Van "strobist" fotografie spreken we wanneer een camera flitser "off camera" op locatie gebruiken.
Camera flitsers worden ook wel "speedlights" of "reportage flitsers "genoemd.
Speedlights waren in eerste instantie bedoeld om op de hotshoe van de camera te plaatsen, en in communicatie met de camera, de flitssterkte zo te regelen dat met een gekozen diafragma, sluiterssnelheid en ISO-waarde een perfecte belichting van de foto wordt verkregen.
Nadeel van "on-camera flitsen" is, naast het feit dat het model de volle flits in het aangezicht krijgt wat rode pupillen op de foto veroorzaakt, is ook dat de foto geen schaduwen vertoont waardoor het diepte effect in het beeld verdwenen is.
Een veelgebruikte term is dat de foto is "platgeflitst".
Nemen we de flitser van de camera, en flitsen we vanuit een hoek t.o.v. de camera , dan krijgen we door de ontstane schaduwen structuur in ons onderwerp, we krijgen als het ware een 3de dimensie in onze foto.
In tegenstelling met studioflitsen, waar het studiolicht volledig de belichting van de foto voor zijn rekening neemt, is voor de belichting van een foto bij strobist fotografie ook het omgevingslicht belangrijk .
Nu is de vraag :
Hoeveel van het omgevingslicht willen we gebruiken, en hoeveel invul-licht van de flitser?
Afhankelijk van de keuze krijgen we totaal andere beelden.
Richtgetal
Het richtgetal van een flitser is een maat voor het afgegeven licht van de flitser. Hoe hoger het getal hoe sterker de flitser.
Het richtgetal is het product van: "de afstand tot het
voorwerp maal het diafragma", wat nodig is om
een goede belichting te geven, bij ISO 100, voor een 50mm objectief in een huiselijke omgeving. (normale reflectie van de muren)
Vb : bij een flitser met richtgetal 20 heb je bij flitsen op vol
vermogen :
een diafragma van f:20 nodig om op een afstand van 1m,
bij ISO 100 met een 50mm lens een voorwerp goed te belichten, in een normale huiselijke omgeving
Wil je met dezelfde flitser op vol vermogen een onderwerp op 5m belichten dan moet je het diafragma op f/4 zetten (bij ISO:100)
De sluitersnelheid wordt hier niet genoemd omdat verondersteld wordt dat die voldoende groot is t.o.v. de korte belichtingstijd van de flits (0,1-1,0 msec)
Heb je een studio lichtmeter, dan kan je eenvoudig zelf het richtgetal van uw flitser meten. (ISO :100 gemeten op 1m afstand)
Relatie : flitser tot onderwerp afstand en de belichtingsterkte
Plaatsen we als voorbeeld een flitser met een openingshoek van de lichtbundel van 90° op een 1m afstand van het onderwerp,
dan zal de belichte oppervlakte = 3,14m²(oppervlakte= R² x 3.14) bedragen.
Plaatsen we nu het onderwerp op 2m afstand van de flitser dan wordt de belichte oppervlakte= 12,56m²
Dezelfde hoeveelheid licht-energie wordt verspreid over een oppervlakte die 4x groter is, hierdoor daalt de belichting van het onderwerp met een factor 4
We weten dat : 1 lichtstop = een verdubbeling of halvering van de hoeveelheid beschikbaar licht.
Om bij verdubbeling van de flitser tot onderwerp afstand,
het verlies aan beschikbaar licht te compenseren, zullen we de diafragma opening of de sensor gevoeligheid (ISO) met 2 lichtstops moeten vergroten.
Te onthouden:
Een verdubbeling van
de afstand flitser-onderwerp betekent een vermindering van de hoeveelheid licht van 2 stops Door de afstand : "flitser tot onderwerp" groter of kleiner te maken, kunnen we de licht intensiteit op het onderwerp regelen.
Focusserende flitsers
De meeste moderne speedlights (Vb Nikon SB800- SB900,..) hebben de mogelijkheid om de lichtstraal van de flits te focuseren.
Afhankelijk van de ingestelde afstand (automatisch door de camera of manueel) wordt de lichtstraal gebundeld gericht op het onderwerp.
Deze flitsers zijn in staat om met weinig lichtverlies, op grote afstand, toch een sterke lichtbundel te produceren.
Licht-kwaliteit versus grootte" en "afstand" van de lichtbron
Licht-kwaliteit
Bij het belichten van een model voor een foto, willen we graag licht met zachte, geleidelijke schaduw overgangen, dit noemen we" zacht licht".
Zijn de schaduwen sterk afgelijnd dan spreken we van hard licht, dit willen we meestal niet bij model fotografie.
Hard licht hoeft in principe niet fout te zijn, als het maar niet van een "on-camera" flits komt,hard licht kan het karakter, de ruwheid van een bepaald onderwerp ondersteunen. Hard licht wordt eerder bij mannelijke modellen toegepast.
Invloed van de lichtbron grootte
Hoe groter de lichtbron in verhouding tot het te belichten onderwerp hoe zachter de schaduwen.
Flitsen we met een speedlight flitser rechtreeks op een model dan zal de flits harde schaduwen veroorzaken.
Het gebruik van een diffuser (omnibounce) help iets omdat het licht rondom wordt verspreid, waardoor het model ook door het weerkaatsende licht van de omgevende muren en plafond wordt belicht, maar de lichtbron wordt niet echt groter.
Meer invloed op de lichtkwaliteit heeft een
beautydisk, dit is een scherm van 30 tot 60cm diameter, dat voor de flitser wordt geplaatst
Nog meer invloed heeft een doorflits paraplu met een diameter van 60-100cm
.Een doorflits paraplu heeft het voordeel dat je het dichter bij iemand zijn gelaat kunt plaatsen, dus meer licht, maar minder soft dan een reflectieparaplu.
Het zachtste licht wordt bereikt met een reflectie paraplu en een softbox.
Met de reflectie paraplu verlies je meer licht dan een doorflits paraplu (staat verder van het onderwerp, en reflectieverliezen zijn groter)
Een softbox is door zijn omvang minder geschikt voor gebruik op locatie, ze worden wel veel in een studio omgeving gebruikt.
Gebruik je een speedlight met interne focusering in combinatie met een diffuser, zet hem dan manueel op de grootste openingshoek (kortste afstand).
Sommige flitsers detecteren automatisch de aanwezigheid van een diffuser en stellen automatisch in op de grootste openinghoek
Te
onthouden: Hoe groter de lichtbron in verhouding tot het onderwerp hoe zachter de schaduwen
Invloed van de afstand: lichtbron tot onderwerp
Hoe dichter de lichtbron bij het onderwerp staat hoe zachter de schaduwen
Een goed voorbeeld is de zon, de zon is heel groot t.o.v. het onderwerp, maar ze staat er zo ver van af dat het effect van de grootte volledig teniet wordt gedaan door de afstand, het zonlicht veroorzaakt dan ook harde schaduwen.
Is er een licht wolkendek waar de zon doorheen schijnt dan wordt de afstand meteen veel korter en fungeert het wolkendek als een grote diffuser
We onthouden : Hoe groter de afstand "lichtbron tot onderwerp" hoe harder het licht
Conclusies:
* De lichtsterkte neemt af met het kwadraat van de afstand.
* We kunnen dus de lichtsterkte op het model regelen door de lichtbron dichter of verder van het model te plaatsen.
* Hoe groter de afstand hoe harder het licht.
* We hebben er dus voordeel bij om onze lichtbron zo dicht mogelijk bij het onderwerp (model) te plaatsen , net buiten de gezichtshoek van de camera.
* Het licht kunnen we zachter maken door een reflectiescherm (beautydisk, paraplu) voor de flitser te plaatsen.
Flitsduur
De flitsbuis ontlaad gedurende het flitsen de laadcondensator, de stroom die door de flitsbuis vloeit neemt exponentieel (RC tijdsconstante) af in functie van de tijd, de intensiteit van het flitslicht volgt dezelfde curve.
In tegenstelling met studio flitsers, is de maximum lichtsterkte van speedlight flitsers bij "normaal gebruik" bij eenzelfde flitser altijd gelijk. De belichting van de foto wordt geregeld, niet door de intensiteit van de lichtsterkte te regelen (zoals bij studio flitsers) maar door de flitser korter of langer te laten flitsen.
Afhankelijk van het gevraagde flitsvermogen wordt de flits vroeger of later gestopt, en ontlaad de condensator niet helemaal, de nog opgeslagen energie in de condensator wordt dan gebruikt voor de volgende flits,hierdoor is de flitser sneller opnieuw opgeladen.
Vragen we vol vermogen van de flitser dan wordt hij wel volledig ontladen,de flits duurt dan veel langer dan dan bv bij 1/8 vermogen.
Staat de flitser "on camera" dan zal de flits ook bij vol vermogen flitsen gestopt worden op het einde van de sluitertijd, langer flitsen heeft geen zin.
Staat de flitser "off camera" zonder dat communicatie tussen beide mogelijk is dan "weet " de camera niet dat er geflitst wordt en weet ook de flitser niet hoe lang de sluitertijd van de camera is, bij vol vermogen flitsen zal in die situatie de de flitscondensator dan ook volledig ontladen.
De totale flitsduur ligt afhankelijk van het gevraagde flitsvermogen tussen 100µs en 7ms afhankelijk van het type en vermogen(richtgetal) van de flitser.
Ook het feit of de camera, de flitser al dan niet kan stoppen op het einde van de sluitertijd, is bepalend voor de totale flitsduur. (meer info: Flitsduur)
De gespecificeerde flitsduur die door de fabrikant wordt opgegeven kan verschillen van wat we meten.
De reden hiervoor is dat de fabrikant in de specificaties meestal de "t 0.5" flitsduur vermeld . (meer info: www.scantips.com)
Dit is de tijd tussen het moment dat de flits de helft van zijn maximum intensiteit bereikt, en het moment waarbij de flits nadien terug met de helft is gedaald (-1 stop)
Nadien geeft de flits nog steeds licht, maar met een intensiteit die lager is dan de helft van het oorspronkelijke vermogen om verder te verminderen tot de condensator volledig leeg is ..
Bij kleine flitstijden zal het verschil niet groot zijn , maar bij "vol vermogen flitsen" kan de totale flitsduur nogal wat verschillen van de " t0.5 gespecificeerde" flitsduur.
Soms wordt door de fabrikant ook de t0.1 flitsduur op gegeven in de specificaties, die ligt dan al veel dichter bij de eigenlijke totale flitsduur.
Het afnemende flitslicht (alhoewel met minder vermogen ) belicht ook de foto, en geeft ook een bijdrage aan eventuele bewegingsonscherpte, wat belangrijk kan zijn bij het flitsen van bewegende voorwerpen. Willen we een bewegend voorwerp "bevriezen " dan flitsen we best op laag ingesteld flitsvermogen, de flitser staat dan zo dicht mogelijk bij het onderwerp.
Te onthouden:
Hoe kleiner het ingestelde flitsvermogen hoe korter de flitsduur.
Meer info t.a.v. flitsduur vind je hier: "Flitsduur "
Flits-synchronisatie snelheid van de camera
De maximum flitssynchronisatie snelheid van de camera is de hoogste sluiter snelheid die de combinatie: camera/flitser aan kan.
Heb je een te hoge sluitersnelheid dan gaat het het 2de gordijn van de camera reeds dicht voordat de flits is gestart, wat resulteert in een "niet belichte rand" op de foto.
De flits start 3,8ms na het openen van de sluiter, na 0.8ms stopt de flits. De flitstijd is heel kort t.o.v. de sluitertijd, hierdoor wordt het beeld als het ware bevroren, met weinig kans op bewegingsonscherpte
Voor een camera met een max. synchronisatie snelheid van 1/200 (5ms), is bij "normaal flitsen" start de flits 3,8ms nadat het 1ste gordijn begint open te gaan.
Bij een sluitertijd van 1/200 (5ms) heeft de flits 1ms tijd om het onderwerp te belichten, nadien gaat het 2de gordijn dicht.
Dit is net voldoende om de flits af te werken Het is dan ook belangrijk dat de eventuele (draadloze) triggersystemen geen grote vertragingen hieraan toevoegen.
Bij "on-camera flitsen wordt de flitsduur automatisch gestopt bij het einde van de sluitertijd, bij "off camera" flitsen (studio of strobist fotografie) weet de camera niet dat er geflitst wordt, je moet er dus zelf voor zorgen dat de sluitersnelheid niet te hoog staat. Normale sluitersnelheden bij flitsen: 1/125sec voor studio fotografie, 1/60...1/200 sec voor strobist fotografie
Bij langere sluitertijden neemt de ruis toe.
Supersnelle synchronisatie
Stel een opname op een zonnige dag, bij tegenlicht waar je een flitser wilt gebruiken als invulflits.
Om de achtergrond vaag te houden wil je een klein diafragma (f4 )gebruiken. Door het felle zonlicht ben je bij f4 verplicht om voor een hoge sluitersnelheid te kiezen, voor een juiste belichting van de foto.
Maar bij die hoge sluitersnelheden (>1/200sec) kun je niet flitsen. Je hebt dus een probleem.
Grijsfilters kunnen een oplossing bieden, maar sommige Flits-camera combinaties (vb Nikon D90-SB800) kunnen ook bij hoge sluitersnelheid een volwaardige flits verwerken. Met deze optie kan een D90 nog perfect tot 1/4000 sec flitsen
Dit noemt men supersnel synchronisatie flitsen, de optie "supersnelle synchronisatie" (Auto FP: ON) stel je in op de camera.
Hoe werkt het?
Bij supersnelle flitssynchronisatie wordt niet 1 flits maar heel veel korte flitsen na elkaar afgevuurd.
Het flitsen start net vóór de sluiter open gaat , en gaat door tot de sluiter dicht is, op die manier wordt de "sluiter open " tijd 100% benut om het flitslicht op de sensor te brengen.
Hier zijn de flitsen te zien bij sluitersnelheid 1/250, met de SB800 flitser "on-camera"
De foto is samengesteld uit 4 foto's genomen bij 4 verschillende flitssterktes.
Bij supersnelle synchronisatie flitsen, flitst de flitser,heel veel korte flitsen gedurende de ganse tijd dat de sluiter open is, we zien dat afhankelijk van de benodigde hoeveelheid licht, de lichtsterkte groter wordt.
Hier wordt de flitsterkte en niet de flitsduur gebruikt om de foto meer of minder te belichten .
Mixen van flits en omgevingslicht
Flitsen we op locatie dan hebben we een mix van omgevingslicht en flitslicht.
De camera stel je best op "Manueel" op die manier heb je volledige controle over de balans omgevingslicht-flitslicht.
Diafragma keuze.
Met de diafragma keuze bepalen we hoeveel licht van de omgeving en de flitser onze sensor zal bereiken.
Maar met het diafragma bepalen we ook de scherptediepte.
In eerste instantie
wil ik de diafragma keuze bepalen aan de hand van de gewenste scherptediepte.
Verder wil ik liever niet op de uiterste
diafragma instellingen van de gebruikte lens instellen wegens toenemende onscherpte door lensfouten bij de uiterste diafragma waarden (onscherpte door sferische aberratie en lichtbreking op de diafragma lamellen)
Vragen die we ons moeten stellen:
* Wensen we enkel de ogen scherp?
* Het hele onderwerp scherp?
* Moet ook de achtergrond scherp op de foto?
De sluitersnelheid
De sluitersnelheid samen met het diafragma bepaald de hoeveelheid omgevingslicht dat op de sensor invalt.
Er zijn wel een paar beperkingen voor de sluitersnelheid.
* De max. sluitersnelheid wordt bepaald door de flitssynchronisatie, sneller kan niet, anders is de flitser nog niet klaar als het sluitergordijn reeds dicht gaat.
* De minimum sluitersnelheid (maximum sluitertijd) wordt begrensd door mogelijke bewegingsonscherpte onder invloed van het omgevingslicht.
Onder invloed van bewegingen van de camera (fotograaf) zal de met omgevingslicht belichte achtergrond en onderwerp onscherp worden.
Een statief of beeldstabilisatie kan hier uitkomst bieden.
Veel hangt af van de verhouding omgevingslicht-flitslicht waarmee we het onderwerp belichten.
Hoe minder invloed van het omgevingslicht op het onderwerp hoe minder kritisch langere sluitertijden zijn t.a.v. bewegingsonscherpte
Flitslicht duurt maar heel kort en bevriest als het ware het onderwerp.
De flitssterkte
De hoeveelheid flitslicht dat op de sensor terecht komt wordt bepaald door het diafragma van de lens en de sterkte van de flits.
Met het diafragma willen we de scherptediepte vastleggen, we hebben hier dus enkel nog de mogelijkheid om de flitssterkte op de flitser in te stellen.
Gebruiken we een reflectieparaplu , dan gaat reeds een groot gedeelte van het beschikbare licht verloren (grotere belichte oppervlakte,en reflectie verliezen).
Gelukkig hebben we gezien dat het zachtste licht bekomen wordt door de paraplu zo dicht mogelijk bij het onderwerp te plaatsen.
Minder flitslicht (maar ook harder licht) verkrijgen we door de flitser met paraplu verder van het model te plaatsen.
Indien mogelijk kiezen we er ook niet voor om op "vol vermogen " te flitsen omdat de flits dan veel langer duurt, dus kans op bewegingsonscherpte.
De ISO waarde
In eerste instantie willen we de ISO instelling zo laag mogelijk (100-200), dit geeft het grootste contrastbereik en de laagste ruis.
Halen we met de min. instelling van sluitersnelheid (omgevingslicht), of met de maximum instelling van de flitssterkte, te weinig licht binnen dan kunnen we de ISO instelling verhogen of een compromis sluiten door ook de diafragma opening te vergroten.
Flitsen bij lange sluitertijd
Bij de meeste camera's zijn de sluitertijden bij gebruik van flitsen beperkt.
Bij sommige camera -flitser combinaties is het mogelijk om de sluitertijd extra lang te maken en toch te flitsen. Op die manier is het mogelijk om bij opnames in het donker toch gebruik te maken van het weinig omgevingslicht
Met een Nikon D90 is het op die manier mogelijk om te flitsen met sluitersnelheden van 1/60 tot 30 sec.
Flitsen op eerste en 2de gordijn.
Flitsen op het eerste gordijn:
Bij "normaal" flitsen, ontsteekt de flitser onmiddellijk na het openen van de sluiter. Een flits duurt gemiddeld ongeveer 1ms (1/1000sec).
Flitsen we met een sluitertijd van 1/5sec dan is de sluiter gedurende 200ms open.
Fotograferen we een bewegend voorwerp dan zal onder invloed van het flitslicht een scherp beeld gevormd worden, maar terwijl het voorwerp verder beweegt wordt nu gedurende 199ms, onder invloed van het omgevingslicht een wazig beeld gevormd vóór het scherpe beeld in de richting van de beweging.
De foto geeft hierdoor de indruk dat het voorwerp achteruit beweegt.
Flitsen op het 2de gordijn
Als we flitsen op het 2de (of achterste) gordijn, komt de flits net vóór het moment dat de sluiter dicht gaat.
Onder invloed van het omgevingslicht vormt zich gedurende 199ms een wazig beeld, om op het laatste moment (gedurende 1ms) door de flitser scherp afgebeeld te worden. Hierdoor geeft de foto een juiste indruk van de beweging.
Bij het flitsen van bewegende onderwerpen gebruik je dus best de flitssynchronisatie op het 2de gordijn.
(zie ook : 1ste & 2de gordijn)
Balanceren tussen omgevingslicht en flitslicht
Bij de term invulflits, gaat men er van uit dat het omgevingslicht een dominerende rol speelt, en dat het kunstlicht (flits) dient om schaduwen te verzachten en donkere partijen van het onderwerp lichter te maken.
Maar eigenlijk spreekt men beter van het balanceren tussen omgevingslicht en
flitslicht, omdat het ook andersom kan, nl. het flitslicht als hoofd verlichting en het omgevingslicht als invullicht.
On camera flitsen ....Omgevingslicht als hoofdlichting... met TTL invulflits
Voor de eenvoud starten we met een "on camera" flitser (vb SB800 op een D90 camera)
We wensen een foto met het omgevingslicht als hoofd belichting.
We wensen een invulflits op het model zodat de schaduwen worden verzacht.
Camera instelling:
We meten het licht met de camera, voorkeur op A
* het diafragma stellen we in op f/6,3 (we willen de achtergrond wazig) * De ISO gevoeligheid stellen we in op 200 (lage ruis)
* we meten een corresponderende sluitertijd: vb 1/125 ,is de sluitertijd te laag dan kunnen we de ISO gevoeligheid verhogen
.
Flitser instelling
Nu schakelen we de on-camera flitser in op TTL mode
Niet op TTL-BL ( TTL meet enkel op het onderwerp, TTL-BL houd ook rekening met de achtergrond belichting )
Nu moeten we nog de belichting van de flitser instellen.
De camera meet wat nodig is om het model waarop we focuseren goed uit te belichten, en geeft die waarde door aan de flitser.
Met de EV knop op de flitser regelen zetten we de sterkte van de flitser -2EV (2 stops lager dan wat de camera aan de flitser vraagt)
We kontroleren het resultaat, met de EV instelling op de flitser kunnen we de flitssterkte hoger of lager instellen.
(korter of langer maken van de flitsduur)
Off Camera .... Omgevingslicht als hoofd belichting ... met TTL invulflits
Nu kunnen we hetzelfde als hierboven maar met de flitser "Off camera"
De Nikon D90 camera is in staat om met de SB800 flitser te communiceren.
Camera instelling:
We nemen dezelfde instelling als hierboven: f/6,3 ISO 200 s: 1/125
De D90 camera zetten we via het menu in "Commender" mode.:
e2: flits sturing ingebouwde flitser commander stand: C
We willen dat de pup-up flitser enkel de voorflitsen afgeeft maar geen flits om het onderwerp te belichten.
De ingebouwde flitser stellen we in op --,
de remote flits: Groep A: DDL kanaal 1, sterkte flits op -2 stops
Flitser instelling:
Druk 2 sec op "sel" en kies voor "remote"
Druk 2sec op "sel", kies Kanaal1 groep A, stel met selector de zoom op dezelfde brandpuntsafstand als de camera
Op die manier kun je 3 groepen flitsers met verschillende instellingen aansturen
De sterkte van de flitser (flitsduur) kan je via het menu van de
camera (e2) tussen +3 en -3 stops instellen.
Als de camera en flitser elkaar niet kunnen "zien" zal je niet kunnen afdrukken.
Flits als hoofd belichting (manueel)
Stel we meten het licht op het onderwerp met onze camera en we komen op volgende waarden: 1/60s - f/4 - ISO 400
Het omgevingslicht willen we als achtergrondlicht gebruiken, de flits als hoofdlicht. Een verschil tussen het achtergrondlicht en hoofdlicht van 2 stops is een goed uitgangspunt
Willen we het omgevingslicht 2 stops onderbelicht dan hebben we 3 mogelijkheden:
* we verhogen het diafragma van f/4 naar F/8. (= 2 stops)
In dit geval zal de flitser ook meer kracht moeten leveren om de kleinere diafragma opening te compenseren.
Verhogen van het diafragma, resulteert ook in een grotere scherpte diepte, niet echt voordelig als we de achtergrond wazig willen.
* We verkleinen de ISO van 400 naar 100 (= 2 stops)
Ook hier zal de flitser meer (licht) vermogen moeten leveren door de lagere Iso gevoeligheid.
* We verhogen de sluitersnelheid van 1/60 naar 1/250. (= 2 stops)
Verhogen van de sluitersnelheid geeft ons ook het voordeel van minder bewegingsonscherpte als gevolg van het omgevingslicht.
Dit zou de beste keuze zijn.
We weten echter dat de max.synchronisatiesnelheid van onze camera=1/200.
We zullen dus een compromis moeten sluiten door ofwel de ISO gevoeligheid met 1 stop te verminderen of het diafragma met 1 stop te verkleinen.
Flitsen we TTL dan kunnen we kiezen voor snelle flitssynchronisatie op 1/250s
Een combinatie van bovenstaande is natuurlijk ook mogelijk, zolang het resultaat maar 2 stops lichtreductie van het omgevingslicht op de sensor betekent.
De camera wordt op Manueel (M) gezet en de belichting ingesteld op bv onze 3de mogelijkheid: 1/250 - f/4 ISO 400
Met de flitser wordt nu ingeflitst op het onderwerp. Ook de flits staat manueel, we verhogen gradueel de flitssterkte en beoordelen de totale belichting via het histogram.
Dit is de "Cut & try methode"
We kunnen natuurlijk ook het licht van de flitser meten met een lichtmeter.
We stellen de lichtmeter in op 1/250 -Iso 400 en verhogen het vermogen van de flitser tot we f/8 (+2stops) meten op de plaats van het onderwerp.
De flits sterkte blijft dezelfde zo lang als de flitser op dezelfde afstand t.o.v. het onderwerp blijft , verplaatsen van het camera standpunt of de flitser heeft geen invloed op de belichtingssterkte van de flitser op het onderwerp, zolang de afstand van de flitser tot het onderwerp dezelfde blijft.
Omgevingslicht (zonlicht) als hoofd belichting (manueel)
Als eerste actie kiezen we het standpunt van onze camera t.o.v. het omgevingslicht
We gebruiken nu het omgevingslicht als hoofd belichting, de flitser zal straks dienen als invullicht.
Bekijk de positie van de zon, en de positie van de camera t.o.v. de zon, bv op 45° t.o.v. de camera, je hebt hier alle keuzemogelijkheden net zoals je in een studio zou doen.
Zoek eventueel een plaats buiten de felle zon om de schaduwen wat te verzachten, of kies een moment van de dag met prachtig zacht licht (licht bewolkt, opgaande of ondergaande zon)
Eens de positie van de camera en het onderwerp t.o.v. de zon bepaald, stel je nu de camera in.
* Als ISO kiezen we een lage waarde vb ISO 200 (minste ruis)
* Voor de sluitersnelheid kiezen we de hoogst haalbare flitssynchronisatie snelheid vb 1/200.
* We meten met de camera, de diafragma waarde waarmee in deze positie een goed belichte foto overeenstemt. Onderstel dit is f/8.
Aanpassingen zijn nu nog mogelijk: willen we f/4 voor de scherptediepte (achtergrond wazig) dan zetten we de ISO waarde ook een stop lager( ISO 100) Halen we dit niet , dan zit er niets anders op dan de diafragma opening te verkleinen of een grijsfilter te gebruiken.
Indien de camera dit aankan kun je ook kiezen voor supersnelle synchronisatie : enkel mogelijk in TTL mode, niet manueel!!
Hebben we te weinig omgevingslicht dan kunnen we de sluiter snelheid verlagen.
Eens de omgevingsbelichting ingesteld dan starten we met de flits,we hebben de mogelijkheid om automatisch (Commender-TTL mode) te werken als flitser en camera elkaar kunnen "zien" of manueel (dan is geen supersnelle synchronisatie mogelijk)
Ingesteld op "half vermogen" (manueel) of " -1 tot-2" stops in TTL mode en beoordelen we het resultaat van de belichting en schaduwen en controleren we het histogram.
De flitser werkt hier als invullicht, we willen de intensiteit op 1-2 stops onder het omgevingslicht houden. Het is de bedoeling om schaduwen te verzachten, niet om er bij te creëren
Teveel licht kunnen we compenseren door minder flitsvermogen, of een bredere hoek van uw flitszoom, of de flits verder van het onderwerp plaatsen.
Bij te weinig licht kunnen we het vermogen van de flitser verhogen, de flitser dichter bij het model brengen, of de flitser inzomen zodat de flitsstraal meer geconcentreerd wordt.
De positie van de flits t.o.v. de camera kiezen we zo dat harde schaduwen gecompenseerd worden en dat de vlakken belicht zijn die we onder de aandacht willen brengen. Soms wordt bij buitenopnames, de flits aan dezelfde zijde van de camera als het hoofdlicht geplaatst, om een natuurlijker belichting te verkrijgen
Kleurtemperatuur- omgevingslicht vs. flitslicht
Wanneer we beide: flitslicht en omgevingslicht voor een foto gebruiken is het belangrijk dat beide lichtbronnen dezelfde kleurtemperatuur hebben.
De kleur van het omgevingslicht kunnen we niet wijzigen dit van het flitslicht wel.
Het licht van TL lampen geeft een groene tint , het licht van gloeilampen een oranje tint.
We kunnen het licht van de flits in balans brengen door een groen of oranje gel filter voor de flits te plaatsen. (deze 2 gel filters worden standaard
mee geleverd met bij de Nikon Flitsers SB800-SB900)
Als beide lichtbronnen dezelfde kleurtemp. hebben dan stel je nu de witbalans van de camera in op resp. TL of Gloeilamp verlichting.
Shoot je in RAW dan kan achteraf de kleurtemp nog eenvoudig gecorrigeerd worden. Stel de kleurbalans niet op automatisch want dan zoul de kleurtemp. van iedere foto verschillend zijn en is achteraf corrigeren een stuk moeilijker.
Heb je licht van verschillende bronnen (TL-Gloeilampen-daglicht ) kies dan voor de meest dominante lichtbron voor de witbalans instelling van de camera. TL licht is het meest vervelende, indien niet echt nodig schakel de TL lampen uit, gebruik het licht dat door het venster naar binnen komt.
TL Lampen
Gebruiken we licht van TL lampen dan kan dit nogal eens voor onverwachte resultaten zorgen, daarom gaan we er iets dieper op in .
Het licht van TL lampen wordt verkregen door een elektrische ontlading in het argon of kripton gas in de TL lamp.
Hierdoor komen fotonen vrij die een (onzichtbaar) UV licht geven.
Botsen deze fotonen op de fluorescentielaag die is aangebracht op binnenkant van het glas van de lamp, dan veroorzaakt dit zichtbaar licht . Afhankelijk van de samenstelling van de fluorescentie laag kunnen we alle kleuren van de regenboog maken.
Voor verlichting gebruikt men wit licht , maar ook hier heb je ook de keuze uit een gans gamma warme (rode) tinten en koude (blauw -groene ) tinten. Willen we onze flitsen dezelfde kleur temperatuur geven als het TL licht, dan zouden we eigenlijk eerst de kleurtemp van de TL lamp moeten meten en het aangepast gel filter voor de flits monteren.
Een ander aspect is dat het licht niet constant is, de TL lamp wordt gevoed met 50Hz wisselstroom, hierdoor ontsteekt en dooft de lamp 100x per seconde. Onder invloed van de na-lichting van de fosforen wordt het flikkeren wat gedempt, maar toch ontstaat op een ritme van 100Hz een lichtvariatie door de TL lamp.
Onze ogen kunnen die flikkering niet volgen, maar fotograferen we met een korte sluitertijd dan zal de licht intensiteit afhangen van het moment van sluiteropening t.o.v. de 50Hz sinus spanning waarmee de lamp wordt gevoed. Door het meer of minder oplichten van de fosforen varieert ook de kleurtemperatuur in de periode van de 50Hz cyclus. Om een volledige licht cyclus te fotograferen zou de sluitertijd 1/50 sec of 20ms moeten zijn. Hebben we hoofdzakelijk te maken met TL verlichting, dan maken we beter zwart/ wit foto's
op lagere sluitersnelheden
Triggering van de flitsers
Invloed van de triggervertraging op de flitssynchronisatie
Onze flitsers staan niet op de camera, toch zullen ze op één of andere manier moeten weten wanneer ze moeten flitsen.
Er zijn verschillende manieren om een dergelijke communicatie verbinding tot stand te brengen.
Met een draadverbinding.
Op veel toestellen is een zogenaamd PC aansluiting aanwezig. Gedurende de tijd dat de sluiter open is wordt dit contact kortgesloten in de camera. Verbinden we dit contact met het PC contact op de flitser dan kunnen we de flitser, aangestuurd door de camera laten flitsen.
Is dit contact op de camera niet aanwezig dan kunnen we een speciaal flitschoentje in de hotshoe van de camera schuiven en hierop de PC kabel aansluiten.
Via Infrarood.
Nikon camera's en flitsers zijn uitgerust met een mogelijkheid de flitsers te laten flitsen via een IR communicatie.
Nadeel is dat de IR sensors van de flitsers
en camera elkaar moeten kunnen "zien". Je hebt dus minder flexibiliteit t.a.v. de opstelling van de flitsers. Ook de beperkte maximum afstand (tot max 10m) tussen flitser en camera is een nadeel. Voordeel is wel dat door de communicatie tussen flitser en camera de belichting automatisch perfect geregeld wordt, en vanaf de camera kan ingesteld worden. Ook supersnelle FP flitssynchronisatie is nu mogelijk.
De "off" camera flitser flitst mee met een andere(vb: pop-up) flitser
Voor deze oplossing laten we de pop-up flitser op de camera flitsen op laag vermogen, indien de "off camera" flitsers hiervoor zijn uitgerust (zgn. slave flitsers) kunnen we deze flitsers laten "meeflitsen"
op het ogenblik dat ze de flits van de pop-up flits zien. Zorg er wel voor dat de pop-up flitser geen voorflitsen geeft , anders gaan de slave flitsen te vroeg af, zonder effect voor de foto.(De camera moet manueel staan, ook de pop-up flitser anders zijn er voorflitsen). Als de flitser op het juiste moment werkt kun je kontroleren door de flitser te fotograferen, zie je de flits op de foto dan werkt de flitser goed.
Draadloze triggers
Bij gebruik van draadloze flitsers plaatsen we de trigger "zender" op de "hotshoe " van de camera
of maken we verbinding met het PC contact van de camera.
De trigger "ontvanger" sluiten we aan op de flitser. De meeste draadloze triggers zijn radiogestuurd , maar er bestaan ook infrarood triggers, beide hebben voor en nadelen. De RF triggers worden het meest gebruikt , ze kunnen ook de grootste afstand overbruggen (50-100m)
Het signaal van de RF triggers
is gecodeerd, zodat je meerdere zenders en ontvangers in elkaars omgeving kunt gebruiken, nadeel is wel het verifiëren van die codering in de ontvanger wat tijd vraagt (+/- 0.5ms), dit is weinig maar het kan voldoende zijn om een hogere stap in de flitssynchronisatie net niet te halen.
Een voorbeeld:
Fotograferen we met de flits "Off camera " met een draadloze trigger, dan komt de flits pas na 4,3ms door de supplementaire vertraging (0,5ms) van de trigger.
(delay= 3.8ms door de camera en +/- 0.5ms door de RF trigger.).
Door het feit dat we "vol vermogen "vragen wordt de flits niet gestopt, en gaat door tot de condensator ontladen is.
De flits zelf duurt in totaal, op vol (manueel 1/1) vermogen 7msec. ( t 0,5 tijd is 1ms)