"Voor elven leef ik niet", zegt dominee Hans Visser tegen de
fotograaf die een kwartier voor afspraak de
Pauluskerk binnenloopt. Om elf uur is hij klaar voor het gesprek.
In de kerkgangen is het rumoerig: "Toch iets
teveel gestoorde mensen hier", mompelt de dominee, terwijl hij
de deur achter zich sluit. —Fidan Ekiz
De bijbel kent verschillende literaire
genres, waaronder ook mythologische
verhalen. Niet alles wat in de bijbel
staat is waar volgens de dominee:
"We moeten met onze tijd meegaan
en het heilige boek eigentijds
interpreteren. Een verhaal als van
Adam en Eva gaat bijvoorbeeld over
onszelf en de teleurstelling van God
over de mens. Eva pleegt in feite een
staatsgreep door van de appel te
eten."
Visser wist als klein jongetje al dat hij
dominee wilde worden. Van huis uit
kreeg hij een orthodoxe opvoeding
mee. "Als dominee kun je nog mens
blijven. Priesters lijken zich los te
moeten maken van de aarde en
worden zo mystiek. Toch, als ik in een
islamitisch land of milieu zou zijn
geboren, was ik imam geworden."
Visser groeide op in een traditioneel
milieu, veel lol kwam daar niet aan te
pas. "Van dansen komt zonde,
vertelde mijn moeder ons altijd. En
trouwen was om kinderen te krijgen.
Ik dacht toen: ‘ja maar het gaat toch
ook om vriendschap? Seks als
genotsmiddel was zelfs gevaarlijk.
Ook daar had ik mijn twijfels over.
‘Kom nou! Zo zal God het toch niet
bedoeld hebben’, zei ik tegen mijn
ouders. Nee, ik heb niet echt een
uitbundige jeugd gehad. Maar ik heb
het ook niet gemist. Mijn kinderen
zijn vrij in wat ze zelf willen doen."
Hoe zou de dominee reageren als zijn
kind homoseksueel blijkt te zijn? "In
de afgelopen 40 jaar hebben we
ontdekt dat het geen ziekte maar een
variant in de seksuele beleving is.
Sommige mensen zijn transseksueel:
je zit in een mannelijk lichaam, maar
voelt je vrouw. Het zal je maar
overkomen. Ik ben er gelukkig niet
een van, en val ook alleen op
vrouwen. Maar met je kinderen moet
je daar gewoon over kunnen praten",
vindt Visser.
Jammer is het volgens hem dat de
meeste jongeren te weinig weten van
heilige boeken: "En wat ze weten is
verkeerd", concludeert hij. "Geloof
geeft je een ruggegraat. Mijn geloof is
relatief : de bijbel is cultuur- en
tijdgebonden. Iedereen beleeft de
werkelijkheid op zijn of haar eigen
manier. God kan ik alleen volgen.
Voor Hem spreken kan ik niet, noch
kan ik door Zijn ogen kijken. Ik heb
God niet in mijn broekzak zitten."
| Interview dominee Hans Visser Tekst Rob
Janssen Foto Paul Peters |
Met bijna alles wat hij doet, baart hij opzien. Zijn felle, gepassioneerde
inzet voor daklozen, vluchtelingen,
drugsverslaafden, prostituees, werklozen en illegalen maakte
hem wijd en zijd bekend en geliefd. Maar niet minder omstreden. Dominee
Hans Visser is nooit bang geweest voor de confrontatie. "Ik kies graag
de radicale weg. De problemen die het soms oplevert heb ik er graag voor
over."
"De kerk moet ook de straat opgaan om een vuist te maken"
"Toen
ik twintig jaar geleden naar Rotterdam kwam, moest de kerk enorm aan mij wennen.
Omdat ik dingen deed die tot dan toe hoogst ongebruikelijk, ongewoon en ongepast
in een godshuis waren. Ik startte in de Pauluskerk het Diaconaal Centrum, een
opvangcentrum voor mensen in nood, randgroepen en buitenlanders en ik steunde
de havenarbeiders tijdens de grote havenstaking van 1979. Dat sloeg in de kerk
in als een bom. Stakers werden gezien als een stelletje anarchisten. Er werd
destijds zelfs gezegd dat ik maar naar Turkije moest vertrekken, of lid moest
worden van de communistische partij. Dat soort flauwekul. Tijdens een bijeenkomst
in Schiedam over het RSV-drama riep ik: God pikt dit niet. Daar heb ik enorm
voor op mijn lazer gehad van collega's. Ze zeiden dat ik dat niet had mogen
zeggen en dat het theologisch onverantwoord was. Maar ik sta er nog altijd achter
en ik zou het ook nu nog zeggen. Het was toen gewoon niet vanzelfsprekend dat
de kerk zich bemoeide met politieke vraagstukken, met armoede en ongelijkheid.
Ik heb veel moeten uitleggen, maar de afgelopen twintig jaar heeft de kerk op
die punten wel vooruitgang geboekt. Niet alleen door mij; ook veel collega's
hebben zich ervoor ingezet. De kerk heeft nu positie ingenomen ten gunste van
de armen. Ook binnen de rechterflank van de kerk, waar men zich vroeger met
hand en tand tegen de politiek verzette. In 1987 richtte ik voor de thuisloze
druggebruikers Perron Nul op. Je moet je voorstellen dat er in die tijd een
geweldige drugsoverlast was bij het station van Rotterdam. Perron Nul hield
de gebruikers uit de stationshal en -restauratie en de NS was er na een tijdje
heel tevreden over. De eerste jaren liep het project goed; het was kleinschalig,
overzichtelijk en het zette zoden aan de dijk. Men heeft wel eens gezegd dat
Perron Nul aan zijn eigen succes ten onder is gegaan. Het enthousiasme was zo
groot, dat het aantal bezoekers enorm toenam. Overbevolking werd het grote probleem.
In 1992 heeft een groep mariniers een grote kloppartij veroorzaakt. Ook de taxichauffeurs
verklaarden ons de oorlog. Het liep allemaal ontzettend uit de hand. Ik vroeg
burgemeester Peper om aanvullende maatregelen tegen de uitwassen van Perron
Nul. Die kreeg ik niet, de verloedering zette door. Peper luisterde liever naar
het bedrijfsleven; hij wilde gewoon van Perron Nul af. Achter mijn rug om werkte
hij regelrecht naar de sluiting van Perron Nul toe. Peper heeft me anderhalf
jaar belazerd. Hij is een onbetrouwbaar bestuurder, een ander woord heb ik niet
voor die man. Ik zei hem nog dat je Perron Nul niet kúnt sluiten zonder
alternatief. Hij deed het toch. In 1994 werd Perron Nul opgedoekt. Ja, en toen
kwam de chaos over Rotterdam waarvoor ik gewaarschuwd had. Vraag niet wat dát
gekost heeft. Het is een schande. Peper heeft door zijn eigen wanbeleid miljoenen
verkwist en toch kan hij rustig in de politiek blijven doorstromen. Als je maar
genoeg vriendjes hebt en een grote bek dan kun je floreren in de politiek. Sommige
politici zou ik wel eens willen vragen: Waar draait het nou eigenlijk om? Om
jouw carrière of om het landsbelang? In mijn werk is de dialoog heel
belangrijk, geweld wijs ik af. Een kerk wordt uiteindelijk afgerekend op basis
van wat Jezus aan inspiratie aan de mensheid heeft gegeven. In Jezus' leven
heeft gewelddadigheid geen belangrijke rol gespeeld. Hij heeft in een tempel
wel eens een tafeltje omgegooid; hij was niet een of andere softie. Maar hij
heeft er altijd voor gekozen om kwaad met goed te beantwoorden. Je moet dan
ook als kerk proberen om in die geest te blijven handelen. Voor mijn werk ben
ik bijvoorbeeld de dialoog aangegaan met druggebruikers en dat heeft tot veel
goeds geleid. Dat wil niet zeggen dat ik alles pikte wat ze deden en dachten,
maar er is een goede verstandhouding ontstaan. Ook met illegalen, buitenlanders
en mensen van andere godsdiensten en culturen. Ik heb altijd gezegd: een kerk
moet open zijn voor en in gesprek komen met alle mensen van de samenleving.
Ja, die visie kan wel eens conflicten opleveren. Ik sprak ooit eens een paar
goede woorden uit over pedofielen die verantwoordelijk willen omgaan met hun
leven. Zwaar onderwerp en bijna niet uit te leggen. Vonden collega's een schande.
Maar als je kinderen wilt beschermen, dan moet je met pedofielen aan de slag
om ze te leren hoe ze met kinderen moeten omgaan. Als je alleen maar zegt dat
het schurken zijn en ze vervolgens opsluit, dan begint de ellende pas goed.
Dát is de dialoog met de samenleving. Als je de dialoog niet voert, dan
schop je mensen aan de kant en die gaan dan later weer rare dingen doen. Een
kerk is er voor iedereen. In de Pauluskerk komen ook mensen die niet gelovig
zijn. De kerk is een sociale beweging in de samenleving en geeft aandacht aan
de inrichting van een stad, de opbouw van de samenleving, de voortgang van techniek,
wetenschap en kunst, de zorg voor de armen etcetera. Dat betekent ook dialoog
met de politiek. De kerk is géén politieke partij maar doet wel
aan politiek. Ze zal opkomen voor de belangen van de mensen. Daarvoor kan de
kerk wisselende coalities vormen met politieke partijen; soms zul je de ene
partij wat meer bijvallen dan de andere. Maar de kerk moet zich niet aan een
partij binden en dat is ook de reden waarom ik nooit lid ben geworden van een
politieke partij. Ik wil altijd mijn handen vrij houden. Politiek draait om
de inrichting van de samenleving. En geloof is niet alleen een kwestie van geest,
gevoel en ziel. Het geloof moet tot uitdrukking gebracht worden in de politiek.
Als de kerk een sociale beweging wil zijn, dan zal ze naar de politiek moeten
gaan om te zeggen: Jongens, hier ligt een stuk verantwoordelijkheid voor jullie."
Laat de politiek het dan afweten, dan moet de kerk in actie komen en een eigen
plan trekken. En zeker niet het bijltje erbij neer gooien. Het belang van de
nationale staat neemt af. De globale economie is in de wereld een eigen macht
geworden. Belangrijke beslissingen worden genomen op Wallstreet en zo. Alles
gaat om geld maken. Er zijn er natuurlijk velen die daarvan profiteren, maar
we weten ook dat er in de wereld door de globale economie uitstoot plaatsvindt.
Er worden complete landen, volkeren en werelddelen uitgestoten. Afrika is daar
een voorbeeld van. Daarnaast worden ook grote groepen mensen in westerse metropolen
de dupe. De reactie daarop is dat er in de wereld steeds meer mensen hun toevlucht
gaan nemen in nationalisme, fundamentalisme en criminaliteit. Dat zijn levensgevaarlijke
ontwikkelingen die je niet moet onderschatten. Globale economie is prima, maar
je moet zorgen dat de uitstoot afneemt. Er moeten meer mensen profiteren. Het
kan gewoon niet zo zijn dat de een zich mateloos zit te verrijken en de ander
tegelijkertijd zit te verrekken. Als Paars vasthoudt aan bepaalde vormen van
beleid die in dat kader onacceptabel zijn, dan moet de kerk daartegen te keer
gaan. De kerk zegt doorgaans: ja, maar we doen al veel: we hebben een wereldwinkel
en we zijn ook tegen armoede en we hebben een brief gestuurd naar het kabinet.
Ik heb altijd gekozen voor de wat radicalere oplossing. Ik zeg dan: Da's allemaal
mooi, maar je moet ook de straat op om een vuist te maken.
Dominee Hans Visser (57) is een ongewone dominee in een ongewone kerk. Hij
veranderde de Rotterdamse Pauluskerk in een toevluchtsoord voor mensen die op
de rand van de afgrond balanceren. Het beruchte project Perron Nul maakte van
de drugsproblematiek in een grote stad jarenlang voorpaginanieuws. Met zijn
acties voor de kansarmen, zijn krachtige uitspraken en zijn boeken en artikelen
geeft hij telkens een opzienbarende visie op kerk en samenleving
| 'Kerk mag zich niet op berusting toeleggen' door
Evert Mathies |
Ds. Hans Visser, de dominee van de Pauluskerk in Rotterdam is
een begrip. Al jarenlang staat hij op de bres voor
daklozen, drugsgebruikers en al wat er verder maar aan mensen
in nood op zijn pad komt. Nuchter, met beide benen op de grond, gaat hij
zijn geheel eigen gang. En als 'de autoriteiten' in zijn ogen weer eens
te ver, of niet ver genoeg gaan, is hij niet de beroerdste om hen dat duidelijk
uit leggen. En als hij 's avonds nog tijd over heeft, studeert hij. En
onlangs promoveerde hij op de rol van de kerk in de stad. Kerkinformatie
sprak met hem. 'Kerk mag zich niet op berusting toeleggen' ( http://www.kerknet.smra.nl/communicatie/ki/mrt2000.html#VISSER
)
'Zo'n intro hoort, is mij gezegd, niet in een proefschrift thuis.
Die komt straks wél in de handelseditie, hoop ik', zegt ds. Hans
Visser.
Ruim dertig jaar geleden spoorde de voorzitter van het bestuur van
de Zendingshogeschool in Oegstgeest prof. dr. H.
Berkhof de jonge theoloog Hans Visser aan een dissertatie te schrijven.
Korte tijd later adviseerde de Utrechtse missioloog dr. J. M. van
der Linde Visser om als thema de apostolaatstheologie van prof. dr.
A. A. van Ruler te kiezen. Eind februari, dertig jaar na Berkhofs aansporing
promoveerde Visser (nu 57) aan de Universiteit Utrecht op het proefschrift
'Creativiteit, wegwijzing en dienstverlening: de rol van de kerk in de
postindustriële stad' (Uitgave Boekencentrum Zoetermeer). Kerkinformatie
sprak met hem naar aanleiding van zijn promotie.
Een doener
Ds. Hans Visser heeft zoals bekend de afgelopen dertig jaar veel
méér gedaan dan studeren. Hij was zendingspredikant in Indonesië
en werd in 1979 diaconaal predikant (directeur van de hervormde Stichting
voor kerkelijk sociale arbeid) in Rotterdam. Bij wijze van spreken
dag en nacht werkte en werkt hij in en vanuit de Pauluskerk in het hart
van de stad.
'Hans Visser staat namens de kerk met z'n laarzen in de bagger,
hij is op en top een doener', zegt een van zijn
collega-predikanten. 'Een man die niet alleen veel drugsverslaafden
en illegalen op zijn weg treft, maar ook tal van
kerkelijke vrijwilligers, politici, ambtenaren en stadsbestuurders.'
Niettemin: hij heeft ook veel tijd voor studie genomen, zoals dezer
dagen weer uit zijn promotie blijkt. Zijn promotors
waren de theoloog Jongeneel en de planoloog Kreukels.
Natuurlijk, en gelukkig maar, staat 'de stad' centraal in het boek,
want de presentie van de kerk in de stad heeft hem
steeds intensief beziggehouden: in de Pauluskerk, in zijn studeerkamer,
op en bij 'Perron 0', en op de fiets. Veelal in
gesprek met anderen. 'Deze promotiestudie is geworteld in mijn ervaringen
in de Pauluskerk sinds 1979 en gaat uit van mijn reflecties op het
werk binnen deze kerk.'
Visser ontdekte dat de stad uit de markt is voortgekomen en dat de
stad zoals die in de bijbel wordt omschreven in geen verhouding staat
tot de moderne stad in het industriële, maar ook in het 'postindustriële'
tijdperk: dat van de
informatiesamenleving.
'Negatieve stadsbeelden uit de bijbel hebben geen geringe invloed
gehad op de beeldvorming van de steden in later tijden. De stad behoort
tot de goede schepping, zij is niet het gevolg van de moord van Kaïn
op Abel. De markt die de
aanzet is tot de stad is door de menselijke zonde bedorven. Maar
de markt op zich kan niet negatief worden geduid. De markt kan volgens
de thora worden ingericht.'
Hans Visser is van mening dat de stad gave en opgave is. 'De stad
is niet iets wat mensen zomaar overkomt, maar zij is wat de mensen
ervan maken.'
Visser gaat uitvoerig in op beschouwingen over de stad van onder
anderen Augustinus, Manuel Castells, Johannes
Wichern, Jacques Ellul, Harvey Cox en Harvey Conn. Maar ook A. A.
van Ruler (met wiens apostolaatstheologie de
promotiestudie ooit begon) wordt vaak geciteerd.
Kerk als trendsetter
Hans Visser rekent af met de gedachte dat de kerk trendvolger in
de stad zou moeten zijn, dat zij de stad als voldongen feit zou dienen
te accepteren en zich zou moeten concentreren op de negatieve aspecten
van de stad. De kerk mag zich niet op berusting toeleggen, leert Visser.
Hij pleit voor de ontwikkeling van de kerk als sociale beweging in de postindustriële
stad. 'De sociale beweging kan een aanvang nemen in een lokale cultuur.
De kerk kan opnieuw de ruimte van de stad heroveren en met privatisering
breken. Zij kan het weer als haar roeping gaan zien bij te dragen aan zingeving
van de stad als basis van haar proclamatie van de thora die vervuld is
in Jezus Christus; met hem is het Rijk van God aangebroken in deze wereld.'
De kerk dient dus trendsetter in de stad te zijn, vindt Visser. 'De
kerk is zélf een netwerk, dat dwarsverbindingen met
andere netwerken van markten, cultuurcentra, universiteiten, onderzoekscentra,
recreatieplaatsen, enzovoort, schept.
De kerk leeft in de hoop dat de stad van de aarde de stad van God
wordt.'
De predikant van de Pauluskerk werkt een en ander uitvoerig uit.
De dissertatie is ook daarom zo boeiend omdat Hans
Visser geen studeerkamergeleerde is. Hij is de verpersoonlijking
van een gepromoveerde theoloog die dag in, dag uit in aanraking komt met
de praktijk van zijn beschouwingen. Met die praktijk is hij altijd in de
weer: ook tijdens ons gesprek bij hem thuis, met uitzicht op de Maas, wordt
hij viermaal gebeld: driemaal uit de Pauluskerk en eenmaal uit het stadhuis.
Hoe hij in de hectiek van alledag toch deze dissertatie heeft kunnen
schrijven? 'Och, ik beschik over enige zelfdiscipline: als ik 's avonds
thuis kom ga ik rustig nog een paar uur studeren…'
| Rotterdams Dagblad Geloof in Rotterdam:
Doctor Hans, door(Taco Noorman is hervormd stadspredikant te Rotterdam |
De dag voor Kerstmis las ik in het Amsterdamse Parool een interview
met Hans Visser. Uiteraard ging het over de rol van de Pauluskerk en zijn
betrokkenheid daarbij: 'In de samenleving zie je allerlei mechanismen om
mensen waar men geen raad mee weet weg te doen - en dan moet iemand maar
eens zijn tanden daar op kapot bijten.' Maar wat de journalist kennelijk
verbaasde was wat Visser vertelde over zijn voorbereiding op de drie kerstdiensten
in de Pauluskerk. Zijn conclusie: 'De dominee is, in tegenstelling tot
wat wel wordt gedacht, zeker niet van God los.'
Een week later meldde het Rotterdams Dagblad dat Visser door de
lezers van deze krant tot de toptien Rotterdammers van de twintigste eeuw
wordt gerekend. Het begeleidende artikel sprak van zijn 'tomeloze inzet,
doorzettingsvermogen en overtuiging', waarmee hij opkomt voor randbewoners
in onze stad.
Hoezeer de theologische inzet van Visser en zijn maatschappelijke
betrokkenheid bij elkaar horen blijkt uit het proefschrift, waarop hij
gisteren aan de Utrechtse theologische faculteit promoveerde. Het was een
mooie dag. Velen hadden de reis van Rotterdam naar Utrecht gemaakt. De
promotiezaal bleek veel te klein. Ook bij het feestmaal waren er stoelen
te weinig. Daarentegen waren er feestredenaars te over. Zo maakte de dag
soms een licht chaotische indruk. Maar dat alles was alleen maar passend
bij deze jonge doctor. Vissers boek is een product van uitgebreide studie,
vol voetnoten, verwijzingen, polemiek en discussies. Het laat zich lezen
als een theoretische verantwoording van het Pauluskerkmodel zoals zich
dat de laatste twintig jaar in Rotterdam ontwikkeld heeft. Daarbij onderzoekt
Visser hoe het komt dat de stad in de christelijke traditie vaak zo'n negatief
beeld gekregen heeft. Hij laat zien dat er ook een theologische visie ontwikkeld
kan worden die leidt tot een positievere waardering van de stad. Mensen
kunnen daar in vrijheid hun eigen sociale verbanden kiezen.
Steden zijn gegroeid rond de markten waar de waren worden uitgewisseld,
niet alleen economisch maar ook sociaal, cultureel en religieus. Niet voor
niets is in vele steden de kerk direct aan de markt gelegen. Ook in de
huidige stad ziet Visser de rol van de kerken als een van de spelers op
de 'markt', het publieke domein, waar burgers, overheid
en bedrijfsleven gezamenlijk verantwoordelijk voor zijn. Lokale
politiek wordt daarbij hoe langer hoe belangrijker: veel problemen kunnen
niet meer vanuit Den Haag of Brussel, maar alleen stedelijk worden opgelost.
De kerk heeft daarbij als inbreng de droom van het Koninkrijk Gods, als
belofte voor een waarlijk menselijke samenleving.
Visser is er, sinds gisteren ook als doctor in de Godgeleerdheid,
voor velen een sprekende getuige van. Vanavond wordt bij Donner Boeken
met hem een openbaar gesprek gevoerd over enige van de belangrijkste stellingen
uit zijn geleerde boek.
Inleiding
De eerste lezing van dit jaar, van de Spirituele Sociëteit
Zeeland, gaat over spiritualiteit en geweld en wordt verzorgd door Ds.
Hans Visser. Hij is verbonden aan de Pauluskerk te Rotterdam en zet zich
in voor daklozen, drugsgebruikers, illegalen en uitgeprocedeerde vluchtelingen.
Hij is werkzaam geweest in Zuidwest-Groningen en in Indonesië en werkt
sinds 1979 in Rotterdam. Hij is gepromoveerd in Utrecht op een proefschrift
handelend over “Creativiteit, wegwijzing en dienstverlening – de rol van
de kerk in de postindustriële stad”.
Ik vraag mij af wat spiritualiteit en geweld zal inhouden en
hoe hij daar uitleg over zal geven.
Spiritualiteit en geweld
Hans Visser opent zijn speech met “Wat verstaan wij onder spiritualiteit
en geweld”. Onder geweld verstaan wij een aanslag op de fysieke en psychische
integriteit van personen of groepen in hun leefomgeving. Vanuit zijn functie
heeft hij veel te maken met geweld in de grote stad. Hans vertelt dat hij
ooit heeft meegedaan aan een optocht tegen geweld, vanwege een moord op
een drugverslaafde. Hij heeft tijdens deze optocht ook zelf een toespraak
gehouden tegen geweld. Een maand na dit evenement stak de man, die de optocht
organiseerde zelf iemand neer. Na deze optocht besloot hij nooit meer aan
zulke evenementen mee te doen.
Visser concludeert dat gewelddadigheid, vooral ten aanzien van
psychische integriteit, iets is van ieder mens. Er wordt wel eens gezegd:
“hij of zij vecht als een beest,” maar de mens is het meest gewelddadige
“beest” van het hele universum. Ik vraag mij af of het begrip universum
hier wel past. Wie zegt dat er op andere planeten geen wezens wonen die
nog veel gewelddadiger zijn.
Christus
Hans vervolgt dat spiritualiteit heeft te maken met de geest waarin
wij willen leven. Zelf probeert hij te leven in de geest van Christus.
Deze geest is ook werkzaam in andere godsdiensten. Gandhi was erg geïnspireerd
door Christus, dus universeel van karakter. Jezus zei “heb je vijand lief”.
In de oertijd had je de onbeperkte bloedwraak. Families bleven elkaar toen
uitroeien. Dit speelde ook in de tijd van Mozes, zo’n 2000 jaar voor Christus.
Mozes riep toen op om het principe van oog om oog, tand om tand toe te
passen. Dit was al een hele verbetering. Hier werd mee bedoeld om een bloedwraak
eenmalig toe te passen en daarna te stoppen.
“Gij zult niet doden” in de Thora, betekende destijds “houdt
op met onbeperkt wraak nemen”. Jezus draaide dit om. Hij zei dat je gewelddadigheid
moet beantwoorden met het toekeren van de andere wang. Beantwoording van
het kwaad met het goede. Spiritualiteit betekent zoeken naar vrede en liefde
in jezelf en in anderen.
Hans Visser noemt God de grond van zijn bestaan. Je kunt God
ook omschrijven als vader of moeder, maar God is niet binnen ons bereik.
God heeft zich volgens de menselijke benadering wel als mens geopenbaard.
Hans is zeer bescheiden met het praten over God. “Hij zit niet in je broekzak”.
Belangrijk is vrede met God te hebben en vrede met jezelf en je naaste
die op je pad komt. Als alles van God is, dan mag je met alles in ons bestaan:
boom, auto en huis je blij zijn, maar de wereld is niet volmaakt. Vooral
vroeger dachten de mensen dat er naast God ook demonen, satan of hoe je
het ook wil noemen waren, dus kwade krachten. Joden hadden een andere theorie;
die zeggen: “God is de maker van het goed en het kwaad maar koos voor het
licht.” Als je leeft in de spiritualiteit van Christus dan heb je met al
deze krachten te maken.
De islamieten kennen de djihad. Hiermee wordt een uiterst inspannende
geestelijke strijd bedoeld. Dus de
associatie met bommen en geweld is niet juist. In het christendom
heeft die geestelijke strijd zelfs tot
kruistochten geleid. Dat was ook niet juist. In de Islam wordt
oorlog door sommige opgehangen aan de djihad.
De persoon van Jezus zorgde in het christendom dus voor een keerpunt.
Het gaat niet om de sterkste ook al is dit wel het principe van de evolutie.
Wij zullen als mens het roer moeten omgooien, als homo sapiëns, niet
langer het recht van de sterkste laten gelden maar meer moeten streven
naar compassie en geweldloosheid.
Indonesië
De afgelopen weken is Hans Visser in Indonesië geweest. In
dit gebied, Sulawesie/Celebes, heeft recent een conflict tussen moslims
en christenen plaatsgevonden. Omdat hij daar vroeger gewerkt heeft, voelt
hij zich daar nu nog erg bij betrokken. Waar komt die gewelddadigheid nu
vandaan. Door het intrekken van andere groepen in dit gebied zoals in dit
voorbeeld de islamieten, ontstaat de situatie dat deze nieuwelingen huizen
en land gaan kopen en geleidelijk ook de macht overnemen. Beïnvloed
door de beelden van onlusten op TV uit andere gebieden en andere invloeden
komt de
ontevredenheid. Drank speelt ook een belangrijke rol. De eerste
onlusten komen door het drankmisbruik. Daarna escaleert de zaak. Anarchie
over en weer. Mensen vermoorden elkaar, huizen worden vernietigd, kerken
in brand gestoken etc.
Volgens Hans Visser is er een onderscheid tussen zelfverdediging
en bewust doden. Als voorbeeld noemt hij: "Stel er komt een man schietend
binnen. Ik zal hem zeker proberen uit te schakelen en misschien wel doden”.
Dit is zelfverdediging. Je hebt het recht op zelfverdediging. “Heb je vijanden
lief,” zei Jezus. Dat geldt ook in geval van andere religies. Wij, christenen,
Indonesiërs, praten over islamieten als mensen van de andere kant,
terwijl het onze broeders en zusters zijn. De oplossing om te proberen
de ander christen te maken of islamiet is niet de weg.
Geweld in de stad Rotterdam
Een paar jaar geleden na een voetbalwedstrijd van Feijenoord,
ontaardde het feest daarna in een complete chaos. Nadat de politie de supporters
uit elkaar probeerde te halen door in de lucht te schieten, escaleerde
dit weer in enorm geweld van de zijde van de supporters. Het bestuur van
de gemeente Rotterdam besloot toen, dat de politie zich moest terugtrekken
uit de binnenstad. Toen het gezag wegviel ontstond er anarchie. Er kwamen
ineens mensen op scooters overal vandaan om mee te plunderen. De binnenstad
werd in korte tijd een opeenhoping van kapotte ruiten en plunderingen.
Als je er iets van zei, “zoals ik toen nog geprobeerd heb,’ aldus Hans
Visser, kon je zelfs nog klappen oplopen. Zo zie je dat als gezag wegvalt
dat mensen in een primitief stadium terug vallen.
Leefbaarheid in de stad
Aanvankelijk is er in de stadssociologie zeer negatief gedacht
over de stad. Robert Ezra Park definieerde de stad echter als een “state
of mind”. Volgens hem is de stad niet een noodlot dat zich aan de mensen
voltrekt, maar het is de cultuur van de mensen zelf die bepaalt of een
stad gemaakt of gebroken wordt. Er zijn twee modellen voor leefbaarheid
in een stad: Er kan een situatie ontstaan waarin de burger zich geheel
afhankelijk maakt van de overheid, die de uitkeringen garandeert en de
subsidies verstrekt. De burger houdt zijn hand op en gaat eisen stellen.
De overheid kan alle verantwoordelijkheden afschuiven op de burger
en zich terugtrekken. Er zullen mensen buiten de boot vallen en hun eigen
plan trekken. Maffia en criminaliteit zullen de gevolgen kunnen zijn.
In Amerika is dat nog erger. Een stad kan onleefbaar worden door
de praktijken van maffia en criminaliteit. In Nederland zijn er wijken
bijvoorbeeld de Bijlmer, waar de politie de greep op kwijt is. In een cultuur
waar waarden en normen zijn moeten wij zelf bepalen of wij geweld willen
laten toenemen of niet. Het is goed je te verplaatsen in de ander, bijvoorbeeld
in de huid van een zwerver, een illegaal of in iemand die schulden heeft.
Als je dit echt doet dan ga je milder oordelen over deze mensen.
Hans Visser is optimistisch over de stedelijke samenleving. Het
valt wel mee, je moet niets overdrijven. In
de middeleeuwen was het veel onveiliger, zeker op het platteland.
Daar had je zelfs roversbenden. De politie is oorspronkelijk door de rijken
in het leven geroepen; dit om hen te beschermen. Onveiligheid in een stad
kun je bestrijden. Onveiligheid is ook een gevolg van erosie van de openbare
ruimten. In de steden gaat men sommige openbare ruimten via camera’s bewaken.
Dan zie je dat de meeste autokraken en andere criminaliteit buiten het
camera gebied gaan plaatsvinden. Sommige delen van de steden in Amerika
worden bewaakt met slagbomen. Men bouwt huizen met de ramen naar de binnenplaats
en kleine raampjes naar de boze buitenwereld. Manuel Castel zegt, dat de
mens besluit zijn privé wereld tot een soort paradijs te maken.
Je hebt internet je kunt e-mailen. Je hebt de openbare ruimten niet meer
nodig. Dit is natuurlijk een slechte ontwikkeling. De openbare ruimten
zijn er om mensen te ontmoeten van aangezicht tot aangezicht.
Bolletjes-slikkers
Er is momenteel een discussie aan de gang over de bolletjes-slikkers.
Wat zijn bolletjes slikkers eigenlijk voor een mensen? Veelal zijn dit
gebruikers die schulden hebben en door het vervoer van deze bolletjes weer
geld willen verdienen. Dit zijn vaak geen grote criminelen. Waar maken
wij ons druk om? De vraag is: “Is een verbod wel de oplossing van dit probleem,
want tabak en alcohol zijn ook niet verboden en daar sterven mensen ook
aan”? We hebben daar wel goed beleid voor gemaakt. Dat zou je met drugs
ook kunnen doen. De beste oplossing zou zijn om hierin te sturen. Als wij
geweld willen terugbrengen moeten er sociale keuzes gemaakt worden. Jongeren
die afkomstig zijn uit lagere klassen van de samenleving slagen er niet
in om de gewenste doelen te bereiken.Van hun ouders hebben ze onvoldoende
meegekregen om de benodigde kennis hiervoor te kunnen verwerken. Ze komen
onder druk te staan, ze raken gefrustreerd. Deze frustraties kunnen ertoe
leiden dat zij situaties van onveiligheid scheppen voor jongeren die wel
in staat zijn hun doel te bereiken. Ze terroriseren, ze pesten, ze roven,
ze stelen en vernielen. Het is de ervaring van Hans Visser dat mensen die
geheel onder aan de ladder staan, bijv. illegalen die ook drugsgebruiker
zijn, zich vaak overgeven aan volstrekt zinloze vernielingen: wc-potten
slopen, kranen ontwrichten. Bij onderzoek blijkt dat dit een vorm van protestgedrag
is. “Ik kan niet meedoen, dus ik doe zo mee, op mijn manier.” Jongeren
die zo vervreemden van de samenleving, gaan ook over op bendevorming. Er
ontstaan dan subculturen, die zeer geïnteresseerd zijn in criminaliteit
die veel gewin geeft.
Ook het ontstaan van maffiose culturen is vaak een reactie op
de uitstoot van de globale economie. Vaak geldt het recht van de sterkste,
de slimste. Consumptiegoederen hebben een geweldige zuigkracht. Het menselijke
geluk wordt afgemeten aan het bezit van allerlei consumptiegoederen. Er
zijn mensen die deze goederen niet kunnen kopen en ze dan maar ontvreemden.
Het gevoel van veiligheid
Hans Visser stelt dat je veiligheid is een subjectieve zaak is,
die je zelf bepaalt. De burger blijkt zich pas veilig te voelen als hij
er zelf in gelooft. Dus ondanks alle maatregelen. Ook in de Pauluskerk
waren er klachten van de omgeving, men voelde zich onveilig. Op verzoek
van de omgeving zijn er toen maatregelen genomen zoals: meer lantaarnpalen,
er zijn schuttingen geplaatst rond de tuinen van de omwonenden en bosjes
weg gehaald. Ook al had Hans Visser de indruk dat alles hetzelfde bleef,
de omwonenden geloofden in de maatregelen en voelden zich veiliger.
Theologie en stad
Theologisch gezien is er ook vaak negatief gedacht over de stad.
De cultuurfilosoof Jacques Ellul ervaart de stad als een verheviging en
verdichting van de morele en sociale problemen zoals onderdrukking, verarming
en normvervaging. De kwaliteit van leven wordt aangetast. Stedelijke situaties
zijn levensbedreigend. Individualisering vervreemdt. Solidariteit neemt
af. De torenbouw van Babel herhaalt zich in de grote steden. Het wereldeconomisch
systeem van de vrije markt heeft de plaats ingenomen van God, is het Gouden
Kalf van de moderne tijd geworden. Ellul schildert hoe de aardse stad haar
wortels vindt in het optreden van Kaïn die zijn broer vermoordde.
De geschiedenis van de stad begint met een moord. De stad is bezeten van
de demonen. De zorgwekkende toestand in oude stadswijken geldt als bewijsvoering.
We hebben inmiddels geleerd dat een mens beschikt over drie soorten kapitaal:
economisch, sociaal en cultureel kapitaal. In kerken is men nogal eens
geneigd alleen na te denken over gebrek aan economisch kapitaal, maar in
arme stadswijken blijkt dat mensen toch vaak groeien en bloeien door die
andere vormen van kapitaal: het
sociale en het culturele kapitaal. Visser ziet geen reden
voor somberheid. Individualisering is niet slecht. Ieder zoekt binnen zo’n
grote stad toch weer zijn eigen netwerk op.
Vrede makende criminologie
Hans Visser is een voorstander van het streven naar vrede makende
criminologie. We moeten het geloof verliezen in het geweld van de staat,
in dood- en gevangenisstraffen. Het geweld in de wereld moet gedeëscaleerd
worden door verzoening, bemiddeling en gesprek. De Golfoorlog en Kosovo
hebben bewezen dat geweld geen resultaat geeft. De enige weg tot vrede
is altijd de vrede zelf. Straf doet haat toenemen. Kijk naar de Palestijnen
en Israëliërs, een uitzichtloos gebeuren. Rond 1860 leefden Joden,
Christenen en Islamieten vredig naast elkaar in één land.
Door het land na de 2e wereldoorlog aan de Israëliërs toe te
wijzen is het probleem ontstaan. Onvoorstelbaar hoe deze
samenleving ontwricht is. Martelaarsdrang van Islamieten, die
onschuldige burgers doden. Israëliërs die alles weer bombarderen.
Mensen raken alles kwijt. Haat, nijd, wraak en intimidatie. Er is maar
één weg, praten en stoppen met geweld.
De sterke en de zwakke samen op weg
Laten wij werken aan een samenleving waarin wij leren dat we elkaar
als mensen nodig hebben. Vaak zijn we
gewend dat de zwakken de sterken nodig hebben, maar zou het ook
niet omgekeerd kunnen zijn: dat de sterke
de zwakke nodig heeft? De innerlijke harmonie, de innerlijke
genezing ontstaat pas wanneer de sterke ontdekt dat hij inderdaad die zwakke
nodig heeft. Jean Vanier zegt: de zwakke wekt in ons hart de krachten van
tederheid, medeleven, goedheid en gemeenschap op. Hans Visser geeft een
voorbeeld. “Tijdens mijn reis in Indonesië moest ik een stuk reizen.
Deze reis kon ik niet alleen doen. Ik ben op zoek gegaan naar een chauffeur
met auto. Toen ik deze uiteindelijk gevonden had, raadde iedereen, tot
mijn verbazing, mij af om met deze man, een islamiet, alleen in de auto
te reizen. Ik ben toen eerst maar eens gezellig met deze man gaan eten,
om elkaar een beetje te leren kennen. Daarna zijn we op reis gegaan. Tegen
de avond zijn wij gestopt en hebben een hotelletje gezocht. De man vertelde
mij dat hij in de auto zou slapen, maar ik zei: ”Niets daarvan; je slaapt
net als ik ook lekker in een bed in het hotel.”
Ik heb mij deze hele reis geen moment bedreigd of onveilig gevoeld.
Dit is een voorbeeld dat je elkaar nodig hebt hoog of laag of rijk of arm.
Na de pauze zijn er nog vragen, die vooral te maken hebben met
de begrippen geweld en geweldloosheid, zoals
ondermeer:
Vraag: Er is ook echte geweldloosheid. Kijk maar naar mensen zoals
Gandhi en de Dalai Lama. Hoe is dit verklaren? Heeft dat niet te maken
met het niveau van spirituele ontwikkeling?
Antwoord: Ik hanteer t.a.v. geweld, het begrip situatie-ethiek.
De norm is altijd een toegepaste waarde in een situatie. Zoals Jezus, die
zei: “Keer je linkerwang toe als je op je rechter bent geslagen.” De situatie
bepaalt het. In de 2e wereldoorlog heeft het verzet ook geweld gebruikt
tegen verraders en deze zelfs gedood. In zekere zin is dit te begrijpen.
Ook in het verzet hebben sommigen er voor gekozen om wel aan sabotage mee
te doen, maar niet aan het moorden. In Indonesië heeft Visser zelf
de periode meegemaakt van de jacht op de communisten. Het ontaardde in
intimidatie en verkrachting. Wat konden we doen? Niet zoiets als schieten,
ik kon zelfs niet schieten. Eén keer hebben we toch een militaire
commandant aangepakt die vrouwen verkrachtte. We hebben namelijk zijn carrière
gebroken. Geweldloosheid was in deze situatie het grondprincipe. Situatie-ethiek
kan ook anders uitpakken. Net voor het begin van een Kerstnachtdienst kwam
een man met een ijzeren staaf de kerk binnen en begon ons te bedreigen.
Ik ben met toga en al frontaal op deze man gesprongen en heb daarbij ook
enkele klappen uitgedeeld. Daarna is de politie gekomen en die heeft hem
afgevoerd. De eerste minuten van de kerkdienst moest ik daar natuurlijk
wel even van bijkomen. Gelukkig begon de dienst met veel kerstliederen.
Dus toen was de enige oplossing vloeren. Het risico bij
situatie-ethiek is wel, dat je snel rechtvaardigt om toch geweld
te gebruiken. Mooi voorbeeld is Gandhi. India zelf heeft dat echter niet
volgehouden.
Vraag: Marcel van Dam is een voorstander van de drugs uit de criminaliteit
te halen. Vindt u dat ook voor gestverruimende middelen zoals LSD etc.?
Antwoord: Priesters en sjamanen gebruiken in sommige religies
soms middelen om hun geest te verruimen. Dat doe je ook al met een beetje
alcohol, je praat dan vaak wat vlotter. Dat geeft niets, maar je moet wel
op tijd stoppen; anders ga je zwammen. Dat geldt ook voor hasj, je voelt
je daarbij prettig, maar doe dat dan niet elke dag, dan is het verslavend.
Dit is ook weer een breed gebied en de vraag is waar liggen de grenzen.
Voor sommigen speelt het zelfs een spirituele rol of een meditatieve, bijvoorbeeld
voor het krijgen van een godsbeleving als een existentiële totaal
ervaring. Men denkt dat het drugsgebruik zo’n stadium kan bevorderen. Drugs,
mensen, extase hebben iets met elkaar te maken.
| (Utrechts Universiteitsblad jg 31, 24 februari
2000). Pauluskerk-dominee Hans Visser promoveert: 'De stad is een uitdaging
die je niet moet ondergaan maar moet maken' Karin Alberts |
Hans Visser geniet landelijke bekendheid
als dominee van de Pauluskerk in Rotterdam.
Visser gooide zijn kerkdeuren
open voor daklozen en drugverslaafden en is niet bang voor het
uitdragen van omstreden standpunten.
Iets wat de kerk veel meer zou moeten doen, aldus
een stelling die hij opschreef
in het proefschrift dat hij op 24 februari aan de UU verdedigt.
Gehavend doet dominee Hans Visser
de voordeur open. Zijn linkeroog is blauw, op zijn voorhoofd
zit een bult vol korsten. Zes
dagen eerder heeft hij een ongeluk gehad. Het gekke is, hij herinnert
zich er niets van. Het ene moment
steekt hij de weg over, het volgende moment wordt hij wakker in
een ziekenhuisbed. "De periode
daartussenin is een zwart gat. Dat schijnt wel vaker voor te komen
bij een hersenschudding", zegt
Visser. Hij heeft geluk gehad, de kneuzingen genezen goed.
Vanwege zijn weekje 'ziek-zijn'
vindt het interview bij hem thuis plaats. Aan de oever van de Maas
bewoont Visser een tweekamerappartement
met uitzicht op de Erasmusbrug. Rotterdamser kan
bijna niet.
Hans Visser is geen doorsnee dominee.
Hij neemt het op voor de uitgestotenen van de
maatschappij: het heroïnehoertje,
de jeugdige drugskoerier, de dakloze. Niet alleen vinden zij soep
en brood en een luisterend oor
in zijn Pauluskerk. Visser neemt ferme standpunten in en verdedigt
die onvermoeibaar, onder meer
op de opiniepagina's van dagbladen. Zijn pleidooien voor de vrije
verstrekking van harddrugs aan
zwaarverslaafden ligt waarschijnlijk het meest vers in het
geheugen. Eerder, in de jaren
zestig, ging hij de straat op om te demonstreren tegen de
wapenwedloop. En tijdens zijn
verblijf in Indonesië in de jaren zeventig dreef hij de autoriteiten
tot
wanhoop met zijn strijd tegen
corruptie en onderdrukking.
Wat buiten het zicht van de media
bleef: al die tijd werkte Visser in zijn spaarzame vrije tijd aan
zijn promotie-onderzoek. Dertig
jaar geleden begon hij zijn speurtocht naar de rol van de kerk in de
moderne stad. Tien jaar geleden
werd het serieus. Visser: "Toen vulde ik van die formulieren in en
zocht twee promotoren." Hij stortte
zich enthousiast op allerlei boeken en schreef vellen vol. Een
aantal jaren later zat hij met
een stapel papier vol mooie teksten maar zonder kop of staart. Bijna
gooide hij het bijltje erbij neer.
Zijn toenmalige promotor vond dat hij het werk moest uitgeven als
een gewoon boek. Omdat die optie
Visser niet bevredigde,legde hij de stapel teksten voor aan een
andere theoloog, de hoogleraar
Jongeneel. Die zag er wel degelijk promotie-materiaal in. Maar dan
moest wel de hele boel overhoop.
Samen schreven ze een nieuwe opzet waarin de helft van het
werk sneuvelde. Visser: "Jongeneel
leerde me om mij te beperken tot de hoofdlijn. Ik was bezig een
heelal te bouwen dat alsmaar uitdijde.
Dankzij de onverbiddelijkheid van Jongeneel is het goed
gekomen."
Parochiemodel
Het resultaat is een dissertatie
van ruim driehonderd pagina's:Creativiteit, wegwijzing en
dienstverlening: de rol van de
kerk in de postindustriële stad. Vissers beschrijft de ontwikkeling
van
de stad door de geschiedenis heen
en onderscheidt drie tijdvakken: de preïndustriële, de industriële
en de postindustriële tijd.
Vervolgens onderzoekt hij de plaats en de rol die de kerk innam in de
steden uit die periodes. Hij heeft
zich moeten aanpassen aan de regels van het wetenschappelijk
schrijven. Maar als hij praat
over zijn onderzoek sluipt de alledaagse Rotterdamse tongval weer in
zijn verhaal. En een voordeel
van dit vertellen is dat hij met zevenmijlslaarzen de geschiedenis van
de kerk kan doorlopen, om snel
te belanden in de periode waar zijn hart ligt: de hedendaagse tijd...
en wat daarin anders zou moeten.
"Dat is mijn missiologische kant.
Als ik ergens begeesterd over raak, wil ik dat graag uitdragen." Na
de Franse Revolutie en de Industriële
Revolutie is het afgelopen met de dominante rol die de kerk
voordien in de samenleving speelde.
"Maar tragisch genoeg heeft de kerk niet door dat de
samenleving voorgoed aan het veranderen
is", constateert de dominee. "Ze blijft zich presenteren
met het oude parochiemodel, met
haar dorpsgericht handelen. En ze blijft uitgaan van de
vanzelfsprekendheid van het geloof.
De kerk raakt de kluts kwijt, ze kan het tempo van die alsmaar
uitdijende stad niet bijhouden...
en mist de boot. Het is mijn theorie dat de kerk vanaf dat moment
niet langer trendsettend is. De
kerk wordt trendvolgend."
Visser zoekt de verklaring voor
die omslag onder meer bij de negatieve kijk van de kerk op de stad.
"De kerk ziet alleen de dreigende
kanten: teveel mensen, seksuele uitdagingen, luchtvervuiling,
criminaliteit, ontwrichting, eenzaamheid,
armoede." Als reactie daarop keert het instituut kerk zich
naar binnen en stopt het zijn
energie in theologische discussies en in charitas. "De kerk heeft zich
laten terugdringen in een EHBO-rol.
Ze biedt hulpverlening, maar ze vergeet in te spelen op
moderne ontwikkelingen. Wetenschap,
economie, de opkomst van de markt: de kerk keerde zich
ervan af. Daarmee heeft ze zichzelf
buiten spel gezet. Als het individualismeopkomt in de jaren
zestig, begint de onvermijdelijke
leegstroom van de kerken." Zijn kritiek op de hedendaagse kerk is
stellig: "Zij is niet publiek
bezig. De maatschappelijke thema's - euthanasie, abortus,
gentechnologie, de wereldmarkt
- daar zou men over moeten meedenken. In plaats daarvan
veroordeelt de kerk, doet ze negatief."
Verhaal
De telefoon gaat... een kort gesprek
over een zekere K. die wegens drugshandel is opgepakt door
de politie. "Ik hou me ook met
dealers bezig en met decriminalisering van drugshandel", vervolgt
Visser het interview. "Dat is
een hele andere wereld, waarmee de kerk zich ook zou moeten
bemoeien. De kerk stuit in de
stad op het fenomeen. Daar moet ze een standpunt over innnemen."
Vissers eigen standpunt is bekend:
"Het is hartstikke stom dat we drugs verbieden, want dat geeft
alleen maar problemen. Het moet
juist gelegaliseerd worden, het moet in banen geleid worden." Hij
verzucht: "De kerk gaat nog altijd
angstig om met de stad. De stad is goed, is gewild, is een
realiteit, een uitdaging. Die
moet je niet ondergaan, die moet je m'ken. Ook als kerk."
Daarvoor moet de kerk heilige huisjes
durven loslaten, betoogt Visser. Het idee dat je alleen een
kerk kunt zijn in de vorm van
een gemeenschap die elkaar wekelijks treft, vindt hij achterhaald.
Visser bladert in zijn proefschrift:
"In een stad heb je heel veel losse ontmoetingen. Die wisseling
van patronen maakt het leven er
ongelooflijk vermoeiend maar tegelijkertijd ongeëvenaard boeiend
en uitdagend. Ik merk het dagelijks.
Je hebt eenmalige ontmoetingen met mensen, waarin je even
wat beleeft met elkaar. Het kan
verdriet zijn, vreugde... je hebt elkaar iets te zeggen... en het is
weer voorbij. Dat is voor een
kerk heel moeilijk acceptabel. Want die denkt in blijvende
gemeenschappen, lidmaatschappen,
betalingen, gebouwen waar je heen moet gaan. Dat hebben we
gehad."
Het is Vissers stelling dat de
stad een groot netwerk is dat weer bestaat uit allemaal kleine
netwerken. Een mens maakt deel
uit van diverse netwerken. Werk, hobby, familie, vrienden. De
kerk moet daarbij aansluiting
zoeken. "Laat de kerk ook gebruik maken van de moderne netwerken
als TV, radio, internet, literatuur",
meent Visser. "Er zijn vele mogelijkheden om als kerk iets te
laten oplichten van wat een kerk
belangrijk vindt voor mensen. Er zijn nog zat mensen die
geïnteresseerd zijn in levensvragen
en zingeving. Kom ze tegemoet, maar op verschillende wijzen.
Neem Rotterdam. Je hebt hier het
Citypastoraat in de Laurenskerk. Daar zitten de gelovigen die
houden van cultuur, van een mooi
stuk liturgie, van een muziekuitvoering. De Pauluskerk trekt juist
daklozen en thuislozenaan; die
willen ook wel eens een verhaal horen uit de bijbel, maar dat moet
dan wel te maken hebben met hun
eigen leven. Zo zie je dus dat die kerk al heel verscheiden is
geworden."
Tegen de stroom in is Visser niet
somber over de toekomst van de kerk. "Tuurlijk, het christendom
is afgenomen, de tijd van het
massaal geloven en ter kerke gaan is voorgoed voorbij. Maar daar
moet je niet zielig over doen.
Aanpakken, is mijn motto. Er is plenty werk. Neem genoegen met
kleinschaligheid, met kwaliteit.
Mensen willen best horen wat je te vertellen hebt, als je maar zorgt
dat je een goed verhaal hebt.
En dat hebben we. Alleen het verhaal van God en de bijbel moet
gekoppeld worden aan het verhaal
van de mensen nu."