Acta Diurna
A
C
T
A

Boeken

  



VerhalenBoeken


Priapea

Vertaald en toegelicht door Harm-Jan van Dam, Amsterdam, 1994

Ernst van Altena, Jij goudgepunte lans

Hilversum, 1982

Eén. Eén woordspel permitteer ik me: dit wordt een (h)eikel onderwerp. Want kun je de priapee wel een dood genre noemen? Ja, als je het met Van Dale omschrijft als "een gedicht tere ere van Priapus" of - integendeel - als een "obsceen schertsgedicht waarin de figuur van de Klein-Aziatische-Griekse vruchtbaarheidsgod Priapus de hoofdrol speelt", zoals Cees Buddingh' in zijn Lexicon der poëzie. Nee, als je met Van Gorps Lexicon van literaire termen de zaak verruimt tot "erotische dichtvorm die zijn naam dankt aan Priapus... concentreert zich hoofdzakelijk op de fysieke kant van de menselijke seksualiteit". Over die laatste letteren hoef ik het verder niet te hebben wegens alive and kicking.

"Een gedicht ter ere van Priapus". Tja. Buddingh' heeft gelijk: in de Romeinse literatuur was de priapee een epigramachtig light verse. Hoofdfiguur is Priapus, bewaker van tuinen en boomgaarden en dus van de vruchtbaarheid. De toon is minstens dubbelzinnig en ironisch, maar ook grof spottend. Priapus wordt voorgesteld als geile tuingod die geen blijf weet met zijn potentie. Zoals Jupiter met zijn bliksem zwaait, zo dreigt Priapus zijn flinke fallus in ongeveer elke opening te proppen. (In een paar 'omgekeerde priapea' wordt er gerouwd om de 'gestorven' jongeheer.) Catullus schreef enkele priapea, Martialis ook, en lange tijd werd de belangrijkste verzameling, een lichtelijk monomane collectie van zo'n tachtig gedichten uit de eerste eeuw, onterecht op naam van de brave Vergilius gezet. De name dropping hielp om ze te bewaren.

En om anderhalf millennium later humanistische en andere dichters hun verzen over de Big Dick God te laten schrijven, in het spoor van die herontdekte Latijnse verzameling. Niet toevallig zijn ook Nederlandse priapisten dikwijls vertalers-bewerkers van antieke literatuur. We kennen nogal wat priapea uit de vijftiende, zestiende en zeventiende eeuw, vooral in Romaanse contreien. Daar worden naar verluidt bij het vloeken de geslachtsdelen graag te hulp geroepen, wij doen het hier eerder met God en de zijnen. Deze poëzie werd dikwijls niet of in obscure bibliofiele publicaties uitgegeven en - al even relevant - anoniem, onder pseudoniem of met slechts de initialen van de stoute auteur. In een volop christelijk-burgerlijke ethiek was het beoefenen van obscene en pornografische genres nog een verzetsdaad.

Zonder het antieke decor wordt het begrip priapee verruimd tot erotisch-pornografische lul-en-kutpoëzie en zijn we ver van Priapus zelf. Het gebruik van zijn naam in titels en teksten klinkt dan weleens halfzacht tot onnozel: Priaap ontknoopt, een tuiltje Nederlandse priapeeën, zo heet een bloemlezing obscene gedichten uit 1984. Priaap ontknoopt, een tuiltje priapeeën, hoe verzinnen ze het. De beuk erin! En tot voor kort was een pseudoniem nog geraadzaam: ene W.C. Kloot van Neukema schreef een aantal sappige obscene bundels. Zijn echte naam: E. du Perron. Elders is Priapus' knots verwaterd tot het brave piemeltje van Manneken Pis of een lullig amuletje, en verwerd de potente macho-cipier tot een domweg lachende tuinkabouter. De Priapussen van onze tijd doen hun ding in de boekskes, de films en op het net.

(auteur: Patrick De Rynck, De Morgen 30/04/03)