|
Chronologie van de voornaamste gevechtshandelingen::
|
|
Vanaf eind augustus 1914 worden in
zuid-west-Vlaanderen verkenningseenheden opgemerkt die, aanvankelijk te paard
en later ook per fiets kriskras doorheen de streek trekken.
De Ulanen werd door de bevolking aanzien als
baarlijke duivels. Het waren in elk geval moedige kerels en ze werden zelden
in verband gebracht met moordpartijen op burgers |
 |
|

Op
7 oktober
trekt een Duits cavaleriekorps (zesde leger) van de streek van Valenciennes
(Fr) via Menen naar Ieper. Ze steken de dag nadien opnieuw de Franse grens
over en komen in de omgeving van de Catsberg in confrontatie met
de Britten. Onder indruk van de Britse tegenstand trekken de Duitsers zich
terug in de Leievlakte rond Estaires en laten zich maar sporadisch meer zien
op Belgische bodem. Andere legerkorpsen die overgebracht worden uit
Lotharingen zullen hen weldra vervoegen. Tegen die tijd rukt het
heropgerichte vierde Duite leger door belgie op naar Zuid-West-Vlaanderen
maar zullen ook de Geallieerden voldoende troepen naar het noorden overgebracht hebben, waardoor een
nieuwe grote veldslag in de maak
is.

|
Na die confrontatie met de Britten op de
Catsberg en omgeving zal dit Duits cavaleriekorps zijn "activiteiten" beperken
tot het "controleren" van de Leievallei. Het zich relatief snel bewegen over een smalle strook, zoals cavalerie nu eenmaal doet, behoord aan het westelijk front weldra en
definitief tot het verleden. Van nu af aan zullen "linies" gevormd worden over
een breed front. Wanneer die linies stagneren ontstaat de stellingenoorlog.
Legers graven zich in door een loopgravenstelsel aan te leggen die met de tijd
steeds "complexer" en "dieper" wordt.
Als een week later andere legereenheden in de
streek zijn aankomen worden ook in de Leievallei ook linies gevormd die nauwelijks bewegen. De gebied
ten westen van Lille (van Armentierès tot La Bassée) zal pas later het toneel
worden van hevige lokale Britse aanvallen die zonder enig terreinwinst veel
slachtoffers maakten. De gevechten rond Neuve Chapelle en Aubers (1915)
en Fromelles (1916) zijn hieromtrent berucht.
Cavalerie zal in de oorlog als dusdanig niet
meer functioneren. De tijd van de dragonders, huzaren, jagers, lansiers en curassiers
is voorbij."Bressen slaan, gewapend met het zwaard, de korte karabijn en
getooid het kleurrijke hoofddeksel is niet meer van deze nieuwe tijd dat
beheerst worden door de steeds talrijke worden machinegeweren en massaal
artillerievuur. De edele strijders zullen infanterist moeten worden en
(later) tanks bemannen; sommigen worden piloot en zullen hun
"ridderschap" in de lucht kunnen bewijzen. Wellicht waren ze toen nog niet
bewust dat ze het alles bepalende wapen van de toekomst hanteerden. |
Op
16 oktober:
komt een andere Duitse troepenmacht die vanaf
Antwerpen de Belgen op de hielen zit in Roeselare
bivakkeren om de dag nadien verder westwaarts te trekken. In de omgeving
van Staden botsen ze op Belgische en Britse cavaleristen. Ze
dringen niet aan en zullen ten noorden van Diksmuide gaan hergroeperen.
Pas later zal duidelijk worden waarom: nieuwe Duitse troepen (het
heropgerichte vierde Duitse leger) komen uit
het oosten opgerukt en de streek van Ieper en Roeselare is voor hen
gereserveerd...
Een paar dagen na die eerste confrontaties komen ook meer Britten (twee
infanteriedivisies) aan in de streek
nadat ze, geland in Oostende hun marsroute naar Antwerpen hadden gewijzigd omdat de strijd daar
al afgelopen was. Twee andere Britse infanteriedivisies komen dan weer uit Frankrijk. Rond
Roeselare verschijnen nu ook Franse troepen. |
Overvleugelen was
nu het
nieuwe militaire axioma. In het noorden van Frankrijk en in België was nog
ruimte en had te tegenstander zich nog niet in een doorgetrokken lijn
ingegraven. Daarom waren sommige orders van bepaalde
legeraanvoerders,
achteraf beschouwd, zo onrealistisch. "Snel Gent heroveren",
"tegen de avond in Ieper bivakkeren", "doorstoten naar Calais". Van dit
alles kwam ook maar iets terecht. Het was een teken aan de wand dat de
legerleidingen de greep op de gebeurtenissen in de volgende dagen, weken,
maanden en jaren kwijt zullen raken. 1914-18 zal de geschiedenis ingaan als
een oorlog zonder roemruchte aanvoerders, in geen enkel kamp (Koning Albert
buiten beschouwing gelaten maar dan niet door zijn dadendrang maar precies
omwille van zijn terughoudendheid en dan nog meer als gevolg van zijn
periodieke depressieve toestand dan om zijn inzicht). Ook zullen geen van de politici uit de
tijd later om hun inzichten en schranderheid uitvoerig geprezen worden.
Hoogstens zullen antihelden als Petain op een voetstuk geplaatst worden die
dan door latere gebeurtenissen weer vergruisd werd. Het militaire heldendom
zal pas met de tweede wereldoorlog in ere hersteld worden. |
|
19 oktober: is in meerdere opzichten een
cruciale dag. Terwijl de Britten de confrontatie zoeken met
Duitse eenheden die in de Leievallei posteren komen tot ze tegelijk tot
het volle besef dat een voor hen nog
ongekend en nieuwgevormd
Duits leger optrekt vanuit het oosten.
Geconfronteerd met een nu numeriek veel sterkere tegenstander zoeken zowel de
Britten als de Fransen hun toevlucht tot sluipgevechten: schieten en dan zo
snel mogelijk verdwijnen. De acties van deze haast onzichtbare vijand doen
de Duitsers besluiten dat de burgerbevolking lafhartig op hen heeft
geschoten. In Staden, Kachtem, Rumbeke, Roeselare, Beitem en Ledegem worden
als gevolg van dat soort verdachtmakingen groepen burgers geëxecuteerd.
19 oktober zal de geschiedenis ingaan als "schuwe maandag".
zie subpagina:
het lot van de burgerbevolking
|
|
Vanaf
20 oktober
zetten de Duitsers de inval in over een breed front: van La Bassee, 20
kilometer bezuiden Rijsel tot Nieuwpoort en dit met twee legers, het vierde en het
zesde. Britten en Fransen die naast en door elkaar heen vechten, zijn
numeriek in de minderheid maar bieden hardnekkig weerstand. |
 |
In
feite nemen dus twee Duitse legers deel aan de laatste grote slag van 1914:
die om Ieper. Dieper in Frankrijk is het "strijdtoneel" al "vervroren" tot
een loopgravengevecht. In het noorden van frankrijk en België liggen de
legers nog niet tegenover elkaar ingegraven. Een gebied waar tot nu toe nog
niemand enige militaire aandacht voor had trekt nu massaal troepen aan.
Met een nieuw(her)gevormd (vierde)
leger van vier infanteriekorpsen dat in linie over een breed front oprukt, ongeveer 165.000 manschappen, wil de
Duitse legerleiding (Von Falkenhayn) de geallieerden zoveel mogelijk
gebied met industrieel potentieel ontnemen om zo goed mogelijk gewapend te
kunnen beginnen aan de uitputtingslag die hij toen al voorzag voor de volgende
jaren. De gewone soldaat werd in de waan gelaten dat de oorlog tegen "Weihnachten"
1914 zou voorbij zijn.
Dat ook de kanaalhavens van Calais en Duinkerke konden
veroverd worden was ook meegenomen en zou voor de Britten knap vervelend zijn.
Het zesde Duitse leger*, weliswaar reeds "ervaren" maar wel gehavend door de
geleverde strijd, zou het vierde leger zuidelijk flankeren. Terwijl de strijd
ten zuiden van de Leie alleen een voetnoot in de militaire geschiedenis oplevert
worden steeds meer troepen (Duitse, Britse en Franse) aangetrokken in de strijd
om Ieper. Fransen voeren nieuwe divisies aan, Britten vullen de rangen van hun
professioneel gevormd leger aan met de eerste vrijwilligers en de Duitsers
zetten twee extra legerkorpsen in (het dertiende en vijftiende: gruppe Fabeck)
voor de verovering
van Ieper, die uitgroeit tot een dwanggedachte. Nochtans liepen er veel wegen "nach
Calais" en niet alleen via Ieper. In dat opzicht is de eerder lauwe strijd rond Armentières opmerkelijk.
|
|
Uitgesplitst per locatie geeft
dit volgende plaatselijke verhalen: |
Bikschote:
Doordat Belgische troepen aan
de IJzer tussen Diksmuide en de kust steeds meer onder druk kwamen te staan
van Duitse troepen die hen al vanuit Antwerpen achtervolgenden, zagen zij
zich verplicht hun eenheden daar te concentreren waardoor een gat dreigde te
ontstaan in de omgeving van het grote bos van Houthulst. Of het eerste
gezicht zou dat niet zo een probleem omdat de Fransen het voortdurend hadden
over een groot offensief om zowaar Gent te heroveren, geflankeerd door de
Britten die naar Kortrijk zouden oprukken. Toen opeens duidelijk werd
dat de Duitsers met het volledig heropgerichte vierde leger aan het oprukken
waren, werden die offensieve plannen opgeborgen en verkozen de Fransen van
de weeromstuit defensieve stellingen in te nemen achter het Ieperleekanaal.
De Britten moesten om een aaneen gesloten front te bewaren, inderhaast hun
linies in de omgeving van Langemark westelijk verlengen via Bikschote tot
dat Ieperleekanaal. Zo ontstond de noordelijke buiging van de Ieperboog
waardoor de Duitsers, haast ongehinderd, een heel eind konden oprukken.
De ontstane situatie ten noorden van Ieper tot
Diksmuide (en het verloren gaan van een ideale verdedigingslijn vanop de
"Midden-West-vlaamse heuvelrug"
met het bos van Houthulst in de rug) is het
gevolg van allerlei offensieve, dan weer defensieve plannen van de drie
geallieerde spelers (in de eerste plaats de Fransen, de Britten en de
telkens tot wanhoop gebrachte Belgen) waarvan nauwelijks wat terecht kwam en
zonder veel overleg maar wel uit noodzaak gewijzigd werden). Het zijn niet
bepaald de fraaiste bladzijden uit de geallieerde krijgsgeschiedenis en
heeft voor een cumulatie van wantrouwen gezorgd die de hele oorlog is
blijven doorwerken.

|
|
Langemark:
Britse troepen die uit
Frankrijk waren over gebracht komen net op tijd aan om de Duitsers te
beletten op
21 oktober Langemark binnen te trekken. De Britten , die
beroepssoldaten zijn en de afgelopen maanden heel wat gevechtservaring (bij) hebben
opgedaan staan tegenover kersverse regimenten die rechtstreeks van de
opleidingskampen komen. De in open veld oprukkende Duitsers worden massaal
afgeslacht door goed gecamoufleerd zittende Britten. Op de velden aan
de oostkant van het dorp zullen duizenden
Duitsers sneuvelen. Hieruit zal later de bizarre
"Langemark mythe"
ontstaan . Langemark blijft tot na de winter van 1914-15 in geallieerde handen.

|
Dat zo een roemloze, eigenlijk dwaze
slachting die later tot een mythe zal uitgroeien is een verrassend gegeven.
Wellicht dat de naam Langemark op zichzelf al een verklaring inhoud. Die had
in Duitsland een herkenbare klank van een dorp dat evengoed in Duitsland had
kunnen liggen. Net zoals later bij de Britten Passendale ("Passionsdale")
een begrip werd. |
|
s
Graventafel:
Is eigenlijk ook
het verhaal van Passendale dat natuurlijk pas in 1917 echt in het nieuws zal
komen. Op
20
oktober zullen de Duitsers er maar een halve dag overdoen
hebben om Passendale te veroveren op de Fransen. Tegen de avond van de 21 oktober zijn die Fransen al terug geworpen tot aan de weg Zonnebeke-Langemark.
Maar verse troepen zullen enkele dagen later een kleine kilometer kunnen
terugwinnen tot de hoogte van 's Graventafel. Dit vormt meteen ook het front
tijdens de wintermaanden. Drie jaar later zal ’s Graventafel ook een
bloedige episode vormen tijdens de derde slag bij Ieper.

|
|
Broodseinde:
Dit
kruispunt en de omgeving is de enige plaats waar op de avond van
21 oktober de Duitsers de "West-Vlaamse hoogtelijn"
nog niet overschreden hebben.
Dit zal de dag nadien gebeuren. Meteen veroveren de Duitsers ook
de achterliggende dorpskom van Zonnebeke op de Britten. Maar er is Franse
versterking op komst. Op 24 oktober wordt alvast Zonnebeke
door de Fransen heroverend. De dag nadien
worden de Duitsers van de hoogte van Broodseinde verdreven . Op 27 oktober
wordt zelfs slag geleverd in de Heulebeekvallei, twee kilometers westwaarts.
Die vooruitgeschoven stellingen, het verste punt in de verdedigingsgordel
rond Ieper - de fameuze Ieperboog - zullen de
Fransen kunnen
behouden tot 12 november. Dan worden ze
teruggedreven tot de weg Beselare- Passendale die de frontlijn blijft in de
daaropvolgende winter tot aan de tweede
slag om Ieper.
(voor het volledige verloop van
alle krijgshandelingen tot 1918 rond dit kruispunt zie op pagina
Broodseinde)

|
|
Reutel en
Polygoonbos:
Beselare wordt op
20
oktober ingenomen nadat het, na wat
schermutselingen, door de Britten was ontruimd. Ze trekken zich terug ten
westen van Beselare in goed uitgebouwde stellingen met bossen in de rug
waarin goed kan geschuild worden. Daarin neemt het gehucht "de Reutel" met
daarachter het grote Polygoonbos, een centrale rol . De Britten kunnen
standhouden tussen de ruïnes van de Reutel, de Duitsers dringen iets
noordelijker het Polygoonbos binnen
wat ontreddering veroorzaakt in de door de sterk oplopende verliezen, dun
bezette Britse verdediging. Wanneer de Duitsers, uiteraard per abuis door
hun eigen artillerie worden beschoten, trekken ze zich een eerste maal
terug. Bij een nieuwe aanval veroveren ze uiteindelijk toch de Reutel en
dringen andermaal het Polygoonbos binnen maar ze kunnen er geen front
consolideren waarop andermaal een terugtocht volgt. Het Polygoonbos zal
in de winter van 14/15 door de Britten bezet blijven . Het front zal dan
langs de oost en zuidkant van het bos "meekronkelen". |
|
In het
onovertroffen "gedenkboek van Beselare in de eerste wereldoorlog" van J.H
Maes lezen we over de beschieting van de kerk die door de Duitsers als
verbandplaats wordt gebruikt:
In de late namiddag van 23 oktober 1914:
"
Als de zon reeds roodgeverfd is,
doorscheurt opnieuw een ontzettend gekraak het ruim van de kerk, gevolgd
door instortende dak - en muurgedeelten. Een dikke, verpestende lucht hult
de kerk in een volslagen duisternis. Afgrijselijk is het geschreeuw en het
dooreen kluwen van mensenlichamen, slepend en kruipend door de rook... weg
willen ze van hier...hieruit...hieruit!!!! Aanstonds komt een tweede
inslag...De wil om te leven is sterker dan het branden van de wonden, zelfs
bij de stervenden dringt het gevaar nog eenmaal tot het geest door..." |
 |
Geluveld: Door zijn ligging langs de Meense
weg (voor de Britten "Menin road": die een haast sacrale bijklank
zal krijgen) net boven een helling, krijgt
het behoud of verlies van die dorp een
groot tactisch maar ook symbolisch belang, temeer het door eenheden van twee Duitse legers
wordt aangevallen: noordelijk van de Meense weg door het vierde, zuidelijk
door het zesde. Dagen aan een stuk zullen de Duitsers de oostkant van
Geluveld vruchteloos bestormen. Op
31 oktober slagen ze erin het dorp te bezetten maar de
Britten kunnen een deel ervan (het kasteel) heroveren. Hoewel dit maar een
gevecht is naast de zovele andere heeft die herovering van het kasteel van
Geluveld een geweldige stimulans voor hun weerbaarheid bij de Britten.
Defaitistische plannen om de hele Ieperse verdedigingslinies achteruit te
trekken en zelfs op te geven worden weer opgeborgen. Uiteindelijk zal
met de winter, de Duitse vooruitgang een kilometer voorbij Geluveld
stilvallen niet nadat op 10 en
11 november,
ditmaal Duitse elitetroepen (Garderegimenten) een ultieme doorbraak proberen
te forceren.

|
|
|
Kruiseike:
Tot
26 oktober vertonen de
Britse linies hier een merkwaardige hoek met het gehucht Kruiseike in de
punt. Naar het oosten toe wordt front gevormd tegen het aanrukkende vierde
Duitse leger, naar het zuiden toe tegen de komst van eenheden uit het zesde
leger waarvan het gros van de eenheden zich vooralsnog in de Leievallei
ophouden. Met een verrassingaanval zullen
eenheden van het zesde Duitse leger (die uit Lotharingen waren overgebracht
en "en passant" al Lille hadden veroverd) die 26ste doorheen de Britse
linies dringen en veel krijgsgevangenen nemen. Een tijd lang kunnen de
verraste Britten ten zuiden van de weg Menen-Ieper geen front vormen
waardoor de Duitsers zo hadden kunnen oprukken naar het strategisch
belangrijke Geluveld. Maar om een of andere reden zien de Duitsers die
opportuniteit niet waardoor de Britten de volgende nacht veel terrein dat ze
in feite opgegeven hadden, opnieuw kunnen bezetten.

|
|
Zandvoorde:
Op 30
oktober,
moeten de Britten hun dun bezette linies voor dit strategische gelegen dorp
(op de eerste helling vanaf de Leievallei) vrij snel prijs geven. De
Duitsers hebben immers van over de Leie, nieuwe divisies in de "Kämpfe um
Ypern" gegooid. De Britten trekken zich enkele kilometers terug
richting Zillebeke, tot in de Godschalkbossen (Shrewbury Forest). In de
omgeving van Klein
Zillebeke en Zwarteleen zal de komende dagen en weken nog fel strijd
geleverd worden. Op
10 december zullen de Duitsers de strategische, belangrijke heuvel
Höhe 60 (Hill 60)
op de Fransen veroveren

|
Wijtschate:
Tot 31 oktober
kunnen de Britten oostelijk van Wijtschate goed standhouden maar de dag
nadien wordt het dorp prijsgegeven in verwarring die was ontstaan door de
aflos van Britse door Franse troepen waarbij ze elkaar voor Duitsers
aanzagen. Blijkbaar was aanvankelijk de scheidingslijn van de
operatiegebieden van beide bondgenoten verre van duidelijk.
Het meer noordelijk frontgedeelte (tot en met de omgeving van Zwarteleen) was reeds overgenomen door de
Fransen die de komende weken een felle strijd zullen leveren, eerst om het
bezit van de dorpskern die ze na een kortstondige herovering uiteindelijk aan de Duitsers moeten laten.
Daarna kunnen die Duitsers nog ongeveer een kilometer verder oprukken
waardoor ondermeer "Spanbroekmolen" en de Croonaertbossen veroverd
worden. Op 15 november komen die bossen volledig in handen van de
Duitsers en worden de Fransen in de Wijtschatevallei gedrongen. Rond 15
december doen Fransen en Britten een poging om Wijtschate te heroveren maar
dit wordt een eclantante mislukking. De Britten
zullen hier op 7 januari 1915 posities van de Fransen overnemen .
Tijdens
de laatste maanden van 1914 zullen de Britten amper 30 km
front houden (van de meer dan 600 kilometer front van Nieuwpoort tot
de Zwitserse grens).
|

|
|
|
Mesen:
Ongeveer identieke ontwikkeling
als voor Wijtschate. Hier worden op 31
oktober verwoedde straatgevechten
geleverd. Pas de volgende dag zullen de Britten westelijk
terugtrekken in de vallei van de Steenbeek. Dit stadje zal onder haar Franse
benaming (Messines) door de mijnenslag van 1917 een opmerkelijke plaats innemen in de
krijgsgeschiedenis.
De Duitsers drukken de Britten nog verder terug tot op de hoogte net voor
Wulvergem maar iets meer naar het zuiden kunnen die Britten de zogenaamde
Hill 63 volledig behouden wat hen toelaat van daaruit het front rond Mesen
uitstekend te observeren. Die toestand blijft zo tot 7 juni 1917.

|
Ten
zuiden van Ieper werden de geallieerden aangevallen door het zesde Duitse
leger, in tegenstelling tot het kersverse vierde Duitse leger dat noordelijk
opereerde, al vanaf de eerste dagen van de oorlog gevechtservaring
opdeed. Nochtans is het vooral in de sector van het vierde Duitse leger dat
de meeste hardnekkige gevechten plaatsvonden. Was het enthousiasme van dat
ervaren zesde Duits leger al voldoende gekoeld om zich nog te kunnen
uitputten in blinde aanvallen? Feit is dat een numeriek Duits overwicht geen
doorbraak konden bewerkstellingen en het zeker niet beter deden dan de
rekruten van het vierde leger.
Het vierde Duitse
leger was al actief van de eerste dagen van de oorlog maar gevechten in
Frankrijk werden de uitgedunde eenheden ondergebracht in andere legergroepen
en dat vierde leger werd "heropgericht" met hoofdzakelijk rekruten
omkaderd door oudere reservisten. |
|
Ploegsteert:
Op 20 en 21
oktober hebben er hardnekkige gevechten
plaats aan de oostkant van het Ploegsteertbos. Het kruispunt "Le Gheer" (op
de weg naar Waasten) komt eventjes in handen van de Duitsers. Op "Le Pelerin"
zullen de Duitsers een, fameuze stelling uitbouwen die de Britten als "The
Birdcage"
zullen aanduiden. Tot 7 juni 1917, begin van de slag
om Mesen (mijnenslag) zal het front langs de noordoostkant van het Ploegsteertbos
blijven meebuigen en eerder als een rustige sector worden
bestempeld.

|
Tijdsbalk:
Men
kan de eerste slag ook indelen naar drie grote, globale aanvallen
die de Duitses ontketend hebben en naargelang de plaats, meerdere
dagen aanhielden:
Vanaf
20 oktober: overal
wordt er flink slag geleverd, vanaf "le Gheer" aan de rand
van het Ploegsteertbos, over Hollebeke, Kruiseike (bij Geluveld)
Broodseinde tot Langemark en Bikschote. Nergens kunnen de Duitsers
de Geallieerden echt in het nauw drukken.
Vanaf
31 oktober:
opnieuw wordt een zware
aanval uitgevoerd het gehele front. Naar het zuiden toe wordt
Mesen en Wijtschate ingenomen. Ook Geluveld valt in Duitse handen.
Elders wordt de druk op de geallieerde linies opgevoerd die bijna
bezwijken maar nergens begeven. Ook de IJzer ziet het er naar uit
dat de Belgische verdedigingslijnen zullen doorbroken worden maar de
onderwaterzetting van de polders zal redding brengen.
Vanaf
10 november:
De
Duitsers wagen een laatste poging om de Ieperboog te doorbreken. Bij
Geluveld zetten de Duitsers vruchteloos elitesoldaten in. Tussen
Broodseinde en Moorslede moeten de Fransen zich van het verst
verwijderd punt aan de Ieperboog terugtrekken. Rond Bikschote worden
Duitse rekruten andermaal "schouder aan schouder" onder
het zingen van "Deuchtland uber alles" - zo wil de mythe
het althans - de vuurlinie ingejaagd, weeral vruchteloos. De
Duitsers veroveren wel Diksmuide en verjagen daarmee de laatste
geallieerde troepen van de oostelijke oever ( de IJzermonding bij
Nieuwpoort buiten beschouwing gelaten).
Uiteraard
werd er tussenin flink slag geleverd. De opmerkelijkste
frontverschuiving deed zich voor in Zonnebeke. Eerst worden de
Britten van de Broodseindhoogte afgeduwd en gaat ook de
achterliggende dorpskern van Zonnebeke verloren (22 oktober). De
Fransen zullen enkele dagen later (24 en 25 oktober) beide plaatsen
heroveren en zelfs een flink eind in de richting van Moorslede
oprukken (27 oktober). |
|
Een wel bijzonder
en bizar "oorlogsfeit" uit 1914 was de
zogenaamde "kerstvrede". Niet dat dit overal is gebeurd maar
waar het wel is voorgevallen waren het telkens de Duitsers die het iniatief namen.
Het begon met gezang in de loopgraven en hier en daar werden ook muziekinstrumenten
gebruikt. De Geallieerden kon dit goed horen en op de duur werd er naar elkaar
geroepen. Vooral met de Britten ontstond er zo contact. Toen de duisternis was
ingevallen plaatsten de Duitsers brandende kaarsen op de borstwering en
later ook lantaarnen. De daardoor opgeroepen sfeer had eerst de wapens doen
zwijgen, daarna werden er kerstswensen naar elkaar geroepen tot enkele
vermetele Duitsers het aandurfden, om eerst op de borstwering van de
loopgraven te gaan zitten en dan naar de vijandelijke linies te wandelen. Ook Britten (maar ook met Fransen en Belgen is op die manier
contact ontstaan, zij het minder massaal of daaraan werd achteraf minder
ruchtbaarheid aan gegeven) gaven zich "bloot" en zo ontstonden
gesprekken tussen kleine groepen "vijanden". Er werd afsproken
's anderendaags de doden die in niemandsland lagen te begraven.
Om die karwei te klaren bevonden zich op kerstdag grote groepen
ongewapende mannen tussen de vijandlijke linies die in de vastgevroren
grond lijken in de grond stopten. Het kwam ook tot eerst aarzelende, later
geanimeerde gesprekken
tussen de "vijanden" en er werden uiteindelijk "geschenken"
uitgewisseld. Dit moet een verbluffend zicht geweest zijn die menige "
waarnemer" en "deelnemer" tot het eind van zijn dagen op
het netvlies moet zijn gebrand. Er werd zelfs hier en daar wat
"geschot" meestal maar tegen een blik, soms ging het er iets
"professioneler" aan toe en er zouden heuse wedstrijden zijn
gespeeld. Ook op tweede kerstdag kreeg deze vertoning
nog een vervolg maar de zenuwachtigheid nam toe. Het
"verschijnsel" was doorgedrongen tot de legerstaven en daar werd
niet bepaald enthousiast gereageerd. Er werd gedreigd met sancties,
zelfs met terechtstellingen als de vijand niet langer als een vijand werd
beschouwd. Er volgden inspecties en het schieten begon opnieuw maar
duidelijk niet om te treffen en artilleriebeschietingen werden
"aangekondigd". Die toestand van halve vrede zou hier en daar
nog tot het nieuwe jaar duren, intussen konden de loopgraven die zich in
een lamentabele toestand bevonden, wat opgekalfaterd konden worden. In die optiek
was de hogere legerleiding ook niet te streng maar ze was vast van plan
om de volgende "kerstvieringen" in de kiem te smoren. In 1915
bleven die dan ook erg beperkt in plaats en tijd maar volledig
"verdwenen" waren ze nog niet. Later, in 1916 en
1917 was het cynisme en barbaarsheid in die mate toegenomen dat het
kerstgebeuren uit de geesten was verdreven. |
|
Literatuur:
over de gebeurtenissen van oktober-november 1914 zijn een aantal uiterst
interessante werken voorhanden. Ongetwijfeld is "Van Roeselare tot
Langemark" (Steen-Baccarne) in zijn genre een standaardwerk over wat
gebeurde bij de vorming van de noodrand van de Ieperboog en vooral: wat er
aan vooraf ging. Een ouder werk en nauwelijks nog te vinden van hetzelfde
duo: Poelkapelle 1914-1918 bevat enkele van de meest bekijvende bladzijden
uit het hele werk van deze auteurs over het lot de burgers die Poelkapelle
niet (tijdig) ontvlucht waren. Minstens even sterk aan te bevelen is "Het Malheur van de Keizer" (Dirk Decuypere) dat handelt over Geluwe en waarin uiteraard de inval van de
Duitsers uitgebreid aan bod komen. Een taaie brok om te doorbijten maar heel
secuur is "Halfweg Menin Road en Ypernstrasse" (Jan Vancoillie) over
Geluveld. Wie een met wetenschappelijke precisie gemaakte samenvatting van
voornamelijk Duitse en Britse "regimentverslagen" wil lezen zal aan dit boek
een vette kluif hebben. Moeilijk te vinden en reeds lang geleden uitgegeven is
een gedenkboek " Beselare 1914-18" van J. Maes, "Passendale
1914-18" van G.Versavel en "Zonnebeke 1914-18" van Aleks en Andre
Deseyne.Over "Moorslede 1914-18, morsdood en toch herboren" maakten Robert
Houthaeve en Norma Lecluyse een soort dorpsdagboek van wat toen gebeurde in
dit dorp net achter het front. Van andere signatuur is " Het drama van Esen" van L. Ervinck en S.
Debaeke die met meer afstandelijkheid en drang naar historische precisie
werd geschreven. Een wel heel aparte plaats neemt "Staden 1914-18" in,
geschreven door Paul Billiet die als kind ooggetuige was van de
gruwelijkheden. Die feiten waren ook de inspiratiebron voor streekgenoot
Willy Spillebeen voor zijn roman "'de andere oorlog, herinneringen aan de
toekomst" : inhoudelijk maar ook en vooral stilistisch een meesterwerk. Ook
Roger Lampaert heeft bijna een halve bibliotheek volgeschreven over de
eerste wereldoorlog : in "Modder voor het vaderland" wordt uitvoerig
aandacht besteed aan de gevechten in oktober-november 1914. Over
de kerstvrede verscheen onlangs een uit het Duits vertaald boek: De Kleine
vrede in de Grote Oorlog" van Michael Jürgs. Dit nogal rommelig
samengesteld boek bevat anderzijds heelwat getuigenissen en foto's (ook op
de voorpagina) die soldaten tijdens het Kerstbestand maakten. Dit alleen
al maakt het boek prijzenswaardig en bovendien weet de auteur feiten
en feitelijkheden treffend te duiden in dit, naar ons gevoel toch te
snel geschreven boek.
|
|