Het fort heeft de vorm van een trapezium, waarvan de kleine basis het hoofdfront (A), de grote basis het keelfront (B) en beide zijden de zijfronten (C) vormen (fig. 1). Het is omringd door een 40 a 50 m brede natte gracht (D), voorafgegaan in front door een conterscarpberm (E) en een zachte glooiing, het glacis (F). Er zijn twee samengevoegde gekazemateerde caponnières (G) voor de grachtverdediging. Op de bovenbouw van het fort zijn er een infanterievuurkam (H) en de koepels.
Men komt het fort binnen langs de traditorebatterij (l) met links en rechts de keelkazerne (J). Een centrale gang leidt naar het hoofdfrontgebouw (K). Twee binnenplaatsen (L) laten licht en lucht binnen in dit laatste. Een aantal gangen leiden naar de koepels en de caponnières.
Een fort is een terreingedeelte dat door de verdediger op een zodanige wijze wordt getransformeerd, dat het bezit ervan hem een groot voordeel oplevert ten opzichte van de aanvaller, het is een op voorhand georganiseerd stuk slagveld. Zo'n versterking moet natuurlijk aangepast zijn aan de stand van de militaire technologie en vooral de mogelijkheden van de artillerie op dat ogenblik.
Het fort van Liezele, gebouwd tussen 1908 en 1914 heeftvolgende kenmerken:
Wanneer het fort wordt gebouwd, is het zwaarste stuk belegeringsgeschut dat met paardentraktie langs de baan kan worden vervoerd de Franse 27 cm mortier. De lasten moeten immers beperkt blijven tot ongeveer 5 ton, omdat anders de paardenspannen te groot worden. Proefnemingen in binnen- en buitenland wijzen uit hoe dik de betonnen gewelven moeten zijn, om tegen de 27 cm bestand te zijn.
De Antwerpse forten worden dan ook met de volgende specificaties gebouwd:
Vrijstaande gevels met vensteropeningen staan van de aanvalsrichting afgekeerd en de vensters kunnen worden geblindeerd met stalen balken. De bovenste 1,25 m dikke laag beton van het gewelf bevat 400 kg cement/m3, de overige 180 kg/m3.
Bij de belegering in 1914 zullen de Duitsers in de aanvalssector 30,5cm en 40 cm mortieren inzetten, die met stoomtractoren worden verplaatst. De forten zijn hiertegen niet bestand. Bij een inslag van een 30,5 cm projectiel komt er een stuk intrados (binnenzijde) van het gewelf naar omlaag, bij een 42 cm projectiel wordt het gewelf doorgeslagen.
Koepels beschermen de artillerie van het fort. Het zijn d raaikoepels, draaibaar om een verticale as met een schootsveld van 360°. Ze zijn allen van het type Cockerill Model 1909. Het dekpantser heeft de vorm van een bolsegment en bestaat uit 22 cm dik chroomnikkelstaal. In het dekpantser zijn de schietopeningen uitgespaard. Door een speciale ophanging van het geschut worden die schietopeningen zo klein mogelijk gehouden(de zgn. minimum-embrasures). Een voorpantser dekt de voet van het dekpantser tegen inslagen en rond dit voorpantser wordt een betonrand gegoten. Bij proefnemingen in 1912 in Otchakoff blijkt dat de voorpantsers onvoldoende bescherming bieden. Het geheel moet een betonrand in gewapend beton krijgen. Deze werken zijn in 1914 niet beëindigd, zoals we op het fort kunnen zien.
Het fort van Liezele is een fort van tweede orde (een fort van eerste orde had meer bewapening) en is uitgerust met volgend geschut (fig. 2):

Fig. 2. Hoofdbewapening
Door de kostprijs van de koepels en de noodzakelijke verspreiding is niet alle vestingartillerie in de forten en schansen ondergebracht. De artillerie van de forten en schansen vormt de zgn. "permanente veiligheidsbewapening" van de vesting en wordt voldoende geacht om een verrassingsaanval te stoppen. Om aan een normale aanval te weerstaan wordt de "aanvullende veiligheidsbewapening" in veldwerken, die zich tussen en achter de forten bevinden, opgesteld. Eens de vijandelijke aanvalssector gekend, moet daarbij nog de "reserve vestingartillerie" tussenkomen.
Voor de waarneming zijn er twee gepantserde waarnemingsklokken (D) en daarnaast mobiele waarnemingsposten, via de veldtelefoon met het fort verbonden.
In 1914 is er maar weinig munitie om lang te kunnen standhouden.
Het flankeren van de gracht gebeurt met 5,7 cm snel vuurkanonnen opgesteld in de samengevoegde gekazemateerde caponnières (A) en vanuit de benedenverdieping van de traditorebatterij (B) (fig. 3). Hierdoor flankeren zes kanonnen het hoofdfront, twee elk zijfront en twee het linker- en rechtergedeelte van het keelfront. Deze kanonnen staan op een plaataffuit dat aan de wand is bevestigd (fig. 2).
Twee koepels voor een 5,7 cm kanon (C) houden de brug en de schouderhoeken onder vuur. Deze 5,7 cm kanonnen vuren, met een maximum vuurkadans van 20 schoten per minuten, twee soorten munitie af::
Vier mobiele zoeklichten van 30 cm verlichten de omgeving. De verdediging wordt aangevuld met 5,7cm kanonnen op wielaffuit en enkele mitrailleurs die in een remise achter aan de 15 cm koepel worden bewaard. Tijdens het bombardement schuilen de infanteristen binnenin het fort. Bij een vijandelijke aanval kunnen ze de vuurkam snel bezetten, langs de infanterieuitgangen vooraan en achteraan en langs de hellingen van de binnenplaatsen.

Fig. 2. Nabije verdediging
Er wordt veel belang gehecht aan het onder vuur houden van de intervals tussen de forten en schansen, zodat de vesting met een continue vuurgordel wordt omringd (fig. 3). Dit gebeurt vanuit de verdieping van de traditorebatterij (van het Italiaans 'traditore' of verrader, de 'verraderlijke batterij' die de vijand in de flank en in de rug schiet). In elke flank bestaat deze batterij uit de volgende stukken:
De kanonnen op plaataffuit zijn door middel van bouten vastgemaakt aan de wand. Ze vuren hoofdzakelijk schrapnels. De traditorebatterij vormt tevens de toegang tot het fort, die door middel van een rolbrug wordt verdedigd. De oriëntatie van de gevels van de keelkazerne is dusdanig dat de traditore stukken kunnen tussenkomen tot op het glacis van de ondersteunde forten en schansen.

Fig. 3. Grootflankement
In vredestijd wordt het Fort bezet door een batterij van een 50-tal manschappen; deze zijn in opleiding en verzekeren het onderhoud. Bij mobilisatie wordt het garnizoen op volle getalsterkte gebracht met wederopgeroepen reservisten, samen zowat 410 man bestaande uit 200 fuseliers en 210 artilleristen. Op het fort van Liezele zijn er in 191 4 zo'n 300 manschappen.
In oorlogstijd wordt de dienst als volgt geregeld. De infanteristen nemen deel aan drie beurten van 24 uur: wacht, piket en rust, met aflossing om 18 uur. De artilleristen hebben eveneens drie beurten maar dan van 12 uur, met aflossing om 6 uur en 18 uur.
Al deze manschappen moeten in het fort worden ondergebracht; hiervoor zijn er troepenkamers, een keuken, een stortbad, latrines en zelfs strafkamers. De officieren hebben hun eigen mess. Wat de diensten betreft, zijn er naast de nodige magazijnen, twee kruitkamers en een infirmerie. De commandopost bevindt zich centraal in het hoofdfront met de telefooncentrale, het schootsbureau en het logement van de commandant. Alle lokalen zijn uitgerust met elektrische verlichting en een gecombineerde schouw voor verluchting en verwarming.
Het vermogen voor de twee elektrische generatoren (elk 39KW onder 70V), wordt geleverd door twee semi-mobiele stoommachines "SA des Ateliers de Construction La Meuse", opgesteld in de twee machinekamers. De opgewekte stroom wordt onder meer aangewend voor de bediening van de koepels, de zoeklichten, de luchtverversing van de gebouwen en koepels en het lichtnet.
De 26 telefoontoestellen zijn verbonden met drie centrales (hoofdcentrale in schootsbureau en twee secundaire centrales in de gepantserde waarnemingsklokken). Buiten het fort is er een aansluitingsdoos waarop de sector- en interval-commandant, de nabijgelegen werken en de artilleriewaarnemers kunnen aansluiten.
In 1935-1936 wordt beslist het fort van Liezele aan te passen om dienst te doen als infanteriesteunpunt, te verdedigen door een compagnie mitrailleurs met een 20-tal lichte en zware Maxim-mitrailleurs. De werken worden uitgevoerd van oktober 1939 tot april 1940 o.l.v. kolonel Lefebvre van de Dienst der Militaire Bouwwerken te Antwerpen.
De forten worden in principe bewapend met vier secties zware mitrailleurs en zes secties lichte mitrailleurs (een sectie mitrailleurs = twee mitrailleurs). De vier secties zware mitrailleurs, twee per flank, zorgen voor flankering van de intervallen. Te Liezele zullen deze acht mitrailleurs geïnstalleerd worden in de kanonkamers van de verdieping van de traditorebatterij.
De zes secties lichte mitrailleurs, drie secties per flank, zorgen voor de flankering van de gracht rond het fort. Te Liezele worden zij als volgt verdeeld: vier mitrailleurs per caponnière en vier mitrailleurs in de kanonkamers van het gelijkvloers van de traditorebatterij.
De schietkamers in de traditorebatterij en de caponnières worden hiervoor aangepast. In de caponnières worden schietbanken gebetonneerd als steunvlak voor de tweepoten van de lichte mitrailleurs. In de traditorebatterij worden een aantal Chardome-affuiten voor mitrailleurs geïnstalleerd.
Ook de schietgaten, die voor de kanonnen gemaakt zijn, worden verkleind met het oog op het gebruik van de Maxims. De schansen van Letterheide en Puurs worden verdedigd door één sectie zware mitrailleurs en twee secties lichte mitrailleurs.
Om aan een gasaanval het hoofd te kunnen bieden worden de commandopost, de hulppost en twee rustlokalen gasdicht gemaakt en voorzien van ventilator luchtfilter en pantserdeuren welke hermetisch sluiten.
Uiteraard worden de lokalen herverdeeld en krijgen ze een nieuwe bestemming t.o.v. 1914:
Verblijf van de fortcommandant, werkplaatsen voor het maken van de kogelbanden van de mitrailleurs en troepenkamers voor de tien mitrailleursecties.
In diverse rustlokalen worden de schoorstenen nagezien terwijl er ook enkele nieuwe worden aangebracht. Het fort wordt in februari 1940 aangesloten op het elektrisch net van de gemeente Puurs, terwijl de binnenleidingen worden hersteld.
In maart 1940 is ook het volledige ventilatiesysteem tegen strijdgassen operationeel en zijn de filters geplaatst door de S.P.G. (Service de Protection contre les Gaz).
Diverse schilderwerken, o.a. in de rustlokalen, nl. verblijven mess officieren, verblijf en mess onderofficieren, troepen-kamers enz. hebben plaats in maart 1940.
Aan het wegnemen van grond op het dak en het herasfalteren wordt maanden gewerkt. Op plaatsen waar zich voorheen geschutskoepels bevonden, wordt in februari 1940 gewapend beton aangebracht en met een laag aarde bedekt.
Om de ingangspoort te beschermen, wordt een grote stock gevulde zandzakjes klaar gehouden om deze indien nodig voor de fortingang op te stapelen. De rolbrug krijgt eveneens een revisie. Werken in de keuken, aan de w.c.'s, aanpassingen voor de plaatsing van zoeklichten enz. hebben eveneens plaats.
In geval van oorlog wordt nog een supplementaire verdediging voorzien. Deze steunt o.a. op het gebruik van ongeveer 650 Duitse bunkers welke in 1917 werden gebouwd. Tussen de Schelde en de Zenne zijn er dat 125. Het betreft vooral schuilbunkers, bunkers voor bewaking alsook enkele voor de opstelling van mitrailleurs. Deze bunkerlijn dient versterkt door overstromingen o.a. van de Rupel