HET TOELATINGSBELEID VAN ALLOCHTONE LEERLINGEN: legitimatie van discriminatie?
|
jaartal - nieuw - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - Z allochtonen, armoede, bijbeluitleg, bijbel en koran, boeddhisme, christendom, extreemrechts, fundamentalisme, globalisering en anti-globalisering,interlevensbeschouwelijke dialoog, islam, levensbeschouwing, levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , migratie, samenleving, sikhisme, tewerkstelling van allochtone leerkrachten,vluchtelingen en asielzoekers, witte scholen, multiculturele scholen en concentratiescholen, |
Vanderpoorten
laat beperking migranten toe
,,Dit is een pleidooi
voor het behoud van multiculturele scholen'' (aeg) 24/07/2001
BRUSSEL -- De Vlaamse minister van Onderwijs, Marleen Vanderpoorten (VLD), handhaaft de aanvaardingsplicht waardoor scholen alle leerlingen die zich aanbieden, moeten inschrijven, maar ze laat een belangrijke uitzondering toe. Wanneer het aantal migranten de draagkracht van een school overstijgt, zal die leerlingen mogen weigeren.
Toen minister Vanderpoorten aankondigde de scholen binnenkort een aanvaardingsplicht te zullen opleggen, stuitte dat op felle kritiek van de koepel van het katholiek onderwijs. ,,Wij hebben voor multiculturele scholen gekozen, met dertig tot vijftig procent migranten. Dergelijke scholen bieden de beste kansen tot integratie voor allochtoon en autochtoon. Als wij die grens niet meer kunnen bewaken, zal het aantal concentratiescholen alleen maar toenemen'', luidde de kritiek.
Vanderpoorten staat nu toe dat een school die aan de grens van het aantal migranten zit dat ze aankan, bijkomende migrantenleerlingen weigert. ,Dat is een pleidooi voor het behoud van multiculturele scholen'', zegt de minister. ,,Sommige migranten argumenteren dat hun kind het grondwettelijk recht heeft op de school van zijn keuze, maar een andere groep migranten vraagt zelf een plafonnering in het belang van alle kinderen. Hou alstublieft het been stijf, vroegen ze mij.''
Migrantenleerlingen weigeren kan enkel na lokaal overleg met de scholen van alle netten, in functie van het aantal migranten per gemeente. Blijkt bijvoorbeeld dat een gemeente dertig procent migrantenleerlingen telt en een school er daar al een belangrijk aantal van opvangt, dan mag zij leerlingen doorverwijzen.
De school moet de ouders begeleiden bij het vinden van een andere school. ,,Verdoken weigeringen zouden niet meer mogen kunnen'', aldus Vanderpoorten.
Terug
naar het begin van de pagina
Brussel, 24 juli 2001
We zijn geschokt en ontgoocheld door de uitspraken van minister Vanderpoorten in verband met haar voornemen om de toelating van migrantenkinderen in een aantal scholen te beperken. We zetten hier kort uiteen waarom:
Principieel:
WOORDBREUK
De uitspraken van de minister
druisen in tegen de afspraken die gemaakt zijn op 19 juni tussen de betrokken
partners in het overleg van de VLOR om in afwachting van een
gezamenlijk standpunt geen publieke standpunten in te nemen (en dit zeker
tot de volgende vergadering op 7 september 2001).
o.c. VLOR verslag: “Alle partners
gaan akkoord om geen publieke standpunten in te nemen zolang we naar een
gemeenschappelijk standpunt zoeken. De partners kunnen wel hun beheersorganen
informeren. Indien de pers hierover vragen stelt aan één
van de partners, dan zullen zij alleen het antwoord krijgen dat de besprekingen
nog niet afgerond zijn. Niemand zal hierover bijvoorbeeld een interview
geven aan de pers.”
· ALIBI-OUDERS:
De minister verwijst in het
artikel naar een ‘groep migranten’ die haar ondersteunen in het invoeren
van een plafonnering voor migrantenkinderen. De minister gaat op zoek naar
alibi-ouders om het grondwettelijk recht op vrije schoolkeuze uit te hollen.
· SCHIJNINSPRAAK:
We betreuren het dat de minister
de stem van de erkende landelijke verenigingen van etnisch-culturele minderheden
en de integratiesector negeert. Deze verenigingen en de integratiesector
nemen een duidelijk en geargumenteerd standpunt in vóór inschrijvingsrecht
en aanvaardingsplicht en tegen elke vorm van weigering en spreiding op
etnische basis. De minister lijkt onze stem niet te horen.
Inhoudelijk:
· CONTRADICTIE
Wetenschappelijk onderzoek heeft
het failliet van het non-discriminatiebeleid bewezen. Op basis hiervan
schreef de minister de visietekst “Geïntegreerd Gelijke Kansenbeleid”
(dec.2000) waarin ze aangeeft resoluut komaf te willen maken met de negatieve
effecten van dit NDO beleid. De minister gaf aan elke vorm van spreiding,
weigering en discriminatie van allochtone leerlingen in het onderwijs uit
te sluiten.
Het is erg contradictorisch
dat de minister nu net de bewezen negatieve effecten van het non-discriminatiebeleid
in een decreet wil verankeren. Hiermee ondergraaft de minister haar eigen
visie.
Naar eigen zeggen “stuitte de
minister op felle kritiek van de koepel van het katholiek onderwijs”
Bezwijkt de minister onder de druk van de netten?
· DISCRIMINATIE
Het is onbegrijpelijk dat de
minister een aantal beperkingen wil opleggen aan één groep:
migranten. Dit is discriminatie op vlak van etniciteit en daarom moreel
én juridisch onaanvaardbaar.
Het gelijke kansenbeleid moet
erop gericht zijn de rechten van alle kinderen en jongeren op kwalitatief
onderwijs te verzekeren.
· ONS PLEIDOOI
Het multiculturele karakter
van een school meet je niet door het aantal allochtone kinderen te tellen
(en te beperken). Het spreidingsbeleid heeft nooit een pedagogisch probleem
opgelost en heeft nooit een school ‘multicultureel’ gemaakt.
De minister kiest voor een weigeringsbeleid
op de kap van allochtone leerlingen. Haar redenering houdt geen steek.
Multiculturaliteit is geen slogan maar een doe-woord.
Dit communiqué wordt ook bezorgd aan: Kabinet Onderwijs, kabinet Welzijn, VLOR, Kinderrechtencommissariaat, Forum.
Vlaams Minderhedencentrum vzw
Vooruitgangsstraat 323 , 1030
Brussel
Tel. 02/205.00.50
Tel. 02/205.00.63
Contactpersoon: Söhret
Yildirim
Stafmedewerkster Onderwijs
Het Forum
Tel. 089/38.67.40
Contactpersoon : Christopher
Oliha
Voorzitter van het Forum
Terug
naar het begin van de pagina
Federatie
van Marokkaanse Verenigingen (FMV)
Driekoningenstraat 67, 2600
Antwerpen
Driekoningenstraat 67, 2600
Berchem
Tel. 03-239 98 31 – fax 03–239
98 32
e-mail: fmv_paj@hotmail.com
Datum: El-Jebha (Marokko), 6.8.2001
Persbericht: Beperking van het aantal migranten in sommige scholen
Minister van Onderwijs Vanderpoorten stapt binnenkort naar het Vlaams Parlement met een ontwerp van decreet over het ‘Gelijke kansenbeleid’ voor de Vlaamse scholen. Als dit decreet goedgekeurd wordt door het Vlaams Parlement treedt het in voege op 1 september 2002.
Voor het schooljaar 2001-2002 werd een overgangsregeling uitgewerkt. Het bestaande, weinig succesrijke non-discriminatiebeleid blijft zo goed als ongewijzigd. Wel kan het plaatselijk overleg over het non-discriminatiebeleid met nieuwe partners worden uitgebreid, tenminste als er daarover binnen dit overleg een consensus bestaat. De FMV had verwacht dat alle relevante onderwijsparticipanten een vertegenwoordiging zouden toegewezen krijgen. De personele en financiële middelen voor de uitvoering van dit beleid in de overgangsfase worden voor het onderwijs vergroot. Maar niet voor de migrantenorganisaties, die nochtans een belangrijke taak kunnen vervullen in de realisatie van een gelijke kansenbeleid.
In haar visietekst ‘Naar een Geïntegreerd gelijke kansenbeleid binnen het onderwijs’ van december 2000 hield de Minister een pleidooi voor het ‘inschrijvingsrecht’ en de ‘aanvaardingsplicht’ van iedere leerling in het onderwijs in Vlaanderen. Deze kordate beleidsoptie kwam onder zware druk te staan van vooral het vrij katholiek onderwijs. De toepassing van dit principe zou volgens het vrij katholiek onderwijs – er bestaat hiervoor evenwel geen enkel wetenschappelijk bewijs - de concentratiescholen en de verdere juridisering in het onderwijs doen toenemen.
De nieuwe beleidsmaatregelen leggen de ‘witte’ scholen geen verplichting op om ‘migrantenleerlingen’ op te nemen. Dit gegeven in combinatie met de mogelijkheid voor ‘multiculturele scholen’ om migrantenleerlingen te weigeren wanneer ‘het aantal migranten de draagkracht van een school overstijgt’ zou wel eens voor gevolg kunnen hebben dat het aantal concentratiescholen eerder toeneemt dan afneemt.
Allerlei argumenten werden tijdens de besprekingen aangevoerd om de beleidsopties af te voeren of minstens af te zwakken. Het afgezwakte voorontwerp van decreet betreffende een gelijkekansendecreet in het onderwijs dat thans ter discussie voorligt in de Vlaamse Onderwijsraad en het weigeren van leerlingen op etnische basis mogelijk maakt en de uitlatingen van minister Vanderpoorten in de media eind juli 2001 zijn niet alleen achterhaalde opties maar zijn ook onaanvaardbaar.
Iedere afzwakking van de vrije toegang tot de scholen voor leerlingen uit etnisch-culturele minderheidsgroepen die aan de toelatingsvoorwaarden voldoen is voor de FMV onaanvaardbaar. Van het onderwijs verwacht de FMV dat ze de nationale wetgeving (de Belgische grondwet), de internationale wetgeving (inzonderheid de ‘Universele Verklaring van de Rechten van de Mens’, het ‘Europees Verdrag inzake de Rechten van de Mens en zijn fundamentele vrijheden’ en het ‘Verdrag inzake de Rechten van het Kind) en de Europese richtlijn 2000/43 respecteert. Pragmatische argumenten en compromisvoorstellen zijn niet op hun plaats. Voor de FMV is het primeren van het belang van de multiculturele scholen op het non-discriminatiebeginsel onaanvaardbaar en onbespreekbaar.
Blijkbaar maakt men zich geen zorgen over hoe die beleidsmaatregelen door de migrantengemeenschappen worden aangevoeld en welke negatieve effecten ze hebben voor de beeldvorming over deze gemeenschappen.
Voor de FMV is de prioritaire doelstelling voor een non-discriminatiebeleid: de realisatie van gelijke rechten, kansen en uitkomsten voor álle leerlingen in álle scholen. Een doelstelling die enkel kan gerealiseerd worden door middel van kwaliteitsonderwijs en door het onderwijs in multi-etnisch perspectief te plaatsen. Multiculturele scholen op zich zijn geen garantie voor het wegwerken van leerachterstanden. Ze bieden hoogstens de garantie aan de ouders van Vlaamse origine dat een bepaald percentage ‘migrantenleerlingen’ niet zal overschreden worden.
FMV is van oordeel dat er enkel vanuit een gelijke behandeling van alle leerlingen met de vertegenwoordigers van álle ouders open en eerlijk kan gepraat worden over de het Gelijke Kansenbeleid en de opportuniteit/haalbaarheid van de multiculturele school.
Het voorstel om in het kader van de bescherming van de multiculturele school over te gaan tot de ‘voorlopige inschrijving’ en weigering van één groep leerlingen op basis van etniciteit (met name ‘migrantenleerlingen’) is strijdig met het recht op onderwijs. Deze maatregel benadert de leerlingen uit etnische minderheidsgroepen en hun ouders op een negatieve manier en is discriminerend.
De discussie over het gelijkekansenbeleid is blijkbaar verre van beëindigd. De FMV publiceert eind augustus een brochure met als titel: ‘Een echt non-discriminatiebeleid. Een garantie voor de toekomst van onze kinderen’ (Marc Laquière, FMV, Antwerpen, 2001, 60 p. met bijlage). Deze brochure maakt de balans op van 8 jaar zgn. non-discriminatiebeleid in het Vlaams onderwijs. Een terugblik op de geschiedenis van het non-discriminatiebeleid geeft een inzicht in wat er tot op heden fout gelopen is en hoe men fouten in de toekomst kan vermijden.
Deze brochure wil een bijdrage leveren voor ouders en beleidsmakers in de discussie over het tot op heden gevoerde zgn. non-discriminatiebeleid en het toekomstige Gelijke Kansenbeleid. In een democratische samenleving heeft iedere ouder het recht op informatie ook al is die afwijkend van het standpunt van het beleid.
De opbrengst van deze brochure wordt, in afwachting dat er ooit decretaal afdoende maatregelen worden genomen, integraal besteed aan het ‘Fonds voor slachtoffers van discriminatie en racisme in het onderwijs’ van het FMV dat ouders uit etnische minderheidsgroepen zal ondersteunen wanneer zij een klacht willen indienen. Het is een publiek geheim dat klachten thans niet op een doeltreffende manier bemiddeld en behandeld worden.
De VLOR vroeg op 19 juni 2001
aan de leden van het ‘Overleg Toelating’ geen publieke standpunten in te
nemen zolang de onderhandelingen duren. De deadline van deze onderhandelingen
werd evenwel niet vermeld. FMV maakt geen deel uit van het Overleg en voelt
zich niet gebonden door dit eenzijdig verbod. Deze werkwijze druist in
tegen het recht op vrije nieuwsgaring en is een machtsmiddel om eenzijdig
bepaalde opvattingen door te drukken. Op die manier krijgen de standpunten
van minderheden ongelijke kansen. FMV was bereid de vraag om geen publieke
standpunten in te nemen te respecteren tot na de vergadering van 7 september
2001. Begin volgend schooljaar dreigen de migrantengemeenschappen - zoals
in het verleden - het slachtoffer te blijven van een discriminerend beleid
in het onderwijs. Op 24 juli 2001 - het ogenblik dat de meeste veel migrantenouders
met hun kinderen vertrokken waren naar de landen van herkomst en genoten
van de vakantie met hun familie maakte de minister van onderwijs - tegen
alle afspraken in – haar ‘gelijke kansen’ plannen voor volgend schooljaar
bekend in de Vlaamse media.
De meeste woordvoerders en vertegenwoordigers
van de migrantengemeenschappen waren met een gerust gemoed naar Marokko,
Turkije … vertrokken. Sedert 1995 worden met de toepassing van het decreet
Verenigingen 14 landelijke migrantenverenigingen door de Vlaamse overheid
erkend. Deze verenigingen hebben een duidelijke visie over het voorliggende
gelijke kansenbeleid. Wij betreuren het dat minister van onderwijs geen
rekening houdt met de standpunten van deze organisaties en al te gemakkelijk
verwijst naar een niet representatieve ‘groep migranten’. Ieder beleid
heeft er alle belang bij om te communiceren met een representatieve groep
mensen als gesprekspartner. Het is nogal doorzichtig om te verwijzen naar
enkele niet georganiseerde individuen waarvan de kans groot is dat ze
enkel zichzelf vertegenwoordigen.
Vanaf 20 augustus zijn de medewerkers van de FMV terug uit vakantie en beantwoorden zij graag uw vragen.
Vóór die datum
kunt u contact opnemen met:
Mohamed Chakkar, Coördinator
FMV: tot en met 19 augustus in Marokko (0486/ 25.07.61 – Chakkar@hotmail.com;
mohamed.chakkar@pandora.be)
Marc Laquière,
voorzitter Werkgroep Onderwijs FMV: vanaf 7 augustus terug in België
(O495/25.09.81 – mlaquiere@digibel.org)
Terug naar het begin van de pagina
Commissie voor Onderwijs en Vorming
1. Situering: (non-) discriminatie
in het onderwijs
Hoewel de Vlaamse samenleving
een interculturele samenleving is geworden, klagen allochtone kinderen
nog vaak over discriminatie. Het Vlaamse onderwijs ontsnapt hier niet aan.
Het Kinderrechtencommissariaat ontving sinds begin dit schooljaar meerdere
klachten aangaande dit probleem. Dit leidde tot verder onderzoek. In de
loop van dit onderzoek verzocht het Kabinet van Vlaams Minister van Onderwijs
het Kinderrechtencommissariaat een advies te formuleren m.b.t. de evaluatie
van de Non-discriminatieverklaring van 15 juli 1993.
Naast literatuurstudie en de
behandeling van de klachten, had het Kinderrechtencommissariaat in de rand
van dit dossier meerdere gesprekken met minderjarigen , onderwijsmensen,
academici, zelforganisaties van migranten, welzijnswerkers en beleidsverantwoordelijken.
Het Kinderrechtencommissariaat had gesprekken met 36 ‘doelgroepleerlingen’
uit verschillende scholen en regio’s.
Individuele klachten, die sloegen
op concrete dossiers, werden doorverwezen (sedert 15/10/1999) naar de BEOBEMI,
waarin sinds die datum het Kinderrechtencommissariaat als neutrale waarnemer
zetelt .
Bij de evaluatie van een protocol
als de non-discriminatieverklaring, kan men niet anders dan dit te toetsen
aan bestaande rechtsmiddelen. Hierbij wil het Kinderrechtencommissariaat
er op wijzen dat de rechtsorde dient gerespecteerd te worden. Door het
Internationaal Verdrag Inzake de Rechten van het Kind te ondertekenen en
te ratificeren heeft België zich geëngageerd om de bepalingen
uit dit Verdrag in de praktijk om te zetten. Het Internationaal Verdrag
Inzake de Rechten van het Kind heeft, als geratificeerd internationaal
verdrag een grote juridische en morele betekenis. Bij de evaluatie van
de non-discriminatieverklaring kan men hieraan niet voorbij gaan.
2. Klachten m.b.t. discriminatie
op basis van etniciteit.
2.1. Aanmeldingen van klachten
m.b.t. discriminatie (schooljaar 1999 – 2000)
· 7 klachten m.b.t. weigering
van inschrijving, waarin een tussenkomst werd gevraagd.
· 206 klachten m.b.t.
weigering van inschrijving die ons ter informatie werden gemeld.
· 11 klachten m.b.t.
discriminatie in het onderwijs, waarin een tussenkomst werd gevraagd.
· 9 klachten m.b.t. discriminatie
in het onderwijs, die ons ter informatie werden gemeld.
2.2. De non-discriminatieverklaring
Bij de totstandkoming van de
non-discriminatieverklaring werd deze gezien en toegejuicht als een eerste
stap in de richting van een Vlaamse onderwijswereld, waarin racisme en
discriminatie ongewenst waren. De non-discriminatieverklaring betekende
een stap in de richting van een onderwijsveld waarbinnen elk kind gelijke
onderwijskansen krijgt, waarin segregatie vermeden zou worden en zou worden
gewerkt aan een niet discriminerende leeromgeving (J.Leman, 1999) . De
maatschappelijke realiteiten van 1993 waren anders dan deze waarmee wij
vandaag worden geconfronteerd. Deze veranderde samenleving dient mee in
rekening te worden genomen bij de evaluatie van de non-discriminatieverklaring.
De objectieve vaststelling van
discriminatie kan gebeuren aan de hand van uitspraken of handelingen, getoetst
aan hun bedoelingen of gevolgen. Wanneer deze uitspraken of handelingen
blijk geven van onderscheid, uitsluiting, beperking of voorkeur, die tot
doel heeft, of ten gevolge heeft of kan hebben dat de erkenning, het genot
of de uitoefening op voet van gelijkheid van de rechten van de mens en
de fundamentele vrijheden op politiek, economisch, sociaal of cultureel
terrein of op andere terreinen van het maatschappelijk leven, wordt tenietgedaan,
aangetast of beperkt , spreken we van discriminatie.
De non-discriminatieverklaring
ontstond als een instrument dat over de netten heen een dialoog tot stand
bracht over het fenomeen van discriminatie in het onderwijs. Zij heeft
er in veel gevallen toe geleid dat er minder ‘witte’ en meer ‘grijze’ scholen
ontstonden. De non-discriminatieverklaring heeft het taboe van de discriminatie
in het onderwijs doorbroken. Men moet de non-discriminatieverklaring als
beleidsinstrument dan ook naar waarde schatten. De non-discriminatieverklaring
erkent dat elke jongere, ongeacht zijn ras of etnische afkomst, werkelijke
gelijke onderwijskansen moet krijgen . Tevens erkent de non-discriminatieverklaring
de principieel gelijkheid van elke potentiële gebruiker. Zij vermeldt
uitdrukkelijk dat de vrije schoolkeuze uit hoofde van de gebruiker gerespecteerd
moet worden . Hierin sluit de non-discriminatieverklaring zich aan bij
de tekst van de preambule, art.2, art. 28 en art.29 van het Internationaal
Verdrag Inzake de Rechten van het Kind.
De non-discriminatieverklaring
is een instrument dat haar kracht ontleent aan een vrijwillig engagement
door de ondertekenende partijen. Dit vrijwillig engagement (dat na de ondertekening
niet vrijblijvend is) bleek noodzakelijk, omdat dit voor sommige inrichtende
machten een voorwaarde zou kunnen zijn om al dan niet mee te werken aan
de voorgestelde doelstellingen. Dit lijkt vreemd, vermits op het moment
van ondertekening het Internationaal Verdrag Inzake de Rechten van het
Kind reeds door België was geratificeerd en ook in Vlaanderen rechtsgeldigheid
had verkregen. Dit zou kunnen verklaard worden doordat de non-discriminatieverklaring
in de eerste plaats geen juridisch instrument is, maar een uiting van sociaal
engagement . Door een vrijwillig non-discriminatie engagement als wettelijke
norm te aanvaarden, blijft men echter wel onder de wettelijke norm zoals
die is vastgelegd in het Internationaal Verdrag Inzake de Rechten van het
Kind en afgeleide wetgeving. De non-discriminatieverklaring kan dus wel
dienen als werkinstrument, maar nooit in de bestaande vorm als minimumnorm
worden gehanteerd.
2.3 Non-discriminatie in de wetgeving
In de bespreking van discriminatie
in het onderwijs, moeten wij er op wijzen dat discriminatie van groepen
of individuen verboden is voor alle onderwijsnetten. K. Hanson (1994) verwijst
hiervoor naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens
in de zaak Costello-Roberts vs. Het Verenigd Koninkrijk van 25 maart 1993
. Hier komt de doorwerking van grondrechten in de relatie met een private
onderwijsinstelling uitdrukkelijk aan bod. In hun arrest verwijzen de rechters
o.m. naar art. 28, 2°lid van het Internationaal Verdrag Inzake de Rechten
van het Kind. Niettegenstaande de vrijheid om onderwijs in te richten op
basis van een eigen pedagogisch project, dient ook een vrije school rekening
te houden met een aantal minimumeisen inzake de wijze waarop dit onderwijs
wordt ingericht. Door de toenemende juridische erkenning van de horizontale
doorwerking van grondrechten dient elke school de vrijheidsrechten van
haar leerlingen te eerbiedigen.
Tegelijk verwijzen we naar het
gelijkheidsbeginsel, zoals dit o.m. is opgenomen in het Internationaal
Verdrag Inzake de Rechten van het Kind, Art. 2. In art 28 en 29 van datzelfde
verdrag, wordt de gelijkheid van elk kind expliciet benadrukt door het
gebruik van termen als ‘elk kind’, en ‘ieder kind’.
Dit betekent niet dat elke ongelijkheid
in behandeling kan worden uitgesloten. We verwijzen hiervoor naar het arrest
van het Arbitragehof van 27 januari 1994, waarin het Arbitragehof de voorwaarden
uiteenzet waaronder positieve discriminatie of ’corrigerende ongelijkheden’
bestaanbaar zijn met het gelijkheidsbeginsel (Hanson, 1999) . Positieve
discriminatie kan, wanneer zij een wettelijk doel dient, dat gestoeld is
op een objectief en redelijk criterium en dat bovendien de aangewende middelen
evenredig zijn met het beoogde doel. Bij positief discriminerende maatregelen
is vooral de evenredigheidstoets van belang, en het evenwicht van de gelijkheid
van het individu en de gelijkheid van de groep .
2.4. Weigering van inschrijving
Spijts de vele inspanningen
die werden geleverd op diverse beleidsniveaus worden leerlingen regelmatig
geweigerd op school omwille van hun etnische origine en de mogelijke invloed
die dit heeft op autochtone ouders. Scholen vrezen de ‘witte vlucht’ en
het ontstaan van concentratiescholen. Niemand is gebaat bij het ontstaan
van concentratiescholen. Toch moeten we bij deze praktijken ernstige vraagtekens
plaatsen. Enerzijds komt deze redenering in conflict met de vrije schoolkeuze,
anderzijds met het gelijkheidsprincipe en de internationale wetgeving ter
zake .
De etnische origine van leerlingen,
vanaf een bepaald percentage accepteren als criterium voor weigering is
een discriminerende maatregel. Niemand zou ooit aanvaarden dat een gelijkaardig
beleid zou worden gevoerd ten aanzien van bijvoorbeeld kansarme kinderen.
Terecht zou men aanvoeren dat hier de menselijke waardigheid wordt aangetast.
Het gebruik van het percentage als absoluut gegeven, waarmee men verwijst
naar de bovengrens uit de non-discriminatieverklaring , is in strijd met
de non-discriminatieverklaring zelf en het gelijkheidsprincipe van het
Internationaal Verdrag Inzake de Rechten van het Kind. Immers, wanneer
ouders niet akkoord gaan met de voorgestelde alternatieven voor inschrijving,
blijkt dat de school waar de leerling zich aanbood desondanks de leerling
kan weigeren zonder gesanctioneerd te worden. De bovengrens wordt regelmatig
gehanteerd als een wettelijke norm, wat zij niet is. Leerlingen kunnen
klacht indienen bij de BEOBEMI, die zal pogen te bemiddelen, maar zich
houdt aan diezelfde bovengrens. De BEOBEMI kan niet sanctionerend optreden,
hoewel sommige leden van diezelfde BEOBEMI opperen dat zij bij discussies
meermaals tot hun spijt moesten vaststellen dat zij dit niet konden .
In het basisonderwijs dienen
weigeringen te worden gemotiveerd binnen een termijn van vier kalenderdagen
. In heel wat gevallen gebeurt dit gewoonweg niet. Dit is ook niet verwonderlijk,
gezien het decreet Basisonderwijs in geen sancties voorziet bij weigering
zonder schriftelijke motivatie (R. Verstegen, 1998).
2.5. De Beoordelings- en bemiddelingscommissie
Klachten die door lokale bemiddeling
niet worden opgelost, kunnen worden voorgelegd aan de BEOBEMI. Het aantal
klachten dat effectief wordt ingediend bij de BEOBEMI is maar een fractie
van de klachten die worden gemeld bij de steunpunten onderwijs, meldpunten
etnische discriminatie en de lokale integratiecentra .
Het Kinderrechtencommissariaat
krijgt van alle geledingen aan de basis het signaal dat mensen geen klacht
neerleggen omdat zij zich te afhankelijk voelen van de school of het onderwijsnet.
Deze afhankelijke positie maakt de drempel naar een klachtenbehandeling
vrij hoog. Het valt op dat leerlingen en ouders vaak hun rechten niet kennen,
wanneer zij menen in aanraking te komen met discriminerende maatregelen.
In dit verband willen wij wijzen op recente klachten betreffende het niet
verdelen van de informatiebrochure: 'Gids voor ouders met kinderen in het
basisonderwijs '
Veel ouders en leerlingen zeggen
geen vertrouwen te hebben in de werking van de BEOBEMI. Dit kan verklaard
worden doordat zij de BEOBEMI ervaren als een orgaan met juridisch bindende
uitspraken . In de BEOBEMI zetelen bovendien vertegenwoordigers van de
koepel waarbij de scholen die worden aangeklaagd, zijn aangesloten. Ouders
klagen aan dat zij hun klacht moeten laten behandelen door de mensen tegen
wie zij klacht indienen. De leerlingen of hun ouders zijn bij de beraadslaging
niet vertegenwoordigd en hebben geen toegang tot hun dossier, noch inzage
in het verloop van de debatten. Dit is absoluut in strijd met art.12 van
het Internationaal Verdrag Inzake de Rechten van het Kind en de Algemene
Beginselen van Behoorlijk Bestuur.
2.6. Discriminatie in het onderwijs.
Naast klachten over weigering
tot inschrijving, maakte men ook melding van discriminatie in het onderwijs.
Hierbij wordt melding gemaakt van discriminerende opmerkingen, het negeren
of belachelijk maken van religieuze of culturele gebruiken van migrantenleerlingen,
ongelijke behandeling door klassenraden, het gebruik van een onaangepast
diagnosticerend instrumentarium door PMS centra, … H. Deley merkt
op dat het recht op neutraliteit soms wordt vertaald in het recht op intolerantie
. In heel wat gevallen wordt eenzijdig tolerantie verwacht vanwege de allochtone
medemens ten overstaan van de dominante bevolkingsgroep. Op wederkerigheid
hoeft hij vaak niet te rekenen. De getuigenissen van jongeren zijn te eensluidend
om genegeerd te worden.
2.7. Het begrip ‘doelgroepleerlingen’.
Verschillende betrokkenen voeren
aan dat de omschrijving van het begrip doelgroepleerling niet is gekoppeld
aan schoolse prestaties of problemen, maar aan etniciteit. De non-discriminatieverklaring
wil de vorming van concentratieklassen of –scholen ontmoedigen. Niemand
is een voorstander van concentratieklassen, net zomin als men een voorstander
is van homogene klassen waar het de socio-economische situatie van het
gezin betreft. Hoe groter de homogeniteit van een bepaalde doelgroep, hoe
groter de kansen zijn, dat de zwakheden of problemen van die bepaalde groep
zich scherper zal aftekenen. Zo is het ook met de taalvaardigheidsproblemen
van allochtone leerlingen. Dit vraagt, gezien het gelijkheidsbeginsel,
de nodige ondersteuning voor klassen die een dergelijk homogeen publiek
bereiken, teneinde kwaliteitsvol onderwijs aan te kunnen bieden. Bovendien
blijkt dat scholen, die inspanningen leveren om in hun concentratieschool
kwaliteitsvol onderwijs aan te bieden, spoedig ook weer autochtone leerlingen
uit de buurt kunnen aantrekken . Daarbij blijft het gegeven overeind dat
alle ouders bij voorkeur zoeken naar een goede buurtschool voor hun kind.
Onderwijs in de buurt versterkt bovendien het sociaal netwerk van een buurt.
Het is opvallend hoe verwijzingen
naar het Internationaal Verdrag Inzake de Rechten van het Kind, niettegenstaande
de volgehouden inspanning op beleidsniveau, binnen het onderwijsveld nog
al te vaak geringschattende reacties teweeg brengen, alsof kinderrechten
een vrijblijvende optie zouden zijn. Niets is minder waar. Op de vergadering
van de BEOBEMI d.d 22/12/1999 werd een voorstel van het Kinderrechtencommissariaat
om ook leerlingen te bevragen voor de interne evaluatie van het non-discriminatieverklaring
door meerdere leden smalend ontvangen op bemerkingen als: ”dat is jullie
winkel” of werd afgedaan als onmogelijk met de opmerking dat men niet beschikt
over de kennis van methodieken om dit te doen. Er kan niet genoeg gewezen
worden op de juridische consequenties van de ratificatie van het Internationaal
Verdrag Inzake de Rechten van het Kind.
3. Advies van het Kinderrechtencommissariaat
· Het Kinderrechtencommissariaat
pleit voor het bestendigen van een non-discriminatiebeleid in het onderwijs.
Gezien de zich wijzigende maatschappij en de juridische ontwikkelingen
meent het Kinderrechtencommissariaat dat non-discriminatie in het onderwijs
een algemeen bindend werkingsprincipe moet worden. Daarom pleit het Kinderrechtencommissariaat
voor de versterking en ondersteuning van een non-discriminatiebeleid op
twee niveaus, het lokale en het centrale, gesteund door een decretale basis.
· De non-discriminatie
en het toelatingsbeleid dienen decretaal vast te liggen, teneinde actuele
ontwikkelingen m.b.t. de mensenrechten / kinderrechten in te schrijven
in de Vlaamse decreetgeving. Het decreet dient te voorzien in de mogelijkheid
om overtredingen effectief te sanctioneren. Hierbij moet de vrije schoolkeuze
-met respect voor de reglementering betreffende inschrijving en weigering
van leerlingen- als individueel grondrecht gerespecteerd worden.
· Het lokaal overleg
dient sterker te worden uitgebouwd, zodat klachten en problemen m.b.t.
discriminatie kunnen worden besproken met de verschillende scholen en netverantwoordelijken
op lokaal vlak. Klachten worden bij voorkeur behandeld op lokaal vlak.
Lokaal overleg dient te worden georganiseerd zodra een bepaald aantal klachten
of problemen wordt gemeld bij het centraal overleg.
· Het centraal overleg
fungeert als beroepsmogelijkheid voor klachten op het lokaal vlak (zonder
evenwel te raken aan de mogelijkheid om gelijk wanneer een zaak aanhangig
te maken bij de rechtbank). Tevens kan het centraal overleg een coördinerende
en stimulerende rol spelen ten overstaan van het lokaal niveau.
· Op beide niveaus dienen
de leerlingen of hun wettelijke vertegenwoordiger bij de behandeling van
hun klachten aanwezig te kunnen zijn en gebruik te kunnen maken van hun
spreekrecht, indien gewenst bijgestaan door hun vertrouwenspersoon .
· Teneinde de individuele
casuïstiek te overstijgen, worden vertegenwoordigers van de verschillende
grote migrantengemeenschappen aangeduid die zetelen in het lokaal en centraal
overleg.
· Er dienen deskundigen
op het gebied van kinderrechten aangeduid te worden die permanent zetelen
in het lokaal en centraal overleg .
· Het begrip ‘doelgroepleerling’
verdient een andere omschrijving dan op basis van etniciteit, zoals dit
momenteel het geval is. Het Kinderrechtencommissariaat pleit er voor doelgroepleerlingen
te omschrijven op basis van schoolse achterstand.
· Scholen die met grote
concentraties doelgroepleerlingen werken en door middel van zorgverbreding
de kwaliteit van hun aanbod verhogen, dienen hiervoor de nodige ondersteuning
te krijgen in de vorm van personeelsomkadering, tijd en middelen.
· Lerarenopleidingen
moeten mensenrechten– en kinderrechteneducatie in hun lessenpakket opnemen.
Dit werd tevens aanbevolen door het comité voor de rechten van het
Kind in Genève, na neerlegging van het eerste Belgische rapport
in 1995 .
· Onderwijsinstellingen
moeten verplicht worden om hun leerlingen op een begrijpelijke wijze te
informeren over hun rechten .
· De verschillende participatieorganen
binnen het onderwijs, dienen aldus samengesteld te worden, dat zij effectief
alle kinderen vertegenwoordigen.
· Bij doorlichtingen
door de inspectie zou de naleving van het Internationaal Verdrag Inzake
de Rechten van het Kind in het algemeen en de non-discriminatie in het
bijzonder, als een kwaliteitscriterium moeten gelden.
· Tenslotte pleit het
Kinderrechtencommissariaat voor een onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek
naar de effecten van het non-discriminatiebeleid dat wordt (zal worden)
gevoerd.
Terug
naar het begin van de pagina
School zonder racisme pleit voor een Open Schoolpoort
School zonder racisme heeft vanaf
de invoering van de non-discriminatie-overeenkomsten de negatieve gevolgen
ervan aangeklaagd en in haar tijdschrift Klasgenoten
heeft ze meer dan
veelvuldig voorbeelden gegeven van weigering op basis van die overeenkomst.
Het moet reeds meer dan vijf
jaar geleden zijn dat School zonder racisme een Actie Open Schoolpoort
voerde. Daarvoor werd een tekst opgemaakt, waaruit ik hier citeer.
Op 15 juli 1993 werd in de schoot van de Vlaamse Onderwijsraad de non-discriminatieverklaring ondertekend. Tijdens het schooijaar ‘94- ‘95 werden lokale overeenkomsten afgesloten voor het basisonderwijs in vijf pilootgemeenten. In de schooljaren daarop werden overeenkomsten afgesloten in steden en gemeenten waar migranten wonen. In enkele steden is er ook een akkoord afgesloten voor het secundair onderwijs.
De ervaringen met de akkoorden die tijdens de afgelopen schooljaren werden afgesloten, hebben uitgewezen dat de nadruk ligt op het instellen van maximumdrempels en het spreiden en doorverwijzen van migrantenkinderen. Daardoor krijgen de bestaande discriminaties en mechanismen om inschrijving van migrantenkinderen in een school te weigeren, een officieel karakter.
Daarom vragen we een grondige herziening van de huidige non-discriminatieverklaring, want ze schendt de democratische rechten van de migrantenbevolking en ligt aan de basis van heel wat discriminerende lokale overeenkomsten.
Een non-discriminatieakkoord moet een hefboom worden in de strijd voor gelijke kansen en tegen elke vorm van racisme en discriminatie in de school en in de samenleving.
School Zonder Racisme stelt volgende basisideeën en principes voorop voor de uitwerking van een non-discriminatiebeleid.
Basisideeën
— Alle scholen staan open voor alle leerlingen, ongeacht hun etnische of sociale afkomst.
— Alle scholen engageren zich om antiracistisch en intercultureel kwaliteitsonderwijs te geven aan alle kinderen.
— Alle scholen verwerpen elke vorm van discriminatie of racisme (open of verdoken).
Artikel 1. Verbod op weigering
Elke weigering tot inschrijving van een leerling op basis van etnische, nationale, godsdienstige of culturele achtergrond is verboden. Een lokale, onafhankelijke instantie moet instaan voor de behandeling van klachten over discriminatie bij de inschrijving. Elke school dient dit “klachtenbureau” te afficheren in de inschrijvingslokalen.
Artikel 2. Openstellen van “witte” concentratiescholen is noodzaak
“Witte” concentratiescholen streven naar een zodanige samenstelling dat de school een weerspiegeling is van de bevolking uit de buurt. De school voert daartoe een actief toelatingsbeleid. Ze toont dat ze een campagne voert van het openstellen van de deuren voor de migrantenouders, en dus voor alle ouders. Ze geeft te kennen dat de aanwezigheid van kinderen van verschillende afkomst een meerwaarde betekent voor de school. De school zet activiteiten op om het antiracistisch en intercultureel onderwijs te promoten. Dit alles wordt in een concreet plan omgezet en samen met het toelatingsbeleid van de school jaarlijks geëvalueerd door een onafhankelijke commissie.
Artikel 3. Tegen de witte vlucht: een veelkleurige school is een betere school
De scholen verbinden zich er toe om ouders te overtuigen hun kinderen niet weg te halen van scholen met migranten. Hiertoe wordt een algemene antiracistische infocampagne naar de ouders gevoerd waarin actief vooroordelen weerlegd worden.
Zogenaamde “witte” concentratiescholen engageren zich in die zin om autochtone leerlingen die niet uit de regio komen, aan te moedigen naar een school in de omgeving van de eigen woonst te gaan. De vrije keuze van de ouders blijft gerespecteerd.
Artikel 4. Geen bovengrenzen
De scholen wijzen elke vorm van bovengrenzen en doorverwijzingen af. Bovengrenzen zijn in strijd met de grondwet die de vrije schoolkeuze van de ouders waarborgt. Bovengrenzen en doorverwijzingen leiden in de praktijk tot discriminatie en willekeur; migranten dienen dikwijls langs meerdere scholen te gaan vooraleer ze ergens welkom zijn, meestal verder van huis in een andere buurt. Er worden nu zelfs kinderen geweigerd in scholen waar ze tot dan toe altijd gezeten hadden. De gevoelens die hierbij ontstaan bij het kind zelf, bij de ouders zijn niet te beschrijven. Het hanteren van bovengrenzen vertrekt van de racistische redenering dat te veel migrantenkinderen in één school een probleem zijn. Nergens, niet in België en niet in het buitenland, is daarvan enig wetenschappelijk bewijs geleverd. Het gevolg is wel dat de migranten met de vinger worden gewezen, ze voelen zich afgewezen en gestigmatiseerd; hen wordt de schuld gegeven van hun eigen achterstelling. “Blaming the victim” noemt men zoiets.
Artikel 5. Geen hetze tegen concentratiescholen
Vanuit democratisch en antiracistisch oogpunt ijveren wij voor etnisch gemengde scholen. Apartheid is een vorm van racisme en een bron van racisme. Nochtans is het bestaan op zich van concentratiescholen niet de kern van het probleem. De scholen verwerpen het vooroordeel dat concentratiescholen per definitie een lagere kwaliteit van onderwijs geven. Wetenschappelijk onderzoek naar de onderwijskwaliteit in concentratiescholen is in België onbestaande. Empirische ervaringen wijzen uit dat er zeer goed, goed en minder goed onderwijs bestaat zowel in instellingen met geen, met een gemiddelde of met een hoge aanwezigheid van migrantenleerlingen.
Artikel 6. Meer middelen voor het onderwijs
De realisatie van een antiracistisch en intercultureel kwaliteitsonderwijs en van gelijke kansen voor alle leerlingen veronderstelt dat meer geld in onderwijs wordt geïnvesteerd. Als de kwaliteit van het onderwijs daalt, dan is dit niet door de aanwezigheid van migranten maar door de besparingen van de regering. De uitgaven voor onderwijs daalden van 6,6% in ‘80 naar 5,5% van het BNP. Indien er nu nog steeds 6,6% van het BNP naar onderwijs zou gaan, dan zou er zo’n 84 miljard frank meer zijn voor onderwijs! De Vlaamse regering trok in 1993 slechts 800 miljoen uit voor extra subsidies (Onderwijsvoorrangsbeleid) aan scholen met een groot aantal migrantenleerlingen. De scholen engageren zich om gezamenlijk (met de leraars, scholieren en ouders) op te komen voor meer middelen voor het onderwijs in het algemeen en voor migrantenkinderen in het bijzonder.
Artikel 7. Achterstand en achterstelling
De achterstellingsmechanismen in het onderwijs zelf dienen afgebouwd te worden. Ze veroorzaken niet alleen bij migrantenkinderen achterstand, maar ook bij autochtone kinderen uit achtergestelde socio-culturele groepen.
De belangrijkste reden waarom migrantenleerlingen dikwijls meer aandacht behoeven, is de taalachterstand. De scholen engageren zich om prioritair het taalonderwijs van alle kinderen beter te verzorgen door extra taalvaardigheidslessen. Het onderwijsvoorrangsbeleid (OVB) moet uitgebreid worden in plaats van afgebouwd.
Artikel 8. Jaarlijkse dag voor Vriendschap & Gelijkheid
Het schooljaar kent enkele hoogdagen van antiracisme zoals 21 maart, de Internationale Dag tegen het Racisme, of 8 mei, de dag van de overwinning op het fascisme. Dit zijn uitstekende gelegenheden voor alle scholen van de gemeente/stad om een gezamenlijke Dag voor Vriendschap & Gelijkheid, een dag van informatie en actie tegen het racisme, te organiseren.
Artikel 9. Uitwisselingsprojecten voor “witte” concentratiescholen
Kinderen en jongeren een open, interculturele houding bijbrengen, lukt niet door enkel informatie te geven. De jeugd van verschillende culturen moet de kans krijgen elkaar te ontmoeten en vriendschap te sluiten. Daarom worden scholen die weinig of geen migranten tellen gestimuleerd, jaarlijks een uitwisselingsproject op te zetten met scholen die veel migrantenleerlingen tellen.
Artikel 10. Actie ‘Open Schoolpoort’ : een zaak van iedereen!
De Actie ‘Open Schoolpoort’, het afsluiten van een (lokaal) non-discriminatîeakkoord zijn geen zaken van de Inrichtende Machten alleen. Alle partijen (directies, leerkrachten, migranten- en Belgische ouders, leerlingen, participatie-raden, socio-culturele en antiracistische organisaties, migrantenorganisaties,...) moeten actief bij de discussie en besluitvorming betrokken worden. De discussie over het afsluiten van een akkoord gebeurt in het openbaar.
Terug naar het begin van de pagina
DE uitspraak die minister Vanderpoorten midden in de zomervakantie deed
over
haar voornemen om scholen in bepaalde gevallen de toestemming te geven
om
allochtone leerlingen te weigeren, is niet onopgemerkt voorbij gegaan.
Veldwerkers signaleren nu al dat er scholen zijn die zich op deze uitspraak
beroepen om hun weigering te motiveren en dat bemiddelingen om leerlingen
na een
weigering te kunnen inschrijven, veel moeizamer verlopen dan vroeger. Dit
alles nog
voor er sprake is van een decreet. Bart Sturtewagen zegt (DS 25 juli) dat
de minister
met haar initiatief iets wil ondernemen tegen verdoken manieren om allochtone
kinderen te weigeren, dat ze op die manier een stapje voorwaarts zet en
zo helpt
bouwen aan een morele norm. Politiek is volgens hem de kunst van het haalbare.
De minister zit effectief gekneld tussen de praktijk van openlijke of verdoken
weigering van allochtone kinderen in een aantal scholen en de principes
van gelijke
toegang voor iedereen. Bovendien plaatst de zogenaamde ,,witte vlucht''
uit scholen
met een zichtbare aanwezigheid van allochtone leerlingen deze scholen voor
de
uitdaging om hun school cultureel gemengd te houden.
Deze bekommernissen blijken zo zwaar te wegen dat er gegrepen wordt naar
een
drastisch maar eenvoudig recept: scholen zouden de mogelijkheid krijgen,
decretaal
bepaald, om in het kader van het plaatselijk onderwijsoverleg en als zij
voldoende
inspanningen doen om multicultureel te werken, allochtone leerlingen te
weigeren
als hun aantal boven een bepaald percentage uitstijgt. Hoe goed bedoeld
en hoe
verfijnd men de voorwaarden daartoe in een decreet wil omschrijven, het
achterliggende denkpatroon blijft hetzelfde: men geeft de boodschap dat
al wie niet
tot de autochtone groep behoort -- en de afbakening daarvan is zo vaag
dat ieder
deze naar eigen goeddunken kan invullen -- oorzaak is van problemen in
het
onderwijs. Om deze problemen op te lossen, moeten die ,,anderen'', de allochtonen
in dit geval, ,,gedoseerd'' worden. Dat gebeurt door hen te spreiden, door
hun aantal
te beperken.
Het wij-zij-denken wordt hiermee uitvergroot en onrechtmatig versterkt.
De almaar
toenemende verscheidenheid in de samenleving wordt zo teruggebracht tot
een
eenvoudige tegenstelling. Het gelijkekansenbeleid daarentegen berust onder
meer
op het principe van respect voor en bevordering van diversiteit. Management
van
diversiteit en het denken over kansengroepen in plaats van over kansarme
groepen,
gaan er wezenlijk van uit dat mensen op velerlei manieren van elkaar verschillen
en
dat het een fout uitgangspunt is om één element te isoleren.
De realiteit is niet zo
eenvoudig dat ze zich laat vatten in een wij-zij-tegenstelling.
De minister en de onderwijsnetten moeten beseffen dat zij op deze manier
de
allochtone ouders en de allochtone gemeenschappen nooit tot volwaardige
partners
zullen kunnen maken. Allochtone ouders -- zoals alle ouders -- zijn op
dit punt erg
gevoelig. De confrontatie met het gegeven dat anderen de afkomst van je
kind een
probleem vinden om het in een school in te schrijven, leidt tot verzet.
De non-discriminatieverklaring en alles wat daarrond gebeurd is, heeft
ons geleerd
dat werken met percentages en leerlingen weigeren niets oplost. Hetzelfde
mechanisme, zij het meer omkaderd en verfijnd, decretaal verankeren, is
voor de
samenleving nog nefaster. Het pedagogisch project van diversiteit als waardevol
uitgangspunt wordt door dit wij-zij-denken in wezen gesmoord. Zowel aan
autochtone als aan allochtone kinderen en hun ouders wordt impliciet de
boodschap
meegegeven dat het anders-zijn minderwaardig is. Ook al lijkt het voorzien
van deze
mogelijkheid -- het wordt voorgesteld als een uitzondering -- maar een
klein
onderdeel van het geheel aan bepalingen die de minister met het voorontwerp
van
decreet wil realiseren, toch heeft het verstrekkende gevolgen.
Het is niet verwonderlijk dat als gevolg van deze ,,mathematische'' en
negatieve
benadering van het anders-zijn het ontwerpdecreet vooral aandacht geeft
aan
controleren, klachtenbehandeling, percentages vastleggen,... De sensibiliserende,
motiverende en wervende kracht die van het lokaal overleg zou moeten uitgaan,
wordt er niet door aangemoedigd. Dit is een gemiste kans. Want het enige
wat de
zogenaamde witte vlucht kan tegengaan, is sensibiliseren, motiveren, kinderen
en
ouders een waardevol project aanbieden. Wat kinderen en scholen -- alle
scholen,
maar zeker diegene die men multicultureel noemt -- nodig hebben, is een
uitnodigend project. Een project dat niet gebaseerd is op afweerreacties
en vrees
voor een teveel aan allochtone leerlingen, maar waar diversiteit als uitgangspunt
geldt. Een project waarin kinderen met verscheidenheid leren omgaan.
Aan zo'n project moet voortgewerkt worden en er moeten voldoende middelen
in
gestopt worden; structureel, niet op projectbasis. Daarom ook kunnen ,,witte''
scholen niet buiten schot blijven. Ook zij moeten leerlingen voorbereiden
op de
samenleving van morgen, aantrekkelijk zijn voor autochtone én allochtone
leerlingen
en een actief wervingsbeleid naar allochtone leerlingen voeren als zij
hen (nog) niet
bereiken. Het is niet onmogelijk om deze scholen te verplichten om, rekening
houdend met hun pedagogische eigenheid, hiervoor een project te ontwikkelen,
controleerbaar en niet vrijblijvend.
Als men gelooft in een maatschappelijk project dat gericht is op ,,het
realiseren van
optimale leer- en ontwikkelingskansen voor iedereen ongeacht herkomst,
en het
vermijden van uitsluiting, segregatie en discriminatie'' en ,,het tegengaan
van de
dualisering in de maatschappij en bijdragen tot grotere sociale cohesie'',
dan moeten
ook deze logische besluiten getrokken worden. De overheid moet daarom zicht
hebben op de etnische origine van de kinderen en het opleidingsniveau van
de
ouders. In alle scholen. Pas dan kan ze nagaan of scholen effectief bijdragen
tot een
grotere sociale cohesie. Om scholen ertoe aan te zetten hier effectief
werk van te
maken, bestaan er volgens onderwijsdeskundigen modellen als een
leerlinggebonden financiering of andere. We zijn niet deskundig om hierover
uitspraken te doen.
Wel staan we met ongeloof te kijken. Dat een zo uitgebouwd en georganiseerd
systeem als het onderwijs, met zoveel kaders en deskundigen, als reactie
op de
groeiende diversiteit en multiculturaliteit in onze samenleving -- dé
uitdaging in de
komende decennia -- gebruik wil maken van quota en de mogelijkheid tot
weigeren!
We begrijpen niet dat men daar de gevolgen niet van ziet.
We willen hier geen misverstand over laten bestaan. De multiculturele school
is ook
voor ons belangrijk. Wij zijn overtuigd van de meerwaarde van een onderwijs
waarin
het hanteren van de aanwezige verscheidenheid in de leerlingenpopulatie
om
verschillende redenen (taalverwerving, houdingen, samenleven...) de beste
voorbereiding is van leerlingen op de toekomst in een almaar verscheidener
wordende samenleving. Alleen moet dit gerealiseerd worden door sensibilisering
en
met een uitnodigend project in zo veel mogelijk scholen, hoe moeilijk dit
ook lijkt.
Het kan niet gebeuren door maatregelen die rechten van mensen aantasten.
Terug naar het begin van de pagina
3. DE TEKST VAN ARTIKEL 17 G.W. (van 1988)
97. Alvorens de paragraafsgewijze analyse aan te vatten, lijkt het nuttig de tekst van het ganse artikel over te nemen.
§ 1. Het onderwijs is vrij;
elke preventieve maatregel is verboden; de bestraffing van de misdrijven
wordt alleen door de wet of het decreet geregeld.
De Gemeenschap waarborgt de
keuzevrijheid van de ouders.
De Gemeenschap richt neutraal
onderwijs in. De neutraliteit houdt onder meer in, de eerbied voor de filosofische,
ideologische of godsdienstige opvattingen van de ouders en de leerlingen.
De scholen ingericht door openbare
besturen bieden, tot het einde van de leerplicht, de keuze aan tussen onderricht
in een der erkende godsdiensten en
de niet-confessionele zedenleer.
§ 2. Zo een Gemeenschap als inrichtende macht bevoegdheden wil overdragen aan een of meer autonome organen, kan dit slechts bij decreet, aangenomen met een tweederdemeerderheid.
§ 3. Iedereen heeft recht
op onderwijs, met eerbiediging van de fundamentele rechten en vrijheden.
De toegang tot het onderwijs is kosteloos tot het einde van de leerplicht.
Alle leerlingen die leerplichtig
zijn, hebben ten laste van de Gemeenschap recht op een morele of religieuze
opvoeding.
§ 4. Alle leerlingen of studenten, ouders, personeelsleden en onderwijsinstellingen zijn gelijk voor de wet of het decreet. De wet en het decreet houden rekening met objectieve verschillen, waaronder de eigen karakteristieken van iedere inrichtende macht, die een aangepaste behandeling verantwoorden.
§ 5. De inrichting, erkenning of subsidiëring van het onderwijs door de Gemeenschap wordt geregeld door de wet of het decreet’.
B. De vrijheid van onderwijs: paragraaf 1 van artikel 17 G. W.
1. 'HET ONDERWIJS IS VRIJ’ (ART. 17, § 1, AL. 1 G.W.)
98. Het beginsel van de vrijheid
van onderwijs blijft het uitgangspunt van artikel 17, § 1 G.W. De
werkgroep die op last van de formateur een consensus moest bereiken rond
het nieuwe artikel 17 G.W. (112) ging zelf uit van de dubbele interpretatie
van onderwijsvrijheid: het recht om onderwijs in te richten, voor private
personen en openbare besturen, andere dan de Staat, nu de Gemeenschap (113),
en de vrijheid van schoolkeuze. De voorbereidende werken verwijzen er op
vele plaatsen naar. De draagwijdte van dit beginsel blijft dus onverkort
behouden.
De oorspronkelijke interpretaties,
zoals die toegelicht werden, zullen, — hoe contradictorisch misschien ook
—, niet aan belang inboeten. Ze worden overigens (gedeeltelijk) geëxpliciteerd
door de alinea 2, 3 en 4.
Vrijheden zijn overigens ook
rechten. (114)
99. Alinea 2 (‘De Gemeenschap
waarborgt de keuzevrijheid van de ouders’) herneemt aldus de tweede betekenis
van de vrijheid van onderwijs (115) en meteen het belangrijkste artikel
uit de Schoolpactwet: ‘Het recht van de ouders om de aard van de opvoeding
voor hun kinderen te kiezen, sluit de mogelijkheid in over een school naar
keuze op een redelijke afstand te beschikken’ (art. 4, al. 1 van de Schoolpactwet).
De vrijheid behoudt als uitgangspunt
de verantwoordelijkheid van de ouders (116) en formaliseert dit in artikel
17, § 1, al. 2 en 3 conform artikel 2 van het eerste protocol bij
het E.V.R.M. (117) en artikel 13, lid 3 van het I.V.E.S.C.R. Ook de Grondwet
maakt het onderscheid tussen het recht op onderwijs van de leerling of
student (recht op onderwijs komt iedereen toe conform artikel 17 §
3, al. 1) en de keuzevrijheid der ouders. (118) De verplichting van de
ouders te zorgen voor de passende opleiding van hun kinderen, nu ook na
de meerderjarigheid van het kind (119) — afortiori bij verlaging van deze
meerderjarigheid, dient uitgevoerd conform de grondrechten van het kind
of de jong-volwassene. (120)
Zowel tijdens het parlementair debat (121), als in het politiek overleg onder de partijen, m.a.w. het voorheen afgesloten ‘akkoord tussen de uittredende meerderheidspartijen’ dd. 21 oktober 1987 (122), werd opgemerkt dat de term ‘ouders’ later vervangen wordt door ‘elke persoon die effectief de opvoeding van een kind op zich heeft genomen’. Het begrip ‘ouders’ staat echter — conform de Wet van 29 juni 1983 — gelijk met de personen die in rechte of in feite de leerplichtige onder hun bewaring hebben. (123) Ook in andere onderwijswetgeving wordt in deze uitbreidende zin het begrip expliciet omschreven.
100. In de zinsnede van het artikel 17 G.W. dat gold vóór de grondwettelijke bepaling van 15 juli 1988, ‘de bestraffing van de misdrijven wordt alleen door de wet geregeld’, is nu toegevoegd: ‘... de wet of het decreet...’. Ofschoon reeds na de Grondwetsherziening van 1968-1972 de decreetgever bevoegdheid had over onderwijs, had de term ‘wet’ (in het ongewijzigde artikel 17 G.W.: ‘...Het openbaar onderwijs dat op staatskosten wordt verstrekt, wordt bij wet...’) geen noemenswaardige problemen opgeleverd. (124) Toch verkoos de Constituante ook de eerste alinea van artikel 17 G.W. aan de gewijzigde bevoegdheidsverdeling aan te passen, zelfs wat de strafrechtelijke bevoegdheid betreft. (125)
voetnoten
112. Vandaar de Verklarende Nota,
Gedr. St., Senaat, B.Z. 1988, nr. 100 — 1/10, p. 2.
113. Het grondwettelijk initiatiefrecht
berust ook bij andere publiekrechtelijke personen dan de nationale overheid:
DE GROOF, J., 1985a, p. 39-40. Zie ook: Gedr. St., Senaat, B.Z. 1988, nr.
100— 1/2°, p. 31.
114. BOSSUYT, P. , L ‘interdiction
de la discrimination dans le droit international de l’homme, Brussel. 1976,
p. 204. Over de onderlinge verhouding van vrijheid van en recht op onderwijs,
DE GR0OF, J., 1984, p. 63-66.
115. Zie nr 67.
116. DE GROOF, J.. 1984, p.
20-28; ook o.m. p. 84. Hieromtrent stelde het arrest van de Raad van State
nr. 19.672, dd. 31 mei 1979 inzake ‘V.Z.W. Vrij Psycho-Medisch Centrum
het Meetjesland, (Arr. Adv. R.v.St. 1979, p. 634) in nr. 5.1.: Overwegende
dat, blijkens de rechtsopvattingen die ten grondslag liggen zowel aan het
burgerlijk als aan het staatsrecht, de verantwoordelijkheid voor de opbouw
van de morele persoonlijkheid van jeugdigen in beginsel bij de ouders ligt;
dat aan die ouders daarom, wanneer ze voldoen aan de door de overheid opgelegde
verplichting om hun kinderen de vaardigheid te laten bijbrengen die onontbeerlijk
wordt geacht voor het leven in de maatschappij, de bevoegdheid toekomt
de personen en instellingen te kiezen aan wie zij hun kinderen voor dat
vaardig maken zullen toevertrouwen, niet alleen omdat dit vaardig maken
op zichzelf genomen uiterst belangrijk is, maar ook omdat door dat proces
van vaardig maken ongetwijfeld sterk op de persoonlijkheid van het kind
kan worden ingewerkt en die inwerking zoveel als mogelijk in de lijn moet
liggen van de levensopvattingen van de ouders en in ieder geval daarmede
niet in strijd mag komen; dat in een land waar de eerbiediging van de levensbeschouwingen
in het domein van het onderwijs een institutioneel pluralisme heeft doen
ontstaan, de vrije keuze van de ouders, gewaarborgd door artikel 17 van
de Grondwet en artikel 2, tweede lid, van het eerste additioneel protocol
bij het Europees verdrag op de rechten van de mens, in werkelijkheid herleid
is tot de keuze van de instellingen, zoals die keuze verzekerd wordt door
de zogenaamde schoolpactwet van 29 mei 1959.
117. Het arrest van het E.H.R.M,,
dd. 7 december 1976 inzake Kjedsen, Busk, Madsen en Pedersen omschreef
dit recht van de ouders als volgt: ‘C’est en s’acquittant d’un devoir naturel
envers leurs enfants, dont il leur incombe en priorité d’ ‘assurer(l’)
éducation et (l’) enseignement’, que les parents peuvent exiger
de l’Etat le respect de leurs convictions religieuses et philosophiques.
Leur droit correspond donc à une responsabilité étroitement
liée à la jouissance et à l’exercice du droit à
l’instruction’(§ 52). Terzelfdertijd legt het arrest het verband met
art. 8, 9 en 10 (houdende het respect van het privé- en familieleven
(toepasselijk op ouders en kinderen), meningsvrijheid en informatierecht).
Zie hieromtrent ook OPSAHL, J., ‘Preadvies over het verdrag en het recht
op eerbiediging van het gezinsleven, meer bepaaldelijk wat betreft de eenheid
van het gezin en de bescherming van de rechten van de ouders en voogden
bij de opvoeding van kinderen’, Privacy en rechten van de mens, Leuven,
1981, p. 203 e.v.; DE RIEDMATTEN, R.P.H., ‘La Convention et le droit au
respect de la vie familiale spécialement en ce qui concerne l’unité
de la famille et la protection des droits des parents et tuteurs familiaux
dans l’éducation des enfants’, Vie privée et droits de l’homme,
Brussel, 1973, p. 323 e.v.
118. Zo ook het art. 2 van het
eerste Protocol bij het E.V.R.M.: E.H.R.M., arrest dd. 25 februari 1982
inzake Campbell en Cosans, § 41.
119. Het art. 203, § 1
B.W. bepaalt nu niet enkel dat de ouders aan hun kinderen levensonderhoud,
opvoeding en een passende opleiding verschuldigd zijn, maar ook dat — indien
deze opleiding niet voltooid is — deze verplichting doorloopt na de meerderjarigheid
van het kind.
120. Desbetreffend het nog altijd
actueel boek van SEJOURNE, R., L ‘option reiigieuse des mineurs et l' autorité
parentale, Parijs, 1972; i.h.b. ook RIMANQUE, K., De levensbeschouwelijke
opvoeding van de minderjarige — publiekrechtelijke en privaatrechterlijke
beginselen, Brussel, 1980, deel I, p.200 e.v.
121. Gedr. St., Senaat, B.Z.
1988, nr. 100 — 1/11 id; ibidem, nr. 100 — 1/2°, p. 89.
122. Zie de tekst van dit akkoord
onder partijen die deel uit maakten van de Regering 1985-88: ALEN, A. en
SUETENS, L.P., o.c., p. 361-362.
123. Met name in art. 1, §
5; art. 1, § 7; art. 3, § 1; art. 5, § 1 van voormelde wet.
Cf. opmerking van de Raad van State bij deze wet (Gedr. St., Kamer, Z.
1982-83, nr. 645-1, p. 5).
124. Id., De bevoegdheidsverdeling
van 1970 inzake onderwijs: zienswijzen van de Raad van State en lessen
voor de Constituante, T.B.P., 1988, p. 402.
125. Gedr. St., Senaat, HZ.
1988, nr. 100 — 1/10, p. 4. De decreetgever beschikt voortaan over een
gelijkwaardige bevoegdheid inzake de strafrechtelijke beteugeling van misdrijven
gepleegd n.a.v.
de uitoefening van de onderwijsvrijheid.
***
161. Tenslotte maakt de ‘Verklarende
nota’ melding van specifieke verplichtingen van een gemeenschapsschool
om een onderscheiden behandeling te funderen.(360)
Bedoeld worden deze verplichtingen
die voortvloeien uit de publiekrechtelijke aard van de gemeenschapsschool.
Eén voorbeeld wordt verstrekt (benevens de verplichtingen die in
de Grondwet zelf opgenomen zijn): een officiële onderwijsinstelling
kan de inschrijving van een leerling niet weigeren.(361) Daarenboven dient
erop gewezen dat de tucht (en niet de orde-)maatregel onderworpen is aan
de rechterlijke controle.(362) Het beginsel van de gelijke toegang tot
de openbare dienst kent vanzelfsprekend het dubbele aspect van de gelijke
toegang tot het openbaar ambt en de gelijkheid van de gebruikers van de
openbare dienst van het officieel onderwijs.(363) Ook het recht op onderwijs
zou miskend zijn hij een weigering van inschrijving. (364)
Aan de andere kant moet een
vrije school de specificiteit van het pedagogisch project kunnen waarborgen
door een minimum aan aanhankelijkheid hiertoe te vragen van de leerlingen
of studenten.
Daarom kan de schooloverheid
inderdaad de inschrijving weigeren of een leerling of student wegzenden
indien de strekking van de vrije school niet wordt geëerbiedigd. (364)
Ook een privaatrechtelijke instelling
beschikt echter niet over een arbitrair recht: er dienen voldoende en niet-discriminerende
gronden aanwezig te zijn om de weigering of wegzending te rechtvaardigen,
de evenredigheid moet bestaan tussen de gewraakte houding of handeling
en de sanctie, zoals in de officiële school (365), zoniet is er sprake
van rechtsmisbruik. (366) Aan de rechten van Verdediging moet — dus ook
in de vrije school — zijn voldaan. (367)
Een vrije school zou in beginsel
leerlingen of studenten enkel mogen weigeren op grond van religieuze toelatingsnormen
(368), of om de rechten van mede-leerlingen te vrijwaren. Het dient alleszins
overwogen om de criteria te preciseren welke in acht dienen genomen om
een weigeringsbeschrijving te nemen. (369)
De toekomst zal uitwijzen of
de Raad van State zich terzake bevoegd verklaart, dan wel exclusief de
hoven en rechtbanken bevoegd blijven (370) en of —in voorkomend geval —
de Raad van State zich beperkt tot de vernietiging
van de bestreden bestuurshandeling
of zich ook t.a.v. vrije onderwijsinstellingen begeeft op het pad van de
‘injunction’, namelijk een bevel om een bepaalde beschikking te nemen.
(371)
voetnoten
360. Gedr. St, Senaat, B.Z. 1988,
nr. 100 — 1/1°, p. 6.
361. Zie ook arrest van de Raad
van State, dd. 7 januari 1975, inzake Vergauwen (noot van VERSTEGEN, R.,
R. W., 1976-77, kol. 717); arrest nr. 27.973, dd. 20 mei 1987, inzake Armanouss.
Wat de universitaire sector betreft zie expliciet art. 27, § 7 van
de Wet van 27 juli 1971.
362. Zie o.m. arrest van de
Raad van State nr. 14.865, dd. 15 juli 1972, inzake Willockx; arrest nr.
18.207, dd. 1 april 1977, inzake Rochet; arrest nr. 20.256, dd. 17 april
1980, inzake De Smedt; arrest nr. 26.086, dd. 15 januari 1986, inzake Brahim;
arrest nr. 26.749, dd. 26 juni 1986, inzake Pesch; arrest nr. 27.973, dd.
20 mei 1987, inzake Armanouss; zie ook arrest nr. 28.104, dd. 17 juni 1987,
inzake Van Haverbeke.
363. DE GROOT, 3., 1985b, p.
58-60.
364. Zie ook: LEWALLE, P.; ‘Le
droit des jeunes à l’école’, Journal du droit des jeunes,1986,
nr. 2.
364a. ln het arrest van de Raad
van State nr. 32.320, dd. 25 maart 1989, inzake Mersch tg V.U.B. R. W.,
1988-89, nr, 41, kol. 1405, stelde de Raad dat: ‘... de gelijkheidsregel
geenszins (verbiedt) dat een vrije universiteit op grond van haar levensbeschouwelijk
concept kandidaat-studenten zou weigeren’.
365. M.b.t. de publiekrechtelijke
school: zie voormeld arrest van het E.H.R.M., dd. 25 februari 1982 inzake
Campbell en Cosans, Publ E.C.H.R., Series A, § 40-41, p. 18-19. Zie
ook het arrest van de Raad van State, nr. 19.984, dd. 18 december 1979,
inzake Feermans; arrest nr. 20.116, dd. 19 december t 980, inzake Decock;
arrest van de Raad van State, dd. 18 juni 1985, inzake Ramant; Voorz. Rb.
Namen, 7 januari 1986, Jur. Liège, 1986, p. 345 (met noot N0IRET,
C.). vgl. met de leer van de derden werking von grondrechten: o.m. DIRjIX
E., ‘Grondrechten en overeenkomsten’ in RIMANQUE, K. e.a., De toepasselijkheid
van de grondrechten in private verhoudingen, Antwerpen, 1982, p. 37 e.v.
366. Zie ook VERSTEGEN, R.,
Het statuut van de vrije onderwijsinstellingen, Administratief Lexicon,
Brugge 1976, p. 100-106.
367. Cf. Voorz. Rb. Namen, 7
maart 1986, Jur. Liège, 1986, p. 347; Voorz. Rb. Namen, 20 maart
1987, LT., 1987, p. 411 (met noot), gewijzigd door Luik, 23 april 1987,
JT, 1987, p. 446 (met noot VANDER STICHELE, A., ‘A propos du droit scolaire’.
Auteur voegt aan haar commentaar op voormeld vonnis in kortgeding echter
toe: ‘.. .On peut se demander si une personne privée n’a pas le
droit d’être ‘arbitraire’ . -.). Vgl. in de universitaire sector
(met name de regionale openbare diensten, de U.I.A. en het LUC) het art.
II, § 1, 6e en 14, 2e van de Wet van 17 april 1971 en art. 11, §
1,6e en art. 14,2e van de Wet van 28 mei 1971 m.b.t. het ‘recht op verdediging’.
368. Cf. arrest van de Hoge Raad (Nederland) dd. 22 januari 1988, gepubliceerd
in Ned. Tijdschrift voor de Mensenrechten, april-mei 1985 p. 214 met noot
van DE WINTER, R.
369. Zo stelde het advies van
de Raad van State nr. L. 16.620/8 dd. 11 maart 1985 inzake de amendementen
van de Regering op een ontwerp van wet ‘betreffende het onderwijs: ‘Om
willekeur te voorkomen bij de uitoefening van dat recht, verdient het aanbeveling
aan te geven op welke gronden de inschrijving kan worden geweigerd. Het
beste ware — om de gelijke toepassing van de regel ten aanzien van alle
studenten en ten aanzien van alle universitaire instellingen te verzekeren
— de Koning opdracht te geven deze gronden bij reglementair besluit te
bepalen en in de memorie van toelichting aanwijzingen op te nemen nopens
wat die gronden van weigering van inschrijving zouden kunnen zijn’.
370. Stelling van RIMANQUE,
K., De levensbeschouwelijke opvoeding van de minderjarige — publiekrechtelijke
en privaatrechtehjke beginselen, Brussel, 1980, deel 11, p. 912. Zie alvast
arrest van de Raad van State nr. 24.842, dd. 21 november 1984, inzake Grandchamps
en Arezinski (de beslissing van een vrije school die een leerling definitief
uitsluit omdat die geen strafstudie wil doen, is geen beslissing van een
administratieve overheid). Voorheen: arrest nr. 15.326 tot 15.328, dd.
1 juni 1972, inzake Fass, Wattier en Nejszaten.
371. In meerdere arresten, voornamelijk
dan nog van toepassing op onderwijsaangelegenheden, geeft de Raad van State
aan in welke zin rechtsherstel dient te worden verleend. Meest opgemerkte
voorbeelden tussen de andere, zijn het arrest nr. 21.167, dd. 12 mei 1981,
inzake Zoete (1), met betrekking tot een beoordeling van de centrale examencommissie
en i.h.b. pt. 2.3. (Vgl. in burgerlijke rechtspraak bv. arrest van het
Hof van Beroep te Brussel, dd. 23 november 1982, R. W., 1984-85, kol. 2832);
arrest nr. 20.324, dd. 13 mei 1980, inzake Bracke m.b.t. het mondelinge
examen; arrest nr. 24.691, dd. 26 september 1984, inzake Bruynseraede m.b.t.
exameninstellingen, waaromtrent VERSTEGEN schreef: ‘Over de wenselijkheid
van een dergelijke beleidsmatige rechtspraak kan men van mening verschillen
(...) Toch zouden wij nog gelukkiger zijn als de Raad van State in zijn
toezicht op het examengebeuren een grotere soberheid en terughoudendheid
aan de dag zou leggen, en zich zou hoeden voor interferenties van het professorale
‘eigen weten’ van magistraten en ook wel voor iets van een neiging tot
Jozefisme’: Van (onwettige) vrijstellingen bij universitaire examens zoals
een ‘credit’-systeem, R. W., 1985-86, kol. 2039-2040. M.b.t. de problematiek’.
vernietiging vergezeld van dwangsom:
arrest nr. 22.446, dd. 8 juli 1982, inzake Zoete (Ii) en nietiging op dit
punt door Cass. (Verenigde Kamers), 23 maart 1984, R. W., 1984-85, kol.
15 conclusie van de procureur-generaal KRINGS.
Terug naar het begin van de pagina