Acta Diurna
A
C
T
A

Boeken

  



VerhalenBoeken


Waarheid uit een dierenmond

Phaedrus, Fabels, uit het Latijn vertaald en toegelicht door John Nagelkerken
Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam, 196 p., 1.259 frank.

Héél lang geleden, toen de marxistisch geïnspireerde literatuurbestudeerders nog spraken, hoorde je soms beweren dat de versfabels van de Griekse Romein Phaedrus uit de eerste helft van de eerste eeuw eigenlijk verhulde oproepen waren tot de toenmalige verdrukten der aarde om op te staan tegen hun verdrukkers. De fabel als wapen in de klassenstrijd van toen.

Wie Phaedrus op die manier wil lezen, heeft een pootje om op te staan: in een van zijn poëticale inleidingen zegt de fabeldichter dat de slaven (lees: zijn halflegendarische Griekse voorganger Aesopus) dit soort verzonnen 'grapjes' hebben uitgevonden omdat ze niet vrijuit durfden te spreken en toch hun waarheid wilden zeggen. De fabel als ventiel. Dat klopt, maar veel meer is het ook niet, want als er door Phaedrus' meer dan honderd bewaarde fabels één rode draad loopt, dan is het de boodschap dat je je toch maar beter neerlegt bij de gegeven omstandigheden. Een ideologie van het conformisme dus.

Phaedrus heeft de fabel als literair genre gecreëerd. Dat klinkt bizar voor een tekstsoort die al een geschiedenis van eeuwen achter de rug had, niet alleen in Athene en Rome trouwens. Blijkbaar zijn korte vertellingen met dieren in de hoofdrol - en vaak met een levenswijsheid aan het begin of het einde - een 'universeel' verschijnsel, ongeveer zoals het animisme dat zulke teksten mogelijk maakt. Er bestonden dus fabels en fabelboeken, maar die maakten geen aanspraak op literaire Salonfähigkeit: ze waren gewoon bruikbaar materiaal. Phaedrus heeft er veel uit geput (hoewel we ook heel wat fabels alleen dankzij hem kennen). In het zog van de groten uit de tijd van Augustus die net voor hem leefden, maakte hij van wat al in proza bestond gedichten, varieerde hij op bestaande thema's en componeerde hij zijn bundels.

Van dat laatste krijgen wij, moderne lezers, alleen nog maar een idee: geen enkele bundel is volledig bewaard. Eigenlijk lezen we nu een bekorte editie van Phaedrus' werk. Dat heeft misschien te maken met zijn gebrek aan succes. De fabel als genre bleef uiteraard wel populair: zo is de Middelnederlandse Esopet vooral gebaseerd op de populaire zogenaamde Romulus, en dat was op zijn beurt een Latijnse prozabewerking van fabels van Phaedrus. Maar pas tijdens het humanisme begint Phaedrus zelf weer naam te maken.

'Ik schets het leven zelf, het menselijk gedrag', 'Bedenk dat het om luchtige verzinsels gaat' en 'Behalve een lach schenkt mijn boekje u tevens wijze raad voor alledag': dat is ongeveer Phaedrus' poëtica. Natuurlijk zit er een satirisch-kritisch engagement in veel fabels, die daardoor soms dicht in de buurt van epigrammen en de eigenlijke satire komen. En vaak is dat een veroordeling van de rijken en hun gedrag, maar dan altijd wel op een bedekte manier. We bevinden ons aan het begin van het Romeinse keizersregime en de angst om oppositie te voeren wordt voelbaar. Is het toeval dat er na Ovidius' zwanenzang uit Tomi een paar decennia literaire stilte heerst in Rome? En dat ook Phaedrus misschien verbannen is geweest?

De oren van de machthebbers waren gespitst op kritiek. Phaedrus, een vrijgelaten hofslaaf van Augustus, beweert dat zelf ook te hebben ondervonden, toen de commandant van de keizerlijke wacht zich door hem aangevallen waande. Het dierenmasker waarachter de fabeldichter sprak bleek geen afdoende bescherming te bieden.

In veel van Phaedrus' fabels treden niet alleen (of helemaal geen) dieren op. Hij verontschuldigt zich in zijn opener dat hij bomen aan het woord laat en voert ook mensen op in zijn illustraties van 'algemene waarheden'. De bekendste daarvan is het erotisch getinte 'De weduwe en de soldaat'. Daarin wordt een vrouw die in de grafkamer van haar man trouw bij zijn lijk blijft waken, verleid door een soldaat. Die bewaakt in de buurt gekruisigde misdadigers. Een van de gekruisigden wordt ontvreemd terwijl de twee met elkaar doende zijn. Het nieuwe stel hangt dan maar het lijk van de overleden echtgenoot in zijn plaats aan het kruis. De boodschap, misogyn en geheel incorrect, luidt: 'Wellust en grilligheid beheersen elke vrouw.'

Voor verfrissende antieke volkswijsheden hoeft u deze kleinkunst dus niet in huis te halen. Maar misschien wel om oude bekenden nog eens te herlezen (de eenvoudige, leerzame en opvoedende fabel was lang ideale schoollectuur): de vos en de raaf, de wolf en het lam, de kikker die zichzelf opblies, et cetera. Ja, La Fontaine kende zijn Phaedrus. En wie wil weten waar 'leeuwendeel', 'met andermans veren pronken', 'de druiven zijn zuur' en 'de berg heeft een muis gebaard' vandaan komen, zal met vrucht door deze Phaedrus bladeren, geslaagd vertaald (niet bewerkt) door John Nagelkerken, die terecht koos voor een volgehouden en luchtig eindrijm.

(auteur: Patrick De Rynck, De Morgen 04/03/99)