Acta Diurna
A
C
T
A


Boeken

  De Morgen, 23/11/05
Patrick De Rycnk



VerhalenBoeken

Van goden en andere hemeldragers

Recensie door Patrick De Rynck


Zijn de oude mythen aan een renaissance toe? Als het van de Schotse uitgever Jamie Byng afhangt, wel. Onlangs verschenen, tegelijk in een kleine dertig talen, de eerste deeltjes van zijn nieuwe megaproject. Byng is van plan in zijn reeks topauteurs uit de hele wereld samen te brengen, met de opdracht: hervertel een zelfgekozen oude mythe in zowat 150 pagina’s. De primeurs zijn van de hand van Margaret Atwood en Jeanette Winterson. Karen Armstrong schreef een inleiding tot de reeks. Niet de minsten dus. Wat levert dat voorlopig op? Patrick De Rynck, zelf mythomaan, zoekt een antwoord. En dat is gemengd. Ik moet eerst even grote kuis houden. Het woord ‘mythe’ is een passe-partout geworden voor alles wat verzonnen is, niet op feiten gebaseerd, vertelsels. Mythen zijn leugens, fabels. Die degradatie is niet van vandaag. Ze doet zich overal voor waar de logo, het logische en op feiten gebaseerde denken en redeneren, diametraal tegenover de mythoskomt te staan en het hoge woord voert. Plato is daar in ons Westen mee begonnen, maar de scheiding heeft zich in de Verlichting pas goed voltrokken. Er laat tegenwoordig ook weer een andere mensensoort van zich horen die wij, Verlichten, te optimistisch als uitgestorven beschouwden: degenen die de mythe juist als logos lezen en voor wie de wereld dus in zes dagen en zo’n 8000 jaar geleden is geschapen, en wel door een intelligente ontwerper. En die intelligente designer, dat klinkt meer catchy dan ‘God’, gaat in één moeite door met zijn typische gedragingen, zoals daar zijn: mensen bestraffen die een zondig leven leiden, bijvoorbeeld door een stuk of wat zondvloeden op hen af te sturen. Karen Armstrong: “Zodra je het boek Genesiswetenschappelijke waarde toekent, heb je slechte wetenschap en slechte religie.” Over mythen in deze betekenissen hoef ik het hier gelukkig niet te hebben. Te dom om dood te doen, zeggen ze in mijn genadeloze moedertaaltje.

Mijn mythen zijn verhalen. Aan de hand van personages met een smoel vertellen ze over herkenbare angsten, verlangens, twijfels, vragen, gebeurtenissen, ervaringen. Mythische figuren kunnen meer dan levensgroot tot zelfs goddelijk zijn, maar hun verhalen zijn des mensen. Een beetje mythe laat zich ook altijd opnieuw interpreteren. Behalve als rechttoe rechtaan verhaal kun je ze namelijk ook lezen als symbolen en metaforen. Sisyfos is in de antieke mythe een schurk die op en onder aarde liegt en bedriegt, en daarvoor door hogere krachten wordt gestraft. Dat was ooit een herkenbaar verhaal, maar het wereldbeeld erachter is ons vreemd geworden. Maar Sisyfos is ook een mens die die hogere krachten, waaronder de Dood, te slim af is. En dat is dan weer een tijdloos verlangen. De logos zegt dat de vervulling ervan redelijk ondenkbaar is, maar de mythe laat zich daar niet veel van aan gelegen liggen. En sinds Albert Camus staat Sisyfos symbool voor de condition humaine: altijd weer opnieuw die steen de berg op rollen, nooit eens het gevoel hebben dat je klaar bent met het leven. Dat je op je bergtop op die ellendige steen kunt gaan zitten uitblazen om te zien dat het goed was. Sisyfos kent geen geestelijk (brug)pensioen. In die existentiële interpretatie is Sisyfos de lievelingsmythe van pakweg een hoofdredacteur van een onafhankelijk dagblad. En zo blijven we zijn mythe opnieuw lezen, hervertellen, aanpassen aan de tijd en doorgeven aan de volgende generatie. Dat proces is, voorzover wij nog weten, in het Westen begonnen met de Griekse toneelschrijvers en het is eigenlijk nooit meer opgehouden. Alleen werd het een tijdlang geboycot door eengodsgelovigen. Tussentijds besluit: mythen kunnen tegelijk vreemd, tijdloos en herkenbaar eigentijds zijn.

“Ik wil het verhaal opnieuw vertellen”, is een leidmotief in het boekje van Jeanette Winterson. Dat is de spijker op de kop: de verhalen opnieuw en nieuw willen vertellen. Je kunt mythen te allen tijde reanimeren en er levend erfgoed van maken, een begrip dat tegenwoordig ook al eens slaat op oude hoenderen runderrassen, maar passons. En omdat de kern van het menselijk bestaan nogal hardnekkig onveranderlijk is, zijn de motieven van de mythen precies tijdloos. Mythen zijn altijd waar en nooit gelogen. We worden geboren zonder dat het ons is gevraagd en we sterven idem dito, we hebben onvermijdelijk een vader en een moeder, we leven noodzakelijk samen, we hebben altijd weer lief en we slaan mekaar steevast de kop in, we worden bedreigd door zichtbare en onzichtbare machten en krachten, het leven heeft zijn specifieke fasen etc. Behalve in de literatuur vind je mythische thema’s daarom ook volop in de beeldende kunsten, de muziek en de cinema als droomfabriek, in strips, folklore en games, en in formats van nog veel andere tv-programma's dan De XII werken. Is Expeditie Robinson iets anders dan een sterk vervuilde versie van het klassieke verhaal over de held die een verre reis maakt, beproefd wordt en uit deze ervaring als een ander mens terugkeert? “Mijn leven zal nooit meer hetzelfde zijn, Lotte.”

Mythische verhalen kunnen, zoals alle verhalen, grappig zijn, diepzinnig, schokkend, onbegrijpelijk, van de pot gerukt. Zo beland ik bij de inleiding tot de prestigieuze mythereeks, het boekje Mythen. Een beknopte geschiedenis van Karen Armstrong, de auteur van onder meer De grote transformatieen Een geschiedenis van God. Hier schetst Armstrong de geschiedenis van de mythen, van de neanderthalers tot in onze volgens haar mytheonvriendelijke tijden. Ze doet dat in het zog van theoreticus Mircea Eliade, blijft netjes binnen het voorgeschreven volume en gaat dan ook onvermijdelijk erg kort door een aantal bochten. In die zin is zij het (eerste?) slachtoffer van de format. Om maar iets te noemen: terwijl huidige kenners van de neanderthalers heel voorzichtig zijn met uitspraken over het geestesleven van deze mensen, weet Armstrong met stelligheid dat zij de eerste vertellers van mythen zijn, om zich met hun sterfelijkheid te verzoenen. Die ongepaste zekerheid lijkt bedoeld om een mooi rechtlijnig verhaal te kunnen vertellen: van de jagende over de land- en later ook stedenbouwende mens naar wat Armstrong noemt ‘de Spiltijd', heeft elke periode zijn eigen vormen voor de mythen. Ik vind dat een mythologisering van de mythen. Dan kan ik u het even beknopte maar veel minder benepen Myth. A Short Introduction van Robert A. Segal aanbevelen.
Karen Armstrong is in deze reeks een geval van miscasting. Wat ze schrijft, schept overspannen verwachtingen voor de reeks boekjes. De mythen zijn onterecht uit ons westerse leven gebannen, zo lees je, er is te veel reality en te weinig verbeelding. Te veel soap-sukkels en te weinig helden. Dat is een verlies waar wij (opvallend, dat prekerige ‘wij') voor moeten boeten. Kunstenaars, de priesters en zieners van onze tijd, moeten daar maar eens verandering in brengen. Hun verhalen moeten ons transformeren, metamorfoseren. Zij moeten opnieuw ingrijpen in ons leven en via de mythen weer waarden aanbrengen, ze moeten ons “het gevoel geven dat het leven waarde heeft, ondanks alle chaotische bewijzen van het tegendeel”. De mythe als psychotherapie voor onze godvergeten tijd, de mythe als ritueel, de mythe als medicijn, de mytheverteller als medicijnman. Uitgever Jamie Byng had beter iemand als – nee, geen chauvinisme – Paul Claes kunnen vragen. Dan kreeg je een passend verhaal over mythen die knetteren in de letteren – daar gaat het in deze reeks toch over? – geen wollige praat over mythen en neanderthalers, of jammerklachten over mythe- en ritevergeten tijden.

Armstrongs sombere, eenzijdige en overtrokken apologie van de mythe is in deze context even misplaatst als overtrokken. En Jeanette Winterson doet daar in de inleiding tot haar boekje ook even aan mee: vreemd voor een succesvolle schrijfster die zelf graag oude verhalen bewerkt. In de literatuur zijn mythen nog even onophoudelijk aan het feest als ‘vroeger'. Je merkt het in een afgeleide en verhevigde vorm op het toneel, waar de opvoeringen gebaseerd op oude mythen niet bij te houden zijn. Wat de letteren betreft, is Byngs reeks daar een zoveelste bewijs van. Zijn wereldwijde project hoeft dus de mythen niet te redden van de ondergang of de vergetelheid, daar is volstrekt geen nood aan. Het gaat in de letteren uitstekend met de mythen, dank u, en er zijn geen tekenen dat dat zal veranderen. Wel integendeel, mythen blijven een geliefd stuk speelgoed van schrijvers, die er allemaal op hun eigen manier mee aan het assembleren, construeren en jongleren zijn. In die zin is dit geen opzienbarend vernieuwend project, maar een bevestiging, een symptoom. (Wat niet wil zeggen dat het commercieel misschien goed bekeken is, dat je als uitgever veel bombarie moet maken als je zoiets lanceert, dat je moet zeggen dat jouw reeks mensen zal doen begrijpen wat het is om mens te zijn, en dat menig uitgever zich deze dagen misschien voor de kop slaat: waarom had ík dat poepsimpele idee niet?) Een bescheiden twintigste-eeuwse namedropping van mytheliefhebbers, met een oververtegenwoordiging van Nederlandstaligen en met alleen maar westerlingen: A.F.Th., Borges, Calasso, Calvino, Claus, Cocteau, Eliot, Hughes, Joyce, Lanoye, Mulisch, O'Neill, Pound, Ransmayr, Rushdie, Sartre, Verhelst, Vestdijk, Wolf... Und kein Ende. In de jeugdliteratuur zijn mythische creaturen en avonturen als vanouds nog alomtegenwoordiger, zoals deze dagen weer volop blijkt.

Een mooi bewijs dat Armstrong, die los van de dwangbuis-format en het verkeerde product placement ook best boeiende dingen te vertellen heeft, een beetje al te heldhaftig molenwiekt, zijn de eerste twee volumes van de reeks: Winterson bewerkt op eigen wijze de op het eerste gezicht weinig opvallende mythe van hemeldrager Atlas die super-Mario Herakles ontmoet en Atwood corrigeert op een even eigenzinnige manier de beeldvorming rond Penelope en Odysseus. Dit zijn twee schrijvers die hun hoogstpersoonlijke ding doen met een oud verhaal, al gebruiken ze alle twee heel veel narratieve elementen van het ‘oorspronkelijke' verhaal. Ik zou niet weten wat we anders van deze reeks mogen verwachten. Atwood en Winterson hebben mij met hun mythen niet getransformeerd. Ze hebben mij wél een stuk of wat genoeglijke uurtjes bezorgd. (Niet al te veel, een voetbal- en Laatste Show-loze avond volstaat om de 25.000 tot 30.000 woorden van zo'n boekje tot je te nemen.) Meer moet dat niet zijn.

Ik heb met plezier kennisgenomen van waar het in deze reeks onvermijdelijk om zal gaan en waar het in de literatuur altijd al om ging: wat heeft schrijver x met het oude verhaal gedaan? Wat is gebleven, veranderd, toegevoegd, weggelaten, van gezichtspunt veranderd? En hoe komt dat? Het is daarbij des te bevorderlijker voor het plezier van het lezen dat je als lezer het oude verhaal een beetje kent, maar dat ligt binnen het bereik van iedereen die een encyclopedie of het internet in huis heeft en er een kwartiertje voor wil gaan zitten. Niks geen intellectualisme, gewoon even een minimale kennisname van de feiten. Andere leuke bijvragen voor de reeks The Mythszijn: waarom hebben auteurs voor een bepaald verhaal of een figuur gekozen? Welke bronnen hebben ze geconsulteerd? Hoe grondig hebben ze zich al dan niet ingewerkt? Wie zijn in de kunst hun voorgangers en collega's bij het bewerken van deze of gene mythe? Welke rol speelt de mythe in hun hele oeuvre? Etc.
Margaret Atwood keert een canonieke mythe binnenstebuiten. De “slaapverwekkend trouwe” Penelope spreekt ons toe vanuit de Onderwereld en vertelt haar leven. Die invalshoek is een trouvaille die we al uit de antieke literatuur zelf kennen. Atwood maakt van haar boekje als het ware een alternatieve kleine Ulysses, De Grote Voorganger die her en der ook in kleine knipoogallusies om de hoek loert. Ze mengt in haar anti-Odyssee een aantal genres door elkaar, zoals stamvader der (post)moderne mythebewerkers Joyce haar voordeed. Er zijn namelijk nog andere sprekers dan Penelope: de twaalf meisjes die Odysseus liet executeren bij zijn thuiskomst omdat ze volgens hem te gewillig waren geweest voor de vrijers in zijn paleis. Deze vermoorde onschuldigen brengen musicalachtige liedjes tussen de hoofdstukken door, een beetje zoals koorzangen in een oude tragedie. Er is een verslag van een rechtszitting en we moeten zelfs door een heus antropologisch hoofdstukje, jammer genoeg. Daarin graaft Atwood een abstruse theorie op over Penelope die ze bij de aloude Robert Graves (The Greek Myths)vond. Graves was niet wars van enig antropologisch-religieus geneuzel zonder veel grond. Maar deze weinige bladzijden kunt u probleemloos overslaan.
‘Penelope Atwood' kijkt met een hedendaagse blik naar de Oud- Griekse wereld van de antieke Penelope. En die zit vol jonge meisjes die worden uitgehuwelijkt, sportwedstrijden om de hand van meisjes te winnen, bruidsschatten, slaven en slavinnen, gesluierde vrouwen, vrouwen die opgesloten leven in vrouwenvertrekken etc. Maar deze Penelope wordt ook op geheel eigentijdse wijze geconfronteerd met haar norse en eigenzinnige puberzoon Telemachos, het babe-gedrag van haar bloedmooie nicht Helena en onze wereld met zijn onnozele gedragingen. Ze vertelt het allemaal op een pseudo naïeve, bijna sitcom-achtige manier. Atwood werkt met de ‘feiten' die we uit de oudheid kennen, in de eerste plaats van Homeros, maar ze zet die naar haar hand, want: “Het verhaal zoals dat in de Odyssee wordt verteld, houdt geen steek: het bevat te veel ongerijmdheden.” Eén blik in enkele recente Homeros-studies zal leren dat dit niet meteen een wereldschokkende ontdekking is. Over de wat saaie Penelope deden al in de oudheid de wildste verhalen de ronde. Maar Atwoods aanpak werkt: haar dode Penelope lééft en de kleine en grote verrassingen die een gevolg zijn van het Penelope-gezichtspunt, zijn talrijk. Ik bespaar ze u, ter bevordering van het leesplezier. Eén tip: sla er eerst nog even uw Odyssee op na, het zal dat leesplezier ten goede komen.

Jeanette Winterson heeft er al vaker blijk van gegeven dat ze graag oude verhalen bewerkt om er haar beeldrijke schrijverij op los te laten. Het is hier niet anders. Ze speelt een fantasierijk spelletje met een marginale Griekse mythe die weinig om het lijf lijkt te hebben. Hoofdfiguur 1 is Atlas, de oude Titaan die de kosmos torst en die nu eens echt niets meemaakt, om begrijpelijke redenen. Atlas is immobiel en kan dus niets anders doen dan nadenken en verlangen. Hij hoort letterlijk alles wat op de wereld gebeurt, maar hij staat buiten die wereld. Voor zijn elfde werk belandt Herakles bij Atlas, zijn antipode. Herakles is de anabolenrijke maar hersenarme en hyperactieve held. In de confrontatie met Atlas gaat hij nadenken, voor het eerst in zijn leven. De gesprekken leiden tot bespiegelingen over zware thema's als grenzen, verlangen, het lot en voorbestemdheid... Maar het mag niet baten: Atlas overleeft Herakles en de reus maakt aan het eind zelfs kennis met het Spoetnik-hondje Laika dat in 1957 de ruimte is ingeschoten..., een erg bevreemdende en poëtische ontmoeting van micro en macro. Winterson kon niet anders dan de magere Atlas-mythe oppompen. Het is de vraag of dat is gelukt. Ze introduceert autobiografische elementen – Winterson heeft een atlascomplex, zo vernemen we, een geval van mythische zelfvergroting? – maar dat pakt niet echt. Ze is voor mij op haar best als ze doet wat je met kleerkasten als Atlas en Herakles bijna moet gaan doen: er minstens een béétje om lachen, ze deconstrueren, uit elkaar halen. Dat leidt tot parodiërende, grappige dialogen, ‘mock-epic', zoals dat in het Engels heet. Hilarisch is het moment waarop Herakles Atlas vraagt om de wereld van hem weer over te nemen, zogezegd voor even maar, omdat “de verrekte bergen van Zwitserland in zijn nek prikken”. In die sprankelende momenten is dit boek op zijn best.

Als het plan van Byng en van de uitgevers die mee in zijn mytheboot stappen, slaagt, zullen we in 2038 over honderd verse hervertelde mythen beschikken, verteld door evenveel hedendaagse auteurs uit alle werelddelen. Die universaliteit past prachtig bij het universele karakter van veel mythen, dat is een absolute meerwaarde van dit project. Er zullen nieuwe interpretaties en onverwachte invalshoeken bij zitten, aangrijpende verhalen en leuke tussendoortjes, voorspelbare haastklussen en verrassende combinaties. Ik hoop ook dat we verhalen uit andere mythologieën te lezen zullen krijgen dan de bijbelse of Griekse waarmee de reeks opent. De honderdkoppige serie zal een flinke golf zijn in een mer à boire van boeken waarin oude mythen een rol spelen. En die zee zal maar blijven uitdeinen, wat mij betreft tot de zonnegod Helios besluit om voorgoed het licht uit te doen en Eos, de godin van de dageraad, dan maar voor eeuwig in bed blijft liggen, met rozenvingers en al.

 

KAREN ARMSTRONG Mythen. Een beknopte geschiedenis

Oorspronkelijke titel: A Short History of Myth Vertaald door Liesbeth Teixeira de Mattos De Bezige Bij, Amsterdam, 128 p., 14,90 euro.

MARGARET ATWOOD Penelope. De mythe van de vrouw van Odysseus

Oorspronkelijke titel: The Penelopiad: The Myth of Penelope and Odysseus Vertaald door Tjadine Stheeman De Bezige Bij, Amsterdam, 159 p., 14,90 euro.

JEANETTE WINTERSON Zwaarte. De mythe van Atlas en Herakles

Oorspronkelijke titel: The Myth of Atlas and Heracles Vertaald door Maarten Polman De Bezige Bij, Amsterdam, 156 p., 14,90 euro.