Het Brits leger
Start Omhoog tweede slag om Ieper slag om Mesen derde slag bij Ieper lenteoffensief eindoffensief Hooge Hill 60 Sint Elooi bovengrondse oorlog ondergrondse oorlog

educatieve site over de eerste wereldoorlog aan de Ieperboog ( en de IJzer )

De Britse houding in de "Continentale" disputen (in de eerste plaats tussen Duitsland en Frankrijk) is lange  tijd onbeslist gebleven. De sympathie voor de eeuwenlange vijand Frankrijk was matig en berekend, anderzijds was de schrik voor de opkomende grootmacht Duitsland reëel. Feit is dat er in Groot-Brittannië  geen duidelijk vijandbeeld was naar geen enkele partij toe en dit liet, tot het laatste moment, allerlei allianties toe al had ze wel samenwerkingsverband getekend met Frankrijk maar dat voor interpretatie vatbaar was.

  

De beslissing om deel te nemen aan de oorlog tegen Duitsland was dus een puur politieke berekening. De inval van de Duitsers in België was de verrechtvaardiging om toe te treden tot het kamp van de geallieerden en gaf die beslissing de nodige morele ruggensteun.  Het raakte de natie niet echt in haar essentie. Er werd een beroepsleger op "expeditie" gestuurd, zoals in het verleden al meermaals was gebeurd bij koloniale conflicten en dit had in de eerste plaats budgettaire consequenties waarbij de "kostenbaten analyse" vooraan werd geplaatst. De natie (inclusief de bevolking) keek toe.   

 

 de Britse opperbevelhebber Sir Douglas Haig.

Toen de oorlog niet verliep zoals men zich had voorgesteld (spoedig einde en met een duidelijke overwinnaar, uiteraard het eigen kamp) veranderde alles. Men realiseerde zich dat men zich in een onderneming had gestort waaruit men zich zomaar niet kon terugtrekken. Het emotionele gedram over "the litlle poor Belgians" verstomde en men realiseerde zich dat men enorme wapenfabrieken uit de grond zou moeten stampen wilde men kunnen meespelen in die industriële confrontatie dat achter het begrip "war" bleek schuil te zitten.

Nieuwe manschappen ronselen om het uiteengeschoten beroepsleger aan te vullen was aanvankelijk geen probleem. Bij de bevolking heerste nog een geromantiseerd beeld van  de oorlog  en zelfs in de verre koloniën kon men mensen warm maken voor "het grootste avontuur" dat jonge mannen konden beleven. Het begripsvermogen van die jonge mannen kon niet vatten wat hen te wachten stond.

1915 was in dat opzicht tekenend. Vooral rond Ieper werden de heroïsche aanvallen ( Hill 60, Hooge ) op Duitse posities uitgevoerd met tragisch orgelpunt de slag bij Loos (Arras). Het militair industrieel apparaat was ontoereikend: niet voldoende ondersteunende vuurkracht, ontoereikende coördinatie, kortom te veel heldendom en te weinig militaire organisatie. Overigens hadden de Fransen daar nog meer van dat alles samengevat onder het motto: aanvallen tot het uiterste (attaque en outrance) en we zien wel. Hun verliezen waren in 1914-15, ook verhoudingsgewijze, nog veel verschrikkelijker.

Hoe ontoereikend die Britse militaire organisatie wel was bewijst volgend feit: de Britten moesten zowaar bij het Belgische leger in de leen gaan voor enkele baterieën inclusief peroneel. Er zijn drie batterijen ( 24 kannonen met 1000 man bediening- en ondersteuningspersoneel) tot de zomer 1917 in "Britse dienst" geweest. In 1915 konden de Britten nauwelijks hun linies afdekken met voldoende artillerievuur zodat ze die met veel meer mankracht moesten bemannen dat de Fransen waardoor er ook veel meer dan nodig verliezen werden geleden. Manschappen waren inderdaad meer voorhanden dan vuurkracht.... 

Het volledige verhaal kun je lezen in Schrapnel jaargang 2001 nr2, het ledenblad van de Western Front Association http://www.wfa-belgie.be/ 

1916 zou anders worden. Men had het van Britse kant begrepen wat ontbrak: organisatie én vuurkracht. In dat opzicht was voor de aanval aan de Somme alles tot in de puntjes geregeld: een nooit geziene samentrekking van vuurmonden en een uitgekiende taakverdeling. Maar het liep anders: de vuurkracht kon de intussen goed doordachte verdedigingswerken van de Duitsers onvoldoende vernietigen en de vooropgestelde planning en taakverdelingen kon daar niet soepel genoeg bij aangepast worden. Er vielen de eerste dag van het offensief 20.000 Britse doden en het militair  resultaat was bedroevend. Zelfs de flankerende Fransen die met hun vaak spreekwoordelijk improvisatietalent deden die eerste Juli  beter.

In 1917 had men al veel bijgeleerd. In Vlaanderen zouden de Britten het debacle van de Somme doen vergeten. De slag van Mesen was in elk geval een goede aanzet: een militair succes van eerste orde en daarbij wegen de eigen verliezen niet door. Maar die slag om Mesen zou maar een prelude zijn van iets veel grootser: de Duitse linies doorbreken rond Ieper en via het achterland, en een gecombineerde landing, de Belgische kusthavens ontzetten. De vuurkracht die samengetrokken werd was al het dubbele van die aan de Somme en het nieuw ontwikkelde tankwapen had maturiteit gekregen. Een iets ontsnapte aan de militaire plannenmakers: het mogelijks natte weer en de daarbij horende modder.  Augustus en oktober 1917 werden zeer natte maanden en de enorme bombardementen schoten ook het draineer - en afwateringsysteem stuk. De grootse Britse plannen verzopen...letterlijk.

 

 

 

 

 

Britse militair die zich, net als strijders uit andere landen, krijgshaftig liet fotograferen alvorens naar het slagveld te vertrekken. Zij beseften te weinig dat men in een zich steeds  verder ontwikkelend industrieel proces zou terechtkomen van uiteenspattende projectielen en snelvuur waarin het er opaankwam zich zo professioneel mogelijk te verbergen en als men zich toch moest blootgeven -de vijand moest vroeg of laat verdreven worden - die het best deed achter intens barragevuur, zijnde een muur van vuur, rook en staal.

Aanvankelijk had men in Groot-Brittannië weinig moeite om vrijwilligers voor het leger te ronselen. Naarmate  informatie over de verschrikkelijke verliezen tot het thuisfront doorsijpelde moest men alle propagandamiddelen inzetten om jonge mannen te overtuigen zich voor het leger te melden. In 1916 zag men zich genoodzaakt de dienstplicht in te voeren.

  

Britse Begraafplaatsen

In tegenstelling tot de andere nationaliteiten hebben de Britten (voor de gesneuvelden van het hele Britse rijk) geopteerd geen "stoffelijke overschoten" te repatriëren. Dit heeft er voor gezorgd dat er ondermeer rond Ieper een lappendeken van begraafplaatsen ligt, kleine van enkele tientallen graven tot massale begraafplaatsen van bijna 12.000 zerken. In het totaal worden er bijna 195.000 Britse doden uit de eerste wereldoorlog in België "herdacht" waarvan ongeveer 175.000 rond Ieper.

Militaire slachtoffers begraven in individuele graven was in 1914 nog geen algemene praktijk. In het verleden wierp men de gesneuvelden in massagraven of werden de skeletten in knekelhuizen "opgeslagen". Alleen in de Amerikaanse burgeroorlog (1861-1865) en later in de Boerenoorlogen in Zuid-Afrika werden de gesneuvelden, indien mogelijk, individueel begraven. 
Frankrijk en de Verenigde Staten lieten na de eerste wereldoorlog lichamen, op aanvraag van de nabestaanden, repatriëren om ze in eigen bodem  opnieuw te begraven op militaire begraafplaatsen of op burgerkerkhoven. 
Ook de meeste Belgische doden werden ontgraven om in hun woonplaats te worden herbegraven. De Britten vormden dus in het geallieerde kamp een uitzondering.

Van 175.000  Commenwealth-doden die vielen rond Ieper* tijdens wereldoorlog één, ligt ongeveer de helft onder een steen (allemaal identiek, gezaagd uit zandsteen) waarop zijn naam is gebeiteld. Dit wil daarom niet zeggen dat de vermelde gesneuvelde daadwerkelijk onder die steen ligt. Van sommigen onder hen is wel geweten dat hij ooit op een bepaalde plaats begraven werden maar door beschietingen zijn hun graven verdwenen.  Dan werd een "gedenksteen" opgericht met de naam van de gesneuvelde in gebeiteld, ofwel op de oorspronkelijke begraafplaats maar soms ook op een andere begraafplaats in de omgeving. Op de "gedenkstenen" staat dan een toelichting over de werkelijke begraafplaats: "in de omgeving" (near this spot) of "op deze begraafplaats zonder exact de plaats te kennen (known to be buried  in this cemetery). Sommige begraafplaatsen bevatten uitsluiten gedenkstenen bijvoorbeeld "Hew Row Trench cemetry", gelegen  in het Provinciaal domein Palingbeek (Zillebeke), omdat het door intense artilleriebeschietingen werd doorwoeld. Heel dikwijls staan de gedenkstenen in een kring of tegen de muren van de begraafplaats.
Enkel de doden waarvan men ongeveer met zekerheid  de  stoffelijke resten kon identificeren liggen dus onder een "grafsteen"en voor zij waarvan men wist dat ze ooit begraven werd een "gedenksteen" opgericht.  Dit eerbetoon (graf - of gedenksteen) kon maar voor ongeveer de helft van de Britse doden gestalte gegeven worden  .
De andere helft van de Britse doden heeft helemaal geen gekend graf of persoonlijke gedenksteen en wordt herdacht, voor het grootse deel aan de Menenpoort in Ieper (bijna 55.000), of op de herdenkingsmuur achteraan het "Tyne cot cemetery" (bijna 35.000) of op de herdenkingsmuur van de Missing Memorial in Ploegsteert (bijna 11.500). Op de muur in Ploegsteert worden ook gesneuvelden herdacht die gevallen zijn net over de Franse grens.
Op die "herdenkingsmuren" staan alle onderdanen van de "British Empire" uitgezonderd de Nieuw-Zeelanders die  hun eigen "memorials to the missing" hebben.

*Heen precies is dit cijfer niet bepalen omdat er "gevallenen" op Belgische bodem begraven werden over de Franse grens terwijl er op de Memorial of Missing in Ploegsteert doden worden herdacht die het leven lieten over de grens. In deze materie heeft die Frans-Belgische grens geen betekenis.

In tegenstelling tot de Fransen (ossuaire) of de Duitsers (Kameradengrab) hebben de Britten geen collectieve graven. Niet geïdentificeerde, stoffelijke overschotten werden onder een gedenksteen begraven met het opschrift "know unto God". Van ongeveer de helft van de vermisten werden stoffelijke overschotten gevonden en liggen dus onder een gedenksteen waarin die vermelding gebeiteld staat. Hun namen staan op een "memorial of missing".
Daarentegen zijn er zijn wel veel relatief kleine "groepsgraven" waarvan de skeletten door elkaar gemengd zijn maar waarbij de gesneuvelden gekend zijn (bijvoorbeeld artilleristen bij een batterij die een voltreffer kregen). In dat geval staan de grafstenen tegen elkaar (hoewel dit op sommige begraafplaatsen hieromtrent minder duidelijk is). 

Er werden ook gedenkstenen opgericht voor hen waarvan men wist dat ze ooit  begraven werden maar waarvan de begraafplaats door beschietingen compleet verloren was gegaan. Die doden kregen dan groepsgewijs een duidelijk herkenbare plaats (bijvoorbeeld een cirkel) op een begraafplaats in de buurt was ze ooit begraven lagen. Ze vormen al het ware een aparte "gedenkruimte" binnen een begraafplaats.


Een "kerkhof" onderscheid zich van een "begraafplaats" omdat een kerkhof nu eenmaal rond een kerk ligt wat vroeger bijna altijd het geval was. Er liggen  relatief weinig  militairen op  (burger)kerkhoven. Het enige ons bekend, uitsluitend militair "kerkhof", ligt rond het kerkje van Oeren (Alveringem). Daar rusten Belgische militairen. Het is een bijzonder aangrijpende plaats.
( De meeste "intieme" Britse begraafplaatsen liggen naar ons aanvoelen,  in het bos van Ploegsteert. Nergens  hangt er een zo prangende sfeer als op die plek, daar midden in het woud.)

Eigenlijk is men maar vanaf september 1915 "systematisch" beginnen begraven. Voordien werden de lijken, voor zover mogelijk, begraven op de zogenaamde "Batllefield cemeteries", dichtbij de frontlijn, haast altijd in de nabijheid van een medische hulppost. Later werden  een heel eind achter het front "War cemeteries" aangelegd, waar de gesneuvelden ordentelijk(er) konden begraven worden. Nog later in, en vooral na, de oorlog  werden "New cemeteries" aangelegd die heel dikwijls ook "Concentrations cemeteries" zijn . Dit waren "verzamelbegraafplaatsen" voor de vele kleine begraafplaatsen, soms maar van enkele (tientallen) gesneuvelden of zelfs één enkel graf, of van begraafplaatsen die op minder "geschikte" plaatsen  lagen.


(Vooral machtige landeigenaren slaagden er wel eens in een begraafplaats van hun eigendom te doen verwijderen. Bekend  is het verhaal aan "Rossignol Hill" bij het Ploegsteertbos. In de herfst van 1930 werden 475 skeletten ontgraven en herbegraven op een begraafplaats in de buurt. In de "Ieperboog 14-18, slagveld België 3" is hieromtrent een hoofdstuk gewijd).


Dat op stoffelijke overschotten stoten tijdens slagveldarcheologische opzoekingen voor soms pijnlijke probleemstellingen zorgt weten de "Diggers" www.diggers.be , een groep amateur archeologen, maar al te goed. Als dat weer "zo ver" is wordt bijzonder omzichtig te werk gegaan. Heel dikwijls begint de "vondst" met een onderdeel van een skelet. Soms wordt ook de "rest"  gevonden, soms niet. Uiteraard wordt wanneer het om geringe stoffelijke resten gaat, een afweging gemaakt of kan besloten worden tot het herbegraven ervan als individueel persoon. Door het toedoen van de Diggers zijn tot eind 2003 resten van al bijna 200 "gesneuvelden" aldus begraven op militaire begraafplaatsen in de frontstreek.


(met dank aan Aurel Sercu voor het duidelijk stellen van deze wel bijzonder kiese materie).

Een ander omstreden materie is "Shot at Dawn": de terechtstellingen in het Britse leger.
In het gehele Britse, imperiale leger werden 343 doodvonnissen uitgevoerd, dit iets meer dan 10% van de vonnissen die uitgesproken werden.Ter vergelijking: in het Duitse leger was dit nog geen 50, in het rumoerige Franse leger 550 waarvan 350 dan nog in het eerste oorlogsjaar.
In het Britse leger bleef het aantal executies daarentegen ongeveer gelijk waardoor men eigenlijk geen rekening hield met het toegenomen inzicht in wat men ondermeer "shellschock" is gaan noemen: psychische reacties op extreme en langdurige blootstelling aan doodsgevaar.

 (Piet Chielens schreef menig artikel over dit onderwerp)

Op elke begraafplaats van meer dan 40 graven werd een "Cross of Sacrifice" opgericht als een symbool van "offerbereidheid". Op grotere begraafplaatsen (in principe meer dan 1.000 graven) werd een "Stone of Remenbrance" geplaatst als symbool voor "vereeuwiging". De grafstenen zijn in hoofdzaak van  witte portland (zandsteen) afkomstig uit Zuid-Engeland. Beschadigde stenen worden de laatste jaren vervangen door Botticino marmer uit Noord-Italië. Op die stenen (headstones) staan persoonlijke en militaire gegevens, soms ook een door de nabestaanden gekozen tekst.

Tony Debruyne en Frans Decamps van de " Western Front Association" http://www.wfa-belgie.be/  hebben zich in thematiek van de Britse begraafplaatsen verdiept en er menig artikel of spreekbeurt aan gewijd. Frans Descamps is een enthousiast spreker en de aangewezen gids voor  rondleidingen op begraafplaatsen.

de "dominions"

In 1914 was het Britse rijk nog heel wat groter dan het huidige  "United Kingdom". Sindsdien heeft niet alleen Ierland zich " afgescheurd"; het  bezat toen nog talrijke koloniën, protectoraten en semi-onafhankelijke gebieden. Uit  die "vier windstreken" kon het manschappen werven voor de oorlog op het Europese vaste land. Het gemak en de omvang waarmee dat (aanvankelijk) gebeurde wekt op zijn minst verbazing. Jonge mannen lieten zich met veel enthousiasme inlijven voor een wel bijzonder "ver van hun bed show". De drang naar avontuur zal wel de voornaamste drijfveer geweest zijn in een tijd dat men het gevoel had zich stierlijk te vervelen naast de drang om het oerinstinctieve "krijgerschap" lijfelijk te beleven. Dat de oorlog intussen industrieel geredigeerd werd zal welhaast tot geen enkele geest zijn  doorgedrongen.

Waar de "gekleurde volkeren" (hoofdzakelijk uit het toenmalige India) nog met dubieuze beloften en niet gehinderd door enig voorstellingsvermogen, naar Europa gedirigeerd werden, maar omwille van klimatologische omstandigheden vrij snel van het front teruggetrokken werden om in warmere gebieden ingezet te worden, moeten Canadezen, Australiërs, Nieuw-Zeelanders en Zuid-Afrikanen (iets) beter geweten hebben.

In Canada was het vooropgestelde contingent van 20.000 man onmiddellijk volzet. Men kon het zich permitteren om aan de getrouwde mannen een schriftelijke toestemming te vragen van hun echtgenotes om tot de dienst te worden toegelaten. Dit in een tijd dat diezelfde vrouwen niet eens stemrecht hadden. Er melden zich in Canada ook liefst 5.000 Amerikanen, alleen al uit Texas, voor de strijd. Een rijke "mecenas" bekostigde de uitrusting voor een heel regiment (de Princess Patricia's Light Infantry, in de vakliteratuur: PPLI). Het kon niet op.
===============================================================================================

In Australië en Nieuw Zeeland was het enthousiasme niet geringer. Ze zullen samen de Anzac-eenheden vormden en samen even ijverig sneuvelen aan een tempo dat die van de Britten ver overtrof. Ze kregen vaak de meest hopeloze opdrachten maar droegen het aureool van dappere, maar roekeloze soldaten die hun imago ijverig koesterden.
===============================================================================================

Helemaal te gek was de "oorlogsbijdrage" van de "Zuid-Afrikaners". Ze hadden nog maar tien jaar een bloedige oorlog achter de rug met de Britten en nu waren ze bondgenoten tegen een vijand die ze alleen kenden van horen zeggen ook al bleek het aantal strijdlustigen beperkt tot één Brigade. Ook hier was wellicht het oerinstinct naar bloedvergieten de drijfveer. Wij mensen van een eeuw later, aan alle comfort en geneugten van het hedendaagse leven gewend, begrijpen dat niet goed omdat we dat oerleven te ver achter ons hebben gelaten.
===============================================================================================

Daartegenover dient beklemtoont dat de Canadezen, Australiërs, Nieuw-Zeelanders en Zuid-Afrikanen  uitstekende militairen waren. Een verklaring zou schuilen in een goede omkadering. De leiding werd (meer) gerekruteerd op grond van hun verdiensten op het terrein terwijl dat bij de Britten  (en de meeste andere legers)  gebeurde op grond van hoofdzakelijk vooraf opgebouwde theoretische kennis. 60.000 Canadezen werden gedood (op ongeveer 450.000 'ingelijfden"), 18.000 Nieuw-Zeelanders kwamen om (op ongeveer 124.000 "opgeroepenen"enn een bevolking van één miljoen inwoners), 59.000 Australiërs verloren het leven op ongeveer 330.000 vrijwilligersop ee bevoking van 5 miljoen inwoners.
===============================================================================================

In tegenstelling tot de Belgen en Britten hebben de Fransen wel massaal inheemse Afrikanen ingezet aan het Europese front. Er was  zelfs een dienstplicht in de kolonieën die na verloop van tijd tot heuse volksopstanden leidde. Uiteindelijk zullen er meer dan 500.000 Afrikanen tegen de Duitsers ingezet worden. Ze werden gevreesd in man tot man gevechten waarbij allerlei al dan niet gefingeerde verhalen over vreemde en wreedaardige praktijken de ronde deden. Toen de Fransen na de oorlog ook zwarten inzetten bij de bezetting van het Rijnland stak er algemene verontwaardiging op bij de Duitse bevolking en werd  er officieel protest aangetekend door de Duitse regering die nochtans overheerst werd door sociaal democraten. Ongetwijfeld heeft door die  confrontatie met gekleurde volkeren  raciale theorieën bij de Duitsers gemakkelijker ingang gevonden.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Een “geval apart” was de  inbreng  van de Ieren in het Britse kamp. Sinds eeuwen werden de Engelsen in Ierland beschouwd als overheersers en er waren in het verleden al ettelijke volksopstanden geweest. Dit belette niet dat er naast protestantse Ieren die de Engelsen wel gunstig gezind waren, heel wat katholieke Ieren zich lieten inlijven in het Regular Army (het Britse beroepsleger) waarin hun vertegenwoordiging niet gering was. De Engelsen beschouwden de Ieren (net als trouwens de Schotten) als “woeste krijgers” die mits de “gepaste” omkadering door hoofdzakelijk Engelse officieren  best van pas kwamen bij allerlei koloniale conflicten  terwijl de Ieren en Schotten het leger zagen als een broodheer die bovendien nog “avontuur” op “exotische plaatsen” in het vooruitzicht stelden.

De kleine groep Ierse nationalisten hadden voor de eerste wereldoorlog relatief weinig invloed als was er onder de brede lagen van de bevolking een  latent ongenoegen over de Britse overheerser maar de onmiddellijke materiele  zorgen wogen zwaarder door. 

Toen de oorlog uitbrak verkoos de belangrijkste stroming* onder de nationalisten de Britten zelfs te  steunen om na de oorlog in ruil meer autonomie te verwerven. Ook de Engelsen gingen een eind mee in dit “samenspel “ al moest natuurlijk ook rekening gehouden worden met de protestanten in het noorden van Ierland ( Ulster ) die een of ander vorm van autonomie onder een katholieke meerderheid natuurlijk niet zagen zitten.

Er zouden in de eerste wereldoorlog ongeveer 200.000  Ierse vrijwilligers (volunteers) in het Britse leger gediend hebben waarvan 60.000 in het beroepsleger (Regular Army) . Daarnaast waren er nog de aparte legereenheden van Ieren die in Engeland leefden  die bijvoorbeeld dienden bij de London Irish  zoals er ook London Scottish  waren.

43% van de rechtstreeks uit Ierse eiland  aangemonsterde militairen waren protestant,  waarmee ze percentueel ruim oververtegenwoordigd waren. Nochtans bleven de vele tienduizenden katholieke “volunteers” een merkwaardigheid,  waarvan de motieven complex en  uiteenlopend waren. In het licht van de latere gebeurtenissen in Ierland ( Paasopstand, de onafhankelijkheidstrijd begin jaren twintig) werd later hun engagement zo niet mis begrepen, dan toch of op zijn minst omstreden. Daarnaast werden de katholieke “volunteers”binnen het Britse leger in toe nemende mate argwanend bekeken en neerbuigend behandeld . De Duitsers daarentegen probeerden met allerlei middelen de tweespalt tussen de Ieren en de Britten uit te buiten, weliswaar vruchteloos.

 

*De figuur van Majoor William Redmond, die sneuvelde op 7 juni 1917, de eerste dag van de slag om Mesen, en begraven ligt in Loker is kenschetsend voor de Ierse Zaak. Hij was toen al 56, parlementair, broer van de absolute voorman van de pragmatisch ingestelde Ierse nationalisten: John Redmond, en wilde resoluut bij zijn mannen blijven aan het front. Samen met de 36th division (protestanten) trok de 16th division (katholieken) die  dag op tegen de Duitsers. Ze zouden dat nog eens over doen in tussen Zonnebeke en Langemark rond half augustus tijdens de derde slag bij Ieper. Volledigheidhalve dient hier aan toegevoegd te worden dat tegen die tijd beide divisies niet meer homogeen Iers waren omdat er geen dienstplicht werd ingevoerd in Ierland (in tegenstelling tot de rest van Groot-Brittannië en vrijwilligers niet meer in grote getallen konden “warm” gemaakt worden) nadat beide divisies in 1916 al de slag aan de Somme hadden meegemaakt waarin ze waren “gehalveerd” tot “gedecimeerd”… Latere gevechten zullen de Ierse rangen zodanig uitdunnen dat er hoogstens nog Katholiek-Ierse bataljons zullen kunnen gevormd worden. Uiteindelijk werden ongeveer 30.000 Ieren gedood in de eerste wereldoorlog.

 

Een boeiend boek over de “Ierse zaak” in de eerste wereldoorlog is “Iers Niemandsland” van Marcel Stuivenga , uitgeverij ASPEKT  isbn: 90-5911-350-0

 

Legers hebben iets met heldencultus. De ene keer ziet men het breed en is het "iedereen held" (ons heldhaftig leger), een andere keer heeft men het alleen over de "gevallen helden" en wordt het heldenaureool alleen aan hen toegekend die het er niet levend hebben afgebracht.
Maar naast de gewone helden en de gesneuvelde helden waren er ook nog superhelden. Voor hen was er een "medaillepiramide" bedacht als "verdienste" voor kleine tot grote heldendaden. Strijden deed je immers niet om welk gewin dan ook, maar uit offervaardigheid. Maar toch moesten  "beloningen" worden uitgereikt; vandaar die medailles, de ene belangrijker dan de andere. Voor de hoogste onderscheidingen waren dit vaak "kruis", "cross", "kreuz" ... appellerend aan het opperwezen in wiens naam men het gevecht weliswaar niet meer exclusief kon voeren - de tegenstrever deed dat vaak ook in naam van datzelfde opperwezen -  maar wiens metafysische kracht toch nog afstraalde op het eigen heldendom.
Men kan daar nu natuurlijk schamper over doen omdat we in een tijd leven waar zinnebeelden ontrafeld zijn, pathos hol klinkt en dwepen met het ideële lachwekkend overkomt. Wij geloven niet meer in oppermachten, in hechte samenlevingsvormen of in -ismen tout-court omdat we intussen weten dat ze vaak misleiden en de geest vertroebelen waardoor we onze echte belangen niet meer zien. We prijzen ons gelukkig dat de geschiedenis ons dàt geleerd heeft en we de, in onze ogen naïviteit van onze (overgroot)ouders achter ons hebben kunnen laten.

Militaire geschiedschrijving zweert meestal wel nog bij de heersende waarden van de toenmalige strijd die ze beschrijft, deels uit respect en wellicht ook omdat men er van uitgaat dat ze een geheel vormen. Zo wordt een relaas over een gevecht bij Britse geschiedkundigen bijna altijd onderbroken om haast euforisch te vermelden dat ginds of daar een VC (zelden voluit geschreven als Victoria Cross maar wie weet dat nu niet) werd toegekend voor een daad van uitzonderlijke moed en dat zal wel zo zijn geweest. Er zijn mensen die in het heetst van de strijd in elkaar kruipen en gaan janken als een kind maar anderen (weliswaar een zeldzamer soort) stijgen in het aanschijn van de dood boven zichzelf, en blijven koelbloedig onder de vreselijkste omstandigheden hun taak uitvoeren en soms nog meer. Het menselijk gedrag sluit uitersten niet uit en is vaak onverklaarbaar waarom in kritieke omstandigheden  de ene keer zo gereageerd werd en een andere keer soms totaal anders.

Er werden in de eerste wereldoorlog 633 VC's uitgereikt waarvan meer dan 60 tijdens de derde slag bij Ieper. 10% dus en gemiddeld  meer dan één per twee dagen. Het was dan ook een wanhopige strijd die bijna nooit verliep zoals hij gepland was, ondanks de heldenmoed. Maar in tragische tijden blinkt die heldenmoed het felst en de legerleiding zal ook iets vrijgeviger geweest zijn bij de toekenning van de VC's.