|
De Britse houding in de "Continentale" disputen (in de eerste plaats tussen
Duitsland en Frankrijk) is lange tijd onbeslist gebleven. De sympathie voor de
eeuwenlange vijand Frankrijk was matig en berekend, anderzijds was de schrik
voor de opkomende grootmacht Duitsland reëel. Feit is dat er in
Groot-Brittannië geen duidelijk vijandbeeld was naar geen enkele
partij toe en dit liet, tot het laatste moment, allerlei allianties toe al
had ze wel samenwerkingsverband getekend met Frankrijk maar dat voor
interpretatie vatbaar was.

|
|
 |
De
beslissing om deel te nemen aan de oorlog tegen Duitsland was dus een puur
politieke berekening. De inval van de Duitsers in België was de
verrechtvaardiging om toe te treden tot het kamp van de geallieerden en gaf
die beslissing de nodige morele ruggensteun. Het raakte de natie niet
echt in
haar essentie. Er werd een beroepsleger op "expeditie" gestuurd, zoals in het verleden
al meermaals was gebeurd bij koloniale conflicten en dit had in de eerste
plaats budgettaire consequenties waarbij de "kostenbaten analyse" vooraan
werd geplaatst. De natie (inclusief de bevolking) keek toe.

de
Britse opperbevelhebber Sir Douglas Haig. |
|

Toen de oorlog niet verliep
zoals men zich had voorgesteld (spoedig einde en met een duidelijke overwinnaar,
uiteraard het eigen kamp) veranderde alles. Men realiseerde zich dat men
zich in een onderneming had gestort waaruit men zich zomaar niet kon
terugtrekken. Het emotionele gedram over "the litlle poor Belgians"
verstomde en men realiseerde zich dat men enorme wapenfabrieken uit de grond
zou moeten stampen wilde men kunnen meespelen in die industriële
confrontatie dat achter het begrip "war" bleek schuil te zitten.

|
|
Nieuwe manschappen
ronselen om het uiteengeschoten beroepsleger aan te vullen was aanvankelijk
geen probleem. Bij de bevolking heerste nog een geromantiseerd beeld van
de oorlog en zelfs in de verre koloniën kon men mensen warm maken voor
"het grootste avontuur" dat jonge mannen konden beleven. Het begripsvermogen
van die jonge mannen kon niet vatten wat hen te wachten stond. |
|

1915 was in dat
opzicht tekenend. Vooral rond Ieper werden de heroïsche aanvallen ( Hill 60,
Hooge ) op Duitse posities uitgevoerd met tragisch orgelpunt de slag bij
Loos (Arras). Het militair industrieel apparaat was ontoereikend: niet
voldoende ondersteunende vuurkracht, ontoereikende coördinatie, kortom te veel
heldendom en te weinig militaire organisatie. Overigens hadden de Fransen daar nog meer
van dat alles samengevat onder het motto: aanvallen tot het uiterste (attaque en outrance)
en we zien wel.
Hun verliezen waren in 1914-15, ook verhoudingsgewijze, nog veel verschrikkelijker.
Hoe
ontoereikend die Britse militaire organisatie wel was bewijst volgend
feit: de Britten moesten zowaar bij het Belgische leger in de leen gaan voor
enkele baterieën inclusief peroneel. Er zijn drie batterijen ( 24
kannonen met 1000 man bediening- en ondersteuningspersoneel) tot de zomer
1917 in "Britse dienst" geweest. In 1915 konden de Britten
nauwelijks hun linies afdekken met voldoende artillerievuur zodat ze die
met veel meer mankracht moesten bemannen dat de Fransen waardoor er ook
veel meer dan nodig verliezen werden geleden. Manschappen waren inderdaad
meer voorhanden dan vuurkracht....
Het volledige verhaal kun je lezen
in Schrapnel jaargang 2001 nr2, het ledenblad van de Western Front
Association http://www.wfa-belgie.be/

|
|
1916 zou anders worden. Men had het van Britse kant begrepen wat ontbrak:
organisatie én vuurkracht. In dat opzicht was voor de aanval aan de Somme
alles tot in de puntjes geregeld: een nooit geziene samentrekking van
vuurmonden en een uitgekiende taakverdeling. Maar het liep anders: de
vuurkracht kon de intussen goed doordachte verdedigingswerken van de
Duitsers onvoldoende vernietigen en de vooropgestelde planning en
taakverdelingen kon daar niet soepel genoeg bij aangepast worden. Er vielen
de eerste dag van het offensief 20.000 Britse doden en het militair
resultaat was bedroevend. Zelfs de flankerende Fransen die met hun vaak
spreekwoordelijk improvisatietalent deden die eerste Juli beter.
|
|

In
1917 had men al veel bijgeleerd. In Vlaanderen zouden de Britten het debacle
van de Somme doen vergeten. De slag van Mesen was in elk geval een goede
aanzet: een militair succes van eerste orde en daarbij wegen de eigen
verliezen niet door. Maar die slag om Mesen zou maar een prelude zijn van iets veel
grootser: de Duitse linies doorbreken rond Ieper en via het achterland, en
een
gecombineerde landing, de Belgische kusthavens ontzetten. De vuurkracht die
samengetrokken werd was al het dubbele van die aan de Somme en het nieuw
ontwikkelde tankwapen had maturiteit gekregen. Een iets ontsnapte aan de
militaire plannenmakers: het mogelijks natte weer en de daarbij horende
modder. Augustus en oktober 1917 werden
zeer natte maanden en de
enorme bombardementen schoten ook het draineer - en afwateringsysteem stuk. De
grootse Britse plannen verzopen...letterlijk.

Britse militair die zich,
net als strijders uit andere landen, krijgshaftig liet fotograferen alvorens
naar het slagveld te vertrekken. Zij beseften te weinig dat men in een zich
steeds verder ontwikkelend industrieel proces zou terechtkomen van
uiteenspattende projectielen en snelvuur waarin het er opaankwam zich zo
professioneel mogelijk te verbergen en als men zich toch moest blootgeven
-de vijand moest vroeg of laat verdreven worden - die het best deed achter
intens barragevuur, zijnde een muur van vuur, rook en staal.

|
 |
|
Aanvankelijk had men in Groot-Brittannië weinig moeite om vrijwilligers voor
het leger te ronselen. Naarmate informatie over de verschrikkelijke
verliezen tot het thuisfront doorsijpelde moest men alle propagandamiddelen
inzetten om jonge mannen te overtuigen zich voor het leger te melden. In
1916 zag men zich genoodzaakt de dienstplicht in te voeren. |
|
|
|
Britse Begraafplaatsen |
|
In tegenstelling tot de
andere nationaliteiten hebben de Britten (voor de gesneuvelden van het hele
Britse rijk) geopteerd geen
"stoffelijke overschoten" te repatriëren. Dit heeft er voor gezorgd dat er
ondermeer
rond Ieper een lappendeken van begraafplaatsen ligt, kleine van enkele
tientallen graven tot massale begraafplaatsen van bijna 12.000 zerken. In
het totaal worden er bijna 195.000 Britse doden uit de eerste wereldoorlog in
België "herdacht" waarvan ongeveer 175.000 rond Ieper. |
|
Militaire slachtoffers
begraven in individuele graven was in 1914 nog geen algemene praktijk. In
het verleden wierp men de gesneuvelden in massagraven of werden de skeletten
in knekelhuizen "opgeslagen". Alleen in de Amerikaanse burgeroorlog
(1861-1865) en later in de Boerenoorlogen in Zuid-Afrika werden de
gesneuvelden, indien mogelijk, individueel begraven.
Frankrijk en de
Verenigde Staten lieten na de eerste wereldoorlog lichamen, op
aanvraag van de nabestaanden, repatriëren om
ze in eigen bodem opnieuw te begraven op
militaire begraafplaatsen of op burgerkerkhoven.
Ook de meeste Belgische doden werden ontgraven om in hun woonplaats te worden herbegraven. De
Britten vormden dus in het geallieerde kamp een uitzondering. |
|
Van 175.000
Commenwealth-doden die vielen rond Ieper* tijdens wereldoorlog één, ligt ongeveer de helft
onder een steen (allemaal identiek, gezaagd uit zandsteen) waarop zijn naam
is gebeiteld. Dit wil daarom niet zeggen dat
de vermelde gesneuvelde daadwerkelijk onder die steen
ligt. Van sommigen onder hen is wel geweten dat hij ooit op een bepaalde
plaats begraven werden maar door beschietingen zijn hun graven verdwenen. Dan
werd een "gedenksteen" opgericht met de naam van de gesneuvelde in
gebeiteld,
ofwel op de
oorspronkelijke begraafplaats maar soms ook op een andere begraafplaats in de omgeving. Op
de "gedenkstenen" staat dan een toelichting over de werkelijke
begraafplaats: "in de omgeving" (near this spot) of "op deze begraafplaats
zonder exact de plaats te kennen (known to be buried in
this cemetery). Sommige begraafplaatsen bevatten uitsluiten
gedenkstenen bijvoorbeeld "Hew Row Trench cemetry",
gelegen in het Provinciaal domein Palingbeek (Zillebeke), omdat
het door intense artilleriebeschietingen werd doorwoeld. Heel dikwijls staan
de gedenkstenen in een kring of tegen de muren van de begraafplaats.
Enkel de doden waarvan men ongeveer met zekerheid de stoffelijke
resten kon identificeren liggen dus onder een "grafsteen"en voor
zij waarvan men wist dat ze ooit begraven werd een "gedenksteen" opgericht.
Dit eerbetoon (graf - of gedenksteen) kon maar voor ongeveer de helft van de
Britse doden gestalte gegeven worden .
De andere helft van de Britse doden heeft helemaal geen gekend graf of
persoonlijke gedenksteen en wordt herdacht, voor het grootse deel aan de
Menenpoort in Ieper (bijna 55.000), of op de herdenkingsmuur achteraan het
"Tyne cot cemetery" (bijna 35.000) of op de herdenkingsmuur van de Missing
Memorial in Ploegsteert (bijna 11.500). Op de muur in Ploegsteert worden ook
gesneuvelden herdacht die gevallen zijn net over de Franse grens.
Op die "herdenkingsmuren" staan alle onderdanen van de "British Empire"
uitgezonderd de Nieuw-Zeelanders die hun eigen "memorials to the missing"
hebben.
*Heen
precies is dit cijfer niet bepalen omdat er "gevallenen" op
Belgische bodem begraven werden over de Franse grens terwijl er op de
Memorial of Missing in Ploegsteert doden worden herdacht die het leven
lieten over de grens. In deze materie heeft die Frans-Belgische grens geen
betekenis.

|
|

In tegenstelling tot de
Fransen (ossuaire) of de Duitsers (Kameradengrab) hebben de
Britten geen collectieve graven. Niet geïdentificeerde, stoffelijke overschotten werden onder een
gedenksteen begraven met het opschrift "know unto God". Van
ongeveer de helft van de vermisten werden stoffelijke overschotten
gevonden en liggen dus onder een gedenksteen waarin die vermelding
gebeiteld staat. Hun namen staan op een "memorial of missing".
Daarentegen zijn er zijn wel veel relatief kleine "groepsgraven" waarvan
de skeletten door elkaar gemengd zijn maar waarbij de gesneuvelden
gekend zijn (bijvoorbeeld artilleristen bij een batterij die een
voltreffer kregen). In dat geval staan de grafstenen tegen elkaar
(hoewel dit op sommige begraafplaatsen hieromtrent minder duidelijk is). Er
werden ook gedenkstenen opgericht voor hen waarvan men wist dat ze ooit
begraven werden maar waarvan de begraafplaats door beschietingen
compleet verloren was gegaan. Die doden kregen dan groepsgewijs een
duidelijk herkenbare plaats (bijvoorbeeld een cirkel) op een
begraafplaats in de buurt was ze ooit begraven lagen. Ze vormen al het
ware een aparte "gedenkruimte" binnen een begraafplaats.
Een "kerkhof" onderscheid zich van een
"begraafplaats" omdat een kerkhof nu eenmaal rond een kerk ligt wat
vroeger bijna altijd het geval was. Er liggen relatief weinig
militairen op (burger)kerkhoven. Het enige ons bekend, uitsluitend militair "kerkhof", ligt rond het
kerkje van Oeren (Alveringem). Daar rusten Belgische militairen. Het
is een bijzonder aangrijpende plaats.
( De meeste "intieme" Britse begraafplaatsen liggen naar ons aanvoelen,
in het bos van Ploegsteert. Nergens hangt er een zo prangende sfeer
als op die plek, daar midden in het woud.)
|
Eigenlijk is men maar
vanaf september 1915 "systematisch" beginnen begraven. Voordien werden de
lijken, voor zover mogelijk, begraven op de zogenaamde "Batllefield
cemeteries", dichtbij de frontlijn, haast altijd in de nabijheid van een
medische hulppost. Later werden een heel eind achter het front "War cemeteries" aangelegd,
waar de gesneuvelden ordentelijk(er)
konden begraven worden. Nog later in, en vooral na, de oorlog werden
"New cemeteries" aangelegd die heel dikwijls ook "Concentrations cemeteries"
zijn . Dit waren "verzamelbegraafplaatsen" voor de vele kleine
begraafplaatsen, soms maar van enkele (tientallen) gesneuvelden of zelfs één enkel graf,
of van begraafplaatsen die op minder "geschikte" plaatsen lagen.
(Vooral machtige landeigenaren slaagden er wel eens
in een begraafplaats van hun eigendom te doen verwijderen. Bekend is
het verhaal aan "Rossignol Hill" bij het Ploegsteertbos. In de herfst van
1930 werden 475 skeletten ontgraven en herbegraven op een begraafplaats in
de buurt. In de "Ieperboog 14-18, slagveld België 3" is hieromtrent een
hoofdstuk gewijd).
|


 |
Dat op stoffelijke overschotten stoten tijdens slagveldarcheologische
opzoekingen voor soms pijnlijke probleemstellingen zorgt weten de "Diggers"
www.diggers.be
, een groep amateur archeologen, maar al te goed. Als
dat weer "zo ver" is wordt bijzonder omzichtig te werk gegaan.
Heel dikwijls begint de "vondst" met een onderdeel van een skelet. Soms
wordt ook de "rest" gevonden, soms niet. Uiteraard wordt
wanneer het om geringe stoffelijke resten gaat, een afweging gemaakt of kan
besloten worden tot het herbegraven ervan als individueel persoon. Door het
toedoen van de Diggers zijn tot eind 2003 resten van al bijna 200
"gesneuvelden" aldus begraven op militaire begraafplaatsen in de
frontstreek.
(met dank aan
Aurel Sercu voor het duidelijk stellen van deze wel bijzonder kiese materie).
|
 |
Een
ander omstreden materie is "Shot at Dawn": de terechtstellingen in het
Britse leger.
In het gehele Britse, imperiale leger werden 343 doodvonnissen uitgevoerd,
dit iets meer
dan 10% van de vonnissen die uitgesproken werden.Ter vergelijking: in het
Duitse leger was dit nog geen 50, in het rumoerige Franse leger 550
waarvan 350 dan nog in het eerste oorlogsjaar.
In het Britse leger bleef het aantal executies daarentegen ongeveer gelijk
waardoor men eigenlijk geen rekening hield met het toegenomen inzicht in
wat men ondermeer "shellschock" is gaan noemen: psychische reacties op
extreme en langdurige blootstelling aan doodsgevaar.
(Piet Chielens schreef menig artikel over
dit onderwerp)
|
|
Op elke begraafplaats
van meer dan 40 graven werd een "Cross of Sacrifice" opgericht als een symbool van
"offerbereidheid". Op grotere begraafplaatsen (in principe meer dan 1.000 graven)
werd een "Stone of Remenbrance" geplaatst als symbool voor "vereeuwiging". De
grafstenen zijn in hoofdzaak van witte portland (zandsteen)
afkomstig uit Zuid-Engeland. Beschadigde stenen worden de laatste jaren
vervangen door Botticino marmer uit Noord-Italië. Op die stenen (headstones)
staan persoonlijke en militaire gegevens, soms ook een door de nabestaanden
gekozen tekst. |
|
Tony
Debruyne en Frans Decamps van de " Western Front Association" http://www.wfa-belgie.be/
hebben zich in
thematiek van de Britse begraafplaatsen verdiept en er menig artikel of
spreekbeurt aan gewijd. Frans Descamps is een enthousiast spreker en de
aangewezen gids voor rondleidingen op begraafplaatsen. |
|
de
"dominions" |
|
In 1914 was het Britse rijk nog heel wat
groter dan het huidige "United Kingdom". Sindsdien heeft niet
alleen Ierland zich " afgescheurd"; het bezat toen nog talrijke
koloniën, protectoraten en semi-onafhankelijke gebieden. Uit
die "vier windstreken" kon het manschappen werven voor de oorlog op het
Europese vaste land. Het gemak en de omvang waarmee dat (aanvankelijk)
gebeurde wekt op zijn minst verbazing. Jonge mannen lieten zich met veel
enthousiasme inlijven voor een wel bijzonder "ver van hun bed show". De
drang naar avontuur zal wel de voornaamste drijfveer geweest zijn in een
tijd dat men het gevoel had zich stierlijk te vervelen naast de drang om
het oerinstinctieve "krijgerschap" lijfelijk te beleven. Dat de oorlog
intussen industrieel geredigeerd werd zal welhaast tot
geen enkele geest zijn doorgedrongen. |
|
Waar de "gekleurde volkeren"
(hoofdzakelijk uit het toenmalige India) nog met dubieuze beloften en
niet gehinderd door enig voorstellingsvermogen, naar Europa gedirigeerd werden,
maar omwille van klimatologische omstandigheden vrij snel van het front
teruggetrokken werden om in warmere gebieden ingezet te worden, moeten Canadezen, Australiërs,
Nieuw-Zeelanders en Zuid-Afrikanen (iets) beter geweten hebben.
|
In Canada was het
vooropgestelde contingent van 20.000 man onmiddellijk volzet. Men kon
het zich permitteren om aan de getrouwde mannen een schriftelijke
toestemming te vragen van hun echtgenotes om tot de dienst te worden
toegelaten. Dit in een tijd dat diezelfde vrouwen niet eens
stemrecht hadden. Er melden zich in Canada ook liefst 5.000 Amerikanen,
alleen al uit Texas, voor de strijd. Een rijke "mecenas" bekostigde de
uitrusting voor een heel regiment (de Princess Patricia's Light
Infantry, in de vakliteratuur: PPLI). Het kon niet op.
===============================================================================================
|
In Australië en Nieuw Zeeland was het enthousiasme niet
geringer. Ze zullen samen de Anzac-eenheden vormden en samen
even ijverig sneuvelen aan een tempo dat die van de Britten ver
overtrof. Ze kregen vaak de meest hopeloze opdrachten maar
droegen het aureool van dappere, maar roekeloze soldaten die hun
imago ijverig koesterden.
===============================================================================================
|
Helemaal te gek was de
"oorlogsbijdrage" van de "Zuid-Afrikaners".
Ze hadden nog maar tien jaar een bloedige oorlog achter de
rug met de Britten en nu waren ze bondgenoten tegen een
vijand die ze alleen kenden van horen zeggen ook al bleek
het aantal strijdlustigen beperkt tot één Brigade. Ook hier
was wellicht het oerinstinct naar bloedvergieten de
drijfveer. Wij mensen van een eeuw later, aan alle comfort
en geneugten van het
hedendaagse leven gewend, begrijpen dat niet goed omdat we dat
oerleven te ver achter ons hebben gelaten.
===============================================================================================
|
Daartegenover dient beklemtoont dat de Canadezen,
Australiërs, Nieuw-Zeelanders en Zuid-Afrikanen
uitstekende militairen waren. Een verklaring zou
schuilen in een goede omkadering. De leiding werd (meer)
gerekruteerd op grond van hun verdiensten op het terrein
terwijl dat bij de Britten (en de meeste andere
legers) gebeurde op grond van hoofdzakelijk vooraf
opgebouwde theoretische kennis. 60.000 Canadezen werden
gedood (op ongeveer 450.000 'ingelijfden"), 18.000
Nieuw-Zeelanders kwamen om (op ongeveer 124.000 "opgeroepenen"enn
een bevolking van één miljoen inwoners),
59.000 Australiërs verloren het leven op ongeveer 330.000
vrijwilligersop ee bevoking van 5 miljoen inwoners.
===============================================================================================
|
In tegenstelling tot de Belgen en
Britten hebben de Fransen wel massaal inheemse Afrikanen
ingezet aan het Europese front. Er was zelfs
een dienstplicht in de kolonieën die na verloop van tijd tot heuse
volksopstanden leidde. Uiteindelijk zullen er meer
dan 500.000 Afrikanen tegen de Duitsers ingezet
worden. Ze werden gevreesd in man tot man gevechten
waarbij allerlei al dan niet gefingeerde verhalen
over vreemde en wreedaardige praktijken de ronde
deden. Toen de Fransen na de oorlog ook zwarten
inzetten bij de bezetting van het Rijnland stak er
algemene verontwaardiging op bij de Duitse bevolking
en werd er officieel protest aangetekend door
de Duitse regering die nochtans overheerst werd door
sociaal democraten. Ongetwijfeld heeft door die confrontatie
met gekleurde volkeren raciale theorieën bij
de Duitsers gemakkelijker ingang gevonden. |
|
|
|
|
|
|
|
Een “geval apart” was de
inbreng van de
Ieren in het Britse kamp. Sinds eeuwen werden de Engelsen in Ierland
beschouwd als overheersers en er waren in het verleden al ettelijke
volksopstanden geweest. Dit belette niet dat er naast protestantse
Ieren die de Engelsen wel gunstig gezind waren, heel wat katholieke
Ieren zich lieten inlijven in het Regular Army (het Britse
beroepsleger) waarin hun vertegenwoordiging niet gering was. De
Engelsen beschouwden de Ieren (net als trouwens de Schotten) als
“woeste krijgers” die mits de “gepaste” omkadering door
hoofdzakelijk Engelse officieren
best van pas kwamen bij allerlei koloniale conflicten
terwijl de Ieren en Schotten het leger zagen als een
broodheer die bovendien nog “avontuur” op “exotische
plaatsen” in het vooruitzicht stelden.
De
kleine groep Ierse nationalisten hadden voor de eerste wereldoorlog
relatief weinig invloed als was er onder de brede lagen van de
bevolking een latent ongenoegen over de Britse overheerser maar de
onmiddellijke materiele zorgen
wogen zwaarder door.
Toen
de oorlog uitbrak verkoos de belangrijkste stroming* onder de
nationalisten de Britten zelfs te
steunen om na de oorlog in ruil meer autonomie te verwerven.
Ook de Engelsen gingen een eind mee in dit “samenspel “ al moest
natuurlijk ook rekening gehouden worden met de protestanten in het
noorden van
Ierland ( Ulster ) die een of ander vorm van autonomie onder een
katholieke meerderheid natuurlijk niet zagen zitten.
Er zouden in de eerste
wereldoorlog ongeveer 200.000 Ierse
vrijwilligers (volunteers) in het Britse leger gediend hebben
waarvan 60.000 in het beroepsleger (Regular Army) . Daarnaast waren
er nog de aparte
legereenheden van Ieren die in Engeland leefden
die bijvoorbeeld dienden bij de London Irish
zoals er ook London Scottish
waren.
43%
van de rechtstreeks uit Ierse eiland
aangemonsterde militairen waren protestant,
waarmee ze percentueel ruim oververtegenwoordigd waren.
Nochtans bleven de vele tienduizenden katholieke “volunteers”
een merkwaardigheid, waarvan
de motieven complex en uiteenlopend
waren. In het licht van de latere gebeurtenissen in Ierland (
Paasopstand, de onafhankelijkheidstrijd begin jaren twintig) werd
later hun engagement zo niet mis begrepen, dan toch of op zijn minst
omstreden. Daarnaast werden de katholieke “volunteers”binnen het
Britse leger in toe nemende mate argwanend bekeken en neerbuigend
behandeld . De Duitsers daarentegen probeerden met allerlei middelen
de tweespalt tussen de Ieren en de Britten uit te buiten, weliswaar
vruchteloos.
*De
figuur van Majoor William Redmond, die sneuvelde op 7 juni 1917, de
eerste dag van de slag om Mesen, en begraven ligt in Loker is
kenschetsend voor de Ierse Zaak. Hij was toen al 56, parlementair,
broer van de absolute voorman van de pragmatisch ingestelde Ierse nationalisten: John
Redmond, en wilde resoluut bij zijn mannen blijven aan het front.
Samen met de 36th division (protestanten) trok de 16th
division (katholieken) die
dag op tegen de Duitsers. Ze zouden dat nog eens over doen in
tussen Zonnebeke en Langemark rond half augustus tijdens de derde slag
bij Ieper. Volledigheidhalve dient hier aan toegevoegd te worden dat
tegen die tijd beide divisies niet meer homogeen Iers waren omdat er
geen dienstplicht werd ingevoerd in Ierland (in tegenstelling tot de
rest van Groot-Brittannië en vrijwilligers niet meer in grote
getallen konden “warm” gemaakt worden) nadat beide divisies in
1916 al de slag aan de Somme hadden meegemaakt waarin ze waren
“gehalveerd” tot “gedecimeerd”… Latere gevechten zullen de
Ierse rangen zodanig uitdunnen dat er hoogstens nog Katholiek-Ierse bataljons
zullen kunnen gevormd worden.
Uiteindelijk werden ongeveer
30.000 Ieren gedood in de eerste wereldoorlog.
Een
boeiend boek over de “Ierse zaak” in de eerste wereldoorlog is
“Iers Niemandsland” van Marcel Stuivenga , uitgeverij ASPEKT
isbn: 90-5911-350-0
|
|
|
Legers hebben iets met
heldencultus. De ene keer ziet men het breed en is het "iedereen held"
(ons heldhaftig leger), een andere keer heeft men het alleen over de
"gevallen helden" en wordt het heldenaureool alleen aan hen toegekend die het er niet
levend hebben afgebracht.
Maar naast de gewone helden en de gesneuvelde helden waren er ook nog
superhelden. Voor hen was er een "medaillepiramide" bedacht als
"verdienste" voor kleine tot
grote heldendaden. Strijden deed je immers niet om welk gewin dan ook, maar
uit offervaardigheid. Maar toch moesten "beloningen" worden
uitgereikt; vandaar die medailles, de ene belangrijker dan
de andere. Voor de hoogste onderscheidingen waren dit vaak
"kruis", "cross", "kreuz" ... appellerend aan het opperwezen in wiens naam
men het gevecht weliswaar niet meer exclusief kon voeren - de tegenstrever deed dat
vaak ook in naam van datzelfde opperwezen - maar wiens metafysische kracht toch nog afstraalde op
het eigen
heldendom.
Men kan daar nu natuurlijk schamper over doen omdat we in een tijd leven waar
zinnebeelden ontrafeld zijn, pathos hol klinkt en dwepen met het ideële
lachwekkend overkomt. Wij geloven niet meer in oppermachten, in hechte
samenlevingsvormen of in -ismen tout-court omdat we intussen weten dat ze
vaak misleiden en de geest vertroebelen waardoor we onze echte belangen niet meer
zien. We prijzen ons gelukkig dat de geschiedenis ons dàt geleerd heeft en
we de, in onze ogen naïviteit van onze (overgroot)ouders achter ons hebben kunnen laten. |
Militaire geschiedschrijving zweert meestal
wel nog bij de heersende waarden van de toenmalige strijd die
ze beschrijft, deels uit respect en wellicht ook omdat men er van uitgaat
dat ze een geheel vormen. Zo wordt een relaas over een
gevecht bij Britse geschiedkundigen bijna altijd onderbroken om haast
euforisch te vermelden dat ginds of daar een VC (zelden voluit geschreven
als Victoria Cross maar wie weet dat nu niet) werd toegekend voor een daad
van uitzonderlijke moed en dat zal wel zo zijn geweest. Er zijn mensen die
in het heetst van de strijd in elkaar kruipen en gaan janken als een kind
maar anderen (weliswaar een zeldzamer soort) stijgen in het aanschijn van de
dood boven zichzelf, en blijven koelbloedig onder de vreselijkste
omstandigheden hun taak uitvoeren en soms nog meer. Het menselijk gedrag sluit uitersten niet
uit en is vaak onverklaarbaar waarom in kritieke omstandigheden de ene
keer zo gereageerd werd en een andere keer soms totaal anders. |
|
Er
werden in de eerste wereldoorlog 633 VC's uitgereikt waarvan meer dan 60
tijdens de derde slag bij Ieper. 10% dus en
gemiddeld meer dan één per twee dagen. Het was dan ook een wanhopige
strijd die bijna nooit verliep zoals hij gepland was, ondanks de heldenmoed.
Maar in tragische tijden blinkt die heldenmoed het felst en de legerleiding
zal ook iets vrijgeviger geweest zijn bij de toekenning van de VC's. |
|