|
eerste
aanvalsfase: van 31 juli tot 27 augustus 1917: |
|
|
Na de voor de Britten succesvolle slag om Mesen
(of de mijnenslag) was het enthousiasme aanstekelijk om het
grootser aan te pakken. Een ambitieus plan van het Britse opperbevel om vanuit
Ieper, via een grote boog door het achterland, de Belgische havens te
ontzetten zou nu uitgevoerd worden. Duitse duikboten die deels Belgische havens
als uitgangbasis gebruikten brachten veel schade toe aan de Britse
maritieme lijnen.
De legeraanvoerders stonden te trappelen
van ongeduld om er aan te beginnen maar het politiek fiat uit Londen liet enkele dagen op zich wachten waar, gesterkt door ervaringen aan
de Somme, het aanvalsenthousiasme niet onvoorwaardelijk gedeeld werd. Dan
bleek nog dat de Fransen die in de meest noordelijke helft van de Ieperboog
een deel van het aanvalswerk op zich hadden genomen op hun beurt nog
enkele dagen nodig hadden om aanvalsklaar te komen. Intussen beleefde men
een hele tijd hoogzomer. Uiteindelijke werd de aanval ingezet op 31 juli 1917.
Toen sloeg in de loop van de dag het weer om en het regende bijna 25 liter binnen de vierentwintig
uur.
kaarten geven een verhelderende inzicht
bij onderstaande lectuur, wat we bij de bestudering van de derde slag
bij Ieper extra willen benadrukken. In de
rubriek "literatuur" worden een aantal werken vermeld die veel
kaartmateriaal bevat maar mogelijks volstaat dat niet.
Bij de NGI
( www.ngi.be ) kun je afdrukken vragen van
kaarten die in 1911 zijn gemaakt en de toestand van net voor de oorlog
uitstekend laten zien. De bladen 20/6,20/7, 28/2,28/2 en 28/6 bestrijken het
Ieperfront. Bij Lannoo verscheen de topografische Atlas van België die de
huidige toestand toont en zeker een ruimer overzicht kan verschaffen. Er
bestaat ook een hangkaart " The third battle of Ypres,summer en autumn
1917" waarop je de meeste door de Britten gebruikte plaatsaanduidingen
kunt terugvinden. Wellicht kun je daar een afdruk van
bemachtigen. Alvast ben je met het een of het ander "goed
bewapend" om in die complexe derde slag bij Ieper niet verloren te lopen. |
Het belang van de havens van
Oostende en Zeebrugge voor de Duitse onderzeeërs is overroepen door de
legerleiding die natuurlijk een mooi omlijnd tactisch doel voor hun
offensief voor ogen hield. Op dat moment leed de Britse zeevloot zwaar onder
de aanvallen van die Duitse onderzeeërs en Oostende en Zeebrugge werden
aangewezen als de voornaamste uitvalsbasissen . In feite is nooit meer dan
een derde van de onderzeeërs van daaruit vertrokken en het waren dan nog
hoofdzakelijk de kleinere types. Trouwens, toen de Britten meer en meer in
konvooien begonnen te varen - daarvan kon de Admiraliteit maar moeizaam
overtuigd worden - daalde het succes van de Duitse onderzeeërs. De Britse
politieke wereld had zich daar vroeger laten van laten overtuigen en de
"weerspanningheid" van de Admiraliteit zal hoofdzakelijk te herleiden zijn
geweest tot de tweespalt die tussen burgers en militairen in de loop van de
oorlog was ontstaan.
In het voorjaar 1918 zullen de Britten zonder veel succes proberen de
havens van Zeebrugge en Oostende te blokkeren maar succesvolle Duitse
onderzeeërverhaal - de Britse onderzeeërs daarentegen stelden niet veel voor
- was toen al bijna afgesloten. |
eerste
aanvalsfase: van 31 juli tot 27 augustus 1917: |
|
Aanvankelijk
liep vooral in het noordelijk deel van de Ieperboog de aanval gesmeerd. Fransen en Britten
konden kilometers oprukken. De "Hindenburg linie" en de "Albrechtstellung"
stellen weinig problemen waardoor de ruïnes van Pilkem,
Sint-Juliaan en Bikschote vrij snel worden heroverd. Maar toen stokte de
aanval en de Britten werden zelfs een flink eind teruggeslagen. Zo
werd Sint Juliaan weer door
de Duitsers heroverd en zal de komende dagen alsnog door de Britten
"herveroverd", verloren en opnieuw "herherveroverd" worden. Rond half augustus wordt andermaal door de
Britten rond Langemark veel terrein gewonnen die ditmaal wel kan geconsolideerd
worden. Ook de Fransen houden dan terreinwinst vast tot aan de Sint Jansbeek
en de Martjesvaart.
Ook meer zuidelijk slaagden de Britten erin Duitse
verdedigingnesten uit te schakelen. Ten noorden van de toenmalige spoorweglijn
Ieper - Roeselare (nu verkeersweg) was de terreinwinst bevredigend. De
Fortuinhoek (iets bezuiden Sint Juliaan) werd ingenomen en
Hill 35 (ten noordwesten van de dorpskern van
Zonnebeke) gedeeltelijk bezet. Aan de weg Ieper -Zonnebeke werd de "Bremen
redoubt", een formidabele Duitse versterking veroverd. Maar ook daar was de vreugde van korte duur. De Duitsers
slaagden erin met hardnekkige tegenaanvallen de Britten terug te
drijven .
Zuidelijk van de spoorweg Ieper Roeselare was er nauwelijks sprake van enig
Britse vooruitgang. De "Westhoekhoogte" kon pas na enkele dagen strijd ingenomen worden,
werd dan weer prijs gegeven en op 10 augustus heroverd. Ook de Zandberg (op de "Meninroad")
werd weliswaar op 31 juli in genomen maar veel verder geraakte men niet. Er
waren verwoedde pogingen om "vooruit" te komen richting Gheluvelt maar de
Britten bleven steken ondermeer in "Glencorse wood" en "Inverness Wood",
ironisch genoeg die plaatsen waar de Duitsers in het najaar 1914 ook niet
doorheen geraakten.
Nog zuidelijk van de "Meninroad", in en rond "Shrewsbury Forest" (Godschalkbossen)
was het ronduit een chaotische
bedoening. De Britten trappelden haast ter plaatse. Alleen rond Hollebeke
kon al op 31 juli nog wat terreinwinst geboekt worden maar op
5 augustus namen de Duitsers die dorpskom opnieuw in maar worden er door de
Britten prompt weer uit gegooid.
Globaal kwam van hun vooropgesteld aanvalsschema maar weinig terecht -de
eerste dag al moest Passendale ingenomen worden - en ten zuiden van de
spoorweg Ieper - Roeselare was de vooruitgang zelfs onbeduidend. De
eerste 50 dagen van de strijd -de slag zou 100 dagen duren - kwamen de
Britten ten zuiden van die spoorweg trouwens niet of nauwelijks verder dan die eerste aanvalsdag op 31
juli.
Voor de overzichtelijkheid hebben we een
aantal locaties nog eens op een rij gezet en het verschuiven van
de linies op die plaatsen nog eens herhaald :
Bikschote:
Door de Fransen al op de eerste dag van het offensief
ingenomen, op 16 augustus schuiven de linies nog verder door tot aan de Sint
Jansbeek en de Maartjesvaart.
Langemark:
De Britten bereiken op de eerste dag de Steenbeek,
een kilometer voor de dorpskom Op 16 augustus wordt Langemark
ingenomen en verleggen de linies zich ondermeer tot halverwege Langemark en
Poelkapelle.
Sint Juliaan
Ook deze dorpskern wordt door de Britten op 31
juli veroverd maar nog diezelfde dag prijsgegeven. De Britten overschrijden
zelfs de weg Keerselare-Zonnebeke (tot Wurst farm)
maar worden door Duitse tegenaanvallen teruggeslagen tot aan de Steenbeek. De volgende dagen wordt
verwoed om de ruïnes gestreden tot de Britten ze op 3 augustus stevig in handen
krijgen.
Zonnebeke
De Britten overschrijden de Frezenberg, rukken op
tot over de Hanebeek maar worden na Duitse tegenaanvallen een flink eind
teruggeslagen. Ten noorden van de dorpskern kunnen Hill 35 gedeeltelijk bezetten
("Pommern castle") en hun posities behouden. De Westhoek hoogte kunnen
de Britten de tweede dag van het offensief veroveren maar ze zullen
die hoogte opnieuw moeten prijsgeven. Op 10 augustus wordt de Westhoek (vaak
ook "Eksternest" genoemd) andermaal veroverd en dringen de
Britten door tot in "Glencorse Wood" maar kunnen hun posities in dit bos
niet behouden.
Gheluvelt
Het opzet om het "Gheluvelt-plateau" te veroveren
loopt af op een sisser. Verder dan het Herenthage domein komen de Britten niet en moeten weer wijken. Op het het noordelijk deel van het domein
(andere kant van de Meenseweg: het "Inverness Copse") worden verwoedde
gevechten geleverd. Telkens slagen de Duitsers erin de Britten vakkundig van
zich af te houden en ze uit het bos te verdrijven. De mislukkingen voor de
Britten hier steken schril af met de relatief goede resultaten in het
noorden van de Ieperboog.
Hollebeke
Dit dorp wordt ingenomen op 31 juli, de eerste dag
van de derde slag bij Ieper. Die dag kunnen de Britten tot Waasten relatief
gemakkelijk hun linies vooruitschuiven omdat er een groot niemandsland was,
ontstaan na de slag om Mesen. Toch zijn dit voor de Britten niet meer dan
flankbewegingen want het eigenlijke offensief heeft noordelijker plaats. Ook
de Duitsers kijken hier de kat uit de boom al zullen ze op 5 augustus
kortstondig de dorpskom van Hollebeke gaan herbezetten. |


|
|
eerste
passieve fase: van 28 augustus tot 19 september 1917: |
|
Intussen werd generaal Plumer (familiair Daddy
genoemd), de overwinnaar van de slag om Mesen andermaal naar Ieper gehaald.
Zijn organisatietalent en tactisch inzicht zal een omslag moeten teweeg
brengen. Hij beveelt aanvallen over een beperkte frontlengte waarbij de
troepensterkte wordt verdubbeld en de manschappen oprukken achter nog
intenser artillerievuur (de beschikbare kannonen wordt met de helft verhoogd
waardoor voor elke verdedigende Duitser, tijdens bij het dagenlange
openingsbombardement, meerdere obussen kunnen worden afgeschoten). Bij de
eigenlijke aanval zal voortaan de zogenaamde "step
by step" tactiek, met het daarbij horend "bite en hold"
principe worden toegepast waarbij opgerukt wordt achter een "vuurwals".
Maar uiteraard vroeg deze aanpak heel wat voorbereidend werk die drie weken
in beslag zal nemen. Intussen worden alleen nog heel plaatselijke aanvallen uitgevoerd
om iets gunstiger uitvalposities te verwerven. Ook worden de zogenaamde
"Anzac"troepen: Australiërs en Nieuw-Zeelanders, die een belangrijk aandeel
hadden in de slag om Mesen naar het front gedirigeerd. Ze zullen ingezet
worden in de sector Zonnebeke. |
|
Op 20 en 26 september en 4 oktober wordt
volgens die nieuwe aanvalstactiek bevredigende vooruitgang gemaakt die bovendien kan geconsolideerd worden.
Dat laatste was niet altijd vanzelfsprekend temeer de Duitsers met hun "eingreiftruppen"
succesvol "op de tegenaanval speelden".
Vooral de Britse aanval op 4 oktober is een eclatant succes en, volgens
Duitse bronnen, de dag met de hoogste verliescijfer voor het Duits leger van de
eerste wereldoorlog. De Britten konden Zonnebeke volledig heroveren en een deel van
de West-Vlaamse hoogtelijn
(die loopt van Beselare tot
Westrozebeke) overschrijden in de omgeving van Broodseinde
.
Mede doordat na een lange, kurkdroge periode, het weer slecht wordt
en het reeds volop herfst is (waardoor de spaarzame opklaringen geen
uitdrogend effect meer hebben op de bodem) verloopt de Britse opmars
weer moeizamer en wordt de modder (weer) een even geduchte tegenstander als de
Duitsers. Doordat het veroverd gebied totaal doorklieft was van de intense
bombardementen is het nog moeilijker begaanbaar, zelfs voor infanteristen. Het
vooruitbrengen van de artilleriestukken brengt schier onoverkomelijke
problemen teweeg en daardoor kunnen geen afdoende "beschermende" vuurwalsen
meer voor de oprukkende infanteristen gelegd worden. Het tankwapen is
helemaal niet meer inzetbaar.
Rond Zonnebeke stokt de vooruitgang en de poging tot verovering van
Passendale op 12 oktober is een complete mislukking. Maar merkwaardig genoeg
is het op die dag dat in het aanvalsgebied van de verguisde generaal Gough,
het front nog aardig kan opgeschoven worden. De Britten, geflankeerd door
enkele Franse divisies bereiken daar immers de rand van het Houthulstbos en
kunnen ook de ruines van Poelkapelle innemen en een uitval doen richting
Westrozebeke.
Voor de overzichtelijkheid hebben een aantal locaties
nogmaals op een rijtje gezet om het verschuiven van het front te
verduidelijken
Poelkapelle
Met de aanval van 4
oktober wordt de rand van het dorp bereikt. Op 9 oktober kunnen de Britten
de ruines volledig innemen. Op 12 oktober wordt vruchteloos een westelijke
uitval gedaan richting Westrozebeke maar samen met de Fransen wordt in
noordelijke richting opgerukt tot aan de zuidrand van de bos van Houthulst.
Passendale
Van 9 tot 12 oktober zullen de Britten vanuit
verschillende richtingen proberen op te rukken naar de langgerekte hoogte
van Passendale. Australiërs kunnen wat terreinwinst boeken én vasthouden
langs de weg vanuit Broodseinde. Britten kunnen zelfs eventjes de eerste
ruines van het dorp bereiken maar worden teruggeslagen. Nieuw-Zeelanders
rukken op vanuit Graventafel, waden door de vallei van de Ravebeek
maar de formidabele bunkers van "Bellevue"(sic) en
onderdeel van de Flandern1-stellung, verhinderen elke doorbraakpoging.
Zonnebeke
Hier zal de aanvalstactiek van generaal Plumer vrij succesvol zijn. Op 20
september worden de Duitsers teruggedrongen waarbij de "Wilhelmstellung"
haast overal wordt doorboort. Beruchte "redoubte" als "Bremen", "Zonnebeke" en
"Anzac" worden veroverd. Op 26 oktober wordt opnieuw opgerukt en
bereiken de Britten de dorpskom van Zonnebeke die gedeeltelijk wordt ingenomen. De volgende dagen zal met wisselende kansen de
ruïnes verloren-heroverd worden maar uiteindelijk worden de Duitsers verder
teruggedrongen. Op 4 oktober wordt Broodseinde
ingenomen en bereikt men zo de West-vlaamse heuvelrug en de weg
Beselare-Passendale die over een afstand van een drietal kilometer
overschreden wordt. Daarmee is ook de "Flandern1 stellung" doorbroken.
Beselare
De wijk " Reutel"
zal door de Britten veroverd worden op 9 oktober al dan niet toevallig door
dezelfde zevende divisie die in oktober 1914 op diezelfde plaats de
oprukkende Duitsers bij bosjes neermaaide. de Britten komen heel dicht bij
de weg van de "Reutel" naar de"Zwaanhoek" (Beselare) over lager gelegen terrein waar de opmars stokt.
Daarna trekken de Britten iets terug naar hoger gelegen gebied en graven
zich in om een stevige flank te vormen, want verdere doorbraken worden enkel
nog
noordelijker gepland (Passendale).
Gheluvelt
|

De dikke zwarte lijn toont de posities
zuidelijk van de spoorweg op 20 september na de Britse aanval. Tot aan
de "Menin road" is de "Wilhelmstellung" doorbroken.

De rode lijn toont de
nieuwe frontlijn na de aanval van 26 september die vertrok
vanaf de grijze lijn. De zwarte lijn rechts is de Flandern1-stellung die
doorbroken werd bij Polygoonbos. Onderaan, in de omgeving van de "Menin
Road" werd geen of nauwelijks vooruitgang gemaakt. Zelfs de Wilhelmstellung
houd hier nog stand.
Op 4 oktober zal de Flandern1 stellung over meerdere kilometers overschreden
worden
|
|
tweede
passieve fase: van 13 oktober tot 21 oktober 1917: |
Omwille van het
bijzonder slechte weer last opperbevelhebber Haig opnieuw een rustfase in.
Hij wil wel voor de winter nog kost wat kost de hoogten rond Passendale
innemen. Een nieuw mythe is in de maak...Op 16 oktober
verlaten de Duitsers de hoogten rond Broodseinde en trekken zich terug op de
Flandern2-stellung aan de Drogenbroodhoek en Keiberg (Moorslede). Maar de
Britten volgen niet en blijven op de oostelijke helling van Broodseinde.
|
|
derde aanvalsfase: van 22 oktober tot
12 november 1917: |
|
De Britten richtten dan hun ultieme
aandacht op Passendale (die in het collectieve Britse geheugen als
"Passions-dale"
gegrift staat), dat hooggelegen
dorp dat uitziet over het Mandeldal en Roeselare. De moeizame inname
van Passendale wordt door de Britten opgevoerd (maar finaal uitgevoerd door
Canadezen) als een halve overwinning ook al zijn ze met de derde slag
bij Ieper uiteindelijk maar maximaal 8 kilometer gevorderd terwijl de
verliezen aan doden, gewonden en vermisten in de honderdduizenden loopt. In
die derde aanvalsfase werd, wat pure terreinwinst betrof, nog heel wat
vooruitgang gemaakt die wellicht een gunstige uitvalbasis was geweest om het
offensief in het voorjaar verder te zetten. Was het niet dat de Duitsers
toen met hun lenteoffensieven aan zet
waren...
Maar ook de
Duitsers hebben fel geleden en beschouwen deze gevechten als "de
zwaarste afweerslag" die ze
in die oorlog hebben moeten voeren...
Voor de overzichtelijkheid
hebben we nogmaals de diverse locaties op een rijtje gezet om het
verschuiven van het front te verduidelijken.
Merkem
Op 26 oktober veroveren de Fransen Merkem. Ze
ontmoeten er Belgen die de IJzer zijn overgetrokken, doorheen de
overstroomde weiden tot het gehucht
Luigem die als een kunstmatig eiland nog net boven de inundatie van de IJzer
uitstak. De volgende dagen zullen de Fransen nog naar het oosten oprukken en
hun linies tegen de westrand van het bos van Houthulst aandrukken nadat ze
op 12 oktober samen met de Britten al de zuidrand hadden bereikt. Op 11
november (jawel...) zullen Belgisch troepen de Franse linies overnemen en
verdwijnen de Fransen (voorlopig) van dat Belgische front.
Poelkapelle
Op 22 oktober doen de Britten een nieuwe uitval
richting de hoogten van Westrozebeke. De komende weken zullen ze weliswaar
nog gebied veroveren en die terreinwinst consolideren maar de hoogten van
Westrozebeke zullen voor de Britten onbereikbaar blijven.
Passendale
De beekvalleien van de Ravebeek en de Lekkerboterbeek
zijn echte moerassen geworden. Eigenlijk zijn er maar twee relatieve
smalle stroken waarover de Britten kunnen oprukken: langs de weg komende
uit Broodseinde en de weg uit Ieper die over Graventafel en Mosselmarkt
loopt. In de laatste week van Oktober gaat de vooruitgang moeizaam. De
grootscheepse aanval op 26 oktober levert een beperkte vooruitgang op. Het
beruchte versterkte punt "Bellevue", op de weg naar "Mosselmarkt wordt
door de Canadese aanvallers veroverd waarmee ze zich op die plaats in de
Flandern1-stelling boren. Op 30 oktober slagen Canadezen vanuit
Broodseinde erin zelfs de "Flandern2 stellung" te doorbreken en "Crest-farm"
te veroveren. De dorpskom ligt nu als het ware binnen handbereik. Op 6
november is het zover: de ruines van Passendale wordt ingenomen. Op
10 november zullen de Britten hun linies rond de ruines nog uitbreiden. Na
het noorden toe kunnen ze ook Hill 52 veroveren, het hoogste punt in
de omgeving.
Gheluvelt
zie
eigen pagina Gheluvelt |

 |
|
Hill 35: ten noorden van de Zonnebeekse
dorpskom ligt een langgerekte heuvelrug. Op zijn westelijk uiteinde ligt
"Hill 35" , iets oostelijker " Hill 37" en nog zuidoostelijk "Hill 40" (waar
de weg Zonnebeke - Keerselare (na de oorlog Canadienne genoemd)- Langemark overheen loopt,
net aan de ingang van de dorpskom van Zonnebeke. In de
verslagen over de derde slag bij Ieper worden die hoogten vaak vermeld. |
|
Wurst farm:
lag een paar honderd meter over de weg van Zonnebeke - Keerselare -
Langemark en was ingewerkt in de "Mittelriegel" . De Britten hadden dus al de "Hindeburglinie",
de "Albrechtstellung", de "Wilhelmstellung" doorbroken en waren dus
al
doorgedrongen in die "Mittelriegel". Alleen de "Flandern-1 stellung" scheidde
hen nog van de vooropgestelde doel voor die dag: Passendale... Ze zouden er
uiteindelijk 100 dagen over doen om dat doel te bereiken. |
|
step-by-step
(stap voor stap):
De uitbraakpoging van de Britten stond aanvankelijk onder
commando van generaal Gough. Toen het offensief maar niet wou vlotten werd
dus
generaal Plumer erbij gehaald, de triomfator van de slag bij Mesen. Deze nam
zijn tijd voor een grondige voorbereiding waarbij de manschappen zijn
specifieke tactiek konden in oefenen achter het front. Die kwamen er op neer dat onder een nog nooit
geziene vuurconcentratie oprukkende eenheden, nauwkeurig vooraf vastgelegde
terreinwinst moesten boeken en eens die volbracht, andere eenheden hen
"aflosten" om op hun beurt een volgend stukje terrein moesten zien te
veroveren (telkens afgebakend als blue line, red line en blackline,
soms ook brownline en greenline)).Tussenin werd tijd genomen om een goede
consolidatie van het veroverd terrein en/of de (eventuele) tegenaanvallen
van de Duitsers af te slaan . Om de week ongeveer zullen de Britten met een
nieuw grootscheepse aanval opnieuw proberen verder op te rukken |
|
bite-and-hold (hap-en-houd):
in elk geval was dat "pak en vasthouden" principe die vanaf 20 september
(nog meer) zal gehuldigd worden succesvol want de terreinwinst
die met de aanvallen van 20, 26 en 4 oktober werd veroverd werd ook
vastgehouden wat met de aanvallen van 31 juli en deze in
augustus niet het geval was. Nadeel kon zijn dat die "limited
objective" (beperkt doel) strategie ook
beperkend werkte en er aldus niet kon
ingespeeld worden op eventuele opportuniteiten. Nadien werd opgemerkt dat, met het eclatante succes op 4 oktober, er wellicht
voor de Britten een doorbraak had ingezeten hadden zij dat in hun planning
voorzien en daarvoor, ondermeer de nodige
eenheden achter de hand gehouden.
Nu ja: als legeraanvoerder zie je het
ofwel te groots of te beperkt ... en voor die keer dat je het juist zag krijg je
een standbeeld. |
|
vuurwals:
(of barragevuur). In 1917 was de precisie waarmee de
artillerie kon vuren zo toegenomen dat het doenbaar was net voor de
oprukkende infanterie een "vooruitkruipende" vuurwals (en rookgordijn) te leggen die met
een vooraf vastgestelde snelheid opschoof. In combinatie met een nooit
voordien bereikte concentratie van vuurkracht hoopte Plumer meter voor meter doorheen de respectievelijke Duitse linies
te breken. Het gevolg was
wel de Vlaamse bodem kompleet doormalen werd en wanneer in begin
oktober weer veel neerslag valt, het terrein schier onbegaanbaar wordt.
Plumer faalde uiteindelijk
door de klimatologische omstandigheden.
De zwakke plek in de "vuurwalstactiek" was , wanneer de infanteristen om welke
reden dan ook eventjes "de rol moesten lossen" (en de vijand kon van die
pauze tussen de helse beschieting en de aanval zijn machinegeweren
|
eingreiftruppen:
om enigszins de zware beschietingen van de geallieerden te ontwijken werden
de eerste linies zwakker bemand en rekende de Duitsers, mocht dat nodig
zijn, op de "tegenaanval". Voor elke divisiesector wordt één van de drie
regimenten "in reserve" gehouden (de zogenaamde "stossregimenten") om dan
ingezet te worden om eventueel verloren gegane stellingen te heroveren (ook
op regimentsniveau werd dit systeem gehandhaafd met twee bataljons in
de vuurlijn en een derde (stoss)bataljon iets achteruit). Voor het geval
wanneer dit alles niet afdoende is, zijn er nog heuse "eingreifdivisionen", inderdaad
volledige divisies die nog verder in het achterland klaar gehouden worden om
bredere
bressen te dichten en doorbraken af te snoeren en zo mogelijk verloren
terrein te heroveren.
Begin Oktober 1917 wordt van dit principe afgestapt en worden de eerste
linies weer dicht bevolkt. De Duitsers staan immers bijna met de rug tegen
de muur want het merendeel van hun "hauptwiederstandslinien"
zijn al doorbroken. Die verandering van tactiek zal hen zuur opbreken. In de
morgen van 4 oktober worden de Duitsers, wanneer ze in dichte drommen klaar
liggen voor een grote tegenaanval door de Britten bestookt met overweldigend
artillerievuur. De Britten hadden immers die morgen zelf een grote aanval
gepland en al hun vuurmonden stonden schietend klaar voorzien van afdoende
munitie.
Dit zal, voor de Duitsers resulteren in het grootste verlies die op één dag,
in de hele eerste wereldoorlog werd geleden. (zie ook
Broodseinde) |
|
Slecht
weer: de gruwel van verzuipende soldaten die
zo sterk met de derde slag bij Ieper wordt opgeroepen dateert uit de
eerste dagen van het offensief en vanaf 4 oktober.
De eerste dag van het offensief (31 juli) regende het bijna 25 mm:
uitzonderlijk veel al worden geregeld veel hogere hoeveelheden opgemeten.
Het bleef nog enkele dagen flink regenen waardoor er de eerste vijf dagen van
het offensief 47 liter viel, wat zeker uitzonderlijk is. Maar
doordat het zomer was en het met granaten doorploegde gebied dat de Britten
moesten doorkruisen nog beperkt, viel de menselijke ellende al bij al nog
mee. Tactisch was al dat water wel een ferme streep door de (Britse)
rekening en de overvloedige neerslag heeft het offensief in de beginfase mee
helpen mislukken.
8, 14, en vooral 26 en 27 augustus (bijna 20 liter op deze beide
opeenvolgende dagen) waren "verregend" maar
tussenin was het vrijwel droog. De tweede
helft van september was kurkdroog geweest waardoor juist stofwolken een heus
probleem vormden. Terloops: de Britten hadden het kunnen weten want augustus
1916 was nog natter geweest. Trouwens: 1916 was het tweede natste in honderd
jaar.
Vanaf 4 oktober 1917 viel geringe hoeveelheid regen (ongeveer 5mm per dag).
7 en 8 oktober regende het wel feller -10 en 14 mm - maar dat is niet
zo spectaculair veel. Maar in combinatie met de zware beschietingen die het
afwateringssysteem volledig had stukgeschoten, was dit wel van
doorslaggevend belang.
Van augustus 1917 kan globaal gezegd worden dat de
maand uitzonderlijk nat was (113 liter): statistisch éénmaal om de
acht jaar. September was dan weer abnormaal
droog (35 liter): komt statistisch éénmaal voor in zes jaar. Oktober was vrij nat (107 liter)
: ook eenmaal om de zes
jaar. Globaal was
die periode van drie maanden natter dan normaal maar niet echt uitzonderlijk
nat, natuurlijk omwille van die droge september.
Het "waterprobleem" werd wel verergerd doordat ook het draineringsysteem was
stuk geschoten terwijl de inundatie van de Yzer zich ook liet voelen in heel
het afwateringsysteem, zeker na drie jaar onderwaterzetting.
(deze cijfers
over de neerslag zijn Britse metingen, wellicht ergens bij het
Ieperfront. In Brugge heeft de Belgische meteorologische dienst de hele
oorlog lang blijven metingen uitvoeren. Bijna altijd hebben die meer
neerslag gemeten dan de Britten. Vooral de periode van 31 juli tot met met 3
augustus viel er verschrikkelijk veel regen in Brugge: 113 liter in vier
dagen (normaal maar 76 liter voor de hele maand augustus). Aan het
Ieperfront werd maar 42 liter in die vier dagen opgemeten. In Ukkel
werd voor de hele maand augustus minder neerslag gemeten (103 liter) dan er
in vier dagen viel in Brugge. Die cijfers sluiten meer aan bij die van wat
in Ieper werd gemeten ( 111 liter ). Ook in vanaf 4 Oktober tot 8
oktober 1917 liggen de neerslagcijfers in Brugge hoger dan Ieper en
Ukkel alhoewel de cijfers met dit laatste station de helft minder
afwijkt dan in vergelijking met de Britse metingen in Ieper. Is de grilligheid
der weergoden hier de enige verklaring?) |
|
mythe: je merkt het vaak aan
in veldslagen hoe aanvoerders gebiologeerd worden door een bepaalde plaats
die dan een strategisch belang opgeprijkt krijgt die een nuchtere analyse
niet lang kan doorstaan. Waarom hebben de Duitsers zich in de tweede
wereldoorlog laten verleiden tot straatgevechten in Stalingrad? Was
Verdun dan strategisch zo een belangrijke plaats en waarom hadden de Fransen
al hun forten grotendeels ontmanteld om ze dan met ongeziene hardnekkigheid
te verdedigen. Was Ieper echt de poort "nach Calais"? Komaan...
En Passendale ? Hier diende
de mythevorming om een doelstelling te bepalen dan ook bereik werd: een
fopspeen voor volk en vaderland om de ellende niet te moeten uitschreien om
de zovele verliezen. Hadden de Britten de oorlog verloren dan was Passendale
een vervloekte plaats geworden in plaats van een sacrale... |
gunstige
uitgangspositie: (of een Pyrrusoverwinning)
er zijn na de oorlog Homerische discussies geweest
over het nut om na 4 oktober de strijd nog verder te zetten en Passendale te
veroveren, te meer de generaals Plumer en Gough er geen voorstander van
waren maar opperbevelhebber Haig wel. Er waren natuurlijk pro en contra's te
over. Feit is dat er een "saillant" (uitstulp) in de "Ypres salient"
(Ieperboog) werd gemaakt waardoor men nog meer vanuit drie kanten werd
beschoten. Anderzijds zat met op de Passendaalse hoogten redelijk droog en
konden de Britten uitzien over de Duitse linies terwijl het bij het niet
veroveren van Passendale andersom had geweest... allemaal militaire
overwegingen waar iedereen het "zijne" uit haalt. |
|
Literatuur: |
|
Over de derde
slag bij Ieper is reeds veel verschenen. Omdat het zo centraal gelegen is
binnen het aanvalsgebied , nemen de gebeurtenissen binnen de fusiegemeente
Zonnebeke de voornaamste plaats in. "Zonnebeke 14-18" van vader en zoon
Deseyne is dan ook een beetje het "oerwerk" over dit onderwerp dat wel de
volledige oorlogsgeschiedenis van het Zonnebeke van voor de fusie
beschrijft. Over Geluveld moet je bij Jan Vancoillie zijn. Zijn 14-18
verhaal van Gheluvelt wordt op een andere pagina uitvoerig omschreven. Uit
het engels vertaald zijn er uit de reeks " slagveld België" de werkjesn1
"Passendale" en 7 "Polygoonbos". Uiteraard is dit louter militair-technische
geschiedschrijving waarvoor je best je wat schrap zet en je wat moet wennen aan de
soms al te letterlijke vertaling uit het engels. De uitgave "Beecham
dug-out" van ABAF: "Association for Batllefield Archaeologie in Flanders"
beschrijft niet alleen de uitgraving van een per toeval ontdekte onderaardse
schuilplaats maar omschrijft ook alle "oorlogsomstandigheden" rond die
hoeve, gelegen niet ver van "Tyne cot cemetry". De samenstellers zijn duidelijk op
vele terreinen thuis en de toenmalige oorlogstechnieken hebben voor hen nog
weinig geheimen. Als leek ga je wel enige moeite hebben om hun
uiteenzettingen te volgen maar bedenk dat het door hen uitgraven van die
"dug-out" nog veel meer moeite zal gekost hebben. Veel
toegankelijker is "De Ieperboog 14-18, schetsen van het westelijk front 2"
eveneens uit de reeds hoger aangehaalde reeks "slagveld België" (nummer 10)
van Tony Spagnoly en Ted Smith. Het bevat een aantal hoofdstukken over de
derde slag bij Ieper die heel wat relevantie bevat.Hoewel de derde slag bij
Ieper maar partieel wordt behandeld blijft
" Halfweg Menin
Road en Ypernstrasse, Gheluvelt 1914-1918 " van Jan Vancoillie
hieromtrent hét basiswerk. |
|
|