Het
principe
De kenmerken van een dier worden voorgesteld op een
gestandaardiseerde schaal die gelijkmatig onderverdeeld
is van 0 tot en met 50, met 25 als gemiddelde waarde.
Voor de volledige beschrijving van een dier werden 22
kenmerken weerhouden. Deze 22 kenmerken werden verdeeld
in 3 groepen. De eerste groep heeft betrekking op de
ontwikkeling (4 kenmerken), de tweede op de konformatie
en de bespiering (9 kenmerken) en de derde op de beschrijving
van het skelet en het beenwerk (9 kenmerken)
De procedure die gevolgd wordt bij het beoordelen van
een dier met het oog op een linearie klassificatie is
gelijkaardig aan deze die een jurylid volgt in de prijskampring.
Wat de schofthoogte betreft: deze wordt eerst gemeten
waarna het resultaat omgezet wordt in een linearie score:
de gemeten hoogte wordt vergelken met de gemiddelde
hoogtemaat van een dier op dezelde leeftijd. Het verschil
wordt vermenigvuldigd met 5/2 (2cm = 5 punten) en het
resultaat wordt bij 25 opgeteld. Minimale en maximale
waarden zijn respectievelijk 1 en 50.
De
partiële beoordelingscijfers
Deze heeft en samenvattend karakter. Er werden 5 partiele
beoordelingswaarden aangenomen. Ze hebben respektievelijk
betrekking op: de gestalte, de bespiering,
het vleestype, het beenwerk
en het algemene voorkomen.
De score voor de gestalte wordt bekomen door bij de
lineaire beoordeling voor de maat 50 bij te tellen.
De onderdelen van de beoordeling bespiering worden bepaald
uitgaande van de lineaire beoordelingsscores: schouder,
bovenhand, dijen (profiel en achteraanzicht). De verhouding
van deze kenmerken is respektievelijk 1,1,2,2. De totale
waarde wordt gedeeld door zes en vermeerderd met 50.
Sommige kenmerken zijn sterk gebonden aan de morfologie
van het vleestype: we denken dan aan
de borstbreedte, bekkenbreedte, ribwelving, kruisligging
en de staartinplanting. Gezien het ekonomisch belang
van de «breedtekenmerken», werd de onderlinge
verhouding vastgelegd op: 2,2,1,1,1. De totale bekomen
som wordt gedeeld door 7 en vermeerderd met 50 om de
gezochte waarde te bekomen.
Het beenwerk van het dier is vastgesteld
in de ruglijn, de voor- en achterbenen z.v.(zicht voor)
en z.a.(zicht achter) en de spronggewrichten. Een totaal
van 100 geeft korrekt beenwerk weer.Voor ieder kenmerk
berekent men eerst het verschil met 25(absolute waarde)
waarna deze «afwijkingen» worden samengeteld
en het totaal afgetrokken van 100.
Bovendien, in geval van afwijkingen, overkotingen voor
erachter, gebogen knie of souflette, worden strafpunten
aangepast. Zo wordt het beenwerkcijfer berekend.
Behalve de hierboven besproken partiële beoordelingen,
is er tevens een score algemeen voorkomen
die een aanduiding is van de harmonieuze bouw van een
dier.
Totaalscore
De eindbeoordeling omvat de 5 partiele
beoordelingsscores in volgende verhouding: 10,50,20,10,10.
De maximale waarde van de eindbeoordeling bedraagt 100.
De eindbeoordeling kan als volgt geïnterpreteerd
worden: van 75 tot 80: matig, van 80 tot 85:goed, en
van 85 tot 90: zeer goed, meer dan 90: uitstekend.
De
lineaire beoordeling op ons bedrijf
Gracieuse was de eerste
donorkoe die op ons bedrijf lineair beoordeeld werd.
Zij was een van de eerste koeien in Vlaanderen die een
beoordeling kreeg. Dat was in 1991. Sedertdien hebben
we onze fokdieren minstens één maal per
jaar laten lineair beoordelen. Dat levert een schat
aan informatie en cijfers op.
_____________________________________________________________
|