|

De periode rond de eerste
wereldoorlog levert ons, tijdgenoten van het heden, een morbide
fascinatie op. De tijdgeest van toen, althans voor wie voldoende ontwikkeld
was om hen te ondergaan en al zijn levensenergie niet moest steken op zoek
naar de "bete broods" en naar iets meer dan armtierig levenscomfort, die
tijdsgeest was zo tegengesteld aan de huidige dat grotere contrasten
nauwelijks denkbaar zijn. Wie wil nu nog sterven voor "volk en vaderland" of
andere irreëel geworden begrippen? Wie kan nu nog een vijandbeeld dragen van
andere nationaliteiten, zelfs andere rassen van mensen met uiteindelijk
dezelfde geluksbetrachtingen. We staan hoogstens argwanend tegen volkeren
die in ontwikkelingsfase verkeren die wij westerlingen al een eind ( jawel:
sinds de eerste wereldoorlog) achterons hebben gelaten en die een ideeëngoed en
omgangsvormen hebben waar de "verlichting" nog niet ten volle op geschenen
heeft. Wij, met ons historisch bewustzijn begrijpen dat ergens wel omdat wij ook
godsdienstfanatisme en andere irreële denkbeelden in onze
geschiedenis hebben zien inwerken. Het bizarre is dat op een ogenblik dat
men kon veronderstellen dat de westerse wereld dit alles achter zich had
gelaten het in volle kracht weer op dook rond die eerste wereldoorlog en
leidde tot een uitputtingsslag zonder voorgaande.

|
Wat wij nu ervaren als een zinloze strijd was het voor bewust denkende
tijdgenoten van rond en kort na de vorige eeuwwisseling niet. Dat die oorlog
vier jaar heeft kunnen aanslepen komt omdat hij steunde op hardnekkige
denkbeelden die zich versterkte door de zich ontwikkelende dynamiek eigen
aan de (gruwel) van de oorlog. Maar het blijft merkwaardig hoe men terugviel
op een vijandbeeld (vooral tussen Fransen en Duitsers) dat het humane
mensbeeld dat zich de laatste eeuwen ontwikkeld had verpulverde en
nauwelijks nog ruimte liet voor enige nuance, laat staan zelfkritiek . Een
volk in oorlog kan natuurlijk niet teveel twijfels in eigen rangen laten
sluipen maar de cultivering van de haat van de tegenstander naast het
sacraliseren van de offerbereidheid voor volk en vaderland te sterven moet
tot collectieve geestelijke onevenwichtigheid geleid hebben die het
nuchter verstand al te lang heeft getard dat het tot blijvende schade
leidde. |
|

Na de oorlog, toen het weldra
duidelijk werd dat door deze gruwelijke slachting die ook als de ultieme
oorlog tegen de oorlog werd voorgesteld, de rancune van de verslagenen er
niet minder om werd, maakte een onvoorwaardelijke pacifisme opgang die
leidde tot morele ontwapening die nieuwe dreigingen negeerde. Van de
weeromstuit ontstonden er totalitaire denkbeelden die de crisistoestand waarin
democratieën zo gemakkelijk en herhaaldelijk in verglijden alleen maar
aanscherpte. Toen ook nog bleek dat in Duitsland zo een totalitair regime
sociaal en economisch functioneerde was een nieuwe confrontatie in de maak
tussen ditmaal een nazi-militarisme enerzijds en vermoeide en vermoeiende democratieën
anderzijds waarin
vaderlandsliefde en offerbereidheid opgebruikt was. Ditmaal zou het veel
ellende kosten en andermaal veel frisse hulp van overzee om opnieuw te overwinnen.

|
|