bommen en granaten
Start Omhoog eerste slag om Ieper tweede slag om Ieper slag om Mesen derde slag bij Ieper lenteoffensief eindoffensief Hooge Hill 60 Sint Elooi ondergrondse oorlog

educatieve site over de eerste wereldoorlog aan de Ieperboog ( en de IJzer )

Hoe het onderscheid tussen beide te maken:
bommen worden " afgeworpen" uit vliegtuigen, granaten worden afgeschoten  door artillerie
 Maar: bepaalde mortieren schoten "gevleugelde" granaten af die net als "gevleugelde" bommen loodrecht op doel neervielen, bijvoorbeeld loopgraven. Daarom werden ze dan ook mortierbommen genoemd. Ook andere heel specifieke granaten werden als "bommen" bestempeld. Duitsers noemden sommige projectielen zelfs "minen" al ze het hadden over mortiergranaten die "geworpen" werden uit de "minenwerfer". In het Nederlands  betekent  "mijn" daarentegen  ontploffingstuig dat onder de grond gestopt wordt of op zee dobbert.  Verwaring troef dus.

De benaming "bom" ( bomb in het Engels , bombe zowel in het Duits als het Frans ) als granaat ( granate in het Duits, grenade zowel in het Frans als het Engels ) waren "universele" begrippen. Maar "perfect" werkten die tuigen allesbehalve. Tot een derde van de afgeschoten tuigen explodeerde niet. Ze werden "blindgangers" genoemd en worden  heden ten dage nog aangetroffen in de velden rond Ieper en de IJzer. Als ze afzonderlijk her en der in de velden worden aangetroffen zijn het afgeschoten maar niet-ontploft tuig.

 

              ps: "Obus" is het Franse woord voor granaat maar als "verbasterd" woord wijdverbreid in het Nederlandse taalgebruik voor een (groot) artillerieprojectiel.

kanonnen  houwitsers   mortieren   Dikke Bertha   Lange Max
   soixante-quinze      minenwerfer
tijdbuis   schokbuis   schrapnel   brisantgranaat

Hier volgen een paar elementaire begrippen omtrent geschut en projectielen:

Artillerie:

Kanonnen: zijn vlakbaangeschut (met relatief lange loop). De projectielen werden dus vrij vlak afgeschoten en kwamen dan ook in schuine baan op doel terecht. Aangezien iedereen na enige tijd oorlog zo diep mogelijk in de grond kroop, kon de vernietigingskracht niet altijd optimaal aangewend worden. Ze konden wel de zwaarste granaten afschieten.

Houwitsers: zijn krombaangeschut (met relatief korte loop). De projectielen kwamen na het schrijven van een grote boog al met een steile hoek op de doelen terecht. Met een goed gemikt schot kon de (verschanste) vijand "doelmatiger"worden bestookt.

Mortieren: zijn steilbaangeschut (met (nog) korte(re) loop), eigenlijk het kleine broertje van de houwitsers. Ze konden worden opgesteld in de loopgravenzone bij de  observatiepunten ( en/of daarmee een goede of "bedrijfszekere" communicatie hadden). Doordat het doel vlakbij was moesten de projectielen wel een grote boog maken. Ze kwamen vrij steil tot loodrecht naar beneden wat hun vernietigkracht in de ingegraven vijandelijke linies "optimaliseerde". Hoewel er natuurlijk ook "zware" mortieren waren, was hun "vuurkracht" wel geringer dan bij kanonnen en houwitsers.

Opmerkelijke artilleriestukken:

 

"DIKKE BERTHA" werden ondermeer in het begin van de oorlog ingezet om de forten van Luik in puin te leggen. Ze schoten de zwaarste kalibers af die in de eerste wereldoorlog werden gebruikt: 42 cm (doorsnede van de granaat) en woog naargelang het "model" van 400 tot 930 kilogram, was van 0,75 tot 1.5 meter hoog en had een reikwijdte tot 14 kilometer. Deze zware kanonnen werd gemeenzaam "dikke Bertha's" genoemd omwille van hun "corpulente" uitzicht met relatief korte loop (5m).

"LANGE MAX": was in 1917 opgesteld bij Koekelare aan de "Leugenboom" - een iets kleiner broertje stond in 1915 opgesteld bij Klerken aan de "Predikboom" - en schoot kalibers af van een iets bescheidener 38cm maar die vlogen wel meer dan 40 kilometer ver waardoor ondermeer de haven van Duinkerken kon worden bestookt. Opvallend was de "looplengte" : meer dan 17 meter, vandaar... "Lange Max". In 1918 zouden de Duitsers Parijs beschieten van op zeer grote afstand (120km). Daarvoor hadden ze kanonnen ontwikkeld (de zogenaamde "Parizer Kanone") met een "uitschuifbare" loop van liefst 34 meter.

 

SOIXANTE-QUINZE": minder om zijn "brute" dan om zijn "werkkracht" was dit Franse kanon alom bekend dat inderdaad maar projectielen van 75 mm doorsnee afvuurden en maar een krater sloegen van gemiddeld twee meter doorsnede en ťťn meter diepte. Vooral in het begin van de oorlog waren ze naargelang het kamp, geliefd of gevreesd om hun efficiŽnte inzet. Er wordt wel eens beweerd dat vooral de "soixante-quinze" - destijds door iedereen onder die technische benaming gekend - die de Duitsers aan de Marne en tijdens de eerste slag van Ieper in 1914 gestopt hebben. Het Franse leger had trouwens nauwelijks zwaardere kanonnen omdat ze zich alleen een snelle bewegingsoorlog konden voorstellen waarbij zware kanonnen niet mobiel genoeg waren. (Ze kregen nog gelijk ook als was de trekrichting van de vijandelijkheden tijdens de eerste maand van de oorlog niet die dat ze zich voorgesteld hadden...)  

MINENWERFER: was een Duitse loopgraafmortier dat in verscheidene kalibers bestond en door de Geallieerden gevreesd werd voor zijn efficiŽntie en precisie. Door de hoge maar korte boog dat het projectiel beschreef werd dat vergeleken met "werpen". De Fransen hadden zelfs  mortieren met louter pneumatische aandrijving die letterlijk de weliswaar lichte projectielen wegwierp. De Britse "Trench mortar" waren hoofdzakelijk als "Stokes" en Newton" aangemerkt.

Uiteraard was het belangrijk vooral het zwaardere geschut van de vijand te lokaliseren. Waarneming uit vliegtuigen en aan kabels vasthangende ballons (de plaatselijke bevolking noemde ze "zwijntjes" naar hun bizarre vorm) werd bij goede zichtbaarheid haast constant uitgevoerd. Daarnaast was er nog de "flitswaarneming", voor die tijd een hoogtechnologische (Britse) methode waarbij met behulp van een "theodoliet" en complexe "trigonometrische" berekeningen de coŲrdinaten werden bepaald waar de vijandelijke batterijen opgesteld stonden. Een andere, al even hoogtechnologische methode, was de "geluidsregistratie", waarbij  de dreun van het vijandelijke kanon, via een magnetische "galvanometer"  werd opgemeten, waardoor de schokgolf kon vastgelegd worden op fotofilm waaruit uiteindelijk de coŲrdinaten kon bepaald worden waar het betreffende kanon was opgesteld. Maar alleen al mist, of anderzijds veel wind verstoorden die methodes...of de vijand maakte meer en meer gebruik van "flitsloze" drijfladingen.

Ontstekingsmechanismen:

tijdbuis: de ontsteking werkt met een "tijdschakelaar". De ontploffing gebeurt in principe in de lucht.

schokbuis: de ontsteking wordt geactiveerd door de impact van de inslag.

Soorten granaten:

granaatkartets: (schrapnel, genoemd naar de "ontwerper") met tijdbuis: was gevuld met loden balletjes die in de lucht uiteenspatten. Sommigen waren dus ook voorzien van een schokbuis voor het geval dat het tijdbuismechanisme faalde. Dan ontplofte de granaat bij de inslag. Dit wapen werd vooral in het begin van de oorlog aangewend tegen massaal oprukkende infanterie en cavalerie.

Brisantgranaat: (met tijdbuis of schokbuis soms met "vertragingsmechanisme) Hier zijn het de granaatscherven of splinters die de "schade"  aanbrengen. Bovendien is de explosiekracht veel zwaarder waardoor een "schokgolf" ontstaat die gebouwen en allerlei constructies beschadigd of vernietigd en uiteraard ook mensen. Later in de oorlog werden overwegend dat soort granaten afgeschoten. Het "vertragingsmechanisme" zorgde ervoor dat het projectiel pas na het "binnendringen" van het "doel" explodeerde.
"Brisant" is een Frans woord. In die taal spreekt men van " explosif brisant", vertaald: springstof.

 

Blindgangers

 

Toen vanaf 1915 bleek dat de oorlog veel langer ging duren en de intensiviteit van de beschietingen zwaar zou moeten opgedreven worden konden de wapenfabrieken in geen van de oorlogvoerende landen aan die vraag voldoen. Dit om uiteenlopende redenen: veel arbeiders uit die industrie gemobiliseerd, omschakeling uit andere industrieŽn verloopt moeizaam specifieke voor Duitsland de zeeblokkade. Daardoor werd, zeker in het begin, veel gebrekkig materiaal geleverd. Zo gingen er  in 1915 ongeveer 600 Franse kanonnen verloren ( en vielen er doden en gewonden bij de bedieners) omdat de projectielen reeds ontploften nog voor ze goed en wel weggeslingerd waren. De Duitsers verloren in dat zelfde jaar evenveel artilleriestukken (meer dan 3.000) door "vroegtijdige" ontploffingen als door vijandelijk vuur. De helft van de Franse granaten in 1915,  explodeerden niet bij inslag . Een jaar later explodeerde nog altijd maar twee derde van de Britse granaten.  Trouwens: tijdens de slag van de Somme weigerden meer dan 200 Britse kanonnen gewoon alle dienst door productiegebreken.
Naarmate de oorlog verder schreed verhoogde desalniettemin toch de vuurkracht spectaculair. Waar bijvoorbeeld de Duitsers in 1914 maar over 180 "Minenwerfer" beschikte werden die de komende jaren aangevuld met meerr dan 16.000 exemplaren.
 

   

 

Handgranaten:

Hoewel reeds lang voor de eerste wereldoorlog "handwerpwapens" gebruikt werden (je ziet het o.a. in "cowboy- en indianenfilms) waren die in het begin van die oorlog een voor de infanteristen nog vrijwel onbekend wapen, (vooral bij de Geallieerden, want de Duitsers waren mťťr en vroeger voorzien van die "nahkampf Waffe" of " close combat weapen" of ""korteafstandgevechtswapens") zodat men bij gebrek aan, met allerlei "artisanaal" ontworpen ontploffingstuig gooide. Tot begin 1915, de handgranaten voor alle partijen, ruimer voor handen kwamen (hoewel er in de loop van 1915 door alle partijen nog veel artisinaal spul gemaakt werd)

Handgranaten werden vervaardigd in allerlei vormen: steel -, eier -, bol - en discusgranaten die men 30 tot 40 meter, uitzonderlijk 50 meter ver kon gooien. Ze konden toen ook al afgeschoten worden met een geweer en er bestonden  zowaar ook granaatkatapulten.

(De Belgische soldaten werden op 30 oktober voor het eerst met handgranaten bestookt eind oktober 1914 tijdens de slag aan de IJzer.)

 

 

Veel van deze informatie is eigenlijk een samenvatting van een themanummer (tweede kwartaal 2003) van Schrapnel, het ledenblad van de Vlaamse afdeling van de "Western Front Association". De auteur is Tony Debruyne die in deze en andere bijdragen de geÔnteresseerde medemens wegwijs probeert te maken in de technische aspecten van de oorlogsvoering tijdens 1914-18. De uitgaven van Schrapnel (vier per jaar) is op zichzelf al een reden voor een lidmaatschap (25 euro). Meer informatie op http://www.wfa-belgie.be/