Overzicht van het Matteüsevangelie : Mt
1 , Mt
2 , Mt
3 , Mt
4 , Mt
5 , Mt
6 , Mt
7 , Mt
8 , Mt
9 , Mt
10 , Mt
11 , Mt
12 , Mt
13 , Mt
14 , Mt
15 , Mt
16 , Mt
17 , Mt
18 , Mt
19 , Mt
20 , Mt
21 , Mt
22 , Mt
23 , Mt
24 , Mt
25 , Mt
26 , Mt
27 , Mt
28 .
Bijbeluitleg per pericope - Mt
28,1-10 - Mt
28,11-15 - Mt
28,16-20 -
Bijbeluitleg vers per vers - Mt
28,1 - Mt
28,2 - Mt
28,3 - Mt
28,4 - Mt
28,5 - Mt
28,6 - Mt
28,7 - Mt
28,8 - Mt
28,9 - Mt
28,10 - Mt
28,11 - Mt
28,12 - Mt
28,13 - Mt
28,14 - Mt
28,15 - Mt
28,16 - Mt
28,17 - Mt
28,18 - Mt
28,19 - Mt
28,20 -
| ZOEKEN OP DEZE WEBSITE |
In hun synopsis van de eerste drie evangeliën (Leuven, Vlaamse
Bijbelstichting, 1986; Turnhout, Brepols, ) onderscheiden Adelbert Denaux en
Marc Vervenne volgende perikopen in het achtentwintigste hoofdstuk van het Matteüsevangelie
:
351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : Mc
16,1-8 - Mt
28,1-10 - Lc
23,56b-24,12
352. Het omkopen van de wacht : Mt
28,11-15
353. Verschijning aan de elf in Galilea : Mt
28,16-20
Evangelie van Pasen
. Paaswake A : Mt
28,1-10 :
Na de sabbat, bij het aanbreken van de eerste dag der week, kwamen Maria Magdalena
en de andere Maria naar het graf kijken. Plotseling ontstond er een hevige aardbeving
en een engel van de Heer daalde uit de hemel, kwam naderbij, rolde de steen
weg en zette zich daarop neer. Hij straalde als een bliksemschicht en zijn kleed
was wit als sneeuw. De bewakers begonnen van schrik voor hem te beven en het
leven scheen uit hen geweken. De engel sprak de vrouwen aan en zei: "Gij
behoeft niet bevreesd te zijn; ik weet dat gij Jezus zoekt, de gekruisigde.
Hij is niet hier, Hij is verrezen zoals Hij gezegd heeft; komt zien naar de
plaats waar Hij gelegen heeft. Gaat nu terstond aan zijn leerlingen zeggen:
Hij is verrezen van de doden, en nu gaat Hij u voor naar Galilea; daar zult
gij Hem zien. Dat had ik u te zeggen." Terstond gingen zij weg van het
graf, met vrees en grote vreugde, en haastten zich het nieuws aan zijn leerlingen
over te brengen. En zie, Jezus kwam hen tegemoet en zeide: "Weest gegroet."
Zij traden op Hem toe, omklemden zijn voeten en aanbaden Hem. Toen sprak Jezus
tot hen: "Weest niet bevreesd. Gaat aan mijn broeders de boodschap brengen
dat zij naar Galilea moeten gaan; daar zullen zij Mij zien."
| 1. Maria Magdalena en ... | 2. beving + engel | 3. de engel (verschijningsvorm) | 4. de wachters | 5. de engel | 6. de vrouwen | 7. de vrouwen tot Jezus |
| Mt 28,1 | Mt 28,2 | Mt 28,3 | Mt 28,4 | Mt 28,5 - Mt 28,6 - Mt 28,7 | Mt 28,8 | Mt 28,9 |
| kai idou (en zie) | ||||||
| 2de woord : de (echter) | 2de woord : de (echter) | 2de woord : de (echter) | 2de woord : de (echter) | 2de woord : de (echter) |
| Mt 28,1 - Mt 28,1 : 351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : - Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12 -- verwijzingen -- Mt 28,1 - Mt 28,2 - Mt 28,3 - Mt 28,4 - Mt 28,5 - Mt 28,6 - Mt 28,7 - Mt 28,8 - Mt 28,9 - Mt 28,10 -- Mt 28 -- Mt 28,11-15 - Mt 28,16-20 - | ||||||||||||||||
|
Persoonlijke vertaling : Na de sabbat echter bij het ochtendgloren van de eerste dag van het wekenfeest ging Maria van Magdala en de andere Maria naar het graf kijken .
Tekstanalyse van Mt 28,1 . Met een losse genitief in Mt 2,1 wordt de situatie geschetst dat Jezus geboren is en gaan Wijzen op weg . In Mt 28,1 gaan twee vrouwen naar het graf kijken . Geboorte en graf omsluiten het verhaal van het Matteüsevangelie .1. opse (laat) . Verwijzing : opse (laat) , zie Mt 28,1 . Het komt in zeven verzen in de bijbel voor . In vier verzen in het O.T. . : (1) Gn 24,11 : de dienaars van Abraham wachten bij de bron tot 's avonds wanneer de vrouwen water komen putten , onder wie Rebecca . (2) Ex 30,8 (reukoffer bij avond) . (3) Js 5,11 . (4) Jr 2,23 . In drie verzen in het N.T. : (1) Mt 28,1 . (2) Mc 11,19 . (3) Mc 13,35 .
| Mt 28,2 - Mt 28,2 : 351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : - Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12 -- verwijzingen -- Mt 28,1 - Mt 28,2 - Mt 28,3 - Mt 28,4 - Mt 28,5 - Mt 28,6 - Mt 28,7 - Mt 28,8 - Mt 28,9 - Mt 28,10 -- Mt 28 -- Mt 28,11-15 - Mt 28,16-20 - | ||||||||||||||||
|
Tekstanalyse van Mt 28,2
- Mt
8,24 : kai idou seismos megas egeneto = en zie er was een grote beving .
- Mt
28,2 : kai idou seismos egeneto megas = en zie een beving was groot .
1. kai (en) , zie Mt 1,2 . Nevenschikkend voegwoord . In 705 verzen bij Matteüs . In Mt 28,2 leidt kai (en) een nevenschikkende zin in . Er is verandering van personage ; we zouden dan eerder de (echter) verwachten , maar meestal hebben we de constructie kai idou (en zie) en niet idou de (zie echter) .
2. idou (zie) . Verwijzing : idou (zie) , zie Mt 1,20 . Het duidt een verandering van situatie aan . In vijf verzen in Mt 28 : (1) Mt 28,2 . (2) Mt 28,7 . (3) Mt 28,9 . (4) Mt 28,11 . (5) Mt 28,20 . In vier van de vijf verzen staat kai idou (en zie) , niet in Mt 28,11 . Na de beginsituatie (Mt 28,1) wordt "de verandering" aangevat met kai idou (en zie) . Het vestigt meestal de aandacht op het onderwerp dat op idou (zie) volgt . Dat onderwerp is het personage dat de verandering veroorzaakt .
3. seismos (beving, trilling) , zie Mt 8,24 .
6. - 8. aggelos gar kuriou (want een engel van de Heer) . aggelos kuriou (de engel van de Heer) . Verwijzing : aggelos (engel) , zie Mt 13,41 . In vijf verzen bij Matteüs : (1) Mt 1,20 (losse genitief + idou + ) . (2) Mt 1,24 (uitvoering van wat in Mt 1,20 werd opgedragen) . (3) Mt 2,13 (losse genitief + idou + ) . (4) Mt 2,19 (losse genitief + idou + ) . (5) Mt 28,2 : aggelos gar kuriou (want een engel van de Heer) . In drie verzen gaat een losse genitief , gevolgd door idou (zie) vooraf .
12. - 16 . kai proselthôn apekulisen ton lithon (en naderbijgekomen rolde hij de steen weg) . Dit is een woordelijke overeenkomst met de LXX van Gn 29,10 .
14. apekulisen (hij rolde weg) . Actief aorist derde persoon
enkelvoud . Slechts in Gn
29,10 en Mt
28,2 .
- kuliô (rollen) . Verwijzing : kuliô
(rollen) , zie Mt
28,2 . Vormen van apokuliô (wegrollen) in : Gn
29,10 . Mc
16,3 : apokulisei (hij zal wegrollen) . Mc
16,4 : apokekulistai (hij is weggerold) . Mt
28,2 : apekulisen (hij rolde weg) . Lc
24,2 : apokekulismenon (weggerold) .
- apokuliô (wegrollen) .
De evangelisten maken gebruik van het verhaal van Jakob die de steen van de
put wegrolt om de schapen van Rachel te laten drinken . Zoals de steen van de
waterput leven of dood betekent , zo ook de steen van het graf .
--- apokulisei (hij zal wegrollen) . Indicatief futurum derde
persoon enkelvoud . In deze vorm enkel in Mc
16,3 .
--- apokekulistai (hij is weggerold) . Slechts in Mc
16,4 .
- proskuliô (aanrollen, bijrollen) .
--- prosekulisen (hij rolde bij, op) : Mc
15,46
--- proskulisas (aangerold) : Mt
27,61
- thura (deur) . Verwijzing : thura
(deur) , zie Mt
28,2 en Mc
1,33 . Thura of thurai kan nominatief of datief enkelvoud zijn . Het komt
in zesentwintig verzen in de bijbel voor . In zeventien verzen in het O.T. .
In negen verzen in het N.T. . Het is de vertaling van het Hebreeuwse dâlèth
(de medeklinkers daleth en lameth liggen dicht bij elkaar -> d eu r) . Het
is toch merkwaardig dat de opening (de ingang) van het graf deur wordt genoemd
. Een deur heeft de functie om in- en uit te gaan . Dat kan toch niet het geval
zijn bij een graf . Normalerwijze dient de steen toch om af te sluiten .
--- thuras (deur) . Het kan genitief enkelvoud en accusatief
meervoud zijn . Het komt in achtennegentig verzen in de bijbel voor . In negentig
verzen in het O.T. . In acht verzen in het N.T.
--- thuran is accusatief enkelvoud . Het komt in tweeënzeventig verzen
in de bijbel voor . In zestig verzen in het O.T. en in twaalf verzen in het
N.T.
--- thurôn . Genitief meervoud . In veertien verzen in de bijbel . In
tien verzen in het O.T. . In vier verzen in het N.T. : Joh
20,19 en Joh
20,26
| Mc 15,46 | Mc 16,3 | Mt 27,60 | Mt 28,2 | Gn 29,2 | Gn 29,2 LXX | Gn 29,10 | Gn 29,10 LXX |
| kai (en) | kai (en) | kai proselthôn (en naderbijgekomen) | wajjiggasj Ja`aqobh (En Jakob kwam naderbij) | kai proselthôn Iakôb (en Jakob naderbijgekomen) | |||
| prosekulisen lithon (hij rolde een steen ernaartoe) | tís apokulisei hèmin ton lithon (wie zal wegrollen voor ons de steen) | proskulisas lithon megan (en een grote steen ernaartoe gerold) | apekulisen ton lithon (rolde hij de steen weg) | wajjâggèl è´th hâ´èbhèn (en hij rolde de steen weg) | apekulisen ton lithon (rolde hij de steen weg) | ||
| epi tèn thuran tou mnèmeiou (bij de deur van het aandenken) | ek tès thuras tou mnèmeiou (van de deur van het aandenken) | tèi thurai tou mnèmeiou (bij de deur van het aandenken) | me`al pî habbë´er (van de opening van de put) | apo tou stomatos tou freatos (van de opening van de put) | |||
| èn gar megas sfodra (hij was geweldig groot) | wëhâ´èbhèn gëdolah `al pi habbë´er (en de steen was groot op de opening van de put) | lithos de èn megas epi tôi stomati tou freatos (de steen echter was groot op de opening van de put) | |||||
| 349. Begrafenis van Jezus : Mc 15,42-47 - Mt 27,57-61 - Lc 23,50-56a - | 351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12 - | 349. Begrafenis van Jezus : Mc 15,42-47 - Mt 27,57-61 - Lc 23,50-56a - | 351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12 - | Jakobs verblijf bij Laban : Gn 29,1-30 - |
18. ekathèto (hij ging zitten) . Imperfectum derde persoon enkelvoud
.
- kathèmai (zich zetten,
gaan zitten, zitten) . Verwijzing : kathèmai
(zich zetten, gaan zitten, zitten) , zie Mt
28,2 . Het komt in drieënveertig verzen in de bijbel voor . In tweeëndertig
verzen in het O.T. . In elf verzen in het N.T. . In vijf verzen bij Matteüs
.
Betekenis van Mt 28,3
In het verhaal van het lege graf hebben de synoptici gebruik gemaakt van het
verhaal van Jakob bij de put (Gn 29,1-11 - Gn
29) . Jakob is gevlucht voor zijn broer Esau . Op zijn vlucht komt hij bij
een waterput waar drie kudden schapen liggen te wachten om water te putten .
Daar ontmoet hij Rachel . Hij rolt de steen weg van de waterput en geeft de
schapen van Rachel te drinken . Deze waterput betekent leven voor de schapen
. Bij deze put ontstaat ook een nieuwe toekomst , want Rachel zal later de vrouw
van Jakob worden .
In nog twee andere verhalen gebeurt iets gelijkaardigs . In Gn
24 worden enkele dienaars van Abraham erop uitgestuurd om een vrouw voor
Isaak te zoeken . Bij een waterput ontmoeten zij Rebekka , die de vrouw van
Isaak zal worden . In het N.T. vinden we het verhaal van Jezus in gesprek met
de Samaritaanse vrouw bij de waterput (Joh
4) .
In Ex 2,16-22 (Ex
2) is Mozes op de vlucht voor de farao van Egypte . Hij ontmoet er bij de
waterput van de kudden de zeven dochters van de priesters Jethro . Met één
van hen zal Mozes later huwen .
Het wegrollen van de steen betekent de mogelijkheid scheppen om water te putten
en de dieren te drinken te geven . Het is toegang krijgen tot de bron van leven
. De ontmoeting van Jakob en Rachel is de bron van toekomst , van elkaar huwen
en nageslacht .
Het wegrollen van de steen bij het graf betekent de deur naar nieuw leven openen
. Want hoe tegenstrijdig het ook moge klinken , de plaats die beschouwd wordt
als een plaats van de dood is een plaats van leven . Zo zingt een lied : Midden
in de dood is het leven .
Vanuit deze gedachten kan het doopsel gezien worden als een afdalen naar de
bron , om eruit op te stijgen als nieuw geborene .
Ook het verhaal van de lamme (Mc
2,1-12) krijgt een diepere betekenis . De vier dragers van de lamme kunnen
niet bij Jezus komen vanwege de menigte . Zij klimmen op het dak , maken een
opening en laten de lamme voor Jezus' voeten neerdalen , de bron van leven .
Na afgedaald te zijn tot de bron van het leven kan de lamme opstaan .
| Mt 28,3 - Mt 28,3 : 351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : - Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12 -- verwijzingen -- Mt 28,1 - Mt 28,2 - Mt 28,3 - Mt 28,4 - Mt 28,5 - Mt 28,6 - Mt 28,7 - Mt 28,8 - Mt 28,9 - Mt 28,10 -- Mt 28 -- Mt 28,11-15 - Mt 28,16-20 - | ||||||||||||||||
|
| Mt 28,4 - Mt 28,4 : 351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : - Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12 -- verwijzingen -- Mt 28,1 - Mt 28,2 - Mt 28,3 - Mt 28,4 - Mt 28,5 - Mt 28,6 - Mt 28,7 - Mt 28,8 - Mt 28,9 - Mt 28,10 -- Mt 28 -- Mt 28,11-15 - Mt 28,16-20 - | ||||||||||||||||
|
| Mt 28,5 - Mt 28,5 : 351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : - Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12 -- verwijzingen -- Mt 28,1 - Mt 28,2 - Mt 28,3 - Mt 28,4 - Mt 28,5 - Mt 28,6 - Mt 28,7 - Mt 28,8 - Mt 28,9 - Mt 28,10 -- Mt 28 -- Mt 28,11-15 - Mt 28,16-20 - | ||||||||||||||||
|
Tekstuitleg van Mt 28,5 . Aan Mt 28,5 gaat geen vraag vooraf ; wel een reactie van vrees en beven op de verschijning van de engel . De inleidingsformule bestaat uit zeven woorden en vijftien lettergrepen . Er is verandering van personage . Dit wordt aangegeven door het gebruik van het partikel de (echter) . De engel is een tussenpersoon , een boodschapper , en ook de vrouwen zijn tussenpersonen , die de boodschap zullen moeten doorgeven . De engel geeft antwoord op de onuitgesproken vraag van de vrouwen waar Jezus is , vermits zij het graf geopend en leeg vinden .
1. apokritheis (beantwoord) . In drieënveertig verzen bij Matteüs , zie Mt 11,4 . +
| Mt 28,6 - Mt 28,6 : 351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : - Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12 -- verwijzingen -- Mt 28,1 - Mt 28,2 - Mt 28,3 - Mt 28,4 - Mt 28,5 - Mt 28,6 - Mt 28,7 - Mt 28,8 - Mt 28,9 - Mt 28,10 -- Mt 28 -- Mt 28,11-15 - Mt 28,16-20 - | ||||||||||||||||
|
| Mt 28,7 - Mt 28,7 : 351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : - Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12 -- verwijzingen -- Mt 28,1 - Mt 28,2 - Mt 28,3 - Mt 28,4 - Mt 28,5 - Mt 28,6 - Mt 28,7 - Mt 28,8 - Mt 28,9 - Mt 28,10 -- Mt 28 -- Mt 28,11-15 - Mt 28,16-20 - | ||||||||||||||||
|
3. poreutheisai (zich op weg begeven) , zie Mt
2,9 en poreuomai
(zich op weg begeven) .. Participium nominatief vrouwelijk meervoud . In drie
verzen in de bijbel . In twee verzen in het O.T. . In één vers
in het N.T. nl. Mt
28,7 .
--- poreuthentes (zich op weg begeven) . In zesentwintig verzen in de bijbel
. In elf verzen in het O.T. . In vijftien verzen in het N.T. . In zeven verzen
bij Matteüs . In één vers bij Marcus . In zeven verzen bij
Lucas . Bij Matteüs : (1) Mt
2,8 . (2) Mt
9,13 . (3) Mt
11,4 . (4) Mt
21,6 . (5) Mt
22,15 . (6) Mt
27,66 . (7) Mt
28,19 . In vijf van de acht teksten volgt een imperatief tweede persoon
meervoud .
Jezus gaat slechts tweemaal naar Galilaia (Galilea) . De eerste maal is het om als leraar op te treden , de tweede maal als verrezene (waar hij zijn leerlingen verzamelt) . zie Mc 1,9-11 . Zie ook hieronder bij Mt 28,16-20 .
| 1. | 2. | 3. | 4. | 5. |
| Mt 4,12 | Mt 26,32 | Mt 28,7 | Mt 28,10 | Mt 28,16 |
| kai tachu poreutheisai (en vlug vertrokken zijnde) | hupagete (ga) | hoi de hendeka (de elf echter) | ||
| eipate tois mathètais autou (zeg aan zijn leerlingen) | apaggeilate tois adelfois mou (meld aan mijn broeders) | |||
| Akousas de hoti paredothè (Gehoord echter dat Johannes was uitgeleverd) | meta de to egerthènai me (nadat echter ik ben verrezen | hoti ègerthè apo tôn nekrôn (dat hij is opgewekt uit de doden) | eporeuthèsan (gingen) | |
| anechôrèsen (week hij uit) | proaksô humas (zal ik je voorgaan) | kai idou proagei humas (en zie hij gaat je voor) | hina (opdat) apelthôsin zouden vertrekken) | |
| eis (naar) | eis (naar) tèn Galilaian (Galilea) | eis (naar) tèn Galilaian (Galilea) | eis (naar) tèn Galilaian (Galilea) | eis (naar) tèn Galilaian (Galilea) |
| ekei auton opsesthe (daar hem zult gij zien) | kakei me opsontai (en daar zullen zij mij zien) | |||
| idou eipon humin (zie ik heb het je gezegd) | 17. kai idontes auton (en hem gezien hebbende) | |||
| 21. Begin van Jezus'optreden in Galilea : Mc 1,14-15 - Mt 4,12-17 - Lc 4,14-15 | 328. Voorspelling van de ontrouw van de leerlingen en van Petrus' verloochening : Mc 14,26-31 - Mt 26,30-35 - Lc 22,39 | 351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12 | 351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12 | 353. Verschijning aan de elf in Galilea : Mt 28,16-20 |
Wellicht in Galilea werd na Jezus' dood zijn boodschap verder verkondigd en ontstonden er de eerste christelijke gemeenschappen .
| Mt 28,8 - Mt 28,8 : 351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : - Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12 -- verwijzingen -- Mt 28,1 - Mt 28,2 - Mt 28,3 - Mt 28,4 - Mt 28,5 - Mt 28,6 - Mt 28,7 - Mt 28,8 - Mt 28,9 - Mt 28,10 -- Mt 28 -- Mt 28,11-15 - Mt 28,16-20 - | ||||||||||||||||
|
| Mt 28,9 - Mt 28,9 : 351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : - Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12 -- verwijzingen -- Mt 28,1 - Mt 28,2 - Mt 28,3 - Mt 28,4 - Mt 28,5 - Mt 28,6 - Mt 28,7 - Mt 28,8 - Mt 28,9 - Mt 28,10 - | ||||||||||||||||
|
16. prosekunèsan (zij knielden bij) , zie Mt 2,11 . In. vier verzen bij Matteüs : (1) Mt 2,11 . (2) Mt 14,33 . (3) Mt 28,9 . (4) Mt 28,17 . Wijzen , leerlingen en leerlingen-vrouwen knielen voor Jezus . Het is een reactie op een Godsopenbaring .
| Mt 28,10 - Mt 28,10 : 351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : - Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12 -- verwijzingen -- Mt 28,1 - Mt 28,2 - Mt 28,3 - Mt 28,4 - Mt 28,5 - Mt 28,6 - Mt 28,7 - Mt 28,8 - Mt 28,9 - Mt 28,10 - | ||||||||||||||||
|
| Mt 28,11 - Mt 28,11 : 352. Het omkopen van de wacht - Mt 28,11-15 -- verwijzingen -- Mt 28,11 - Mt 28,12 - Mt 28,13 - Mt 28,14 - Mt 28,15 -- Mt 28 - Mt 28,1-10 - Mt 28,16-20 - | ||||||||||||||||
|
Persoonlijke vertaling . Terwijl zij zich echter op weg begaven zie sommigen van de wacht kwamen in de stad al het gebeurde aan de hogepriesters berichten .
Tekstuitleg van Mt 28,11
8. elthontes (gegaan, gekomen) , zie Mt 8,14 . In elf verzen bij Matteüs : (1) Mt 2,11 (de wijzen) . (2) Mt 9,10 . (3) Mt 14,12 . (4) Mt 16,5 . (5) Mt 18,31 . (6) Mt 20,9 . (7) Mt 20,10 . (8) Mt 27,33 . (9) Mt 27,64 . (10) Mt 28,11 (de wachters bij het graf) . (11) Mt 28,13 .
| Mt 28,12 - Mt 28,12 : 352. Het omkopen van de wacht - Mt 28,11-15 -- verwijzingen -- Mt 28,11 - Mt 28,12 - Mt 28,13 - Mt 28,14 - Mt 28,15 -- Mt 28 - Mt 28,1-10 - Mt 28,16-20 - | ||||||||||||||||
|
| Mt 28,13 - Mt 28,13 : 352. Het omkopen van de wacht - Mt 28,11-15 -- verwijzingen -- Mt 28,11 - Mt 28,12 - Mt 28,13 - Mt 28,14 - Mt 28,15 -- Mt 28 - Mt 28,1-10 - Mt 28,16-20 - | ||||||||||||||||
|
Persoonlijke vertaling . zeggende :"Zegt : Zijn leerlingen kwamen hem 's nachts stelen terwijl wij sliepen
Tekstuitleg van Mt 28,13
8. elthontes (gegaan, gekomen) , zie Mt 8,14 . In elf verzen bij Matteüs : (1) Mt 2,11 (de wijzen) . (2) Mt 9,10 . (3) Mt 14,12 . (4) Mt 16,5 . (5) Mt 18,31 . (6) Mt 20,9 . (7) Mt 20,10 . (8) Mt 27,33 . (9) Mt 27,64 . (10) Mt 28,11 (de wachters bij het graf) . (11) Mt 28,13 . Zijn leerlingen kwamen hem stelen .
| Mt 28,14 - Mt 28,14 : 352. Het omkopen van de wacht - Mt 28,11-15 -- verwijzingen -- Mt 28,11 - Mt 28,12 - Mt 28,13 - Mt 28,14 - Mt 28,15 -- Mt 28 - Mt 28,1-10 - Mt 28,16-20 - | ||||||||||||||||
|
| Mt 28,15 - Mt 28,15 : 352. Het omkopen van de wacht - Mt 28,11-15 -- verwijzingen -- Mt 28,11 - Mt 28,12 - Mt 28,13 - Mt 28,14 - Mt 28,15 -- Mt 28 - Mt 28,1-10 - Mt 28,16-20 - | ||||||||||||||||
|
Evangelielezing op H.
Drie-eenheid B : Mt
28,16-20 :
De elf leerlingen begaven zich naar Galilea, naar de berg die Jezus hun aangewezen
had. Toen zij Hem zagen wierpen ze zich in aanbidding neer; sommigen echter
twijfelden. Jezus trad nader en sprak tot hen: "Mij is alle macht gegeven
in de hemel en op aarde. Gaat dus en maakt alle volkeren tot mijn leerlingen
en doopt hen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest, en leert
hun te onderhouden alles wat Ik u bevolen heb. Ziet, Ik ben met u alle dagen
tot aan de voleinding der wereld."
"De korte maar majesteitelijke afscheidsscène van het evangelie bestaat uit twee delen, een beschrijvend deel en de woorden van de Heer (Mt 28,16 - Mt 28,17) en (Mt 28,18 - Mt 28,19 - Mt 28,20). Beide delen kunnen weer in drie onderdelen uitgelegd worden. Het eerste deel bestaat uit de tocht naar de berg van de Heer; de verschijning en de reactie daarop nl. de aanbidding en de twijfel. De woorden van Jezus bestaan uit het Machtswoord, de opdracht en de belofte" (BOUWMAN, G., Oud en nieuw. Over het evangelie van Matteüs, Averbode, Altiora, 1986, p.149) .
Wat Jezus gezegd en gedaan heeft, mag niet verloren gaan . Zijn 'werk' moet verder gezet worden . Dat is de wens van Jezus . Hiervan worden de elf leerlingen overtuigd. Ze weten en vertrouwen erop dat Jezus hen vergeeft dat zij hem in de steek hebben gelaten . Zoals Jezus hen verzamelde na de gevangenneming van Johannes de Doper , zo verzamelt hij hen na zijn dood . Daarom begeven de leerlingen zich op weg , naar de berg . Dat 'verzamelen' wordt eerder in het evangelie in de roeping en de zending van deTwaalf verwoord met het werkwoord 'samenroepen' : Jezus riep hen bij zich.
Mt 28,18 - Mt 28,19 - Mt 28,20 heeft iets alomvattends , totalitair : in de hemel en op de aarde , alle macht , alle volkeren , alles wat ik je heb bevolen , alle dagen tot de voleinding van de tijden / wereld , vader , zoon en heilige geest . Het positieve in de formulering ligt hierin dat niets of niemand is uitgesloten . Het is een totaalvisie .
| de elf | sommige leerlingen | Jezus |
| Mt 28,16 | Mt 28,17 | Mt 28,18 - Mt 28,19 - Mt 28,20 |
| kai (en) | ||
| 2de woord : de (echter) | hoi de (sommigen echter) |
| Mt 28,16 - Mt 28,16 - 353. Verschijning aan de elf in Galilea : Mt 28,16-20 - Mt 28,16 - Mt 28,17 - Mt 28,18 - Mt 28,19 - Mt 28,20 -- verwijzingen -- Mt 28,1-10 -- Mt 28,11-15 -- Mt 28 - | ||||||||||||||||
|
Mt 28,16 telt 16 (2 X 2 X 2 X 2) woorden en 33 (3 X 11) lettergrepen .
2. de (echter), zie Mt 1,2 . Partikel. In 421 verzen bij Matteüs
3. hendeka (elf) . Verwijzing : hendeka
(elf) , zie Mt
28,16 .
--- hoi hendeka mathètai (de elf leerlingen) .
--- hendeka (elf) komt slechts in één vers bij Matteüs voor.
Na de dood van Judas zijn de twaalf leerlingen van Jezus herleid tot elf . Na
de dood van Jezus worden de elf leerlingen als groep voor het eerst in Mt
28,16 vermeld .
Eerder in het evangelie was er sprake over de dôdeka
(twaalf) leerlingen (a). dôdeka (twaalf). Verwijzing : dôdeka
(twaalf) , zie Mt
28,16 . Twaalf in twaalf verzen bij Matteüs : (1) Mt
9,20 (twaalf jaar) . (2) Mt
10,1 ( proskalesamenos tous dôdeka mathètas autou = en zijn
twaalf leerlingen samengeroepen) . (3) Mt
10,2 (tôn de dôdeka apostolôn ta onomata = de namen echter
van de twaalf apostelen) . (4) Mt
10,5 (toutous tous dôdeka apesteilen = deze twaalf zond hij) . (5)
Mt 11,1
(diatassôn tois dôdeka mathètais autou = bevolen aan zijn
twaalf leerlingen). (6) Mt
14,20 (twaalf korven) . (7) Mt
19,28 (twaalf tronen) . (8) Mt
20,17 (parelaben tous dôdeka mathètas = nam hij de twaalf leerlingen
bij zich) . (9) Mt
26,14 (heis tôn dôdeka = één van de twaalf) .
(10) Mt
26,20 (meta tôn dôdeka = met de twaalf) . (11) Mt
26,47
(heis tôn dôdeka = één van de twaalf) . (12) Mt
26,53 (twaalf legioenen) .
Twaalf komt bij Matteüs in twaalf verzen voor ; in acht verzen in verband
met de Twaalf . Slechts in één vers is er sprake van 'de twaalf
apostelen' . De twaalf leerlingen : (1) Mt
10,1 (zijn twaalf leerlingen) . (2) Mt
11,1 (zijn twaalf leerlingen) . (3) Mt
20,17 (de twaalf leerlingen) . Bibliografie : Claes Jo e.a. , De Twaalf
. Apocriefe verhalen over de apostelen , Davidsfonds / Leuven , Ten Have , 2006
.
Bij Marcus komt dôdeka (twaalf) in vijftien verzen voor :
(1) Mc
3,14 : dôdeka (twaalf) // Mt
10,1 : tous dôdeka mathètas autou (zijn twaalf leerlingen)
.
(2) Mc
3,16 : tous dôdeka (de twaalf) // Mt
10,1 : tous dôdeka mathètas autou (zijn twaalf leerlingen)
.
(3) Mc
4,10 : sun tois dôdeka (met de twaalf) .
(4) Mc
5,25 // Mt
9,20 . De vrouw lijdt reeds twaalf jaar aan bloedvloeiing . Bij Matteüs
komt "twaalf" voor de eerste keer voor .
(5) Mc
5,42 . (6) Mc
6,7 // Mt
10,1 . (7) Mc
6,43 // Mt
14,20 . (8) Mc
8,19 . (9) Mc
9,35 . (10) Mc
10,32 . (11) Mc
11,11 . (12) Mc
14,10 . (13) Mc
14,17 . (14) Mc
14,20 . (15) Mc
14,43 .
5. eporeuthèsan (zij begaven zich op weg) . poreuomai (zich op weg begeven, op weg gaan) . In twee verzen bij Matteüs , zie Mt 2,9 . (1) Mt 2,9 . (2) Mt 28,16 . De twee verhalen vertonen nogal wat gelijkenissen. De magiërs in Mt 2 en de elf leerlingen in Mt 28 begeven zich op weg om Jezus te zien . Ze situeren zich aan de beide uiteinden van Jezus' leven : geboorte en dood (wedergeboorte) . In Mt 2 brengt de ster de magiërs in beweging , in Mt 28 zijn het de woorden van Jezus , via de vrouwen aan de leerlingen , die de leerlingen in beweging brengen . Het werkwoord poreuomai (zich op weg begeven) wordt bij Matteüs vaak gebruikt bij een opdracht of de uitvoering van een opdracht cfr. poreuomai (op weg gaan) . Bij Matteüs , zie Mt 2,7 .
6. - 8. eis
tèn Galilaian (naar Galilea), zie Mt
4,12 . In vijf verzen bij Matteüs : (1) Mt
4,12 . (2) Mt
26,32 . (3) Mt
28,7 . (4) Mt
28,10 . (5) Mt
28,16 . Driemaal is de aansporing nodig om na de dood van Jezus naar Galilea
te gaan. De eerste maal zegt Jezus zelf het aan zijn leerlingen op de avond
waarop hij zal gearresteerd worden (Mt
26,32) . De tweede en derde maal verloopt de boodschap via de vrouwen Mt
28,7 en Mt
28,10 . Blijkbaar hebben de vrouwen de boodschap aan de leerlingen kunnen
overbrengen , want de leerlingen voeren de opdracht uit .
De elf leerlingen komen
in beweging . Ze blijven niet in Jeruzalem hangen en verkommeren door wat Jezus
en hen is overkomen . Hun gaan naar Galilea is geen afgang , geen terugkeer
na een verloren veldslag . Hun gaan naar Galilea is een weg van bewustwording
, van ontdekking waar Jezus te vinden is . Zo was het wijken van Jezus na de
arrestatie van Johannes geen vaandelvlucht . Jezus' uitwijken naar Galilea werd
onmiddellijk gevolgd door de roeping van de leerlingen , door onderricht en
genezingen . Jezus hergroepeerde de leerlingen van Johannes en zette zijn werk
verder .
We zouden de indruk kunnen krijgen dat de leerlingen in groep naar Galilea trekken
. Dat is echter onwaarschijnlijk . Bij Jezus'arrestatie vluchten allen . Ze
worden verstrooid . In Mt
26,31 wordt naar de schrift verwezen : Ik zal de herder slaan en de schapen
van de kudde zullen verstrooid worden . De hergroepering zal in Galilea gebeuren
. Dat roept herinneringen op aan het begin van het evangelie . Wellicht had
Jezus de leerlingen van Johannes hergegroepeerd nadat Johannes de Doper in Judea
was gearresteerd. (zie naar Galilea zie Mt
4,12 ) . Sommige leerlingen van Johannes de Doper en van Jezus maken voor
de tweede maal een gelijkaardige situatie mee . Dat kan de ondergesneeuwde ervaringen
en herinneringen aan het begin van Jezus' optreden blootleggen en activeren
. Wat zich afspeelde na de arrestatie van Johannes de Doper , doet zich opnieuw
voor : vlucht , verstrooiing , hergroepering . Zoals Jezus het werk van Johannes
verder zette , zo zullen zijn leerlingen het werk van Jezus verder zetten .
Zo kan de teleurstelling en de ontgoocheling plaats maken voor hoop en opdracht
. Zo ontdekken ze wat Jezus van hen verwacht . Dat wordt verwoord door Jezus
woorden in de mond te leggen . En de vrouwen weten nog heel goed hoe het met
hun mannen ging toen Johannes werd gearresteerd en hoe Jezus hen verzamelde
. Wellicht hebben zij een beslissende rol gespeeld in dat bewustwordingsproces
. Want vanop een zekere afstand hebben ze het allemaal zien gebeuren : de vernieuwingsbeweging
van Johannes de Doper , zijn arrestatie en dood , Jezus'optreden , zijn optreden
in Jeruzalem , zijn arrestatie en kruisiging . Ze hebben gezien hoe hun mannen
als scheepjes dobberden op de golven van vreugde en teleurstelling , van de
gedachte dat ze prinsen waren wiens troon in het verschiet stond , en van gezocht
wild dat schichtig wegvlucht voor de jagers .
11. horos (berg) . In 196 verzen in de bijbel . In 168 verzen in het O.T. .
In achtentwintig verzen in het N.T. . In acht verzen bij Matteüs : (1)
Mt 4,7
. (2) Mt
5,1 . (3) Mt
14,23 . (4) Mt
15,29 . (5) Mt
17,1 - Mt
17,2 . (6) Mt
21,1 . (7) Mt
26,30 . (8) Mt
28,16 . Een eerste overeenkomst tussen Mt
17,1-9 en Mt
28,16-20 is dat het gebeuren zich afspeelt op de berg (Mt
17,1 - Mt
17,2 en Mt
28,16) .
De berg wordt beschouwd als de ontmoetingsplaats van God en mens . Die plaats
garandeert geen Godservaring . In Mt
4,8 is de berg een plaats van beproeving die tot een keuze noodzaakt .
| 1. de duivel | 2. Jezus | 3. Jezus | 4. | 5. | 6. | 7. | 8. de elf leerlingen | |
| Mt 4,7 | Mt 5,1 | Mt 14,23 | Mt 15,29 | Mt 17,1 - Mt 17,2 | Mt 21,1 | Mt 24,3 | Mt 26,30 | Mt 28,16 |
| palin (opnieuw) | kai (en) | kai ... (en) | kai (en)... | kai (en ) | Hoi de endeka mathètai (De elf leerlingen echter) | |||
| paralambanei (neemt bij zich) auton (hem) ho diabolos (de duivel) | anebè (hij klom omhoog) | anebè (hij klom omhoog) | anabas (opgeklommen) | paralambanei (neemt bij zich) ... kai anaferei autous (en hij voert hen omhoog) | èlthon ( zij kwamen)... | kathèmenou de autou epi orous tôn Helaiôn (terwijl hij echter zich op de Olijfberg neerzet) | exèlthon ( zij gingen naar buiten) | eporeuthèsan (gingen op weg) |
| eis horos hupsèlon lian (naar een zeer hoge berg) | eis to horos (naar de berg) | eis to horos (naar de berg) kat'idian (op zichzelf) | eis to horos (naar de berg) | eis horos hupsèlon (naar een hoge berg) kat'idian (op zichzelf) | eis to horos tôn Helaiôn (naar de Olijfberg) | eis to horos (naar de berg) | ... eis to horos (naar de berg) | |
| kai kathisantos autou (en nadat hij zich had neergezet) | ekathèto ekei (zette hij zich naar) | |||||||
| prosèlthan autôi hoi mathètai autou (kwamen zijn leerlingen bij hem) | prosèlthan autôi hoi mathètai autou (kwamen deleerlingen bij hem) kat'idian (afzonderlijk) | |||||||
| 20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 - | 24. Jezus leert en geneest : Mc 1,21 - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 - Lc 4,31 - | 152. Jezus wandelt op het meer - Mc 6,45-52 - Mt 14,22-33 | 157. Genezing van een doofstomme : Mc 7,31-37 - Mt 15,29-31 - | 168. Verheerlijking van Jezus : Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 - | 281. Jezus gaat Jerzalem binnen : Mc 11,11 - Mt 21,1-11 - | 299. Inleiding tot de eschatologische rede : Mc 13,1-4 - Mt 24,1-3 - Lc 21,5-7 - | 328. Voorspelling van de ontrouw van de leerlingen en van Petrus' verloochening : Mc 14,26-31 - Mt 26,30-35 - Lc 22,39 - | 353. Verschijning aan de elf in Galilea : Mt 28,16-20 |
13. tassö (bevelen, opdragen) , zie Mt 21,6 . Vertaling van het Hebreeuwse werkwoord tzâwah . Vormen van tassô bij Matteüs : (1) Mt 1,24 (prosetaxen = hij schreef voor) . (2) Mt 8,4 (prosetaxen = hij schreef voor) . (3) Mt 21,6 (sunetaxen = hij kwam overeen) . (4) Mt 26,19 (sunetaxen = hij kwam overeen) . (5) Mt 27,10 (sunetaxen = hij kwam overeen) . (6) Mt 28,16 (etaxato = hij bepaalde) . Mediaal aorist . In deze vorm uniek in Matteüs . De zinsstructuur van Mt 28,16 is dezelfde als in Mt 1,24 , Mt 21,6 , Mt 26,19 en Mt 27,10 . Mt 28,16 verwijst naar Mt 26,32 , Mt 28,7 en Mt 28,10 .
| Mt 28,17 - Mt 28,17 - 353. Verschijning aan de elf in Galilea : Mt 28,16-20 - Mt 28,16 - Mt 28,17 - Mt 28,18 - Mt 28,19 - Mt 28,20 -- verwijzingen -- Mt 28,1-10 -- Mt 28,11-15 -- Mt 28 - | ||||||||||||||||
|
Tekstuitleg van Mt 28,17 . Dit vers Mt 28,17 telt 7 woorden en 17 lettergrepen . Een eerste overeenkomst tussen Mt 17,1-9 en Mt 28,16-20 is dat het gebeuren zich afspeelt op de berg (Mt 17,1 - Mt 17,2 en Mt 28,16) . Een tweede overeenkomst zijn de verzen Mt 17,6 en Mt 28,17 . Mt 17,6 lijkt een variante van Mt 28,17 : 1. gehoord - gezien , 2. zij vielen op hun aangezicht - zij knielden bij , 3. zij vreesden - zij echter twijfelden .
2. idontes
(gezien) , zie Mt
2,16 . Verwijzing : râ´âh
(zien) , zie Ex
3,7 . Verwijzing : horaô
(zien) , zie Mc
16,7 . In veertien verzen bij Matteüs : (1) Mt
2,10 . (2) Mt
8,34 . (3) Mt
9,8 . (4) Mt
9,11 . (5) Mt
12,2 . (6) Mt
14,26 . (7) Mt
18,31 . (8) Mt
21,15 . (9) Mt
21,20 . (10) Mt
21,32 . (11) Mt
21,38 . (12) Mt
26,8 . (13) Mt
27,54 . (14) Mt
28,17 .
4. prosekunèsan (zij knielden bij) . Verwijzing : prosekunèsan
(zij knielden bij) , zie Mt
2,11 . Actief aorist derde persoon enkelvoud . In zesenveertig verzen in
de bijbel . In vijfendertig verzen in het O.T. . In elf verzen in het N.T. .
In. vier verzen bij Matteüs : (1) Mt
2,11 . (2) Mt
14,33 . (3) Mt
28,9 . (4) Mt
28,17 . Wijzen , leerlingen en leerlingen / vrouwen knielen voor Jezus
. Het is een reactie op een Godsopenbaring .
Er is een combinatie van een werkwoordvorm van 'zien' en prosekunèsan
(zij knielden) :
- Mt
28,17 : kai idontes auton prosekunèsan = en hem gezien knielden zij
.
- Mt
2,11 : eidon to paidion meta marias tès mètros autou kai pesontes
prosekunèsan autô = zij zagen het kind met Maria zijn moeder en
zij knielden voor hem .
Jezus verschijnt niet . Matteüs veronderstelt dat hij er is. Wanneer de Elf op de berg komen , zien ze hem . De berg is de ontmoetingsplaats tussen God en mens . Na het zien volgen geen reacties van vrees of verwondering zoals we dat vaak in het evangelie tegenkomen . Zij knielen echter . Maar er is ook twijfel . Er is toch wel een opmerkelijk verschil tussen de houding van de vrouwen (Mt 28,9 - Mt 28,10) en de Elf .
7. distazô (twijfelen). In Mt 28,17 .
| Mt 28,18 - Mt 28,18 - 353. Verschijning aan de elf in Galilea : Mt 28,16-20 - Mt 28,16 - Mt 28,17 - Mt 28,18 - Mt 28,19 - Mt 28,20 -- verwijzingen -- Mt 28,1-10 -- Mt 28,11-15 -- Mt 28 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible : And Jesus came and spake unto them, saying, All power is given unto me in heaven and in earth.
Tekstanalyse van Mt 28,18 . Dit vers Mt 28,18 telt 16 (2 X 2 X 2 X 2) woorden en 75 (3 X 5 X 5) letters . De getalwaarde van Mt 28,18 is 7548 (2 X 29 X 131) . Het citaat telt 9 (3 X 3) woorden en 36 (2 X 2 X 3 X 3) letters ; een verhouding 1 op 4 . Een eerste overeenkomst tussen Mt 17,1-9 en Mt 28,16-20 is dat het gebeuren zich afspeelt op de berg (Mt 17,1 - Mt 17,2 en Mt 28,16) . Een tweede overeenkomst zijn de verzen Mt 17,6 en Mt 28,17 . Mt 17,6 lijkt een variante van Mt 28,17 : 1. gehoord - gezien , 2. zij vielen op hun aangezicht - zij knielden bij , 3. zij vreesden - zij echter twijfelden . Een derde overeenkomst bestaat erin dat Jezus naar zijn leerlingen toegaat (Mt 17,7 en Mt 28,18) .
1. kai (en) . Er heeft verandering van personage plaats . In Mt 28,16 - Mt 28,17 zijn de leerlingen van Jezus het onderwerp van de zin , in Mt 28,18 is Jezus het onderwerp . Nochtans wordt het verbindingswoord kai (en) gebruikt . We hadden het partikel de (echter) verwacht , juist om die verandering van personage aan te geven . Verwijzing : kai (en) , zie Mt 1,2 . Nevenschikkend voegwoord . In 705 verzen bij Matteüs .
2. proselthôn (naderbijgekomen) . Actief participium aorist nominatief mannelijk enkelvoud . Verwijzing : proselthôn (naderbijgekomen) , zie Mt 4,3 . Het komt in veertien verzen bij Matteüs voor . Het is één van de zeldzame keren bij Matteüs dat Jezus naderbij komt .
3. ho (de) . Verwijzing : lidwoord
, zie Mt
28,18 . Bepaald lidwoord . Nominatief mannelijk enkelvoud . In 408 verzen
bij Matteüs . In 331 verzen bij Lucas .
--- tou . Genitief mannelijk en onzijdig enkelvoud . In 8480 verzen in de bijbel
. In 234 verzen bij Mt
(Matteüs) . In vijf verzen in Mt
1 (zie Mt
1,18) . tou de , zie Mt
1,18) .
--- tès . Genitief vrouwelijk enkelvoud . In 5271 verzen in de bijbel
. In 109 verzen bij Lc .
--- tèi . Liwoord , datief vrouwelijk enkelvoud . In 3381 verzen in de
bijbel . In 94 verzen bij Mt . In 119 verzen bij Lucas .
--- tôn . Lidwoord genitief meervoud . In 5178 verzen in de bijbel . In
119 verzen bij Lc .
--- tais . Lidwoord datief vrouwelijk meervoud . In 980 verzen in de bijbel
. In drieëndertig verzen bij Lc . In zeven verzen in Lc
1 ; in vijf verzen wordt het lidwoord tais voorafgegaan door het voorzetsel
van plaats / tijd en (in) ; eveneens in vijf verzen wordt het lidwoord tais
gevolgd door de bepaling van tijd hèmerais (dagen) . In Lc
2 wordt het lidwoord tais slechts tweemaal gebruikt ; in één
vers gaat en (in) vooraf aan het lidwoord en wordt het gevolgd gevolgd door
hèmerais (dagen) .
4. Ièsous (Jezus) . Verwijzing : Ièsous (Jezus), zie Mt 1,1 . Zelfstandig naamwoord. Eigennaam . Nominatief mannelijk enkelvoud .
5. elalèsen (hij sprak) . Actief aorist derde persoon enkelvoud . Verwijzing : laleô (lallen, spreken, praten) , zie Mt 4,6 . In zeven verzen bij Matteüs . Hier gebruikt Matteüs niet eipen (hij zei) maar elalèsen (hij sprak) . In zes van de zeven verzen bij Matteüs is Jezus onderwerp van elalèsen (hij sprak). Wanneer woorden geciteerd worden , worden deze over het algemeen voorafgegaan door legôn (zeggend) : Mt 13,3 , Mt 14,27 , Mt 23,1 , Mt 28,18 . In vier verzen (van de zes) wordt de naam ho Ièsous (Jezus) uitdrukkelijk vermeld ; in twee verzen voor het werkwoord elalèsen (hij sprak) : Mt 13,34 , Mt 14,27 , in twee verzen erna : Mt 23,1 en Mt 28,18 . In zes verzen volgt op het werkwoord elalèsen (hij sprak) een datief ; in vier verzen is het autois (tot hen) ; in twee verzen is het tois ochlois (de menigten) .
6. autois (aan hen) . Datief mannelijk meervoud .
7. legôn (zeggend) . Actief deelwoord praesens nominatief mannelijk enkelvoud . Verwijzing : legô (zeggen) , zie Mt 4,6 .
8. edothè (werd gegeven) . Passief
aorist derde persoon enkelvoud van het werkwoord didômi
(geven) . Verwijzing : didômi
(geven) , zie Mt
28,18 . Het komt in achtenvijftig verzen in de bijbel voor . In dertig verzen
in het O.T. : Da
7,14 . In achtentwintig verzen in het N.T. . In dit verband moet Ex
36,1 nader bekeken worden. In twee verzen bij Matteüs : (1) Mt
14,11 . (2) Mt
28,18 . In één vers bij Lucas . In twee verzen bij Johannes
. In achttien verzen in Openbaring : (1) Apk
6,2 . (2) Apk
6,4 . (3) Apk
6,8 . (4) Apk
6,11 . (5) Apk
7,2 . (6) Apk
8,3 . (7) Apk
9,1 . (8) Apk
9,3 . (9) Apk
9,5 . (10) Apk
11,1 . (11) Apk
11,2 . (12) Apk
13,5 . (13) Apk
13,7 . (14) Apk
13,14 . (15) Apk
13,15 . (16) Apk
16,8 . (17) Apk
19,8 . (18) Apk
20,4 .
Mt 28,18
is geïnspireerd op Da
7,14 : kai edothè autôi exousia (En aan hem werd macht gegeven)
kai panta ta ethnè tès gès (en alle volkeren van de aarde)...
--- dôsô (ik zal geven) . Actief futurum eerste persoon enkelvoud
. In 209 verzen in de bijbel . In twintig verzen in Gn . In 188 verzen in het
O.T.. In éénentwintig verzen in het N.T. .
--- edôken (hij gaf) . Actieg aorist derde persoon mannelijk enkelvoud
. In 426 verzen in de bijbel .
--- dos (then) = geef . In negenentachtig verzen in de bijbel . In zestien verzen
in het N.T. . In drie verzen bij Lucas o.a. Lc
15,12 .
--- edothè (werd gegeven) . Passief aorist derde persoon
enkelvoud .
| Da 7,14 | Mt 28,18 | Apk 6,8 | Apk 9,3 | Apk 13,5 | Apk 13,7 |
| kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | |
| edothè (werd gegeven) | edothè (werd gegeven) | edothè (werd gegeven) | edothè (werd gegeven) | edothè (werd gegeven) | edothè (werd gegeven) |
| autôi (aan hem) | moi (aan mij) | autois (aan hen) | autois (aan hen) | autôi (aan hem) | autôi (aan hem) |
| exousia (macht) | pasa exousia (alle macht) | exousia (macht) | exousia (macht) | exousia (macht) | exousia (macht) |
| en ouranôi (in de hemel) | |||||
| kai (en) | |||||
| epi tès gès (op de aarde) | epi to tetarton tès gès (op het vierde - deel - van de aarde) | epi pasan ... (over elke... ) | |||
| 353. Verschijning aan de elf in Galilea : Mt 28,16-20 |
9. moi (aan mij) . Datief mannelijk enkelvoud .
10 . pasa (al) . Nominatief vrouwelijk enkelvoud van pas (al)
.
11. exousia (macht) . Nominatief
enkelvoud . Verwijzing : exousia
(macht), zie Mt
28,18 .
--- exousia (gezag , macht) . Nominatief en datief enkelvoud
. In 39 verzen in de bijbel; in 10 verzen in het O.T., in 29 verzen in het N.T.
In 3 verzen bij Marcus, in 6 verzen bij Lucas, niet bij Johannes, enz. In 4
verzen bij Matteüs . Nominatief, komt slechts in 1 vers voor bij Matteüs
: Mt
28,18 .
Nominatief, komt slechts in 1 vers voor bij Matteüs : Mt
28,18 . En poiai exousiai (door welke macht) komt in 3 verzen bij Matteüs
voor : (1) Mt
21,23 . (2) Mt
21,24 . (3) Mt
21,27 . In acht verzen in Apk .
--- De accuatief exousian (macht) komt in 6 verzen : Mt
8,9 . Exousian echô (macht hebben) : (1) Mt
7,29 . (2) Mt
9,6 . Exousian didômi (macht geven) : (1) Mt
9,8 . (2) Mt
10,1 . (3) Mt
21,3 .
We kunnen niet ontkennen dat hier sterke taal gesproken wordt: Gegeven is aan
mij alle macht in hemel en op de aarde. Laat het nog zijn dat hier naar Da
7,14 verwezen wordt (edothè autôi exousia - gegeven werd aan
hem macht). De vraag rijst hoe we iets dergelijks kunnen beweren over wat in
het hierna-maals gebeurt.
12. en + datief (in) . Plaatsaanduiding .
13. ouranôi ( - in de - hemel) . Datief enkeloud van het zelfstandig
naamwoord ouranos (hemel) . In 76 verzen in de bijbel . In 42 verzen in het
O.T. In 34 verzen in het N.T. In acht verzen bij Mt .
- ouranos (hemel) . Verwijzing : ouranos
(hemel) , zie Mt
28,18 . In 48 verzen in de bijbel . In 26 verzen in het O.T. In 12 verzen
in het N.T.
- accusatief mannelijk enkelvoud ouranon . In 182 verzen in de bijbel . In 142
verzen in het O.T. . In veertig verzen in het N.T. .
- accusatief mannelijk meervoud ouranous . In achttien verzen in de bijbel .
--- basjsjâmaîm (in de hemelen) . In 48 verzen in de bijbel .
--- -- sjâmâîm (hemelen , hemel) . In tweeënnegentig
verzen in de bijbel .
--- -- hasjsjâmaîm (de hemelen , de hemel) . In 223 verzen in de
bijbel . ´èth hasjsjâmaîm (de hemel) is een hapax .
14.
17. gès (op de aarde) . Genitief enkelvoud van het zelfstandig
naamwoord gè (aarde) .
- gè (aarde) . Nominatief enkelvoud gè
of datief enkelvoud gèi . Verwijzing : gè
(aarde) , zie Mt
28,18 . In 771 verzen in de bijbel .
- MT : ´ârèts (aarde) . In 453 verzen in
de bijbel . Met lidwoord hâ´ârèts (de aarde) . In 851
verzen in de bijbel .
--- bâ´ârèts (op de aarde) . In 398 verzen in de bijbel
.
- Vulgaat : terra . Nominatief en ablatief enkelvoud . Het
lidwoord speelt geen rol . In 1163 verzen in de bijbel .
| Mt 28,19 - Mt 28,19 - 353. Verschijning aan de elf in Galilea : Mt 28,16-20 - Mt 28,16 - Mt 28,17 - Mt 28,18 - Mt 28,19 - Mt 28,20 -- verwijzingen -- Mt 28,1-10 -- Mt 28,11-15 -- Mt 28 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible : Go ye therefore, and teach all nations, baptizing them in the name of the Father, and of the Son, and of the Holy Ghost:
Tekstuitleg van Mt 28,19 . Dit vers Mt 28,19 telt 20 (2 X 2 X 5) woorden en 102 (2 X 3 X 17) letters . De getalwaarde van Mt 28,19 is 12663 (3 X 3 X 3 X 7 X 67) . De opdracht van Jezus aan de leerlingen wordt in één zin uitgedrukt . Aan het hoofdwerkwoord gaat een participium vooraf en het hoofdwerkwoord wordt gevolgd door twee participiazinnen .
1. poreuthentes (zich op weg begeven) , zie Mt 2,9 en poreuomai (zich op weg begeven) . In zeven verzen bij Matteüs : (1) Mt 2,8 . (2) Mt 9,13 . (3) Mt 11,4 . (4) Mt 21,6 . (5) Mt 22,15 . (6) Mt 27,66 . (7) Mt 28,19 . poreuthentes (zich op weg begeven) . Het staat aan het begin van de opdracht . Het is het zevende vers bij Matteüs die poreuthentes (zich op weg begeven) gebruikt . Het is de vierde maal dat het participium in de opdracht wordt gebruikt . De eerste maal was het in Mt 2,8 . Koning Herodes gaf opdracht aan de magiërs om zich op weg te begeven en nauwkeurig uit te zoeken waar het kind te vinden is . Tegenover deze koning die zich bedreigd voelt in zijn macht staat Jezus die alle macht ontvangen heeft . In nog twee andere teksten maakt poreuthentes (zich op weg begeven) deel uit van de opdracht van Jezus . In Mt 9,13 gaat het om het leren van barmhartigheid , in Mt 11,4 om wat Jezus doet . Zich op weg begeven gevolgd door een imperatief heeft bij Jezus niets met macht te maken ; het gaat erom hoe mensen leren leven. Het zich op weg begeven heeft iets te maken met anderen mee op weg gaan , groeien .
2. oun (derhalve, bijgevolg) , zie Mt 1,17 . In zesenvijftig verzen bij Matteüs . oun (derhalve, bijgevolg) wijst erop dat een zin voorafgaat . Het geeft een verantwoording voor de opdracht , de zending .
- mathèteuô
(tot leerling maken) .
- mathèteusate (maakt tot leerling) . Actief imperatief aorist 2de persoon
meervoud. Hapax .
Nog gebruikt in Mt 13,52 en Mt 27,57. Het participium aorist meervoud poreuthentes
(zich op weg begeven) staat in twee zinnen waarbij Jezus een opdracht geeft
nl. Mt
9,13 en Mt 28,19. Tussen die twee zinnen is een opmerkelijke gelijkenis
vermits beide hoofdwerkwoorden in de imperatief aorist meervoud aan elkaar verwant
zijn : Mt
9,13 : mathete (leert), Mt 28,19 : mathèteusate : maakt tot leerlingen.
Vanuit de gelijkenis met Mt 9,13 krijgt het leerling maken een bijzondere betekenis.
Want de tollenaar Matteüs werd door Jezus geroepen en ontving barmhartigheid.
Het leerling maken gaat gepaard met barmhartigheid.
- lâmad (leren) . In 6 verzen in de bijbel.
--- limmûdîm (leerlingen) . Meervoud . Hapax . këlimmûdîm
(als leerlingen). Hapax . limmûdê . status constructus. Js
54,13 : wekâl bânajikh limmûdê JHWH (en al jouw
zonen zijn leerlingen van JHWH) .
| Mt 28,20 - Mt 28,20 - 353. Verschijning aan de elf in Galilea : Mt 28,16-20 - Mt 28,16 - Mt 28,17 - Mt 28,18 - Mt 28,19 - Mt 28,20 -- verwijzingen -- Mt 28,1-10 -- Mt 28,11-15 -- Mt 28 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible : Teaching them to observe all things whatsoever I have commanded
you: and, lo, I am with you alway even unto the end of the world. Amen.
Luther-Bibel (1984) . und lehret sie halten alles, was ich euch befohlen habe.
Und siehe, cich bin bei euch alle Tage bis an der Welt Ende.
Tekstuitleg van Mt 28,20 . Dit vers Mt 28,20 telt 22 (2 X 11) woorden en 110 (2 X 5 X 11) letters ; verhouding : 1 op 5 . De getalwaarde van Mt 28,20 is 13198 (2 X 6599) . Het citaat Mt 28,18b - Mt 28,19 - Mt 28,20 telt 9 + 20 + 22 = 51 (3 X 17) woorden en 36 + 102 + 110 = 248 (2 X 2 X 2 X 31) letters .
1. didaskontes (onderrichtend) . In tien verzen in de bijbel . In één vers in het O.T. : Js 29,13 . In negen verzen in het N.T. : (1) Mt 15,9 . (2) Mt 28,20 . (3) Mc 7,7 = Mt 15,9 . (4) Hnd 5,5 . (5) Hnd 5,42 . (6) Hnd 15,35 . (7) Kol 1,28 . (8) Col 3,16 . (9) Tit 1,11 . Verwijzing : didaskô (onderrichten - onderwijzen) , zie Mc 1,45 .
3. tèrein (te bewaren, te behouden) . Infinitief .
- tèreô (behouden, bewaren)
. Verwijzing : tèreô
(behouden, bewaren) , zie Mt
28,20 . Zie ook Hnd
4,3 .
--- tèrein. Infinitief . In negen verzen in de bijbel . In twee verzen
in het O.T. . In zeven verzen in het N.T. . Slechts in Mt
28,20 wat de evangelies betreft .
6. eneteilamèn (ik beval, opdroeg) . In eenenveertig verzen in de bijbel
. In veertig verzen in het O.T. : (1) Gn
3,11 . (2) Gn
3,17 . (3) Ex
23,15 . (4) Ex
29,35 . (5) Ex
31,11 . (6) Dt
1,16 . (7) Dt
1,18 . (8) Dt
3,18 . (9) Dt
3,21 . (10) Dt
11,28 . (11) Dt
12,21 . (12) Dt
24,8 . (13) Dt
31,5 . (14) Dt
31,29 . (15) Joz
13,6 . (16) Joz
22,2 . (17) Re 2,20 . (18) (26) (27) Jr
7,22 . (28) Jr
7,23 . (29) Jr
7,31 . (30) Jr
11,4 . (31) In één vers in het N.T. : Mt
28,20 .
- entellô (bevelen, opdragen,
vragen) . Verwijzing : entellô
(bevelen, opdragen, vragen) , zie Mt
28,20 .
--- entellomai . In 48 verzen in de bijbel . In 46 verzen in het O.T. In 2 verzen
in het N.T.
--- entelletai . In 2 verzen in de bijbel . Nu 32,25 . Am 6,11 .
--- entetaltai (hij heeft opgedragen) . Perfectum derde persoon enkelvoud .
In 8 verzen in de bijbel . In 7 verzen in het O.T. : (4) 1 K 13,17 : hoti houtôs
entetaltai moi en logôi kurios = want zo heeft de Heer met een woord mij
opgedragen . In 1 vers in het N.T. : Hnd
13,47 : houtôs gar entetaltai hèmin kurios = want zo heeft
de Heer ons opgedragen . Men moet zich houden aan de opdracht die iemand van
God heeft ontvangen .
--- eneteilato (hij droeg op) . Aorist derde persoon enkelvoud . In 232 verzen
in de bijbel . In acht verzen in het N.T. : (1) Mt
17,9 . (2) Mt
19,7 . (3) Mc
10,3 . (4) Mc
13,34 . (5) Joh
8,5 . (6) Joh
14,31 . (7) Heb 9,20 . (8) Heb 11,22 .
--- enteilamenos (opgedragen) . Participium aorist passief nominatief mannelijk
enkelvoud : Hnd
1,2 . Hapax .
- tsâwâh (opdragen) . Verwijzing
: tsâwâh
(opdragen) , zie Mt
28,20 .
--- mëtsawwâh . In 19 verzen in de bijbel . ´äsjèr
´ânokhî metsawwèh ´èthkhèm (die
ik jullie heb opgedragen) :(1) Dt
4,2 (tweemaal) . (2) Dt
11,13 . (3) Dt
11,22 . (4)
Dt 11,27 . (5) Dt
11,28 . (6) Dt
12,11 . (7) Dt
13,1 . (8) Dt
27,1 . (9) Dt
27,4 . (10) Dt
28,14 .
--- wajatsawwehû of wëjatsawwehû (en hij stelde aan) . Piel
imperfectum derde persoon enkelvoud . In vijf verzen in de bijbel .
| Js 29,13 | Mt 15,9 | Mt 28,20 | Dt 27,1 | Mt 17,9 | Mt 19,17 | Mt 23,3 |
| didaskontes (onderrichtend) | didaskontes (onderrichtend) | didaskontes (onderrichtend) | Kai prosetaxen Môusès... (En Mozes schreef voor ... ) | |||
| didaskalias (onderrichtingen) | tèrein (te behouden, bewaren) panta (alles) | fulassasthe pasas tas entolas tautas (Behoed al deze opdrachten) | tèrèson tas entolas (onderhoud de geboden) | panta oun hosa ean eipôsin humin poièsate kai tèrète (alles dus wat ze jullie zeggen, doet en onderhoudt) | ||
| entalmata anthrôpôn (opdrachten van mensen) kai didaskalias (en onderrichtingen) | entalmata anthrôpôn (opdrachten van mensen) | hosa eneteilamèn humin (wat ik jullie heb opgedragen) | hosas egô entellomai humin sèmeron (die ik u vandaag opdraag) | eneteilato autois ho Ièsous (droeg Jezus hen op) | ||
| God zal straffen : Js 29,9-16 | 154. Twistgesprek met de Farizeeën en schriftgeleerden : Mc 7,1-13 - Mt 15,1-9 - | 353. Verschijning aan de elf in Galilea : Mt 28,16-20 - | Dt 27 | 168. Verheerlijking van Jezus : Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 - | 268. De rijke (jonge) man : Mc 10,17-22 - Mt 19,16-22 - Lc 18,18-23 - | 295. Aanklacht tegen schriftgeleerden en Farizeeën : Mc 12,37b-40 - Mt 23,1-12 - Lc 20,45-47 - |
Bible de Jérusalem : 1. Après le jour du sabbat, comme le premier jour de la semaine commençait à poindre, Marie de Magdala et l'autre Marie vinrent visiter le sépulcre. 2. Et voilà qu'il se fit un grand tremblement de terre : l'Ange du Seigneur descendit du ciel et vint rouler la pierre, sur laquelle il s'assit. 3. Il avait l'aspect de l'éclair, et sa robe était blanche comme neige. 4. A sa vue, les gardes tressaillirent d'effroi et devinrent comme morts. 5. Mais l'ange prit la parole et dit aux femmes : « Ne craignez point, vous : je sais bien que vous cherchez Jésus, le Crucifié. 6. Il n'est pas ici, car il est ressuscité comme il l'avait dit. Venez voir le lieu où il gisait, 7. et vite allez dire à ses disciples : Il est ressuscité d'entre les morts, et voilà qu'il vous précède en Galilée; c'est là que vous le verrez. Voilà, je vous l'ai dit.» 8. Quittant vite le tombeau, tout émues et pleines de joie, elles coururent porter la nouvelle à ses disciples. 9. Et voici que Jésus vint à leur rencontre : « Je vous salue », dit-il. Et elles de s'approcher et d'étreindre ses pieds en se prosternant devant lui. 10. Alors Jésus leur dit : « Ne craignez point ; allez annoncer à mes frères qu'ils doivent partir pour la Galilée, et là ils me verront. » 11. Tandis qu'elles s'en allaient, voici que quelques hommes de la garde vinrent en ville rapporter aux grands prêtres tout ce qui s'était passé. 12. Ceux-ci tinrent une réunion avec les anciens et, après avoir délibéré, ils donnèrent aux soldats une forte somme d'argent, 13. avec cette consigne : « Vous direz ceci : «Ses disciples sont venus de nuit et l'ont dérobé tandis que nous dormions. » 14. Que si l'affaire vient aux oreilles du gouverneur, nous nous chargeons de l'amadouer et de vous épargner tout ennui. » 15. Les soldats, ayant pris l'argent, exécutèrent la consigne, et cette histoire s'est colportée parmi les Juifs jusqu'à ce jour. 16. Quant aux onze disciples, ils se rendirent en Galilée, à la montagne où Jésus leur avait donné rendez-vous. 17. Et quand ils le virent, ils se prosternèrent ; d'aucuns cependant doutèrent. 18. S'avançant, Jésus leur dit ces paroles : « Tout pouvoir m'a été donné au ciel et sur la terre. 19. Allez donc, de toutes les nations faites des disciples, les baptisant au nom du Père et du Fils et du Saint Esprit, 20. et leur apprenant à observer tout ce que je vous ai prescrit. Et voici que je suis avec vous pour toujours jusqu'à la fin du monde. »