Inleiding
Gebaseerd op stoomtractors
(steam tractors) of weglocomotieven (road loco's) waren de zogenaamde
showmans engines of kermistractoren wellicht de meest elegante
en majestueuze rijdende stoommachines die tijdens vooral de jaren
'20 en '30 van de vorige eeuw het straattoneel sierden.
De introductie van stoomaangedreven
machines mag dan al als een catalysator hebben gewerkt op de evolutie
van de rondreizende kermissen, men dient zeker niet te vergeten
dat kermissen niet altijd datgene geweest zijn dat ze nu zijn,
ondanks het feit dat ze reeds generaties lang een deel van ons
erfgoed bepalen. Rond 1800 bijvoorbeeld, werden kermissen niet
bezocht ter amusement en ontspanning, maar eerder om artikelen
te kopen, gaande van kledij tot gevlochten rietwerk. Het was dan
ook enkel op de economisch meest interessante en belangrijkste
plaatsen (de zogenaamde fairgrounds) dat rondreizende exploitanten
neerstreken en hun kramen opzetten. Kermissen hadden in die tijd
dus meer weg van een markt. Dikwijls was dat een jaarmarkt, want
meestel streken exploitanten slechts éénmaal per
jaar op een bepaalde plaats neer.
Wanneer de avond viel en het
serieuze zakendoen was beëindigd trokken zowel de exploitanten
als de bezoekers naar de rand van de kermis, alwaar kramen stonden
opgesteld waar gedronken en gegeten kon worden.
Dikwijls was er ook dansgelegenheid,
initieel een tent, later de gekende spiegelpaleizen. In deze zone
van de kermis hielden zich al snel ook een aantal entertainers
op, zoals jongleurs en acrobaten, krachtpatsers en vuurspuwers
of kramers die het publiek bepaalde spelen aanboden, zoals werp-
of hamerspelen.
|
Al
snel ontstonden de eerste amusementskramen waarbij het publiek de
een of andere rit kon maken (de zogenaamde rides). In den beginne
waren dit steeds dieren : pony's of kleine paarden of ook wel ezels
liepen rondjes binnen een afgebakende ronde piste. Een aantal dagen
later vertrokken de exploitanten om op een andere plaats hun kramen
op te slaan zoals dit vandaag de dag nog steeds het geval is.

Hierboven : Wanneer de avond
viel en het serieuze zakendoen was beëindigd, trokken zowel
de exploitanten als de bezoekers naar de kramen waar gedronken en
gegeten kon worden.

Een zeer belangrijk verschil
tussen die periode en de periode vanaf het einde van de 19de eeuw
was wel dat enkel mensen- of dierenkracht werden benut voor het
opbouwen en afbreken van kramen, alsook het verhuizen van de kramen
naar de volgende locatie. Gevolg hiervan was dat er alleen maar
kermiskramen konden bestaan met een zeer lichte technische constructie,
en het in die tijd dan ook onmogelijk was om grote, zware en technisch
ingewikkelde kermistuigen te exploiteren en te vervoeren. De komst
van de kermistractor bracht hier verandering in.
 |
|
Voor
de komst van de kermistractor verplaatsten de meeste foorkramers
zich met paard en kar.
Van zware en technisch ingewikkelde kermistuigen kon dan
ook nog geen sprake zijn.

|
De
opkomst van de kermistractor
Reeds voor het jaar
1900 was het gebruik van stoomkracht al stevig verankerd in het
domein van de spoorwegen, de landbouw en het transport van zware
lasten over de weg, en dit fenomeen was aan de foorkramers niet
onopgemerkt voorbij gegaan. Langzaam maar zeker begon ook de kermiswereld
in te zien dat stoomkracht evengoed binnen hun domein van pas kon
komen. Op dat ogenblik beseften zij echter nog niet welk een radicale
evolutie van de kermiswereld hieraan verbonden was. Ook de producenten
van stoomtractoren en weglocomotieven waren niet doof voor de noden
van de kermisexploitanten en de eerste zelf voortbewegende stoommachines
die speciaal aangepast waren voor kermisdoeleinden deden hun intrede.
De voornaamste aanpassingen
bestonden uit een verhoogde opslagcapaciteit voor water en steenkool,
om alzo de maximale rij-afstand tussen twee halten te vergroten.
Een andere aanpassing was het vergrote dak dat, in tegenstelling
tot de klassieke stoomtractoren en weglocomotieven, de hele lengte
van de machine overkapte, en dit om zowel het gehele mechanisme
als de bemanning te beschermen tegen slechte weersomstandigheden. |
Een laatste aanpassing, en misschien wel de belangrijkste, was een
electrische generator gemonteerd op een plateau boven de rookkast.
Ondanks het feit dat het aantal
gesleepte karren later werd gelimiteerd, was het in den beginne
geen verkeersovertreding om tot maar liefst negen gekoppelde aanhangwagens
voort te trekken met de 8 of 10 NHP kermislocomotieven. Deze modellen
werden verkocht met de garantie dat zij tot 40 ton konden voortbewegen
op een helling van 10 graden in een hoge versnelling. Dit vermogen
lag ver boven de normale behoefte. Al snel werd het enorme voordeel
in vergelijking met het paardentransport ingezien, maar de stoomkracht
bood niet enkel de tractie vele nieuwe mogelijkheden. De meeste
tractoren waren voorzien van de sterke takel, waarmee zij niet enkel
zware lasten op het terrein konden verplaatsen maar ook zichzelf
in positie konden trekken, ook al was de ondergrond soms door het
gure weer omgetoverd in een slijkpoel.
 |
Talrijke showmans engines
verlichten de avondhemel elk jaar opnieuw tijdens de maand september
op de Great Dorset Steam Fair.

|

|
De
invloed van de kermistractor
Fakkels en andere olielampen
stierven uit door de 110 Volt gelijstroomspanning die door de kermistractoren
ter plaatse werd opgewekt. Kermisattracties werden in snel tempo
uitgerust met electrische verlichting, hetgeen een serieuze nieuwigheid
betekende en tevens op zichzelf al voor een enorme attractie zorgde.
Men mag immers niet vergeten dat in die tijd de meeste huizen nog
niet eens van electriciteit voorzien waren. De electrificatie trok
zich tevens door in de attracties zelf, en de evolutie van de technologie
liet zich duidelijk voelen in de kermiswereld.
Tegelijkertijd kwam men al snel
tot de conclusie dat de enorme beperkingen betreffende de grote
en het gewicht van de attracties zo goed als geheel waren weggevallen
in vergelijking met de periode voorheen. Zo waren bijvoorbeeld filmprojector-attracties,
maar ook electrisch aangedreven muziekorgels opvallende nieuwigheden
die tot dan toe door het overgrote deel van het kermispubliek nooit
gezien waren. Zo deden trouwens korte tijd later ook de zogenaamde
electric rides (electrisch aangedreven karretjes die zich voortbewegen
op een rond parcours met heuvels en dalen - deze attracties worden
door ons rupsbanen genoemd) hun intrede en was een start gegeven
aan de ontwikkeling van de automatisch bewegende kermisattracties.
De opkomst van zoveel nieuwe
attracties dankzij de stoomkracht en electriciteit zorgde voor een
big boom in het enthousiasme van het publiek. Voor velen werd de
kermis het hoogtepunt van de vakantieperiode en op meer en meer
plaatsen werd er ieder jaar tijdens een bepaalde periode een kermis
opgezet die alsmaar meer volk lokte. Het hoeft dan ook niet gezegd
te worden dat de aankomst van een kermiskaravaan door de plaatselijke
dorpsbevolking op luid gejuich onthaald werd.

Hierboven : De electric
rides waren slechts één van de vele opvallende nieuwe
attracties. Deze foto werd genomen op de Newcastle Town Moor Fair
in 1916.

De nieuwe attracties hadden
dus stoomkracht nodig om getransporteerd te worden en eens ter plaatse
opgebouwd werd de stoomkracht van de tractor benut voor het maken
van electriciteit om de attractie te doen draaien en van verlichting
te voorzien. Een groot nadeel dat hiermee ontstond was de enorme
financiële investering die moest gedaan worden bij de aanschaf
van een showmans engine. Deze kost was voor de aankoop van een showmans
tractor al hoog, en werd nog erger wanneer een showmans road loco
nodig was, die een stukprijs kon halen vergelijkbaar met vier gemiddelde
gezinswoningen. |
Dit
mag dan ook de voornaamste reden zijn van het feit dat vanzelfsprekend
niet alle foorkramers het zich konden veroorloven om mee in deze
moderniseringsboot te springen. Het totaal aantal geproduceerde
showmans engines lag dan ook relatief laag ten opzichte van de totale
fabrikatie van landbouwmachines, stoomwalsen en weglocomotieven
of -tractoren.

Hierboven : Dankzij de ter
plaatse opgewekte electriciteit zagen ook de bioscoop-attracties
het licht. Dankzij stoomkracht werd de cinematografie voor het grote
publiek bereikbaar. Deze foto werd genomen in 1904 op de Neath Pleasure
Fair te Neath and Port Talbot.

Toch werd in de gehele kermisgeschiedenis
nooit meer een nieuwigheid geïntroduceerd die zo inspirerend
en attractief werkte als de showmans engine, temeer daar de evolutie
in het domein van de kermisattracties nooit nog zo'n enorme duw
in de rug gekregen heeft als toen de showmans engine volop het daglicht
begon te zien. Heel wat exploitanten waren dan ook terecht fier
op hun bezit, en deze fierheid ging zlefs zo ver dat het een traditie
werd om de inidivuele machines van namen te voorzien. Het was tevens
in deze periode dat het een mode werd om de tractoren te versieren
en te decoreren. Initieel werd dit fenomeen geïntroduceerd
door de foorkramers zelf, die maar al te goed beseften dat hun machine
als attractiepool zeker zo belangrijk was als de eigenlijke kermisattractie
die er langs stond, maar al snel leverden fabrikanten zoals Fowler,
Burrell en Garrett zelf versierde machines af. Geverfde sierlijnen,
het gebruik van bladgoud en messing, en de vaak voorkomende donkerrode
kleur werden vaste kenmerken voor de showmans engine.
Een al even typisch kenmerk
voor de showmans engines, en al even nadelig als de aankoopprijs,
was het moeten "uitgraven" ervan tijdens het opbreken
van de kermis om verder te trekken naar een andere locatie. Vooral
de zware showmans road loco's van meer dan 20 ton stonden vaak een
aantal dagen aan een stuk steeds op dezelfde plaats urenlang te
schudden tijdens het draaien van de electrische stroom. Het wegzakken
van deze mastodonten in de al te vaak onstabiele ondergrond was
dan ook een veel vookomend verschijnsel, en het opbreken van de
attractie ging dan ook dikwijls gepaard met het uitgraven van de
machine.
Hoe dan ook, na ongeveer 50
jaar lang tal van kermissen gesierd te hebben en aan de basis te
hebben gelegen van de verst doorgedreven ontwikkelingen die de kermiswereld
ooit heeft gekend, kwam voor de showmans engines een einde aan de
dagen van glorieuze overheersing zoals dat voor hun periode met
de paarden was gebeurd. Meer en meer primitieve dieseltractoren
en diesel aangedreven vrachtwagens verdrongen langzaam aan de stoomkracht
van de kermisgronden.
 |
|
Het
uitgraven van een weggezakte machine was een vaak voorkomend beeld.

|
De
kenmerken van kermistractoren
Niet alleen de kermissen
hebben een versnelde evolutie doorgemaakt dankzij de opkomst van
de showmans engines, ook de showmans engines zelf zijn geëvolueerd
tijdens de loop van hun produktiejaren. Deze evolutie werd deels
afgedwongen door de ontwikkeling van alsmaar meer energie vereisende
attracties, zoals de cakewalks of rupsbanen. Vooral deze laatste
evolueerden tot grote, zware en complexe machines die meer en meer
vermogen nodig hadden om te kunnen draaien. Tevens werden zulke
attracties niet zelden vergezeld door een mechanisch aangedreven
orgel, dikwijls geleverd door de firma's Marenghi en Gavioli. Deze
orgels mochten dan wel voor luide muziek zorgen, ook met hun stroomverbruik
diende rekening gehouden te worden en ze namen dikwijls een flinke
hap uit de totale electriciteitsproduktie van de showmans engine.
De technische evolutie van de
attracties opende aldus ook nieuwe markten voor de fabrikanten van
stoommachines, en het dient gezegd te worden dat deze daar niet
traag op gereageerd hebben. Weglocomotieven bestonden al enige tijd
om zware lasten op de openbare weg voort te slepen. Meer nog, men
kan zelfs stellen dat ze in die tijd al gestandardiseerd waren.
Ondanks het feit dat de meeste fabrikanten hun road loco's in meerdere
verscheidene vermogensschalen op de markt branchten (meestal 5,
6, 7 of 8 NHP, maar ook wel 10 NHP), hadden ze allen bepaalde zaken
gemeen, zoals onder andere drie versnellingen in tegenstelling tot
de één of twee versnellingen van de landbouw-stoommachines
en een extra watertank (de zogenaamde belly tank) die onder het
boilerhuis werd gemonteerd.
Deze ontwikkelingen zorgden
er onder andere voor dat de machines een hogere kruissnelheid konden
aanhouden. Deze lag tussen 10 en 15 mijl per uur tegenover de 7
à 8 mijl per uur die daarvoor meestal voorkwam. Ook de actieradius
nam toe: dankzij de extra watertank en een vergrote opslagruimte
voor steenkool nam de radius toe van 10 à 15 mijl tot 25
à 30 mijl.
Ook gemeenschappelijk met de
klassieke road locos was de eigenlijke stoommachine : een tweecilinder
compound machine met meestel dubbele stangen. Stoom met hoge druk
(ongeveer 13 bar) werd in de eerste, kleine cilinder gedreven (de
hogedruk-cilinder) en daarna uitgestoten in de tweede, grotere cilinder
(de lagedruk-cilinder) teineinde alzo tot een meer efficient stoomverbruik
te komen. De standaardfilosofie bij deze machines was tevens de
stoom op de twee zuigerrichtingen te laten werken, eerder dan enkel
en alleen gebruik te maken van de inertie van het vliegwiel. Op
de technische specificatieplaten van showmans engines kon men dan
ook meestal de afkortingen "DCC" (double crank compound)
of "SCC" (single crank compound) aantreffen.

Hierboven : Op deze foto
is de double crank compound engine
goed zichtbaar, met links de hogedrukcilinder, en rechts de lagedrukcilinder.

|
Klassieke
road loco's konden dan ook in feite zonder enorm veel aanpassingen
omgetoverd worden tot showmans engines. Het is dan ook meerdere
malen gebeurt dat machines als klassieke road loco werden gebouwd,
om een aantal jaren daarna te worden omgebouwd en een kermisleven
door te brengen. Deze ombouw was trouwens voor veel exploitanten
de enige mogelijkheid om op een betaalbare manier aan een machine
te geraken. Op functioneel vlak ligt het voornaamste verschil in
het feit dat de kermislocomotieven voorzien waren van een gelijkstroom-dynamo
om de voor de kermisattractie benodigde electrische energie op te
wekken. Een naar voor uistekend plateau werd bevestigd bovenop de
rookkast als drager voor deze dynamo. De dynamo werd rechtsreeks
aangedreven door het vliegwiel van de machine. Ondermeer om de dynamo
te beschermen tegen gure weersomstandigheden werd het dak doorgetrokken
tot helemaal vooraan, ondersteund door meestal getordeerde siersteunen
in messing (twisted brasses) die tevens op het dynamo-plateau, maar
wel net vóór de dynamo, waren aangebracht.
Een ander typisch aspect van
de showmans engine was het demonteerbare verlengstuk voor de schoorteenpijp.
De vaste schoorsteen, die aan de rookkast was bevestigd, liep slechts
door tot net boven het dak. Deze kon verlengd worden door er een
afneembare extra pijp bovenop te plaatsen. De extra pijp deed enkel
dienst wanneer de machines op de kermis stroom genereerden voor
de attracties, dit om enerzijds de rook weg te houden van het publiek,
anderzijds om de attracties, die toen nog grotendeels bestonden
uit hout en tentzeilen van canvas, te beschermen tegen ontsnappende
vonken. Tijdens de verplaatsingen van kermis tot kermis werd de
demonteerbare pijp horizontaal bevestigd in houders die bovenop
het dak waren aangebracht.

Hierboven : De demonteerbare
schoorsteenpijp, bevestigd in haar houders.
Hieronder : De schoorsteenpijp in gebruik.


Een weglocomotief of stoomtractor
met dynamo werd aldus de basis voor de machine die uiteindelijk
als showmans engine bekend ging worden. Een aantal opties, zoals
de getordeerde siersteunen, diverse afwerkingen in messing en de
met sierlijnen gedecoreerde wielspaken, boilerbuis en machine-onderdelen
werden op den duur standaard kenmerken van dit soort machines. In
1913 koste een 5 NHP Burrell ongeveer 850 Britse Pond. Deze hoge
kostprijs noopte niet alleen Burrell maar de meeste andere fabrikanten,
zoals Fowler en Maclaren, tot het aanbieden van krediet-overeenkomsten
aan mogelijke klanten. Naast de drie voornoemde fabrikanten, die
de top aanvulden wat betreft de verkoop van showmans engines, volgden
ook nog Foden, Foster en anderen.
 |
Gebouwd in 1925 door Burrell
& Sons ltd. met serienummer 4000, en gedoopt als "Ex
Major", is deze showmans road loco met zijn blauwe kleur
op elk stoom--evenement een zeer opvallende verschijning.

|

|
Een
nieuwe generatie : de "special scenic engines"
Kostprijzen werden nog
verhoogd toen alsmaar vaker bepaalde technische attributen noodzakelijk
werden, vooral bij die machines die een rupsbaan van energie moesten
voorzien. Deze attracties, waarbij de kermisklanten initieel in
houten draken, gondels en koetsen plaatsnamen, werden met de jaren
groter. Het algemeen opzet, karretjes die op rails een cirkelvormig
parcous volgden, is nooit gewijzigd. Wel echter de manier waarop
die werden voortbewogen, daar de eerste rupsbanen karretjes hadden
die allen met een stang verbonden waren met het centrum, alwaar
één enkele motor het gehele stelsel liet draaien,
zoals dat het geval was bij de paardencarroussels. Bij latere modellen
werd elk individueel karretje zelf voorzien van een electromotor.
Mede door deze evolutie moesten in veel gevallen de draken en gondels
wijken voor replicas van motorwagens.
Om te voldoen aan deze nieuwe
attracties zag een nieuwe generatie showmans engines het daglicht:
de zogenaamde special scenic engines. Scenic engines waren detzelfde
als het standaard type, met dit verschil dat zij waren uitgerust
met twee belangrijke supplementaire attributen: Ten eerste werd
een groot A-vormig frame ingebouwd in de tender van de machine.
Dit frame kon worden opgebouwd en dienst doen als hijs-arm, waarbij
het touw, afkomstig van de standaard takelspoel die zich ook achteraan
bevond, over de top werd gespannen. Grote pinnen konden uit de aandrijfwielen
van de machine worden getrokken om alzo het aandrijfmechanisme los
te koppelen. Op deze manier kon de showmans engine dienst doen als
stationaire stoomaangedreven hijskraan, welk dienst deed om te helpen
bij het opbouwen van de attractie en meerbepaald een zegen was bij
het plaatsen van de zware karretjes op de rails van de rupsbaan. |
Een
tweede attribuut was de zogenaamde exciter. Tussen de schoorsteen
en de cilinders bovenop de boiler werd een extra plateau bevestigd.
Hierop rustte een tweede dynamo die "exciter" werd genoemd.
Hierboven : Hier is duidelijk
de "exciter" zichtbaar die, aangedreven door de primaire
dynamo, voor stroomtoenames tot 150 ampères moest zorgen.

De exciter werd aangedreven
door een riem, gekoppeld aan de voorste standaard dynamo en was
verantwoordelijk voor het leveren van het extra vermogen dat nodig
was bij het aanzetten van de attractie. Immers, het feit dat elk
inidivueel karretje van de "scenic fairground rides" nu
met een motor was uitgerust betekende een enorme vermogensaanvraag
bij het opstarten van elke nieuwe rit. Daar waar de standaard dynamo
120 tot 150 ampères kon leveren, werd dit door de exciter
nu verhoogd door meer dan 300 ampères (bij 110 Volt gelijkstroom).
 |
|