Het Belgisch leger
Start Omhoog tweede slag om Ieper slag om Mesen derde slag bij Ieper lenteoffensief eindoffensief Hooge Hill 60 Sint Elooi bovengrondse oorlog ondergrondse oorlog

educatieve site over de eerste wereldoorlog aan de Ieperboog ( en de IJzer )

Van Maas tot aan de IJzer (augustus tot oktober 1914):

Toen in augustus 1914 de oorlog uitbrak was het Belgisch leger hoegenaamd niet berekend op zijn taak. De Belgische  regering had, wilde men  dat daar enig afschrikkingeffect vanuit ging, te weinig en of te laattijdig in het leger geÔnvesteerd,. Op dat moment was BelgiŽ nochtans de vijfde industriŽle macht ter wereld en de vierde handelsnatie: er kon dus meer besteed worden.
Men had dan ook beter meteen de consequentie uit de lamentabele landsverdediging moeten trekken en desgevallend na wat symbolische weerstand of bijvoorbeeld na de val van de forten van Luik de overgave van het leger moeten aanbieden. Er werd geopteerd zich terug te trekken achter de forten van Antwerpen en de gebeurtenissen  af te wachten afgezien van een weinig overtuigende uitvalspoging. Intussen hadden de Duitsers, met de gebruikelijke arrogantie en wreedaardigheid van een geÔrriteerde, dominante macht al veel dood en ellende veroorzaakt bij de burgerbevolking en bij de ongetwijfeld moedige maar slecht getrainde, slechtbewapende en veelal tuchtloze soldaten. Bovendien was er nauwelijks een opgeleid en sterk onderbemand officierenkader en de legerleiding was een vergrijsd clubje.
Toen met de slag van de Marne de krijgskansen enigszins begonnen te keren en een Duitse overwinning minder vanzelfsprekend werd, liet het Belgisch leger zich andermaal verleiden tot uitvallen vanuit Antwerpen op de dichtbij gelegen, kwetsbare bevoorradingslijnen van de Duitsers. Deze reageerden voorspelbaar en schoten de forten ťn het Belgisch leger aan flarden. Met de nonchalance eigen aan een zich superieur voelende macht lieten ze grote delen van het Belgisch leger ontsnappen naar West-Vlaanderen. Aan de IJzer werd het Belgisch leger verder meegezogen in een stroom van wederzijdse uitputting en vernietiging die vier jaar duurde en zoveel ellende veroorzaakte dat het geen enkel doel nog verrechtvaardigde. De uiteindelijke afloop creŽerde een wereldordening die nog veel ergere dingen zou te weeg brengen en waarvan de gevolgen aanhielden tot aan de val van de Berlijnse muur...   

  Men moest echt geen militair strateeg zijn  om te voorzien dat BelgiŽ omwille van zijn ligging, wellicht niet buiten een Frans-Duits confict zou kunnen blijven. Eigenlijk kon maar voor twee, grondig van elkaar verschillende "stategieŽn" gekozen worden. Of men opteerde voor wat later het Zwitsers model zal genoemd worden: door er een goed uitgebouwde legermacht op na te houden, dat als afschrikingsmacht fungeerde en bij de Duitsers, maar ook bij de Fransen tot een diepgaande kosten-baten-analyse zou leiden, alvorens het Belgisch grondgebied te schenden. Belgie had genoeg industrieel potentieel om dat te kunnen op  brengen en had het met dezelfde quota mannen onder de wapens geroepen als de twee grote buurlanden, dan beschikte het over een leger van bijna een half miljoen mannen die goed  uitgerust kon worden. Het feit dat dit niet gebeurde of althans niet afdoende, leverde bij het sterk militaristisch denkende Duitsland alleen maar minachting op. 

Of men koos voor een strikt a-militaire houding en legden de Beigische politici het lot van BelgiŽ volledig in handen van de buren, hopende dat de een het de andere niet zou gunnen en wachte men gewoon de gebeurenissen af. Door echter niťt te kiezen liet men zich meeslepen in een confict waarop men afdoende was voorbereid en ook nauwelijks kon beinvloeden.  Het land werd verwoest of leeggeplunderd. Hoewel BelgiŽ uiteindelijk aan de kant van de overwinnaars stond, werd als na de oorlog de prijzen werden uitgedeeld, BelgiŽ achteraan in de rij geplaatst. Met ondermeer het argument dat BelgiŽ minder militaire slachtoffers telde dan pakweg AustraliŽ. Men had dan even goed, net als het Groothertogdom Luxemburg,  er geen enkele kunnen hebben...  

Hoe het dagelijks leven in BelgiŽ  onder het dictaat van een machtig buurland er zou uit gezien hebben blijft natuurlijk een open vraag maar de geschiedenis leert dat een land met industrieel potentieel na verloop van tijd altijd "inpasbaar" wordt. 

 Hoe amateuristisch  het Belgisch leger aanvankelijk functioneerde toont het verhaal aan van de zogenaamde "Duitse overval op het hoofdkwartier van Generaal Leman in Luik". Een  Duits bataljon  slaagt er in 's nachts  ongemerkt door de forten en tussenliggende versterkingen te glippen. Wanneer ze toch door een Belgische officier gezien worden, organiseert men een  vruchteloze zoektocht die heel snel werd opgegeven met als enig resultaat een uitbrander voor de wakkere officier.  Een compagnie van dat Duits bataljon dringt door tot het Luikse centrum en wordt door de bevolking en enkele Belgische militairen voor Britten aanzien. De Duitsers (hoewel in Duitse uniformen, maar zonder de karakteristieke pinhelmen) willen dat misverstand maximaal uitbuiten en laten zich tot aan het Belgisch hoofdkwartier brengen. Gelukkig dat weer een opmerkzame officier een overrompeling kan overkomen waardoor generaal Leman met zijn staf kan wegvluchten. Belgische gendarmen zullen tenslotte na een bloedig vuurgevecht die Duitsers de stad uitdrijven...

 

Dat een stelletje amateurs  de toenmalige inlichtingsdienst bemanden bewees de zaak Troupin. Troupin was (wellicht) een dubbelagent maar ongetwijfeld een fantast. Had men zijn dossier bij het leger opgevraagd waaruit hij wegens onevenwichtigheid was ontslagen dan had hij zijn destructief werk niet kunnen uitvoeren. Feit is dat Troupin kon imponeren waardoor hij allerlei verwarring schepende telegrafische berichten kon rondsturen en goedgelovige spoorwegambtenaren naar zijn pijpen kon laten dansen wat de transportproblemen nog scherper stelde. Met als gevolg dat de ontreddering waarin het vestingleger rond Luik zich in de eerste dagen na de Duitse inval  bevond, nog werd vergroot. Uiteindelijk werd Troupin "ontmaskerd" , niet nadat hij ondermeer het regeringskabinet voor schut kon zetten, en werd hij geexecuteerd samen met twee "handlangers" waarvan er een ( ene Rommel, een tot Belg genaturaliseerde Duitser) wel haast zeker een nog veel gevaarlijker individu was.
( samenvatting geÔnspireerd op artikels van E Delannoo in Schrapnel jg 1997 nrs. 1 en 2. htttp://www.wfa-belgie.be/ 

Het Belgisch leger heeft in West-Europa het langst vast gehouden aan het systeem van "loting" waarbij het lot letterlijk besliste wie al dan niet soldaat moest spelen als was  voor de meest gegoede klassen daar wel een mouw aan te passen.  In 1909 zou men  de dienstplicht van ťťn zoon per gezin invoeren en pas in 1913 de algemene dienstplicht. Toen de oorlog uitbrak kon iets meer dan 233.000 man worden opgeroepen waarvan er ongeveer drie vierden opdaagde. Daarnaast boden zich in die eerste dagen van de oorlog, meegesleept door de vlaag van patriottisme, 20.000 vrijwilligers aan .
De bewapening was ondermaats met dat ene type kanon en die 102 mitrailleurs dat het veldleger bezat. Alleen de forten van Luik boezemden "ontzag" in al waren ze niet meer bestand tegen de inslagen van de zwaarste kanonnen maar dit werd natuurlijk niet rond gebazuind.
De fortengordel rond Antwerpen was van recentere datum en degelijk van opzet maar dan nog afgewerkt en daarom niet ťcht functioneel. Het koste de Duitsers dan ook weinig moeite die te doorbreken.
Van dat leger zal na de slag aan de IJzer niet zoveel meer overblijven. Maar de stabilisatie van het front zal een heropbouw van het leger toelaten. In totaal zullen er 130.000 man kunnen toegevoegd worden waarvan een kleine helft vrijwilligers (30.000 bereikten het de geallieerde zone via Nederland), de rest werd gerekruteerd uit de klasse 1915 tot 18 (aangevuld met speciale contingenten van aanvankelijk tot 24 jarigen, later tot 40 jarigen) onder de vluchtelingen in Frankrijk en Groot-BrittanniŽ en onder de bevolking die zich nog bevond achter de IJzer en het front bij Ieper. Tegen 1918 - amper 25% had nog de gevechten van 1914 meegemaakt - was het leger goed opgeleid en daadkrachtig en zal dit ook bewijzen.

Achter de IJzer: (oktober 1914 tot oktober 1918):

Tegen alle verwachtingen in en gesteund door toevalligheden die eigen zijn aan oorlog voeren, hield het nog strijdbare deel van het Belgische leger stand in, en later achter de overstromende IJzervlakte. Dank zij zijn visie en op dat vlak  onbuigzame karakter van koning Albert, bleef het leger gespaard van die talloze, uiteindelijk vrij nutteloze aanvallen van de andere geallieerden tegen de gebetoneerde stellingen van de Duitsers. De kans dat een door afstamming bepaalde toewijzing van de hoogste functie, met name het koningschap, met daaraan gekoppeld het opperbevel, bij de "juiste man" terecht komt is theoretisch klein maar op dat vlak hebben de Belgische militairen geluk gehad. Niet dat het in pretje was in de loopgraven maar de soldaten werden niet "echt" opgeofferd. Intussen was er tijd voor training en wennen aan nieuwe legeruitrusting. Een paar keer liet het Belgisch leger zich gunstig onderscheiden: bij Steenstraete (tweede slag om Ieper 1915) waar ze de Fransen behoed hebben voor een pijnlijke doorbraak en bij Merkem (Duitse lenteoffensieven 1918) waarbij de Duitse aanvallers na een halve dag teruggewezen werden.

In de loop van de oorlog werd het front dat door de Belgen gehouden werd steeds verlengd. Naar het zuiden toe werden reeds in het voorjaar 1915 Franse troepen afgelost achter de Ieperlee tot Steenstraete. Nadat andere Franse eenheden naast Britten tijdens de derde slag bij Ieper waren opgerukt tot aan de rand van het bos van Houthulst werden die andermaal door Belgen afgelost op 11 november 1917. Toen met de lenteoffensieven van de Duitsers de Britten in de problemen kwamen werden hun troepen ten noorden van de weg Ieper-Zonnebekeop eind maart 1918 vervangen door Belgen. Ze zullen enkele weken later samen met de Britten een tactische terugtocht doen, waardoor veel terrein die in de omgeving van Langemark en Poelkapelle aan de Duitsers werd prijsgegeven.

De strook vanaf de zee tot Nieuwpoort-stad was reeds vanaf oktober 1914 gehouden door de Fransen. Ze hadden er zelfs een bruggehoofd ten noorden van de havengeul. De Britten zijn kort voor het begin van de derde slag bij Ieper (juli 1917) komen aflossen omdat ze vanuit dat bruggehoofd een secundaire aanval ( die zou ondersteund worden door een landing vanuit zee ) richting Oostende. Dit werd een complete mislukking en de Britten werden zelfs uit dat bruggehoofd verjaagd en werd de havengeul frontlinie. In het voorjaar van 1918 zullen ze daar door Belgische troepen vervangen worden.  

De inundaties

 

Het verhaal van het Belgisch leger aan de IJzer hangt onwrikbaar vast aan dat van de inundaties van de omliggende poldersvlakte, vooral de zuidelijk gelegen strook tussen de IJzer en de spoorwegberm vanaf vertakking Kaaskerke (Diksmuide) tot Nieuwpoort. Deze onderwaterzetting werd eind oktober 1914 in hoofdzaak gerealiseerd door, via de overlaat op de Noordvaart, zeewater landinwaarts te laten stromen. Enkele dagen voordien was er al een beperkte inundatie uitgevoerd van de kreek van Nieuwendamme, ten noorden van de IJzer, via het "Springsas", eveneens aan het zelfde sluizencomplex "de Ganzepoot" in Nieuwpoort. In november 1914, toen het front al gestabiliseerd was werd via de eigenlijke IJzerstroom, een inundatie veroorzaakt stroomopwaarts Diksmuide (rond de "Blankaart" en ten westen van Merkem). In 1915 werd  verder stroomopwaarts nog meer polders onderwater gezet en in 1918 liet men tot aan de Franse grens  de IJzer "overlopen" zodat de Westhoek volledig "bachten de kuppe" lag. 
Vreemd is dat de Duitsers die inundaties, zeker de grote onderwaterzetting via de Noordvaart, die tenslotte een doorbraak heeft verhinderd, niet hebben proberen te voorkomen. Wellicht waren ze ervan overtuigd dat de polders boven het zeeniveau lag en dus niet konden onder water gezet worden. Doordat die inundatie aanvankelijk, niet bepaald  spectaculair was, omdat het water maar langzaam steeg (ook al omdat aanvankelijke pogingen via het zogenaamde "Oud-Veurnesas", dat ten zuiden van Nieuwpoort lag maar een beperkt effect had)  dachten zij dat dit kwam door de aanhoudende regen. Zij hanteerden ook buitgemaakte Belgische stafkaarten en daar stonden de polders ingetekend boven de nullijn. Nu ja: wat is die nullijn (in vaktaal: waterpassing) of hoe wordt precieus "zeeniveau" bepaald: laagwater, of hoogwater of iets tussenin. Dat was toen nog niet internationaal gestandariseerd en de Belgen hanteerden een andere maatbepaling dan de Duitsers (het kwam er op neer dat de waterpassing van de Duitsers 2m 40 boven die van de Belgen lag !!!). En dat wisten die Duitsers blijkbaar niet. Of hoe kleine oorzaken grote gevolgen kunnen hebben.
Dat de onderwaterzetting via de Noordvaart die zowel "in extremis" als "en catastrofe" plaats had, slaagde, mag een half wonder genoemd worden. Aanvankelijk werd niet echt nagedacht, laat staan iets voorbereid omtrent dat inunderen, omdat de Fransen met de grootste stelligheid verzekerden dat ze divisies gingen sturen om een tegenaanval te ontketenen waarmee ze de Duitsers zouden terugdrijven tot Gent. Het water zou hun hierbij alleen maar gehinderd hebben. De hen terecht wantrouwende Belgen dachten er eerder aan om zonodig een nieuwe verdedigingslijn iets verder te organiseren achter de Lovaart. Daarom gebeurde een hele tijd niets aan de IJzer ook niet toen de Duitsers de rivier al overgestoken waren. De Belgen trokken zich zuidelijk terug achter de spoorwegdijk en pas toen begon het volop te dagen dat een inundatie tussen IJzer en die spoorwegdijk  weg eens dť redding kon zijn. Maar het bekwame sluispersoneel was toen al weg gestuurd en het eerder per toeval dat men beroep kon doen op moedige burgers als Karel Cogghe en Hendrik Geeraert, die geen sluiswachters waren, maar toch essentiele informatie konden verschaffen aan genieofficieren om een gecontroleerde onderwaterzetting uiteindelijk te doen slagen (het water mocht niet stijgen over de spoorwegberm en de vele onder doorgangen moesten afgesloten worden) . 

Het volledige en uiterst boeiende verhaal over de onderwaterzetting kan men lezen in "Oktober 1914, het koningkrijk BelgiŽ gered door de zee" van Paul van Pul, uitgeverij De Krijger ISBN 90-5868-135-1. Aanvullend of zelfs als introductie kan er de bijdrage van Luc Vanackere geraadpleegd worden die verscheen in Schrapnel http://home.tiscali.be/debyser/  nr 1 van jaargang 2004.

 De dodengang

Eens de inundaties de strijdende partijen hadden gescheiden, zaten zowel Duitsers als Belgen relatief veilig. Vanaf Nieuwpoort-stad (naar de zee toe lagen eerst Fransen, nadien Britten en pas in 1918 namen de Belgen deze sector over) tot het Ieperleekanaal, namen biede partijen overwegend posities in achter brede inundaties. Alleen rond Diksmuide was dit niet het geval. Vooral ten noorden van Diksmuide lag zowat de achillespees van de Belgische verdediging daar de onderwaterzetting niet tot daar reikte ( bodem iet hoger) te meer de Duitsers stroomafwaarts over de IJzer waren gekomen waardoor ze de Belgen van daaruit konden belagen.
Met enkele opeenvolgende aanvallen (mei 1915) in open en bovendien drassig veld wilden de Belgen de Duitsers terugwerpen maar deze pogingen liepen telkens falicant af. Dan werd besloten een sappe (loopgraaf) evenwijdig met de IJzer, richting Duitse stellingen wat ook de Duitsers ter zelfder tijd  deden richting Belgische stellingen, tot ze uiteraard op elkaar botsten. Toen heeft die sappe de naam "Dodengang" gekregen (Bayou de la mort) te meer de Duitsers iets verder een goede schuil- en waarnemingpost hadden aan twee uitgebrandde petroleumtanks waarvan de karkassen min of meer waren blijven rechtstaan van waaruit ze de Belgen konden belagen.
Later is die "Dodengang" beter uitgebouwd geworden tot een heuse stelling en werd een dijkdoorbraak  veroorzaakt tussen de vijandige linies. Maar de Belgen bleven natuurlijk geprangd tussen water met Duitsers voor zich en opzij , een toestand die zo bleef tot de laatste oorlogsdagen.

"Het drama van de Dodengang" is een goed leesbaar boek van Siegfried Debaeke, uitgeverij "de klaproos" ISBN 9 789055 080649. De boek behandeld meer dan de titel laat vermoeden en verschaft een vrij goede introductie over de strijd van de Belgen aan de IJzer.

 

    De minoterie

De ďMinoterieĒ was een industrieel gebouw van meerdere verdiepingen die bijzonder stevig gebouwd was op de drassige oostoever van de IJzer ( ongeveer ter hoogte van waar nu de Yzertoren staat maar uiteraard aan de andere kant). Nadat de Duitsers op 10 november 1914 Diksmuide innamen en daar meer  het laatste geallieerde bolwerk  aan de noordoostelijke kant van de IJzer oprolden  werd de ďMinoterieĒ een uitgelezen steunpunt in hun verdedigingslijn. Meer zuidwaarts werd zowaar een heuse betonnen muur (2.50 m hoog, trapsgewijze met blokken opgebouwd op een voet van ook al 2.50 m die rusten op in de grond geheide houten palen, dit alles uitgevoerd onder de ogen van de Belgische vijand, voorwaar een opmerkelijke realisatie.
De sluipschutters die opereerden vanuit de ďMinoterieĒ waren berucht. In de bijna vier jaar dat ze ďactiefĒ waren vanuit dit gebouw moeten ze zo ongeveer 3.000 (al dan niet dodelijke) slachtoffers gemaakt hebben. Uiteraard deden de Belgen er alles aan om die constructie te vernietigen maar alhoewel vrij snel tot ruÔne herschapen fabriek, steeds meer stuk geschoten werd, belette dit niet dat de Duitse sluipschutters tot op het laatste actief bleven. Eind oktober voerden de Belgen een grote raid uit op de Minoterie en omgeving. Er werd ondermeer beroep gedaan op Britse expertise om gas te verspreiden over de Duitse versterkingen en hoewel men er in slaagde vrij diep in de vijandige stellingen door te dringen was de onderneming maar een half succes in de eerste plaats omdat de coŲrdinatie tussen de aanvallers met de ondersteunende artillerie (er zouden voor de gelegenheid een kleine 30.000 granaten van allerlei kaliber afgeschoten worden) vrij moeizaam verliep waardoor de onderneming eindigde in goals. Het uitgelezen groepje aanvallers bewees zichzelf en hun strijdmakkers dat ook Belgen  een vermetele opdracht alvast psychisch aankonden.

Het volledige verhaal ( van de hand van E Delannoo, een echte specialist in het ďgenreĒ)  staat in Schrapnel, ledenblad van de WFA, jaargang 1999 nr4. http://www.wfa-belgie.be/ 

 

Toen de Britten in 1917 een groot offensief planden ( de derde slag bij Ieper ) duwden ze Koning Albert een voorgekauwd plan onder de neus waarin zes divisies ( zes Franse en zes Belgische)  op hun noordflank zouden mee oprukken. Albert zou dan  deze legergroep aanvoeren onder supervisie van de Britten. De koning bedankte voor zoveel eer omdat hij de slagkans te  minimaal vond en geen Belgische militairen wou opofferen in een nodeloze strijd. Hij kreeg achteraf gelijk maar het vertroebele wel verder de relaties met de Geallieerden. Toen op het einde van de oorlog de afrekening van de oorlog moest gemaakt worden in Versailles en de Belgen "hun deel" vroeger werd hun onder de neus geschoven dat ze niet de hard van de toren moesten blazen omdat ze tenslotte minder militaire doden te betreuren hadden dan pakweg de AustralieŽrs ...

Het eindoffensief (eind september - 11 november 1918)

Eind september 1918 was het Belgische leger er klaar voor. Vanaf Zonnebeke tot Diksmuide rukten ze op. In twee dagen hadden ze in de omgeving van Passendale twee keer zoveel gebied ingenomen als de Britten een jaar eerder in 100 dagen. De geduchte stelling "Houthulstbos" wat voor de geallieerden een jaar voordien (derde slag bij Ieper) een onneembare hindernis was gebleken, werd tot verbazing van vriend en vijand, in ťťn dag veroverd. De Duitse tegenstand was al lang niet meer wat het ooit geweest was, maar toch... De Belgen hielden goed de pas met de mede oprukkende bondgenoten maar tegen een zware tol: een derde van het totale verlies over de hele oorlog of een kleine 10.000 militairen  over een periode van 40 dagen zouden het met hun leven bekopen. De gevechten eindigden aan de Schelde en enkele weken later had de laatste Duitse militair het Belgisch grondgebied verlaten.

zie ook hoofdpagina: eindoffensief

 Toen na de oorlog de eindafrekening moest gemaakt worden stelde ook BelgiŽ haar eisen. Naast herstelbetalingen vroeg en kreeg de Belgische staat ook gebiedsuitbreiding aan de oostgrens (Eupen - Malmedy en het voordien "neutraal dorpsstaatje" Moresnet. Bizar waren de eisen aan Nederland (die buiten de oorlog gebleven waren) om Zeeuws-Vlaanderen en deel van Nederlands Limburg af te staan. Ook het groothertogdom Luxemburg wilden ze annexeren. Hoewel die "eisen" nooit werden "geofficialiseerd" (maar ook niet categorisch ontkend)  reageerden de bondgenoten ontstemd op deze "verzuchtingen" die enkel een negatieve impact hadden .

 

verlies aan mensenlevens (onderzoek prof. H.Bernard):

In totaal zouden 63.000 Belgen door oorlogshandelingen gedood worden (in de tweede wereldoorlog 90.000). 

 
Zo 'n 30.000 Belgische militairen kwamen om aan of achter het front. 100.000 raakten een of meerdere malen gewond waarvan er 35.000 nadien niet meer opnieuw konden "ingezet" worden. Iets meer dan 10.000 militairen overleed als gevolg van ziektes; dat is een derde wat dubbel zo hoog ligt dat bij andere westerse legers. De kans om het niet te overleven langs het hoogst bij militairen die uit landelijke dorpen kwamen, omdat ze haast allen bij de infanterie (voetvolk) terecht kwamen, dus het meest vertoefden in de eerste linies. De dorpen in niet-bezet BelgiŽ tellen dan ook het hoogst aantal gesneuvelden omdat men daar de oorlog lang is kunnen blijven rekruteren. Dit gold ook voor dorpen aan het front, waarvan haast de volledige bevolking was gevlucht naar de geallieerde sector of Frankrijk of Groot-BrittaniŽ, al waren er daar natuurlijk ook vluchtelingen uit andere streken van BelgiŽ. Anderzijds zijn ongeveer 15.000 jonge mannen uit bezet gebied via Nederland naar Engeland gevlucht om dan dienst te nemen in het Belgisch leger. In het totaal werden er 320.000 mannen gemobiliseerd.  Een kleine 10% "sneuvelde", bijna 13% kwam om (gedood en als gevolg van ziekte samen). Dat procentueel cijfer ligt niet zoveel  lager dan dat van Frankrijk (18%) of Groot-BritanniŽ (15%) maar er waren in BelgiŽ procentueel veel minder gemobiliseerden. Ten opzichte van de totale bevolking vond 0.5 tot 0.6% als militair de dood. Als inwoner van een landelijk dorp dat achter de frontlijn lag of waarvan haast iedereen in die richting gevlucht was kon dat cijfer oplopen tot het dubbele doordat heelwat mannen potentieŽl en later effectief soldaat werden
* Het spreekt vanzelf dat deze cijfers met enige omzichtigheid moeten geanalyseerd worden omdat begrippen als gemobiliseerden, gesneuvelden, doden, vermisten, omgekomenen enz... niet altijd op dezelfde manier worden geinterpreteerd.

* Cijferonderzoek van de gemeenten als  Moorslede en Passendale bevestigen dat ongeveer de helft van de gesneuvelden behoorden tot "contingenten" die tijdens de oorlog werden "samengesteld".


2.000 militairen stierven in krijgsgevangenschap (Duitsland) of in interneringskampen (Nederland). Meer dan 1.000 burgers werden voor verzetsdaden door de Duitsers geŽxecuteerd. 23.000 burgers kwamen om als gevolg van oorlogsdaden (massamoorden, (gas)beschietingen, bombardementen, deportaties). Er zouden meer dan 5.000 Belgen om allerlei redenen en in allerlei omstandigheden, door de Duitse soldaten koelbloedig zijn afgemaakt tegenover nog geen 1.000 Fransen die in bezet gebied leefden waaruit nogmaals blijft hoe wreedaardig de Duitsers in BelgiŽ te werk zijn gegaan. 1135 personen werden omgebracht nadat ze actief zouden zijn geweest in inlichtingen en verzetsgroepen.


Een vaak niet aangehaald aspect in deze tellingen zijn de aantallen omgekomen "zivil-arbeiter": mannen die door de Duitsers werden opgeŽist om in de regel, zware arbeid voor hen te verrichten, vaak net achter de linies en soms er ook in. Daarenboven waren de leefomstandigheden vaak erbarmelijk. Globale cijfers zijn ons niet bekend maar in een dorp als Desselgem waren er meer omgekomen "zivil-arbeiter" (17) dan gesneuvelden (15). Uit Beveren (Leie) sneuvelden 8 militairen maar overleefden er 15 "zivil-arbeiter" de oorlog niet. Uit Waregem  sneuvelden 58 mannen en kwamen 25 "zivil-arbeiter" om. Uit Kortrijk  sneuvelden 211 militairen , onder de "zivil-arbeiter" telde men 91 slachtoffers op een totaal van 2200 "opgeeisten".

"Zivel-arbeiter" werden "gerekruteerd" uit het zogenaamde "etappengebiet"* (West en bijna geheel Oost-Vlaanderen en een deel van Henegouwen en het zuiden van Luxemburg) en had een militair bestuur. Wie in het "Okkupationsgebiet" (met burgerlijk bestuur*) woonde, (militair bestuur in de overige gebieden) riskeerde gedwongen arbeid te moeten verrichten in Duitsland. Eind 1916 waren al bijna 50.000 mannen "aan het werk" achter de Duitse linies, meestal in Noord-Frankrijk en 55.000 waren naar Duitsland gestuurd (in dat opzicht zij er zeker parallelen  met de tweede wereldoorlog, aanvankelijk was de bezetting in 1940 zelfs een verademing) maar in 1917 en 1918 werden minder mensen weggevoerd. Uiteindelijk werden ongeveer 120.000 Belgen gedeporteerd en de statistieken hebben het over 2.600 die het niet hebben overleefd.

* Daarnaast was ook nog het "operationsgebiet" een strook tot ongeveer 25 km  achter de frontlinie (tot de rijkweg Brugge - Kortrijk) en ook een "marinegebiet" aan de kust. Hier waren nog eens extra "veiligheidsvoorschriften" van toepassing. Zo mochten de bewoners quasi hun dorp niet verlaten. 

* De stad Antwerpen werd bestuurd door een militair gouverneur.

 

Doden kunnen op veelerlei wijze geteld worden. Het ministerie van Landsverdediging gaf in 1938 als antwoord op een parlementaire vraag volgende cijfers: Het Belgisch leger telde in eerste wereldoorlog 23.858 gesneuvelden (op het slagveld); 6.802 doden als gevolg van kwetsuren (waaronder 605 door ongevallen) en 10.450 overlijdens  door ziekte, samen dus 41.110 militairen. Ongeveer evenveel militairen kwamen terecht in Duits krijgsgevangenkamp en meer dan 33.000 werden geinterneerd in Nederland. (opgetekend door P. Haeyaert en J. Fieuws in "De grote oorlog 14-18")

Deze vers staan op het monument voor de gesneuvelden op het dorpsplein van Watou, algemeen gekend als het poŽziedorp die elke zomer duizenden poŽzieminnaars trekt.

Gevallen voor Allen
door Allen geprezen
door 't vallen gerezen
Hoog boven Allen.

Het is geen vers dat nog appelleert aan eigentijdse poŽtische gevoelens die initieel aangesproken worden door een (ont)nuchtere invalshoek waaruit dan een tedere emotie kan ontspruiten. De bombastische lyriek van destijds staat daar haaks tegenover. Maar het was wel tekenend voor een tijdsgeest vol tragiek.

Literatuur: over het Belgisch leger in de eerste wereldoorlog werd de laatste 20 jaar weer heel wat gepubliceerd. Algemeen gekend zijn de bijdragen van prof. Devos. "Frontleven 1914/18" van Ria Christens en Koen Declercq is ronduit releverend. Bijzonder knap geschreven is "De grote oorlog" van Sophie De Schaepdrijver.  Dit is een werk dat je niet  moet "doorworstelen" maar zich meeslepend laat lezen, maar ook een "basiswerk" voor wie zich wil verdiepen in het "Belgisch verhaal" in wereldoorlog ťťn. Van de Amerikaanse onderzoeker Larry Zuckerman werd een studie over het lot van de belgen onder de Duitse bezetting 1914-1918 vertaald onder de titel "De verkrachting van BelgiŽ", waaruit blijkt dat voor een aantal aspecten, die bezetting ondraagelijker was dan tijdens de tweede wereldoorlog. Onlangs verscheen " Oktober 1914, het koningkrijk gered door de zee" (isbn 90-5868-135-1) van Pol van Pul dat zeer verhelderd licht werpt op hoe de inundaties van de Poldervlakte tot stand kwam.