www.AllesOverStoom.nl_
Toepassingen \ Tractiemachines
Tractiemachines

 

Inleiding

De zogenaamde tractiemachines of "traction engines" zijn mobiele stoommachines, geëvolueerd uit de stationaire stoommachines die gebruikt werden in de tweede helft van de 18de eeuw. Zij hebben vooral het landbouwlandschap gekleurd, en waren aldus hoofdzakelijk verantwoordelijk voor het feit dat de meest pitoreske periode in de geschiedenis van de landbouw wel die van de stoom was.

Het woord "tractor" komt van het Latijnse werkwoord "trahere", hetgeen betekent "trekken". Stoomtractors dienden echter niet altijd om lasten te trekken. In de landbouw bijvoorbeeld werden zij zelfs vooral gebruikt om al dan niet stationaire landbouwmachines aan te drijven. Tijdens de uitoefening van haar opdracht zelf was het gedrag van zo'n stoommachine dan ook dikwijls stationair.

De "big boom" van de populariteit, produktie en toepassing van stoommachines in de landbouw en het wegtransport moet ongeveer gesitueerd worden tussen 1880 en 1920. Het is tijdens deze periode dat veruit de meeste tractiemachines werden gebouwd. Vanaf de jaren 20 kreeg de tractiemachine het moeilijk, omwille van interessante en efficiente alternatieven aangedreven door petroleum of paraffine, maar de produktie bleef doorlopen tot ver in dat decennium, en het gebruik tot ver in de jaren '30.

Zeer vroege ontwikkelingen van deze technologie, nog niet noodzakelijk toegepast op mobiele chassis-constructies, kunnen reeds worden aangetroffen bij Denis Papin's uitvinding van de stoomkookpot in 1679, die een inspiratiebron vormde voor Thomas Savery die in 1698 een primitieve vorm van stoommachine patenteerde. Later werkte Savery samen met Thomas Newcomen aan de eerste atmosferische (dus met cilinder) stoommachine.

 

 

 

De pioniers

Zoals dit eigenlijk ook geldt voor de stoommachine in het algemeen, kan ook de uitvinding van het stoomaangedreven wegvoertuig niet aan een specifiek persoon worden toegeschreven. Waarschijnlijk zijn de meest bruikbare en geavanceerde ideeën afkomstig van de Franse militaire ingenieur Nicolas-Joseph Cugnot, die initieel een zelfaangedreven driewieler ontwikkelde, voornamelijk om zware artilleriestukken te velde te kunnen verplaatsen.

Hierboven : De stoomdriewieler van Cugnot.

Het was op 23 oktober 1769 dat Cugnot in Parijs, in het bijzijn van een schare vooraanstaande regeringsfunctionarissen en militairen zijn eerste machine demonstreerde. Deze eerste machine had een topsnelheid van ongeveer 3 km/u en een boilerautonomie van zo'n 15 minuten. Ondanks het feit dat deze demonstratie zeer veel bewondering afdwong, werd veel van de noodzakelijke steun aan Cugnot afgeremd en bemoeilijkt na een klein incident tijdens een publieke demonstratie op de openbare weg met een tweede machine. Dit voorval was dan ook de oorzaak dat Cugnot niet meer in staat is geweest om verdere ontwikkelingen te realiseren. Het derde model van Cugnot, vervaardigd in 1771, staat momenteel tentoongesteld in het "Musée National des Techniques" te Parijs.

Hierboven : Een replica van de stoomdriewieler, in 1988 gebouwd door het Lyceum N.J. Cugnot.

In Engeland was het mijningenieur Richard Trevithick die in Cornwall de eerste zelf voortbewegende stoommachine bouwde. Zoals veel van zijn collega's besteede hij een groot deel van zijn leven aan de voortdurende perfectionering van stoommachines, en begon hij, eveneens zoals zovelen, met de bouw van balansmachines die water uit mijnschachten moesten pompen. Trevithick paste echter, in tegenstelling tot bijvoorbeeld James Watt, meestal een veel hogere stoomdruk toe, en dit tevens op kleinere cilinders. Dit stelde hem in staat tussen 1800 en 1815 een aantal "stoomaangedreven wagens" te ontwikkelen die zich echter op rails voortbewogen. Op commercieel vlak heeft Trevithick echter nooit veel succes gehad.

Het was Ransomes, uit Ipswitch, die de eerste echte "traction engine" voor de landbouw zou ontwikkeld hebben. Dit zou gebeurd zijn rond 1840. Vanaf dan ging alles vrij snel. Er kwamen gauw concurrenten die al even vlug op technologisch vlak niet veel achter waren. In deze periode onstonden dan ook de bekende namen, zoals Aveling, Burrell, Clayton, Fowler en Garrett.

De mobiele stoommachines hadden een belangrijk ding gemeen: het waren allen aangepaste stationaire machines die verplaatsbaar waren, meestal door de boilerketel op een van wielen voorzien chassis te plaatsen en de cilinders, drijfstangen en het vliegwiel bovenop de ketel te monteren. Bij deze machines werd de voortgebrachte kracht van de stoom initieel nog niet benut voor de aandrijving van de wielen onder het chassis. Wanneer verplaatsing noodzakelijk was, werden paarden ingezet om het geheel voort te trekken.

Men kan over het algemeen zeven verschillende soorten mobiele wegmachines onderscheiden:

Verplaatsbare machines
Polyvalente landbouwmachines
Weglocomotieven
Stoomtractors
Stoomwalsen
Ploegmachines
Stoomlorries

We zullen deze soorten in de hierna volgende paragrafen nader bespreken.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Gerelateerde paginas:
contents...
_
_www.AllesOverStoom.nl