Mont Blanc



't Heelal der dingen, 't [het] onverganklijke
Stroomt door den geest en rolt zijn snel gegolf
Nu zwart, nu glinstrend, nu in schemergloor
Nu glans afgevend waar, geheim ontstaan

Rijst de Mont Blanc
Met onneembren wal
Mont Blanc
Wal van stralend ijs

Waar Macht onder den schijn van de Arve daalt
Van den ijsstroom die zijn duistren troon omgordt
Barstend door 't zwart gebergte, een vlam gelijk
Van bliksem door het noodweer, gij ligt daar

Rijst de Mont Blanc
Met onneembren wal
Mont Blanc
Wal van stralend ijs

Waar gij en zij geen vreemde gasten zijt
In kalme toovergrot der Poëzie [-ij]
Hoog, ver omhoog, borende in 't [het] eindloos ruim
Rijst de Mont Blanc, stil, sneeuwig, vredevol

[Sneeuwig en eeuwig]

't Menschlijke doen en gaan, geboorte en dood
Al dat de mensch raakt of van mensch mag zijn

Al wat beweegt en aamt met moeite en [met] klank
Ontstaat en sterft, verkeert, vergaat en rijst

Macht enkel leeft alleen in stoorloosheid
Veraf, in vrede, en ontoegankelijk[heid]

En dat leert hier dit naakt gelaat van de aard
Waarop ik staar, bergen van 't [het] oerbegin

Dom, pyramide en spitse torening
En met onneembren wal van stralend ijs

...

Mont Blanc blinkt nog omhoog, de macht is daar
De plechtige en stille macht van veel voor 't [het] oog
En veel voor 't [het] oor, van leven veel en dood
In 't kalme donker van maanlozen nacht

In 't [het] eenzaam zongestraal, dan daalt de sneeuw
Neer op den Berg: geen oog aanschouwt haar daar
Noch vlokken brandend in de laatste zon
Noch met starlicht doorweven: [de] winden strijden [erom]

Rijst de Mont Blanc, met onneembren wal
Mont Blanc, wal van stralend ijs

Onneembren wal van stralend ijs