Acta Diurna
A
C
T
A

Mythologie

  Mythical Corner




 Auteur :
 Dr. Sophie Ramondt

Prometheus

Na de schepping van de aarde waren ook de kiemen van alles wat er verder in de Chaos verscholen had gelegen tot leven gewekt en wel eerst de planten, die weldra bergen en dalen met een weelde van kleuren bedekten. Daarvoor had Eros gezorgd, de jonge god van liefde en schoonheidsverlangen.
Daarna hielp hij ook de dieren geboren worden: de kruipende, de lopende, de vliegende, de zwemmende. Tal van soorten kwamen er, niet alleen op de aarde maar ook in de lucht en in zeeën, rivieren en meren. Iedere soort werd toegerust met bijzondere eigenschappen: kracht, snelheid of slimheid, of met een bepaald wapen, om zich staande te kunnen houden temidden van de andere dieren.

Maar er ontbrak nog een wezen dat over al deze diersoorten zou kunnen heersen. De schepping daarvan droeg Eros op aan de Titanenzoon Prometheus, de ‘Vooruitdenkende’, die in vindingrijkheid zijn weerga niet had - wat Zeus met enig wantrouwen tegen hem vervulde. Prometheus vormde nu de mens naar het evenbeeld der goden uit de leem der aarde, waarin nog de ruwe oerkrachten scholen. Rechtop liep dit schepsel, het enige dat omhoog naar de hemel en de sterren zou kunnen kijken. Eros blies er leven in en voorzag het van allerlei hoedanigheden die ook de dieren al bezaten.

Maar Pallas Athena, de inmiddels geboren dochter van Zeus die godin van de wijsheid was, schonk aan de mens de grote gave van het denkvermogen, van geestelijke kracht, waardoor hij zich van de dieren zou onderscheiden.

De eerste mensen leefden in grotten en holen en voedden zich met wat de aarde hen bood. Zij waren wel de meerderen van de dieren, maar toch kwam hun leefwijze vrijwel overeen. Toen begreep Prometheus dat hen nog iets ontbrak: het vuur. De goden bezaten het, maar Zeus was niet van zins het aan de mensen te geven, omdat het hen in het heelal te machtig zou maken. Hij wenste geen wezen dat de goden tezeer nabij zou komen. Prometheus had dus al zijn vindingrijkheid nodig om het vuur uit de godenwoonplaats te roven.
Pikkertje
Hij slaagde erin het merg van een dikke venkelstengel te doen ontgloeien en zo verborgen bracht hij een vonk van het hemelse vuur naar de mensen. Die bezaten de intelligentie om steeds meer manieren te vinden waarop ze die kostbare gave konden gebruiken - en helaas ook vaak misbruiken.

Natuurlijk bleef dat niet lang verborgen voor Zeus. Hij begreep ook wie het was die ondanks zijn verbod aan de mensen het vuur had gegeven. Vreeslijk was de straf waarmee hij Prometheus trof: hij werd diep in het Kaukasosgebergte aan een rots geklonken en iedere dag schoot een adelaar op hem neer om zijn lever uit te vreten, die iedere nacht weer aangroeide. Jarenlang leed hij zo onduldbare pijnen tot eindelijk de grote held Herakles, zoon van Zeus en een sterfelijke vrouw, hem zou komen verlossen.


Pandora

Maar zover was het nog lang niet. Niet alleen Prometheus werd gestraft, ook de mensen moesten boeten voor het geschenk dat zij hadden gekregen. Tot nu toe hadden zij nog in een paradijsachtige rust geleefd, zonder ziekte of verdriet, maar nu zou het met die heerlijkheid gedaan zijn. Want Zeus liet door de edelsmid der goden, Hephaistos, een mooi beeld maken dat spreken en zich bewegen kon als een mens. Toen schonken alle andere goden en godinnen hun gaven aan dit nieuwe wezen. En daarmee was de vrouw geschapen ! Zij heette Pandora, de “Albegiftigde”.

Zeus gaf haar een geheimzinnige doos en verbood haar er ooit in te kijken. Daarop zond hij haar naar de broer van Prometheus, die de veelzeggende naam Epimetheus droeg, de “Achternadenkende”. Prometheus had hem nog gewaarschuwd nooit een geschenk van Zeus te vertrouwen, maar natuurlijk dacht Epimetheus daar pas aan toen het te laat was.

Hij ontving verrast Pandora in zijn huis en was al gauw even nieuwsgierig als zij om te weten wat er wel in die doos zou zitten. Samen lichtten ze het deksel op en tot hun dodelijke schrik vloog er meteen een zwerm afschuwelijke wezens uit. Zeus had namelijk in die doos alle ziekten, rampen en misdaden opgesloten, waarvan de mensen tot dat ogenblik vrij waren geweest. Het hielp niets dat Epimetheus en Pandora onmiddelijk weer het deksel toeklapten: de gevleugelde ondieren hadden zich al over de aarde verspreid. Eén wezen bleef nog juist in de doos achter: de Hoop.

En wanneer nu een mens in verdriet en ellende leeft, rest hem toch altijd nog de hoop dat het weer anders zal worden...