Outdoor fotografie - basics
.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
   
 
 
 
 
 
 
 
   
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
.
 
 
 
 
 
 
 
 
   
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
.
 

 

Bij outdoor fotografie kunnen we bij gebrek aan netspanning , geen gebruik maken van gewone studio flitsers , daarom maken we gebruik van batterij gevoede studioflitsers of van camera-flitsers .
Voor professionele shoots maakts men soms gebruik van stroomgeneratoren om studioflitsers te voeden

Camera flitsers worden ook wel "speedlights" of "reportage flitsers "genoemd.
Speedlights waren in eerste instantie bedoeld om op de hotshoe van de camera te plaatsen, en in communicatie met de camera, de flitssterkte zo te regelen dat met een gekozen diafragma, sluiterssnelheid en ISO-waarde een perfecte belichting (TTL meeting) van de foto wordt verkregen.

Nadeel van "on-camera flitsen" is, naast het feit dat het model de volle flits in het aangezicht krijgt wat rode pupillen op de foto veroorzaakt, is ook dat de foto geen schaduwen vertoont waardoor het diepte effect in het beeld verdwenen is.
Een veelgebruikte term is dat de foto is "platgeflitst".
Nemen we de flitser van de camera, en flitsen we vanuit een hoek t.o.v. de camera , dan krijgen we door de ontstane schaduwen structuur in ons onderwerp, we krijgen als het ware een 3de dimensie in onze foto.

In tegenstelling met studioflitsen, waar het studiolicht volledig de belichting van de foto voor zijn rekening neemt, is voor de belichting van een foto bij outdoor fotografie ook het omgevingslicht belangrijk .
Nu is de vraag : Hoeveel van het omgevingslicht willen we gebruiken, en hoeveel invul-licht van de flitser?
Afhankelijk van de keuze krijgen we totaal andere beelden.

Mixen van flits en omgevingslicht

Flitsen we op locatie dan hebben we een mix van omgevingslicht en flitslicht.
De camera stel je best op "Manueel" op die manier heb je volledige controle over de balans omgevingslicht-flitslicht.

Diafragma keuze.

Met de diafragma keuze bepalen we hoeveel licht van de omgeving en de flitser onze sensor zal bereiken.
Maar met het diafragma bepalen we ook de scherptediepte.
In eerste instantie wil ik de diafragma keuze bepalen aan de hand van de gewenste scherptediepte.
Verder wil ik liever niet op de uiterste diafragma instellingen van de gebruikte lens instellen wegens toenemende onscherpte door lensfouten bij de uiterste diafragma waarden (onscherpte door sferische aberratie en lichtbreking op de diafragma lamellen)
Vragen die we ons moeten stellen:

* Wensen we enkel de ogen scherp?
* Het hele onderwerp scherp?
* Moet ook de achtergrond scherp op de foto?

 

De sluitersnelheid

De sluitersnelheid samen met het diafragma bepaald de hoeveelheid omgevingslicht dat op de sensor invalt.
Er zijn wel een paar beperkingen voor de sluitersnelheid.

* De max. sluitersnelheid wordt bepaald door de max.flitssynchronisatie snelheid, sneller kan niet, anders is de flitser nog niet klaar als het sluitergordijn reeds dicht gaat.
* De minimum sluitersnelheid (maximum sluitertijd) wordt begrensd door mogelijke bewegingsonscherpte onder invloed van het omgevingslicht.
Onder invloed van bewegingen van de camera (fotograaf) zal de met omgevingslicht belichte achtergrond en onderwerp onscherp worden. Een statief of camera met beeldstabilisatie kan hier uitkomst bieden.

Veel hangt af van de verhouding omgevingslicht-flitslicht waarmee we het onderwerp belichten.
Hoe minder invloed van het omgevingslicht op het onderwerp hoe minder kritisch langere sluitertijden zijn t.a.v. bewegingsonscherpte
Flitslicht duurt maar heel kort en bevriest als het ware het onderwerp.

De flitssterkte

De hoeveelheid flitslicht dat op de sensor terecht komt wordt bepaald door het diafragma van de lens en de sterkte van de flits.
Met het diafragma willen we de scherptediepte vastleggen, we hebben hier dus enkel nog de mogelijkheid om de flitssterkte op de flitser in te stellen.
Gebruiken we een reflectieparaplu, dan gaat reeds een groot gedeelte van het beschikbare licht verloren (grotere belichte oppervlakte,en reflectie verliezen).
Gelukkig hebben we gezien dat het zachtste licht bekomen wordt door de paraplu zo dicht mogelijk bij het onderwerp te plaatsen.
Minder flitslicht (maar ook harder licht) verkrijgen we door de flitser met paraplu verder van het model te plaatsen.
Indien mogelijk kiezen we er ook niet voor om op "vol vermogen " te flitsen omdat de flits dan veel langer duurt, dus kans op bewegingsonscherpte.

De ISO waarde

In eerste instantie willen we de ISO instelling zo laag mogelijk (100-200), dit geeft het grootste contrastbereik en de laagste ruis.
Halen we met de min. instelling van sluitersnelheid (omgevingslicht), of met de maximum instelling van de flitssterkte, te weinig licht binnen dan kunnen we de ISO instelling verhogen of een compromis sluiten door ook de diafragma opening te vergroten.

Flitsen bij lange sluitertijd

Bij de meeste camera's zijn de sluitertijden bij gebruik van flitsen beperkt.
Bij sommige camera -flitser combinaties is het mogelijk om de sluitertijd extra lang te maken en toch te flitsen. Op die manier is het mogelijk om bij opnames in het donker toch gebruik te maken van het weinige omgevingslicht
Met een Nikon D90 is het op die manier mogelijk om te flitsen met sluitersnelheden van 1/60 tot 30 sec.

Flitsen op eerste en 2de gordijn.

Bij "normaal" flitsen, ontsteekt de flitser onmiddellijk na het openen van de sluiter. Een flits duurt gemiddeld ongeveer 1ms (1/1000sec).
Flitsen we met een sluitertijd van 1/5sec dan is de sluiter gedurende 200ms open.
Fotograferen we een bewegend voorwerp dan zal onder invloed van het flitslicht een scherp beeld gevormd worden, maar terwijl het voorwerp verder beweegt wordt nu gedurende 199ms, onder invloed van het omgevingslicht een wazig beeld gevormd vóór het scherpe beeld in de richting van de beweging.
De foto geeft hierdoor de indruk dat het voorwerp achteruit beweegt.

Flitsen op het 2de gordijn

 

 

Als we flitsen op het 2de (of achterste) gordijn, komt de flits net vóór het moment dat de sluiter dicht gaat.
Onder invloed van het omgevingslicht vormt zich gedurende 199ms een wazig beeld, om op het laatste moment (gedurende 1ms) door de flitser scherp afgebeeld te worden. Hierdoor geeft de foto een juiste indruk van de beweging.
Bij het flitsen van bewegende onderwerpen gebruik je dus best de flitssynchronisatie op het 2de gordijn.
(zie ook : 1ste & 2de gordijn)

Kleurtemperatuur- omgevingslicht vs. flitslicht

Wanneer we beide: flitslicht en omgevingslicht voor een foto gebruiken is het belangrijk dat beide lichtbronnen dezelfde kleurtemperatuur hebben.

De kleur van het omgevingslicht kunnen we niet wijzigen dit van het flitslicht wel.

Het licht van TL lampen geeft een groene tint , het licht van gloeilampen een oranje tint.
We kunnen het licht van de flits in balans brengen door een groen of oranje gel filter voor de flits te plaatsen. (deze 2 gel filters worden standaard mee geleverd met bij de Nikon Flitsers SB800-SB900)

Als beide lichtbronnen dezelfde kleurtemp. hebben dan stel je nu de witbalans van de camera in op resp. TL of Gloeilamp verlichting.
Shoot je in RAW dan kan achteraf de kleurtemp nog eenvoudig gecorrigeerd worden. Stel de kleurbalans niet op automatisch want dan zou de kleurtemp. van iedere foto verschillend zijn en is achteraf corrigeren een stuk moeilijker.

Heb je licht van verschillende bronnen (TL-Gloeilampen-daglicht ) kies dan voor de meest dominante lichtbron voor de witbalans instelling van de camera. TL licht is het meest vervelende, indien niet echt nodig schakel de TL lampen uit, gebruik het licht dat door het venster naar binnen komt.

TL Lampen

Gebruiken we licht van TL lampen dan kan dit nogal eens voor onverwachte resultaten zorgen, daarom gaan we er iets dieper op in .

Het licht van TL lampen wordt verkregen door een elektrische ontlading in het argon of kripton gas in de TL lamp.
Hierdoor komen fotonen vrij die een (onzichtbaar) UV licht geven.
Botsen deze fotonen op de fluorescentielaag die is aangebracht op binnenkant van het glas van de lamp, dan veroorzaakt dit zichtbaar licht . Afhankelijk van de samenstelling van de fluorescentie laag kunnen we alle kleuren van de regenboog maken.
Voor verlichting gebruikt men wit licht , maar ook hier heb je ook de keuze uit een gans gamma warme (rode) tinten en koude (blauw -groene ) tinten. Willen we onze flitsen dezelfde kleur temperatuur geven als het TL licht, dan zouden we eigenlijk eerst de kleurtemp van de TL lamp moeten meten en het aangepast gel filter voor de flits monteren.

Een ander aspect is dat het licht niet constant is, de TL lamp wordt gevoed met 50Hz wisselstroom, hierdoor ontsteekt en dooft de lamp 100x per seconde. Onder invloed van de na-lichting van de fosforen wordt het flikkeren wat gedempt, maar toch ontstaat op een ritme van 100Hz een lichtvariatie door de TL lamp.


Onze ogen kunnen die flikkering niet volgen, maar fotograferen we met een korte sluitertijd dan zal de licht intensiteit afhangen van het moment van sluiteropening t.o.v. de 50Hz sinus spanning waarmee de lamp wordt gevoed. Door het meer of minder oplichten van de fosforen varieert ook de kleurtemperatuur in de periode van de 50Hz cyclus. Om een volledige licht cyclus te fotograferen zou de sluitertijd 1/50 sec of 20ms moeten zijn.
Hebben we hoofdzakelijk te maken met TL verlichting, dan maken we beter zwart/ wit foto's op lagere sluitersnelheden


Triggering van de flitsers

Invloed van de triggervertraging op de flitssynchronisatie

Onze flitsers staan niet op de camera, toch zullen ze op één of andere manier moeten weten wanneer ze moeten flitsen.
Er zijn verschillende manieren om een dergelijke communicatie verbinding tot stand te brengen.

Met een draadverbinding.
Op veel toestellen is een zogenaamd PC aansluiting aanwezig. Gedurende de tijd dat de sluiter open is wordt dit contact kortgesloten in de camera. Verbinden we dit contact met het PC contact op de flitser dan kunnen we de flitser, aangestuurd door de camera laten flitsen.
Is dit contact op de camera niet aanwezig dan kunnen we een speciaal flitschoentje in de hotshoe van de camera schuiven en hierop de PC kabel aansluiten.

Via Infrarood.
Nikon camera's en flitsers zijn uitgerust met een mogelijkheid de flitsers te laten flitsen via een IR communicatie.
Nadeel is dat de IR sensors van de flitsers en camera elkaar moeten kunnen "zien". Je hebt dus minder flexibiliteit t.a.v. de opstelling van de flitsers. Ook de beperkte maximum afstand (tot max 10m) tussen flitser en camera is een nadeel. Voordeel is wel dat door de communicatie tussen flitser en camera de belichting automatisch perfect geregeld wordt, en vanaf de camera kan ingesteld worden.

De "off" camera flitser flitst mee met een andere(vb: pop-up) flitser
Voor deze oplossing laten we de pop-up flitser op de camera flitsen op laag vermogen, indien de "off camera" flitsers hiervoor zijn uitgerust (zgn. slave flitsers) kunnen we deze flitsers laten "meeflitsen" op het ogenblik dat ze de flits van de pop-up flits zien. Zorg er wel voor dat de pop-up flitser geen voorflitsen geeft , anders gaan de slave flitsen te vroeg af, zonder effect voor de foto.(De camera moet manueel staan, ook de pop-up flitser anders zijn er voorflitsen).
Om te testen als de flitser op het juiste moment werkt kan je de flitser te fotograferen, zie je de flits op de foto dan werkt de flitser goed.

Draadloze triggers
Bij gebruik van draadloze flitsers plaatsen we de trigger "zender" op de "hotshoe " van de camera of maken we verbinding met het PC contact van de camera.
De trigger "ontvanger" sluiten we aan op de flitser. De meeste draadloze triggers zijn radiogestuurd , maar er bestaan ook infrarood triggers, beide hebben voor en nadelen. De RF triggers worden het meest gebruikt , ze kunnen ook de grootste afstand overbruggen (50-100m)

Het signaal van de RF triggers is gecodeerd, zodat je meerdere zenders en ontvangers in elkaars omgeving kunt gebruiken, nadeel is wel dat het verifiëren van die codering in de ontvanger wat tijd vraagt (+/- 0.5ms), dit is weinig maar het kan voldoende zijn om een hogere stap in de flitssynchronisatie net niet te halen, waardoor de onderkant van de foto minder belicht is.

TTL met draadloze triggers

De meeste draadloze triggers geven enkel de trigger voor het flitssignaal door. Er zijn echter ook triggers die alle communicatie signalen tussen flitser en camera kunnen doorsturen. De meest gekende is wel de "Pocket Wizard"
Met deze trigger kan je zowel TTL als manueel werken

 

 

 

 

© Beertje
Laatste versie: 11-12-2015

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

site stats