1.Autisme
1.1. Wat is een autismespectrumstoornis (ASS).

Autisme is een zeer ingrijpende en verwarrende handicap. Autisme heeft veel gezichten vandaar dat men spreekt van autismespectrumstoornis. Autismespectrumstoornissen behoren tot de groep ontwikkelingsstoornissen die in de officiele classificatiesystemen worden aangeduid met de term "pervasieve ontwikkelingsstoornis". De gemeenschappelijke factor binnen dit autistisch spectrum is de triade. Er zijn drie afwijkingen op drie kerndomeinen namelijk:

Deze kernsymptomen zijn aanwezig bij alle mensen met een autismespectrumstoornis. ( Ramaekers B, 2003)
1.1.1. De sociale ontwikkeling

Voor de diagnose houdt men enkel rekening met de kwaliteit van de wederkerigheid. De kwantiteit van de sociale interactie kan zeer uiteenlopend zijn. Het betreft hier stoornissen in het non-verbale gedrag zoals: oogcontact, gelaatsuitdrukkingen en lichaamshouding. Er is ook een groot onvermogen tot het aangaan van persoonlijke relaties. Ze kunnen zich ook moeilijk inleven in wat een ander voelt, denkt of wil. Dit wordt ook de theory of mind genoemd. We onderscheiden vier sociale types. ( Vermeulen P, 2002)

Het afzijdige of inalerte type (aloof)

Dit type is het gemakkelijkst te herkennen en ze beantwoorden ook het beste aan het klassieke beeld van autisme. De meerderheid is verstandelijk gehandicapt hoewel er een klein aantal normaal begaafde mensen met autisme ook tot deze groep behoren. Personen met autisme van het afzijdige type komen vaak als onverschillig over. Ze hebben weinig belangstelling voor andere mensen en vermijden bijgevolg elk contact. Ze kunnen zich zeer moeilijk handhaven in een groep.

Het passieve type

Personen uit deze groep gaan zelden spontaan een interactie aan, maar ze accepteren op een passieve wijze de toenadering van anderen. Ze lijken het wel plezant te vinden dat ze in bepaalde activiteiten worden betrokken. Ze handhaven zich iets beter in een groep dan het afzijdige type. ( Vermeulen P, 2002)

Het actief -maar -bizarre of grillige type. ( active but odd)

Zij openen zelf maar op een onaangepaste manier contact. Zij zijn in hun contacten egocentrisch, bizar en repetitief. Personen uit deze groep mist men vaak in de diagnostiek: men bestempelt ze daarentegen vaak als gedragsgestoord of asociaal. Heel wat normaalbegaafde personen met een autismespectrumstoornis behoren tot deze groep. Als groep beschikken actief -maar -bizarre personen doorgaans over een gemiddelde tot hoge intelligentie, hoewel er grote verschillen kunnen zijn. (Vermeulen P, 2002 )

Stijf -formalistisch of hoogdravend type

De personen die tot deze groep behoren zijn buitensporig beleefd en komen nogal hoogdravend uit de hoek. Zo valt het op dat deze personen het sociale gebeuren op intellectuele wijze proberen te vatten: ze leren bepaalde regels uit het hoofd en overleven sociale activiteiten op basis van aangeleerde of verworven scripts. Ze missen evenwel de intuitie, nodig om de subtiliteiten van het intermenselijke verkeer te begrijpen. Ze houden erg vast aan sociale regels en hebben moeite om zich aan te passen aan situaties waar het verwachtte gedrag afwijkt van het bekende scenario. Gebrek aan empathie en sociale naiviteit kenmerken deze groep het meest. ( Vermeulen P, 2002 )
Dit sociale type vindt men vooral terug bij hoogbegaafde volwassenen met autismespectrumstoornis.

1.1.2. De communicatieve ontwikkeling.

Bij mensen met een autismespectrumstoornis is er eerder een gebrek aan communicatie in plaats van een gebrek aan taal. Ongeveer 50% van de kinderen spreekt niet, daarom is er hier ook een duidelijk onderscheid in twee groepen.

Niet sprekende kinderen

Deze ondernemen weinig pogingen om anderen iets duidelijk te maken. Meestal maken ze hun behoeften duidelijk door bijvoorbeeld de hand te nemen van de persoon en deze op die manier wijzen wat hij/zij wil. Ze maken dus gebruik van primitieve non -verbale communicatiemiddelen in plaats van gebaren, lichaamstaal en gelaatsuitdrukkingen. ( Ramaekers B, 2003)

Sprekende kinderen

Zij hebben het vaak moeilijk om rekening te houden met de voorkennis en de interesses van hun gesprekspartner. Er komen vaak eigenaardigheden voor in hun taalgebruik, zoals uitgestelde of onmiddellijke echolalie. Dit is het nazeggen van iemand direct nadat deze persoon de uitspraak heeft gedaan, is onmiddellijke echolalie. Terwijl bij uitgestelde echolalie men iets herhaalt na enige tijd. Persoonlijke voornaamwoorden zoals ik, jij worden vaak verwisseld. Vaak wordt taal door hen ook letterlijk begrepen en creeren ze nieuwe woorden. De intonatie en de articulatie gebeuren op een monotone en mechanische manier. Jonge kinderen en kinderen met een lage ontwikkelingsleeftijd met een autismespectrumstoornis begrijpen en gebruiken nauwelijks non -verbale communicatie. Er is een afwezigheid van wijzen naar iets of iemand. Ze volgen ook niet iemands kijkrichting om informatie te bekomen en er is geen of beperkt oogcontact in functie van de communicatie. Het heen en weer kijken tussen object of gebeurtenis en het gelaat van de persoon om diens gevoelens en/of mening hieromtrent te bekomen doen ze evenmin. Bij normaal begaafden en volwassenen komen de communicatieve beperkingen op een andere manier naar de voorgrond. Ze hebben een beperkte vaardigheid om een gesprek op een gepaste manier te openen, te onderhouden en te sluiten. Ze hebben ook moeite om lichaamstaal en non -verbale hints te begrijpen, om oogcontact op een gepaste manier te hanteren en de dubbele betekenissen in uitspraken ontgaan hen vaak. ( Ramaekers B, 2003)

1.1.3. Verbeeldingen en repetitieve en stereotiepe activiteiten.

Hierin is er zowel sprake van het ontbreken van de fantasie als het verwarren van fantasie met de werkelijkheid. Ze zijn niet in staat om iets nieuws te bedenken, er is geen variatie. Symbolisch spel is voor hen zeer moeilijk, ze manipuleren enkel objecten. Kinderen met een autismespectrumstoornis vertonen ook een grote weerstand tegen veranderingen en hangen vast aan routines. Ze hebben ook vaak uitgesproken interesses. Kinderen met een lager ontwikkelingsleeftijd en jonge kinderen vertonen stereotiep gedrag in de vorm van fladderen en teenlopen. Hoger functionerende en oudere kinderen hebben meer belangstelling voor intellectuele, eenzijdige en stereotiepe zaken, wat leidt tot rituelen, vaste dagindelingen, weerstand tegen veranderingen en verzet tegen nieuwe initiatieven. ( Ramaekers B, 2003)


1.2. Autisme: Een historisch overzicht

Hoewel de stoornis altijd heeft bestaan, is autisme relatief recent. In 1943, iets meer dan een halve eeuw geleden, werd de stoornis voor het eerst als apart syndroom beschreven. Het duurde daarna nog ruim dertig jaar voordat autisme opgenomen werd in de officiele classificatiesystemen. (Vermeulen, 2002:14)
Het blijft een uitdaging om duidelijkheid te scheppen in criteria's en conventies zodat ze ook bruikbaar zijn voor de klinische praktijk. Want die drang naar duidelijkheid is gegroeid mede door de stijging van het aantal mensen met een autismespectrumstoornis.
Men stelt dat autisme altijd al heeft bestaan en men verwijst hier oa. naar de wilde jongen van Aveyron.
In de jaren 50 -60 meenden men dat er voor autisme maar ??n enkele oorzaak bestond. Het zou ontstaan uit een affectief tekort en relationeel tekort, dat werd toegeschreven aan het gedrag van de ouders, de zogenaamde "koelkastmoeders." De kinderpsychiater,Kanner volgde dit. Hij meende te maken te hebben met een tot dan toe onbekende stoornis. Hij volgde niet zijn voorgangers die stelde dat het ging om een vroege voorloper van volwassen psychose, maar hij presenteerde zijn gevalsbeschrijving van elf kinderen uit de praktijk. (Salmon, 1977)

2. Onderwijs

Mensen met autisme kunnen ondanks hun ontwikkelingsstoornis leren en ontwikkelen. Andere kinderen leren spontaan terwijl men kinderen met autisme alle stap voor stap moet aanleren. Hierdoor zijn zij meer afhankelijk van aangepaste begeleiding. Kinderen met autisme kunnen zich handhaven in het onderwijs mits extra inspanningen van het onderwijzend personeel, die gesteund worden door directie, collega's, ouders en hulpverleners.

2.1. Gewoon onderwijs.
2.1.1. Inclusief onderwijs.

Bij inclusief onderwijs gaan alle kinderen naar gewoon onderwijs. Sommige kinderen, zoals kinderen met een handicap, krijgen extra ondersteuning om te kunnen deelnemen aan het school - en klasgebeuren. De kinderen met een beperking werken aan dezelfde projecten als de andere kinderen, maar werken daarbij aan eigen doelen. Inclusief onderwijs richt zich vooral naar het sociale zoals contacten met vriendjes, erbij horen....

2.1.2. Geintegreerd onderwijs (GON)

Geintegreerd onderwijs is een samenwerking tussen het gewoon en het bijzonder onderwijs. Hierdoor kunnen leerlingen met een handicap, leermoeilijkheden of opvoedingsmoeilijkheden tijdelijk of permanent, gedeeltelijk of volledig lessen of activiteiten volgen in het gewoon onderwijs. Zij krijgen hiervoor de nodige ondersteuning uit het buitengewoon onderwijs. Die ondersteuning is meestal pedagogisch van aard maar soms krijgt men ook ondersteuning in de vorm van logopedie en kinesitherapie.

Kinderen die geintegreerd onderwijs volgen moeten een attest hebben: "geintegreerd onderwijs" dat opgemaakt wordt door het CLB.


2.1.3. Thuisonderwijs

In Belgie bestaat er de mogelijkheid dat kinderen thuis onderwijs kunnen volgen. Dit onderwijs wordt meestal gegeven door de ouders maar in uitzonderlijke gevallen kunnen de ouders beroep doen op onderwijzend personeel. De wet op de leerplicht verbindt de ouders ertoe ervoor te zorgen dat hun leerplichtig kind daadwerkelijk onderwijs volgt dat bijdraagt tot hun opvoeding en hen voorbereidt op een beroep. ( Dockx C, 1997) Wie thuis onderwijs geeft moet dit voor 1oktober melden aan de onderwijsadministratie, zo kan men optreden tegen schoolverzuim en krijgt men een duidelijk beeld van wie thuisonderwijs volgt. In Belgie is er geen diplomaplicht maar wanneer deze leerlingen graag een getuigschrift lager onderwijs willen behalen of zij willen een diploma van secundair onderwijs dan moeten zij via de centrale examencommissie examens afleggen.

2.2. Buitengewoon onderwijs
2.2.1. Het buitengewoon lager onderwijs.

In het buitengewoon lager onderwijs heeft men types die afgestemd zijn op de specifieke noden van kinderen. Type 1 is voor kinderen met een lichte mentale handicap, terwijl type 2 voor kinderen met een matige tot ernstige mentale handicap is. Kinderen met ernstige emotionele problemen of gedragsproblemen kunnen dan weer terecht in type 3.
Type 4 is voor kinderen met een lichamelijke handicap. Terwijl kinderen die verblijven in een ziekenhuis of andere medische instelling wegens een langdurige ziekte of door een wankele gezondheidstoestand worden ondergebracht in type 5.
Blinde en slechtziende kinderen kunnen terecht in type 6 terwijl dove en slechthorende kinderen dan weer terechtkunnen in type 7.
En het laatste type, namelijk type 8 is voor kinderen met ernstige leerproblemen. ( Ranschaert I, 2002)

2.2.2. Buitengewoon secundair onderwijs

De leerjaren in het buitengewoon secundair onderwijs komen zelden overeen met de schooljaren in het gewoon secundair onderwijs. Een leerling gaat immers pas naar een volgende leerfase, als hij daar zelf klaar voor is. In het buitengewoon secundair onderwijs spreekt men niet over studierichtingen maar over opleidingsvormen. Er zijn vier opleidingsvormen.
Het buitengewoon secundair onderwijs tot sociale aanpassingen dat tot doel heeft de leerlingen een sociale vorming te geven dat vervolgens integratie in een beschermd milieu mogelijk maakt wordt opleidingsvorm 1 genoemd. Terwijl opleidingsvorm 2 buitengewoon secundair onderwijs is tot sociale aanpassingen en arbeidsgeschiktmaking dat tot doel heeft de leerlingen een algemene en sociale vorming en arbeidstraining mee te geven dat integratie in een beschermd arbeids- en leefmilieu mogelijk maakt. Opleidingsvorm 3 is daarentegen een algemene, sociale en beroepsvorming om integratie in een gewoon leef -en arbeidsmilieu mogelijk te maken. Als laatste opleidingsvorm heeft men opleidingsvorm 4, dit is het algemeen technisch, kunst en beroepsonderwijs met doorstromingsafdeling of met kwalificatieafdeling. Dit heeft tot doel de leerlingen voor te bereiden op de voortzetting van de studies en ook de leerlingen de mogelijkheid geeft om zich in te schakelen in het actieve leven. ( Ranschaert I, 2002)

2.3. De autiklas

Deze klassen zijn ondergebracht in verschillende types en opleidingsvormen van het buitengewoon onderwijs. In deze klassen is er een zeer duidelijke structuur aanwezig. Het klaslokaal bestaat uit verschillende hoeken of plaatsen zodat de leerlingen de schooltaken zo goed mogelijk kunnen uitvoeren. De ruimte wordt ingedeeld met:

De werking van een autiklas berust op volgende principes.

3. De thuisbegeleiding.

Thuisbegeleiding wil opvoedingsbijstand geven aan de ouders. Dit betekent dat de primaire hulpverlening gericht is op de ouders en wil helpen zoeken naar oplossingen om concrete vragen aan te pakken. Dit kan gaan over zowel specifieke problemen die te maken hebben met het autisme van het kind zoals tekorten in de communicatie, spel,... en niet -specifieke problemen zoals eetproblemen, zindelijkheidsproblemen... Verder kunnen ook nog andere problemen aan bod komen zoals bijvoorbeeld problemen op school. Het opzet van thuisbegeleiding is ouders leren zelf de aan autisme gerelateerde problemen op te lossen. Thuisbegeleiding gebeurt voornamelijk thuis, maar er is eventueel ook ruimte om elders of op school bijstand te verlenen. Thuisbegeleiding is tijdelijk en afhankelijk van de vragen en de noden die de ouders hebben. Gemiddeld duurt een begeleiding ongeveer vijftien maanden.

Wie komt er in aanmerking voor thuisbegeleiding?
Men heeft volgende documenten nodig om in aanmerking te komen voor thuisbegeleiding.
  - Een diagnose, een vermoeden van autisme kan enkel voor kinderen onder zes jaar.
  - Een erkenning van het Vlaams fonds voor sociale integratie van personen met een handicap.