twee zonen heeft een aantal dialogen. Deze worden telkens ingeleid. De inleiding op wat de jongste en de oudste zoon voor het eerst aan de vader zeggen bevat de bestemmeling tôi patri (aan de vader). In Lc 15,12b zegt de jongste zoon: vader, geef mij. In Lc 15,29 zegt de oudste zoon : en aan mij heb je nooit gegeven. In de dialoog spreekt de jongste zoon de vader steeds aan met 'pater' (vader) (Lc 15,12.21), de oudste zoon doet het geen enkele maal. Zelfs de inleiding verraadt de relatie vader-zoon; in de inleidingen van Lc 15,21a en Lc 15,22 staat zoon - vader; in de inleidingen op de dialogen tussen de oudste zoon en de vader niet. De jongste zoon eiste zijn deel op, ging weg, kreeg spijt, bekende dat hij gezondigd had, stond op en keerde naar zijn vader terug. De oudste zoon was de plichtsgetrouwe dienaar, die zijn vader het verwijt maakte niet gegeven te hebben. De jongste zoon was zich bewust van zijn zoonschap. Op het moment van zijn eis, zegt hij 'vader'. Bij zijn inkeer zegt hij : ik ben niet waard jouw zoon te heten. Bij zijn aankomst spreekt hij zijn vader aan met 'vader'. Door alles heen blijft de jongste zoon de zoon van zijn vader. Wat de oudste zoon betreft, merken we nergens dat hij zich zoon beschouwt.
Het verhaal doet denken aan het verhaal van de Farizeeër en de tollenaar die samen opgaan naar de tempel. De Farizeeër prijst zijn goede daden en voelt zich gerechtvaardigd, de tollenaar bekent zijn zonden (Lc 18,9-14).

  1.     2. 3. 4. 5. 6.
Lc 15,11a (Jezus) - Lc 15,11-32 - Lc 15,12a (de jongste zoon) Lc 15,17a (de jongste zoon) Lc 15,18a (de jongste zoon) Lc 15,21a (de jongste zoon) Lc 15,22 (de vader) Lc 15,27a (de dienaar tot de oudste zoon) Lc 15,29 (de oudste zoon) Lc 15,31 (de vader)
  kai (en) eis heauton de elthôn (echter tot zichzelf gekomen)       ho de (hij echter) ho de apokritheis (hij echter antwoordend) ho de (hij echter)
eipen (hij zei) eipen (zei) efè (zei hij) erô (ik zal zeggen) eipen (zei) eipen (zei) eipen (zei) eipen (zei) eipen (zei)
de (echter)       de (echter) de (echter)      
  ho neôteros autôn (de jongste zoon)     ho huios (de zoon) ho patèr (de vader)      
  tôi patri (tot de vader)   autôi (aan hem) autôi (aan hem) pros tous doulous autou (tot zijn dienaren) autôi (aan hem) tôi patri (tot de vader) autôi (aan hem)
240. Gelijkenis van de verloren zijn : Lc 15,11-32 - Lc 15,11-32 -                

Wat een vader-zoonschap kan betekenen, wordt duidelijk in de relatie de Vader-Jezus. Kernpunt van het evangelie is : Jezus is de veelgeliefde zoon van God. Dat vinden we verwoord in de verhalen van de doop, de belijdenis van Petrus, de transfiguratie, de ondervraging door de hogepriester. Jezus leeft in diepe verbondenheid met God en wil die ervaring delen metzondaars en tollenaars, maar ook met anderen. Al het mijne is het uwe, zegt de vader tot de oudste zoon. De diepe ervaring van Jezus wil hij delen met anderen. Hij wil dat ook wij kinderen van God worden.

De gnostici waren ervan overtuigd dat God in ieder mens een goddelijke kern heeft gelegd. Weggaan van huis betekent weggaan van je innerlijke levensbron. Terugkeren naar de Vader is terugkeren naar je innerlijke, je hart, je wezenskern.

De parabel van de barmhartige vader handelt over het zoonschap. Tegen de achtergrond klinkt de ervaring van Jezus dat Hij Gods geliefde zoon is. Die ervaring wil hij met ons delen; immers, wij zijn kinderen van God.

Een strofe van het lied van de reiziger van Lenny Kuhr verwoordt de gnostische gedachte van de terugkeer naar de innerlijke goddelijke levenskern. "Hij vond de waarheid en de zin teruggekeerd bij het begin in eigen huis, hij was alleen. Hij staarde reismoe voor zich heen. De reiziger. Hij zag ineens zo helder als glas dat in alle dingenalles was, dat hij de waarheid bij zich had, in hemzelf hé, hoe vind je dat? De reiziger."

Lc 15,11-12

Lc 15,11 - Lc 15,11-32 - Lc 16,1 - Lc 16,1-9 - Lc 12,16 - Lc 12,16-21 -
eipen de (hij zei echter) elegen de kai pros tous mathètas (hij zei echter ook tot zijn leerlingen) eipen de parabolèn pros autous legôn (hij zei echter een parabel tot hen zeggende)
anthrôpos tis (een bepaalde mens) anthrôpos tis èn plousios (een bepaalde mens was rijk) anthrôpoutinos plousiou (van een bepaalde rijke mens)...
eichen duo huious (had twee zonen)... hos eichen oikonomon (die had de economie - huishouden - beheer)  
kai ekei dieskorpisen tèn ousian autou (en daar verkwiste hij zijn bezit) hôs diaskorpizôn ta huparchonta autou (als verkwistende zijn goederen)  
  3. eipen de en heautôi ho oikonomos (de beheerder echter zei bij zichzekf) kai dielogizeto en heautôi legôn (hij overlegde bij zichzelf zeggende)
  tí poièsô hoti (wat zal ik doen want...) tí poièsô hoti (wat zal ik doen want...)
   uitvoering  uitvoering
 240. Gelijkenis van de verloren zoon : Lc 15,11-32 241. Gelijkenis van de onrechtvaardige huishouder : Lc 16,1-9    211. Gelijkenis van de onverstandige rijke : Lc 12,16-21

 


Lc 15,11-32 : een vader had twee zonen

- JANSSEN  J. , Groeien in een liefde zonder berekening Lc. 15,11-32 , in: De Bron , jg.19 (1994), nr.9, p.16-20

1. De jongste vraagt of eist

Plots, zonder enige reden, vraagt de jongste zijn erfdeel. Even later blijkt dat hij een wereldreis wil maken. Hij wil alleszins het huis van zijn vader verlaten: hij trekt eruit en erop uit.
De reactie van de vader is bij nader toezien zeer verrassend. Er komt geen enkel woord over zijn lippen: geen vragen, geen verwijten, geen gesprek. IIij voldoet aan de vraag van de jongste. Eigenlijk was het geen vraag, vermits ze het karakter heeft van een imperatief. Het is een eis. De vader gaat erop in en geeft de zoon de vrijheid.

2. De ervaring in een ver land

Het leven dat de jongste leidt kan het best samengevat worden met het woord “heidens”. Een jood verfoeide immers het varken, het was bij uitstek een “onzuiver” en “onrein” dier. Juist dat dier gaat zijn bestaan vullen: varkens hoeden en eten van het voer bestemd voor varkens. Als de lezer beseft dat hij nog betaald wordt door een heiden en het gedrag wat observeert — verkwisten, losbandig leven, een vermogen verbrassen, met hoeren omgaan — dan moet gesteld: heidenser kan het niet. Waarschijnlijk krijgt men ook wat zicht op zijn gevoelswereld en zijn levensstijl. Maar ... “hij komt tot zichzelf” (v.17).

3. Tot zichzelf komen

De situatie dwingt hem tot nadenken. Wat ben ik begonnen, waar ben ik mee bezig? Er zijn vele lezers die hier spreken van bekering, temeer omdat hij een schuldbelijdenis wil uitspreken: “Vader, ik heb gezondigd” (vv.18.21). Nochtans, de reden van zijn nadenken is heel duidelijk de honger (v.17). Maar ondanks de honger kan hij nog goed “onderscheiden”: de situatie bij zijn vader, de situatie van diens dagloners en zijn eigen situatie. M.a.w. hij begint te rekenen. Het is dus de honger die hem doet terugkeren, maar het is een berekende terugkeer: zoon kan hij niet meer zijn, zijn erfdeel is weg, en wat hij gedaan heeft is niet goed te keuren, maar dagloner worden, dat kan hij nog. Met realisme berekent hij de prijs die hij moet betalen voor zijn terugkeer: hij verliest het statuut van “zoon”, maar kan een aanvraag doen voor het statuut van “dagloner”. Zo gedraagt de jongste zich. En hij keert terug.

4. Zijn vader

In tegenstelling met de vorige verhalen in het hoofdstuk 15 — het verloren schaap en de verloren drachme — gaat de vader niet op zoek naar de jongste zoon ... hij dient diens vrijheid te respecteren. Maar in de plaats gebeuren er andere dingen:

— de vader staat uit te kijken
— hij merkt hem vlug op, nog “in de verte” (v.20)
— hij werd ontroerd: hier staat het werkwoord geraakt en geroerd worden tot in de ingewanden”, het gemoed schiet hem vol,
— hij loopt “snel”(!) op hem toe, hetgeen in het Oosten normaal niet gebeurt;
— hij geeft hem allerlei warme tekenen van affectie: omhelzen, kussen;
— wanneer de jongste zoon begint te spreken en de vader hoort dat hij niet meer waard is “zoon” te heten, onderbreekt de vader hem en begint orders te geven aan de slaven;
— hij doet hem nieuwe kleren aantrekken, geeft hem een ring = teken van gezag, doet hem schoenen aan de voeten = tekens van een vrije mens;
— de vader laat een gemest kalf slachten en
— nodigt iedereen uit tot eten en feestvieren.

Wat valt op?

Een hele reeks van werkwoorden, (wat de vader allemaal doet) de onmiddellijkheid en spoed waarmee hij orders geeft en waarmee ze uitgevoerd worden. Zij onderlijnen heel duidelijk dat de vader allesbehalve met berekening handelt. Integendeel, zij geven gestalte aan de innerlijke toestand van de vader, zij maken duidelijk wat het betekent: “geraakt en geroerd te zijn tot in de ingewanden”! M.a.w. zij geven gestalte aan de niet berekenende liefde van de vader voor zijn zoon.
De diepe motivatie van de vader is: “Mijn zoon was dood en is weer levend geworden, hij was verloren en is teruggevonden” (v.24). Vanuit zijn grote liefde geeft de vader zijn zoon diens waardigheid van zoon terug. Hij vergeeft hem: hij geeft hem méér (dan dagloner te zijn). Het valt op hoe de vader zijn liefde en zijn vreugde in heel wat werkwoorden en initiatieven gestalte geeft (o.a. het feest). Zijn edelmoedigheid is groot en toetst zijn gevoelen.

5. De oudste zoon: hij werd kwaad

Eerst en vooral wordt hij voorgesteld als een werker: “Hij was nog op het land” (v.25). Hij doet zijn plicht en zijn werk. Wanneer hij verneemt hoe zijn vader zijn jongste broer ontvangen heeft, wordt hij kwaad. Hij is woedend, jaloers en agressief. Het valt op dat hij zijn vader helemaal niet met het woord “vader” aanspreekt. Dit is al sprekend. En wanneer hij zijn woede verklaart, komt er van alles naar boven:
— hij ziet zich als een prima dienaar
— hij is zeer trouw, zonder een gebod ooit inaar te over— treden
— nooit heeft hij jets gekregen: geen kaif, zelfs geen bokje!
— hij kan zijn broer niet als zijn broer zien: “die zoon van u” (v.30)
- hij noemt de zonde van de jongste: “hij heeft uw ver— moqon met hoeren verbrast”
— hij verwijt zijn vader van favoritisme.

Dit observerend, moet je zeggen: de oudste zoon is ook aan ‘t rekenen geslagen. Wat hij allemaal gedaan heeft, “vordiende” een betere behandeling. Hij zegt zelf wat zijn vader had moeten doen voor hem en wat hij niet had moeten doen voor de jongste! Hij staat op het standpunt: do ut des ik geef omdat gij aan mij geeft!

6. De vader t.o.v. de oudste

Dc vader komt ook nu naar buiten en loopt (zoals bij de
jongste) naar de oudste toe. Hij luistert naar zijn bedénkingen en verklaringen. Wat valt op?

— hij spreekt hem aan met: “jongen”
— hij wijst op hun verbondenheid: “jij bij mij”
— hij wijst op het bezit: “alles wat ik heb is van jou”
— hij zegt dat ze”moeten” feestvieren en blij zijn
— hij maakt hem duidelijk dat de jonste zoon diens broer is
— dat er vreugde moet zijn om de terugkeer van de jongste
— dat het afwezig—zijn van de jongste gelijk stond met dood—zijn .
M.a.w. de vader bemint hem met een even grote liefde, hij maakt hem duidelijk dat goed zijn niet louter een kwestie is van prestaties, maar van relaties en hij opent hem voor een vraag: Kun je je broer als broer aanvaarden?


 

- JANSSEN  J. , Groeien in een liefde zonder berekening Lc. 15,11-32 , in: De Bron , jg.19 (1994), nr.9, p.16-20

1. De jongste vraagt of eist

Plots, zonder enige reden, vraagt de jongste zijn erfdeel. Even later blijkt dat hij een wereldreis wil maken. Hij wil alleszins het huis van zijn vader verlaten: hij trekt eruit en erop uit.
De reactie van de vader is bij nader toezien zeer verrassend. Er komt geen enkel woord over zijn lippen: geen vragen, geen verwijten, geen gesprek. IIij voldoet aan de vraag van de jongste. Eigenlijk was het geen vraag, vermits ze het karakter heeft van een imperatief. Het is een eis. De vader gaat erop in en geeft de zoon de vrijheid.

2. De ervaring in een ver land

Het leven dat de jongste leidt kan het best samengevat worden met het woord “heidens”. Een jood verfoeide immers het varken, het was bij uitstek een “onzuiver” en “onrein” dier. Juist dat dier gaat zijn bestaan vullen: varkens hoeden en eten van het voer bestemd voor varkens. Als de lezer beseft dat hij nog betaald wordt door een heiden en het gedrag wat observeert — verkwisten, losbandig leven, een vermogen verbrassen, met hoeren omgaan — dan moet gesteld: heidenser kan het niet. Waarschijnlijk krijgt men ook wat zicht op zijn gevoelswereld en zijn levensstijl. Maar ... “hij komt tot zichzelf” (v.17).

3. Tot zichzelf komen

De situatie dwingt hem tot nadenken. Wat ben ik begonnen, waar ben ik mee bezig? Er zijn vele lezers die hier spreken van bekering, temeer omdat hij een schuldbelijdenis wil uitspreken: “Vader, ik heb gezondigd” (vv.18.21). Nochtans, de reden van zijn nadenken is heel duidelijk de honger (v.17). Maar ondanks de honger kan hij nog goed “onderscheiden”: de situatie bij zijn vader, de situatie van diens dagloners en zijn eigen situatie. M.a.w. hij begint te rekenen. Het is dus de honger die hem doet terugkeren, maar het is een berekende terugkeer: zoon kan hij niet meer zijn, zijn erfdeel is weg, en wat hij gedaan heeft is niet goed te keuren, maar dagloner worden, dat kan hij nog. Met realisme berekent hij de prijs die hij moet betalen voor zijn terugkeer: hij verliest het statuut van “zoon”, maar kan een aanvraag doen voor het statuut van “dagloner”. Zo gedraagt de jongste zich. En hij keert terug.

4. Zijn vader

In tegenstelling met de vorige verhalen in het hoofdstuk 15 — het verloren schaap en de verloren drachme — gaat de vader niet op zoek naar de jongste zoon ... hij dient diens vrijheid te respecteren. Maar in de plaats gebeuren er andere dingen:

— de vader staat uit te kijken
— hij merkt hem vlug op, nog “in de verte” (v.20)
— hij werd ontroerd: hier staat het werkwoord geraakt en geroerd worden tot in de ingewanden”, het gemoed schiet hem vol,
— hij loopt “snel”(!) op hem toe, hetgeen in het Oosten normaal niet gebeurt;
— hij geeft hem allerlei warme tekenen van affectie: omhelzen, kussen;
— wanneer de jongste zoon begint te spreken en de vader hoort dat hij niet meer waard is “zoon” te heten, onderbreekt de vader hem en begint orders te geven aan de slaven;
— hij doet hem nieuwe kleren aantrekken, geeft hem een ring = teken van gezag, doet hem schoenen aan de voeten = tekens van een vrije mens;
— de vader laat een gemest kalf slachten en
— nodigt iedereen uit tot eten en feestvieren.

Wat valt op?

Een hele reeks van werkwoorden, (wat de vader allemaal doet) de onmiddellijkheid en spoed waarmee hij orders geeft en waarmee ze uitgevoerd worden. Zij onderlijnen heel duidelijk dat de vader allesbehalve met berekening handelt. Integendeel, zij geven gestalte aan de innerlijke toestand van de vader, zij maken duidelijk wat het betekent: “geraakt en geroerd te zijn tot in de ingewanden”! M.a.w. zij geven gestalte aan de niet berekenende liefde van de vader voor zijn zoon.
De diepe motivatie van de vader is: “Mijn zoon was dood en is weer levend geworden, hij was verloren en is teruggevonden” (v.24). Vanuit zijn grote liefde geeft de vader zijn zoon diens waardigheid van zoon terug. Hij vergeeft hem: hij geeft hem méér (dan dagloner te zijn). Het valt op hoe de vader zijn liefde en zijn vreugde in heel wat werkwoorden en initiatieven gestalte geeft (o.a. het feest). Zijn edelmoedigheid is groot en toetst zijn gevoelen.

5. De oudste zoon: hij werd kwaad

Eerst en vooral wordt hij voorgesteld als een werker: “Hij was nog op het land” (v.25). Hij doet zijn plicht en zijn werk. Wanneer hij verneemt hoe zijn vader zijn jongste broer ontvangen heeft, wordt hij kwaad. Hij is woedend, jaloers en agressief. Het valt op dat hij zijn vader helemaal niet met het woord “vader” aanspreekt. Dit is al sprekend. En wanneer hij zijn woede verklaart, komt er van alles naar boven:
— hij ziet zich als een prima dienaar
— hij is zeer trouw, zonder een gebod ooit inaar te over— treden
— nooit heeft hij jets gekregen: geen kaif, zelfs geen bokje!
— hij kan zijn broer niet als zijn broer zien: “die zoon van u” (v.30)
- hij noemt de zonde van de jongste: “hij heeft uw ver— moqon met hoeren verbrast”
— hij verwijt zijn vader van favoritisme.

Dit observerend, moet je zeggen: de oudste zoon is ook aan ‘t rekenen geslagen. Wat hij allemaal gedaan heeft, “vordiende” een betere behandeling. Hij zegt zelf wat zijn vader had moeten doen voor hem en wat hij niet had moeten doen voor de jongste! Hij staat op het standpunt: do ut des ik geef omdat gij aan mij geeft!

6. De vader t.o.v. de oudste

Dc vader komt ook nu naar buiten en loopt (zoals bij de
jongste) naar de oudste toe. Hij luistert naar zijn bedénkingen en verklaringen. Wat valt op?

— hij spreekt hem aan met: “jongen”
— hij wijst op hun verbondenheid: “jij bij mij”
— hij wijst op het bezit: “alles wat ik heb is van jou”
— hij zegt dat ze”moeten” feestvieren en blij zijn
— hij maakt hem duidelijk dat de jonste zoon diens broer is
— dat er vreugde moet zijn om de terugkeer van de jongste
— dat het afwezig—zijn van de jongste gelijk stond met dood—zijn .
M.a.w. de vader bemint hem met een even grote liefde, hij maakt hem duidelijk dat goed zijn niet louter een kwestie is van prestaties, maar van relaties en hij opent hem voor een vraag: Kun je je broer als broer aanvaarden?