De
pioniers
Zoals dit eigenlijk ook geldt
voor de stoommachine in het algemeen, kan ook de uitvinding van
het stoomaangedreven wegvoertuig niet aan een specifiek persoon
worden toegeschreven. Waarschijnlijk zijn de meest bruikbare en
geavanceerde ideeën afkomstig van de Franse militaire ingenieur
Nicolas-Joseph Cugnot, die initieel een zelfaangedreven driewieler
ontwikkelde, voornamelijk om zware artilleriestukken te velde
te kunnen verplaatsen.

Hierboven : De stoomdriewieler
van Cugnot.

Het was op 23 oktober 1769
dat Cugnot in Parijs, in het bijzijn van een schare vooraanstaande
regeringsfunctionarissen en militairen zijn eerste machine demonstreerde.
Deze eerste machine had een topsnelheid van ongeveer 3 km/u en
een boilerautonomie van zo'n 15 minuten. Ondanks het feit dat
deze demonstratie zeer veel bewondering afdwong, werd veel van
de noodzakelijke steun aan Cugnot afgeremd en bemoeilijkt na een
klein incident tijdens een publieke demonstratie op de openbare
weg met een tweede machine. Dit voorval was dan ook de oorzaak
dat Cugnot niet meer in staat is geweest om verdere ontwikkelingen
te realiseren. Het derde model van Cugnot, vervaardigd in 1771,
staat momenteel tentoongesteld in het "Musée National
des Techniques" te Parijs.

Hierboven : Een replica van de stoomdriewieler,
in 1988 gebouwd door het Lyceum N.J. Cugnot.

|
In Engeland
was het mijningenieur Richard Trevithick die in Cornwall de eerste
zelf voortbewegende stoommachine bouwde. Zoals veel van zijn collega's
besteede hij een groot deel van zijn leven aan de voortdurende perfectionering
van stoommachines, en begon hij, eveneens zoals zovelen, met de
bouw van balansmachines die water uit mijnschachten moesten pompen.
Trevithick paste echter, in tegenstelling tot bijvoorbeeld James
Watt, meestal een veel hogere stoomdruk toe, en dit tevens op kleinere
cilinders. Dit stelde hem in staat tussen 1800 en 1815 een aantal
"stoomaangedreven wagens" te ontwikkelen die zich echter
op rails voortbewogen. Op commercieel vlak heeft Trevithick echter
nooit veel succes gehad.
Het was Ransomes, uit Ipswitch, die de eerste
echte "traction engine" voor de landbouw zou ontwikkeld
hebben. Dit zou gebeurd zijn rond 1840. Vanaf dan ging alles vrij
snel. Er kwamen gauw concurrenten die al even vlug op technologisch
vlak niet veel achter waren. In deze periode onstonden dan ook de
bekende namen, zoals Aveling, Burrell, Clayton, Fowler en Garrett.
De mobiele stoommachines hadden een belangrijk
ding gemeen: het waren allen aangepaste stationaire machines die
verplaatsbaar waren, meestal door de boilerketel op een van wielen
voorzien chassis te plaatsen en de cilinders, drijfstangen en het
vliegwiel bovenop de ketel te monteren. Bij deze machines werd de
voortgebrachte kracht van de stoom initieel nog niet benut voor
de aandrijving van de wielen onder het chassis. Wanneer verplaatsing
noodzakelijk was, werden paarden ingezet om het geheel voort te
trekken.
Men kan over het algemeen zeven verschillende
soorten mobiele wegmachines onderscheiden:
Verplaatsbare machines
Polyvalente
landbouwmachines
Weglocomotieven
Stoomtractors
Stoomwalsen
Ploegmachines
Stoomlorries
We zullen deze soorten in de hierna volgende
paragrafen nader bespreken.

|