HET TOELATINGSBELEID VAN ALLOCHTONE LEERLINGEN: legitimatie van discriminatie?


WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA)  - STARTPAGINA - AGENDA  - OVERZICHT - NIEUW -

jaartal - nieuw - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - Z
allochtonen, armoede, bijbeluitleg, bijbel en koran, boeddhisme, christendom, extreemrechts, fundamentalisme, globalisering en anti-globalisering, interlevensbeschouwelijke dialoog, islam, levensbeschouwing, levensbeschouwing / godsdienst en onderwijsmigratie, racisme, samenleving, sikhisme, tewerkstelling van allochtone leerkrachten,vluchtelingen en asielzoekers,  witte scholen, multiculturele scholen en concentratiescholen
,

  • racisme, (voorbereidende vergadering Wereldconferentie tegen racisme) School zonder racisme, toelatingsbeleid van allochtone leerlingen, Rechtop - Verslag van het antiracistisch forum op zaterdag 25 november 2000,

  • Vanderpoorten laat beperking migranten toe
    ,,Dit is een pleidooi voor het behoud van multiculturele scholen'' (aeg) 24/07/2001

    BRUSSEL -- De Vlaamse minister van Onderwijs, Marleen Vanderpoorten (VLD), handhaaft de aanvaardingsplicht waardoor       scholen alle leerlingen die zich aanbieden, moeten inschrijven, maar ze laat een belangrijke uitzondering toe. Wanneer het aantal migranten de draagkracht van een school overstijgt, zal die leerlingen mogen weigeren.

    Toen minister Vanderpoorten aankondigde de scholen binnenkort een aanvaardingsplicht te zullen opleggen, stuitte dat op felle kritiek van de koepel van het katholiek onderwijs. ,,Wij hebben voor multiculturele scholen gekozen, met dertig tot vijftig procent       migranten. Dergelijke scholen bieden de beste kansen tot integratie voor allochtoon en autochtoon. Als wij die grens niet meer kunnen bewaken, zal het aantal concentratiescholen alleen maar toenemen'', luidde de kritiek.

    Vanderpoorten staat nu toe dat een school die aan de grens van het aantal migranten zit dat ze aankan, bijkomende migrantenleerlingen weigert. ,Dat is een pleidooi voor het behoud van multiculturele scholen'', zegt de minister. ,,Sommige                migranten argumenteren dat hun kind het grondwettelijk recht heeft op de school van zijn keuze, maar een andere groep migranten vraagt zelf een plafonnering in het belang van alle kinderen. Hou alstublieft het been stijf, vroegen ze mij.''

    Migrantenleerlingen weigeren kan enkel na lokaal overleg met de scholen van alle netten, in functie van het aantal migranten per gemeente. Blijkt bijvoorbeeld dat een gemeente dertig procent migrantenleerlingen telt en een school er daar al een belangrijk aantal van opvangt, dan mag zij leerlingen doorverwijzen.

    De school moet de ouders begeleiden bij het vinden van een andere school. ,,Verdoken weigeringen zouden niet meer mogen kunnen'', aldus Vanderpoorten.

    Terug naar het begin van de pagina



    Reactie van het Vlaams Minderhedencentrum (VMC) als ondersteuningscentrum voor de minderhedensector in Vlaanderen en van het Forum van organisaties van Etnisch-Culturele Minderheden (Forum) op de uitlatingen van Minister Vanderpoorten in De Standaard van 24 juli 2001.

    Brussel, 24 juli 2001

    We zijn geschokt en ontgoocheld door de uitspraken van minister Vanderpoorten in verband met haar voornemen om de toelating van migrantenkinderen in een aantal scholen te beperken. We zetten hier kort uiteen waarom:

    Principieel:

    WOORDBREUK
    De uitspraken van de minister druisen in tegen de afspraken die gemaakt zijn op 19 juni tussen de betrokken partners in het overleg van de VLOR   om in afwachting van een gezamenlijk standpunt geen publieke standpunten in te nemen (en dit zeker tot de volgende vergadering op 7 september 2001).
    o.c. VLOR verslag: “Alle partners gaan akkoord om geen publieke standpunten in te nemen zolang we naar een gemeenschappelijk standpunt zoeken. De partners kunnen wel hun beheersorganen informeren. Indien de pers hierover vragen stelt aan één van de partners, dan zullen zij alleen het antwoord krijgen dat de besprekingen nog niet afgerond zijn. Niemand zal hierover bijvoorbeeld een interview geven aan de pers.”

    · ALIBI-OUDERS:
    De minister verwijst in het artikel naar een ‘groep migranten’ die haar ondersteunen in het invoeren van een plafonnering voor migrantenkinderen. De minister gaat op zoek naar alibi-ouders om het grondwettelijk recht op vrije schoolkeuze uit te hollen.

    · SCHIJNINSPRAAK:
    We betreuren het dat de minister de stem van de erkende landelijke verenigingen van etnisch-culturele minderheden en de integratiesector negeert. Deze verenigingen en de integratiesector nemen een duidelijk en geargumenteerd standpunt in vóór inschrijvingsrecht en aanvaardingsplicht en tegen elke vorm van weigering en spreiding op etnische basis. De minister lijkt onze stem niet te horen.

    Inhoudelijk:

    · CONTRADICTIE
    Wetenschappelijk onderzoek heeft het failliet van het non-discriminatiebeleid bewezen. Op basis hiervan schreef de minister de visietekst “Geïntegreerd Gelijke Kansenbeleid” (dec.2000) waarin ze aangeeft resoluut komaf te willen maken met de negatieve effecten van dit NDO beleid. De minister gaf aan elke vorm van spreiding, weigering en discriminatie van allochtone leerlingen in het onderwijs uit te sluiten.
    Het is erg contradictorisch dat de minister nu net de bewezen negatieve effecten van het non-discriminatiebeleid in een decreet wil verankeren. Hiermee ondergraaft de minister haar eigen visie.
    Naar eigen zeggen “stuitte de minister op felle kritiek van de koepel van het katholiek onderwijs”      Bezwijkt de minister onder de druk van de netten?

    · DISCRIMINATIE
    Het is onbegrijpelijk dat de minister een aantal beperkingen wil opleggen aan één groep: migranten. Dit is discriminatie op vlak van etniciteit en daarom moreel én juridisch onaanvaardbaar.
    Het gelijke kansenbeleid moet erop gericht zijn de rechten van alle kinderen en jongeren op kwalitatief onderwijs te verzekeren.

    · ONS PLEIDOOI
    Het multiculturele karakter van een school meet je niet door het aantal allochtone kinderen te tellen (en te beperken). Het spreidingsbeleid heeft nooit een pedagogisch probleem opgelost en heeft nooit een school ‘multicultureel’ gemaakt.
    De minister kiest voor een weigeringsbeleid op de kap van allochtone leerlingen. Haar redenering houdt geen steek. Multiculturaliteit is geen slogan maar een doe-woord.

    Dit communiqué wordt ook bezorgd aan: Kabinet Onderwijs, kabinet Welzijn, VLOR, Kinderrechtencommissariaat, Forum.

    Vlaams Minderhedencentrum vzw
    Vooruitgangsstraat 323 , 1030 Brussel
    Tel. 02/205.00.50
    Tel. 02/205.00.63
    Contactpersoon: Söhret Yildirim
                               Stafmedewerkster Onderwijs

    Het Forum
          Tel. 089/38.67.40
    Contactpersoon : Christopher Oliha
                                Voorzitter van het Forum

    Terug naar het begin van de pagina


    Federatie van Marokkaanse Verenigingen (FMV)
    Driekoningenstraat 67, 2600 Antwerpen
    Driekoningenstraat 67, 2600 Berchem
    Tel. 03-239 98 31 – fax 03–239 98 32
    e-mail: fmv_paj@hotmail.com

    Datum: El-Jebha (Marokko), 6.8.2001

    Persbericht: Beperking van het aantal migranten in sommige scholen

    Minister van Onderwijs Vanderpoorten stapt binnenkort naar het Vlaams Parlement met een ontwerp van decreet over het ‘Gelijke kansenbeleid’ voor de Vlaamse scholen. Als dit decreet goedgekeurd wordt door het Vlaams Parlement treedt het in voege op 1 september 2002.

    Voor het schooljaar 2001-2002 werd een overgangsregeling uitgewerkt. Het bestaande, weinig succesrijke non-discriminatiebeleid blijft zo goed als ongewijzigd. Wel kan het plaatselijk overleg over het non-discriminatiebeleid met nieuwe partners worden uitgebreid, tenminste als er daarover binnen dit overleg een consensus bestaat. De FMV had verwacht dat alle relevante onderwijsparticipanten een vertegenwoordiging zouden toegewezen krijgen. De personele en financiële middelen voor de uitvoering van dit beleid in de overgangsfase worden voor het onderwijs vergroot. Maar niet voor de migrantenorganisaties, die nochtans een belangrijke taak kunnen vervullen in de realisatie van een gelijke kansenbeleid.

    In haar visietekst ‘Naar een Geïntegreerd gelijke kansenbeleid binnen het onderwijs’ van december 2000 hield de Minister een pleidooi voor het ‘inschrijvingsrecht’ en de ‘aanvaardingsplicht’ van iedere leerling in het onderwijs in Vlaanderen. Deze kordate beleidsoptie kwam onder zware druk te staan van vooral het vrij katholiek onderwijs. De toepassing van dit principe zou volgens het vrij katholiek onderwijs – er bestaat hiervoor evenwel geen enkel wetenschappelijk bewijs - de concentratiescholen en de verdere juridisering in het onderwijs doen toenemen.

    De nieuwe beleidsmaatregelen leggen de ‘witte’ scholen geen verplichting op om ‘migrantenleerlingen’ op te nemen. Dit gegeven in combinatie met de mogelijkheid voor ‘multiculturele scholen’ om migrantenleerlingen te weigeren wanneer ‘het aantal migranten de draagkracht van een school overstijgt’ zou wel eens voor gevolg kunnen hebben dat het aantal concentratiescholen eerder toeneemt dan afneemt.

    Allerlei argumenten werden tijdens de besprekingen aangevoerd om de beleidsopties af te voeren of minstens af te zwakken. Het afgezwakte voorontwerp van decreet betreffende een gelijkekansendecreet in het onderwijs dat thans ter discussie voorligt in de Vlaamse Onderwijsraad en het weigeren van leerlingen op etnische basis mogelijk maakt en de uitlatingen van minister Vanderpoorten in de media eind juli 2001 zijn niet alleen achterhaalde opties maar zijn ook onaanvaardbaar.

    Iedere afzwakking van de vrije toegang tot de scholen voor leerlingen uit etnisch-culturele minderheidsgroepen die aan de toelatingsvoorwaarden voldoen is voor de FMV onaanvaardbaar. Van het onderwijs verwacht de FMV dat ze de nationale wetgeving (de Belgische grondwet), de internationale wetgeving (inzonderheid de ‘Universele Verklaring van de Rechten van de Mens’, het ‘Europees Verdrag inzake de Rechten van de Mens en zijn fundamentele vrijheden’ en het ‘Verdrag inzake de Rechten van het Kind) en de Europese richtlijn 2000/43 respecteert. Pragmatische argumenten en compromisvoorstellen zijn niet op hun plaats. Voor de FMV is het primeren van het belang van de multiculturele scholen op het non-discriminatiebeginsel  onaanvaardbaar en onbespreekbaar.

    Blijkbaar maakt men zich geen zorgen over hoe die beleidsmaatregelen door de migrantengemeenschappen worden aangevoeld en welke negatieve effecten ze hebben voor de beeldvorming over deze gemeenschappen.

    Voor de FMV is de prioritaire doelstelling voor een non-discriminatiebeleid: de realisatie van gelijke rechten, kansen en uitkomsten voor álle leerlingen in álle scholen. Een doelstelling die enkel kan gerealiseerd worden door middel van kwaliteitsonderwijs en door het onderwijs in multi-etnisch perspectief te plaatsen. Multiculturele scholen op zich zijn geen garantie voor het wegwerken van leerachterstanden. Ze bieden hoogstens de garantie aan de ouders van Vlaamse origine dat een bepaald percentage ‘migrantenleerlingen’ niet zal overschreden worden.

    FMV is van oordeel dat er enkel vanuit een gelijke behandeling van alle leerlingen met de vertegenwoordigers van álle ouders open en eerlijk kan gepraat worden over de het Gelijke Kansenbeleid en de opportuniteit/haalbaarheid van de multiculturele school.

    Het voorstel om in het kader van de bescherming van de multiculturele school over te gaan tot de ‘voorlopige inschrijving’ en weigering van één groep leerlingen op basis van etniciteit (met name ‘migrantenleerlingen’) is strijdig met het recht op onderwijs. Deze maatregel benadert de leerlingen uit etnische minderheidsgroepen en hun ouders op een negatieve manier en is discriminerend.

    De discussie over het gelijkekansenbeleid is blijkbaar verre van beëindigd. De FMV publiceert eind augustus een brochure met als titel: ‘Een echt non-discriminatiebeleid. Een garantie voor de toekomst van onze kinderen’ (Marc Laquière, FMV, Antwerpen, 2001, 60 p. met bijlage). Deze brochure maakt de balans op van 8 jaar zgn. non-discriminatiebeleid in het Vlaams onderwijs. Een terugblik op de geschiedenis van het non-discriminatiebeleid geeft een inzicht in wat er tot op heden fout gelopen is en hoe men fouten in de toekomst kan vermijden.

    Deze brochure wil een bijdrage leveren voor ouders en beleidsmakers in de discussie over het tot op heden gevoerde zgn. non-discriminatiebeleid en het toekomstige Gelijke Kansenbeleid. In een democratische samenleving heeft iedere ouder het recht op informatie ook al is die afwijkend van het standpunt van het beleid.

    De opbrengst van deze brochure wordt, in afwachting dat er ooit decretaal afdoende maatregelen worden genomen, integraal besteed aan het ‘Fonds voor slachtoffers van discriminatie en racisme in het onderwijs’ van het FMV dat ouders uit etnische minderheidsgroepen zal ondersteunen wanneer zij een klacht willen indienen. Het is een publiek geheim dat klachten thans niet op een doeltreffende manier bemiddeld en behandeld worden.

    De VLOR vroeg op 19 juni 2001   aan de leden van het ‘Overleg Toelating’ geen publieke standpunten in te nemen zolang de onderhandelingen duren. De deadline van deze onderhandelingen werd evenwel niet vermeld. FMV maakt geen deel uit van het Overleg en voelt zich niet gebonden door dit eenzijdig verbod. Deze werkwijze druist in tegen het recht op  vrije nieuwsgaring en is een machtsmiddel om eenzijdig bepaalde opvattingen door te drukken. Op die manier krijgen de standpunten van minderheden ongelijke kansen. FMV was bereid de vraag om geen publieke standpunten in te nemen te respecteren tot na de vergadering van 7 september 2001. Begin volgend schooljaar dreigen de migrantengemeenschappen - zoals in het verleden - het slachtoffer te blijven van een discriminerend beleid in het onderwijs. Op 24 juli 2001 - het ogenblik dat de meeste veel migrantenouders met hun kinderen vertrokken waren naar de landen van herkomst en genoten van de vakantie met hun familie maakte de minister van onderwijs - tegen alle afspraken in – haar ‘gelijke kansen’ plannen voor volgend schooljaar bekend in de Vlaamse media.
    De meeste woordvoerders en vertegenwoordigers van de migrantengemeenschappen waren met een gerust gemoed naar Marokko, Turkije … vertrokken. Sedert 1995 worden met de toepassing van het decreet Verenigingen 14 landelijke migrantenverenigingen door de Vlaamse overheid erkend. Deze verenigingen hebben een duidelijke visie over het voorliggende gelijke kansenbeleid. Wij betreuren het dat minister van onderwijs geen rekening houdt met de standpunten van deze organisaties en al te gemakkelijk verwijst naar een niet representatieve ‘groep migranten’. Ieder beleid heeft er alle belang bij om te communiceren met een representatieve groep mensen als gesprekspartner. Het is nogal doorzichtig om te verwijzen naar enkele niet georganiseerde individuen waarvan de kans groot is dat ze  enkel zichzelf vertegenwoordigen.

    Vanaf 20 augustus zijn de medewerkers van de FMV terug uit vakantie en beantwoorden zij graag uw vragen.

    Vóór die datum kunt u contact opnemen met:
     Mohamed Chakkar, Coördinator FMV: tot en met 19 augustus in Marokko (0486/ 25.07.61 – Chakkar@hotmail.com; mohamed.chakkar@pandora.be)
     Marc Laquière, voorzitter Werkgroep Onderwijs FMV: vanaf 7 augustus terug in België (O495/25.09.81 – mlaquiere@digibel.org)

    Terug naar het begin van de pagina



    Kinderrechtencommissariaat: DE NON-DISCRIMINATIEVERKLARING IN HET ONDERWIJS (Gepubliceerd als parlementair Stuk op 23/2/2000 Stuk 220 (1999-2000) - nr.1 http://www.kinderrechtencommissariaat.be/documenten/index.cfm

    Commissie voor Onderwijs en Vorming

    1. Situering: (non-) discriminatie in het onderwijs
    Hoewel de Vlaamse samenleving een interculturele samenleving is geworden, klagen allochtone kinderen nog vaak over discriminatie. Het Vlaamse onderwijs ontsnapt hier niet aan. Het Kinderrechtencommissariaat ontving sinds begin dit schooljaar meerdere klachten aangaande dit probleem. Dit leidde tot verder onderzoek. In de loop van dit onderzoek verzocht het Kabinet van Vlaams Minister van Onderwijs het Kinderrechtencommissariaat een advies te formuleren m.b.t. de evaluatie van de Non-discriminatieverklaring  van 15 juli 1993.
    Naast literatuurstudie en de behandeling van de klachten, had het Kinderrechtencommissariaat in de rand van dit dossier meerdere gesprekken met minderjarigen , onderwijsmensen, academici, zelforganisaties van migranten, welzijnswerkers en beleidsverantwoordelijken. Het Kinderrechtencommissariaat had gesprekken met 36 ‘doelgroepleerlingen’ uit verschillende scholen en regio’s.
    Individuele klachten, die sloegen op concrete dossiers, werden doorverwezen (sedert 15/10/1999) naar de BEOBEMI, waarin sinds die datum het Kinderrechtencommissariaat als neutrale waarnemer zetelt .
    Bij de evaluatie van een protocol als de non-discriminatieverklaring, kan men niet anders dan dit te toetsen aan bestaande rechtsmiddelen. Hierbij wil het Kinderrechtencommissariaat er op wijzen dat de rechtsorde dient gerespecteerd te worden. Door het Internationaal Verdrag Inzake de Rechten van het Kind te ondertekenen en te ratificeren heeft België zich geëngageerd om de bepalingen uit dit Verdrag in de praktijk om te zetten.  Het Internationaal Verdrag Inzake de Rechten van het Kind heeft, als geratificeerd internationaal verdrag een grote juridische en morele betekenis. Bij de evaluatie van de non-discriminatieverklaring kan men hieraan niet voorbij gaan.

    2. Klachten m.b.t. discriminatie op basis van etniciteit.
    2.1. Aanmeldingen van klachten m.b.t. discriminatie (schooljaar 1999 – 2000)
    · 7 klachten m.b.t. weigering van inschrijving, waarin een tussenkomst  werd gevraagd.
    · 206 klachten m.b.t. weigering van inschrijving die ons ter informatie werden gemeld.
    · 11 klachten m.b.t. discriminatie in het onderwijs, waarin een tussenkomst werd gevraagd.
    · 9 klachten m.b.t. discriminatie in het onderwijs, die ons ter informatie werden gemeld.

    2.2. De non-discriminatieverklaring
    Bij de totstandkoming van de non-discriminatieverklaring werd deze gezien en toegejuicht als een eerste stap in de richting van een Vlaamse onderwijswereld, waarin racisme en discriminatie ongewenst waren. De non-discriminatieverklaring betekende een stap in de richting van een onderwijsveld waarbinnen elk kind gelijke onderwijskansen krijgt, waarin segregatie vermeden zou worden en zou worden gewerkt aan een niet discriminerende leeromgeving (J.Leman, 1999) . De maatschappelijke realiteiten van 1993 waren anders dan deze waarmee wij vandaag worden geconfronteerd. Deze veranderde samenleving dient mee in rekening te worden genomen bij de evaluatie van de non-discriminatieverklaring.
    De objectieve vaststelling van discriminatie kan gebeuren aan de hand van uitspraken of handelingen, getoetst aan hun bedoelingen of gevolgen. Wanneer deze uitspraken of handelingen blijk geven van onderscheid, uitsluiting, beperking of voorkeur, die tot doel heeft, of ten gevolge heeft of kan hebben dat de erkenning, het genot of de uitoefening op voet van gelijkheid van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden op politiek, economisch, sociaal of cultureel terrein of op andere terreinen van het maatschappelijk leven, wordt tenietgedaan, aangetast of beperkt , spreken we van discriminatie.
    De non-discriminatieverklaring ontstond als een instrument dat over de netten heen een dialoog tot stand bracht over het fenomeen van discriminatie in het onderwijs. Zij heeft er in veel gevallen toe geleid dat er minder ‘witte’ en meer ‘grijze’ scholen ontstonden. De non-discriminatieverklaring heeft het taboe van de discriminatie in het onderwijs doorbroken. Men moet de non-discriminatieverklaring als beleidsinstrument dan ook naar waarde schatten. De non-discriminatieverklaring erkent dat elke jongere, ongeacht zijn ras of etnische afkomst, werkelijke gelijke onderwijskansen moet krijgen . Tevens erkent de non-discriminatieverklaring de principieel gelijkheid van elke potentiële gebruiker. Zij vermeldt uitdrukkelijk dat de vrije schoolkeuze uit hoofde van de gebruiker gerespecteerd moet worden . Hierin sluit de non-discriminatieverklaring zich aan bij de tekst van de preambule, art.2, art. 28 en art.29 van het Internationaal Verdrag Inzake de Rechten van het Kind.
    De non-discriminatieverklaring is een instrument dat haar kracht ontleent aan een vrijwillig engagement door de ondertekenende partijen. Dit vrijwillig engagement (dat na de ondertekening niet vrijblijvend is) bleek noodzakelijk, omdat dit voor sommige inrichtende machten een voorwaarde zou kunnen zijn om al dan niet mee te werken aan de voorgestelde doelstellingen. Dit lijkt vreemd, vermits op het moment van ondertekening het Internationaal Verdrag Inzake de Rechten van het Kind reeds door België was geratificeerd en ook in Vlaanderen rechtsgeldigheid had verkregen. Dit zou kunnen verklaard worden doordat de non-discriminatieverklaring in de eerste plaats geen juridisch instrument is, maar een uiting van sociaal engagement . Door een vrijwillig non-discriminatie engagement als wettelijke norm te aanvaarden, blijft men echter wel onder de wettelijke norm zoals die is vastgelegd in het Internationaal Verdrag Inzake de Rechten van het Kind en afgeleide wetgeving. De non-discriminatieverklaring kan dus wel dienen als werkinstrument, maar nooit in de bestaande vorm als minimumnorm worden gehanteerd.

    2.3 Non-discriminatie in de wetgeving
    In de bespreking van discriminatie in het onderwijs, moeten wij er op wijzen dat discriminatie van groepen of individuen verboden is voor alle onderwijsnetten. K. Hanson (1994) verwijst hiervoor naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Costello-Roberts vs. Het Verenigd Koninkrijk van 25 maart 1993 . Hier komt de doorwerking van grondrechten in de relatie met een private onderwijsinstelling uitdrukkelijk aan bod. In hun arrest verwijzen de rechters o.m. naar art. 28, 2°lid van het Internationaal Verdrag Inzake de Rechten van het Kind. Niettegenstaande de vrijheid om onderwijs in te richten op basis van een eigen pedagogisch project, dient ook een vrije school rekening te houden met een aantal minimumeisen inzake de wijze waarop dit onderwijs wordt ingericht. Door de toenemende juridische erkenning van de horizontale doorwerking van grondrechten dient elke school de vrijheidsrechten van haar leerlingen te eerbiedigen.
    Tegelijk verwijzen we naar het gelijkheidsbeginsel, zoals dit o.m. is opgenomen in het Internationaal Verdrag Inzake de Rechten van het Kind, Art. 2. In art 28 en 29 van datzelfde verdrag, wordt de gelijkheid van elk kind expliciet benadrukt door het gebruik van termen als ‘elk kind’, en ‘ieder kind’.
    Dit betekent niet dat elke ongelijkheid in behandeling kan worden uitgesloten. We verwijzen hiervoor naar het arrest van het Arbitragehof van 27 januari 1994, waarin het Arbitragehof de voorwaarden uiteenzet waaronder positieve discriminatie of ’corrigerende ongelijkheden’ bestaanbaar zijn met het gelijkheidsbeginsel (Hanson, 1999) . Positieve discriminatie kan, wanneer zij een wettelijk doel dient, dat gestoeld is op een objectief en redelijk criterium en dat bovendien de aangewende middelen evenredig zijn met het beoogde doel. Bij positief discriminerende maatregelen is vooral de evenredigheidstoets van belang, en het evenwicht van de gelijkheid van het individu en de gelijkheid van de groep .

    2.4. Weigering van inschrijving
    Spijts de vele inspanningen die werden geleverd op diverse beleidsniveaus worden leerlingen regelmatig geweigerd op school omwille van hun etnische origine en de mogelijke invloed die dit heeft op autochtone ouders. Scholen vrezen de ‘witte vlucht’ en het ontstaan van concentratiescholen. Niemand is gebaat bij het ontstaan van concentratiescholen. Toch moeten we bij deze praktijken ernstige vraagtekens plaatsen. Enerzijds komt deze redenering in conflict met de vrije schoolkeuze, anderzijds met het gelijkheidsprincipe en de internationale wetgeving ter zake .
    De etnische origine van leerlingen, vanaf een bepaald percentage accepteren als criterium voor weigering is een discriminerende maatregel. Niemand zou ooit aanvaarden dat een gelijkaardig beleid zou worden gevoerd ten aanzien van bijvoorbeeld kansarme kinderen. Terecht zou men aanvoeren dat hier de menselijke waardigheid wordt aangetast. Het gebruik van het percentage als absoluut gegeven, waarmee men verwijst naar de bovengrens uit de non-discriminatieverklaring , is in strijd met de non-discriminatieverklaring zelf en het gelijkheidsprincipe van het Internationaal Verdrag Inzake de Rechten van het Kind. Immers, wanneer ouders niet akkoord gaan met de voorgestelde alternatieven voor inschrijving, blijkt dat de school waar de leerling zich aanbood desondanks de leerling kan weigeren zonder gesanctioneerd te worden. De bovengrens wordt regelmatig gehanteerd als een wettelijke norm, wat zij niet is. Leerlingen kunnen klacht indienen bij de BEOBEMI, die zal pogen te bemiddelen, maar zich houdt aan diezelfde bovengrens. De BEOBEMI kan niet sanctionerend optreden, hoewel sommige leden van diezelfde BEOBEMI opperen dat zij bij discussies meermaals tot hun spijt moesten vaststellen dat zij dit niet konden .
    In het basisonderwijs dienen weigeringen te worden gemotiveerd binnen een termijn van vier kalenderdagen . In heel wat gevallen gebeurt dit gewoonweg niet. Dit is ook niet verwonderlijk, gezien het decreet Basisonderwijs in geen sancties voorziet bij weigering zonder schriftelijke motivatie  (R. Verstegen, 1998).

    2.5. De Beoordelings- en bemiddelingscommissie
    Klachten die door lokale bemiddeling niet worden opgelost, kunnen worden voorgelegd aan de BEOBEMI. Het aantal klachten dat effectief wordt ingediend bij de BEOBEMI is maar een fractie van de klachten die worden gemeld bij de steunpunten onderwijs, meldpunten etnische discriminatie en de lokale integratiecentra .
    Het Kinderrechtencommissariaat krijgt van alle geledingen aan de basis het signaal dat mensen geen klacht neerleggen omdat zij zich te afhankelijk voelen van de school of het onderwijsnet. Deze afhankelijke positie maakt de drempel naar een klachtenbehandeling vrij hoog. Het valt op dat leerlingen en ouders vaak hun rechten niet kennen, wanneer zij menen in aanraking te komen met discriminerende maatregelen. In dit verband willen wij wijzen op recente klachten betreffende het niet verdelen van de informatiebrochure: 'Gids voor ouders met kinderen in het basisonderwijs '
    Veel ouders en leerlingen zeggen geen vertrouwen te hebben in de werking van de BEOBEMI. Dit kan verklaard worden doordat zij de BEOBEMI ervaren als een orgaan met juridisch bindende uitspraken . In de BEOBEMI zetelen bovendien vertegenwoordigers van de koepel waarbij de scholen die worden aangeklaagd, zijn aangesloten. Ouders klagen aan dat zij hun klacht moeten laten behandelen door de mensen tegen wie zij klacht indienen. De leerlingen of hun ouders zijn bij de beraadslaging niet vertegenwoordigd en hebben geen toegang tot hun dossier, noch inzage in het verloop van de debatten. Dit is absoluut in strijd met art.12 van het Internationaal Verdrag Inzake de Rechten van het Kind  en de Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur.
    2.6. Discriminatie in het onderwijs.
    Naast klachten over weigering tot inschrijving, maakte men ook melding van discriminatie in het onderwijs. Hierbij wordt melding gemaakt van discriminerende opmerkingen, het negeren of belachelijk maken van religieuze of culturele gebruiken van migrantenleerlingen, ongelijke behandeling door klassenraden, het gebruik van een onaangepast diagnosticerend instrumentarium door PMS centra, …  H. Deley merkt op dat het recht op neutraliteit soms wordt vertaald in het recht op intolerantie . In heel wat gevallen wordt eenzijdig tolerantie verwacht vanwege de allochtone medemens ten overstaan van de dominante bevolkingsgroep. Op wederkerigheid hoeft hij vaak niet te rekenen. De getuigenissen van jongeren zijn te eensluidend om genegeerd te worden.

    2.7. Het begrip ‘doelgroepleerlingen’.
    Verschillende betrokkenen voeren aan dat de omschrijving van het begrip doelgroepleerling niet is gekoppeld aan schoolse prestaties of problemen, maar aan etniciteit. De non-discriminatieverklaring wil de vorming van concentratieklassen of –scholen ontmoedigen. Niemand is een voorstander van concentratieklassen, net zomin als men een voorstander is van homogene klassen waar het de socio-economische situatie van het gezin betreft. Hoe groter de homogeniteit van een bepaalde doelgroep, hoe groter de kansen zijn, dat de zwakheden of problemen van die bepaalde groep zich scherper zal aftekenen. Zo is het ook met de taalvaardigheidsproblemen van allochtone leerlingen. Dit vraagt, gezien het gelijkheidsbeginsel, de nodige ondersteuning voor klassen die een dergelijk homogeen publiek bereiken, teneinde kwaliteitsvol onderwijs aan te kunnen bieden. Bovendien blijkt dat scholen, die inspanningen leveren om in hun concentratieschool kwaliteitsvol onderwijs aan te bieden, spoedig ook weer autochtone leerlingen uit de buurt kunnen aantrekken . Daarbij blijft het gegeven overeind dat alle ouders bij voorkeur zoeken naar een goede buurtschool voor hun kind. Onderwijs in de buurt versterkt bovendien het sociaal netwerk van een buurt.
    Het is opvallend hoe verwijzingen naar het Internationaal Verdrag Inzake de Rechten van het Kind, niettegenstaande de volgehouden inspanning op beleidsniveau, binnen het onderwijsveld nog al te vaak geringschattende reacties teweeg brengen, alsof kinderrechten een vrijblijvende optie zouden zijn. Niets is minder waar. Op de vergadering van de BEOBEMI d.d 22/12/1999 werd een voorstel van het Kinderrechtencommissariaat om ook leerlingen te bevragen voor de interne evaluatie van het non-discriminatieverklaring door meerdere leden smalend ontvangen op bemerkingen als: ”dat is jullie winkel” of werd afgedaan als onmogelijk met de opmerking dat men niet beschikt over de kennis van methodieken om dit te doen. Er kan niet genoeg gewezen worden op de juridische consequenties van de ratificatie van het Internationaal Verdrag Inzake de Rechten van het Kind.

    3. Advies van het Kinderrechtencommissariaat
    · Het Kinderrechtencommissariaat pleit voor het bestendigen van een non-discriminatiebeleid in het onderwijs. Gezien de zich wijzigende maatschappij en de juridische ontwikkelingen meent het Kinderrechtencommissariaat dat non-discriminatie in het onderwijs een algemeen bindend werkingsprincipe moet worden. Daarom pleit het Kinderrechtencommissariaat voor de versterking en ondersteuning van een non-discriminatiebeleid op twee niveaus, het lokale en het centrale, gesteund door een decretale basis.
    · De non-discriminatie en het toelatingsbeleid dienen decretaal vast te liggen, teneinde actuele ontwikkelingen m.b.t. de mensenrechten / kinderrechten in te schrijven in de Vlaamse decreetgeving. Het decreet dient te voorzien in de mogelijkheid om overtredingen effectief te sanctioneren. Hierbij moet de vrije schoolkeuze -met respect voor de reglementering betreffende inschrijving en weigering van leerlingen- als individueel grondrecht gerespecteerd worden.
    · Het lokaal overleg dient sterker te worden uitgebouwd, zodat klachten en problemen m.b.t. discriminatie kunnen worden besproken met de verschillende scholen en netverantwoordelijken op lokaal vlak. Klachten worden bij voorkeur behandeld op lokaal vlak. Lokaal overleg dient te worden georganiseerd zodra een bepaald aantal klachten of problemen wordt gemeld bij het centraal overleg.
    · Het centraal overleg fungeert als beroepsmogelijkheid voor klachten op het lokaal vlak (zonder evenwel te raken aan de mogelijkheid om gelijk wanneer een zaak aanhangig te maken bij de rechtbank). Tevens kan het centraal overleg een coördinerende en stimulerende rol spelen ten overstaan van het lokaal niveau.
    · Op beide niveaus dienen de leerlingen of hun wettelijke vertegenwoordiger bij de behandeling van hun klachten aanwezig te kunnen zijn en gebruik te kunnen maken van hun spreekrecht, indien gewenst bijgestaan door hun vertrouwenspersoon .
    · Teneinde de individuele casuïstiek te overstijgen, worden vertegenwoordigers van de verschillende grote migrantengemeenschappen aangeduid die zetelen in het lokaal en centraal overleg.
    · Er dienen deskundigen op het gebied van kinderrechten aangeduid te worden die permanent zetelen in het lokaal en centraal overleg .
    · Het begrip ‘doelgroepleerling’ verdient een andere omschrijving dan op basis van etniciteit, zoals dit momenteel het geval is. Het Kinderrechtencommissariaat pleit er voor doelgroepleerlingen te omschrijven op basis van schoolse achterstand.
    · Scholen die met grote concentraties doelgroepleerlingen werken en door middel van zorgverbreding de kwaliteit van hun aanbod verhogen, dienen hiervoor de nodige ondersteuning te krijgen in de vorm van personeelsomkadering, tijd en middelen.
    · Lerarenopleidingen moeten mensenrechten– en kinderrechteneducatie in hun lessenpakket opnemen. Dit werd tevens aanbevolen door het comité voor de rechten van het Kind in Genève, na neerlegging van het eerste Belgische rapport in 1995 .
    · Onderwijsinstellingen moeten verplicht worden om hun leerlingen op een begrijpelijke wijze te informeren over hun rechten .
    · De verschillende participatieorganen binnen het onderwijs, dienen aldus samengesteld te worden, dat zij effectief alle kinderen vertegenwoordigen.
    · Bij doorlichtingen door de inspectie zou de naleving van het Internationaal Verdrag Inzake de Rechten van het Kind in het algemeen en de non-discriminatie in het bijzonder, als een kwaliteitscriterium moeten gelden.
    · Tenslotte pleit het Kinderrechtencommissariaat voor een onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek naar de effecten van het non-discriminatiebeleid dat wordt (zal worden) gevoerd.

    Terug naar het begin van de pagina


    School zonder racisme pleit voor een Open Schoolpoort

    School zonder racisme heeft vanaf de invoering van de non-discriminatie-overeenkomsten de negatieve gevolgen ervan aangeklaagd en in haar tijdschrift Klasgenoten heeft ze meer dan veelvuldig voorbeelden gegeven van weigering op basis van die overeenkomst.
    Het moet reeds meer dan vijf jaar geleden zijn dat School zonder racisme een Actie Open Schoolpoort voerde. Daarvoor werd een tekst opgemaakt, waaruit ik hier citeer.

    Op 15 juli 1993 werd in de schoot van de Vlaamse Onderwijsraad de non-discriminatieverklaring ondertekend. Tijdens het schooijaar ‘94- ‘95 werden lokale overeenkomsten afgesloten voor het basisonderwijs in vijf pilootgemeenten. In de schooljaren daarop werden overeenkomsten afgesloten in steden en gemeenten waar migranten wonen. In enkele steden is er ook een akkoord afgesloten voor het secundair onderwijs.

    De ervaringen met de akkoorden die tijdens de afgelopen schooljaren werden afgesloten, hebben uitgewezen dat de nadruk ligt op het instellen van maximumdrempels en het spreiden en doorverwijzen van migrantenkinderen. Daardoor krijgen de bestaande discriminaties en mechanismen om inschrijving van migrantenkinderen in een school te weigeren, een officieel karakter.

    Daarom vragen we een grondige herziening van de huidige non-discriminatieverklaring, want ze schendt de democratische rechten van de migrantenbevolking en ligt aan de basis van heel wat discriminerende lokale overeenkomsten.

    Een non-discriminatieakkoord moet een hefboom worden in de strijd voor gelijke kansen en tegen elke vorm van racisme en discriminatie in de school en in de samenleving.

    School Zonder Racisme stelt volgende basisideeën en principes voorop voor de uitwerking van een non-discriminatiebeleid.

    Basisideeën

    — Alle scholen staan open voor alle leerlingen, ongeacht hun etnische of sociale afkomst.

    — Alle scholen engageren zich om antiracistisch en intercultureel kwaliteitsonderwijs te geven aan alle kinderen.

    — Alle scholen verwerpen elke vorm van discriminatie of racisme (open of verdoken).

    Artikel 1. Verbod op weigering

    Elke weigering tot inschrijving van een leerling op basis van etnische, nationale, godsdienstige of culturele achtergrond is verboden. Een lokale, onafhankelijke instantie moet instaan voor de behandeling van klachten over discriminatie bij de inschrijving. Elke school dient dit “klachtenbureau” te afficheren in de inschrijvingslokalen.

    Artikel 2. Openstellen van “witte” concentratiescholen is noodzaak

    “Witte” concentratiescholen streven naar een zodanige samenstelling dat de school een weerspiegeling is van de bevolking uit de buurt. De school voert daartoe een actief toelatingsbeleid. Ze toont dat ze een campagne voert van het openstellen van de deuren voor de migrantenouders, en dus voor alle ouders. Ze geeft te kennen dat de aanwezigheid van kinderen van verschillende afkomst een meerwaarde betekent voor de school. De school zet activiteiten op om het antiracistisch en intercultureel onderwijs te promoten. Dit alles wordt in een concreet plan omgezet en samen met het toelatingsbeleid van de school jaarlijks geëvalueerd door een onafhankelijke commissie.

    Artikel 3. Tegen de witte vlucht: een veelkleurige school is een betere school

    De scholen verbinden zich er toe om ouders te overtuigen hun kinderen niet weg te halen van scholen met migranten. Hiertoe wordt een algemene antiracistische infocampagne naar de ouders gevoerd waarin actief vooroordelen weerlegd worden.

    Zogenaamde “witte” concentratiescholen engageren zich in die zin om autochtone leerlingen die niet uit de regio komen, aan te moedigen naar een school in de omgeving van de eigen woonst te gaan. De vrije keuze van de ouders blijft gerespecteerd.

    Artikel 4. Geen bovengrenzen

    De scholen wijzen elke vorm van bovengrenzen en doorverwijzingen af. Bovengrenzen zijn in strijd met de grondwet die de vrije schoolkeuze van de ouders waarborgt. Bovengrenzen en doorverwijzingen leiden in de praktijk tot discriminatie en willekeur; migranten dienen dikwijls langs meerdere scholen te gaan vooraleer ze ergens welkom zijn, meestal verder van huis in een andere buurt. Er worden nu zelfs kinderen geweigerd in scholen waar ze tot dan toe altijd gezeten hadden. De gevoelens die hierbij ontstaan bij het kind zelf, bij de ouders zijn niet te beschrijven. Het hanteren van bovengrenzen vertrekt van de racistische redenering dat te veel migrantenkinderen in één school een probleem zijn. Nergens, niet in België en niet in het buitenland, is daarvan enig wetenschappelijk bewijs geleverd. Het gevolg is wel dat de migranten met de vinger worden gewezen, ze voelen zich afgewezen en gestigmatiseerd; hen wordt de schuld gegeven van hun eigen achterstelling. “Blaming the victim” noemt men zoiets.

    Artikel 5. Geen hetze tegen concentratiescholen

    Vanuit democratisch en antiracistisch oogpunt ijveren wij voor etnisch gemengde scholen. Apartheid is een vorm van racisme en een bron van racisme. Nochtans is het bestaan op zich van concentratiescholen niet de kern van het probleem. De scholen verwerpen het vooroordeel dat concentratiescholen per definitie een lagere kwaliteit van onderwijs geven. Wetenschappelijk onderzoek naar de onderwijskwaliteit in concentratiescholen is in België onbestaande. Empirische ervaringen wijzen uit dat er zeer goed, goed en minder goed onderwijs bestaat zowel in instellingen met geen, met een gemiddelde of met een hoge aanwezigheid van migrantenleerlingen.

    Artikel 6. Meer middelen voor het onderwijs

    De realisatie van een antiracistisch en intercultureel kwaliteitsonderwijs en van gelijke kansen voor alle leerlingen veronderstelt dat meer geld in onderwijs wordt geïnvesteerd. Als de kwaliteit van het onderwijs daalt, dan is dit niet door de aanwezigheid van migranten maar door de besparingen van de regering. De uitgaven voor onderwijs daalden van 6,6% in ‘80 naar 5,5% van het BNP. Indien er nu nog steeds 6,6% van het BNP naar onderwijs zou gaan, dan zou er zo’n 84 miljard frank meer zijn voor onderwijs! De Vlaamse regering trok in 1993 slechts 800 miljoen uit voor extra subsidies (Onderwijsvoorrangsbeleid) aan scholen met een groot aantal migrantenleerlingen. De scholen engageren zich om gezamenlijk (met de leraars, scholieren en ouders) op te komen voor meer middelen voor het onderwijs in het algemeen en voor migrantenkinderen in het bijzonder.

    Artikel 7. Achterstand en achterstelling

    De achterstellingsmechanismen in het onderwijs zelf dienen afgebouwd te worden. Ze veroorzaken niet alleen bij migrantenkinderen achterstand, maar ook bij autochtone kinderen uit achtergestelde socio-culturele groepen.

    De belangrijkste reden waarom migrantenleerlingen dikwijls meer aandacht behoeven, is de taalachterstand. De scholen engageren zich om prioritair het taalonderwijs van alle kinderen beter te verzorgen door extra taalvaardigheidslessen. Het onderwijsvoorrangsbeleid (OVB) moet uitgebreid worden in plaats van afgebouwd.

    Artikel 8. Jaarlijkse dag voor Vriendschap & Gelijkheid

    Het schooljaar kent enkele hoogdagen van antiracisme zoals 21 maart, de Internationale Dag tegen het Racisme, of 8 mei, de dag van de overwinning op het fascisme. Dit zijn uitstekende gelegenheden voor alle scholen van de gemeente/stad om een gezamenlijke Dag voor Vriendschap & Gelijkheid, een dag van informatie en actie tegen het racisme, te organiseren.

    Artikel 9. Uitwisselingsprojecten voor “witte” concentratiescholen

    Kinderen en jongeren een open, interculturele houding bijbrengen, lukt niet door enkel informatie te geven. De jeugd van verschillende culturen moet de kans krijgen elkaar te ontmoeten en vriendschap te sluiten. Daarom worden scholen die weinig of geen migranten tellen gestimuleerd, jaarlijks een uitwisselingsproject op te zetten met scholen die veel migrantenleerlingen tellen.

    Artikel 10. Actie ‘Open Schoolpoort’ : een zaak van iedereen!

    De Actie ‘Open Schoolpoort’, het afsluiten van een (lokaal) non-discriminatîeakkoord zijn geen zaken van de Inrichtende Machten alleen. Alle partijen (directies, leerkrachten, migranten- en Belgische ouders, leerlingen, participatie-raden, socio-culturele en antiracistische organisaties, migrantenorganisaties,...) moeten actief bij de discussie en besluitvorming betrokken worden. De discussie over het afsluiten van een akkoord gebeurt in het openbaar.

    Terug naar het begin van de pagina



    De Standaard: 03/09/2001 Quota lossen diversiteit niet op. Piet Janssen en Söhret Yildirim (Vlaams Minderhedencentrum) en Christopher Oliha (Forum van Organisaties van Etnisch-Culturele Minderheden)

                   DE uitspraak die minister Vanderpoorten midden in de zomervakantie deed over
                   haar voornemen om scholen in bepaalde gevallen de toestemming te geven om
                   allochtone leerlingen te weigeren, is niet onopgemerkt voorbij gegaan.

                   Veldwerkers signaleren nu al dat er scholen zijn die zich op deze uitspraak
                   beroepen om hun weigering te motiveren en dat bemiddelingen om leerlingen na een
                   weigering te kunnen inschrijven, veel moeizamer verlopen dan vroeger. Dit alles nog
                   voor er sprake is van een decreet. Bart Sturtewagen zegt (DS 25 juli) dat de minister
                   met haar initiatief iets wil ondernemen tegen verdoken manieren om allochtone
                   kinderen te weigeren, dat ze op die manier een stapje voorwaarts zet en zo helpt
                   bouwen aan een morele norm. Politiek is volgens hem de kunst van het haalbare.

                   De minister zit effectief gekneld tussen de praktijk van openlijke of verdoken
                   weigering van allochtone kinderen in een aantal scholen en de principes van gelijke
                   toegang voor iedereen. Bovendien plaatst de zogenaamde ,,witte vlucht'' uit scholen
                   met een zichtbare aanwezigheid van allochtone leerlingen deze scholen voor de
                   uitdaging om hun school cultureel gemengd te houden.

                   Deze bekommernissen blijken zo zwaar te wegen dat er gegrepen wordt naar een
                   drastisch maar eenvoudig recept: scholen zouden de mogelijkheid krijgen, decretaal
                   bepaald, om in het kader van het plaatselijk onderwijsoverleg en als zij voldoende
                   inspanningen doen om multicultureel te werken, allochtone leerlingen te weigeren
                   als hun aantal boven een bepaald percentage uitstijgt. Hoe goed bedoeld en hoe
                   verfijnd men de voorwaarden daartoe in een decreet wil omschrijven, het
                   achterliggende denkpatroon blijft hetzelfde: men geeft de boodschap dat al wie niet
                   tot de autochtone groep behoort -- en de afbakening daarvan is zo vaag dat ieder
                   deze naar eigen goeddunken kan invullen -- oorzaak is van problemen in het
                   onderwijs. Om deze problemen op te lossen, moeten die ,,anderen'', de allochtonen
                   in dit geval, ,,gedoseerd'' worden. Dat gebeurt door hen te spreiden, door hun aantal
                   te beperken.

                   Het wij-zij-denken wordt hiermee uitvergroot en onrechtmatig versterkt. De almaar
                   toenemende verscheidenheid in de samenleving wordt zo teruggebracht tot een
                   eenvoudige tegenstelling. Het gelijkekansenbeleid daarentegen berust onder meer
                   op het principe van respect voor en bevordering van diversiteit. Management van
                   diversiteit en het denken over kansengroepen in plaats van over kansarme groepen,
                   gaan er wezenlijk van uit dat mensen op velerlei manieren van elkaar verschillen en
                   dat het een fout uitgangspunt is om één element te isoleren. De realiteit is niet zo
                   eenvoudig dat ze zich laat vatten in een wij-zij-tegenstelling.

                   De minister en de onderwijsnetten moeten beseffen dat zij op deze manier de
                   allochtone ouders en de allochtone gemeenschappen nooit tot volwaardige partners
                   zullen kunnen maken. Allochtone ouders -- zoals alle ouders -- zijn op dit punt erg
                   gevoelig. De confrontatie met het gegeven dat anderen de afkomst van je kind een
                   probleem vinden om het in een school in te schrijven, leidt tot verzet.

                   De non-discriminatieverklaring en alles wat daarrond gebeurd is, heeft ons geleerd
                   dat werken met percentages en leerlingen weigeren niets oplost. Hetzelfde
                   mechanisme, zij het meer omkaderd en verfijnd, decretaal verankeren, is voor de
                   samenleving nog nefaster. Het pedagogisch project van diversiteit als waardevol
                   uitgangspunt wordt door dit wij-zij-denken in wezen gesmoord. Zowel aan
                   autochtone als aan allochtone kinderen en hun ouders wordt impliciet de boodschap
                   meegegeven dat het anders-zijn minderwaardig is. Ook al lijkt het voorzien van deze
                   mogelijkheid -- het wordt voorgesteld als een uitzondering -- maar een klein
                   onderdeel van het geheel aan bepalingen die de minister met het voorontwerp van
                   decreet wil realiseren, toch heeft het verstrekkende gevolgen.

                   Het is niet verwonderlijk dat als gevolg van deze ,,mathematische'' en negatieve
                   benadering van het anders-zijn het ontwerpdecreet vooral aandacht geeft aan
                   controleren, klachtenbehandeling, percentages vastleggen,... De sensibiliserende,
                   motiverende en wervende kracht die van het lokaal overleg zou moeten uitgaan,
                   wordt er niet door aangemoedigd. Dit is een gemiste kans. Want het enige wat de
                   zogenaamde witte vlucht kan tegengaan, is sensibiliseren, motiveren, kinderen en
                   ouders een waardevol project aanbieden. Wat kinderen en scholen -- alle scholen,
                   maar zeker diegene die men multicultureel noemt -- nodig hebben, is een
                   uitnodigend project. Een project dat niet gebaseerd is op afweerreacties en vrees
                   voor een teveel aan allochtone leerlingen, maar waar diversiteit als uitgangspunt
                   geldt. Een project waarin kinderen met verscheidenheid leren omgaan.

                   Aan zo'n project moet voortgewerkt worden en er moeten voldoende middelen in
                   gestopt worden; structureel, niet op projectbasis. Daarom ook kunnen ,,witte''
                   scholen niet buiten schot blijven. Ook zij moeten leerlingen voorbereiden op de
                   samenleving van morgen, aantrekkelijk zijn voor autochtone én allochtone leerlingen
                   en een actief wervingsbeleid naar allochtone leerlingen voeren als zij hen (nog) niet
                   bereiken. Het is niet onmogelijk om deze scholen te verplichten om, rekening
                   houdend met hun pedagogische eigenheid, hiervoor een project te ontwikkelen,
                   controleerbaar en niet vrijblijvend.

                   Als men gelooft in een maatschappelijk project dat gericht is op ,,het realiseren van
                   optimale leer- en ontwikkelingskansen voor iedereen ongeacht herkomst, en het
                   vermijden van uitsluiting, segregatie en discriminatie'' en ,,het tegengaan van de
                   dualisering in de maatschappij en bijdragen tot grotere sociale cohesie'', dan moeten
                   ook deze logische besluiten getrokken worden. De overheid moet daarom zicht
                   hebben op de etnische origine van de kinderen en het opleidingsniveau van de
                   ouders. In alle scholen. Pas dan kan ze nagaan of scholen effectief bijdragen tot een
                   grotere sociale cohesie. Om scholen ertoe aan te zetten hier effectief werk van te
                   maken, bestaan er volgens onderwijsdeskundigen modellen als een
                   leerlinggebonden financiering of andere. We zijn niet deskundig om hierover
                   uitspraken te doen.

                   Wel staan we met ongeloof te kijken. Dat een zo uitgebouwd en georganiseerd
                   systeem als het onderwijs, met zoveel kaders en deskundigen, als reactie op de
                   groeiende diversiteit en multiculturaliteit in onze samenleving -- dé uitdaging in de
                   komende decennia -- gebruik wil maken van quota en de mogelijkheid tot weigeren!
                   We begrijpen niet dat men daar de gevolgen niet van ziet.

                   We willen hier geen misverstand over laten bestaan. De multiculturele school is ook
                   voor ons belangrijk. Wij zijn overtuigd van de meerwaarde van een onderwijs waarin
                   het hanteren van de aanwezige verscheidenheid in de leerlingenpopulatie om
                   verschillende redenen (taalverwerving, houdingen, samenleven...) de beste
                   voorbereiding is van leerlingen op de toekomst in een almaar verscheidener
                   wordende samenleving. Alleen moet dit gerealiseerd worden door sensibilisering en
                   met een uitnodigend project in zo veel mogelijk scholen, hoe moeilijk dit ook lijkt.
                   Het kan niet gebeuren door maatregelen die rechten van mensen aantasten.

    Terug naar het begin van de pagina



    Uittreksel uit het boek van J. DE GROOF, De grondwetsherziening van 1988 en het onderwijs. De schoolvrede en zijn toepassing, E. Story-Scientia, 1989, blz.85-88 ANALYSE VAN DE BEPALINGEN UIT ARTIKEL 17 G.W.

    3. DE TEKST VAN ARTIKEL 17 G.W. (van 1988)

    97. Alvorens de paragraafsgewijze analyse aan te vatten, lijkt het nuttig de tekst van het ganse artikel over te nemen.

    § 1. Het onderwijs is vrij; elke preventieve maatregel is verboden; de bestraffing van de misdrijven wordt alleen door de wet of het decreet geregeld.
    De Gemeenschap waarborgt de keuzevrijheid van de ouders.
    De Gemeenschap richt neutraal onderwijs in. De neutraliteit houdt onder meer in, de eerbied voor de filosofische, ideologische of godsdienstige opvattingen van de ouders en de leerlingen.
    De scholen ingericht door openbare besturen bieden, tot het einde van de leerplicht, de keuze aan tussen onderricht in een der erkende godsdiensten en
    de niet-confessionele zedenleer.

    § 2. Zo een Gemeenschap als inrichtende macht bevoegdheden wil overdragen aan een of meer autonome organen, kan dit slechts bij decreet, aangenomen met een tweederdemeerderheid.

    § 3. Iedereen heeft recht op onderwijs, met eerbiediging van de fundamentele rechten en vrijheden. De toegang tot het onderwijs is kosteloos tot het einde van de leerplicht.
    Alle leerlingen die leerplichtig zijn, hebben ten laste van de Gemeenschap recht op een morele of religieuze opvoeding.

    § 4. Alle leerlingen of studenten, ouders, personeelsleden en onderwijsinstellingen zijn gelijk voor de wet of het decreet. De wet en het decreet houden rekening met objectieve verschillen, waaronder de eigen karakteristieken van iedere inrichtende macht, die een aangepaste behandeling verantwoorden.

    § 5. De inrichting, erkenning of subsidiëring van het onderwijs door de Gemeenschap wordt geregeld door de wet of het decreet’.

    B. De vrijheid van onderwijs: paragraaf 1 van artikel 17 G. W.

    1. 'HET ONDERWIJS IS VRIJ’ (ART. 17, § 1, AL. 1 G.W.)

    98. Het beginsel van de vrijheid van onderwijs blijft het uitgangspunt van artikel 17, § 1 G.W. De werkgroep die op last van de formateur een consensus moest bereiken rond het nieuwe artikel 17 G.W. (112) ging zelf uit van de dubbele interpretatie van onderwijsvrijheid: het recht om onderwijs in te richten, voor private personen en openbare besturen, andere dan de Staat, nu de Gemeenschap (113), en de vrijheid van schoolkeuze. De voorbereidende werken verwijzen er op vele plaatsen naar. De draagwijdte van dit beginsel blijft dus onverkort behouden.
    De oorspronkelijke interpretaties, zoals die toegelicht werden, zullen, — hoe contradictorisch misschien ook —, niet aan belang inboeten. Ze worden overigens (gedeeltelijk) geëxpliciteerd door de alinea 2, 3 en 4.
    Vrijheden zijn overigens ook rechten. (114)

    99. Alinea 2 (‘De Gemeenschap waarborgt de keuzevrijheid van de ouders’) herneemt aldus de tweede betekenis van de vrijheid van onderwijs (115) en meteen het belangrijkste artikel uit de Schoolpactwet: ‘Het recht van de ouders om de aard van de opvoeding voor hun kinderen te kiezen, sluit de mogelijkheid in over een school naar keuze op een redelijke afstand te beschikken’ (art. 4, al. 1 van de Schoolpactwet).
    De vrijheid behoudt als uitgangspunt de verantwoordelijkheid van de ouders (116) en formaliseert dit in artikel 17, § 1, al. 2 en 3 conform artikel 2 van het eerste protocol bij het E.V.R.M. (117) en artikel 13, lid 3 van het I.V.E.S.C.R. Ook de Grondwet maakt het onderscheid tussen het recht op onderwijs van de leerling of student (recht op onderwijs komt iedereen toe conform artikel 17 § 3, al. 1) en de keuzevrijheid der ouders. (118) De verplichting van de ouders te zorgen voor de passende opleiding van hun kinderen, nu ook na de meerderjarigheid van het kind (119) — afortiori bij verlaging van deze meerderjarigheid, dient uitgevoerd conform de grondrechten van het kind of de jong-volwassene. (120)

    Zowel tijdens het parlementair debat (121), als in het politiek overleg onder de partijen, m.a.w. het voorheen afgesloten ‘akkoord tussen de uittredende meerderheidspartijen’ dd. 21 oktober 1987 (122), werd opgemerkt dat de term ‘ouders’ later vervangen wordt door ‘elke persoon die effectief de opvoeding van een kind op zich heeft genomen’. Het begrip ‘ouders’ staat echter — conform de Wet van 29 juni 1983 — gelijk met de personen die in rechte of in feite de leerplichtige onder hun bewaring hebben. (123) Ook in andere onderwijswetgeving wordt in deze uitbreidende zin het begrip expliciet omschreven.

    100. In de zinsnede van het artikel 17 G.W. dat gold vóór de grondwettelijke bepaling van 15 juli 1988, ‘de bestraffing van de misdrijven wordt alleen door de wet geregeld’, is nu toegevoegd: ‘... de wet of het decreet...’. Ofschoon reeds na de Grondwetsherziening van 1968-1972 de decreetgever bevoegdheid had over onderwijs, had de term ‘wet’ (in het ongewijzigde artikel 17 G.W.: ‘...Het openbaar onderwijs dat op staatskosten wordt verstrekt, wordt bij wet...’) geen noemenswaardige problemen opgeleverd. (124) Toch verkoos de Constituante ook de eerste alinea van artikel 17 G.W. aan de gewijzigde bevoegdheidsverdeling aan te passen, zelfs wat de strafrechtelijke bevoegdheid betreft. (125)

    voetnoten

    112. Vandaar de Verklarende Nota, Gedr. St., Senaat, B.Z. 1988, nr. 100 — 1/10, p. 2.
    113. Het grondwettelijk initiatiefrecht berust ook bij andere publiekrechtelijke personen dan de nationale overheid: DE GROOF, J., 1985a, p. 39-40. Zie ook: Gedr. St., Senaat, B.Z. 1988, nr. 100— 1/2°, p. 31.
    114. BOSSUYT, P. , L ‘interdiction de la discrimination dans le droit international de l’homme, Brussel. 1976, p. 204. Over de onderlinge verhouding van vrijheid van en recht op onderwijs, DE GR0OF, J., 1984, p. 63-66.
    115. Zie nr 67.
    116. DE GROOF, J.. 1984, p. 20-28; ook o.m. p. 84. Hieromtrent stelde het arrest van de Raad van State nr. 19.672, dd. 31 mei 1979 inzake ‘V.Z.W. Vrij Psycho-Medisch Centrum het Meetjesland, (Arr. Adv. R.v.St. 1979, p. 634) in nr. 5.1.: Overwegende dat, blijkens de rechtsopvattingen die ten grondslag liggen zowel aan het burgerlijk als aan het staatsrecht, de verantwoordelijkheid voor de opbouw van de morele persoonlijkheid van jeugdigen in beginsel bij de ouders ligt; dat aan die ouders daarom, wanneer ze voldoen aan de door de overheid opgelegde verplichting om hun kinderen de vaardigheid te laten bijbrengen die onontbeerlijk wordt geacht voor het leven in de maatschappij, de bevoegdheid toekomt de personen en instellingen te kiezen aan wie zij hun kinderen voor dat vaardig maken zullen toevertrouwen, niet alleen omdat dit vaardig maken op zichzelf genomen uiterst belangrijk is, maar ook omdat door dat proces van vaardig maken ongetwijfeld sterk op de persoonlijkheid van het kind kan worden ingewerkt en die inwerking zoveel als mogelijk in de lijn moet liggen van de levensopvattingen van de ouders en in ieder geval daarmede niet in strijd mag komen; dat in een land waar de eerbiediging van de levensbeschouwingen in het domein van het onderwijs een institutioneel pluralisme heeft doen ontstaan, de vrije keuze van de ouders, gewaarborgd door artikel 17 van de Grondwet en artikel 2, tweede lid, van het eerste additioneel protocol bij het Europees verdrag op de rechten van de mens, in werkelijkheid herleid is tot de keuze van de instellingen, zoals die keuze verzekerd wordt door de zogenaamde schoolpactwet van 29 mei 1959.
    117. Het arrest van het E.H.R.M,, dd. 7 december 1976 inzake Kjedsen, Busk, Madsen en Pedersen omschreef dit recht van de ouders als volgt: ‘C’est en s’acquittant d’un devoir naturel envers leurs enfants, dont il leur incombe en priorité d’ ‘assurer(l’) éducation et (l’) enseignement’, que les parents peuvent exiger de l’Etat le respect de leurs convictions religieuses et philosophiques. Leur droit correspond donc à une responsabilité étroitement liée à la jouissance et à l’exercice du droit à l’instruction’(§ 52). Terzelfdertijd legt het arrest het verband met art. 8, 9 en 10 (houdende het respect van het privé- en familieleven (toepasselijk op ouders en kinderen), meningsvrijheid en informatierecht). Zie hieromtrent ook OPSAHL, J., ‘Preadvies over het verdrag en het recht op eerbiediging van het gezinsleven, meer bepaaldelijk wat betreft de eenheid van het gezin en de bescherming van de rechten van de ouders en voogden bij de opvoeding van kinderen’, Privacy en rechten van de mens, Leuven, 1981, p. 203 e.v.; DE RIEDMATTEN, R.P.H., ‘La Convention et le droit au respect de la vie familiale spécialement en ce qui concerne l’unité de la famille et la protection des droits des parents et tuteurs familiaux dans l’éducation des enfants’, Vie privée et droits de l’homme, Brussel, 1973, p. 323 e.v.
    118. Zo ook het art. 2 van het eerste Protocol bij het E.V.R.M.: E.H.R.M., arrest dd. 25 februari 1982 inzake Campbell en Cosans, § 41.
    119. Het art. 203, § 1 B.W. bepaalt nu niet enkel dat de ouders aan hun kinderen levensonderhoud, opvoeding en een passende opleiding verschuldigd zijn, maar ook dat — indien deze opleiding niet voltooid is — deze verplichting doorloopt na de meerderjarigheid van het kind.
    120. Desbetreffend het nog altijd actueel boek van SEJOURNE, R., L ‘option reiigieuse des mineurs et l' autorité parentale, Parijs, 1972; i.h.b. ook RIMANQUE, K., De levensbeschouwelijke opvoeding van de minderjarige — publiekrechtelijke en privaatrechterlijke beginselen, Brussel, 1980, deel I, p.200 e.v.
    121. Gedr. St., Senaat, B.Z. 1988, nr. 100 — 1/11 id; ibidem, nr. 100 — 1/2°, p. 89.
    122. Zie de tekst van dit akkoord onder partijen die deel uit maakten van de Regering 1985-88: ALEN, A. en SUETENS, L.P., o.c., p. 361-362.
    123. Met name in art. 1, § 5; art. 1, § 7; art. 3, § 1; art. 5, § 1 van voormelde wet. Cf. opmerking van de Raad van State bij deze wet (Gedr. St., Kamer, Z. 1982-83, nr. 645-1, p. 5).
    124. Id., De bevoegdheidsverdeling van 1970 inzake onderwijs: zienswijzen van de Raad van State en lessen voor de Constituante, T.B.P., 1988, p. 402.
    125. Gedr. St., Senaat, HZ. 1988, nr. 100 — 1/10, p. 4. De decreetgever beschikt voortaan over een gelijkwaardige bevoegdheid inzake de strafrechtelijke beteugeling van misdrijven gepleegd n.a.v.
    de uitoefening van de onderwijsvrijheid.

    ***

    blz.140-142
    d) De weigering van inschrijving en wegzending van een leerling of student

    161. Tenslotte maakt de ‘Verklarende nota’ melding van specifieke verplichtingen van een gemeenschapsschool om een onderscheiden behandeling te funderen.(360)
    Bedoeld worden deze verplichtingen die voortvloeien uit de publiekrechtelijke aard van de gemeenschapsschool. Eén voorbeeld wordt verstrekt (benevens de verplichtingen die in de Grondwet zelf opgenomen zijn): een officiële onderwijsinstelling kan de inschrijving van een leerling niet weigeren.(361) Daarenboven dient erop gewezen dat de tucht (en niet de orde-)maatregel onderworpen is aan de rechterlijke controle.(362) Het beginsel van de gelijke toegang tot de openbare dienst kent vanzelfsprekend het dubbele aspect van de gelijke toegang tot het openbaar ambt en de gelijkheid van de gebruikers van de openbare dienst van het officieel onderwijs.(363) Ook het recht op onderwijs zou miskend zijn hij een weigering van inschrijving. (364)
    Aan de andere kant moet een vrije school de specificiteit van het pedagogisch project kunnen waarborgen door een minimum aan aanhankelijkheid hiertoe te vragen van de leerlingen of studenten.
    Daarom kan de schooloverheid inderdaad de inschrijving weigeren of een leerling of student wegzenden indien de strekking van de vrije school niet wordt geëerbiedigd. (364)
    Ook een privaatrechtelijke instelling beschikt echter niet over een arbitrair recht: er dienen voldoende en niet-discriminerende gronden aanwezig te zijn om de weigering of wegzending te rechtvaardigen, de evenredigheid moet bestaan tussen de gewraakte houding of handeling en de sanctie, zoals in de officiële school (365), zoniet is er sprake van rechtsmisbruik. (366) Aan de rechten van Verdediging moet — dus ook in de vrije school — zijn voldaan. (367)
    Een vrije school zou in beginsel leerlingen of studenten enkel mogen weigeren op grond van religieuze toelatingsnormen (368), of om de rechten van mede-leerlingen te vrijwaren. Het dient alleszins overwogen om de criteria te preciseren welke in acht dienen genomen om een weigeringsbeschrijving te nemen. (369)
    De toekomst zal uitwijzen of de Raad van State zich terzake bevoegd verklaart, dan wel exclusief de hoven en rechtbanken bevoegd blijven (370) en of —in voorkomend geval — de Raad van State zich beperkt tot de vernietiging
    van de bestreden bestuurshandeling of zich ook t.a.v. vrije onderwijsinstellingen begeeft op het pad van de ‘injunction’, namelijk een bevel om een bepaalde beschikking te nemen. (371)

    voetnoten

    360. Gedr. St, Senaat, B.Z. 1988, nr. 100 — 1/1°, p. 6.
    361. Zie ook arrest van de Raad van State, dd. 7 januari 1975, inzake Vergauwen (noot van VERSTEGEN, R., R. W., 1976-77, kol. 717); arrest nr. 27.973, dd. 20 mei 1987, inzake Armanouss. Wat de universitaire sector betreft zie expliciet art. 27, § 7 van de Wet van 27 juli 1971.
    362. Zie o.m. arrest van de Raad van State nr. 14.865, dd. 15 juli 1972, inzake Willockx; arrest nr. 18.207, dd. 1 april 1977, inzake Rochet; arrest nr. 20.256, dd. 17 april 1980, inzake De Smedt; arrest nr. 26.086, dd. 15 januari 1986, inzake Brahim; arrest nr. 26.749, dd. 26 juni 1986, inzake Pesch; arrest nr. 27.973, dd. 20 mei 1987, inzake Armanouss; zie ook arrest nr. 28.104, dd. 17 juni 1987, inzake Van Haverbeke.
    363. DE GROOT, 3., 1985b, p. 58-60.
    364. Zie ook: LEWALLE, P.; ‘Le droit des jeunes à l’école’, Journal du droit des jeunes,1986, nr. 2.
    364a. ln het arrest van de Raad van State nr. 32.320, dd. 25 maart 1989, inzake Mersch tg V.U.B. R. W., 1988-89, nr, 41, kol. 1405, stelde de Raad dat: ‘... de gelijkheidsregel geenszins (verbiedt) dat een vrije universiteit op grond van haar levensbeschouwelijk concept kandidaat-studenten zou weigeren’.
    365. M.b.t. de publiekrechtelijke school: zie voormeld arrest van het E.H.R.M., dd. 25 februari 1982 inzake Campbell en Cosans, Publ E.C.H.R., Series A, § 40-41, p. 18-19. Zie ook het arrest van de Raad van State, nr. 19.984, dd. 18 december 1979, inzake Feermans; arrest nr. 20.116, dd. 19 december t 980, inzake Decock; arrest van de Raad van State, dd. 18 juni 1985, inzake Ramant; Voorz. Rb. Namen, 7 januari 1986, Jur. Liège, 1986, p. 345 (met noot N0IRET, C.). vgl. met de leer van de derden werking von grondrechten: o.m. DIRjIX E., ‘Grondrechten en overeenkomsten’ in RIMANQUE, K. e.a., De toepasselijkheid van de grondrechten in private verhoudingen, Antwerpen, 1982, p. 37 e.v.
    366. Zie ook VERSTEGEN, R., Het statuut van de vrije onderwijsinstellingen, Administratief Lexicon, Brugge 1976, p. 100-106.
    367. Cf. Voorz. Rb. Namen, 7 maart 1986, Jur. Liège, 1986, p. 347; Voorz. Rb. Namen, 20 maart 1987, LT., 1987, p. 411 (met noot), gewijzigd door Luik, 23 april 1987, JT, 1987, p. 446 (met noot VANDER STICHELE, A., ‘A propos du droit scolaire’. Auteur voegt aan haar commentaar op voormeld vonnis in kortgeding echter toe: ‘.. .On peut se demander si une personne privée n’a pas le droit d’être ‘arbitraire’ . -.). Vgl. in de universitaire sector (met name de regionale openbare diensten, de U.I.A. en het LUC) het art. II, § 1, 6e en 14, 2e van de Wet van 17 april 1971 en art. 11, § 1,6e en art. 14,2e van de Wet van 28 mei 1971 m.b.t. het ‘recht op verdediging’. 368. Cf. arrest van de Hoge Raad (Nederland) dd. 22 januari 1988, gepubliceerd in Ned. Tijdschrift voor de Mensenrechten, april-mei 1985 p. 214 met noot van DE WINTER, R.
    369. Zo stelde het advies van de Raad van State nr. L. 16.620/8 dd. 11 maart 1985 inzake de amendementen van de Regering op een ontwerp van wet ‘betreffende het onderwijs: ‘Om willekeur te voorkomen bij de uitoefening van dat recht, verdient het aanbeveling aan te geven op welke gronden de inschrijving kan worden geweigerd. Het beste ware — om de gelijke toepassing van de regel ten aanzien van alle studenten en ten aanzien van alle universitaire instellingen te verzekeren — de Koning opdracht te geven deze gronden bij reglementair besluit te bepalen en in de memorie van toelichting aanwijzingen op te nemen nopens wat die gronden van weigering van inschrijving zouden kunnen zijn’.
    370. Stelling van RIMANQUE, K., De levensbeschouwelijke opvoeding van de minderjarige — publiekrechtelijke en privaatrechtehjke beginselen, Brussel, 1980, deel 11, p. 912. Zie alvast arrest van de Raad van State nr. 24.842, dd. 21 november 1984, inzake Grandchamps en Arezinski (de beslissing van een vrije school die een leerling definitief uitsluit omdat die geen strafstudie wil doen, is geen beslissing van een administratieve overheid). Voorheen: arrest nr. 15.326 tot 15.328, dd. 1 juni 1972, inzake Fass, Wattier en Nejszaten.
    371. In meerdere arresten, voornamelijk dan nog van toepassing op onderwijsaangelegenheden, geeft de Raad van State aan in welke zin rechtsherstel dient te worden verleend. Meest opgemerkte voorbeelden tussen de andere, zijn het arrest nr. 21.167, dd. 12 mei 1981, inzake Zoete (1), met betrekking tot een beoordeling van de centrale examencommissie en i.h.b. pt. 2.3. (Vgl. in burgerlijke rechtspraak bv. arrest van het Hof van Beroep te Brussel, dd. 23 november 1982, R. W., 1984-85, kol. 2832); arrest nr. 20.324, dd. 13 mei 1980, inzake Bracke m.b.t. het mondelinge examen; arrest nr. 24.691, dd. 26 september 1984, inzake Bruynseraede m.b.t. exameninstellingen, waaromtrent VERSTEGEN schreef: ‘Over de wenselijkheid van een dergelijke beleidsmatige rechtspraak kan men van mening verschillen (...) Toch zouden wij nog gelukkiger zijn als de Raad van State in zijn toezicht op het examengebeuren een grotere soberheid en terughoudendheid aan de dag zou leggen, en zich zou hoeden voor interferenties van het professorale ‘eigen weten’ van magistraten en ook wel voor iets van een neiging tot Jozefisme’: Van (onwettige) vrijstellingen bij universitaire examens zoals een ‘credit’-systeem, R. W., 1985-86, kol. 2039-2040. M.b.t. de problematiek’.
    vernietiging vergezeld van dwangsom: arrest nr. 22.446, dd. 8 juli 1982, inzake Zoete (Ii) en nietiging op dit punt door Cass. (Verenigde Kamers), 23 maart 1984, R. W., 1984-85, kol. 15 conclusie van de procureur-generaal KRINGS.

    Terug naar het begin van de pagina